• Oogst week 3 – 2025

    Oogst week 3 – 2025

    Hier ligt de waarheid in overdaad

    Myriem El-Kaddouri werd in 2023 kampioen Slam Poetry in West-Vlaanderen en onlangs werd ze benoemd tot stadsdichter van Kortrijk.

    Haar debuutbundel Hier ligt de waarheid in overdaad stond op de shortlist van de Granateprijs voor de bundel met het mooiste en best passende titel. Haar poëzie is maatschappelijk geëngageerd en wil een bijdrage leveren aan de strijd voor gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen. In haar werk probeert ze verbinding te zoeken tussen verleden en heden, ver weg en dichtbij, tussen individu en samenleving. Ze doet dit door geen enkel maatschappelijk probleem uit de weg te gaan, door het constant bevragen van zichzelf en de ander, in een taal die dichtbij de spreektaal blijft.

    Ook de thema’s van haar bundel zijn herkenbaar voor iedereen: vrouw-zijn, de liefde, de breekbaarheid van relaties en de angst. Daarnaast verkent ze de gevoelens die het begrip ‘migratie’ oproepen, waarbij ze duidelijk maakt dat ‘de waarheid’ niet voor iedereen hetzelfde is.

    ‘Ergens ligt een huis in puin.
     Dadelkoekjes staan in een aan stukken geblazen keukenkast
     en verwelkte bloemen zijn begraven onder gruis.
     De kettingen van een lege schommel draaien ineen
     tot ze zichzelf verstikken.
     Een bezoeker confisqueert schaamteloos het beeld
     en wint de hoofdprijs: een nieuwe camera en een reis naar Ibiza.’

     

    Hier ligt de waarheid in overdaad
    Auteur: Myriem El-Kaddouri
    Uitgeverij: Vrijdag

    Te midden van alles

    Frans Budé (1945) debuteerde op drieëntwintigjarige leeftijd met gedichten in Elseviers Weekblad. Sindsdien heeft hij zestien bundels het licht doen zien, waarvan Te midden van alles de nieuwste is. In 2018 ontving hij de Leo Herberghs Poëzieprijs. 

    Zijn poëzie is te plaatsen in de traditie die in Nederland wordt vertegenwoordigd door dichters als Gerrit Kouwenaar en H.C. ten Berge: oeuvrebouwers die een grote nadruk leggen op het ‘talige’ karakter van hun dichtwerk. In zijn werk getuigt hij van zijn liefde voor de natuur en de beeldende kunst: zo ontleent hij inspiratie aan de 30.000 jaar oude grotschilderingen in de ‘Grotte Chauvet’ in de Franse Ardèche. Alsook aan het werk over leegte, leven, dood en liefde van de Franse beeldhouwer Germaine Richier (1902-1959), de schilderijen van de hedendaagse Nederlandse beeldend kunstenaar Bep Scheeren en aan het werk van de in Wit-Rusland geboren Joods-Franse kunstenaar Chaïm Soutine (1893-1943).

    In deze bundel probeert Budé een verborgen werkelijkheid te ontdekken die aan het dagelijkse leven ontstijgt. Met groot inlevingsvermogen laat hij de doden spreken en geeft hij zich over aan de schoonheid van de natuur. 

    ‘Het leven komt en gaat voorbij. Voor en na
     speelt de tijd met ons een spel van winnen en
     verliezen. Vastgesnoerd aan regels en richtlijnen,
     –
     dag en nacht zoekend naar gaten om te ontsnappen,
     doorgangen naar wat bereikbaar is. Het is de liefde
     die redt, de schoonheid van ontroerende landschappen
     –
     die vol verwachting klaarligt. Wij allen, voorzichtig
     balancerend door het leven, ons bewust dat we ooit
     de afslag moeten nemen onderwijl het carrousel
     –
     almaar voortrolt, daaromheen een onbestemd ruisen
     als een spiraal van zich steeds herpakkende tegenwind.’

     

    Te midden van alles
    Auteur: Frans Budé
    Uitgeverij: Meulenhoff

    Plakboel

    Sinds 2000 wordt elk jaar eind januari poëzie extra in de kijker gezet. Op initiatief van Poetry International werd de laatste donderdag van januari uitgeroepen tot Gedichtendag. Een breed samenwerkingsverband van dichters, literaire organisaties, scholen, bibliotheken en andere verenigingen zorgde ervoor dat de donkere januaridagen in Vlaanderen en Nederland een poëtische invulling kregen. Bij elke editie werd aan een dichter gevraagd om 10 gedichten te schrijven die aansloten bij het thema van Gedichtendag. De eerste Gedichtendagbundel werd geschreven door Toon Tellegen. Later volgden onder meer nog Hugo Claus, Tom Lanoye, Remco Campert, Judith Herzberg, Antjie Krog.

    Door het grote succes van de Gedichtendag werd in 2013 besloten om van Gedichtendag een Poëzieweek te maken.

    Dit jaar is de poëzieweek van  donderdag 30 januari (Gedichtendag) tot en met
    woensdag 5 februari. Vanaf 30 januari is het poëziegeschenk gratis te verkrijgen bij de boekhandel bij aankoop van minimaal €12,50 aan Nederlandstalige poëzie. 

    Dit jaar is het poëziegeschenk, Plakboel geschreven door de Vlaamse schrijfster Charlotte Van den Broeck (1991). Haar eerste twee dichtbundels werden overladen met lof en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs en de Paul Snoeckprijs. Haar prozadebuut Waagstukken, een bestseller met meer dan 25.000 verkochte exemplaren, viel eveneens in de prijzen. 

    De bundel bevat nieuwe gedichten, waaronder een lang erotisch gedicht met de titel ‘Plakboel’, geïnspireerd door het thema van Poëzieweek 2025: Lijfelijkheid.

     

    Plakboel
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: Poëziecentrum
  • Gemis vanuit kinderperspectief

    Gemis vanuit kinderperspectief

    Gemis van Diane Broeckhoven beschrijft in retrospectief Justus’ ‘coming of adolescent’ in een jungle van grotemensenproblemen. Het feit dat de jonge Justus een kind is, in het begin van de roman nog maar zes jaar jong, maakt het verhaal ontwapenend en bij tijden ontroerend.

    […]

    De gelouterde Vlaamse Broeckhoven heeft al vele tientallen romans op haar naam staan, zowel kinderboeken als adolescentenboeken als boeken voor volwassenen. Gemis is op de markt gebracht als ‘roman’ maar is door de thematiek, de toegankelijke schrijfstijl en de positieve, hoopvolle wendingen met name een bijzondere aanbeveling voor beginnende literatuurlezers als oudere tieners en zogenoemde ‘young adults’.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Beter een goede broer dan een verre vriend

    Beter een goede broer dan een verre vriend

    ‘Hij had daar nooit mogen weggaan.’ Met deze spijtbetuiging eindigt het boek De lastige liefde van Walter van den Broeck. ‘Daar’ is het Vlaamse Olen, vlakbij Turnhout. ‘Hij’ is Jules, Walters dertien jaar oudere broer. Als naoorlogse gelukszoeker vertrekt Jules in 1950 naar de Verenigde Staten. Opa Peter Jules, die daar al woont, onthaalt hem. Eenmaal verhuisd naar Mexico trouwt Jules met Olga Siqueiros, nichtje van de muralist David Alfaro Siqueiros. Dochters Lilli en Yvette zien het levenslicht. Bovendien wordt Jules een succesvol zakenman. Terwijl de oudere generaties bekvechten over zijn spilzucht en veelwijverij, laat Walter zijn broer lekker aanmodderen. Regelmatig schrijven en mailen ze heen en weer en bezoekt de verloren zoon zijn Vlaamse familie. In december 2021 voor het laatst, per grafkist, 93 jaar oud geworden. De woorden ‘Ik mis je’ vallen niet één keer.

    In De lastige liefde staat de ontworteling centraal van Walters geliefde broer Jules. De schrijver kiest voor Lilli, Jules’ dochter, als verteller. Vanwege haar poëtische aanleg wemelt het van de smaakvolle metaforen. Dat neemt helaas niet weg dat sporadisch een andere, verdacht mannelijke stem de hare verdringt, zelfs als zij aan het woord is. Vooral op haar vaders buitenechtelijke seks reageert Lilli opvallend lacherig, zoals met de typering ‘libidonosaurus’. Jules’ wispelturigheid maakt van De lastige liefde een wispelturig boek. Dat een gedicht van Guido Gezelle het hoogtepunt vormt, zegt eigenlijk alles.

    Nergens thuiskomen

     Zoals zo veel migranten zit Jules van den Broeck in een spagaat. Hij voelt zich Mexicaan noch Vlaming. Tijdens vakanties in België merkt hij dat zijn vaderland onherkenbaar veranderd is sinds zijn vertrek, zowel cultureel als optisch. In Mexico verschanst hij zich met zijn gezin steeds vaker in zijn villa te Cuernavaca, buiten Mexico-Stad. Lilli ziet haar vader lijden: ‘Dad vroeg zich weleens af of hij er eertijds niet beter aan had gedaan niet op Great Grand Dads voorstel in te gaan. Hij speelde met de gedachte terug te keren naar België, maar die hield hij maar heel even vast. Hij zou nooit nog kunnen wennen aan ‘reglementen’. Bovendien: wie kende hij daar nog?’ Hoe meer Jules zich terugtrekt, hoe meer hij gaat ‘achtentachtigen’, zoals Lilli het gesmoorde, Vlaamse gescheld van haar vader noemt.

    Van de landgenoten in Mexico moet Jules al helemaal niks hebben: ‘Ach, de Vlamingen in Mexico. Je hoeft hun pakken maar te bekijken en je merkt dat ze die in 1950 samen met hun onderdanigheid uit hun vaderland hebben meegebracht.’ Nee, hij kiest voor brutaliteit, jovialiteit en een royale levensstijl. Vandaar het grote landhuis in Cuernavaca. De vraag of hij hier ooit echt gelukkig wordt, beantwoordt Lilli via een interessante parallel. Zowel ‘Cuernavaca’ als ‘Turnhout’ betekent ‘toren in het bos’, respectievelijk in het Nahuatl (Cuauhnahuac) en in het Oudnederlands. ‘Zou Uncle Walter dan toch gelijk hebben met zijn ‘het is overal Turnhout’, de boutade waarmee hij zijn honkvastheid rechtvaardigt?’ Van deze honkvaste oom is het des te verrassender dat hij zichzelf tot personage in het boek maakt en in plaats van zichzelf zijn nichtje als verteller opvoert. Dit gebeurt overigens met wisselend succes.

    Het nichtje spreekt. Toch?

    Dochter Lilli reconstrueert het leven van haar vader. Dit doet ze onder meer met het intensieve schrijf- en mailcontact tussen familieleden. Ondertussen werkt zij zich op tot gerenommeerde dichteres, recensente en essayschrijfster. Met prachtige metaforen komt haar talent in het boek tot uiting. Zo noemt zij de door smog verpeste lucht boven Mexico-Stad ‘erwtensoep’. Wanneer American Airlines verliezen lijdt, wordt de maatschappij ‘vleugellam’. Het contact in de jaren ’50 tussen Jules, zijn vader en opa verslechtert: ‘De trans-Atlantische correspondentie tussen de VS, Mexico en België verwaterde zienderogen.’ Als Lilli, vlak na haar moeder, een knobbeltje in de borst voelt, begint Jules ‘te achtentachtigen, deze keer met genoeg tranen om het huis te dweilen.’ Ook het feit dat ze zich los weet te maken van haar waardeloze echtgenoot Michel Mawad, onderstreept haar kracht. Desondanks houdt de geloofwaardigheid van haar vertelperspectief geen stand. Jules gaat vreemd, en niet zo zuinig ook. Weliswaar behandelt zijn dochter dit hoofdschuddend, écht kritisch wordt ze nooit.

    Zelfs als Olga amper een jaar onder de zoden ligt en Jules al twee dames het bed in kletste, zegt Lilli: ‘Nee, hij was nog lang niet uitgedoofd, onze libidonosaurus. Het zou mij niet verwonderen mocht Carmen niet de laatste schoonheid zijn die hij aan de haak sloeg.’ Bij vlagen klinkt het machogebral ronduit jaloers: ‘Toen ik later doorkreeg dat Dad zijn gerief buitenshuis zocht, gebruikmakend van zijn niet-afnemende charme, hield mijn woede daarover ongeveer drie minuten aan. Daarna probeerde ik afstandelijk te zijn tegenover hem, maar dat duurde drie dagen. De schurk! Hoe deed hij dat toch?’ Tijdens een Belgisch tv-interview flirt Jules met de presentatrice: ‘de bloedmooie vrouw met magische, blauwe ogen bleek zeer door hem gecharmeerd. He did it again, the rascal.’ Bij leven vertrouwt Olga Lilli toe niet te vrezen voor een breuk, want: ‘Lief kind, wat ik in bed kan, dat kan geen enkele hoer ter wereld.’ Zijn hier vrouw en dochter aan het woord? Of is dit die typische, klassieke mannentaal die – zoals men in Vlaanderen zegt – ‘op café’ gebezigd wordt? De oneliners klinken als stijlbreuken van een man die vergeet de taal van een vrouwelijk familielid te spreken.

    Guido Gezelligheid

     Al dat fallische machtsvertoon doet snakken naar een scheutje bescheidenheid. Gelukkig zorgt Van den Broeck met Vlaamse couleur locale voor mislukking, vergeefsheid en humor. Drankmisbruik, Vlaamse grauwheid en passief-agressieve opmerkingen in familiekring roepen het beeld op van Reetveerdegem, dat depressieve hol in De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. Ordinaire geldruzies zijn de grootste splijtzwam. Peter Jules voelt zijn levenseinde naderen. Vanuit de VS stuurt hij duizend dollar aan zoon Robert (vader van Jules en Walter). Bij de cheque zit een begeleidend briefje: ‘Robert, ik hoop dat ge met dat innen zult wachten tot ik dood ben.’ Robert reageert gallisch. Dat accepteert Peter Jules dan weer niet. Lilli blikt terug: ‘Ziedend schreef hij toen het venijnigste briefje dat hij hem ooit had geschreven. Het begon met: ‘Als ge niet eens meer tegen een grapje kunt…’ Het eindigde met: ‘… daarom schrap ik u uit mijn testament.’’ Was sich liebt, das neckt sich.

    Heel even doorbreekt de auteur het cynisme op een poëzieavond bij Olga Siqueiros thuis, een ‘vrouwenhobby’ volgens Jules. Nu Lilli’s jeugdvriendje Edwin op bezoek is in Mexico, maakt hij een uitzondering. Hij declameert het Vlaamse vers Moederken van Guido Gezelle. Voor de Spaanstalige toehoorders totaal onverstaanbaar, doch – naar later blijkt – onweerstaanbaar: ‘Toen klapte hij het boekje dicht en ging het met een betraand gezicht gauw weer opbergen.’ Ook de lezer houdt het nauwelijks droog bij Gezelles eerbetoon aan de moeder, waarbij het Ave Maria verbleekt. Dit opvallend gevoelige fragment komt uit de lucht vallen. Het had de voorbode kunnen zijn van oprechte, mannelijke kwetsbaarheid. Zoals alle amoureuze veroveringen van Jules, blijkt deze bevlieging echter niet meer dan een sentimentele oprisping. In De lastige liefde is de liefde inderdaad lastig. Maar niet onmogelijk. Vooral niet tussen twee broers die een oceaan van elkaar verwijderd zijn.

     

  • Schrikkeljaar: een longlistwaardig debuut

    Schrikkeljaar: een longlistwaardig debuut

    Schrikkeljaar, het literaire debuut van de Nederlandse Anka Hashin (pseudoniem van Anya Saxby, 1980, Sovjetunie), is een verhalenbundel die indruk maakt. De zevenendertig korte verhalen van soms vier en nooit meer dan tien pagina’s elk beschrijven in een mooie schrijfstijl mistroostigheid, schoonheid, hogere machten, moord, doodslag, hoop, liefde en nostalgie. Wodka en een winterse sfeer zijn de vaste elementen.

    Rusland, de Russen en de Russische volksaard vormen het decor van bijna alle verhalen. Deze zijn gesitueerd op bekende en minder bekende maar overduidelijk Russische locaties zoals Jekaterinenburg of Viatichi, op plekken die in de Kaukasus of Oezbekistan blijken te liggen of in het uiterste noorden van Rusland, maar ook in naamloze plaatsen en dorpjes. De in 2000 verongelukte onderzeeboot Koersk wordt genoemd. En keizerlijk, tsaristisch Rusland is voor sommige personages iets om naar terug te verlangen. De protagonisten in de verhalen zijn in alles Russisch: er wordt eindeloos en eindeloos veel wodka gedronken en er is gelatenheid over leven en vriendschap: ‘Het is klatergoud al dat mensenvriendengedoe’. Voor de kenners van de Russische literatuur zijn in Schrikkeljaar kenmerken van stijl en thematiek van enkele grote Russische schrijvers herkenbaar, zoals Tjechovs minimalisme en zijn mooie natuurbeschrijvingen, Platonovs existentialisme en het absurdisme en de personificaties van Gogol.

    Menselijk

    Niets menselijks is de verhalen vreemd. In het titelverhaal Schrikkeljaar treurt Nikolai om zijn vier jaar eerder overleden vrouw Zinaida. Hij ziet haar voor zich, hoort haar stem in zijn hoofd, mist haar, denkt aan haar zoals ze werkte in de moestuin. ‘Nu was er alleen maar zout dat uit zijn ogen druppelde.’ Hij schenkt zich thuis nog een laatste slokje wodka in voor hij naar zijn kameraad Mishin gaat met wie hij een klusje voor een Moskoviet zal gaan opknappen in ruil voor een fles wodka. ‘Eerst geven ze je een fles wodka en daarna denken ze dat je aan de slag gaat.’ Het regent en onweert. Bij de wodka eten de mannen ‘wonderkomkommers’ uit Zinaida’s moestuin, die ondanks haar afwezigheid toch weer gegroeid zijn dit jaar.

    Deze melancholische sfeer met verrassende wendingen en de humor in de verhalen zijn sterke, terugkerende elementen. De eenzame arts Lev Petrovitsj ziet te laat in dat hij de vrouw van zijn dromen twintig jaar geleden misgelopen is uit angst voor verlies van vrijheid. Zijn verlate zoektocht naar een huwelijkskandidaat is even hilarisch als hopeloos en toch vindt hij Nadia weer. De vraag is dan of het niet te laat is.

    Meer nog dan melancholie tekent een diepere laag van absurdisme, angst, hallucinaties en verbeeldingskracht de verhalen. In Bokkenbende wordt een soort van rijdenderechterzaak behandeld met pratende bokken; in De allerslimste waart in het bos de rusteloze ziel van de daar omgekomen Fedka rond; de dienstplichtige Slavik uit het verhaal Dienstplichtige, die naar het gesticht gaat om de dienstplicht te ontlopen, wordt daar bevangen door waanzin; de rijke Nogai uit het verhaal In de bergen heeft zich na het verlies van zijn geliefde van een berg gestort en is een berggeest geworden. In het angstige en zoekende zijn, spelen soms gewetensvragen op zoals in De stem van het geweten waarin Scar, vers ontslagen uit de gevangenis, weer op dievenpad wordt gedwongen door zijn zwager die hij uiteindelijk weerstaat. Dimon uit het verhaal Judas heeft een vergelijkbaar probleem met zijn vriendengroep, een probleem dat hij vrolijk tackelt waarna de hele wereld aan zijn voeten ligt.

    Verlangen

    En dan is er het verlangen dat in veel verhalen vorm krijgt. ‘Je had zo’n vonkje in je ogen. Een zacht, helder licht, zoals van een vuurtoren, die het schip door de bruisende zee veilig naar de haven brengt.’ In Het Vonkje heeft de hond een niet-Russische naam en zijn de personages de naamloze ‘broer’ en ‘zus’. Zus komt acht jaar na haar emigratie weer eens bij haar broer langs ‘in het land van de oranje zonsondergangen’. Dat bezoek roept vele vragen bij haar op. ‘Waarom veroorzaakte die [emigratie] op het ene moment nostalgie, dan weer verlangen en op een ander moment zelfs het gevoel dat ze in een kooi zat?’ Als ze na de visite alweer een jaar thuis is, over het strand loopt en haar blik op de oude vuurtoren valt, doorklieft een felle lichtbundel het water. ‘Het vonkje, zus, gierde de wind.’ Ze pakt haar spullen en vertrekt.

    Ook de harpist uit het gelijknamige verhaal maakt zo’n soort keuze. Zijn familie heeft hem een mooie vrouw gevonden met wie hij oprecht blij en gelukkig is, maar toch verlaat hij na een jaar huis en haard. ‘Alleen de bergen en de wind waren getuige van de wedergeboorte van een gevoel waarvan de kracht door geen enkel aards tijdverdrijf kon worden overschaduwd.’ Vader Philip zegt in het verhaal Echo van geluk tegen zijn zoon Victor: ‘Volg je hart jongen. Het hart alleen luistert naar de echo […] van het ongrijpbare geluk.’ De keuzes lopen niet altijd goed af, zoals bij de kleine Ivan uit het verhaal De kapitein. Hij gaat eerst welwillend met zijn vader en diens nieuwe vrouw mee op de boot, maar stapt ’s nachts als ‘kapitein van zijn wil’ stiekem van boord om terug te gaan naar zijn moeder aan wal. Met een rugzak op gaat hij te water om naar huis te zwemmen. ‘Voor de zon opkwam was hij thuis’, meent hij.

    Intertekstualiteit en stijl

    Wat het lezen van de verhalen onder andere tot een feest maakt is de rijke variatie in vorm, de intertekstualiteit en de poëtische schrijfstijl. Er zijn verhalen geschreven als een sprookje of een parabel, in andere verhalen spelen elementen uit de klassieke mythologie, zoals de sirenen en muzen en Pegasus een rol, er zijn Bijbelse verwijzingen, Roman en Julka is een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde. In De kapitein zette de kleine Ivan ‘zijn hand boven zijn ogen en tuurde attent naar voren, zoals alle kapiteins doen’, zoals in ieder geval de kleine kapitein uit Biegels gelijknamige klassieker doet. De schrijfstijl is per verhaal enigszins aangepast aan inhoud en vorm, maar overal poëtisch met bewuste of onbewuste verwijzingen naar klassiekers als ‘geen rozen zonder doornen’ en ‘de zon als een koperen ploert’ en originele beeldspraak bijvoorbeeld in ‘zijn rossige lokken [hingen] als verlepte wortels langs zijn oren.’ Sneeuw is in dit boek ‘kleffe smeltsneeuw’, ‘grauwe sneeuw’, ‘vage smeltende sneeuw’. De fraai verzorgde stijl vraagt om vertraagd lezen, wat ook geldt voor de niet-chronologische opbouw of irreële gebeurtenissen in sommige verhalen. Maar dat is bepaald geen straf.

    Overtuigende verhaalwerkelijkheid

    ‘Natalka was niet per se een schoonheid, maar ook geen lelijk wijf. Over haar soort zeiden de mannen hier: ‘Met een fles wodka lukt dat wel.’ Hoewel enkele hoofdpersonages als meisjes in een suikerwerkfabriek het lot rigoureus in eigen hand nemen, zoals Rita uit Tsjoerayeen en Yagaylo uit Torso van David, wordt er in deze bundel regelmatig denigrerend én seksistisch én stereotype over vrouwen gesproken en geschreven. Gelukkig heeft de sensibiliteitscommissie van de uitgever hierover geen oekaze uitgesproken. Dergelijke passages en uitspraken zijn overduidelijk niet provocerend of gewaagd noch verwerpelijk want beledigend, maar tonen een overtuigende verhaalwerkelijkheid. Ditzelfde geldt voor enkele verhalen waarin de man de sukkel is die zich als in een middeleeuwse klucht laat ringeloren door z’n vrouw, zoals in het verhaal Liefdespriesteressen.

    ‘Een vogel kun je niet bevelen. Een vogel is vrij om te vliegen naar waar die maar wil’ realiseert Gittinevyt, de moeder van Oetek zich. Haar enige zoon zal vanuit hun plekje op de toendra naar ‘de Grote Zembla’ vertrekken om daar naar kostschool te gaan. Ze is er erg verdrietig over, maar ook vervuld van grote hoop op zijn terugkeer. Zo eindigen meer verhalen hoopvol in droefenis. De realiteit poëtisch beschreven in verhalen die soms surreëel zijn, grimlachjes veroorzaken en van de lezer bij tijden een zoekende ziel maken: dit alles levert een debuutbundel op waarvoor alvast een plekje op de literaire longlists kan worden gereserveerd.

     

     

  • Oogst week 15 – 2023

    Onze voorouders ('I nostri antenati')

    Italo Calvino (Cuba, 1923) is één van die schrijvers die de oorlog niet slechts beschrijft vanaf de veilige zijlijn: tijdens de Tweede Wereldoorlog zit hij daadwerkelijk in het Italiaanse verzet. Na de val van Mussolini studeert Calvino literatuurwetenschappen in Turijn en sluit hij zich aan bij de Italiaanse communistische partij, die hij in 1957 weer verlaat. Ondertussen blijkt hij een productief schrijver. Nagenoeg alle romans die uit zijn pen vloeien, vallen op door magisch-realisme enerzijds en door een grote maatschappelijke betrokkenheid anderzijds. In 1960 verschijnt Calvino’s trilogie ‘I nostri antenati’, Onze voorouders.

    Pas in 1986, een jaar na Calvino’s heengaan, publiceert Bert Bakker eindelijk de Nederlandse vertaling. Heinrich Heine merkte niet voor niets ooit op: ‘In Holland passiert alles erst dreissig Jahren später.’ Het is een drieluik van Calvino’s vroegere novellen De gespleten burggraaf, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Uitgeverij LJ Veen Klassiek geeft het nu opnieuw uit, na Calvino’s werken De onzichtbare steden, Als op een winternacht een reiziger en Waarom zou je de klassieken lezen? LJ Veen Klassiek wil Nederland laten ontdekken waarom het Calvino zou moeten lezen!

    Onze voorouders ('I nostri antenati')
    Auteur: Italo Calvino
    Uitgeverij: LJ Veen Klassiek

    Uitzicht van dichtbij

    In een artikel voor Vice schrijft Megan van Kessel (1989): ‘Ik ging na waarom het schrijven van mijn boek inmiddels al net zo lang duurt als het leven van een gezonde cavia.’ Deze plompverloren nuchterheid had zo uit de koker van Paulien Cornellisse kunnen komen. Het alledaagse dat tegelijk het bijzondere daarvan benadrukt, valt onder Nieuwrealisme. Van Kessels debuut, Uitzicht van dichtbij, maakt het leven op het platteland, moederschap en tuinieren tot iets uitzonderlijk gewoons. De wat paradoxale titel is behalve een uitzicht van dichtbij, eveneens een zeer lezenswaardige focus van veraf. Maar waarop?

    Bij het eerder aangehaalde stuk in Vice schampert Van Kessel over haar eigen werk: ‘… wat ik op papier zette [was] niet veel spannender dan een gemiddelde gebruiksaanwijzing van aspirine.’ Op deze zelfkritiek valt een hoop af te dingen. Talloze auteurs gingen haar voor in het schrijven over banaliteiten. Het kan haast niet anders of Van Kessel is een begenadigde stilist. Het medium Papieren helden omschrijft haar werkethiek als volgt: ‘Toen ze moeder werd en nooit meer tijd had, ging het beter met schrijven.’ Dit heeft dus geleid tot Uitzicht van dichtbij. Het wordt hoog tijd de schrijfkunsten van de Waalse van dichtbij te bewonderen.

    Uitzicht van dichtbij
    Auteur: Megan van Kessel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Schrikkeljaar

    Als de titel van Anka Hashins literaire debuut, Schrikkeljaar, een voorbode is voor haar productiviteit, zitten we voorlopig geramd. In dit boek geeft Hashin (1980) volgens de Oost-Europese traditie en tóch in geheel eigen stijl een kleurrijk beeld van haar inmiddels niet meer bestaande vaderland: de Sovjet-Unie. De nostalgie voor haar geboortegrond gaat wel wat dieper dan de ‘industrieel-dus-gaaf-lampje’-fabriekshallenromantiek. Hashin is naast auteur beeldend kunstenares. Ze interesseert zich bovenmatig voor het spanningsveld tussen het vergane en het moderne, conservering en verwaarlozing.

    Volgens Uitgeverij Vrijdag is Schrikkeljaar een verhalenbundel die de grens tussen mens, dier en andere schepsels vervaagt. Het motto bij één van Hashins verhalen komt van Günter Grass: ‘De vogelverschrikker is gemaakt om op de mens te lijken.’ Weliswaar niet als een vogelverschrikker, maar als een piloot in alwetend perspectief beziet Hashin de teloorgang van de Sovjetrepubliek. Het literaire maandblad waarvoor Hashin schrijft, Znamya, betekent bovendien ‘spandoek’. Daarom zou Schrikkeljaar weleens de perfecte luchtreclame kunnen zijn voor de eersteling van Anka Hashin.

    Schrikkeljaar
    Auteur: Anka Hashin
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag
  • Gevecht op leven en dood in aangrijpende roman

    Gevecht op leven en dood in aangrijpende roman

    Niet mijn lichaam is de eerste en laatste roman van Hedwig Selles. De schrijfster heeft de boekpresentatie van haar debuutroman in mei 2022 nog net mee kunnen maken, voor haar overlijden op 54-jarige leeftijd in december van datzelfde jaar. De sterk autobiografisch gekleurde roman is door thematiek, opbouw, stijl en taalgebruik bepaald niet alledaags. Er wordt het nodige gevraagd van de lezer, ook aan incasseringsvermogen, want het leven is geen feest voor hoofdpersoon Carlotta.

    Carlotta M. voert vele gevechten. Ze ervaart in haar jeugd en beginnende tienertijd een verstikkende en eenzame thuissituatie met een dominante oma, een instabiele moeder die niet goed voor haar kinderen kan zorgen, zus Helga die het ouderlijk huis ontvlucht en daarmee Carlotta in de steek laat, en een vader die onmachtig is en schittert door afwezigheid. Op school verliest ze haar beste vriendin Inger, en daarmee Ingers lieve moeder Martine, aan concurrent Ditte. Eenzaamheid is haar deel, in alles. Haar lichaam werkt ook niet mee: ze heeft heel kleine borsten en is in tegenstelling tot veel klasgenootjes nog altijd niet ongesteld.

    Levensstrijd

    Als ze later in Gilles een liefdespartner gevonden heeft, blijkt ook die menselijke relatie onbetrouwbaar. Met het kindje dat ze draagt weet ze zich geen raad, ze kan het niet voldragen en raakt zelf de weg kwijt. Ze zoekt haar heil bij God, met wie ze de nodige gesprekken voert en aan wie ze vaak raad vraagt. Hij weet wat zij nodig heeft, maar geeft niet altijd thuis. Zou ze haar lichaam moeten offeren, zoals in de Bijbel regelmatig gebeurt? Haar lichaam blijkt een eigen wil te hebben, kiest ervoor om niet te eten, één van de vele dwanggedachtes waar de levensstrijd van Carlotta door wordt bepaald. Ze noemt zichzelf iemand met ‘systeemfouten’. Het liefst wilde ze dat iemand haar een spuitje gaf. En als ze mannen in legerkleding ziet op het perron, vraagt ze zich af: ‘Zou ik ze kunnen verleiden om me neer te schieten?’ Het is een offer dat ze graag wil brengen voor een nieuw lichaam en een bijpassende geest.

    Hallucinante beleving

    Selles beschrijft Carlotta’s strijd fragmentarisch; we bevinden ons op school, thuis bij haar ouders, in haar flat, in de lommerrijke omgeving bij Gilles thuis en bij het arkje voor hen samen, op haar werk in het hotel in Brussel en in de beenhouwerij, in het ziekenhuis en in de kliniek. Maar meer nog dan de wisselende locaties en tijden maken schrijfstijl, woordkeus en taalgebruik de roman een puzzel of misschien een lang episch gedicht. Personages worden metaforisch beschreven, zoals hulpverleenster Fanny als ‘het herderinnetje’ en vaker nog als dieren: Carlotta als oester, moeder is een kauwtje, oma de dikke duif en als ze niet slaapt een hongerige roofvogel, een oorlogsadelaar. Oom is een zwijnenjager, klasgenootjes worden guppy’s genoemd, de wiskundeleraar een maraboe. Zus Helga heeft een vest met vleermuismouwen, bewoners van een afdeling in de kliniek worden ‘Portugese kwallen’ genoemd, een zuster lijkt op een sint-bernhardshond. Associatief en soms onnavolgbaar denderen we vanuit de regelmatig hallucinante beleving en binnenwereld van Carlotta door haar leven en hoofd. Het leven is haar te veel, dat wordt indringend en onmiskenbaar duidelijk. ‘Goed kunnen vallen is de beste metafoor voor het leven,’ zegt ze zelf. Haar grootste steun en toeverlaat is haar konijn Broodje, genoemd naar Herman Brood.

    Alleen in mijn gedichten kan ik leven

    Carlotta is bijzonder opgetogen als een gedicht van haar in de schoolkrant is opgenomen. Van schrijfster Hedwig Selles zijn eerder drie dichtbundels verschenen. Dat zij poëet is, is onmiskenbaar in deze roman. Ze gebruikt metaforen, neologismen als ‘hanglippig’, ‘brullachen’, ‘rozenzomer’ en andere stijlfiguren als de personificatie ‘stomdronken wolken’ en pars pro toto ‘de baarden’. Veel moet tussen de regels door begrepen, gelezen en geïnterpreteerd worden, wordt plastisch en origineel verteld. Zo schrijft Selles over Gilles’ moeder Signe: ‘Afwijkende cellen hadden zich in haar borsten gedeeld en waren op weg gegaan naar haar oksels. Nu joegen ze in het ziekenhuis stralen op haar af […].’

    Selles is opgegroeid in een streng hervormd gezin in Kampen, heeft in Brussel gewoond en leed net als Carlotta vanaf haar vijftiende aan anorexia. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik leven en zijn,’ heeft zij gezegd. ‘Daarom ben ik dun, omdat ik het hartstikke moeilijk vind om te leven.’ Het is alsof we Carlotta horen. Schopenhauers levenshouding en filosofie is die van Selles én Carlotta. ‘Schopenhauer wist dat je in principe over alle zaken in het leven kon liegen en dat die gereduceerd konden worden tot een wil en een lichaam waaraan alles ten onder ging.’ Carlotta wil van haar lichaam af, het is ‘niet haar lichaam’. Het motto ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt’ en de omslag, waarop onder andere een zwaluw in de vorm van een crucifix, onderstrepen dit.

    Ontroerend slot

    Een prachtige, sprookjesachtige brief van Carlotta aan haar zus Helga vormt de opmaat voor een aangrijpend slot, waarin een voorzichtige toenadering tussen de zussen beschreven wordt. Dit laatste deel van de roman toont Carlotta’s kwetsbaarheid in optima forma. Schrijnend is het dat de lezer hoop voelt waar de hoofdpersoon wanhoopt. ‘De uilen waren weggevlogen. Ze hadden hun opdracht uitgevoerd en gingen nu verder de dood aanzeggen.’

     

     

  • Meedrijven op de woordenstroom van De Feyter

    Meedrijven op de woordenstroom van De Feyter

    Moya De Feyter (1993) is een Belgisch dichter en schrijver. Ze studeerde theaterwetenschappen en debuteerde in 2018 met de dichtbundel Tot iemand eindelijk, daarbij verschenen haar gedichten ook in diverse literaire tijdschriften. Ze won in 2017 de poëziewedstrijd van de universiteit van Antwerpen en bereikte tweemaal de finale van Write now!, een schrijfwedstrijd voor jong talent. Met het theatergezelschap Zuidpool gaf ze aan haar laatste bundel Massastrandingen ook zelf gestalte op het toneel, samen met vijf andere spelers. 

    Die vijf spelers komen overeen met de vijf verhaallijnen die in de bundel te ontdekken zijn en die aangegeven worden door het consequente gebruik van verschillende lettertypes en typografische kenmerken: donkergrijze balken over de regels, doorhalingen van woorden, inspringen in de marge, kleine en grote letters. Sommige bladzijdes zien eruit alsof de bundel in de modder heeft gelegen. Dat past bij de titel: ‘Massastrandingen’ doet allereerst denken aan walvissen die op het strand geworpen zijn. Maar ook brengt dat het thema ‘vastlopen’ in gedachten, gestrand zijn, niet verder kunnen. 

    Pop in sinaasappelboom

    De eerste verhaallijn staat in een schreefloze letter en gaat over een dode pop die in een sinaasappelboom hangt. Niemand weet wat daarmee moet gebeuren, maar heeft er wel een mening over: ‘er staan nu zeven mensen rond de sinaasappelboom / de pop is duidelijk dood’. Pas in het allerlaatste gedicht zal er iemand een oplossing aandragen die op zijn zachtst gezegd nogal verrassend is.
    In cursief grijs beschrijven de gedichten van de tweede verhaallijn de spanning in een gezin  voordat er een grote een overstroming plaatsvindt. Ieder lid van het gezin is uitsluitend met zichzelf bezig en niemand ziet de zondvloed aankomen voor het te laat is: ‘de eerste druppels hadden ze nochtans aangenaam gevonden. een gezellig getik op koud glas’.

    Een derde verhaallijn is een dialoog tussen twee personen, waarbij de sprekers naast elkaar worden gezet in hun eigen letterkleur, maar beide sprekers lijken deel uit te maken van één enkele persoonlijkheid, waarbij de tweede stem die van de nuchtere realiteit is: ‘hier is nog nooit iemand geweest / ik toch’. Zij geven beiden commentaar op de gebeurtenissen. In de vierde verhaallijn zijn de gedichten lichtgrijs gehouden: zij gaan over de grootmoeder en haar veroudering. Het zijn liefdevolle, humoristische gedichten, die het meest de realiteit benaderen. 

    Spoorzoeken langs verhaallijnen

    De vijfde lijn bevat een verzameling losse gedachten, invallen en kernachtige spreuken. Deze vijf lijnen zijn echter niet altijd even duidelijk van elkaar te onderscheiden. Gedichten uit deze vijf lijnen staan als losse fragmenten op elke bladzijde afgedrukt. Je zou deze bundel dus op verschillende manieren kunnen lezen: of je leest bladzijde voor bladzijde de verschillende gedichten achter elkaar, of je volgt het spoor van één enkele verhaallijn door de hele bundel.
    Spoorzoeken wordt het sowieso, want veel van de gedichten lijken associatief te zijn ontstaan vanuit de fantasie van de dichter, waardoor het lastig wordt een verhalende lijn vast te houden. In de bonte verzameling van gedichten moet de lezer zelf zijn weg zoeken: patronen ontdekken, verbanden leggen en structuren aanbrengen. Dat wordt wat bemoeilijkt doordat er heel veel gedichten in deze experimentele bundel staan: 111 dichtbedrukte pagina’s zijn opmerkelijk veel voor een bundel. Een index ontbreekt, maar het zou ook ondoenlijk zijn om de gedichten daarin onder te brengen.

    De zee en al wat daarin leeft vormt een thema en een bron van inspiratie voor De Feyter: walvissen, dolfijnen, haaien, kwallen, zeesterren en plankton bevolken de gedichten. Onder water kan het leven mooi zijn, als je een walvis bent, maar de zee vormt een bedreiging voor het leven daar buiten: ‘oh en als je thuiskomt, zal je vader er niet zijn / hij werd door een walvis opgeslokt’. 

    Wonderlijk geheel

    Er staan rampen te gebeuren, maar er is niemand die een besluit neemt: de gezinsleden gaan ieder in zichzelf op en hebben nauwelijks in de gaten dat er een vloedgolf aankomt; niemand doet iets aan de dode pop die in de sinaasappelboom hangt en ieders aandacht trekt; de veroudering van de grootmoeder gaat onvermijdelijk verder. De dialoog tussen de twee sprekers levert hierop commentaar als het koor in een Grieks drama uit de oudheid:‘we sluiten onze ogen want we weten dat het daar in het leven vaak op neerkomt / je ogen sluiten, hopen dat er in tussentijd / iets verandert’

    Het valt niet mee alle stemmen uit deze bundel met elkaar in verband te brengen, maar ook zonder een verband leveren de gedichten samen een wonderlijk geheel op. Als je meedrijft op de woordenstroom van De Feyter, wordt allengs duidelijk dat alles met elkaar te maken heeft. De gedichten over de grootmoeder zijn de meest traditionele van vorm en inhoud:

    als je dood bent heeft het geen zin om mooie kleren te dragen

    ‘de moeder van mijn moeder slaapt met haar bril op haar buik
     ik staar onafgebroken naar de pootjes
     wanneer de avond valt, gaan ze nog altijd op en neer

     de volgende ochtend deppen we haar droge lippen
     drinken en eten hoeft niet meer, zegt de dokter’

    De losse gedachten en invallen zijn niet altijd even sterk en soms doen ze zich voor als tegeltjeswijsheden of tekst op een poster van Loesje: ‘als je met je voorhoofd de grond raakt, kun je niet meer vallen’. Daarentegen zijn de hallucinerende beelden die De Feyter gebruikt doordringend en verontrustend. Een intrigerende bundel die veel vragen opwerpt, de antwoorden zal de lezer zelf moeten zien te vinden.

     

  • De bank en de scherven

    De bank en de scherven

    Wat te doen als je vader die je jarenlang niet hebt willen zien plotseling oud en ziek bij je opduikt. Lin Bankers, hoofdpersonage uit de debuutroman Hawaï 2000 van Heidi Koren maakt een opmerkelijke keus. Ze prakkiseert er niet over om hem binnen te laten. Sterker, ze wil hem zo snel mogelijk kwijt. Als dat niet lukt, laat ze hem bivakkeren op de veranda van haar huis, in wind en vrieskou desnoods. Op die veranda staat haar nieuwe bank, de Hawaï 2000, gekocht omdat ze van de bedrijfsarts ‘leuke dingen’ moet doen. Lin zit namelijk thuis met een burn-out. De Hawaï 2000 kan niet door de deur naar binnen en daarom heeft ze hem zolang op de veranda gezet. Als Lin ’s avonds haar hond uit wil laten, zit op die bank haar vader, daar neergezet door zijn tweede vrouw. Met een briefje erbij.

    Dit absurde gegeven roept direct de vraag op wat zich tussen dochter en vader heeft afgespeeld. Waarom kan Lin niet het minste gevoel van mededogen voor haar dementerende vader opbrengen? De onalledaagse situatie brengt bovendien een laconieke en toch ook wat stekende humor in het verhaal.
    De vader (Lin noemt hem pa) laat het in zijn dementie gelaten over zich heen komen. Lin daarentegen absoluut niet. De plotselinge komst van haar vader schopt haar leven overhoop en daar was het toch al niet zo best mee gesteld. 

    Toevlucht in zwemmen

    Met name in het hoofdstuk ‘Zwemmen’ kijkt Lin terug op haar jeugd. Zij en haar jongere zusje Sanne groeien op in een verre van stabiel gezin. Ze gaan gebukt onder pa’s aanwezigheid en de ruzies tussen vader en moeder nemen alsmaar toe. Financiële problemen worden opgelost, maar vrolijk wordt het niet meer in huis. ‘[…] de klep van de nieuwe piano bleef dicht.’
    Lin zoekt haar toevlucht in het zwemmen. Ze is het liefst onder water, waar het stil is. Als ze aan de rand van het zwembad een rokende jongen ziet staan trekt ze een conclusie die bepalend is voor haar verdere leven. ‘Het zag eruit alsof hij in staat was zichzelf buiten de wereld te plaatsen. Niets leek hem te kunnen deren. Dat leek me het meest aantrekkelijke dat ik bedenken kon.’

    De moeder is uiteindelijk nauwelijks meer in staat voor zichzelf of voor haar dochters te zorgen. Toch verlaat de vader het gezin. ‘Pa liet mijn moeder, mijn jongere zusje en mijzelf achter in de niet-afbetaalde eengezinswoning in Dukenburg […]. Zelf ging hij wonen in het Groene Hart, waar hij introk bij zijn nieuwe vriendin, die al snel zijn vrouw werd en ook de moeder van zijn nieuwe kinderen.’ Het verwijt is voelbaar, de beschrijving nuchter en beheerst.  

    Haar leven lang is Lin op de vlucht. Als ze met haar hond wandelt heeft ze oordopjes in om de stilte te ervaren, zoals vroeger met het zwemmen, en zich af te sluiten van de wereld. Ze is gehard en houdt andere mensen op afstand. In eerste instantie noemt ze vrijwel niemand in haar omgeving bij naam. De namen van haar ouders vernemen we indirect vanuit een brief of envelop. Haar buurman is Buurman. Toch is hij het die zich om haar en haar vader bekommert.
    In het laatste hoofdstuk, ‘Scherven’, weet Lin de cirkel te doorbreken. ‘Ik heb het te lang laten duren.’ Je gunt het haar van harte dat ze de scherven van haar leven op kan rapen en een nieuwe start kan maken.

    Afpellen als een ui

    Koren heeft haar personage het beroep van psychotherapeute meegegeven en Lin weet precies hoe ze haar cliënten aan moet pakken. ‘De meesten zijn als uien die je laag voor laag kunt afpellen.’ Dat is ook wat Koren met haar personage doet. Het karakter van Lin en de kleine en grote gebeurtenissen uit haar jeugd die haar gevormd hebben, worden laagje voor laagje blootgelegd. Koren doet dit in korte scènes, met soms sterke details die verraden hoe het met Lin is gesteld. Ze benadert de gebeurtenissen in haar leven onderkoeld. Het is haar bescherming, die in een heel eigen en aantrekkelijke vertelstem tot uiting komt. Geen eindeloos gepsychologiseer of expliciete verklaringen. De scènes en dialogen spreken voor zich. Het stelt dan ook teleur als Lin aan het begin van het vijfde hoofdstuk vertelt wat het zwemmen voor haar heeft betekend. De lezer heeft dit al begrepen, waardoor het bijna voelt als een overbodig stukje uitleg.
    De taal is helder en de woorden zijn zorgvuldig gekozen. Misschien dat het daardoor opvalt dat Lin wel erg vaak ‘ogen op zich voelt branden’.  

    Merel

    Tegen het einde van het boek is er een korte passage waarin Buurman stelt dat ‘het’ toch niet de schuld van de vader is. Het is een interessante vraag. Kan de schuld alleen bij de vader worden gelegd? Mogelijk had hij zijn redenen, maar die kennen we niet. Het verhaal zoals Lin het ons vertelt, wordt bepaald door het perspectief dat zij als kind had. Een kind dat niet kan duiden wat er om haar heen gebeurt en waarom. De volwassen Lin wil van geen twijfel weten. ‘Ik wil dat het zijn schuld is.’ ‘Wel’ is haar stellige, bijna kinderlijke antwoord.
    Een verklaring voor het gedrag van de vader wordt niet gegeven, maar misschien is een antwoord te vinden in de gewonde merel die heel het verhaal bij hem op de Hawaï 2000 zit. Waar Lin als meisje ervan uitging dat haar ontsnapte parkiet vanzelf bij haar terug zou komen, geeft haar vader de merel die hem al die tijd op de veranda vergezeld heeft, de vrijheid. 

    In Hawaï 2000 wordt meer verteld dan er in woorden staat. Door de onderkoelde vertelstem wordt het nergens zwaar. Achter één enkele zin kan een wereld schuilgaan. Er wordt veel gezegd en veel ook niet en dat heeft in beide gevallen betekenis voor het verhaal. Het maakt deze roman voller dan zijn geringe omvang doet vermoeden.

     

  • Oogst week 15 – 2019

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen

    Hoewel dit autobiografische verhaal van de van oorsprong Schotse Grace Dalrymple Elliott (1754-1823) door historici niet helemaal geloofwaardig wordt gevonden, – het is zo hier en daar wel erg toevallig en gekleurd -, is het wel ‘een prachtige blik van binnenuit op het gekonkel aan het koninklijk hof en van de intriges in revolutionaire kringen ten tijde van de Franse Revolutie’.

    Zo’n tweehonderd jaar geleden heeft deze courtisane haar memoires geschreven. De Engelse koning George III had haar gevraagd haar belevenissen uit de jaren tussen 1789 en 1794 in Parijs voor hem op te schrijven. Als maîtresse van Louis- Philippe d’Orléans, intrigant en neef van de onthoofde Franse koning Lodewijk XVI, maakte ze de Franse Revolutie van nabij mee. Haar boek is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.

    Joris Verbeurgt vertaalde haar boek en voorzag het van een inleiding en een uitgebreid register met informatie over tal van personages die erin voorkomen, van adelijken tot aan het  personeel.

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen
    Auteur: Joris Verbeurgt
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    De Chinese Droom

    Jarenlang was Oscar Garschagen correspondent voor het NRC in China.
    De Volksrepubliek China viert op 1 oktober 2019 haar zeventigste verjaardag. Trots wordt gevierd dat het ‘Land van het Midden’ welvarender en machtiger is dan ooit. Onder de strakke regie van partijleider en president Xi Jinping ontstaat een socialistische supermacht met een modern leger en ambitieuze plannen voor nieuwe zijderoutes en hoogtechnologische vernieuwing. In De Chinese droom beschrijft Oscar Garschagen hoe de grootste, bijna honderdjarige Communistische Partij zich voortdurend vernieuwt en brede steun behoudt, zonder democratische hervormingen – de nachtmerries van de armen, de repressie van christenen, minderheden en de media ten spijt.

    De Chinese Droom
    Auteur: Oscar Garschagen
    Uitgeverij: De Geus

    Niemand bleef

    Met Niemand bleef, het Dagboek van Meneer B. legde Alfred Birney volgens de uitgeverij de kiem voor De tolk van Java, het grote succes van Birney uit 2016 waar hij de Libris Literatuur Prijs en de Henriette Roland Holst-prijs mee won.

    ‘”De nacht is mijn vijand als ik slaap, mijn vriend als ik waak.” In 2005 wordt de wereld van Meneer B. kleiner als hij het na een hartinfarct rustig aan moet doen. In dit dagboek mijmert hij tijdens het herstel zonder schroom over voorbije liefdes, muziek maken, het schrijven, de boeken en de schrijvers die hem irriteren of inspireren. Hij fantaseert bij het uitzicht dat hij vanuit zijn flat heeft op vrijmoedige buurvrouwen. Hij maakt zich zorgen over zijn zoon die bij hem woont en zich afsluit. Gaandeweg herwint Meneer B. de lust om te schrijven en hij preludeert op een groots plan.’

    .

     

    Niemand bleef
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur

    ‘De Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee is vooral bekend als romanschrijver. Wat vele lezers niet weten, is dat zijn werk doordrenkt is van filosofie. Door de thematiek in zijn romans en verwijzingen naar bekende denkers als Jacques Derrida en Michel Foucault, laat Coetzee zien dat hij ook als filosoof een waardevolle gesprekspartner is. In Coetzee, een filosofisch leesavontuur gaat Hans Achterhuis op zoek naar deze filosofie in het werk van Coetzee. In het verlengde van iedere roman ligt een maatschappelijk vraagstuk. Zo koppelt Achterhuis bijvoorbeeld In ongenade aan de MeToo-discussie, Schemerlanden aan onze omgang met het koloniale verleden en Mr. Foe en Mrs. Barton aan de postmodernistische ideeën over de relatie tussen feiten, interpretatie en leugens. Hij geeft niet alleen een introductie in het werk van Coetzee, maar biedt ook nieuwe interpretaties’

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur
    Auteur: Hans Achterhuis
    Uitgeverij: Uitgeverij Lemniscaat

    Heimat

    Een bijzondere graphic novel tot slot. Hij is van de Duitse Nora Krug, kunstenaar in New York. Zij leeft al jaren in de Verenigde Staten als zij op zoek gaat naar de oorlogsgeschiedenis van haar familie.

    De uitgeverij: ‘In het schitterende en volkomen originele Heimat graphic novel, familieplakboek en onderzoeksjournalistiek in een – maakt Nora Krug gebruik van brieven, archiefmateriaal, spullen van de vlooienmarkt en foto’s om duidelijk te maken wat het betekent om bij een land te horen en bij een familie.’

    Heimat
    Auteur: Nora Krug
    Uitgeverij: Uitgeverij Balans
  • Vettige frietzakken en rottende herfstbladeren

    Vettige frietzakken en rottende herfstbladeren

    Erik Vlaminck is geboren in 1954 in Kapellen, gelegen in de streek rond Antwerpen. Geen onbelangrijk gegeven, want in meerdere van de boeken uit zijn intussen omvangrijke oeuvre vormen Kapellen en de omliggende plaatsen het decor en figureert het alter ego van de schrijver. Evenals zijn ervaringen in de psychiatrie en de daklozenopvang in die regio de vruchtbare grondslag vormen voor verhalen over levens van mensen, losers zouden we ze denigrerend noemen, die op zoek zijn naar manieren om hun vaak belaste verleden schoorvoetend onder ogen te zien of juist weg te moffelen.

    De nieuwste roman van Vlaminck is Een berg mens onder witte lakens. Op de tweepersoonskamer 226 in het Monica Ziekenhuis in Antwerpen liggen een schrijver, wiens naam ongenoemd blijft, en een zieke uit Kapellen waarvan we pas op de laatste pagina te weten komen dat hij André Nachtegael heet. Die André is een cynische man die naïviteit paart aan welbespraaktheid. De schrijver wil met rust gelaten worden maar zijn buurman kletst hem de oren van de kop. In de loop van de roman wordt ons steeds meer duidelijk over het getormenteerde leven. Dat gebeurt in hoofdstukken die afwisselend de titel ‘Kamer 226’ dragen of een datum.

    Krakende gedachten
    In de ‘Kamer 226’-stukken foetert André op de wereld en schetst zichzelf als iemand die tegenslagen overwon – het lag altijd aan een ander. In de gedateerde stukken krijgen we een chronologisch verslag van zijn leven. Als lezer weten we daarmee veel meer dan de schrijver vanuit het bed naast hem te horen krijgt; het maakt dat we in zijn grootspraak tegenover de schrijver soms bedekte toespelingen vernemen op feiten die wij als lezer wel, maar de schrijver niet, kennen. Dat werkt curieus omdat de schrijver duidelijk niet enkel het alter ego van Erik Vlaminck zelf is, maar preciezer de schrijver in hoogsteigen persoon. Dat blijkt bijvoorbeeld als hij zich realiseert dat hij Betty Verreijcken, die André komt bezoeken, kent. Hij heeft haar beschreven in De zwarte brug, een roman van Vlaminck uit 2016. Er duiken in Een berg mens onder witte lakens overigens meer namen van personen en locaties op die lezers al kennen uit De zwarte brug, maar ook al uit Wolven huilen uit 2004.

    André vertelt dat hij ‘krakende gedachten’ heeft over zijn dementerende vrouw Karlien. Ze is opgenomen in De Bijster, een werkelijk bestaand woonzorghuis in Essen, niet ver van Kapellen, die hij ‘een instelling voor mensen die niet weten dat ze er zitten’ noemt. André heeft zijn hele leven in het vrachtvervoer gezeten, in de ‘camions’. Dat was geen succes. Hij is vaker in zijn stamkroeg De Volksvriend (ook die bestaat echt) te vinden om daar stoere verhalen op te hangen en zit af en toe dronken achter het stuur. Met rampzalige gevolgen. Karlien wil scheiden en vanaf dat moment raakt André steeds verder in de goot.

    Spreektaal
    In zijn bed op kamer 226 probeert André vooral te verdoezelen wat voor puinhoop hij van zijn leven heeft gemaakt. Uit de gedateerde hoofdstukken weten we dat in zijn werkelijke leven thuis over zo goed als niets gesproken werd. Niet over hun slechte huwelijk, niet over de verantwoordelijkheid voor de kinderen, niet over de mislukkingen in het bedrijf en Andrés aandeel daarin, en vooral niet over de tragische gebeurtenissen in zijn leven die hij als een ondraaglijke schuld met zich meedraagt. Voortdurend kapt hij gesprekken die hem in het nauw kunnen brengen af met zijn vaste ‘Gij kunt mij vierkant de kloten kussen’. Maar de spoken blijven hem achtervolgen. Of zoals hij zelf eens plastisch verzucht: ‘Sommige dingen waaien altijd weer op. Het is gelijk met vettige frietzakken en rottende herfstbladeren’.

    Een berg onder witte lakens is een wervelend verhaal door de over elkaar buitelende verwikkelingen. Maar ook door de taal. Het sappige Vlaams speelt de hoofdrol omdat vrijwel de hele roman in dialoogvorm en in spreektaal is geschreven. Het levert teksten op vol cynisme en bijtende humor, zoals wanneer de rechtse André afgeeft op het dorp Borgerhout: ‘De Marokkanen hebben het daar helemaal overgenomen en hun gebied dijt uit gelijk een bloedplas in de slachterij. Als ge in Borgerokko in proper Vlaams de weg vraagt, krijgt ge een Marokkaans antwoord. Ge moet dan heel beleefd “merci” zeggen of ze zeggen u vierkant in uw gezicht dat ge een racist zijt en ze spuwen een klad speeksel voor uw voeten op het trottoir (…) Ik denk dat de achterpoortjes in onze wetten onderdeel zijn van hun godsdienstonderwijs’.
    Dito tirades houdt hij over de betrouwbaarheid van vrouwen en de EU.

    Geen verkeerde mens
    Vlaminck heeft een weemoedige en minimalistische schrijfstijl, waarin elk detail betekenis heeft. Als Karlien het allemaal te veel is gaat dat zo:

    ‘Ik denk dat het best is dat we uit elkaar gaan.’ Ze zegt het terwijl ze op kousenvoeten op een stoel staat en ballen in de kerstboom hangt.
    ‘Dan is er toch één ding waar we hetzelfde gedacht over hebben’. Hij zit ongeschoren aan de tafel met een glas bier voor zich.
    ‘Ik stel voor dat ge tegen Nieuwjaar vertrekt’. Ze rekt zich uit om de zilverkleurige spits op het topje van de boom te schuiven.
    ‘Ik stel voor dat gij vertrekt. Uw vader zal u en de kinderen met open armen ontvangen’.

    Waarna Karlien hem duidelijk maakt dat ze met foto’s kan bewijzen dat hij overspel heeft gepleegd, waarna ze vervolgt: ‘Ge kunt proberen om mijn vader aan uw kant te krijgen, maar ik denk dat het gemakkelijker is om de paus van Rome in een zwembroek met een pak frieten in zijn hand en met een carnavalshoedje op zijn kop op een foto te krijgen’.

    Maar het blijft niet bij cynisme en haat. In veel van de romans van Vlaminck zijn de daders evenzeer slachtoffers. Er is dan ook een zeker mededogen. Of zoals Betty Verreijcken ergens tegen André zegt, als hij vraagt wat ze denkt: ‘Dat ge geen verkeerde mens zijt’.
    Een berg mens onder witte lakens is een sprankelend boek. Je vergeeft de schrijver graag dat er soms wel erg veel samenloop van omstandigheden in zijn roman zit. Zoals in de toevallige ontmoeting met de ouders van Walter Valgaren, een jongen die André nachtmerries bezorgt. Wie wil weten hoe dat zit, lees deze roman over mensen die moeizaam hun weg zoeken in een wereld die ze niet lijkt te zien.

     

  • Tussen moeder en dochter

    Tussen moeder en dochter

    Wat voorafging van de Vlaamse Diane Broeckhoven is een indringende terugblik op de levens van de schrijfster en van haar moeder. Broeckhoven wier De buitenkant van Meneer Jules (Ein Tag mit Herrn Jules) veel verkocht werd in Duitsland, beschrijft haar moeizame relatie met haar moeder Berthe Moreels. Het is een relaas waarin Broeckhoven haar moeder niet spaart, zichzelf echter wel enigszins. Voor de balans was het misschien goed geweest als er meer zelfkritiek had doorgeklonken. Nu is het een vertelling over een moeder die haar in wezen goede dochter nooit echt gewaardeerd lijkt te hebben, een moeder die aan het slot van haar leven verbitterd is. Enige verbittering klinkt ook door in hetgeen haar dochter Diane Broeckhoven zelf vertelt aangaande het contact.

    Liefde en afwijzing
    Toch is dit boek geslaagd. Het boek is te plaatsen in de stroom aan familieboeken, waarin ‘gereminisceerd’ wordt. In tegenstelling tot veel van dergelijke boeken richt Broeckhoven geen kritiekloos monument op voor haar moeder. De beschrijving van de moeite die ze had om om te gaan met een aftakelende moeder, die deze aftakeling niet wilde erkennen, zal voor vele lezers met een achteruitgaande ouder of grootouder herkenbaar zijn. Van Broeckhoven schetst een beeld van het huwelijk van haar ouders, van haar eigen jeugd en van het heengaan van haar vader dat haar moeder ontredderd achterliet. Het is een boek met een universele thematiek.

    In de meeste reminiscentieboeken is er in meer of mindere mate sprake van therapeutisch schrijven: het leven van een oudere dierbare wordt door een kind of door een beroepsschrijver beschreven, om aan het leven een betekenis te verschaffen, om aan te geven dat het allemaal de moeite waard is geweest. Broeckhoven kiest een andere benadering die schrijnt en die een beeld geeft van haar moeder dat misschien enigszins liefdevol is, maar vooral ook hard. Een gloedvolle beschrijving van haar moeders leven, een nostalgisch relaas over warme familieverbanden, is dit boek niet. De overleden moeder heeft geen weerwoord, wat de lezer een gevoel van onmacht meegeeft.

    Therapeutisch
    Voor Broeckhoven zal het hoe dan ook een therapeutische waarde hebben gehad om dit alles op te schrijven en voor de lezers levert dit een geslaagd literair product op dat hier en daar echter wel schoonheidsfoutjes kent. Zo maakt Broeckhoven veel gebruik van het uitroepteken, een leesteken dat geen stilistische ingetogenheid representeert. Hier en daar is het taalgebruik niet eigen met formuleringen als ‘tortelduiven’ (voor geliefden), ‘soldaat maken’, ‘spik en span’, ‘duiveltje uit een doosje’, ‘ter wille van de lieve vrede’ of ‘als ik gewoon deed, deed ik al gek genoeg’. Dergelijk taalgebruik had een alerte redacteur misschien kunnen schrappen.

    Het is jammer dat Broeckhoven niet wat uitgebreider ingaat op haar periode als volgeling van de Bhagwan. Ze vertelt dat ze lid was van diens sekte en dat ze oranje kleren droeg (net als haar kinderen) maar niet veel meer. Het zou interessant zijn geweest om iemand aan het woord te zien die deze sekte van binnenuit gekend heeft, maar dat is duidelijk niet het oogmerk van de schrijfster in dit boek. Het zou boeiend zijn geweest om te vernemen hoe ze tot deze drastische keuze voor uitbundige spiritualiteit kwam en hoe ze er uiteindelijk (enigszins) op terugkwam. Kritiek op haar eigen keuzes in het leven lijkt Broeckhoven niet veel te hebben. Zo schrijft ze over haar omgang met haar moeder: ‘Ik heb de oorlog met mijn moeder overleefd door het principe van de onvoorwaardelijke liefde te beoefenen, als een boeddhist.’ (17) Dat is toch wel enigszins borstklopperij van de schrijfster.

    Ook was het interessant geweest meer te vernemen over de pesterijen van de striptekenaar Pom (bekend van Piet Pienter en Bert Bibber), een buurman met wie de ouders van de schrijfster een moeizame relatie hadden en die blijkbaar fout was in de Tweede Wereldoorlog.

    Het aloude schrijversadagium ‘show, don’t tell’ lijkt niet altijd aan Broeckhoven besteed te zijn. Ze vult met suggestieve passages iets te veel in. Zo schrijft ze over het lot van vrouwen als haar moeder: ‘Er zouden  uitsluitend lieve woorden tegen hen gefluisterd mogen worden door zachtmoedige verzorgers. De werkelijkheid ligt er mijlenver vandaan.’ (22) Die laatste toevoeging zou niet nodig moeten zijn als het relaas van de vertelster geslaagd is. Dit geldt ook voor de volgende passage: ‘De volgende dag, na mijn bezoek in de hallucinante wachtkamer vol vertwijfelde bejaarden, is het afscheid nog hartverscheurender.’ (28) Dit is een weergave van oprecht sentiment, maar het zou de lezer moeten zijn die wat er verhaald wordt al dan niet hartverscheurend vindt. De schrijfster zou het hem of haar niet hoeven te vertellen.

    De volgende passage over de momenten na een bezoek aan de moeder van de schrijfster, is typerend voor het boek: ‘Vaak heb ik in het tramhokje gestaan met een brok in mijn keel en tranen achter mijn oogleden. Hoe ik me ook uitsloofde: ik kan gewoon niets goeds doen in de ogen van mijn moeder.’ Geen heel fris taalgebruik, maar Broeckhoven weet haar boodschap wel duidelijk over te brengen. En na afloop voelt de lezer niet alleen mededogen met de soms nare moeder, maar ook met de schrijfster.

     

  • Oogst week 17

     

     

     

    Morgenvroeg in New York

    Bij uitgeverij Cossee is onlangs Morgenvroeg in New York verschenen, het debuut van de Franse Adrien Bosc (1986).

    Morgenvroeg in New York gaat terug naar oktober 1949 als van de Parijse luchthaven Orly een vliegtuig, de Constellation, vertrekt met bestemming New York. Aan boord tal van bijzondere mensen waaronder de geliefde van Edith Piaf, de bokskampioen Marcel Cerdan, de geniale dertigjarige violiste Ginette Neveu, de man achter het wereldwijde succes van de Walt Disney-merchandising, een wereldberoemde mode-illustrator, maar ook een groepje Baskische herders die hun geluk in Amerika gaan beproeven.

    Bosc raakte gefascineerd door wat krantenknipsels en is vervolgens gaan speuren naar de levens van de mensen aan boord en heeft er dit boek over geschreven.

    Morgenvroeg in New York was een groot succes in Frankrijk. Het is bekroond met de Grand Prix du roman de l’Académie française 2014, de Prix littéraire de la Vocation 2014 en de Prix Gironde Nouvelles Écritures 2014. De roman wordt wereldwijd vertaald, onder andere in het Engels, het Italiaans en het Duits. In Nederland is het vertaald door Carlijn Brouwer, een van de vaste recensenten van Literair Nederland.

     

     

    Morgenvroeg in New York
    Auteur: Adrien Bosc
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Het is stil waar het niet waait

    In de boeken van de Belgische schrijfster Elisabeth Marain (1943) zitten vaak autobiografische elementen. Zo ook weer in haar nieuwste roman Het is stil waar het niet waait waarin ze het leven beschrijft van een zeeman en dat van zijn gezin aan wal. Marains eigen vader was zeekapitein en dus soms lang van huis.

    Ook Gustave is veel van huis. Hij en Julia worden in de Eerste Wereldoorlog verliefd en trouwen met elkaar. Hij is veel weg, zij krijgt zijn kinderen en voedt die voor het grootste gedeelte alleen op. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voelt Gustave zich gedwongen om voor de Duitsers te werken wat hem na de oorlog blijft achtervolgen.

    Het is stil waar het niet waait
    Auteur: Elisabeth Marain 
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    Plotseling, liefde

    Ruben Verhasselt is vertaler van Jiddische en Hebreeuwse literatuur. Hij vertaalde boeken van o.a. Meir Shalev, David Grossman, Sayed Kashua, Judith Katzir, Dorit Rabinyan, Etgar Keret, S. Yizhar. Ook vertaalde hij het onlangs bij Ambo|Anthos verschenen boek Plotseling, liefde van de grote Israëlische schrijver Aharon Appelfeld.

    Plotseling, liefde  gaat over de groeiende liefde tussen een oudere schrijver die met zijn dramatische oorlogsverleden worstelt en zijn jonge ongetrouwde hulp. De Israëlische Ernst, in de zeventig, woont alleen. Zijn eerste vrouw en dochter zijn door de nazi’s vermoord, van zijn tweede is hij gescheiden. Hij wordt verzorgd door Irena, dochter van Holocaust-overlevenden. Langzaamaan geven ze zich bloot en ze beseffen dat ze meer voor elkaar betekenen dan ze dachten wanneer Ernst in een depressie belandt.

     

    Plotseling, liefde
    Auteur: Aharon Appelfeld
    Uitgeverij: Ambo | Anthos