• Er dwaalt een aardige jongeman door Kopenhagen

    Er dwaalt een aardige jongeman door Kopenhagen

    ‘Bob verhuist dan en ik met hem naar Vanløse, (…)’ Aldus begint Bob van de Deense schrijfster Helle Helle. Het is augustus, Bob is tweeëntwintig en gaat samenwonen met zijn vriendin. Deze vriendin is de ik die het verhaal vertelt, maar zelf nauwelijks als personage meedoet. Veel meer dan dat ze eerstejaars student is, komen we over haar niet te weten. Af en toe gaat het over ‘we’ of ‘ons’ maar meestal enkel over het wel en wee van Bob.

    Helle dist het verhaal op door Bobs doen en laten in het dagelijks leven te registreren, inclusief wat hij ervaart en onderweg ziet en tegenkomt. Bob klopte de kussens op, Bob zei hartelijk dank, Bob moest strijd leveren, hij kon niet uit bed komen, ging de stad in, liep naar beneden, wilde gaan zitten, wandelde. Bob doet dit en Bob doet dat. Het is even wennen aan die opsomming van trivialiteiten. Is de stijl eenmaal vertrouwd, dan ontstaat een levendig beeld van het leven van een jongeman die zijn best doet zich te handhaven in een nieuwe situatie. Hij weet nog niet wat hij zal gaan studeren, alle opties liggen open maar voor geen enkele voelt hij echt iets. Hij zoekt een baantje en komt bij toeval als receptionist in een hotel terecht. Tijdelijk. Thuis doet hij het huishouden.

    ‘Lange gedachtereeksen ontsprongen aan alles wat hij meemaakte en hoorde en dingen waar hij op stuitte, van een doorweekte graszode tot jeuk aan zijn oor.’ Dwanggedachten zijn de licht neurotische Bob niet vreemd. Straatnamen zijn in het boek in grote mate aanwezig. Ze zijn weliswaar relevant, maar ‘Bob dacht voortdurend aan straatnamen, (…) een gewoonte die thuis aan de ontbijttafel was ontstaan.’ In Kopenhagen, waar hij de weg moet leren kennen, repeteert hij behalve de namen van straten ook die van restaurants, hotels en andere gebouwen. ‘Bob wandelde in de richting van station Nørreport. Hij verdwaalde als gebruikelijk in de buurt van de Grønnegade en Gammel Mønt, het was een hele onlogische buurt, maar na een poosje zag hij de stroom mensen in Købmagergade (…)’ Helle Helle is populair in Denemarken en er zullen zeker lezers zijn die de routes van Bob gaan nalopen.

    Socialemediagemakzucht

    De ik en Bob komen ook voor in Helles roman zij (2019). Het meisje dat in Bob als ‘ik’ een bijrol heeft, is in zij een van de hoofdpersonages. De twee boeken zijn de aanloop naar een serie waarmee Helle langer wil doorgaan. Daarin zal altijd een rol weggelegd zijn, is haar voornemen, voor het meisje/de vrouw, opklimmend in jaren. De schrijfster begint een boek met de eerste en de laatste zin, vertelt ze in een interview in het Parool. Het schrijven van wat er tussenin ligt, ziet zij als een experiment waarbij haar zuinige taal niet los te zien is van het verhaal zelf. ‘Niet dat ik dat per se zo heb bedacht, maar ik schijn niet veel woorden nodig te hebben. Ik erger me wel al gauw als ik boeken lees met meer woorden. Wat ik merk is dat ik mijn eigen werk steeds strenger redigeer.’

    Haar unieke stijl is snel, achteloos haast. Bob eet met iemand smørrebrød in een restaurantje en ‘De klokken van het gemeentehuis sloegen. Hij strooide er meer zout op’. Iedereen snapt dat hij geen zout op die klokken strooit, maar zulke zinnen roepen de vraag op of Helle zich hier de grote stappen van de socialemediagemakzucht veroorlooft, of doorschiet in haar stijl. ‘De lucht was spierwit, hij sloeg zachtjes op het matras.’ Het lijkt erop dat ze moeilijk maat kan houden nu ze het adagium schrijven-is-schrappen is gaan omarmen. Toch zal de gearriveerde en in vele talen vertaalde Helle die steeds strenger redigeert, precies weten wat zij doet. Haar korte zinnen vol details over het dagelijks leven zijn haar handelsmerk. Ze schaaft eraan, net zolang tot ze overhoudt wat voldoende is voor het verhaal – reden waarom zij wel een minimalistisch schrijver wordt genoemd.

    Haar formuleringen zijn vaak ook verrassend en humoristisch. Bobs auto, die bij zijn ouders op het platteland stond gestald, is gestolen en de politie heeft hem gevonden. ‘Maar hij zou helaas geen auto meer worden, zoals zij het inschatten.’ Of in een barsituatie: ‘Sommige mensen kunnen gewoon nooit hun geld vinden’, wat een grappige manier is om te zeggen dat iemand haar drankje graag door een ander laat betalen.

    Moreel kompas

    Het is knap om in een soort telegramstijl een hele vertelling van kop tot staart neer te zetten. Door de veelal korte zinnen leest het boek snel en gemakkelijk weg. Maar wat aanvankelijk lichte kost lijkt, zet de lezer juist aan tot nadenken. Hij moet zelf ontdekken wat er precies gaande is: ‘Haar ogen traanden, hij had een servet van een oud lunchpakketje in zijn zak.’ Dat invullen lukt niet altijd. Bij ‘en dacht voor de duizendste keer: dat kan toch niet’ is in nevelen gehuld wat hij vindt dat er niet kan. Ook bij ‘zijn schuchtere broertje niet, zijn vader met sigaret en koffiekop, lichtvoetig de deur weer uit’ voeren de laatste raadselachtige woorden nergens naar terug.

    Waar het echt om draait, namelijk de relatie van Bob en zijn vriendin, is te vinden in de diepere laag. Er komen vrienden of Bobs broertje op bezoek, met wie ze zoals het jongeren betaamt, gezellig de stad in gaan. Ondertussen bekommert de ik zich niet om huishoudelijkheden en heeft ze Bobs blauwe slaapzak kwijt gemaakt. Soms is ze er niet. En Bob wil soms, als hij elders is, nog niet naar huis.

    Wat blijft hangen is het beeld van een aardige, onzekere, wat naïeve jongeman met neurotische trekjes en een sterk moreel kompas, dwalend door de straten van Kopenhagen. Hij doet de boodschappen en de was, kookt het eten, maakt het bed op, gaat naar de wasserette, bakt pannenkoeken, gaat naar zijn werk en ontmoet vrienden. Door zijn onzekerheid dreigt hij te worden meegezogen in een piramidespel dat hem al zijn spaargeld kost.
    Het boek heeft bijna een open einde. Eén klein gegeven vermeldt Helle, waarmee ze Bob op tijd lijkt te laten ontsnappen aan een uit elkaar vallend voortbestaan. Het is genoeg om opgelucht adem te halen.

     

     

  • Toont Tellegen zijn kunsten opnieuw?

    Toont Tellegen zijn kunsten opnieuw?

    Of je nu zijn verhalen over de eekhoorn en de mier leest, of zijn nieuwste gedichtenbundel, de boeken van Toon Tellegen zijn onmiddellijk te herkennen. Het is moeilijk om precies aan te geven hoe dat komt, want zijn algemene thema’s worden ook door andere auteurs behandeld: de dood, het leven, het al dan niet bestaan van God. Ligt het aan de verwondering die zijn verhalen kenmerkt, de verbazing over heel gewone dingen die we als vanzelfsprekend aannemen, of komt het door de heel directe manier van spreken? Want de taal die Tellegen gebruikt, is bedrieglijk eenvoudig. Hij spreekt vaak rechtstreeks een generiek jij aan, met wie hij toch vooral in de meeste gevallen zichzelf bedoelt. Er komen geen grote woorden aan te pas, geen spitsvondige trucjes of dubbele bodems.

    Dat maakt het ook zo lastig om aan te geven of zijn boeken voor kinderen bedoeld zijn of voor volwassen lezers. Voor de liefhebbers van de verhalen en gedichten van Tellegen doet dat er weinig toe. Hij heeft een zeldzaam groot oeuvre op zijn naam staan, waaronder meer dan twintig dichtbundels. Nu de auteur de tachtig is gepasseerd, behandelt hij in zijn nieuwste bundel, Langs een helling, nog een extra thema: de ouderdom en het verglijden van de tijd. Het leven wordt voorgesteld als een helling waarvan je jeugd de top vormt. Naarmate je ouder wordt, glijd je daar langzaam vanaf. En waar je eenmaal beneden gekomen, bent aanbeland, weet zelfs de dichter niet. Ook de voorkant van de bundel doet denken aan het bekende licht aan het einde van de tunnel, een bestemming in de verte. Het past goed bij de filosofische inslag die in alle gedichten terugkomt:

    Op weg
    Ik wou dat ik langs een weg liep die onbegaanbaar was,
    dat ik moest terugkeren, maar niet terugkeerde
    en maar doorliep en doorliep,
    het verschil tussen begaanbaar en onbegaanbaar nog niet wist.

    Komisch en absurd

    Hoewel de gedichten overwegend komisch en absurd zijn, is er ook een melancholieke toon binnengeslopen. Tellegen bekijkt zijn verleden met weemoed, zoals dat gaat bij ouderdom. Dat terugkijken levert ook teleurstellingen op, evenals het besef dat het leven niet overgedaan kan worden. Er zit niets anders op dan te aanvaarden dat het niet volmaakt is. Toch is Tellegen nooit pessimistisch. Hij weet in de slotregels van zijn gedichten vaak een paradox en een milde ironie te leggen, waardoor een negatief gegeven wordt omgebogen tot troost, ook al is die schraal.

    zij die verdrinken roepen naar elkaar:
    ‘zijn er onder ons ook wanhopigen?’
    niemand antwoordt
    ‘en ongefundeerde optimisten?’
    ‘ik! ik!’
    ‘en waarover bent u dan optimistisch tegen beter weten in?’
    ‘dat we gered zullen worden’
    (Uit: ‘De waarde van het leven’)

    Laat ons niet bestaan

    Voorafgegaan door een gedicht over twee meisjes, zijn ook vijf gedichten opgenomen die doen denken aan Tellegens boek Twee oude vrouwtjes. Hierin staan korte absurdistische verhalen over twee oude vrouwen die na elke wending van het lot opnieuw beseffen niet zonder elkaar te kunnen. In de vijf gedichten in Langs een helling wordt de leeftijd van de twee vrouwen niet specifiek vermeld en hun avonturen zijn per gedicht van ernstiger aard: ze dansen, ze worden gekruisigd, ze kussen elkaar wanhopig, ze nemen afscheid van elkaar en in het laatste gedicht smeken ze hun bedenker om hen alsjeblieft te laten ophouden met bestaan: ‘verzin ons toch niet meer!/ laat ons toch niet bestaan!’ Desondanks laat de dichter ze continu terugkeren. Het is interessant om te zien hoe deze gedichten als korte cyclus apart staan van de overige, temeer daar het vrijwel de enige gedichten zijn – afgezien van het vijfde
    – waarin geen sprake is van een eerste persoon enkelvoud of meervoud, van waaruit Tellegen gewoonlijk schrijft.

    Ook in deze bundel is de ambivalente relatie van de lyrische ik met God aanwezig, met de eeuwige twijfel over Diens bestaan. En mocht Hij bestaan, dient Hij dan bevochten of getroost te worden? Daarover lijkt Tellegen zelf nog geen duidelijkheid te hebben, maar zijn worsteling daarmee levert wel de mooiste gedichten op. De gedichten over de dood zijn eveneens prachtig:

    Verborgen in het struikgewas
    Verborgen in het struikgewas – oude man die ik ben –
    zie ik de dood:
    hij is naakt, hij stapt in het water, het is een warme dag
    heeft hij vandaag niets te doen?
    ik weet wel iemand…
    hij zwemt,
    mooi monster,
    vriend die geen vriend is
    ik sluip weg voor hij me ziet –
    alsof hij me ooit ook maar één tel uit het oog verliest…

    Tellegen brengt in Langs de helling bij elkaar wat zijn poëzie kenmerkt: het eenvoudige taalgebruik, de simpele voorstelling zoals een kind die zou maken, het tikje humor, de speelsheid, maar ook de kracht van zijn goedgekozen metaforen die de gedichten diepte schenken. Achter de directe waarneming gaat een onvermoede diepere betekenis schuil. Deze kwaliteiten maken Langs de helling een typische én een unieke Tellegen.

     

     

  • Het gevaar van het ego

    Het gevaar van het ego

    Laat je leiden door wat anderen van je vinden, en je verliest jezelf. Dat leert de roman Loutering van Luuk Imhann. Hoofdpersoon is de Mexicaanse Paco Castelán, Guerrero voor intimi, die zijn vader zoekt. Deze ‘pendejo’ verliet Paco’s moeder, voordat hun zoon geboren werd. Koste wat kost wil Paco groots worden, opdat zijn vader hem opmerkt en erkent. Hij beproeft zijn geluk in de schilderkunst, de geneeskunde, de revolutie en het katholieke geloof. Telkens kruisen daarbij de grootheden van het Mexico van rond 1920 zijn pad: David Siqueiros, Frida Kahlo, Diego Rivera en zelfs Leon Trotski, die de Sovjet-Unie verlaten heeft. In de schaduw van zo veel mastodonten blijkt Paco een lichtgewicht: ‘… u bent volstrekt onbelangrijk, niño Guerrero.’

    De titel suggereert dat Loutering een coming-of-ageverhaal is, maar Paco ontwikkelt zich amper. Hij voegt zich louter naar andermans wensen en volhardt in volgzaamheid. Als zoon van een Mexicaanse vrouw en Europese kolonist is Paco een ‘mesties’. Enerzijds bevindt hij zich daarom aan de rand van de maatschappij, anderzijds streeft hij naar een hogere positie. Om deze te bereiken, luistert hij slechts naar wie hem geweldig vinden en zijn ego opkrikken. Zijn zelfzuchtige geldingsdrang sijpelt sporadisch door in Imhanns vertelstijl. De auteur mikt wat verwijzingen betreft op levensgrote namen, geheel in Paco’s geest. Het boek is vooral waardevol vanwege zijn aandacht voor machismo en radicalisering. Langzaam ziet Paco’s moeder, Eustaquia, haar zoon afglijden naar het moordlustige stalinisme. Hierover zegt ze hoofdschuddend: ‘Naïevelingen zijn de instrumenten van het kwaad.’

    Eigendunk en trots

    ‘Waarom wil je toch altijd dat iemand je vertelt hoe alles werkt, Paco?’ Dit vraagt kunstenaar en stalinist Siqueiros, die een radeloze Paco kalmeert na een zoveelste mislukte poging iets van zijn leven te maken. Jongeren mogen makkelijk te beïnvloeden zijn, Paco spant de kroon. Eén compliment van dokter Salinas over zijn medische kennis doet de jongen dromen over de Nobelprijs. Frida Kahlo prijst een vogelschetsje van Paco en hij fantaseert over exposities in het Louvre. Siqueiros onderwijst hem in de Russische Revolutie en de pupil waant zich een historische sleutelfiguur. Padre Jorge, priester in Coyoacán, bewondert Paco’s religiositeit en de discipel prevelt het Urbi et Orbi. Niet de liefde voor een vak stuwt Paco voort, maar de liefde voor loftuitingen. Zijn blinde ambitie, die aanvankelijk door zijn zoektocht naar een vaderfiguur te billijken valt, irriteert op den duur.

    Opvallend genoeg lijkt het onophoudelijke geweeklaag van Paco bedoeld om medelijden met hem op te wekken. Pujol, een met Siqueiros bevriende schilder, geeft Paco halverwege het boek eindelijk de verbale optater waarnaar hij solliciteert. Over Paco’s kitscherige muurschildering is hij vernietigend: ‘Je wilt geprezen worden. Je wilt horen dat je muurschildering goed is. (…) Je zult nooit een schilder worden.’ Afhankelijk van wie hem veren in de kont steekt, vlucht Paco van roeping naar roeping en breekt hij bezigheden voortijdig af. Zelfs boezemvriend Evelio en vriendin Luisa, die gek op hem zijn, verwaarloost hij. ‘Wat wil je dan bewijzen?’ vraagt Siqueiros hem. ‘Wat voor man ik ben!’ zegt Paco. Deze bewijsdrang van het mannelijk ego beïnvloedt naarmate het boek vordert, Imhanns schrijfstijl. Dit zit hem met name in de ontelbare, ellenlange clichés over Mexico en de wat pompeuze metaforen.

    Niet te missen schatplichtigheid

    ‘De portier is een invalide.’ ‘Ogenblik!’ ‘Mijn vrouw is dood en al begraven.’ Dit zijn beroemde openingszinnen van Nederlandse meesterwerken. Aan het begin van talloze hoofdstukken poogt Imhann Mexico legendarisch te introduceren: ‘In elke Mexicaan schuilt een katholieke kracht die zelfs de paus zou kunnen verblinden, zo overtuigd houden ze van hun Mexicaans-katholieke Maagd van Guadalupe en zo oprecht geloven ze in haar liefde en vermogen hen te redden.’ Zulke algemeenheden over Mexico, waarvan het boek er pakweg dertig bezit, zijn voor aforismen wel erg lang.

    De NRC noemde Imhanns debuut – Paradijs – een ‘poging om op de schouders van literaire reuzen te staan’. Door hoogdravende openingszinnen, overdadige beeldspraak en intertekstuele knipogen verdient Loutering eigenlijk dezelfde conclusie. De schatplichtigheid aan Grote Literatuur is niet te missen. Welke functies de intertekstuele verwijzingen hebben in het verhaal zélf, behalve dat ze vagelijk doen denken aan een belangwekkende literaire traditie, blijft een raadsel.

    Onder meer Het Groene Huis komt voorbij, een bordeel uit Mario Vargas Llosa’s gelijknamige boek; Paco’s gewelddadige opa Don Aureliano verwijst naar Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez; Trotski’s epiloog in Loutering appelleert aan Lev Tolstojs Oorlog en vrede. Tegelijk wordt de lezer continu murw gebeukt met een oneindige reeks homerische vergelijkingen. Zo is de stem van Padre Jorge ‘een stuk zachter en lager dan Paco had verwacht en contrasteerde met de stem van Paco, die zich door de klank ervan omhelsd voelde en hem deed denken aan hoe zijn moeder hem vroeger omhelsde, haar armen lang en mager als van de slingerapen in de jungle van Quintana Roo en warm als het water in de Golf van Mexico, waar de lamantijnen zwommen.’ Het verhaal bezwijkt regelmatig onder het gewicht van te gretig opgezochte bombast.

    ¡Viva la… matriarcada!

    Gelukkig maakt de maatschappelijke relevantie van Loutering een hoop goed. De echte krachttoer leveren Eustaquia en Luisa. Beiden hebben een hekel aan mannen en feitelijk zijn zij de grote Mexicanen aan wie Paco een voorbeeld zou moeten nemen. Eustaquia trekt geregeld tegen hem van leer over haar eigen vader: ‘Hij was gierig en vals zoals alleen patriarchen dat kunnen zijn, een diablo die zijn vrouw sloeg.’ Toch erft ze van don Aureliano een koloniaal pand, maar zij besluit ‘curandera te worden en het huis van een wrede macho te veranderen in een toevluchtsoord voor vrouwen.’ Bovendien heeft ze seks met wie ze maar wil. Als Paco haar betrapt met zijn grootste criticaster, Pujol, noemt hij haar een hoer. Na haar repliek druipt hij bedeesd af. ‘Ik had naar je vader moeten luisteren en je moeten laten aborteren,’ voegt Eustaquia hem toe.

    Luisa is datzelfde patriarchaat helemaal beu. Haar vader geeft slechts om zijn carrière, voor haar broer Evelio is zij mantelzorger en vriendje Paco vindt zijn weg naar succes belangrijker dan hun relatie. Naarmate mannen hun invloed op haar leven verliezen, voelt ze zich bevrijd: ‘(…) in die tijd om na te denken die veel vrouwen niet gegund is, merkte ik hoe moe ik was, van hem, van werk en van mijn vader. En van jou.’ Even lijkt de loutering zich dan toch te voltrekken bij Paco: ‘Niets had hij meer en niets was hij geworden.’ Als klein mens in de marge van de samenleving levert hij zich uit aan Siqueiros, die letterlijk over lijken gaat. Hoe hard Eustaquia haar zoon ook waarschuwt voor de stalinist, Paco zwicht voor de goedkeuring van de surrogaatvader: ‘”Ik aanvaard de opdracht!” (…) Siqueiros greep zijn schouders beet, trok hem naar zich toe. “Ik wist dat we op je konden rekenen.” Paco had moeite zijn tranen in te houden en voelde een warmte in zijn borstkas opwellen.’

    Loutering waarschuwt ons voor het gevaar van het ego. En al helemaal wanneer dat ego gestreeld wordt door de verkeerde handen.

     

  • Goebbels in Japan

    Goebbels in Japan

    Schrijver, filosoof en essayist Désanne van Brederode voegt met Zielland een nieuwe roman aan haar brede oeuvre toe met een gewaagd thema. Wat als…  nazipropagandaminister Joseph Goebbels in 1938 werkelijk met zijn minnares, de Tsjechische actrice Lída Baarová, naar Japan zou zijn gevlucht? 

    Van Brederode heeft zich met deze roman vastgebeten in een fantasie om de ziel van Goebbels, de spindoctor van Adolf Hitler, bloot te leggen en dat lukt goed, dankzij haar behendige pen. Het fictieve dagboek is een lange monoloog waarin van Brederode zich in de man inleeft. 
    Aanvankelijk ontstaat er tijdens het lezen twijfel over wat fictie is en wat waar gebeurd. Goebbels’ vlucht naar Tokio om samen te zijn met Lída en stropdassen – ‘krawatten’ – te gaan verkopen is een vrijbrief voor Van Brederode om haar eigen mening toe te voegen. ‘Het verkopen van stropdassen vind ik helemaal geen Spaß. Het is ironie. Geloof ik.’  

    Dagboek 

    Gedurende twee maanden, oktober en november 1938, beschrijft Joseph Goebbels zijn door Van Brederode bedachte zielenroerselen in een dagboek. Hij heeft zijn vrouw Magda en hun dan nog vijf kinderen – al hun namen beginnen als eerbetoon aan Hitler met een H – verlaten om met Lída een nieuw leven in Japan te beginnen. Hij verlangt naar zijn kinderen, hij bejubelt zijn liefde voor Lída en zijn keuze om Duitsland te verlaten en er ontstaat haast een menselijke man met normale, zij het wat sentimentele, emoties. Hij probeert zijn haatgevoelens te analyseren, bijvoorbeeld tegen de Joden.  

    Zijn zelfhaat zou afkomstig zijn van de gedachte dat hij als kind een Joods vondelingetje zou zijn. Zijn moeder noemde hem immers Jupchen. Hij was een ziekelijk en larmoyant kind dat mank liep en nergens bij hoorde. Hij beschrijft zijn bewondering voor Hitler en hoe Hitler hem bewondert en dol is op zijn kinderen, en Magda. Hij wijdt uit over cultuur en politiek; de Joden zijn de schuld van de ondergang van het Duitse Rijk en hij stelt het jodendom gelijk aan het westers kapitalisme en het communisme. ‘De Jood streeft naar macht, maar komt daar niet voor uit, zal nooit over zichzelf zeggen dat hij een leiderstalent in zichzelf vermoedt, of graag in het middelpunt schittert, hij opereert in de meeste gevallen niet eens met opzet achter de schermen… Hij is geen stoker pur sang, men leest zijn hang naar ontwrichting niet van zijn gezicht af: hij zaait zijn weinig ideële ideetjes kwistig in het rond door zich werkelijk overal op te houden.’ 

    Vooruitziende blik 

    In zijn dagboek uit Goebbels ook zijn visie op de toekomst, waarbij de lezer zich mag afvragen of het er nu anders aan toe zou gaan als Hitler de oorlog wel gewonnen had. ‘Ik voorzie een medium, draagbaar, met de snelheid van het licht, dat als een spiegel op de wereld en als zakspiegel kan dienen […]’ Hij maakt gewag van onder meer het ontstaan van klimaatverandering, van de opkomst van een moderne vorm van populisme, uitholling van de maatschappij, van vrouwenemancipatie. ‘Al zal ik het zelf niet meer meemaken, ooit zal er sprake zijn van een wereldwijd ‘wij’ dat wordt gekenmerkt door mensen die per se NIET willen leven als iedereen, en juist daarin lijken op iedereen.’ 

    Het is begin november 1938, er gloort nog geen oorlog. Lída leert Japans en Joseph verkoopt zijn krawatten aan Japanners en als relatiegeschenk aan Duitse bedrijven. Vooralsnog geen vuiltje aan de lucht. Zij maken vrienden in Tokio en worden uitgenodigd op feestjes bij de Duitse ambassade waar Eugen Ott ambassadeur is. ‘Wat Ott niet lukte met zijn saaie recepties, is mij bijna per toeval gelukt met mijn Krawatten. Mond-tot-mondreclame. Ha! De kraaltjes en spiegeltjes waarmee ontdekkingsreizigers Indianen en andere inboorlingen wisten te paaien, hebben nog niets aan kracht ingeboet – zijn hooguit met hun tijd meegegaan. […] Alleen al hierom blijft de herenmode een prachtige business. Ze bespeelt mannen via het esthetisch oordeel van hun vrouwen, en dit oordeel is vrouwen aan te praten zonder dat er enig argument bij nodig is…’ Wat Ott niet lukt en Goebbels wel wordt verder niet duidelijk. Op de feestjes is ook Richard Sorge, een van de weinige aanwezigen die sympathie voor Goebbels voelt, en voor Lída. Dat hij een dubbelspion voor Rusland en Duitsland is, vermoedt zij op een gegeven moment wel, Goebbels kan dat niet geloven. 

    Ideeënroman 

    Goebbels is van plan zijn verjaardag in eenzaamheid te vieren, want Lída is door Sorge uitgenodigd een performance te leiden voor Duitse expatvrouwen. Maar de dag verloopt anders. Goebbels wordt mee uit genomen door Eugen Ott. Ze hebben een bijzondere ontmoeting, die het verhaal de verlossende wending geeft. Een verklaring waarom Goebbels Duitsland verlaat en Van Brederode hem juist naar Japan laat vluchten, zou kunnen zijn omdat beide landen aan expansiepolitiek doen. Dat Goebbels nooit een Japanse machthebber ontmoet of diplomatieke uitwisselingen heeft, wat wel in de lijn der verwachting zou liggen, is vreemd en ongeloofwaardig. 

    Wat de geschiedenis betreft staat er weinig nieuws in het boek. Het ging Van Brederode om haar eigen filosofieën die ze slim door Goebbels’ fictieve ontboezemingen heen heeft geweven. In die zin is Zielland een ideeënroman, zonder dat de ideeën echt worden uitgewerkt. Ze zijn mooi beschreven, maar de zogenaamde toekomstvisioenen van Goebbels voegen weinig toe. We zitten er immers middenin, de lezer kan die alleen maar bevestigen. Het zou wellicht spannender zijn geweest als Van Brederode Goebbels een alternatieve toekomst had laten visualiseren. Een toekomst waarin een wereld onder het Nationaal Socialisme was ontstaan en er heel andere beslissingen en afslagen waren genomen.  

    Joseph Goebbels’ rol – uiteindelijk is hij het brein achter de pogrom in de Kristallnacht – als de lont in het kruitvat, maakt deel uit van de verrassende twist op tweederde van het verhaal. In die zin heeft de roman wel een spanningsboog en de wijze waarop Van Brederode zich durft te verplaatsen in het hoofd van deze rasnarcist en sluwe manipulator is bewonderenswaardig. 

     

     

  • Oogst week 7 – 2023

    De Netanyahu’s

    Onlangs is de roman De Netanyahu’s verschenen van de Amerikaanse schrijver Joshua Cohen. De lange ondertitel luidt: Een verhaal over een onbetekenende en uiteindelijk zelfs verwaarloosbare episode in de geschiedenis van een zeer beroemde familie.

    Het werd vertaald door Janine van der Kooij.

    Joshua Cohen is een van de snelst rijzende literaire sterauteurs van Amerika. Met The Netanyahu’s won hij in 2022 de Pulitzer Prijs en de National Jewish Book Award for Fiction. Met zijn boeken kwam hij voor in gerenommeerde top-zoveel-lijsten, maar De Netanyahu’s is pas het eerste boek dat van hem in het Nederlands vertaald werd. Als het hier net zo positief ontvangen wordt als in Amerika, zullen vertalingen van zijn andere boeken wel snel volgen.

    De loftuitingen vliegen je om de oren als je informatie opzoekt over dit boek, op de flaptekst wordt bijvoorbeeld de The New York Times geciteerd ‘Pakkend, verrukkelijk hilarisch, adembenemend en een van de beste en relevantste boeken die ik in wat wel een eeuwigheid lijkt heb gelezen.’

    En de jury van de Pulitzer Prize schrijft: ‘Een bijtende, taalkunstige en historisch onderlegde roman over de ambiguïteiten van de Joods-Amerikaanse beleving.’

     De Netanyahu’s
    Auteur: Joshua Cohen
    Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2023)

    Dans Panfilo dans

    Op zijn website noemt Kyian Esser (Amsterdam 1992) zich acteur, auteur en artiest. Maar kroegbaas is hij ook. Van Café de Richel in Amsterdam.

    Als acteur is hij verbonden aan De Theatertroep en De Spelersfederatie. In het najaar van 2023 gaat Wie de fuk is Alice in premiere, een komedie die Esser geïnspireerd op het werk van Greta Gerwig -speciaal schreef voor de Theatertroep.

    In 2017 won hij met zijn verhaal Grote lijnen, kleine mannen de finale van WriteNow! Het juryrapport schreef over zijn verhaal: ‘Hier is een schrijver aan het woord die ambitieus schrijft, maar nergens pretentieus wordt […]

    Dans, Panfilo, dans is zijn debuutroman. Het vertelt het verhaal over een ontluikende liefde tussen twee jonge jongens. Het is een vakantieliefde maar een die ze nooit vergeten en waarnaar ze als ze volwassen zijn, op zoek gaan.

    Dans Panfilo dans
    Auteur: Kyrian Esser
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)

    ZamZam

    Anne Vegter was gedurende de jaren 2021 en 2022 stadsdichter van Rotterdam, de stad waar zij al dertig jaar woont.

    Tijdens Gedichtendag, de aftrap van de Poëzieweek, in januari jl. is in die hoedanigheid afscheid van Vegter genomen. Het was tevens de dag waarop ZamZam werd gepresenteerd, een bundel met al Vegters Rotterdamse gedichten.

    Ze heeft daarvoor niet stilgezeten. Zij heeft de afgelopen twee jaar alle hoeken van de stad bezocht, met inwoners gesproken en beschreven wat ze zag en hoorde. Afhankelijk van wat ze aantrof schreef ze er uiteenlopende gedichten over.

    Met het fotoverslag van beeldend kunstenaar Kamiel Verschuren en een essay van compagnon Xandra Nibbeling krijgt Rotterdam er een bundel van eigen klasse voor terug.

    Schrijver, theatermaker en performer Elfie Tromp is de nieuwe stadsdichter van Rotterdam.

    ZamZam
    Auteur: Anne Vegter
    Uitgeverij: uitgeverij Querido (2023)
  • Nooit meer huiswerk

    Nooit meer huiswerk

    Worden computers zo slim dat je nooit meer huiswerk hoeft te maken? Kun je een computer met kunstmatige intelligentie je opstel, spreekbeurt of werkstuk laten maken zodat de leraar denkt dat je het zelf hebt gedaan? Wie dat een enge -of interessante- gedachte vindt, kan het boek Kunstmatige intelligentie is niet eng van Bas Haring lezen. Wellicht stelt dat je gerust, en de vele vrolijke en kleurrijke illustraties van Maus Bullhorst zullen daar zeker aan bijdragen.

    Je hoeft niet bang te zijn dat het boek te moeilijk wordt. Bas Haring neemt je bij de hand en begint van vooraf aan uit te leggen hoe een computer werkt. Hij bouwt het boek stap voor stap op. Hij gebruikt veel voorbeelden en bijna alle veertien hoofdstukken worden met een samenvatting afgesloten. Dat is makkelijk als je nog even iets wilt terugzoeken. Wat wel nodig is, is een nieuwsgierigheid naar kunstmatige intelligentie. En je moet een beetje interesse hebben in computers. Want iemand die niet van paarden houdt, zal ook niet zo snel een boek over paardenverzorging gaan lezen.

    Acht poten
    Bas Haring weet duidelijk -en overtuigend- uit te leggen dat de techniek van computers en kunstmatige intelligentie niet eng is.

    Lees verder op Jong Literair Nederland

  • Wat weten mensen nu van dieren af? Minder dan niks

    Wat weten mensen nu van dieren af? Minder dan niks

    Volgens diverse internetsites staan dieren hoog op de lijst van favoriete onderwerpen van kinderen die een spreekbeurt houden. Wie het over zijn of haar konijn of over de zeehond wil hebben, zal daar vooral met een mensenblik naar kijken. Dat standpunt houdt, al dan niet onbewust, in dat het dier ondergeschikt is aan de mens. Maar hoe zou een dier in een spreekbeurt vertellen over een ander dier? Bibi Dumon Tak probeert het uit in het pas verschenen Vandaag houd ik mijn spreekbeurt over de anaconda. De spreekbeurten in dit bijzonder aanstekelijke boek worden gehouden door dieren over andere dieren die soms onder de toehoorders aanwezig zijn.

    Lees verder op Jong Literair Nederland

  • Oogst week 3 – 2023

    De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland

    Van sommige televisieprogramma’s ben je blij dat ze ter ziele zijn. Zo kroop Wendy van Dijk pakweg 20 jaar geleden in de huid van de poppige, ietwat domme Ushi (want dat rijmt op sushi, ‘haha’). Deze karikatuur op wat Japan zou belichamen, was van het niveau Hanky-panky Shanghai, sambal bij en eenlettergrepige kungfu-imitaties. Fumiko Miura, schrijfster van De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland, schrijft in haar biografie onder andere over deze culturele vooroordelen.

    Miura, in 1972 geboren te Shinsiro, begint in 2001 haar studie sociologie aan de Erasmus Universiteit. Vanaf dat moment blijft ze af en aan terugkeren naar Rotterdam. Naast sociologe is de auteur gecertificeerd taaldocent Japans, die heel de wereld doorkruist en workshops organiseert. Aangezien dit haar culturele bagage aanvult, wordt de Nederlander een nog merkwaardiger fenomeen. En dat blijft niet alleen bij het broodje kaas.

     

    De Polderjapanner - Een Japanse in Nederland
    Auteur: Fumiko Miura
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Loutering

    Op dertigjarige leeftijd maakt Luuk Imhann in 2016 zijn prozadebuut. Paradijs gaat over een expeditie door Maleisië heen, die na een vlaag van krankzinnigheid in gevaar komt. Al in 2012 echter verscheen Imhanns eerste poëziebundel, getiteld De onverschilligheid van rozen. Bovendien schrijft hij essays voor het platform Plat//Hoofd én is hij toneelschrijver bij NOX. Zijn genrerepertoire breidt zich uit, want kort geleden is zijn historische roman verschenen over communistisch Mexico: Loutering.

    Loutering vertelt het verhaal van Paco de Guerrero, die zijn vader verliest. Om hem terug te vinden, stelt hij zichzelf ten doel de grootste Mexicaan aller tijden te worden. Dit wringt natuurlijk met het communistische idee dat eenieder gelijk hoort te zijn. De beschrijving van De Schrijverscentrale over Luuk Imhann zal vast ook opgaan voor Paco de Guerrero: in zijn oeuvre verliest de mens zichzelf in grote ideeën, zelfzucht en geweld. Niet voor niets betekent ‘guerrero’ oorlogsvoerder. ¡Viva la revolución!

    Loutering
    Auteur: Luuk Imhann
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    De liefdesavonturen van Willy the Shake – sonnetten

    Engeland beschouwt zichzelf als de absolute elite op vele terreinen. Het bezat ’s werelds grootste gemenebest, ziet zichzelf als bakermat van het moderne voetbal en heeft volgens The Observer ook nog eens de ‘funniest man that ever lived’ aan boord: Ricky Gervais. Bovendien mag Duitsland dan wel het land van de Dichter und Denker zijn, Engeland heeft qua literaire invloed meer dan genoeg aan één meester. William Shakespeares hoogdravende, alom geprezen en gelezen sonnetten zijn uiteraard al vaak vertaald, ook in het Nederlands.

    In De liefdesavonturen van Willy the Shake kiest vertaler Marien de Bruijn eerder voor toegankelijkheid en eenduidigheid dan grandeur en semantische rijkdom. De titel is veelzeggend. De Bruijn, eveneens schrijver van het vuistdikke Met zijn grote gonzende hoofd, hanteert het vrije vers om Shakespeare naar het Nederlands over te zetten. En hoewel vele puristen deze ontheiliging De Bruijn zullen verwijten, kunnen ze er maar beter de humor van inzien. Zit de kracht van Engelse humor namelijk niet in de zelfspot?

    Auteur: Marien de Bruijn
    Uitgeverij: Uitgeverij Brave New Books
  • De vraag blijft van waar we wel zijn

    De vraag blijft van waar we wel zijn

    De tweede roman van Judith Maassen Niet van hier beschrijft de onmogelijkheid te integreren in een hechte dorpsgemeenschap. De dertienjarige hoofdpersoon Rifka lijkt de integratiestatus toch te verwerven: aan het eind van het verhaal wordt ze ‘onze’ Rifka. Daar is wel een dramatische gebeurtenis voor nodig in een boek met meer drama en veel grotere motieven en thema’s dan die integratie alleen, zoals de dood, opgroeien (‘coming of age’), liefde en leugens.

    Rifka verhuist als brugklasleerling met haar ouders naar het dorpje Z (Zijtaart) onder de rook van V (Veghel). Het gebied waar de leeuwen wonen, zegt moeder, een soort van witte plek op de kaart. Rifka’s vader Wald, hovenier van beroep, vindt dat de verhuizing past als een puzzel, want hij woont nu dichter bij zijn werk en zijn oude vader, en Rifka kan opgroeien in een groene, gezonde omgeving. ‘Ze was dertien. Ze speelde niet buiten.’ laat zijzelf de lezer fijntjes weten. ‘Waar moet je dan lopen,’ vraagt Rifka, als vader zegt dat ze wel zal moeten wennen, want stoepen bijvoorbeeld zijn er niet. ‘In de goot’ zal een grappig bedoeld antwoord zijn, maar blijkt een naargeestige vooruitwijzing. En dat vader ook een ander motief voor de verhuizing heeft, weet dan nog niemand.

    ‘Vriendinnen’

    Als het gezin net verhuisd is, vindt er in het dorp een vreselijk drama plaats. Nannie, een leeftijdsgenootje van Rifka, wordt dood gevonden in een greppel. De doodsoorzaak en toedracht zijn onbekend. ‘Je valt met je neus in de ranzige boter,’ constateert moeder. Nieuweling Rifka probeert aansluiting te krijgen bij de vriendinnengroep van Nannie. Ze wordt door de vriendinnen eerst genegeerd, dan gedoogd, maar als Nannies dood alsmaar onopgehelderd blijft, de nieuwe bewoners het spreekwoordelijke Barbertje dreigen te worden én als de meiden doorhebben dat Rifka met Nannies ex Johan omgaat, wordt de aanval op haar ingezet.

    Rifka’s integratie-ervaringen in de gesloten dorpsgemeenschap zijn hilarisch herkenbaar, maar ook pijnlijk eenzaam en naïef. Dorpsgenoten groeten elkaar met opgestoken wijsvinger, Rifka leert dat op de pof alleen voor bekenden is en gaat met de meiden mee naar een katholieke mis in de Sint-Lambertuskerk in Veghel, waar ze in haar onschuld zondig op een ouwel kauwt. Omdat ze graag bij de dansmariekes wil oefent ze ijverig op de split, waarbij ze Jezus’ hulp vraagt. De nieuwe ‘vriendinnen’ laten haar bij de KPJ, de Katholieke Plattelands Jeugd, letterlijk en figuurlijk vallen.

    Nadat op school bij de Franse les ‘le petit mort’ door de leraar is genoemd, gaat Rifka thuis oefenen in masturberen. Dit levert een ontwapenend humoristische scène op die bovendien door de originaliteit en beschrijving vrolijkmakend verfrissend is en hartstikke emancipatoir. Er zijn inmiddels al wat broeierige scènes de revue gepasseerd waarin de nieuwsgierige zoektocht van Rifka naar haar eigen seksualiteit z’n onschuld meer en meer verliest. In haar eenzaamheid zoekt ze toenadering tot de overleden Nannie en Nannies ex Johan, veel dichter bij Nannie kan ze immers niet komen. Rifka en Johan gaan samen naar de kermis, waar ze in de botsautootjes heftig aangevallen worden door de dansmariekesvriendinnen. Johan raakt daarbij lichtgewond. ‘Op Johan kun je wachten tot je een ons weegt,’ zegt de denkbeeldige Nannie tegen Rifka. Daarna gaat Rifka op avances van Ad in. Hij is de broer van één van de dansmariekes, bij hen op de boerderij heeft Rifka voor het eerst een dekhengst zijn werk zien doen. Ad heeft zijn belangstelling voor Rifka toen al duidelijk laten blijken. Rifka gaat nu naar een afterkermisfeest in de schuur op het erf van Heleen. Met de nodige drank in de man én in de jonge nieuweling laat het vervolg zich raden.

    Verschillende perspectieven

    Het verhaal wordt niet alleen verteld vanuit Rifka maar ook vanuit de dakdekker die als vertelperspectief onder andere het zelfbenoemde ‘pluralis civitatis’ hanteert, het dorps meervoud, een wijperspectief dus. Deze dakdekker, ook wel Winkler Prins de Tweede vanwege zijn encyclopediehobby, noemt zichzelf ‘niet hoogmoedig’, ‘maar hybris is wel een favoriet woord’. Als dakdekker heeft hij een min of meer alwetend perspectief; hij beschouwt en reflecteert en strooit met wijsheden en is daarmee een wegwijzer voor de lezer. Hij hoort wel eens wat, niet alles, maar als je op genoeg plekken het water kunt peilen, weet je hoe diep de rivier is, is zijn theorie. De wereld heeft geen dak, weet hij, kent geen orde, ook niet vanuit de hoogte, zelfs niet voor God. Hij weet dat geluk niet voor het oprapen ligt, dat er veel is dat je nooit zult weten. Veel gebeurtenissen zijn niet waterdicht en ook de onopgehelderde dood van Nannie is geen lekkend dak dat gerepareerd kan worden.

    Heleen is het derde perspectief van waaruit het verhaal verteld wordt. Zij is ook import en dus buitenstaander, al woont ze langer in het dorp. In het begin werd ze daar als ‘heks’ gezien. ‘Iemand moet ‘m zijn,’ zegt Johan daarover spottend en ook Rifka weet ‘dat heksen net zomin bestaan als het rijmwoord op twaalf’. Ze woont alleen, haar kindje Warre is elf weken na de geboorte aan wiegendood overleden. Heleen en haar huis spelen in meerdere opzichten een sleutelfunctie in het verhaal. Wie aan het begin van het boek een ‘whodunnit’ verwachtte kan in haar en in haar huis en schuur z’n hart ophalen – hoewel anders dan verwacht.

    Er gebeurt veel

    Judith Maassen heeft heel veel in dit ene boek te vertellen. Een paar intriges of motieven minder had de roman geen kwaad gedaan en misschien zelfs wat meer diepgang kunnen geven. Maar al die gebeurtenissen en motieven geven het verhaal ook veel vaart. Voor de verschrikkelijk ontleesde jeugd van tegenwoordig is de roman zeker een aanrader, middelbare scholieren zullen hem met plezier lezen: er gebeurt veel en veel herkenbaars.

    Vaart en een vlotte pen hanteert Maassen ook in haar schrijfstijl, evenals humor, zoals al wel gebleken is. Ze gebruikt originele beeldspraak, bijvoorbeeld over de meisjes ‘als jonge olifanten die hun slurf nog moeten leren besturen’ en die na de dood van Nannie ‘door het dorp dwalen als kogels in een flipperspel’. ‘In de ruimte tussen goed en fout kreeg zelfs een fruitvlieg het benauwd,’ is ook een mooie constatering. Niet van hier is een goed geschreven roman waarin net als in Maassens debuutroman Het nabestaan van Anna Portier verlies, de dood, een grote rol speelt: Heleen moet leven met de pijnlijke waarheid dat ‘een dood kind er altijd is,’ in de wereld van Nannies ouders ‘regent het elke dag’ sinds het verlies van hun dochter. Ook met Rifka loopt het bijna verkeerd af. De wijze Winkler Prins de Tweede leert ons dat we hebben te accepteren dat tijd en toeval ons leven leiden.

     

     

  • Iets van toen in het nu

    Iets van toen in het nu

    Kijken met andermans ogen van Ad Zuiderent opent met een voorwoord dat bij nader inzien een gedicht in prozavorm blijkt te zijn. Het leest als een briefje op de keukentafel: kom binnen, ik ben er even niet, maar maak het je gemakkelijk. Zo uitnodigend dat de bezoeker inderdaad zijn jas ophangt en alvast een speculaasje uit de koektrommel durft te nemen. En let vooral op de rommel, schrijft de gastheer er nog bij.

    Het is hem menens, zoveel is duidelijk. Dit is geen uitnodiging voor de bühne; hier wordt geen schone schijn opgehouden. In deze bundel, in deze dichterswereld is de lezer echt welkom. De gast mag rondkijken, luisteren, er eens lekker voor gaan zitten, of mee eropuit. Want er wordt heel wat gewandeld en nog meer gefietst. Door de dichter zelf of door het fictieve personage Ligthart. Een alter-ego dat de dichter in zijn vorige bundel in het leven heeft geroepen om voor zichzelf meer ruimte te creëren; ruimte om gedachten, meningen, bevindingen uit te spreken waarvoor in gedichten niet altijd plaats is.

    De tijd, een trage sloper 

    Onduidelijk blijft of deze Ligthart, die door meerdere gedichten zijn eigen meanderende route gaat, op een of andere manier verwijst naar Jan Ligthart, de sociaal bewogen onderwijsvernieuwer die ruim een eeuw eerder al met kritische ogen keek naar het stadsleven in Amsterdam. Net als veel hervormers in die dagen sprak hij zijn oprechte zorg uit over industrialisatie en verstedelijking, en alle kwalijke effecten daarvan op mens en natuur.

    Niet alleen wordt in deze bundel opgeroepen te kijken met andermans ogen, wat uiteraard een nieuwe visie moet opleveren en dat inderdaad ook vaak doet. Tevens wordt de lezer verlokt te kijken door de sluiers van de tijd; een beetje zoals wanneer je door je wimpers kijkt. Je ziet wel wat je ziet, maar toch niet precies hetzelfde, iets minder misschien, of juist meer, maar hoe dan ook anders.

    Zo laat Zuiderent – meermaals bij monde van Ligthart – de lezer regelmatig kijken naar wat hij op zijn tochten tegenkomt. Naar de oevers langs het IJ, waar zelfs binnen het tijdsbestek van een generatie meer is veranderd dan men in een paar regels beschrijven kan.

    ‘… dat wat hijzelf
     had gezien als een beeld dat hij altijd weer kon terughalen
     steeds verder onder nieuwbouw verdween, hij dacht zichzelf
     in halflandelijkheid te hebben bewaard, maar de wateren
     waren verzameld, de Pontsteiger een oh en ah van overmaat:
     de stilte rond de stapels blanke planken en rijen schepen
     voor de binnenvaart zou hem begroeten, dacht Ligthart,
     en er lag weliswaar verderop een cruiseschip op het droge,
     maar intussen ging de zoveelste school voor voorbereidend
     vervolgonderwijs uit, vielen scholieren als hijzelf destijds,
     met z’n drieën naast elkaar, op weg naar Noord, waar een event
     op handen was, even helemaal samen met de eigen snelheid…’

    In dergelijke stream of consciousness-zinnen laat de dichter de vertrouwde wereld van meerdere generaties tegelijk zien. En tussen al die fietsers – soms letterlijk elleboog aan elleboog op die pont naar Noord gepropt – een nauwelijks te overbruggen afstand in beleving. De jongeren zijn zich maar zo zelden bewust van alles wat verandert, en van wat er reeds veranderd is; de oudere (Ad Zuiderent werd geboren in 1944) is dat des te meer. Een besef dat aan de gedichten in deze bundel een klank, een kleur van weemoed verleent. Sterker nog, vaak is die weemoed zelf de essentie, de grondtoon van het gedicht. Zichtbaar en invoelbaar door de heldere, soms bijna schrijnende contrasten die worden gebruikt: stilte tegenover lawaai, snelheid versus traagheid.

    ‘Toen wij eindelijk in beweging gekomen Claerbout
     achter ons hadden gelaten, en met Claerbout de dag
     dat hij onversneld had laten zien hoe tijd de trage maar
     besliste sloper is die met dagelijks verschuivend licht
     illusies van een duizendjarig rijk eens en voorgoed
     begoochelt tot hun tegendeel…’

    De bomen, de bladeren

    Met een dergelijke gevoeligheid voor het verstrijken van de tijd en al dat buiten zijn, al dat gefiets door stad en land, kan het niet anders of ook die andere vorm van vergankelijkheid moet worden genoemd: de cirkelgang van de natuur en de jaarlijks terugkerende processen van kiemen, groeien en bloeien, kwijnen en sterven. ‘Dat bladeren ook weer zouden vallen, / ja, dat heb je van in den beginne geweten.’

    Waar Zuiderent enerzijds – fiets aan de hand, starend over het IJ – de grotere lijnen van de geschiedenis beziet en overdenkt, telt hij anderzijds met evenveel precisie en aandacht de vogels in zijn tuin; kijkt hij naar het verkleuren van de bomen; beschrijft hij het steeds opnieuw voorbij trekken van de seizoenen. Zelfs het gedoe van de daarbij behorende werkzaamheden wordt in die beschrijving meegenomen.

    ‘Wie nu geen boomschaar, bosmaaier
     of bladhark heeft, niets van Husqvarna,
     Fiskars, Stihl, geen bijl, geen sikkel,
     wetsteen, hakblok noch kettingzaag,
     landhak of laarzenknecht, wie zelfs
     geen kruiwagen heeft, moet brieven,
     ansichtkaarten schrijven of gedichten.’

    Platanen hemel van een Franse film

    Niet alleen in Amsterdam, in Nederland, wordt het verstrijken van de tijd waargenomen en verdicht. In het derde deel van de bundel ‘Comédie-Française’ wordt zowel de geschiedenis van de mensentijd beschreven als de natuur met de elementen die voor dit gebied zo typerend zijn. Met een vanzelfsprekend gemak verweeft Zuiderent kloosters en kastelen, de oorlog en het verzet, Paul Verlaine en Nescio met drooggevallen rivieren, cipressen en de Mont Ventoux. Zodanig weet de dichter – en daaruit blijkt onmiskenbaar zijn talent – beelden met woorden te bekleden dat in de taal het beeld volledig zichtbaar en voelbaar blijft.

    ‘Door het open dak
     schijnt de platanen hemel
     van een Franse film.

     Wij zijn een slak op koers
     die afstand niet telt
     in kilometers maar in tijd.’

    Hoewel dat soepele heen en weer bewegen tussen speels en serieus tot het einde toe gehandhaafd blijft – evenals de weemoedige toon trouwens -, lijkt de uitnodiging van het begin gaandeweg te veranderen in een opdracht aan de lezer. Steeds minder wordt er dromerig tussen de wimpers door gekeken. In plaats daarvan wordt de lezer, als bij een schoolboek zo tegen het einde van het jaar met het eindexamen reeds in zicht, gemaand er nog eens stevig de pas in te zetten en meer te focussen op wat al de hele tijd het eigenlijke doel was: leren kijken met andermans ogen.

    Kijken met je oren

    Nadrukkelijker wordt er in deel vier, dat ‘Tijdslot’ heet en verwijst naar de strak georganiseerde museumbezoeken tijdens de corona-periode, en in deel vijf, dat dezelfde titel draagt als de bundel, een appèl gedaan op de zintuigen van de lezer. Tasten, proeven, horen, en kijken uiteraard. Er komen woorden voorbij als lezen, tekenen, schrijven, zelfs leren een pen vast te houden. Kunstenaars en hun kunstwerken worden met name genoemd; schilders, fotografen, dichters, musici zelfs, alsof je ook met je oren kunt kijken.

    En misschien kan dat ook wel, als je zo op waarnemen bent ingesteld. Dan is kijken niet meer een louter fysiologisch proces maar een werkelijk doordrongen raken van, besef hebben van, een ge’waar’worden. Een volkomen aanwezig zijn in en bij datgene wat je waarneemt, ongeacht de wijze waarop dat waarnemen gebeurt.

    Ongetwijfeld moet het hoe en wat daarvan de dichter al veel langer hebben bezig gehouden. Wellicht dat daarom het motto is ontleend aan een andere dichter, Fernando Pessoa. Die bij monde van zijn alter-ego Ricardo Reis zegt : ‘In ons leven tallozen; / Ik weet niet, als ik denk / Of voel, wie denkt of voelt. / Ik ben de plaats slechts waar / Gevoeld wordt of gedacht.’

     

  • Oogst week 49 – 2022

    Veen, dras, moeras

    Voorin in het boek Veen, dras, moeras heeft Annie Proulx de volgende opdracht opgenomen:

    ‘Dit bescheiden boek is opgedragen aan de inwoners van Ecuador, die ervoor zorgden dat hun land als eerste ter wereld rechten voor natuurlijke ecosystemen in de grond- wet heeft opgenomen. De recente rechterlijke uitspraak dat Los Cedros, het nevelwoud in de Andes, tegen de mijnbouwbedrijven moet worden beschermd, betekent een mijlpaal voor de wereld.’

    De urgentie van dit boek (oorspronkelijke titel Fen, Bog & Swamp) blijkt mogelijk uit het snelle verschijnen van de Nederlandse vertaling; beiden titels verschenen in 2022.
    In Veen, dras, moeras documenteert Proulx de lang onbegrepen rol van de belangrijkste veengebieden bij het redden van de planeet. Veen, drassen, moerassen en mariene estuaria zijn blijkbaar de meest wenselijke en betrouwbare hulpbronnen van de aarde. Proulx beschrijft de geschiedenis en toont de vennen van het 16e-eeuwse Engeland tot de laaglanden van de Hudsonbaai in Canada, het Russische Great Vasyugan Mire, het Amerikaanse Okeefenokee National Wildlife Refuge en de 19e-eeuwse ontdekkingsreizigers die begonnen met de vernietiging van het Amazoneregenwoud.
    The Guardian noemde Veen, dras, moeras ‘Een krachtige aanklacht in prachtig proza tegen onze medeplichtigheid aan de vernietiging van het milieu.’

    De inmiddels 87-jarige Annie Proulx werd bij het grote publiek vooral bekend door (de verfilmingen van) Scheepsberichten en Brokeback Mountain.

    Veen, dras, moeras
    Auteur: Annie Proulx
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2022)

    Uitwissing

    Uit het postuum gevonden manuscript van Thomas Bernard (1931-1989) van zijn eerste, grotendeels autobiografische roman komt een pessimistische, eenzame verbitterde auteur naar voren. Bernard hield tijdens zijn leven de publicatie van dit boek zelf tegen.
    Zijn latere werk getuigt ook van somberte, afkeer van de medemens en van zijn walging voor zijn Oostenrijkse vaderland. Hij werd er tegen wil en dank een succesvoll auteur, hoewel hij kort voor zijn dood nog enorme ophef veroorzaakte. In een toneelstuk beweerde hij o.a. dat Oostenrijk sinds de Tweede Wereldoorlog nog niet veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. 

    In Uitwissing, zijn laatste grote prozawerk, staat de vraag centraal of een mens in staat is zich te ontdoen van datgene waar hij zich door zijn afkomst mee belast weet. Deze roman verscheen in 1986, onder de titel Auslöschung. Ein Zerfall, drie jaar voor zijn dood.
    De hoofdpersoon uit Uitwissing worstelt met een ‘Herkunftskomplex’ en wil kost wat kost afstand doen van en afrekenen met zijn achtergrond. In Uitwissing zegt hij:
    ‘Het enige dat ik al definitief in mijn hoofd heb, […] is de titel Uitwissing, want mijn verslag is er alleen maar voor bedoeld om wat erin beschreven wordt uit te wissen, alles uit te wissen wat ik onder Wolfsegg versta, en alles wat Wolfsegg is, alles, […] inderdaad werkelijk alles.’

    Wolfsegg was het landgoed van de schatrijke familie van de hoofdpersoon in Opper-Oostenrijk.

    Uitwissing
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer (2022)

    Bob

    Vorige maand is bij uitgeverij Querido de vertaling verschenen van Bob en ik van de succesvolle Deense schrijfster Helle Helle (1965).
    In alle stukken die over Helle verschijnen staat iets over de manier waarop zij het gewone van alledag behandelt en beschrijft.
    Ook hier op Literair Nederland. In 2015 bijvoorbeeld in een recensie over Als je wilt schrijft Huub Bartman: ‘Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama.’

    In Bob en ik komen we alleen te weten over Bob, over de ik krijgt de lezer niet anders te horen dan via Bob. Het stel is net verhuisd, Bob wil wel studeren maar weet niet wat. Wat hij wel weet is dat hij samen wil blijven met de ik en mogelijk ooit ook een gezin met haar wil stichten.

    In 2012 verscheen hier op Literair Nederland ook een recensie over haar boek Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden, waarvoor ze de De Gyldne Laurbær ontving. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door de Vereniging van Deense Boekhandelaren.

    Bob
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2022)
  • Stuivertje wisselen

    Stuivertje wisselen

    Droom en werkelijkheid schuiven in de nieuwe roman van de Albanese schrijver Ismail Kadare (1936) over en door elkaar. Het Moskou van Stalin en Boris Pasternak, het Tirana van Enver Hoxha – die wel de Albanese Stalin wordt genoemd – en van Kadare zelf. Heden en verleden doen aan stuivertje wisselen. ‘Een mysterieus telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak’ luidt de ondertitel van Onenigheid aan de top. 

    We schrijven 1934 wanneer Stalin Pasternak belt, en zoveel jaar later, 1964 als Hoxha met Kadare belt. Het ene gesprek (Stalin en Pasternak) roept bij de inmiddels 86-jarige Kadare herinneringen op aan een ander, namelijk het gesprek tussen hem en Hoxha. Kadare hoort over het telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak in 1959, wanneer hij in Moskou studeert. Een gesprek dat op de achtergrond blijft sudderen en doorwerken, tot hij er in 2022 de vorm voor vindt om het op te schrijven. Overigens eigenlijk meer een essay dan een roman.

    Telefoongesprekken met Stalin

    Het was niet uitzonderlijk dat Stalin naar de telefoon greep. We kennen het fenomeen ook uit bijvoorbeeld de biografie van de Russische schrijver Michail Boelgakov, de dag na de zelfmoord van Majakovski in 1930. De Russische auteur vermengde trouwens in zijn meesterwerk De meester en Margarita op een soortgelijke manier als Kadare fictie met werkelijkheid, twee steden en tijdsperiodes. In Boelgakovs geval Moskou in de tijd van Stalin en het Jeruzalem in de tijd van Jezus. Kadare noemt Boelgakov terloops en gaat verder op diens gesprek met Stalin niet in.

    Kadare schrijft over de drie minuten die het telefoongesprek duurde waarin Stalin aan Pasternak vroeg wat hij van Osip Mandelstam vond en Pasternak het niet onvoorwaardelijk voor de dichter opnam. De auteur probeert te achterhalen wat er waar is van de dertien versies die over het gesprek de ronde doen en waarom die drie minuten hem zo intrigeren. Afgezien van het feit dat het natuurlijk ook met zijn eigen levensloop te maken heeft.

    Dertien versies

    Het grootste deel van het boek, dat soepel is vertaald door Roel Schuyt, bestaat uit het uitpluizen van die versies. Op grond van de archieven van de KGB, de memoires van Galina Nikolajevna von Meck, van Nikolaj Vilmont, een vriend van Pasternak, van Pasternaks vrouw, van de dichter Sergej Bobrov, Isaiah Berlin en anderen.
    Op z’n best zijn het interessante beschouwingen. Vooral de meer uitgewerkte hoofdstukken zijn geslaagd. Dat zijn de stukken waarin Kadare zich inleeft in de gemoedstoestand van Pasternak. Steeds dichter nadert hij de kern. De cirkels sluiten zich gaandeweg steeds nauwer, van buiten naar binnen, naar de naaste familie en vrienden. Een groot verschil tussen de versies wordt op die manier duidelijk: de vrouw van Pasternak, Zinaida, schrijft in haar memoires (1993) bijvoorbeeld tot twee maal toe dat haar man aan de telefoon rustig bleef, in tegenstelling tot wat in de andere versies wordt beweerd. Zinaida is volgens Kadare ‘een uiterst paradoxale figuur: ze is enerzijds zijn trouwe echtgenote en anderzijds een onderdeel van de Sovjet-Unie’.
    De koelste en afstandelijkste beschrijving van wat er gebeurde, is volgens Kadare afkomstig van Nadezjda Mandelstam, ‘de vrouw van de onfortuinlijke dichter’. Koel, vooral richting Pasternak: waarom was hij niet voor haar man opgekomen?

    De geschiedenis opgerekt

    Vervolgens rekt Kadare de cirkels weer wat op, tot de syfilis die Lenin bij een Zwitserse prostituee zou hebben opgelopen aan toe. Het lijkt ver verwijderd van zijn eigenlijke onderzoek, maar je moet als lezer niet vergeten dat het ook Pasternak was die geloofde in keerpunten in de geschiedenis, of in wat hij kwesties van leven en dood noemde. En die ziekte van Lenin zou er zo een kunnen zijn. Magische verbanden zijn het, zoals Kadare die ook beschreef in zijn roman Kroniek in steen, waarvan tegelijkertijd met deze roman een nieuwe uitgave is verschenen in de Perpetua-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep.
    Een overeenkomst tussen beide boeken zit in de aandacht die Kadare schenkt aan de noodlotszwangere Griekse mythologie. Bijvoorbeeld met Helena van Troje, degene die net als Pasternak zweeg.

    De twee lijnen van het boek, de reconstructie van het telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak en de herinneringen die dat bij Kadare oproept aan zijn gesprek met Hoxha, zijn mooi uitgewerkt. De derde lijn, de verwerking hiervan, loopt als een wat dunnere draad er doorheen. Een dunne, maar daarover is het misschien beter niet (te snel) te oordelen. Dat kan hooguit een betrokkene zelf, zoals Boelgakov, die zijn onmacht en lafheid beschrijft. Misschien is de tijd voor een al te diepgravend zelfonderzoek bij Kadare nog niet rijp. Of, zoals hij zelf schrijft: ‘Jullie moesten eens weten hoe dat voelt’, zo’n gesprek, en: ‘Oordeel niet te snel’. Dat moet voorlopig genoeg zijn.