• Oogst week 16 – 2020

    De onbevlekte

    De Vlaamse auteur Erwin Mortier (1965) publiceert fictie, gedichten en essays, maar is ook ghostwriter en vertaler. Hij kreeg zowel de Debutantenprijs als het Gouden Ezelsoor voor zijn eerste roman Marcel uit 1999. Later won hij onder meer de Cees Buddingh’-prijs en de AKO Literatuurprijs met andere boeken. In Marcel is de hoofdrol weggelegd voor een plattelandsjongen die ontdekt dat zijn familie sinds de Tweede Wereldoorlog een geheim met zich meedraagt. Dat geheim heeft alles te maken met Marcels grootoom, die ook Marcel heette en SS-soldaat was.

    Nu, ruim twintig jaar later, heeft Mortier een vervolg op deze roman geschreven: De onbevlekte. Marcel is inmiddels volwassen en wil weten waarom hij is vernoemd naar zijn grootoom. Om dat donkere verleden naar boven te halen, moet hij diep graven. Dat levert een complex, prachtig geschreven verhaal op.

    De onbevlekte
    Auteur: Erwin Mortier
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    Viktor

    De Tweede Wereldoorlog speelt ook een grote rol in Viktor, de debuutroman van de Nederlandse schrijver Judith Fanto (1969). Dit verhaal begint in 1914 in Wenen, wanneer de zesjarige Viktor Rosenbaum een ander kind redt van de verdrinkingsdood. Als Viktor volwassen wordt, bestaat zijn leven vooral uit feestjes en het niet afronden van studies. Pas in 1938 komt hier een einde aan: tijdens de Anschluß moet hij zijn geliefden beschermen. Dit doet hij met alle heldhaftigheid, vindingrijkheid en brutaliteit die hij in zich heeft.

    Meer dan een halve eeuw later ziet Geertje haar familie lijden onder de Joodse identiteit. Over Viktor, de broer van haar grootvader, wordt door niemand meer gesproken. Dat wakkert haar nieuwsgierigheid aan: ze wil weten wie hij was en gaat op onderzoek uit. Daarbij ontdekt ze een familiegeheim. Viktor is een waargebeurd verhaal.

    Viktor
    Auteur: Judith Fanto
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Victor

    Toevallig is er nóg een debuutroman verschenen die Victor heet, alleen nu met een c. Deze roman heeft niets te maken met de Tweede Wereldoorlog. Hij is geschreven door de Nederlandse auteur David Steenmeijer (1996), die opgroeide in een gezin vol boeken, maar zelf niet van lezen hield. In Victor wordt een psychologiestudent gedomineerd door zijn moeder en zijn vriendin. Via een bevriende dj belandt hij in het nachtleven, een wereld waar alles mogelijk is. Victor ontmoet er zelfs de perfecte vrouw. Eindelijk lijkt hij het geluk te hebben gevonden, maar lang duurt dat niet. Terwijl hij steeds meer van het nachtleven ontdekt, wordt hij ook steeds dieper in zijn eigen onderwereld gezogen. Peter Buwalda noemde Victor ‘een meeslepend debuut’.

    Victor
    Auteur: David Steenmeijer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Identiteit

    Identiteit

    Er zijn schrijvers waarvan je elk nieuw boek blind koopt. Dat geldt ook voor overleden schrijvers als er een nieuwe boekvertaling verschijnt. Plots zijn ze herontdekt, goede literatuur is tijdloos. Na Gloed van Sándor Márai werd het een na het andere vertaalde boek van deze Hongaarse schrijver uitgebracht. Een ander voorbeeld is de Noor Knut Hamsun. En de Tjech Karel Čapek (1890 – 1938), van wie met enige regelmaat een nieuwe titel verschijnt, steeds vertaald door Irma Pieper in schitterend Nederlands. Deze drie schrijvers behoren tot mijn favorieten.
    Mijn kennismaking met Čapek begon met Een doodgewoon leven (1934), waarin de hoofdpersoon geen geëxalteerde held is, maar een eenvoudige spoorwegbeambte, een man als iedereen. Wanneer hij zijn memoires schrijft, blijken die verrassende inzichten in zijn persoonlijkheid te verschaffen. Hij is complexer dan hij altijd had gedacht, een inzicht dat we volgens Čapek op onszelf kunnen betrekken.

    Čapek schreef ook een paar zeer fantasievolle boeken. In Oorlog met de Salamanders (1936) wordt de mens voor de kust van een Aziatisch eiland geconfronteerd met een hyperintelligent salamandersoort. Het is een satire op totalitaire (onmenselijke!) systemen en inspireerde Orwell tot het schrijven van Animal Farm. In Oorlog met de Salamanders klinken de echo’s van Swifts Gulliver’s Travels en Defoes Robinson Crusoe door.
    Kritiek op het vooruitgangsgeloof vinden we al in het vroegere Krakakiet (1924) over een ingenieur die een raadselachtige, verwoestende springstof uitvindt, een briljante vooruitwijzing naar de ontwikkeling van de atoombom. Natuurlijk wil iedereen dit krakakiet hebben, met alle gevolgen vandien. Behalve verbeeldingsrijk zijn Oorlog met de Salamanders en Krakakiet ook nog eens ongelooflijk spannend.

    Ook het in 2017 verschenen Meteoor (1934) was direct op mijn stapel nog te lezen boeken beland. Omdat ik meer favoriete schrijvers heb, kwam ik er pas dit jaar aan toe. Het boek kan als een pendant gezien worden van Een doodgewoon leven. Alleen gaat het ditmaal over wat we kunnen weten van andermans leven, in dit verhaal dat van een neergestorte vliegenier, die onherkenbaar verbrand is en in coma ligt. Vanuit verschillende perspectieven lezen we vier mogelijke geschiedenissen, waaruit een fantastisch beeld oprijst van deze mysterieuze figuur.
    In het dit jaar verschenen Hordubal (1933) wordt er eveneens getracht de waarheid te achterhalen en hanteert Čapek opnieuw een wisselend vertelperspectief. Aan de lezer om ermee aan de slag te gaan.
    Dat is de kracht van fictie en van een goede schrijver: verschillende waarheden te verbeelden en je na te laten denken over je eigen identiteit.

     

    Een doodgewoon leven, Oorlog met de Salamanders, Krakakiet, Meteoor en Hordubal verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Oogst week 39 – 2019

    Alle verhalen

    Clarice Lispector (1920-1977) was een Braziliaans auteur die internationale faam verwierf met haar romans en korte verhalen. In Alle verhalen zijn zesentachtig korte verhalen opgenomen die Lispector schreef, sommige als jongvolwassene, andere als ervaren auteur. Hierdoor vormt haar ontwikkeling als schrijver een rode draad binnen het boek. Benjamin Moser, die eerder een biografie over Lispector publiceerde, stelde Alle verhalen samen en ook de inleiding is van zijn hand.

    De korte verhalen bevatten, net als Lispectors romans, zowel humor als een filosofische ondertoon. In sommige verhalen is de thematiek uit latere romans al aanwezig, terwijl andere op zichzelf staan en haar vakmanschap illustreren.

    Alle verhalen
    Auteur: Clarice Lispector
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Hier is alles nog mogelijk

    Een vrouw werkt als nachtwaakster bij een verpakkingsfabriek die binnenkort zal sluiten. Iedere avond is voor haar hetzelfde, tot ze hoort dat er een wolf op het terrein is gesignaleerd. Dat blijkt niet de eerste vreemde gebeurtenis: niet ver van de fabriek valt een man uit het vliegtuig en er wordt een bank overvallen door iemand die wel heel sterk op de vrouw lijkt.

    Hier is alles nog mogelijk is het debuut van de Zwitserse auteur Gianna Molinari (1988). Het is een verrassend verhaal over het verkennen van de grenzen. In Zürich richtte Molinari een actiegroep op om vluchtelingen te helpen, een thema dat ook doorklinkt in Hier is alles nog mogelijk. Het boek won meerdere prijzen en stond op de longlist van de Deutscher Buchpreis.

    Hier is alles nog mogelijk
    Auteur: Gianna Molinari
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De grom uit de hond halen

    Iduna Paalman (1991) publiceerde in diverse literaire tijdschriften en stond op podia als De Nacht van de Poëzie en het Geen Daden Maar Woorden Festival. Daarnaast won ze de Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2012 verscheen Hee maisje!, een bundeling van blogs. De grom uit de hond halen is haar poëziedebuut.

    Een centraal thema in deze bundel is gevaar. Paalman schrijft over wantrouwen, sprookjes en (ongeschikte) schuilplaatsen. Uit de flaptekst van De grom uit de hond halen: ‘In haar zinnen spreekt het gevaar je geruststellend toe, maar wat moet je geloven? Kun je de rekenfout uit een staalconstructie halen, liefde vasttimmeren in een nieuw huis, onbezorgd blijven als je naast een sluipschutter zwemt?’

    De grom uit de hond halen
    Auteur: Iduna Paalman
    Uitgeverij: Querido
  • Memorabel proza dat leest als muziek

    Memorabel proza dat leest als muziek

    Ook in eenvoud kan schoonheid worden gevonden. Dat bewijst de Noorse auteur Tomas Espedal (1961). Hij schreef zestien boeken en won meerdere literaire prijzen, Buiten de orde is zijn tweede boek in vertaling van Marianne Molenaar. Op het eerste gezicht lijkt het verhaal simpel: een achtenveertigjarige man wordt verliefd op een vrouw van vierentwintig.
    Het boek bestaat uit herinneringen, aantekeningen, observaties en citaten, niet altijd chronologisch. De ik-persoon, die net als de auteur Tomas heet, neemt de lezer mee op reis door zijn leven. Hij schetst zijn vorige relaties, zijn overleden vrouw, zijn dochter, zijn werk als schrijver en de moeite die het hem kost om romans op papier te zetten.

    Muzikale taal

    Buiten de orde leest als muziek: de taal dringt niet alleen je hoofd binnen, maar ook je hart. Dit is bijvoorbeeld de manier waarop de Tomas uit het verhaal zichzelf omschrijft: ‘Een brede mond, volle lippen, zijn lippen zijn gegroefd en er zitten littekens rond zijn mond van een gevecht of kwetsuur, hij heeft een grof en rimpelig gezicht. Misschien is het gehavend door eenzaamheid, of door te veel genot, het is onmogelijk te zeggen wat er in het gezicht schuilt, maar juist dat gehavende is het mooie aan hem; zij vindt dat hij een mooi gehavend gezicht heeft.’
    Later wordt duidelijk dat werken in een fabriek de oorzaak is van de littekens: Tomas lag op zijn zestiende een zomervakantie lang onder de machines terwijl er olie op zijn gezicht lekte. Dit is tekenend voor de rest van het boek, waarin de hoofdpersoon eenvoudige gebeurtenissen romantiseert.

    Een vacuüm van taal en schoonheid

    Een belangrijk thema in Buiten de orde is de tegenstelling tussen binnenshuis en de buitenwereld. Het begint al bij de fabriek waar Tomas als jongen werkte, hij weet niet meer zeker of het een warme zomer was, aangezien het tussen de machines altijd koel was. Wanneer hij volwassen is, reist hij met zijn vrouw Agnete naar Guatemala en Nicaragua, waar ze wonen in huizen met tralies voor de ramen. Agnete kan er werken als activistische actrice; Tomas blijft thuis om voor hun dochter te zorgen en door de onrust in beide landen moet hij binnen blijven. Later in het boek is het de buitenwereld die Tomas’ relatie met de vierentwintig jarige studente afkeurt, waardoor zij zich terugtrekken in zijn huis.

    Er zijn verwijzingen naar andere schrijvers, zoals Ovidius en Knausgård. Buiten de orde verhaalt, net als Ovidius’ Metamorfosen, dat alles op de wereld continu verandert, maar dat niets geheel verdwijnt, ook de liefde niet. Beide boeken stralen tijdloosheid uit, een vacuüm van taal en schoonheid dat de lezer tot het einde betovert. Knausgård is, net als Espedal, een Noorse auteur met een oeuvre dat autobiografische elementen bevat. Het is interessant hoe Espedal met deze verwijzingen speelt, bijvoorbeeld wanneer Tomas en zijn vriendin tegelijk één van Knausgårds boeken lezen: ‘Tot ik mijn boek neerlegde en haar aankeek; heb je dat gelezen? vroeg ik. Dat hij durft, het is ongelooflijk, hij maakt zichzelf kapot, zei ik.’

    Romantiek versus verstand

    Hoewel Tomas pas achtenveertig jaar is, voelt hij zich soms ouder: ‘Gaat dat zo: dat de ouderdom komt op een nacht als je alleen in bed ligt, zomaar opeens, als een schaduw in het vertrek; legt zich over je heen, drukt je neer op het bed, houdt je hoofd vast in een vreselijke greep en blaast ijs in je mond.’

    Net als in veel klassieke verhalen is de liefde hier verbonden met de dood: alleen zijn betekent dat de ouderdom vrij spel heeft. De stad en het platteland, de oude man met het jonge meisje, zelfs Tomas die Agnete opzoekt in Rome, de stad van de liefde – Buiten de orde zou samengevat kunnen worden in een opeenvolging van clichés. Na het lezen zijn het echter niet de clichés die blijven hangen. Het lijkt niet om het verhaal te gaan, maar om de manier waarop het verhaal is geschreven. Espedals ritme en romantiek overwinnen het verstand.

    Liefdesbrief aan de literatuur

    Tomas vindt het lastig om te schrijven over zijn geliefden: Agnetes naam noemt hij regelmatig, maar zij is in het heden overleden. Zijn eigen naam wordt tussen de regels door genoemd, alsof hij is vergeten hem weg te halen uit zijn notities. Pas op driekwart van het boek wordt duidelijk hoe zijn dochter heet. Daardoor lijkt het verhaal autobiografisch, wat de intensiteit nog verder versterkt.
    Buiten de orde lijkt op het eerste gezicht een eenvoudig boek, maar is in staat de lezer te betoveren. De vertaling door Marianne Molenaar is zo goed dat deze betovering in het Nederlands standhoudt. Niet alleen bevat het verhaal liefdesbrieven, zelf is het ook een liefdesbrief aan de muzikaliteit van taal en de kracht van literatuur. Het resultaat is prachtig, memorabel proza dat je niet leest, maar ervaart. Hoewel Buiten de orde een dun boek is, leest het als een heel leven.

     

  • Oogst week 47 (2018)

    Zijnsvariaties. Verbovelden

    Gelijktijdig met de uitreiking van de eerste Sybren Poletprijs, -een oeuvreprijs van een Nederlandstalige auteur die schrijft in de geest van Polets werk– is vorige week de bundel Zijnsvariaties Verbovelden van Sybren Polet verschenen.

    Zijnsvariaties Verbovelden is een bundel die is samengesteld uit handgeschreven versies van voltooide gedichten die postuum gevonden werden en nog niet eerder gepubliceerd zijn. Als eerbetoon aan de dichter geven de Polet-Stichting en Uitgeverij Wereldbibliotheek deze bundel uit met facsimiles van het handschrift en de door Elice de Gier en Laurens Ham bezorgde tekst.

    Vorige week, op 18 november 2018, werd de Sybren Poletprijs 2018 uitgereikt aan dichter, roman- en theaterschrijver Peter Verhelst. Vanaf nu wordt de prijs elke drie jaar uitgereikt.

    Polet zelf zou blij geweest zijn met deze winnaar. De jury haalt in het juryrapport zìjn woorden die hij over het werk van Verhelst schreef in Crito, ik ben de literatuur nog een haan schuldig, een bundel notities uit 1986:

    open of opengewerkte structuren als uitvalbases naar zich uitdijende periferieën, permanente overschrijdingen van eerder, door anderen of zelf gestelde, grenzen, het ontkennen van te centralistische uitgangspunten via middelpuntvliedende constellaties nadát – vaak tevergeefs – een centrum gezocht werd of centra werden ontworpen.’

     

    Zijnsvariaties. Verbovelden
    Auteur: Sybren Polet
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek (2018)

    Wat doen wij hier?

    De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson (1943) zal op 15 december 2018 de openinglezing houden op de Nexus-conferentie ‘The Battle Between Good and Evil’.

    Robinson, filosoof, theoloog en professor Creative writing en bekend van o.a. van de romans Gilead, Thuis en Lila, wordt als een van de meest toonaangevende religieuze denkers van onze tijd beschouwd.

    Haar meest recente boek is Wat doen wij hier? ‘In een roerige tijd waarin we volgens Marilynne Robinson tussen links en rechts heen en weer worden gesleurd in een draaikolk, vraagt ze zich af wat het betekent om mens te zijn.
    Dankzij haar kennis van theologie, geschiedenis en literatuur brengt zij een verloren verleden in verband met het heden, en schenkt zij aandacht aan grote levensvragen als: waarom bestaan wij, hoe moeten wij leven? In prachtig proza pleit ze voor het omarmen van de ideeën van grote denkers, en reflecteert ze op het hedendaagse politieke klimaat en op geweten, geloof, geluk, liefde, schoonheid en wat het betekent om te leven.’

     

    Wat doen wij hier?
    Auteur: Marilynne Robinson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2018)

    De wereld als leugen

    Paul Gellings vertelt op zijn website waar zijn nieuwe boek De wereld als leugen over gaat:

    ‘Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshowpresentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen. Volgt een spel van aanhalen en afstoten en uiteindelijk een wonderlijke biografie die Myra’s woede wekt en Milan zelfs op niet mis te verstane bedreigingen komt te staan. Hij beseft dat er in zijn geval geen scheidslijn meer loopt tussen bovenwereld en onderwereld en dat hij een passend antwoord moet zien te vinden op zijn netelige situatie.
    Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Met name schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak. Tijl is een soort grote broer, een mentor, die Milan geregeld aan het denken zet en hem ook probeert te behoeden voor het wespennest waarin Milan zich heeft gestoken door zich met iemand als Myra Melchior in te laten.
    Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden…’

    De wereld als leugen
    Auteur: Paul Gellings
    Uitgeverij: Uitgeverij Passage (2018)

    Revisor 21

    Tot slot aandacht voor Revisor nummer 21, waarin nieuw werk is verschenen van Alejandra Costamagna, Elisabeth Tonnard, Gilles van der Loo, Jens Meijen, Victor Frölke, Merel van Slobbe, Jilt Jorritsma, Han van der Vegt, Nikki Giovanni, Mathijs Deen, Miek Zwamborn, Roman Helinski en Marieke Lucas Rijneveld.

    Revisor 21
    Auteur: Revisor
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Oogst week 44

    De dochter van Crusoe

    Deze week een vertaalde roman uit 1985 van Jane Gardam, poëzie van Karel Wasch, een kerstverhaal zonder woorden van Frank Flöthmann en een roman van de Duitse schrijver Uwe Timm.

    Jane Gardam (1928) publiceerde meer dan dertig boeken waaronder romans, verhalen en kinderboeken. Ze is de enige auteur in Engeland die twee keer met de Whitbread/Costa Award werd bekroond. Toch maakten wij in Nederland pas in 2017 kennis met haar door de uitgave van de Old Filth-trilogie bij uitgeverij Cossee die direct een groot succes werd.
    De roman De dochter van Crusoë uit 1985 werd onlangs vertaald. Het boek is deels gebaseerd op Gardam’s eigen jeugd en die van haar moeder in het Yorkshire van begin vorige eeuw.
    De zesjarige Polly Flint wordt bij twee vrome tantes achtergelaten in een huis aan de Engelse kust. Met om zich heen niets anders dan de duinen en een uitgestrekt landschap leest Polly zich de dagen door. Daarbij ontwikkelt ze een grote verwantschap met Robinson Crusoë: zij leeft immers net als Crusoë eenzaam en verlaten aan de kust en ze zijn beiden de held van hun eigen verhaal. De beschrijvingen van het leven van Polly strekt zich uit over acht decennia. Ze ontmoet de liefde en de overzichtelijke Victoriaanse eeuw maakt plaats voor de grote veranderingen van de twintigste eeuw. We worden meegenomen in de veranderingen in het leven van Polly en hoe het huis aan de Engelse kust omsloten wordt door woonwijken en autowegen.

    En ja, het is zoals de schrijver Ian McEwan al zei: ‘Jane Gardams boeken behoren tot de grote schatten van de Engelse literatuur.’

    De dochter van Crusoe
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Cossee, Uitgeverij

    Icarië

    In het werk van Uwe Timm (1940) spelen autobiografische apsecten en het verleden van Duitsland een grote rol. Zijn boek Mijn broer bijvoorbeeld (2003) gaat over zijn zestien jaar oudere broer die bij de Waffen-SS diende en in 1943 in Oekraïne is gestorven. Het werd door NRC Handelsblad geselecteerd als een van de beste boeken van 2003. In eigen land ontving hij dit jaar de prestigieuze Schiller-Preis voor zijn hele oeuvre.

    Ook in Icarië dat zich afspeelt in het Duitsland van 1945, verweeft hij feiten met fictie. De oorlog is verloren en geallieerde troepen rukken op langs verwoeste steden. De Amerikaanse officier Michael Hansen krijgt opdracht van de geheime dienst uit te zoeken welke rol de vooraanstaande rassenhygiënicus dr. Alfred Ploetz heeft gespeeld in het Derde Rijk. Hansen verricht zijn werk vanuit een geconfisqueerde villa, legt beslag op een luxe cabriolet en wordt verliefd op de jonge Duitse weduwe Molly.
    Uwe Timm wilde al meer dan veertig jaar over dr. Alfred Ploetz – die de grootvader van Timm’s vrouw is en van grote invloed was op de rassenleer van de nazi’s – schrijven. Nu het zich eindelijk liet schrijven is het evenals Mijn broer bijvoorbeeld, een zeer persoonlijk werk geworden waarvoor hij een indrukwekkende hoeveelheid research pleegde.

    Icarië
    Auteur: Uwe Timm
    Uitgeverij: Podium

    Het geluid van denken

    Dichter, biograaf, columnist en essayist, Karel Wasch, publiceert voor het eerst een gedichtenbundel bij uitgeverij In de Knipscheer. Zijn gedichten gaan over liefde en schuld, en indringende thema’s als een tragische vriendschap, een zieke moeder, katholieke rituelen als een processie en spanningen in een gezin. In deze bundel neemt de dichter de lezer mee op een odyssee door zijn leven, maakt hem deelgenoot van zijn ontheemding, de turbulenties in zijn geest. Volgens de uitgever is Het geluid van denken ‘een bundel voor de poëzieliefhebber, persoonlijk, gedurfd en buiten de gebaande paden van de mediawerkelijkheid.’
    En kan gelezen worden als een poëtische autobiografie ‘waarbij de lezer als een blinde een beeld aftast, voelt wat het voorstelt en er zo zijn eigen betekenis aan geeft.’

    Het geluid van denken
    Auteur: Karel Wasch
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Stille nacht

    De tekenaar Frank Flöthmann maakte al eerder van traditionele vertellingen een getekende versie; zonder tekst. Daarbij is het steeds weer verbazend hoeveel informatie Flöthmann kwijt kan in enkele simpele beelden.
    Zo hertekende hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus waarbij de enige woorden gebruikt worden voor de inleiding die aldus luiden: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

    Zo heeft hij nu ook het kerstverhaal met tekeningen vertaald naar deze tijd. Waarin vragen naar voren komen als: ‘Wat geef je een kind dat de hele wereld in zijn hand houdt? En als dat kind de zoon van God is maar niet wil slapen, houdt zijn stiefvader dan ook nog van hem? En is het wel verantwoord van de Drie Wijzen om een klein kind zo veel geschenken te geven?’ Een kerstverhaal met humor en liefde voor detail en zonder woorden: dat prikkelt de verbeelding.

    Er wordt gezegd dat zijn boek over het kerstverhaal behoort tot de hoogtepunten van de stille strips.

    Stille nacht
    Auteur: Frank Flöthmann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Een bijbelse parabel 

    Een bijbelse parabel 

    Uitgeverij Wereldbibliotheek geeft opnieuw het werk van de Griekse schrijver Nikos Kazantzakis (1882-1957) uit. Vorig jaar verscheen Leven en wandel van Zorbás de Griek, dit jaar verscheen zijn roman uit 1948, Christus wordt weer gekruisigd  in een nieuwe vertaling van Hero Hokwerda. Voor volgend jaar staat een nieuwe vertaling van Kapitein Michalis op de rol. Al deze drie boeken zijn verfilmd. Kazantkis schreef een omvangrijk literair oeuvre; in 1957 verloor hij met één stem verschil de Nobelprijs aan Albert Camus.

    Kort na de oorlog was Kazantkis politiek actief geweest als leider van een kleine sociaaldemocratische partij. Zijn doel was om de niet-communistische progressieve Grieken te verenigen, maar dat mislukte: zij kregen geen voet aan de grond en werden vermalen tussen de communisten en conservatieven. Teleurgesteld verliet Kazantzakis zijn land en vestigde zich in Zuid-Frankrijk waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Hij overleed uiteindelijk in Duitsland en is begraven op Kreta.

    Een bijbels verhaal
    In het rijke Griekse dorp Lykóvrysi hebben de notabelen kort na Pasen de dorpelingen aangewezen die het volgende jaar het passiespel moeten gaan spelen. Dat wordt eens in de zeven jaar opgevoerd en de rolverdeling is belangrijk. Onder leiding van pope Grigoris kiezen de notabelen wie Jezus, Petrus, Johannes, Jacobus, Judas en Maria zullen spelen.
    De dorpelingen zijn welvarend, hun landerijen leveren veel op; zij leiden een leven van eten, raki drinken, en luieren.

    Diezelfde avond komt er grote groep Griekse uitgemergelde vluchtelingen in het dorp aan, die door de Turken uit hun dorp zijn verjaagd. Zij zijn al drie jaar op de vlucht en hopen in het welvarende Lykóvrysi ‘wortel te kunnen schieten’. De notabelen willen daar echter onder aanvoering van pope Grigoris niets van weten. De dorpelingen die zijn aangewezen om het passiespel te spelen zijn het daar niet mee eens en helpen de vluchtelingen aan een slaapplaats en eten. Zij identificeren zich al snel met hun rol en vanaf dat moment is het oorlog tussen de dorpelingen, de passiespelers en de vluchtelingen. Wanneer Michelis – Johannes – de erfenis van zijn vader, (wijn- en olijfgaarden, zijn huis) aan de vluchtelingen vermaakt, bereikt het conflict zijn hoogtepunt. Het dorp accepteert het niet, en stelt de herder Manolis –  Jezus  – hiervoor verantwoordelijk. Pope Grigoris hitst de dorpelingen op en zij lynchen Manolis: Christus wordt weer gekruisigd.

    De Turkse Aga (bestuurder) van het dorp roept de hulp in van Turkse troepen en voor die dreiging zwichten de vluchtelingen: zij vertrekken. Hoewel deze Christelijke roman een voorspelbare afloop kent met de dood van Jezus, is het einde wel positief: de vluchtelingen trekken verder, ‘in de richting van de opkomende zon’, een nieuwe toekomst tegemoet. Zij blijven optimistisch.

    Actualiteit
    De strijd tussen de welvarende dorpelingen en hongerige vluchtelingen vertoont opvallende gelijkenis met het huidige conflict in Europa over de opvang van vluchtelingen. In die zin is dit boek zeer actueel. De negatieve reactie van de dorpelingen op de komst van de vluchtelingen vertoont veel overeenkomst met de reactie in vele Europese landen op de komst van asielzoekers.

    Dat Christus weer wordt gekruisigd is evenwel geen hoopvol teken: de mensheid heeft in die 2000 jaar weinig geleerd en valt in herhaling. En ook hedentendage is de opvang van vluchtelingen in Europa geen vanzelfsprekende menslievendheid. De huidige Duitse christendemocratische premier Merkel is bijvoorbeeld zwaar bekritiseerd om haar uitspraken, verketterd bijna, en haar politieke lot hangt aan een zijden draadje.

    Kazantzakis had weinig op met het geloof zoals dat in zijn tijd werd beleden. Wel was hij geïnteresseerd in de betekenis van religie  voor de mensheid. Het bleef hem zijn leven lang bezighouden; hoewel voormalig communist vond hij religie uiteindelijk wel belangrijker dan politiek: het gaf meer hoop en vooral zicht op een leven na de dood.

    Ook het antagonisme tussen Griekenland en Turkije is verweven in het verhaal. Lykovrysi staat onder leiding van de Aga, die het Turkse gezag personificeert en verantwoordelijk is voor de openbare orde. Hij doet niet veel, laat bijna alles over aan de dorpelingen zelf en grijpt alleen maar in wanneer pope Grigoris daarom vraagt. Wanneer de vluchtelingen vanuit hun holen in de rotsen naar het dorp willen komen, houdt hij ze op verzoek van pope Grigoris tegen. Hij begrijpt van die Grieken niet veel, maar doet het wel omdat hij inziet dat zijn rust anders wordt verstoord. Het boek opent ook met hem:

    Op zijn balkon boven het dorpsplein zit de Aga van Lykovrysi zijn lange pijp te roken en raki te drinken. De Aga laat zijn doezelige ogen half dichtzakken en schept behagen in de bovenwereld. Alles is wel gedaan door God, denkt hij, deze wereld is een geslaagd geheel waar niets aan ontbreekt: krijg je honger, dan is er brood en stoofvlees in tomatensaus en pilav met kaneel; krijg je dorst, dan is er het onsterfelijke water, de raki; word je doezelig, dan heeft God de slaap gemaakt, precies wat je nodig hebt bij doezeligheid; word je boos, dan is er de bullepees en het achterwerk van de raya (niet-mohammedaans onderdaan van het Ottomaanse Rijk); wordt het leven te even te veel, dan heeft hij het amanlied (klaaglied) gemaakt. En wil je de zorgen en smarten van de wereld vergeten, dan heeft hij Joesoefje gemaakt. 

    Een groot vakman, die Allah, mompelt hij geroerd. Een groot vakman, een levensgenieter en niet op zijn achterhoofd gevallen. Hoe is Hij me daar op het idee gekomen raki te maken, en Joesoefje.’

    Hiermee is de levensfilosofie en het karakter van de Aga mooi beschreven en deze roman er staat vol met dergelijke mooie beschrijvingen. Alle personages worden zo beschreven en gekarakteriseerd, ze gaan niet alleen voor je leven maar ook de leefgemeenschap van het dorp krijgt daarmee zijn betekenis. Het verhaal vervolgens is een rijk epos, lyrisch en beeldend beschreven. Allerlei verwikkelingen in het dorp, de onderlinge relaties en ruzies tussen de dorpelingen, het conflict tussen Michelis en zijn vader, de tegensteling tussen de rijke dorpelingen en arme vluchtelingen, het innerlijke conflict van Manolis als gevolg van zijn rol als Jezus, de mooi geschreven dialogen tussen de personages maken het boek zeer lezenswaardig.

     

     

  • Lessen van een knorrige oude man

    Lessen van een knorrige oude man

    Ze bestaan ook in Finland, de oude knarren die handelen en denken zoals ze dat in hun jeugd hebben geleerd en die nooit voldoende redenen hebben gezien om daarvan af te wijken.
    En waarom zouden ze geen gelijk kunnen hebben?
    Dat is zo ongeveer het thema van Vroeger was alles beter van de Finse schrijver Tuomas Kyrö.
    Zijn ruim 80-jarige hoofdpersoon vindt dat de wereld sinds ongeveer 1954 er alleen maar op achteruit gegaan is en tegenwoordig vooral geregeerd wordt door lawaaischoppers.
    Niet dat hij zich daar iets van aantrekt, want hij is een weldenkend mens. Waarvan er heel veel bestaan, meent hij te weten.

     ‘Je vindt ons in Iran, in Noord-Korea, Rusland, Lahti, Oulainen, Opper-Volta en Congo. We staan gewoon niet vooraan te schreeuwen voor een televisie-camera. (…) Weldenkende mensen zitten op de achtergrond koffie te drinken (…) en vragen zich af waarom de rest van de wereld zo’n herrie maakt.

    Aan het uiten van gevoelens doet hij niet, zelfmedelijden kent hij niet. Hij leeft van dag tot dag, netjes en bedaard, zoals het hoort. Zijn voornaamste bezigheid is het dagelijkse bezoek aan de dementerende ‘Moeder de Vrouw’, die een goed mens was en hem en de zoon altijd voorzag van nette kleren en stevig voedsel. In zijn bejaarde ‘Voort Escoort’ naar haar verblijfplaats rijdend kijkt hij naar de veranderende wereld om hem heen met misprijzen en hoofdschuddend.
    Zijn zoon, die hem geregeld bezoekt, hanteert het ‘zeg maar’-idioom en de oude baas kijkt naar hem met een mengeling van ergernis en vaderliefde. De vrouw met wie de zoon getrouwd is, zeg maar de schoondochter, is duidelijk een gevaar voor zijn gemoedsrust, iemand met stellige opvattingen. Die heeft hij zelf al méér dan genoeg, daar hoeft niets aan toegevoegd.
    Kortom een Clint Eastwood, maar dan uit Finland.

    Leven zonder ironie
    Als hij bezig is zijn testament annex necrologie op te stellen, een stuk waarin hij ook zijn opvattingen zal vastleggen, leest hij zijn zoon er een stukje uit voor.

    ‘Ik vroeg aan mijn zoon hoe het tot nu toe klonk. (…) Mijn zoon vond dat de tekst een sterke zuigkracht had. Ik wist niet of hij het meende of dat hij die aangeboren afwijking heeft die kenmerkend is voor zijn generatie, namelijk ironie, een woord dat ik in het leenwoordenboek heb opgezocht. Toen ik jong was, was ironie nog niet eens uitgevonden. Je zei wat je bedoelde en anders hield je je mond. Over lastige kwestie werd in stilte nagedacht, of ze bleven de rest van je leven binnen in je sudderen. Natuurlijk komt er ooit schimmel op te staan in je hoofd, maar dat hoort bij het leven, al kun je schimmel beter niet in je huis hebben. ‘

    Terwijl hij – houtbewerker van beroep – bezig is zijn eigen doodskist te maken (zonde om daar geld aan uit te geven) krijgt hij een ongelukje en komt terecht in het ziekenhuis in Helsinki.
    Als hij daar uit zijn bewusteloosheid wakker wordt maar dat voorzichtigheidshalve nog niet laat merken hoort hij hoe zijn zoon en schoondochter kibbelen over het invullen van een formulier waarin de patiënt zo goed mogelijk omschreven moet worden.

     ‘Vader is niet wat je noemt een traditionele grootvader, zeg maar…’ mijmerde mijn zoon.
    ‘Niet?’ reageerde mijn schoondochter meteen.‘Niet traditioneel? Hervormingsgezind dus? Modern? Ik zou eerder zeggen: een patriarch.’

    Ommekeer – een beetje
    Maar in het ziekenhuis verandert er iets in de oude baas. Noodgedwongen moet hij nu omgaan met andere patiënten en maakt kennis met wat hij noemt ’de beschaafde nozem’.
    Die bezorgt hem een schoottelevisie waar de lezer na enig denken een tablet in herkent. Het bezorgt hem de mogelijkheid om via Skype moeder de vrouw te zien en zijn zoon te instrueren over de wijze waarop zij gevoed moet worden. En al vegend over het scherm opent zich een nieuwe wereld voor hem met nieuws en documentaires en beelden van vreemde landen. Televisie kende hij, maar dit is stukken beter! De nieuwe techniek heeft toch iets goeds opgeleverd, moet hij constateren.
    Maar zijn behoefte om zijn eigen weg te blijven gaan is onverminderd en als zijn zoon en schoondochter hem met zachte aandrang in een verzorgingstehuis willen loodsen, zet hij hen voor een grote verrassing.

    Schrijver Tuomas Kyrö staat in Finland bekend als satiricus en maatschappij-criticus. Die kritiek laten verwoorden door een 80-jarige stijfkop en mensenhater lijkt niet de beste manier om je gelijk te krijgen. Maar het heeft wel geleid tot een amusant en bij wijlen hilarisch verslag van het leven van een voortploeterende oude baas.

     

  • Droom versus werkelijkheid

    Droom versus werkelijkheid

    Niels Lyhne wordt als een klassieker gezien en kreeg onlangs zijn derde vertaling vanuit het Deens in het Nederlands. Een eerste keer was dat in 1917, daarna in 1941 en nu opnieuw in 2014 in een frisse en hedendaagse benadering met respect voor het oorspronkelijke taaleigen door Annelies van Hees voor Uitgeverij Wereldbibliotheek Amsterdam wat haar de Amy Van Marcken-vertaalprijs opleverde.

    De roman van de Deense auteur (en dichter) Jans Peter Jacobsen (1847-1885), die in 1880 verscheen, werd al vrij vlug door belangrijke tijdgenoten zoals Rainer Maria Rilke en Thomas Mann als een belangrijk werkstuk beoordeeld en aangeprezen. Werkstuk? Jawel. Het is inderdaad een zorgvuldig opgebouwd geheel van bedenkingen en spirituele stellingnames die in het verhaal van een vrij uniek leven met zijn illusies, dromen en betrachtingen en zijn voor de hand liggende anekdotes zijn ingekapseld.

    Het boek is helemaal geen page turner en streeft er ook niet naar om een ietwat luie lezer met spannende plots en fantastische, ruwe, sensuele of extatisch ervaren gebeurtenissen te boeien en te laven. Dit betekent ook weer niet dat het levensverhaal van Niels Lyhne een eentonig vertoon zou zijn. Bij het monotone en serene van een gewone dag, van een stil verglijdende maand of van een glad gestreken jaar staat de auteur niet stil. Dat past gewoon niet in zijn verhalende visie noch in zijn maatschappijkritische filosofie die weggeborgen zitten in de roman van een leven. Alleen wat aanleiding kan geven tot het uitdiepen van een brokje gefilosofeer, van een naturalistische sfeerschepping, van vergeestelijking op tal van vlakken, wordt met aandacht voor de ingebouwde gedachtegang en met een enthousiast ontplooien van motieven en argumenten beschreven in vaak lange volzinnen die het repetitieve huldigen en die een rijke en warme bijwijlen ietwat romantische stijl huldigen, die thans veelal vermeden wordt of onbereikbaar blijkt te zijn.

    Droom en illusie
    Jacobsen heeft uit de realiteit een personage geplukt dat hij zodanig heeft aangepast en onderworpen aan een aantal van zijn fundamentele bedoelingen en zekerheden dat het de incarnatie of de reflectie van een geestelijk ideaalbeeld wordt. Hij heeft de ietwat intrigerende figuur gecreëerd van een gevoelige en dichterlijke landjonker die, boven alle mogelijke materiële zorgen verheven, een veelkleurige droom achternazit. Die droom kantelt telkens opnieuw in een ontgoochelende realiteit. Niels ‘schwärmt’ met begrippen of noem het droombeelden zoals vriendschap en liefde. Hij wil God uit zijn leven bannen en een overtuigde atheïst zijn. Hij streeft naar het schone in zijn veelheid van gedaanten en ervaart hoe het bijwijlen geïdealiseerde beeld van de vrouw als een breekbare spiegel uiteenvalt. Hij staat duidelijk model voor wat Jacobsen wil verkondigen, in vraag stellen, toetsen aan een vaak brute en ontnuchterende werkelijkheid bij middel van een diepzinnige en bewust literaire romanstructuur.

    Jacobsen poneert bedenkingen die eind van de negentiende eeuw ongetwijfeld vooruitstrevend bleken te zijn maar die op dit ogenblik nog steeds niet uitgeklaard zijn en het gezelschap hebben gekregen van nieuwe punten van discussie zonder dat de oude zijn opgelost. De lectuur van een ‘roman’ die ruim honderddertig jaar geleden werd geschreven toont op overtuigende wijze aan dat we (niet) goed bezig zijn!

    Wat zou, voor ons, het belang kunnen zijn, kan men zich afvragen, van een roman uit 1880, weliswaar van de hand van een niet onbelangrijke Deense romanschrijver en dichter, maar die toch de vertegenwoordiger is van een behoorlijk aantal maatschappelijke beschouwingen die geruime tijd geleden werden geformuleerd en die toen ongetwijfeld enige ophef hebben gemaakt in literaire en andere kringen? Wat in die tijd als frappant en geestelijk verheven werd bestempeld is dat eigenlijk ook nu nog, ook al blijkt het sociale kader waarin het leven van Niels Lyhne zich afspeelt gedateerd om niet te zeggen thans maatschappelijk irrelevant.

    Stijl en inhoud
    Lyrische volzinnen over de pracht van de natuur zowel in de zomer als in de winter, à la manière de Stijn Streuvels en over de geborgenheid van wat in het menselijke streven en denken omgaat zoals Elisabeth Langgässer in haar Onuitwisbaar Merkteken, zijn ogenschijnlijk niet meer van deze tijd, wat niet betekent dat zij niet meer kunnen worden gewaardeerd door de lezer die wat meer verlangt dan alleen maar korte suggestieve zinnetjes. Er is inderdaad meer dan alleen maar stijl. Ook inhoud mag in een roman worden verwacht. En die is hier ruimschoots voorhanden. Bedenkingen over de plaats van de vrouw in de maatschappij, over haar intieme denken en haar sensualiteit zijn nog steeds actueel ook al worden zij tegenwoordig veelal minder omfloerst en duidelijk directer en zelfs brutaler geformuleerd en gesmaakt.

    De droom van de centrale figuur om schrijver of dichter te worden is nog steeds een niet onbelangrijk en acuut gegeven in de hedendaagse literatuur dat ook al minder omzichtig wordt aangepakt dan in de roman van Jacobsen. Ook de afstand tussen droom en werkelijkheid staat wellicht niet zo aangrijpend en nadrukkelijk weergegeven vandaag de dag, maar hij beroert nog steeds onze kijk op de dingen en hun vaak fatale afloop.

    Niels is atheïst geworden vanuit een rustige en intens beleefde overtuiging. Hij discussieert daaromtrent met een vriend en overtuigt zijn jonge bruid van het zinloze van een God die alle ruimte voor zich opeist. Hij botst daarbij tegen vastgeroeste zekerheden maar blijft bewonderenswaardig tolerant ook al is zijn teleurstelling groot.

    Het levensverhaal van Niels kan voorbijgestreefd lijken qua benadering van de geëvoceerde problematiek en ook in enige mate door zijn ietwat oubollig opgedreven literaire stijl, maar als reflectie van de ‘wijsbegeerte’ van zijn tijd en als schaduw van wat ons nog steeds bezighoudt en verontrust, is dit een waardevol en verrijkend boek dat de geduldige en aandachtige lezer niet alleen zal bekoren maar ook stof tot nadenken bieden lang nadat de laatste zin gelezen is.

     

  • Voor een verloren vriendschap

    Voor een verloren vriendschap

    Als Jaïr Mozes zijn hotelkamer rondkijkt, wordt hij getroffen door een reproductie aan de muur: een grijsaard krijgt de borst van een jonge vrouw. Mozes laat via de receptie een kunsthistoricus komen die hem de achtergrond en de betekenis van het werk uitlegt. Het gaat om een afbeelding van de Caritas Romana, een thema dat door talrijke schilders is vastgelegd – deze reproductie is van Matthias Meijvogel, het oorspronkelijke werk hangt in het Nationale Museum van Budapest. De afbeelding op het schilderij vormt het centrale thema in Chesed Sfaradi, het laatste boek van de Israëlisch schrijver A.B. Yehoshua, zojuist in het Nederlands verschenen als Het eerbetoon. De man op het doek is Cimon, de vrouw die hem zoogt is zijn dochter Pero. Ze bezoekt hem in de gevangenis, waar hij dreigt van honger om te komen. Door haar moedermelk redt ze hem het leven – de autoriteiten zijn zó onder de indruk van haar opofferingsgezindheid en vaderliefde dat ze Cimon vrijlaten.

    Mozes verblijft een paar dagen in Santiago de Compostella waar een retrospectief van zijn werk is georganiseerd. Hij is een succesvol filmregisseur, de Spaanse gastheren hebben voor de gelegenheid een aantal van zijn films nagesynchroniseerd. Aan het eind van het eerbetoon volgt een plechtige prijsuitreiking. Mozes heeft ook Ruth meegevraagd, een actrice die in veel van zijn films optreedt. De keuze van de films blijkt niet willekeurig, de Spanjaarden vertonen vooral de films die Mozes aan het begin van zijn loopbaan heeft gemaakt, met een piepjonge, beeldschone Ruth; de films zijn geschreven door scenarist Sjaoel Trigano, een oud-leerling van Mozes, met wie een hechte band bestond. Trigano en Ruth vormden een liefdespaar en de scenarioschrijver was de drijvende kracht achter het experimentele werk dat ze maakten: art house-films die in de smaak vielen bij progressieve recensenten, maar waar nauwelijks publiek voor was. Het zal blijken dat Trigano de drijvende kracht achter het retrospectief is geweest.

    In Het eerbetoon worden Ruth en Mozes soms hard geconfronteerd met hun verleden – ze hebben de films al jaren niet meer gezien en herinneren zich nog ternauwernood de omstandigheden waaronder ze werden gemaakt. Ook doordat er destijds een heftig conflict ontbrandde met Trigano – ze zijn inmiddels niet meer on speaking terms en hebben elkaar uit het oog verloren. De Caritas Romana zet Mozes aan het denken: de ruzie ontstond over een scène waarin actrice Ruth haar net geboren kind ter adoptie had afgestaan en als onderstreping van die beslissing een bedelaar de borst gaf. Maar op het beslissende moment weigerde Ruth, ze liep weg van de set. Trigano was woedend, maar Mozes koos haar kant: je mag een actrice niet verplichten iets te doen waar ze onoverkomelijke bezwaren tegen heeft. ‘Verraad’, volgens de scenarioschrijver. De breuk was onherstelbaar.

    Het gegeven lijkt veelbelovend genoeg, maar Yehoshuas uitwerking is traag en taai. De lezer wordt uitdrukkelijk betrokken bij het herinneringsproces dat zich tijdens de retrospectief in de hoofden van Mozes en Ruth afspeelt. Zo’n beetje de helft van de lijvige roman wordt in beslag genomen door het navertellen van (fictieve) films; een beklemmende ervaring die je het zicht ontneemt op de rode draad, als die er al zou zijn. Mozes zegt herhaaldelijk dat hij zich weinig tot niets meer herinnert van zijn oude (‘onrijpe’) films, maar hij beschrijft het werk vervolgens tot in de kleinste details. En dan, tussen al die andere scènes door, springt plotseling de Caritas Romana weer in beeld  – o, ja, daar ging het over. Is het verhaal geïnspireerd door de loopbaan van de Israëlische filmer Uri Zohar? Er zijn enkele aanknopingspunten: Zohar is van dezelfde generatie als Yehoshua, maakte aan het begin van zijn loopbaan films met dezelfde thematiek als Mozes (man-vrouwverhouding; mannelijkheid; rol van het leger) en kreeg in 2012 een retrospectief – niet in Spanje maar in Parijs. Maar er zijn ook andere verwijzingen, bij voorbeeld naar het eigen leven van de schrijver: Ruth komt uit hetzelfde gebied in Marokko als Yehoshuas echtgenote. Doet het ertoe? Vermoedelijk niet.

    De omstreden scène komt scherper aan de orde op het eind van de roman, als Ruth en Mozes naar Israël zijn teruggekeerd. Mozes is vastbesloten om, aangezet door het terugzien van zijn oude films, met zijn verleden af te rekenen. Hij zoekt zelfs Trigano op en probeert de relatie te herstellen. Maar niet alles valt op zijn plaats, want het blijkt dat er geen enkel verband bestond tussen de Caritas Romana en de gesneuvelde scène – Trigano verklaart plechtig dat hij nog nooit van Cimon en Pero heeft gehoord en dus ook het schilderij van Meijvogel niet kent. Uit de context krijg je de indruk dat Trigano een verwend, bezitterig ventje was ten tijde van de ruzie (en misschien nog steeds is): hij kreeg zijn zin niet en hij was woedend dat Mozes zich met ‘zijn’ vrouw bemoeide; Ruth was van hem, hij had haar kunnen dwingen de scène toch te spelen, zoals hij haar eerder ook gedwongen had gratis en voor niks in zijn films te spelen en haar academische loopbaan voor hem op te geven. Zulk vrouwonvriendelijk gedrag lijkt Mozes niet te deren, ondanks zijn schijnbare genegenheid voor Ruth; hij heeft Trigano opeens weer nodig en is blijkbaar bereid voor hem door het stof te kruipen.

    Het eerbetoon zit vol van zulke ongerijmdheden, maar dat kan ook aan de slordige vertaling liggen: ‘heilig’ in plaats van ‘veilig’, ‘auteur’ in plaats van ‘acteur’; merkwaardige zinswendingen: iemand ‘uit een vloek’, of  ‘had de macht om haar weigering ongedaan te maken’, ‘vereenzelvigde zich met de weigering en scherpte deze aan’. Als Mozes en Trigano elkaar na zoveel jaar weer ontmoeten, verandert de auteur opeens van stijl: van de derde persoon gaat hij over op de tweede persoon. Symbolisch? Vooral: verwarrend, bij sommige dialogen weet je niet meer wie wat zegt. Het toppunt: hoe valt te rijmen dat de omstreden scène – het zogen van de bedelaar – door Mozes eerst gekwalificeerd wordt als ‘ziekelijk’ (terwijl hij als regisseur daar toch volmondig mee moet hebben ingestemd), terwijl hij zich zoveel jaar later in ruil voor een hernieuwde vriendschap met de scenarioschrijver laat dwingen opnieuw zo’n tafereel op te voeren – met Mozes zèlf in de rol van Cimon en een fotograaf om het allemaal vast te leggen – als ultieme vernedering? Ruth is dan al van het toneel verdwenen, het conflict is blijkbaar iets tussen twee hanige mannetjes geweest. Misschien is het daarom passend dat we na de 450 bladzijden van Het eerbetoon nog steeds niet weten of Ruth ook een achternaam had.

     

     

    Naar aanleiding van deze recensie ontving de redactie een reactie van vertaalster Hilde Pach. Met haar instemming publiceren wij deze reactie.

    Reactie van vertaalster Hilde Pach:

    Beste redactie,

    De mening van de recensent over het boek zal ik niet betwisten. Wel vind ik het jammer dat hij bijna het hele verhaal in zijn eigen woorden navertelt en zo de lezer de mogelijkheid ontneemt om bepaalde zaken zelf te ontdekken. Zijn opmerking dat de ‘ongerijmdheden’ wellicht veroorzaakt worden door de slordige vertaling kan ik als vertaler niet onweersproken laten. Ik heb het boek zojuist doorzocht op alle keren dat het woord ‘heilig’ gebruikt wordt, en er is geen enkel ‘heilig’ dat ‘veilig’ zou moeten zijn. Ik kan me wel voorstellen dat de recensent dat denkt, bijvoorbeeld als iemand zegt dat de stad ‘s nachts ook heilig is, maar de auteur heeft overal heus bewust voor ‘heilig’ gekozen. Hij heeft wel gelijk dat er één keer ‘auteur’ staat in plaats van ‘acteur’. Dat zal ik veranderen voor een eventuele volgende druk. De zinsneden die hij noemt, zijn niet slordig vertaald; Yehoshua heeft soms een wat eigenzinnig taalgebruik, dat ik in de vertaling niet helemaal verloren wil laten gaan. ‘Een vloek uiten’ klinkt mij trouwens heel normaal in de oren. Dat de auteur in deel 8 van de derde persoon naar de tweede overgaat, heeft een heel voor de hand liggende reden, die een beetje recensent zou moeten kunnen begrijpen. Probeer deze dialoog tussen twee mannen maar eens in de derde persoon te zetten en kijk wat er dan gebeurt. Juist dán zou je niet meer weten wie wat zegt. Jammer dat de recensent zich niet iets meer in de roman heeft willen verdiepen, maar dat is zijn goed recht. Niettemin bedankt voor de aandacht die u aan het boek geschonken heeft.

    Met de hartelijke groeten van Hilde Pach

     

  • De atoomkolonist van Prypjat

    De atoomkolonist van Prypjat

    De in 1986 ontplofte kernreactor in het Oekraïense Tsjernobyl wordt anno 2015 nog steeds verbouwd – met Europees geld – tot een betonnen sarcofaag die de eeuwigheid moet kunnen trotseren. De straling in de ruïne en omgeving is dermate hoog dat het gebied tot niemandsland is verworden, een zich vele kilometers uitstrekkende nucleaire Todesstreifen. De stad Prypjat ligt daar middenin, een spookstad die als symbool van de ramp bekendheid heeft gekregen door de beelden van een verlaten en overwoekerd kermisterrein. Toch leven er mensen in de afgesloten provinciestad, er is sprake van een geheime samenleving van overlevenden die nergens geaccepteerd worden en ervoor hebben gekozen op hun eigen grondgebied te leven en te sterven.

    Javier Sebastián duikt met De fietser van Tsjernobyl in de bizarre wereld van fictie en non-fictie rond de kernramp. Hij verweeft de feiten – voorzover die bekend zijn – met een indringend verhaal over de kernfysicus Vasili Nesterenko die op de vlucht is voor de Russische autoriteiten. Het geheel wordt bezien vanuit het perspectief van een Spaanse wetenschapper die, in Parijs voor een conferentie, als bij toeval Nesterenko tegen het lijf loopt.

    De verwarde Rus wordt in een Parijs’ zelfbedieningsrestaurant opgemerkt door de verteller die zich druk maakt om de omstandigheden waarin de man verkeert. Als later de politie en de sociale dienst in de veronderstelling zijn dat ze met vader en zoon te maken hebben, worden ze min of meer gedwongen dat maar zo te laten en onthult de schrijver langzaam het verloop van de omzwervingen van Nesterenko.

    Sebastián doorspekt zijn boek met veel informatie over de toedracht en de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl. Er passeren verschillende versies van verslagen die vooral aangeven hoe groot de chaos was na de fatale ontploffing. Vasili (Vasja) Nesterenko is als deskundige betrokken bij de paniekerige actie om erger te voorkomen, de brand te blussen en de reactor te koelen. De weigering van de autoriteiten om de bevolking in te lichten over de gevolgen voor de gezondheid heeft geleid tot vele honderden slachtoffers in die eerste dagen na de ramp.

    Op een zondag verschenen er patrouilles soldaten met geigertellers. Toen waren er de evacuatiebussen, allemaal in een rij, met draaiende motoren. Door de luidsprekers werd omgeroepen: kleding en toiletartikelen meenemen, de Ongunstige Radiologische Situatie zal spoedig worden opgelost.

    Nesterenko ontdekt dat de overheid structureel verkeerde informatie verstrekt, het getolereerde stralingsniveau telkens verhoogt en de oorzaak van de ramp in de media probeert te verdoezelen. Hij roept een organisatie in het leven die op zoek gaat naar de ware oorzaak en die de werkelijke gevolgen in de openbaarheid wil brengen. Vanaf dat moment wordt hij gevolgd en moet hij uiteindelijk onderduiken.

    In De fietser van Tsjernobyl brengt Sebastián de omzwervingen van Nesterenko afwisselend in beeld met de bizarre gebeurtenissen rond de kerncentrale. Hij strooit met harde gegevens en dramatische anekdotes en vertelt in tussenliggende delen hoe Vasja onderduikt in de verlaten stad Prypjat, later naar Parijs vlucht en via Spanje weer terugkeert naar Prypjat. De manier waarop Sebastiàn fictie en de realiteit van de geschiedenis met elkaar verweeft is indrukwekkend.

    Nog fraaier maakt de schrijver het door de verteller te laten optreden als Spaanse afgevaardigde bij de Internationale Conferentie voor Gewichten en Maten in Parijs. Zijn ontmoeting en verdere verwikkelingen met Nesterenko worden regelmatig onderbroken door zijn bezigheden op de conferentie waar hij met andere afgevaardigden de exacte vaststelling van het kilogewicht bestudeert. Het is deze – nogal ironische – gedetailleerde ernst die een mooi contrast vormt met de enorme puinhoop die de nasleep van Tsjernobyl vormt. Hij reist terug naar Spanje in het bezit van een exacte kilo (‘een uitdrukkelijke en eerlijke kilo’) als ultieme standaard voor handel en wetenschap. Dat heeft Sebastián goed bedacht, die zuivere wereld der gewichten, terwijl hij verder uitweidt over hoe de Russische overheid de dosis becquerels aan geaccepteerde radioactieve straling met een oekaze weer bijstelt naar boven.

    Het meest aangrijpend zijn de fragmenten die zich afspelen in Prypjat, de besmette stad die voor het oog der wereld geëvacueerd is, maar een groep paria’s een verborgen thuis biedt. Als Vasja Nesterenko vanwege zijn publicaties op de vlucht is geslagen, besluit hij naar Prypjat te rijden in de wetenschap dat men hem niet zal zoeken in radioactief gebied. Hij vestigt zich in een verlaten theatergebouw, legt contact met de kleine groep illegale bewoners en raakt gehecht aan deze biotoop waar het leven gevierd wordt en de dood op ieder moment haar gezicht kan laten zien. Er is een onbevangenheid in de menselijke omgang die door Javier Sebastián op indringende wijze wordt geschetst. De expressionistische wijze waarop hij dialogen met gedachten vermengt is een uitstekende manier om de fictie in deze dramatische omgeving toe te laten.

    Ondanks de overkill aan nucleaire data en verslagen van gemankeerde scenario’s weet Sebastián in De fietser van Tsjernobyl een wonderlijke kern te verbeelden. Het is leven om te overleven, terwijl de radioactieve ‘bescherming’ onvoorwaardelijk de dood zal betekenen. Die tegenstelling brengt een soort heilige intimiteit onder de verschoppelingen van Prypjat en maakt dat Vasja Nesterenko uiteindelijk op geen andere plek wil zijn.

     

    De fietser van Tsjernobyl

    Auteur: Javier Sebastián
    Vertaling: Peter Gelauff
    Uitgever: Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 19,95

  • Kamphuis heeft zichzelf bewezen

    Kamphuis heeft zichzelf bewezen

    Het lijkt of Marco Kamphuis (1966) bij elk nieuw boek voor een andere aanpak kiest. Daarin doet hij denken aan Ian McEwan, voor wie dat ook geldt. Aurore is Kamphuis’ zevende boek, na vijf romans en één novelle: Havik, die ‘Boek van de Maand’ was van het televisieprogramma De Wereld Draait Door.

    Hoewel: roman? Aurore heeft de vorm van een dagboek, dat wordt onderbroken door drie brieven. De opzet, bestaande uit egodocumenten (dagboek, brief), refereert aan de negentiende eeuw, toen deze vormen een grote vlucht namen. In die zin sluit het perfect aan op de tijd waarin het boek speelt: het Parijs aan het eind van de negentiende eeuw.
    Ook de schrijfstijl licht af en toe als het ware negentiende eeuws pathetisch op: ‘Ik was zo dankbaar voor het vertrouwen dat hij kennelijk in me stelde, dat ik mijn tranen moest bedwingen.’ Of: ‘Geroerd nam ik afscheid van onze dorpsgenoot.’ Des te opvallender, omdat het verhaal verder op een mooie, wat ingehouden toon wordt verteld.

    Het is het verhaal van de ik-persoon, Jules Fabre, die uit de provincie is weggetrokken om in ‘dat onzalige Parijs’ medicijnen te gaan studeren. Hij woont op kamers bij een uitvinder, professor Dieulafoy, diens echtgenote en dochter Aurore. Het laboratorium van de professor bevindt zich in de kelder, en het is Jules ten strengste verboden er ook maar één voet over de drempel te zetten.
    Jules, die een dagboek bijhoudt ‘om voor het schrijverschap te oefenen’, komt er al na drie dagen achter dat er iets mis is met Aurore. Is ze een hysterica, zoals veel vrouwen in die tijd? Of is er iets anders aan de hand? Er is ook iets mis met haar vader. Hij is wegens ongeoorloofde experimenten ontslagen aan de Sorbonne in Parijs. Wat die experimenten inhouden, blijft lang duister.

    Door steeds iets meer prijs te geven, en zelfs niet prijs te geven maar open te laten, bouwt Kamphuis de spanning langzaam op. Waarbij het niet toevallig is – een detail, maar toch – dat Lucille, de zus van Jules in een brief er gewag van maakt, dat ze van griezelromans houdt: Mary Shelley, Edgar Allen Poe …

    Hierdoor lijkt het op een gothic novel, waarbij het opvallend is, dat het boek naast suspense ook de rust ademt die kenmerkend is voor de negentiende eeuw.
    De diepere laag van het boek gaat over een thema dat weliswaar toen al speelde, maar dat nog steeds actueel is: bestaat er zoiets als de vrije wil, of zijn het vooral omstandigheden die het gedrag van iemand bepalen? En hoe zit het met de maakbaarheid van de samenleving en de mens zelf? Deze thematiek komt in het boek bijvoorbeeld tot uiting in de discussie tussen een hoogleraar van Jules en een priester, waarin – niet verrassend – de opvatting van beiden tegenover elkaar staan. In het boek wint deze discussie gaandeweg aan gewicht en betekenis.

    Er wordt een aantal moorden gepleegd. Het is de vraag welke rol Aurore daarbij heeft gespeeld. Jules gaat deze vraag uit de weg. Omdat liefde blind maakt, of om een andere reden, die direct verband houdt met een mogelijke ontkenning van de vrije wil?

    Naast het verhaal over Jules, Aurora en haar vader ontwikkelt zich een schaduwverhaal over de vader van Jules, die in de provincie steeds verder wegkwijnt aan dementie. Jules’ zus, Lucille, houdt haar broer hiervan op de hoogte in enkele ontroerende brieven. Zou hij op tijd komen om in het ouderlijk huis nog afscheid van zijn vader te kunnen nemen, of wordt hij teveel in beslag genomen door Aurore, zijn studie en wat er zich verder allemaal in Parijs afspeelt? En vindt hij het scharnierpunt tussen vrije wil en lot, waarnaar hij uiteindelijk op zoek lijkt te zijn? Dit laatste wordt haast symbolisch verwoord in een schitterende passage. Daarin wordt beschreven dat hun vader niet meer weet hoe hij moet gaan zitten: ‘Hij was er fysiek wel toe in staat, hij kon zijn knieën nog buigen, toen nog wel, maar hij wist niet hoe het moest: hij was vergeten dat je, voordat je kunt gaan zitten, je eerst om moet draaien.’

    Verrassend is de grijze pagina tegen het eind van het boek. En vooral: wat daarna volgt. In dat gedeelte, slechts één dag en één brief omvattend, komt alles wat daarvoor is verteld samen. Het is knap zoals Kamphuis vorm en inhoud tot in detail laat samenvallen in een stijl waarin de negentiende eeuw weerklinkt. Kamphuis heeft zichzelf wederom bewezen.