• Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Jaap Goedegebuure, Neerlandicus en biograaf van de schrijver Frans Kellendonk (1951-1990), beweegt zich in zijn détailstudie over de muziek van Kellendonk tussen afstand en vereenzelviging. Hij deelt Kellendonks liefde voor Bob Dylan en nog wel meer: beiden volgden het gymnasium, waren schoolkrantredacteur, studeerden letteren (Kellendonk overigens Engelse taal en letteren) en werden schrijver.

    Goedegebuure start zijn verhaal met Kellendonks vriendschap met Leonard de Vos op het Dominicuscollege in Nijmegen. Een college waar jongens werden voorbereid voor een opleiding tot rooms-katholiek geestelijke. Ze vormen samen een duo, Kellendonk als schrijver van teksten die De Vos op muziek zet. Ze waren enthousiast en eendrachtig, maar ze doen meer. Samen met nog twee andere scholieren richten ze een schoolkrant op, Inkijk. Kellendonk schrijft onder meer over muziek. Hij draait zo warm voor het schrijverschap dat volgens Goedegebuure hier, ‘al de contouren van Kellendonks cultuurkritische tragikomedie Mystiek lichaam (1986) opdoemen’.

    Voorbereiding schrijverschap

    In de vierde klas van het gymnasium stapt Kellendonk als redacteur over naar Climax, een concurrerend blad van het Dominicuscollege, begonnen door een aantal vierdejaars hbs’ers. Hierin publiceert hij onder andere gedichten, in de voetsporen van Dylan en Boudewijn de Groot. Goedegebuure citeert er ruim uit en hij neemt ook vier vertalingen van Dylans songs op. Hij onderscheidt drie voorliefdes van Kellendonk: engagement, visionaire bevlogenheid en al dan niet ironische liefdesliedjes. 

    Na de overgang van vierde naar vijfde klas stapt Kellendonk over naar een gymnasium in Rotterdam, de stad waar zijn ouders wonen, ‘de geestelijke roeping (…) is vervlogen’. Hier wacht hem een nieuwe vriendschap: met Martin van Heesch, eveneens een groot Dylan-fan én aankomend singer-songwriter. Leo de Vos en Frans blijven al schrijvend contact met elkaar houden. Enkele brieven die Kellendonk aan hem schreef zijn in het boek opgenomen.

    In 1969 doet Frans Kellendonk eindexamen. Zijn verhalenbundel Het reuzenrad was toen al in gestencilde vorm verschenen. Goedegebuure beschouwt deze bundel als ‘een echte sleuteltekst, ontstaan op de drempel tussen adolescentie en volwassenheid, middelbare school en universiteit, het verleden en het vooruitzicht op een nog komende ontwikkeling van de schrijver’.
    Er is echter ook een andere sleuteltekst denkbaar, of liever: sleutelpassage, namelijk wat Kellendonk bijna terloops aan Leonard de Vos schrijft over een nieuw leven dat hij vond ‘in de schoonheid van de kunst, i.e. de poëzie, nadat ik ben vastgelopen in de realiteit van het harde leven’.

    Tegenspraak in werk van Kellendonk

    In Kellendonk. Een biografie van Goedegebuure, stelt hij dat zoiets als een tegenspraak moet worden beschouwd (poëzie en leven), zoals hij er vele in het werk van Kellendonk aantreft. Soms begrijpelijk, zoals nieuw leven ten opzichte van de dood in Mystiek lichaam – alhoewel je het daar ook over kunt hebben – maar in verband met het citaat zou je de overgang van het harde leven naar de schoonheid van de poëzie kunnen zien als een scharnier, zoals Neerlandica Yra van Dijk en haar studenten dat eens omschreven en overtuigend hebben uitgewerkt tijdens een lezing over Mystiek lichaam bij Spui25 in Amsterdam (15 oktober 2009). Immers, zijn muziek en poëzie niet bij uitstek de kunsten die leven en dood voelbaar maken?

    Zoals deze sleutelpassage bijna terloops voorbij komt, zo komen ook de jaren zestig uit de vorige eeuw zeer summier en bijna terloops voorbij. De jaren waarin Kellendonk afscheid neemt van de rooms-katholieke kerk, de tijd van zijn voorkeur voor psychedelische rock van Pink Floyd en The Byrds’ en (…) de hallucinante beelden’ van Bob Dylan. 

    In beide gevallen had Goedegebuure meer de diepte in mogen gaan. Nu moet bijvoorbeeld voor de context van de zestiger jaren uitgeweken worden naar een recent boek als Alles! En wel nu! van Piet de Rooy. Het is jammer dat het boek nu aan de oppervlakte blijft steken. Al zullen de bewonderaars van Kellendonks werk blij zijn met de gepubliceerde gedichten en brieven uit de archieven van Leonard de Vos, Martin van Heesch en Kellendonk zelf (uit de Leidse Universiteitsbibliotheek).

     

  • Wedervaren op het Poolse platteland

    Wedervaren op het Poolse platteland

    In Roest van de Poolse auteur Jakub Małecki kan de herinnering zomaar toeslaan. We volgen drie generaties lang het leven in het Poolse plattelandsdorp Chojny. Dat leven staat in de schaduw van grotere gebeurtenissen waarin de dorpsbewoners worden meegetrokken. Ze zijn het slachtoffer van de geschiedenis. Hun aller lot is op ingenieuze wijze met elkaar verbonden en hun persoonlijke geschiedenissen staan op de voorgrond in dit universele verhaal. 

    Het begint op de dag dat alles eindigt voor Szymek Stawny, die op één dag beide ouders verliest in een auto-ongeluk. Na hun dood komt Szymek bij zijn oma Tośka te wonen. Afwisselend ontvouwt zich het verhaal van Szymek in het heden en dat van Tośka in het verleden, een verleden dat is doortrokken van verlies. Tośka heeft de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en wordt gekweld door de herinneringen aan de bombardementen op Chojny en de deportatie van de bewoners. Ze was er niet op voorbereid om nog voor een kind te moeten zorgen. Ze omschrijft zichzelf als ‘een gebouw dat op instorten staat’, nu Szymek komt staat het ‘in de steigers’. 

    Vreemde oma

    Als Szymek in het huis van zijn oma komt kan hij niet slapen omdat hij bang is dat Onze Lieve Heer hem ‘s nachts komt halen, net als hij zijn ouders heeft gehaald. Tośka belooft dat ze Onze Lieve Heer wel zal neerschieten als hij nog een keer komt. Uit het koekblik haalt ze een pistool en laat het aan Szymek zien. Dat pistool is haar verzekering tegen de toekomst. Als de tijd komt om eruit te stappen heeft ze alles al voorbereid. Szymek speelt ondertussen met zijn vriendje Budzik langs het spoor waar ze muntjes op leggen, die ze later weer verzamelen als de trein eroverheen is gereden. 

    Nu hij zijn oma met de kwartels en konijnen moet helpen breekt een nieuwe tijd voor Szymek aan. De geruststellende aanwezigheid van zijn ouders is vervangen door de vreemde oma die soms verloren in gedachten voor zich uit zit te kijken. In de mist van de ouderdom stommelt ze door het huis, geluiden die Szymek al snel vertrouwd voorkomen. Tośka probeert Szymeks leven makkelijker te maken met stilzwijgend begrip. Niet lang daarna moet hij naar school, waar zich een incident voordoet waarbij hij een pestkop slaat. Hij krijgt een zekere reputatie en moet daarna ook van Budzik pesterijen ondergaan. Szymek verwijt zichzelf niet moedig genoeg te zijn, niet net zo moedig als zijn betovergrootvader Lucjan die ooit met zijn blote handen een beer schijnt te hebben gedood. 

    Betonnen standbeeld in het bos

    Tośka raakt ondertussen steeds meer verstrikt in haar herinneringen. Zij denkt aan haar vroegere geliefde Karol, aan de tijd en de oorlog die zich moeilijk vergeten laat. Haar herinneringen zijn heel zintuiglijk; de geur van de bedrukte wagon waarin ze vervoerd werden, de kleuren van het landschap. In de buurt van Chojny lag het vernietigingskamp Chełmno waarvan de lugubere geur als de wind verkeerd stond hun kant op waaide. Karol had het met eigen ogen gezien, wat daar gebeurde, waarna hij zo geschokt was dat hij zich opsloot in een schuur en weigerde naar buiten te komen. 

    De vreselijke gebeurtenissen die nabij Chojny hebben plaatsgevonden drukken een stempel op het dorp. Aan Chojny valt niet te ontkomen, laat Małecki Szymek ergens zeggen. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis en Tośka. Ze raakt Karol uiteindelijk kwijt en moet haar dochter alleen opvoeden. Zo verloor iedereen wel iets in de oorlog, geliefden, verwanten, jaren van hun leven. De oorlog leeft voort in verhalen die door de ouderen eindeloos aan hun kinderen worden verteld. Voor de kinderen zijn het oude zwart-witfoto’s waarbij ze zich niets kunnen voorstellen. Net als Szymek die op een dag op schoolreisje moet naar Chełmno, wat Tośka nog probeert te verbieden. Hij vindt er niets aan, want er staat alleen maar een betonnen standbeeld in het bos. 

    Toekomst

    Voor Szymek duurt de werkelijkheid om hem heen ‘hardnekkig voort’. Hij zou naar de universiteit gaan. Tot hij op een dag bij de bushalte Budzik tegenkomt, die hem zonder reden in elkaar slaat. Szymek besluit in Chojny te blijven en krijgt een baantje bij zijn oom op het postkantoor. Hij gaat bij zijn oom wonen en probeert niet aan de toekomst te denken. ‘Soms vroeg hij zich alleen af of er in zijn leven nog iets zou gebeuren. Hij was niet bang dat er misschien iets zou gebeuren en hij was niet bang dat er misschien niets zou gebeuren. Hij was benieuwd, zoals hij soms voor de tv benieuwd was als hij naar de lotgevallen van anderen keek die even vreemd en fictief waren als zijn eigen leven.’ De houding van veel personages in het boek lijkt op die van Szymek. Het leven dwingt ze tot bepaalde keuzes en zo worden ze wie ze zijn. Opvallend genoeg keren ze vaak terug naar hun geboorteplaats, slechts een enkele keer lukt het iemand om dat lot te ontstijgen. 

    Onvergetelijke sfeerschets

    Op het platteland is de geschiedenis onlosmakelijk verbonden met het land. De boom op het erf van de familie Budzikiewicz die vijf generaties heeft gekend staat er symbool voor. De rol van het herinneren ligt bij ouderen zoals Tośka. Zij staan nog met een been in het verleden en hun pijnlijke herinneringen roepen begrip op voor het menselijk onvermogen. Bij auteur Małecki is geschiedenis iets wat door de generaties heen werkt. Roest vertelt het verhaal van betovergrootvader Lucjan en de volgende generaties tot en met Szymek. Daardoor gaat het niet alleen om Szymek en Tośka maar is het boek eerder een familiesaga. De relatie tussen Szymek en Budzik vormt de katalysator. Verbonden door het spoor en hun gedeelde verleden leggen ze ieder hun eigen traject af. Tot het op het einde allemaal op dramatische wijze samenkomt. 

    Jakup Małecki heeft met Roest een oersterke roman afgeleverd, een zorgvuldig en langzaam opgebouwd coming of age verhaal met een melancholische toets. Daarbij zet hij een onvergetelijke sfeerschets van het Poolse platteland neer. De stijl is eenvoudig maar pijnlijk levensecht. Sommige zinnen komen aan als een sloophamer. De personages zijn knap beschreven, geloofwaardig en herkenbaar door hun individuele gebreken. Door de bijna filmische weergave van het verhaal groei je als het ware met hen mee door de tijd. Małecki laat zien wat ervoor nodig is om jezelf te worden. Zijn helden zijn hele alledaagse mensen die hun best doen om hun leven te leiden. Dat is vaak al moeilijk genoeg onder druk van de omstandigheden.

     

  • Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    In het midden van een terrein, twee voetbalvelden groot, is een boksring geplaatst, verlicht door schijnwerpers van de luchtafweerinstallatie. Ertegenover acht rijen stoelen waarop tweehonderd SS-ers van allerlei rang uit Auschwitz en kampen in de buurt. Aan de andere kant van de ring honderd tot honderdvijftig kapo’s (de toezichthouders die de SS aanwees uit de kampbevolking zelf). Ze gaan kijken naar een bokswedstrijd van een soldaat van de Wehrmacht tegen ‘Young’ Perez, een Tunesische bokser die in 1931 en 1932 wereldkampioen vlieggewicht was en nu in Auschwitz verplicht wordt om de nazi’s regelmatig te amuseren: ze willen een portie bloed en geweld zien.
    In Bij ons in Auschwitz heeft Arnon Grunberg een kort stuk opgenomen uit De bokswedstrijd. Overleven in Auschwitz van Paul Steinberg, die tijdens het gevecht verzorger was van Perez. In dat stuk wordt het gevecht beschreven, maar veelzeggend is hoe Steinberg zijn verslag karakteriseert: ‘Als er ooit een surrealistische happening heeft plaatsgehad die de verbeeldingswereld van een Breton, Dalí of Magritte zou hebben getart, dan was het die avond wel’. Hij vraagt zich af ‘of die voor het geestesoog van een menselijk wezen met een gezond bewustzijn wel tot leven is te roepen’.

    Die inleidende opmerking raakt aan de onmacht om de werkelijkheid van Auschwitz aan anderen duidelijk te kunnen maken. Arnon Grunberg nam in de door hem ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz – 75 jaar geleden – samengestelde bundel Bij ons in Auschwitz 78 fragmenten op die allemaal in meerdere of mindere mate dat onvermogen illustreren. Grunberg zegt er in zijn inleiding behartenswaardige dingen over. Hij haalt Sem Dresden aan: ‘Als het waar is – het is ongelukkig genoeg waar – dat geen kampbeleving en geen getto-ervaring zich indertijd of naderhand in woorden laat vangen, dan zal elke uitdrukking ervan een vorm van behelpen en van onvermogen moeten zijn. Dan blijft alleen over wat ik niet beter weet te benoemen dan indirectheid’. Steinberg moest daarom wel surrealistische schilders te hulp roepen – en wist dat dat behelpen was.

    Dantesk

    De fragmenten zijn geschreven door dertien schrijvers die allemaal in Auschwitz hebben gezeten. Het merendeel van hen overleefde het kamp en deed later een poging om terug te blikken. Er zijn ook fragmenten opgenomen die in het kamp zelf zijn geschreven. Het zijn niet alleen getuigenissen van Joden, maar ook van bijvoorbeeld een verzetsstrijder. Er zijn beschouwende teksten naast herinneringen. Maar in die verscheidenheid is er één constante: alles heeft zich afgespeeld in één kamp, Auschwitz-Birkenau. Dat betekent dat er soms paralellen zijn. De Hongaar Miklós Nyiszli vermeldt een voetbalwedstrijd in het kamp die aan de bokswedstrijd van Steinberg doet denken. En de Pool Wieslaw Kielar spreekt over ‘danteske scènes’, zoals Steinberg het surrealisme nodig had om beelden op te roepen. Diverse auteurs verwijzen naar elkaar waardoor de stukken elkaar versterken.

    Meerdere schrijvers vragen zich af – in de bewoordingen van Grunberg – ‘of de taal Auschwitz aankan, of niet ook de taal van de mensen vernietigd is in de gaskamers en de crematoria’. Die ontoereikendheid van de taal en tegelijk de noodzaak wél taal te vinden, is het centrale thema van Grunbergs inleidende essay. Schrijven over het vernietigingskamp is volgens hem een literaire onderneming omdat die uitgaat van de verwachting dat de schrijver de lezer iets laat meemaken dat hij niet kent. Bij fictie is dat iets dat de schrijver zelf niet eens heeft ervaren, maar in dit geval is er niets bedacht; de voor de lezer onvoorstelbare realiteit moet worden verwoord. Als je genoegen neemt met de onzegbaarheid wordt Auschwitz iets dat in stilte beleden wordt, ‘zoals je met een god doet: het betekent dat je bijdraagt aan de verheerlijking ervan’. Je moet er dus over spreken, maar hoe? En wie mag spreken?

    Sonderkommando’s

    Grunberg heeft gekozen voor teksten van schrijvers die Auschwitz meemaakten en daarover non-fictie hebben geschreven (wat niet wil zeggen dat zij geen romans op hun naam hebben staan, zoals in het geval van Imre Kertész en Primo Levi). Ook gaat het niet alleen om teksten van overlevenden, maar ook om getuigenissen van omgekomenen. Daaronder de leden van de Sonderkommando’s.

    Deze Sonderkommando’s behoorden tot wat Primo Levi in zijn De verdronkenen en de geredden de ‘grijze laag’ noemt. ‘Een extreem geval van collaboratie’ noemt hij deze Kommando’s. Ze waren samengesteld uit kampbewoners, grotendeels Joden (gevangen Duitsers en Polen kregen de ‘respectabeler’ functie van kapo), die in ruil voor bepaalde voorrechten dienst deden in de crematoria. Die dienst hield onder andere in: orde handhaven, lijken uit de gaskamers halen, gouden tanden uit de monden breken, de ovens stoken, de as eruit halen en die begraven. Hun privilege was dat ze een paar maanden wat meer te eten kregen (en hoopten te overleven). Maar de SS zorgde ervoor dat er om de paar maanden nieuwe Sonderkommando’s kwamen die hun voorgangers alsnog de ovens injoegen. Eén van de gedachten die er volgens Levi achter zat was ‘een paroxisme van doortraptheid en haat; de Joden moesten de Joden in de ovens stoppen, het bewijs moest geleverd worden dat de Joden, Unterrasse, Untermenschen, zich tot elke laagheid lenen, zelfs tot het vernietigen van zichzelf’.

    Beschrijvingen

    Dat de SS de Sonderkommando’s om de paar maanden verving was mede om te voorkomen dat iemand het zou kunnen navertellen. Daarin is de SS niet geslaagd. Grunberg heeft fragmenten opgenomen van twee overlevende Sonderkommando’s, de al genoemde Nyiszli (die zich vrijwillig had gemeld) en Filip Müller. De meest macabere beschrijvingen van het werk die zijn opgenomen zijn van de hand van de hiervoor eveneens al genoemden Kielar – geen lid van de Sonderkammando’s, maar Blockältester – Müller en Nyiszli. Met hen waad je als lezer door de stank en verminkingen van de lijken die moesten worden opgeruimd; cynisch soms, zoals wanneer Nyiszli een recept geeft voor diarree.

    Er zijn zelfs verslagen opgenomen van Sonderkommandoleden die het kamp niet overleefden, Zalmen Gradowski en Zalmen Lewental. Ze begroeven hun handgeschreven getuigenissen in de as bij de crematoria. Daar werden ze na de oorlog gevonden. De sporen zijn zelfs nog tastbaar in de gedrukte versies in de bundel van Grunberg waar streepjes en puntjes aangeven wat niet meer leesbaar is (mogelijk gewist door inwerking van vocht, as en aarde).

    Mogelijkheid

    Grunberg velt geen moreel oordeel over de Sonderkommandoleden, dit in navolging van Levi die vraagt ‘om de geschiedenis van de “aasvogels van het crematorium” met piëteit en een onvertroebelde blik te overdenken, maar het oordeel over hen op te schorten’. Hij schrijft dit na een gedachtenexperiment rond de vraag wat ieder van ons in zo’n barre situatie zou hebben kunnen doen.
    De fragmenten in Bij ons in Auschwitz zijn gerangschikt in vier thematische delen: Aankomst, Bed, straf en selectie, Sonderkommando en Schuld, schaamte, wrok en verlangen. In het derde deel vliegt de weerzin je als lezer soms aan, zozeer dat je niet méér binnen kunt laten. Grunberg realiseerde zich dat: ‘Wie het zich gemakkelijk wil maken heeft hier niets te zoeken’, waarschuwt hij. In die zin vraagt het lezen van de bundel doorzettingsvermogen. Je realiseert je dat je niet weg mag lopen als Grunberg toevoegt: ‘Auschwitz is een mogelijkheid, die weer bestaat uit talloze mogelijkheden, men leze wederom de getuigenissen, maar het is wel een mogelijkheid die geen onmogelijkheid is geworden, Auschwitz hangt nog altijd in de lucht’.

     

     

  • Een ode aan de cyclus van het leven

    Een ode aan de cyclus van het leven

    Sinds het verschijnen van haar debuut De Appelmoesstraat is anders (1978) heeft de in Antwerpen wonende schrijfster Joke van Leeuwen een niet aflatende stroom van boeken geschreven, zesenvijftig in totaal. Haar nieuwste bundel Levenslust is in feite één lang gedicht, bestaande uit tachtig strofen van tien versregels. Vooraan in het boek staan vijf tekeningen van de auteur, terwijl als een rode draad een getekend lint door de bladzijden getrokken wordt om de afdelingen te markeren, met af en toe een knoop erin. Van Leeuwen is een veelzijdig auteur die zich op allerlei terreinen begeeft: schreef ze in het begin alleen voor kinderen, al gauw begonnen de leeftijdsgrenzen voor haar boeken te vervagen en nu schrijft  ze verhalen die door zowel kinderen als volwassenen zeer gewaardeerd worden. De illustraties verzorgt ze ook zelf.

    Haar werk is veelvuldig vertaald en bekroond in binnen- en buitenland. Ook legt ze zich toe op toneel, romans en dichtbundels, waarvan Levenslust haar achtste voor volwassenen is. Bovendien werd ze in 2015 uitgeroepen tot Dichter der Nederlanden. De functie, die bestaat naast die van Dichter des Vaderlands, is door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) in het leven geroepen om de verbondenheid tussen Nederland en Vlaanderen te stimuleren.

    Herinneringen en observaties

    De titel zegt genoeg: dit gedicht is een ode aan het leven. Joke van Leeuwen neemt de lezer mee vanaf het allereerste begin: de verwekking en de groei van een kind in de baarmoeder, de geboorte en de babytijd. De observaties zijn onpersoonlijk en van toepassing op iedereen; pas later worden ze gekleurd door persoonlijke herinneringen en ook dat is zoals het in het echte leven gaat: het geheugen van een kind komt pas later op gang. Maar zelfs dan worden de herinneringen algemeen gemaakt door het gebruik van de voornaamwoorden ‘men’, ‘wij’ als pluralis modestiae en een onpersoonlijk ‘je’:

    ‘je eerste bal toen je gekostumeerd
    komen moest kwam je als schemerlamp’

    De herinneringen die Van Leeuwen oproept, zullen herkenbaar zijn voor mensen van haar generatie. Wat volgt is een kolkende rondleiding door de cyclus van het leven: opgroeien, werken, verliefd worden en zelf weer nieuw leven scheppen, tot de dood erop volgt. Dit gebeurt niet chronologisch, maar willekeurig via invallen, gedachten, gebeurtenissen en associaties. Daarin is ook plaats voor ingrijpende en serieuze onderwerpen als oorlog, kindersterfte, natuurrampen. Ook God krijgt een stem en geeft zijn mening over het leven dat hij zelf geschapen heeft, overwegend of hij opnieuw zal beginnen.

    Van enkeling tot mensheid

    Naast het leven van een enkeling breidt Van Leeuwen haar beschrijving uit naar dat van de gehele mensheid en stipt ze de ontstaansgeschiedenis van de mensheid aan, beginnend in de oertijd en eindigend in de toekomst.
    Maar bij alle fragmenten staat het optimisme centraal, het aanvaarden van ervaringen en vooral verder gaan en opnieuw beginnen. Niet voor niets eindigt het gedicht met:

    ‘(…) – blijf nog
    blijf blijf, heb geduld als het wit
    van erkannogvanallespapier’

    Kenmerkend in het werk van Van Leeuwen is de humor en het jongleren met taal, wat soepele en originele vondsten oplevert:

    ‘(…) – napoleon, hem
    heeft die ingres zo weten te schilderen dat
    het verdwijnpunt het roodhermelijnpunt
    het zowilikzijnpunt precies is
    te vinden op keizermans pik’

    Levenslust is één lang gedicht, zonder hoofdletters of punten, slechts een enkele komma of een gedachtestreepje en af en toe een uitroepteken. Ook ontbreekt eindrijm, maar het consequent aangehouden metrum van de dactylus is zo ritmisch en zo melodieus, dat dit nauwelijks gemist wordt. De strofen zouden hardop gelezen moeten worden om ze volledig tot hun recht te laten komen:

    ‘(…) de dieren die gillend
    van slachtangst niet snappen met
    wat voor verlangen de vachtloze
    wezens met sierlijke klauwen hen
    rauw aan een haak willen hangen’

    Niets is toevallig

    Het gedicht is zeer doordacht geschreven, niets wordt aan het toeval overgelaten. De compositie is ingenieus, met lange zinnen die vaak doorlopen over meerdere strofen en met veel enjambementen. Dat werkt overrompelend, de stroom van woorden is overweldigend en maakt dat je (soms) naar adem moet happen. Er zijn weinig rustpunten in het gedicht: met behulp van de komma’s en de cadans moet de lezer die zelf aanbrengen. Bovendien gaat het om één lang gedicht en zou je alle strofen achter elkaar moeten lezen om te kunnen bepalen waar het over gaat.

    Het is niet wenselijk zomaar ergens te beginnen met lezen, dan is de samenhang tussen de strofen verdwenen en wordt het onmogelijk om te weten wat het onderwerp is van het betreffende fragment. De strofen zijn met elkaar verbonden als kralen aan een ketting, als je er eentje tussenuit haalt is de verbinding weg.

    Joke van Leeuwen heeft op een speelse manier een aantal serieuze zaken vorm weten te geven. Als een uitbundige gids voert ze de lezer mee langs niet alleen de toeristische trekpleisters van het leven, maar ook langs kleine, alledaagse en herkenbare gebeurtenissen die een mensenleven kenmerken en zonder meer belangrijk zijn.

  • Hoe te reageren op de belediging die seksueel misbruik is

    Hoe te reageren op de belediging die seksueel misbruik is

    Nadat klinisch psycholoog Iva Bicanic, gespecialiseerd in het behandelen van misbruikte jongeren, was geïnterviewd door De Volkskrant, wilde ze het artikel controleren voordat het gepubliceerd werd. Niet op feitelijke onjuistheden maar op uitspraken ‘die mensen [kunnen] raken in negatieve zin […] zodat niemand thuis beschadigd wordt, dat het alleen maar helpend, steunend en ontschuldigend is’. Daarom kiest Bicanic haar woorden altijd voorzichtig.

    Het illustreert hoe groot het taboe op seksueel misbruik is: je zegt snel iets verkeerds. Dat geldt niet alleen voor hulpverleners als Bicanic, maar ook voor de slachtoffers. Toen Griet op De Beeck bij De wereld draait door vertelde dat zij in haar jeugd was misbruikt, werden zowel haar betrouwbaarheid als de oprechtheid van haar motieven in twijfel getrokken. Een reactie die het argument van slachtoffers voedt om niet aan de bel trekken: ik word toch niet geloofd en het leidt tot nog meer inbreuk op mijn waardigheid. Geen aanlokkelijk vooruitzicht en een goede reden om alle ellende voor je te houden. In de roman Noodweer van Marijke Schermer wordt beschreven hoe dit nooit helemaal lukt: de ellende zoekt toch een uitweg.

    Niet te verdragen woede

    Ook bij Manon Uphoff. Haar nieuwe roman Vallen is als vliegen opent met de nu al beroemde openingszin: ‘Lezer, ik wilde dit verhaal niet vertellen.’  Waarna het hele eerste hoofdstuk leest als een apologie voor het schrijven van dit boek. Alsof zij, een schrijfster die haar sporen verdiend heeft, niet over haar meest verborgen zielenroerselen zou mogen schrijven. Van wie niet, waarom niet? Wanneer het misbruik in heel zijn verontrustende omvang al is beschreven, beantwoordt Uphoff deze vraag: ‘hoe je voor zo’n belediging [eufemistisch voor het misbruik] te revancheren en erop te reageren in een wereld die de woede van vrouwen niet verdraagt?’

    Zelf verdroeg de schrijfster haar woede echter ook niet meer. De dood van haar oudere halfzus Henne Vuur – ook slachtoffer van het seksueel misbruik – geeft substantie aan de depressie waarin ze op dat moment verkeert. Het hardnekkige zwijgen heeft zich geuit in zelfdestructie: ‘[Ik] heb geen andere mogelijkheid meer dan terug te keren naar een geschiedenis die ik dacht te zijn ontvlucht en die nooit alleen de mijne was, maar die van ons allemaal.’ Zo overstijgt deze roman het particuliere: zij schrijft ook voor haar zussen en daarmee voor iedereen die met seksueel misbruikt te maken heeft gehad.

    Vermijden van slachtofferschap

    Ook voor de daders, al weigert Uphoff begrippen als dader en slachtoffer te gebruiken: ‘die doen geen recht aan het weefsel, het web om alles heen, de inbedding in de zwijgende samenleving’, zegt ze in een interview met Het Parool. De roman maakt duidelijk dat het onverdraaglijk is om een slachtoffer te zijn, dat blijkt uit de schokkende gebeurtenissen die haar andere halfzus, Toddie Woddie overkomen. Met slachtoffers wil niemand omgaan, laat staan dat ze geholpen worden.

    Hoe je achteraf te verdedigen tegen die belediging die het misbruik is, hoe je te revancheren?  Niet met een keiharde afrekening dus, hoewel zij daar alle reden toe heeft. In plaats daarvan noemt zij haar vader ‘de briljante architect van onze angst en opwinding en regisseur van onze momenten van extreme verrukking en vrees’. Vervolgens beschrijft zij het misbruik zelf – de aard van het gezinsleven en de gevolgen ervan voor de levens van haar zussen (broers blijven buiten beschouwing), en alle verwarrende, tegenstrijdige gevoelens: ‘Ach, maar wat als alles wat je hebt geleerd en gezien over de liefde, tederheid en zorg ook daar, en voor het eerst (en zo krachtig!), tot leven is gewekt?’

    Taal verandert vallen in vliegen

    Kunst en met name literatuur boden tot dusver een ontsnapping aan de demonen. Ietwat cynisch memoreert Uphoff  hoe haar debuut, de verhalenbundel Begeerte, lovend ontvangen werd als een triomf van de fantasie. Pijnlijk als men nu terugleest dat het noli me tangere (raak me niet meer aan) dat ze op dertienjarige leeftijd tegen haar vader uitspreekt aan de orde komt in het verhaal Vlees waarin de dochter van een slager rond haar dertiende weigert nog langer vlees te eten, vlees dat haar enerzijds vervult van genot en tegelijkertijd van walging. Herlees de bundel – zeer de moeite waard – en men ziet dat in elk verhaal de thema’s macht, seks, erotiek en onschuld een rol spelen. Literatuur als middel om het onbenoembare toch te zeggen.

    Met open vizier

    Nu echter wordt de literatuur gebruikt om met open vizier de strijd met de demonen aan te gaan- het gif zoals Uphoff het noemt. Openhartig maar niet onverbloemd. De veelvuldige literaire en historische verwijzingen – die niet allemaal van toegevoegde waarde zijn – en het stilistisch machtsvertoon – Uphoff is werkelijk een voortreffelijk schrijfster – lijken als bescherming te dienen voor de uiterst pijnlijke en moedige confrontatie die ze aangaat: het is de taal die het vallen in vliegen verandert.

    Uphoff wilde deze roman niet schrijven. Soms ligt schoonheid in de eenvoud, hier is het andersom. Vallen is als vliegen ademt tot in elke zin, elk woord, elke letter wat een enorme krachttoer het is geweest om te vliegen. Dat maakt het boek niet makkelijk toegankelijk, maar wel boeiend en confronterend. Vallen is als vliegen is een monument van een boek en verplichte kost voor een zwijgende samenleving.

     

  • De wondere wereld van geloof, hoop en liefde

    De wondere wereld van geloof, hoop en liefde

    Wonderlamp van Désanne van Brederode is een verslag van een reis met haar zoon naar Israël en de Palestijnse gebieden. Zoals uit de titel mag worden afgeleid, speelt Aladdin in haar verhaal een belangrijke rol. Hij drijft in Bethlehem een winkeltje dat het ik-personage bezoekt en werpt zich op als hun gids. Hij leidt ze naar toeristische trekpleisters zoals de grot waar Arafat zich verborgen heeft gehouden. Langzamerhand ontwikkelt zich een vriendschap tussen beiden, hoewel zij op haar hoede blijft.

    Door haar reisverslag weeft ze persoonlijke anekdotes, sprookjes, en herinneringen aan haar huwelijk met de vader van haar zoon. De scheiding was niet haar keus, ze schrijft met mededogen en heimwee over haar huwelijk, het leven daarna heeft ze nog niet helemaal op orde. Ze toont zich gevoelig voor de charmes van Aladdin. Wanneer ze weer in Nederland is, krijgt ze via via een olielampje uit de winkel van Aladdin in bezit. Dat lampje, hoe kan het ook anders, blijkt magische krachten te hebben. Aanleiding om te filosoferen over persoonlijke gebeurtenissen zoals de scheiding, haar relatie met haar zoon, het moeizame huwelijk van haar ouders, haar relaties met andere mannen en over de Syrische vluchtelingen die ze kent.

    Het is bekend dat Van Brederode religieus is, evenals haar vader dat was: een pastor, een jezuïet, die zijn hele leven werkzaam was als ‘opfleurwerker’. Haar bezoek aan Israël roept allerlei religieuze gedachten bij haar op, vooral over de functie van het Christendom in de moderne tijd. De brieven van de apostel Paulus intrigeren haar en brengen haar op het idee om een roman over hem te schrijven. Al vrij lang heeft ze een fascinatie voor Paulus, ze voelt zich verwant met zijn opvatting over vriendschap en liefde. Ze onderbreekt dan ook haar reisverslag om een deel van haar boek aan hem te wijden en daarmee het begin van haar voorgenomen roman over hem te schrijven.

    Hoewel Wonderlamp een reisverslag is, is het ook en vooral een episode uit het leven van (het alter ego van) de schrijfster. De hiervoor genoemde verschillende elementen weet zij, als vanzelfsprekend  onderdeel te laten zijn van haar verhaal. Ze is een begenadigd verteller en weet je mee te nemen in wat ze meemaakt, in haar religieuze belevingen. Haar persoonlijke ontboezemingen, de filosofische vragen die zij oproept, hebben vaak betrekking op geloof, hoop en liefde in al zijn verschijningsvormen. Wat dat laatste betreft schrijft ze bijvoorbeeld over een bejaarde die op een bruiloft van een kleinkind  onvoorwaardelijk en zonder ironie in gelukkige liefde gelooft: ‘En niet omdat zulke huwelijkse liefde ook maar ergens op aarde voorkomt (…) maar omdat het woord liefde de vonk van de verbeeldingskracht zowel ferm oppookt als teder verandert in haar tegendeel: in overvloedig, overstromend bluswater dat de pijn kan doven in de ongeneeslijke schroeiplekken die de desillusie nu eenmaal achterlaat.’ Een bijzondere omschrijving van liefde. Of wanneer ze het over haar zoon heeft: ‘Hoe vreemder mijn zoon me is, hoe weidser mijn dankbaarheid. Een uitzicht in zichzelf.’

    Wel blijft er iets knagen wanneer je het boek uit hebt. Dat heeft te maken met het caleidoscopische karakter van het boek: het is zoals gezegd een reisverslag en een roman, maar omvat ook autobiografische elementen, afgewisseld met sprookjes en filosofische bespiegelingen. Dan wordt het eerste en derde deel ook nog eens onderbroken door een ‘brief’ aan (S)Paulus, wat de consistentie van het boek niet ten goede komt. Qua compositie kan Wonderlamp dan ook een wonderlijk boek genoemd worden.

     

  • Zintuiglijke roman over verbeelding en hoop

    Zintuiglijke roman over verbeelding en hoop

    Er zijn mensen die eerste zinnen uit boeken verzamelen. Die uit de recente roman Foon van Marente de Moor verdient, met stip, een plaatsje op zo’n lijst:  ‘Ik hoor niets, maar het begint al licht te worden’.
    Dat slaat niet op het kwetteren, krassen, ritselen, fladderen en tokken van vogels die de dageraad aankondigen, maar op de vraag die het echtpaar Nadja en de twintig jaar oudere Lev, twee zoölogen en de hoofdpersonen van het boek, ’s ochtends aan elkaar stellen: ‘Heb jij nog iets uit de hemel gehoord?’ Dat wil zeggen ‘Grote Geluiden’, de muziek van de kosmos. De foon, ‘de achtergrondruis van het leven’.

    Nadja en Lev


    De hoofdpersonen wonen, samen met enkele katten – waaronder Boelka die geen stem meer heeft – en op z’n tijd enkele verweesde berenwelpen, in een volslagen verlaten en vergeten plaats in Rusland waar eens een batterijfabriek in bedrijf was. Nadja meent ‘soms nog de teer te ruiken waarmee ze vroeger die batterijen verzegelden’. ‘Geurspoken’ noemt ze het. Het draait in deze roman dan ook om zintuiglijke waarnemingen: ‘Binnen klonk elk geluid van buiten lieflijk. Zelfs het vuil rook lekker, het stof op de vloer was zacht. Ik ging op de waranda zitten en keek naar onze bedoening’, zegt Nadja. Daarbij worden Nadja en Lev zo beeldend beschreven dat je ze als lezer meteen voor je ziet: ‘Kan iemand mij vertellen waarom ik nu voor de tweeduizendste keer deze overgooier aantrek, in deze stinksloffen schiet, mijn vlecht opbind?’
    Dat is Nadja, en voor Lev geldt hetzelfde, met ‘zijn heftig op en neer gaande borstkas’ die ‘ondanks alles behaard en gespierd’ is. Een verband tussen die borstkas en de ‘geurspoken’ wordt overigens niet gelegd. Dat kun je als lezer eventueel zelf doen. Of niet, omdat het kwaad bij De Moor niet alleen van buiten komt, maar vaak ook van binnen zit. ‘Zijn angst’, zegt Nadja over Lev: ‘alles om hem heen. Mijn angst: alles in hem’.

    Wederzijds proces


    Zo’n omschrijving doet denken aan de wederzijdse processen die De Moor beschrijft, over Nadja en Lev die zich aan elkaar onttrekken: ‘hij klinkt zachter, ik hoor minder, mijn ogen worden slechter, zijn gezicht wordt steeds bleker en vager’. Lev noemt Nadja steeds vaker ‘heks’. Hun wat sjabloonachtig neergezette zoon Dimka, die een enkele keer in de roman opduikt (aan de drank, ruwe bolster blanke pit) ‘vloekt, Lev laat een scheet, de vloer kraakt, het is onvoorstelbaar wat een herrie we voortbrengen’ in het eenzame, stille plaatsje in de stilte van de kosmos. Behalve dan als de geluiden uit de lucht klinken, de ‘Geluidsspoken’, of ‘een god, die zich uit de voeten maakt?’ Zelfs dit blijkt aan het eind van het boek een wederzijds proces te zijn. Eigenlijk had je het als lezer kunnen weten, maar toch is het een verrassing.

    Vooraankondigingen

    Bij alle speculaties over wát die ‘Grote Geluiden’ nu zouden kunnen zijn, komt ook de vraag voorbij of het misschien de aankondiging van het Einde der Tijden is. Voorafgegaan door plundering van de tuin en het zoölogisch laboratorium van Nadja en Lev door ‘andere mensen, andere misplaatste primaten’, de wrekers van de batterijfabriek die wegtrekken naar de stad. Het land blijft verlaten achter, ‘de boomwortels duwen het asfalt omhoog en het gras nestelt zich in de kuilen (…). Als alles in dit immense land recht en glad zou verlopen, zouden we onderweg in slaap vallen.’

Op de grond van het lab liggen oude röntgenfoto’s, ‘te zwaar om weg te vliegen’. Hoe symbolisch wil je het hebben! ‘De wereld zit vol met onverstaanbare mensen en verstandige dieren.’ Het is een wereld die we ook kennen van een film als Dogman en van traditionele natuurbeschermers: het redden van de planeet gaat voor het redden van de mensheid. Al zullen Nadja en Lev zichzelf niet zo zien. Ze zijn zoölogen, maar natuurbeschermer-zijn, is iets anders.

    Verbeelding en hoop


    De angst voor de ‘Grote Geluiden’ valt ze volgens een zogenaamde Pope toe, omdat Nadja en Lev God hebben afgezworen, ‘dachten alles door te hebben. Maar nu tovert Hij er weer op los en kunnen jullie er met je gedachten niet bij’.
    Een tegenhanger van Pope is een machinist uit een naburig dorp. Nadja droomt ervan dat hij haar komt verlossen. Hoewel Nadja  weet dat er in dat deel van Rusland waar ze wonen, geen treinen rijden.

    Verbeelding en hoop zijn de twee grote thema’s van deze roman. Verbeelding speelt ‘zich niet alleen in je hoofd af, maar is vooral om ons heen aanwezig. En op dat moment begon de natuur gehoorzaam een sprookje te breien.’ De akelige realiteit in het deel van Rusland dat De Moor beschrijft en de sprookjesachtige sfeer van de roman verhevigen elkaar en zijn als het ware óók een wederzijds proces.
 
Talrijk zijn de metaforen om één en ander uit te drukken. Soms staan ze tegenover elkaar of vullen elkaar aan: gevoel en ratio, de lege batterijfabriek, de herinnering van Lev die afneemt terwijl Nadja er tegen strijdt, Boelka die geen stem heeft, mensen die herrie maken en de natuur die stil is, op de ‘Grote Geluiden’ na, een zoon die je elke hoop op de toekomst ontneemt en een machinist die je meeneemt op reis, weg uit de ellende. 
Het zal niet aan iedere lezer besteed zijn, maar als je je gewonnen geeft aan de mooie taal en beeldenrijkdom van De Moor, dan beleef je prachtige momenten met deze rijke roman.

     

  • Diagnose longkanker op je twintigste

    Diagnose longkanker op je twintigste

    Je bent twintig en je krijgt longkanker. Het overkomt Floor van Liemt. Een gelukkige jeugd in Delden, een vrolijke studententijd in Utrecht, het leven lachte haar toe. Tot het moment van de diagnose: ‘Ik heb heel slecht nieuws, Floor. We hebben via de bronchoscopie en de PET-scan kankercellen gevonden. Je hebt longkanker, met uitzaaiingen naar de botten en lymfen. Ik kan je niet meer beter maken.’ Over het verloop van haar ziekte schreef Van Liemt columns voor NRC Handelsblad. Ze vormden de basis voor het boek Witte raaf.

    Van Liemt beschrijft de moeilijke eerste dagen na het nieuws met ingehouden emotie. Wanneer ze ’s avonds na de diagnose het nieuws voor het eerst moet vertellen aan haar broertjes. Wanneer ze het aan haar tante vertelt en later ook haar negen huisgenoten uit Utrecht. Kort daarna volgen de vele kaarten. Lieve steunbetuigingen, al laten sommige ook zien hoe onbeholpen mensen reageren op zulk schokkend nieuws. Op een van de kaarten staat: ‘We hopen dat je nog een paar fijne laatste dagen hebt.’ Alsof dat het vooruitzicht was.

    Zeldzaamheid

    Witte raaf – de titel is een verwijzing naar de zeldzaamheid van longkanker op zo’n jonge leeftijd – laat ook mooi zien hoe Van Liemt zelf omgaat met het nieuws. Het ene moment wil ze ‘normaal’ behandeld worden – niet als zielig terminaal ziek persoon.

    ‘Ik heb een date met diezelfde jongen, sinds kort zijn we weer aan het appen. We leiden totaal verschillende levens, hebben geen gemeenschappelijke vrienden. Ik ga er dus vanuit dat hij niet weet wat er met mij aan de hand is. Perfect, ik heb eigenlijk wel zin om een avond te doen alsof ik niet ziek ben.’

    Op andere momenten echter moet de wereld het liefst rekening houden met haar situatie: ‘Een meisje kijkt uitdagend naar de jongen met donkere krullen, ze vindt hem leuk, dat zie ik meteen. De sneeuwbal die voor hem is bedoeld vliegt rakelings langs mijn hoofd en spat voor mijn voeten uit elkaar. Pas toch op, denk ik, laat me met rust, je had me bijna geraakt, je hebt geen idee.’

    Een toekomst

    In Witte raaf  krijg je veel mee van wat Van Liemt allemaal doet nadat ze de diagnose heeft gekregen. Wanneer de medicijnen aanslaan, gaat ze met haar familie op vakantie naar Bonaire. Kort daarop ook een tripje naar Cuba met een vriend. De mooiste passages bestaan echter uit de twee hoofdstukjes waarin ze met een yogalerares over haar ziekte spreekt. Het zijn twee momenten waarop Van Liemt een dieper inzicht geeft in hoe ze over haar ziekte denkt en wat het met haar doet.

    Na vier maanden van onzekerheid over haar leven, behandelingen en emotionele ontmoe­tingen met dierbaren krijgt Van Liemt goed nieuws. De pillen die ze moet slikken, hebben gewerkt en haar longen zijn bijna helemaal schoon. Niet lang daarna vertrekt ze voor een maand naar New York. Om te schrijven, een keuze te maken wat haar studie betreft en haar toekomst te overdenken. Want die heeft ze weer, een toekomst.

     

     

  • Vluchten voor de uitbarsting

    Vluchten voor de uitbarsting

    Nobelprijswinnaar Thomas Mann, bekend van onder meer De toverberg en De dood in Venetië, is natuurlijk geen onbekende voor literatuurliefhebbers. Maar wist u dat ook zijn zoon Klaus (1906-1949) geen onverdienstelijke schrijver was? Een omvangrijk oeuvre schreef hij niet, maar hij was wel verantwoordelijk voor een belangrijke gebeurtenis in de Duitse Exilliteratuur van auteurs die na Hitlers machtsovername in 1933 naar het buitenland vluchtten. Daarin werd een aanzienlijke rol gespeeld door de Amsterdamse uitgever Emmanuel Querido, die de oorspronkelijke Duitse uitgave van De vulkaan in 1939 voor zijn rekening nam. Kort na de invasie in 1940 namen de Duitsers echter de volledige oplage in beslag. Het is een heuglijk feit dat de Nederlandse vertaling bijna tachtig jaar later bij dezelfde uitgeverij verschijnt.

    In 1936 schreef Klaus Mann al in zijn dagboek over zijn plannen voor ‘een grote compositie van emigratielotgevallen’. Research hoefde hij daar niet voor te doen: de openlijk homoseksuele en antifascistische schrijver kende het milieu van de emigranten maar al te goed. Na een tussenstop in Amsterdam vertrok hij in 1938 naar de Verenigde Staten, wat wellicht zijn leven heeft gered. De kritiek op De vulkaan was verre van onverdeeld positief: niet iedereen kon de decadente sfeer van de roman, die volgens sommigen wordt bevolkt door ‘louter homo’s en morfinisten’, in even hoge mate appreciëren. In 1949 overleed Mann, pas jaren later was er hernieuwde aandacht voor zijn werk.

    Zelfs naar de hoge normen van de Exilliteratuur, waarvan schrijvers als Joseph Roth, de lat altijd torenhoog hebben gelegd, is De vulkaan geslaagd. Het werd een breedvoerige, gedetailleerde roman die wat tijd en moeite vraagt van de lezer, maar daar staat tegenover dat die een caleidoscopisch, gelaagd beeld krijgt van de vele vormen die het migrantenleven kon aannemen. Mann zette daarvoor een aanzienlijk aantal personages in die allemaal de tijd kregen om tot volle wasdom te komen in dit boek.

    Zo is er de jonge schrijver Martin Korella, openlijk homo en bovendien heroïnegebruiker (of ‘morfinist’, zoals dat destijds heette), een personage dat Mann op felle kritiek kwam te staan. Maar net zo goed bevindt zich onder de ballingen in De vulkaan eveneens Siegfried Bernheim, een steenrijke Joodse bankier, die in feite veeleer een reactionair type is. De situatie gaf zelfs aanleiding tot een vorm van naijver tussen ballingen die door hun ideologische overtuiging weg moesten uit Duitsland, en anderen die werden gedwongen door de omstandigheden, meer bepaald de rassenwetten en het antisemitisme:

    ‘Hoeveel Duitse Joden zouden er niet prima kunnen leven met het hele verschijnsel “nationaalsocialisme” als het nationaalsocialisme niet antisemitisch zou zijn?’ De redenaar stelde die vraag met een onheilspellende strengheid. ‘De absolute barbarij die het nationaalsocialisme is, en waarvan het antisemitisme alleen maar een bijzonder kras, ik zou bijna zeggen pittoresk symptoom is: hoeveel Duits-Joodse bankiers, theaterdirecteuren of hoofdredacteuren zouden daar werkelijk aanstoot aan nemen als ze er niet toe gedwongen werden?!’

    Dit soort passages stemt tot nadenken over de complexiteit van het hele migratievraagstuk en de houding die mensen moesten aannemen ten aanzien van het nazisme, getypeerd met rake zinnen als ‘de tolerante houding tegenover het absoluut slechte komt nooit alleen uit edele motieven voort, maar altijd ook uit lafheid’.  

    Wat de migranten ondanks hun verschillen wel gemeen hadden, was heimwee naar ‘het land van Goethe en Kant’, een voortdurend gevoel van desolate ontreddering, ‘de monotonie en de rusteloosheid van het ontheemde leven’. In het licht van het huidige migratievraagstuk is het boek zelfs verrassend actueel en kan het misschien zelfs tot meer begrip leiden voor mensen die nu nog hun land met tegenzin ontvluchten voor oorlog en vervolging.

    In feite is er niets veranderd: ook in de jaren dertig zag niemand de berooide Duitse ballingen graag komen en moesten ze hun toevlucht nemen tot schijnhuwelijken, luizige baantjes enzovoort. En ook zij werden allemaal over dezelfde kam geschoren, zelfs al ging het om een zeer heterogeen gezelschap van intelectuelen, kunstenaars, communisten, Joden enzovoort. Toch was hun ballingschap geen keuze, ze moesten vluchten voor hun leven terwijl ze de ‘gloeiende adem’ van de rommelende vulkaan voelen, al koesterden velen nog de ijdele hoop dat Hitler niet zo hard van stapel zou lopen:

    Nu vroegen ze zich bezorgd af: hoe ver kunnen de nazi’s gaan voordat Engeland en Frankrijk hun geduld verliezen? Ergens moet toch een grens zijn, dat dachten ze allemaal. Zal Hitler voor die grens terugdeinzen? Durft hij tot het uiterste, het afschuwelijkste te gaan?

    Mann kon zoals gezegd zelf op tijd ontkomen naar de Verenigde Staten, maar keerde na de oorlog terug naar Europa. In 1949 kwam hij om door een overdosis slaappillen. De wereldbrand had hij dan wel overleefd, maar zoals hij al in De vulkaan had geschreven, waren alle problemen daarmee niet van de baan: ‘Het leven stagneert niet, gaat verder, brengt verrassingen, veranderingen, sensaties, pijn, klein geluk, heftig verdriet, verveling, lust, vermoeidheid, honger, angst, teleurstelling.’

    Tot slot nog iets over de vertaling van dit boek, die Ria van Hengel met veel vakmanschap tot een goed einde heeft gebracht. Het is aan haar te danken dat we onder meer W.G. Sebald en Elfriede Jelinek zo soepel kunnen lezen in het Nederlands, en ook in het geval van Klaus Mann zorgt zij met haar trefzekere woordkeus, lenige stijl en feilloos gevoel voor ritme en register voor een superieure leeservaring. Het belang daarvan kan niet worden overschat. Vergeet het cliché dat vertalers onzichtbaar moeten zijn: elke vertaler doet het anders en De vulkaan is een meesterstuk van het vertalersambacht.

     

     

  • Alzheimer en andere teloorgangen

    Alzheimer en andere teloorgangen

    Het kon natuurlijk niet uitblijven dat met de toenemende vergrijzing ook het verschijnsel dementie zijn intrede in de literatuur zou doen. In een prachtig gedicht bracht Vasalis dit onthutsende fenomeen in een van haar nagelaten gedichten al eens onder woorden:

    Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
    bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
    (…..)

    Bernlefs Hersenschimmen is een monument dat voor heel veel mensen de ogen opende voor wat dementie inhoudt, hoe de ziekte ingrijpt op geheugen en het talige vermogen, een roman die waarschijnlijk door heel verplegend Nederland is gelezen. Veel later voegt Erwin Mortier met zijn Gestameld liedboek er nog een juweel aan toe.
    Ook Kleine helden zijn wij van Stijn van der Loo, staat in zekere zin in deze traditie.

    Teloorgang. Dat is de rode draad van Van der Loo’s nieuwste roman. Een lief moedertje dat wegzinkt in haar steeds verder afnemende vermogen om de wereld met haar taal de baas te blijven; haar zoon de hoofdpersoon, die worstelt met een mislukt huwelijk, met een karig bestaan als journalist zzp-er, synoniem voor de teloorgang van de klassieke journalistiek, een generatie vijftigers die uitgerangeerd is. Ook de gezondheid van de hoofdpersoon Smolder, een niet meer al te montere vijftiger, laat te wensen over.

    Dat verval staat voor de verteller niet op zichzelf: de hele samenleving gaat naar de verdoemenis: ‘Wij zijn een maatschappij zonder moraal geworden.’ Dat wordt geïllustreerd aan de hand van een stukje familiegeschiedenis van de ik. Zijn grootvader blijkt namelijk aan de wieg te hebben gestaan van de DELA. Dat stond voor Draagt Elkanders Lasten. ‘Wat is er eigenlijk van ons mooie familiebedrijf geworden? Wie heeft het zich toegeëigend, dat onzelfzuchtige en hooggestemde ideaal? Wie is er zijn miljoenen mee gaan verdienen?’

    Als kers op de taart worstelt Van der Loo ook nog met zijn rol als man in deze veranderende wereld. De scènes die hij daaraan wijdt, doen denken aan Ettore Scola’s La Terrazza, een bitter-zoete komedie over mannen van middelbare leeftijd die hun plaats in de samenleving aan het verliezen zijn. ‘Wij mannen houden ons nu eenmaal staande met heldenpraat. De held zijn is het enige waartoe we uitgerust zijn. En bij gebrek daaraan: heldenpraat.’ Kortom aan leed geen gebrek in Kleine helden zijn wij.

    Toch gaat de roman er niet onder gebukt. De taal is luchtig. Van der Loo kan schrijven. Als je van savoir-vivre een literaire versie wilt dan heb je savoir-écrire en dat is de geest die de roman ademt. Een air van nonchalance is savoir-vivre echter ook niet vreemd en daarvan zijn er helaas een paar voorbeelden te vinden in Kleine helden zijn wij. Zo laat de verteller Eindhoven op 18 september 1944 bevrijden door de Canadezen, terwijl dat toch echt de Amerikanen en de Britten waren. Boeken die weg kunnen, gaan in kratten naar Marktplaats: alleen zo werkt Marktplaats niet. Maar dat terzijde.  Op pagina 158 staat een merkwaardige tikfout, die literair niet te verklaren is: ‘me3333disch’. Die had de redacteur, die in een nawoord nog wordt bedankt, er toch wel uit kunnen halen?

    Overheersend is toch wel het zeer onderhoudende karakter van de roman. En als het gaat om de verzorging van zijn dementerende moeder spaart de hoofdpersoon zichzelf niet. Het is niet makkelijk om als kind geconfronteerd te worden met de reële manifestaties van de dementie van je moeder of vader, zoals bijvoorbeeld incontinentie. Voor een bruine vlek in de pantalon van zijn moeder vlucht hij liever weg; de zich steeds meer aan hem en zijn moeder opdringende noodzaak van overplaatsing naar een verpleeginrichting schuift hij liever voor zich uit. Daarin wordt hij aanvankelijk bevestigd door de contacten met de private ouderenzorg die in ouderen zoals zijn moeder verdienmodellen ziet, hoe goed ze ook zeggen te willen zorgen voor de cliënten. Capaciteitsproblemen op andere plaatsen waar één verpleger de verantwoordelijkheid heeft over negen ouderen, schrikt ook af.

    Vooral door aandringen van zijn realistischer zus kan Smolder tenslotte ook niet langer om de feiten heen. Zij woont ook dichterbij en heeft meer contact met hun beider moeder. Smolder die in Amsterdam woont, heeft vooral telefonisch contact, al reist hij vaak genoeg op en neer naar Brabant waar zijn moeder woont. Met zijn zus treft hij voorbereidingen om moeder over te plaatsen naar een plek waar ze constante verzorging heeft. Voor de verpleegkundigen die haar nog elke dag verzorgen, eindigt de werkdag om vijf uur.  Na vijven zwerft moeder weer door de omgeving, vaak schaars gekleed en verkleumd op zoek naar gezelschap.

    In de laatste weken van zijn moeders leven, als de scheiding van zijn ex ook juridisch is bekrachtigd, herpakt Smolder zich: Hij zorgt voor zijn moeder en schrikt ook niet meer terug voor al het vieze werk dat hem in de schoot geworpen wordt : ‘Ik heb het oersterke en primitieve gevoel daadwerkelijk voor iemand te zorgen, voor moeder, voor míjn moeder, voor het eerst eigenlijk. Ik voel me nodig, nuttig en op mijn plaats.’

     

  • Bredero, een schrijver die schildert met woorden

    Bredero, een schrijver die schildert met woorden

    ‘Gerbrandt Adriaensz. Bredero is nog altijd beroemd, maar ook pijnlijk onbekend’, verzucht Van Stipriaan in zijn inleiding op De hartenjager, zijn dit jaar in het kader van de herdenking van Bredero’s vierhonderdste sterfdag verschenen biografie.

    Over het leven van deze 17e eeuwse toneelschrijver en dichter is vrijwel niets met zekerheid bekend. Van zijn werk moeten we het hebben, en dat werk is bepaald bijzonder te noemen zowel qua omvang als kwaliteit. Gedurende zijn korte leven schreef hij dertien toneelstukken en honderden liederen en gedichten, waarvan sommige stukken in de loop der tijd een legendarische klank hebben gekregen. Wie heeft er nooit gehoord van de ‘Spaansche Brabander’ en de ‘Klucht van de koe’?

    Geen schrijver in de zeventiende eeuw was zo goed in staat zich in te leven in de hartstochten en beweegredenen van gewone mensen als Bredero. Dit wordt vooral zichtbaar in zijn enorme rijkdom aan woorden en uitdrukkingen, die nog steeds gangbaar zijn in onze taal, bijvoorbeeld samenstellingen als ‘stil-swijghent’, ‘gront-leggher’ en ‘neus-wys’. Hij schildert als het ware met woorden.

    Bredero en Shakespeare in woelige tijden
    Van Stipriaan tracht, naar eigen zeggen, via een intensieve bestudering van zijn werk zo dicht mogelijk bij de figuur Bredero te komen, niet zozeer bij de mens Bredero als wel bij de schrijver. Bij lezing van het boek lijkt dit overigens een nogal kunstmatig onderscheid. Hij vergelijkt het leven en werk van Bredero met dat van Shakespeare zonder daarbij de superieure kwaliteit van het werk van Shakespeare te betwisten. Beiden zijn van betrekkelijk eenvoudige komaf en dus sociale stijgers en beiden schreven in een tijd van hoog oplopende religieuze en politieke spanningen.

    Het heeft er alle schijn van dat Van Stipriaan zich in zijn studie laat inspireren door de veel geprezen Shakespearebiografie van Stephen Greenblatt. Net als Greenblatt vult hij gaten in de overgeleverde informatie over Bredero in met uitweidingen over veronderstellingen op basis van gegevens uit zijn toneelstukken en gedichten. Zo gaat hij uitvoerig in op diens niet beantwoorde gevoelens ten aanzien van Magdalena Stockmans.
    In zijn zoektocht naar Bredero toetst Van Stipriaan, als een goed historicus, diens werk aan de gangbare mores van zijn tijd. Als geen ander kan Bredero een rake schets geven van het kroegleven in de grote stad of de grove boerenlol op een plattelandskermis. Hij drijft voortdurend de spot met opgeblazen windbuilen, botte lomperikken en domme gansjes en kinkels. Zijn stukken zijn dan ook in zijn tijd razend populair.

    Tegelijkertijd schrijft Bredero in een politiek gevaarlijke tijd, namelijk de tijd van het twaalfjarig bestand tijdens de Nederlandse Opstand (1609-1621). Spanningen die gedurende de oorlog nog onderhuids konden blijven, kregen nu de vrije ruimte te exploderen, culminerend in een heuse godsdienststrijd tussen rekkelijken en preciezen (ten aanzien van de interpretatie van de Bijbel), een strijd die uitmondde in een machtsstrijd tussen de aanhangers van Maurits en Van Oldenbarnevelt en uiteindelijk in 1618 in een politieke moord. In Amsterdam was de macht in handen van de precieze burgemeester Reynier Pauw, een humorloze scherpslijper. Voor kunstenaars als Bredero was het dus zaak zich op deze terreinen gedeisd te houden. Nu was Bredero geen uitgesproken religieus of politiek schrijver, maar wel ontegenzeggelijk een aanhanger van het humanistische gedachtegoed van Erasmus ten aanzien van verdraagzaamheid en individueel beleefd geloof in Christus.

    Voor iedereen onverwachts komt Gerbrandt Adriaensz. Bredero op 23 augustus 1618 plotseling te overlijden, op het hoogtepunt van zijn schrijverscarrière. Over de oorzaak van zijn dood tasten wij in het duister. Van Stipriaan maakt duidelijk dat suïcide niet uitgesloten moet worden.

    De Spaansche Brabander, opnieuw op de planken?
    Net als Shakespeare breekt Bredero met de gangbare aristotelische theateropvatting van eenheid van plaats, tijd en handeling, bijvoorbeeld in zijn meesterwerk de ‘Spaansche Brabander’. Dit zeer gelaagde stuk, dat zich op velerlei wijze laat interpreteren, verschijnt in het roerige jaar 1617, maar speelt zich veertig jaar eerder af in Amsterdam dat toen nog katholiek was. Van Stipriaan maakt duidelijk dat dit gegeven wel eens heel belangrijk zou kunnen zijn voor het duiden van de achterliggende bedoeling van het stuk en dus van de schrijver. Wordt het verleden hier gebruikt om het heden te becommentariëren? Niemand die het precies weet.

    Van Stipriaan laat zien hoe het werk van Bredero in de loop der tijd door de mensen is beoordeeld en hoe het ‘sinds het eind van de negentiende eeuw meedeint op de geoliede herdenkingscultuur in Nederland’. Bredero is in sociaal-cultureel opzicht een controversieel schrijver, die zich een waar taalkunstenaar betoont in zijn beschrijving van het alledaagse leven in de kroeg, op de kermis en op straat. Daardoor is hij een perfect ijkpunt om, door de eeuwen heen, de gevoelens van de verschillende maatschappelijke lagen ten aanzien van zijn werk te toetsen. Dit zegt natuurlijk niets over de persoon Bredero, maar wel over de tijdloze kwaliteit van zijn werk en vooral over de tijd zelf. Zo zou het, gezien het tegenwoordig welig tierende populisme met zijn kenmerkende vreemdelingenfobie, een uitdaging moeten zijn voor een geëngageerd theatergezelschap om de ‘Spaansche Brabander’ weer op de rol te zetten. Om recht te doen aan Bredero is het dan wel zaak voor de regisseur zich eerst eens goed te verdiepen in het boek van René van Stipriaan, een meeslepend, maar ook professioneel uitstekend boek, dat de komende tijd zeker als standaard gaat gelden voor Brederovorsers.

     

  • Droomvlucht zonder rem

    Droomvlucht zonder rem

    Het wemelt in de wereldliteratuur van de dromers. Een van de bekendste is Jozef uit Genesis, die door zijn broers ‘meesterdromer’ werd genoemd. Over zijn levendige dromen raakte hij overdag niet uitgesproken. Jozef bleek de toekomst te kunnen voorspellen door dromen van zichzelf en anderen te verklaren. Deze gave bracht hem in de gunst bij de Farao van Egypte, aldus het eerste Bijbelboek. Tegenover het idee dat dromen influisteringen zijn van de voorzienigheid, stelden Freud en Jung begin 20e eeuw de theorie op van het onderbewuste dat zich roert wanneer het superego slaapt. De droom komt volgens hen niet van buitenaf maar van binnenuit. Mijn vaders dromen hangt een derde opvatting aan, waarin de droom zijn oorsprong vindt in de werkelijkheid. Het is dan een proces waarin de hersenen opgedane ervaringen verwerken. De droomslaap maar ook de dagdroom kunnen op die manier fungeren als een mechanisme dat bescherming biedt tegen een al te gruwelijke realiteit.

    Edvald Flisar (1945) is de meest vertaalde schrijver van Slovenië. Hij ontving diverse literaire prijzen voor zijn werk, dat bestaat uit zowel proza als toneel. Zijn eigen taalgebied beperkt zich tot de ruim twee miljoen mensen die Sloveens spreken. Roel Schuyt verzorgde de Nederlandse vertaling van de roman Mijn vaders dromen (oorspronkelijk uitgegeven in 2001). In dit grimmige, sprookjesachtige boek lopen droom en werkelijkheid bijna onscheidbaar door elkaar heen.

    Een ontsporende verbeelding
    Het perspectief ligt bij de 14-jarige Adam, enig kind uit een liefdeloos huwelijk. Hij bewondert zijn vader, die plattelandsdokter is, en heeft een hekel aan zijn moeder, een boekhoudster zonder fantasie. ‘Vader was het middelpunt waaromheen al mijn vreugde en verwachtingen draaiden. Hij was voor mij even onfeilbaar als een god.’ Adam bespiedt zijn vader wanneer die patiënten behandelt en doolt rond in de kelder van het huis tussen de menselijke preparaten. Met zijn moeder praat hij nauwelijks. Sterker nog, wanneer hij op school een opstel moet schrijven over zijn meest recente droom, beschrijft Adam in geuren en kleuren hoe hij samen met zijn vader een experiment uitvoerde om zijn moeder te laten omkomen. Deze droom wordt gevolgd door andere hallucinante ervaringen, de een nog grotesker dan de ander. Al snel valt het Adam moeilijk om de droomstaat van de wakkere toestand te onderscheiden. ‘Ik hoopte dat ik in slaap zou vallen en weer over de werkelijke wereld zou dromen, althans, over de wereld die voor anderen de werkelijke wereld was.’

    Ook voor de lezer wordt het steeds lastiger om het verschil te zien. Passages die normaal beginnen, krijgen soms ineens een bizar verloop. Zelfs de gebruikelijke trucs die Adam uithaalt om te controleren of hij slaapt, bieden geen garantie: meermaals knijpt hij zichzelf in de wang en eenmaal slaat hij zelfs het hoofd hard tegen een kozijn, maar wat er dan volgt kan niet waar zijn. Langzamerhand beginnen de interpretaties van ik-persoon en lezer uiteen te wijken. De voorvallen waarvan Adam overtuigd is dat hij ze droomt, lijken namelijk verdacht veel op een heel nare realiteit. Droomt hij wel echt, of probeert iemand hem te doen geloven dat hij droomt?

    Gek van fictie?
    De personages uit Mijn vaders dromen hebben zo hun eigen gedachten over de lucide slaaptoestand van Adam. Moeder concludeert al snel dat hij geestesziek is. Ze wijt dit aan de opvoeding van vaderlief en aan een op hol geslagen seksuele ontwikkeling. Vader legt de schuld bij de boeken die Adam op jonge leeftijd heeft gelezen, waaronder meesterwerken uit de romangeschiedenis en allerhande medische vakliteratuur. De hoofdpersoon sluit zich aan bij deze laatste verklaring: ‘mijn problemen waren immers begonnen met alle boeken die ik las en waarvan ik zo weinig begreep’. Dit zou hebben geleid tot een ‘zintuiglijke hypertrofie’. De verwijzing naar Don Quichot, die door het overmatig lezen van ridderverhalen het zicht op de werkelijkheid verloor, is duidelijk. Eén personage schort zijn oordeel op. Dat is Dominik, de meest menselijke en warmbloedige figuur uit Mijn vaders dromen. Dominik is de grootvader van het voorwerp van liefde van Adam, die (hoe kan het ook anders) Eva heet. Bij hem kan Adam gewoon een kind zijn dat zijn verhaal kwijt moet. En wie goed luistert hoort vanzelf de waarheid.

    De meeste dromen zijn bedrog
    Dat de protagonist niet de enige is die een naam draagt met een Bijbelse oorsprong, valt natuurlijk op. Dit blijkt dan ook essentieel te zijn voor het duiden van de roman. Vader heet bijvoorbeeld Jožef, waarmee waarschijnlijk niet wordt verwezen naar de meesterdromer uit Genesis maar eerder naar de timmerman uit Nazareth die met de moeder Gods zou trouwen. Hoewel in deze vorm van naamgeving deels een sfeerelement kan worden herkend, is de symbolische betekenis ervan toch  onmiskenbaar. De plattelandsarts, die door zijn zoon voor onfeilbaar wordt gehouden, representeert God de vader. Adam en Eva staan voor de mensheid. Voor de oplettende lezer valt ook het personage ‘Abortus’ te plaatsen. Gaandeweg doemt uit Mijn vaders dromen zo een buitengewoon cynisch beeld op van de christelijke godheid.

    Flisars roman bevat niet alleen Bijbelse elementen maar verwijst tevens naar de wereld van volkssprookjes en de klassieke mythologie. Het is in dat opzicht een veelkleurig boek. De zinnen barsten bijna uit hun voegen van de natuurmetaforen. Vooral vergelijkingen met dieren duiken voortdurend op. Huizen als roofdieren, verlangens die in aasgieren veranderen, de zee die als een haai z’n muil openspert; het zijn steevast beelden van een vijandelijke buitenwereld. Dit versterkt het sprookjesachtige karakter van het geheel en het resulteert soms in fraai proza: ‘De takken van de bomen hingen zwijgend en zwaar van de regen omlaag en het bos strekte zich om me heen als een gladgekamd en rillend beest, in de diepte van zijn ogen lagen onheilspellende schaduwen op de loer.’

    Het einde van de nachtmerrie
    Adam belandt tenslotte in een psychiatrische instelling, maar pas nadat vader Jožef zijn zoon eerst nog aan diverse onconventionele behandelingen heeft onderworpen. In de kliniek wordt zijn geval door de geleerden becommentarieerd. Dan volgt een van de opmerkelijkste passages van het boek. Een nuchtere psychiater trekt namelijk resoluut een streep door alle Freudiaanse interpretatiemogelijkheden van het verhaal. Het probleem zit niet in het hoofd van de 14-jarige jongen, zijn permanente roes is pure zelfbescherming. Je bent geneigd hierin de schrijver zelf te zien, die zich zo opstelt achter zijn gekwelde hoofdpersoon. Direct na deze analyse valt Adam in een droomloze en verkwikkende slaap.

    Edvald Flisar levert met Mijn vaders dromen een intrigerende, huiveringwekkende vertelling af. Als lezer raak je samen met de ik-persoon al snel het noorden kwijt en wordt je ondergedompeld in de raadselen van het dromende brein. Het is opletten geblazen om de strohalmpjes die de realiteit afperken niet te missen. Net als bij de meest levendige dromen blijven vooral de sfeer en losse beelden hangen. Het zal echter niemand makkelijk vallen om deze vervreemdende roman op klaarlichte dag na te vertellen.