• Oogst week 10 – 2020

    Onze verslaggever in de leegte

    Hoe terecht of onterecht de verontwaarding rond een boek ook mag zijn, het is in elk geval een trefzekere manier om er de aandacht op te vestigen. Zoals vorige week Onze verslaggever in de leegte van Dimitri Verhulst. De schrijver was zo kwaad over wat hij over zich heen kreeg na een interview in Humo dat hij niets meer moet hebben van een promotietour. Hij wil geen interviews meer. ‘Ik ben naar de kloten gegaan door iets wat ik niet heb gedaan. Door iets waartoe ik niet eens in staat zou zijn om te doen’, schrijft hij in zijn nieuweling, een soort dagboek zonder data, dat teruggaat tot 2015. Daarin gaat het over zijn zelfvernietiging door drank, drugs en seks na een beschuldiging van aanranding door een ex-vriendin, een Zweeds-Bulgaarse. De aanklacht werd geseponeerd. Eén van de motto’s is van Joseph Conrad: ‘Een raar iets is het leven toch. Het beste wat je ervan kunt verwachten is een beetje kennis van jezelf. En die komt toch te laat. Voor de rest is het allemaal zinloos’.

    Onze verslaggever in de leegte
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Het eiland

    ‘Voor een kind zijn alle stranden oneindig en bossen mysterieus, is het leven eeuwig en zijn volwassen mensen die weten wat ze doen. Mijn eiland was mijn leven. Geen ontsnappen aan. Ik heb mijn jeugd overleefd, vraag me niet hoe. Het eiland heeft me gevormd en gered.
    En daarover ga ik vertellen’.
    Zo eindigt het eerste hoofdstuk van Het eiland van Koos Terpstra. Het eiland is Texel, waar Terpstra in 1955 werd geboren. In dit boek haalt hij meanderend door de tijd herinneringen op aan zijn jeugd. Terpstra is toneelregisseur, maar ook schrijver van onder andere de fameuze Troje trilogie, een marathonstuk dat gespeeld werd door het toenmalige gezelschap ‘De Appel’ en werd bekroond in 1995. Lezers zouden Terpstra ook kunnen kennen van Brieven aan Koos van filosoof-cabaretier Tim Fransen uit 2018, waarin Terpstra de geadresseerde is.

    Het eiland
    Auteur: Koos Terpstra
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Apeirogon

    De Palestijn Bassam Aramin en de Israeliër Rami Elhanan zijn bestaande mensen die elk een dochter verloren in de conflicten in het Midden-Oosten. De Ierse schrijver Colum MacCann (geboren in 1965 en wonend in New York) ontmoette hen toen hij voor zijn organisatie Narrative 4 het Midden-Oosten bezocht. Narrative 4 probeert mensen die uit tegengestelde werelden komen te bewegen elkaar hun verhaal te vertellen. Daardoor onstaat wederzijds begrip. Het leverde zijn nieuwe roman Apeirogon op: een bonte verzameling fragmenten over waarnemingen en ervaringen, waarin de verhalen van Aramin en Elhanan centraal staan. De titel (een apeirogon is een veelhoek met een onbeperkt aantal zijden) verwijst naar de ontelbare aspecten van de dood van de dochters van Aramin en Elhanan. Die veelheid wordt ook weerspiegeld in het aantal hoofdstukken en -stukjes, 1001, een verwijzing naar de verhalen uit Duizend-en-een-nacht.

    Apeirogon
    Auteur: Colum McCann
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Gevoelens van verlangen en onbehagen

    Gevoelens van verlangen en onbehagen

    Maarten van der Graaff (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs ontving. In 2015  volgde Dood werk die bekroond werd met de J.C. Bloem poëzieprijs en in 2018 werd zijn debuutroman Wormen en Engelen genomineerd voor de Anton Wachterprijs. Van der Graaff is tevens medeoprichter van het online literaire tijdschrift Samplekanon dat in 2018 De Lokienprijs van de Sybren Polet Stichting mocht ontvangen.
    Het idee voor zijn derde bundel, Nederland in stukken, ontstond toen een linkse boekhandel in het centrum van Utrecht, De rooie rat genaamd, moest sluiten. Van der Graaff kocht op het nippertje een aantal oude pamfletten, tweedehands boeken en anarchistische blaadjes. Deze aankopen vormen de ‘stukken’ van Nederland, in de betekenis van juridische documenten, waarin de dichter zocht naar uitspraken die ook vandaag nog zouden kunnen gelden. Gedeelten uit deze aangekochte lectuur zijn door de dichter letterlijk geciteerd in de bundel, met inbegrip van verouderde spelling. 

    Opgelapte menselijkheid

    De titel zou kunnen betekenen dat Nederland in stukken uiteen is gevallen, zoals een sculptuur aan stukken kan vallen. In een interview met Van der Graaff onlangs in het NRC, wordt gerefereerd aan het monster van Frankenstein, dat uit verschillende stukken werd samengesteld als een opgelapte menselijke patchworkdeken.
    In de gedichten spreekt Van der Graaff over een Deltametropool, een begrip uit een beleidsdocument van twintig jaar geleden, dat zich tussen de aangekochte stukken van De rooie rat bevond. Het idee was om de gehele Randstad te verenigen tot één grote wereldstad: de ‘stukken’ van Nederland zouden samengevoegd worden.

    Gebaseerd op deze archiefstukken schrijft Van der Graaff zijn gedichten, alsof deze fictieve metropool daadwerkelijk tot stand gekomen is en zich als een levend organisme gedraagt; het doet denken aan Gotham City uit de Batmanfilms en levert poëzie op die zich laat lezen als science fiction. De dichter spreekt de Deltametropool rechtstreeks toe in de afdeling Word-document Nederland, waarin in negen ‘documenten’ in korte, in stukken gehakte en afgebeten zinnen een beeld wordt gegeven van een samenleving die op zijn zachtst gezegd vervreemd is van het individu en de leefomgeving en waar de groei van de economie het hoogste goed is. De verzakelijking heeft gezegevierd en het geld regeert. Het leven is niet meer dan een Word-document, waarin zoveel geknipt en geplakt is dat het overzicht verloren is geraakt.

    Onleefbare maatschappij

    Deze kille, dystopische maatschappij zou onleefbaar zijn als niet steeds menselijke gevoelens en gedachten overal doorheen probeerden te sijpelen: 

    ‘Soms voelen die mensen zoiets als verdrietige strijdbaarheid.
    Ik zeg dit zonder ze te kennen. Dit is fictie.
    Zij voelen iets in hun maag, onder aan
    hun nek. Jij onderschat ze. En ook jij bent fictie
    en ficties kunnen het elkaar moeilijk maken. Daar hoop ik op.’

    In de afdeling Index wordt het leven van het lyrische ik verweven met dat van de Deltametropool. Onder aan de bladzijde van elk gedicht staan een paar regels van het daaropvolgende, waardoor ze met elkaar verbonden worden. Veelvuldig komt het Latijnse woord ‘dolor’, consument, terug in de gedichten: de consumptiemaatschappij is de enige werkelijkheid geworden en: ‘Het individuele leven is de grootste leugen.’
    Maar het individu laat zich niet onderdrukken: er is sprake van gevoelens, seksuele verlangens, liefde en ongelukkig zijn. 

    Gehersenspoeld tot robots

    De gevoelens van verlangen en onbehagen zetten zich versterkt door in de volgende afdeling, De Nederlandse commune, nu gevoed door informatie uit het verleden. 

    ‘Er zijn vrienden. Ze vormen een commune voor een dag,
    dezelfde historische dag als gisteren, waarop ze ontzet
    en van elkaar bevrijd werden.
    Ze kregen nog een leven, neologismen voor iets anders.
    Ze hebben geen werk, maar toch vergaderen ze.’

    In de laatste afdeling, Residuen, zijn alle regels van één lang gedicht genummerd, van 1 tot en met 555. Het zijn disruptieve fragmenten die ogenschijnlijk weinig samenhang vertonen, alsof verschillende stemmen proberen een gesprek aan te gaan, maar desondanks langs elkaar heen blijven praten. De verwarring is compleet en normaal menselijk leven lijkt onmogelijk geworden: de dreiging van de Deltametropool heeft toegeslagen en mensen zijn gehersenspoeld tot robots.
    Er zijn veel verborgen verwijzingen en citaten uit literatuur en politieke toespraken aan te wijzen, zoals alles in deze bundel een grote politieke en geëngageerde lading bevat. 

    Rechtvaardigheid op alle fronten

    Een ander thema is de ontluikende biseksualiteit, waarvan de lyrische ik zich langzaam bewust wordt, tegelijk met zijn besef van ‘wokeness’, een politieke term van Afro-Amerikaanse oorsprong met betrekking op sociale en raciale rechtvaardigheid. Seksualiteit en rechtvaardigheid worden ingezet als ‘rage against the machine’, de machine waartoe de maatschappij verworden is. Het eerste gedicht van de bundel liep daarop al vooruit: Contract tussen man en jongen legt in kille zakelijke termen de overeenkomst tot aanranding vast, waarmee een jongen zich verplicht zich te laten betasten door een man: ‘de jongen verbindt zich gezond te worden / met uitzondering van wat hij schrijft’.
    Aanranding en geweld, verzakelijking en onmenselijkheid zijn ondanks alles niet in staat gevoel, liefde en individualiteit te onderdrukken.

     

  • Een spoor trekkend door de geheimtaal van kreupelhout

    Een spoor trekkend door de geheimtaal van kreupelhout

    In Kreupelhout van de Duitse schrijver, dichter en vertaler Esther Kinsky (1956), reist een naamloze vrouw twee maanden na het overlijden van haar partner M, door Noord-Italië. Het is winter en guur, geen klimaat om toeristen te verwelkomen. De mensen zijn evenmin uitnodigend, want nog maar koud in Italië aangekomen, worden uit haar auto twee koffers gestolen. In een koffer zaten kledingstukken die M. tot kort voor zijn dood gedragen had. Ze waren niet enkel als aandenken meegenomen, maar ook om zelf te dragen. M. ontvalt haar hierdoor voor een tweede maal. De vrouw maakt wandelingen vanuit Olevano Romano, uitstapjes naar plaatsjes in de buurt. Ze neemt het landschap in zich op, verkent de omgeving en de bedrijvigheid van de mensen en doet daarvan in de eerste persoon verslag. Er worden kerkhoven bezocht, waar ze de namen op de graven leest. Ze voelt een speciale verbondenheid met een vrouw die kort voor haar vader werd geboren en in 1979 in een koude winter in Londen stierf; een periode dat ook zijzelf in Londen verbleef.

    Terreinroman in drie delen

    Kreupelhout is een door de auteur zelf benoemde ‘terreinroman’, waarin het terrein niet alleen plaats van handeling is, maar ook als handelingsbekwaam opereert. De naamloze vrouw verkent het terrein en tracht zich er persoonlijk toe te verhouden om langzaam de controle over zichzelf te heroveren. Af en toe wordt een klein succesje geboekt: ‘Olevano gooide naar alle kanten lijnen van verbondenheid uit.’ Zeker als de lente doorbreekt: ‘Het landschap veranderde van blauw in groen. Langs de kant van de weg verschenen bloemen, zachtpaarse lipbloemigen en stervormige witte bloemen die ik niet kende.’ 

    Het boek bestaat uit drie delen, die elk weer uit korte hoofdstukken bestaan. Het middenstuk is gewijd  aan haar overleden vader en schetst een serie jeugdherinneringen aan vakanties naar Italië, waarheen de vader het gezin mee op sleeptouw nam. De toon hierin is mild. Alle drie delen kenmerken zich door gedetailleerde en aandachtige beschrijvingen zonder dat het boek een overvolle indruk maakt. Een compliment voor een boek waarin de hoofdrol voor een toch wel onbeduidende omgeving is weggelegd. Kinsky’s schrijfstijl is gedreven door dichterlijke observaties die ruimte biedt aan minder voor de hand liggende details als: ‘Ik werd duizelig van het kijken naar dat uitgebreide gebied, dat zich bloot gaf en tegelijk zo onbegrijpelijk voor me bleef. Een hobbelig terrein dat een ongedurige indruk maakte, doordat het er van elke kant weer anders uitzag.’ Een aangename stijl die elementair blijft. Al wordt van de lezer wel een zekere concentratie gevraagd.

    Geheimtaal van de bomen

    Het verhaal begint met een beschrijving van een kaarsen ritueel in de Roemeense kerk: links branden de kaarsen voor de levenden, de vií, rechts voor de doden, de mortí. In een film zag ze ooit hoe iemand een kaars voor de levende van links, naar de kaarsen voor de doden, rechts verplaatste. Het ritueel ontroerde haar vanwege de ‘eenvoud’. Toen was haar partner nog niet overleden. Nu weet ze : ‘Afwezigheid is ondenkbaar zolang er nog aanwezigheid is.’ De betekenis van het ritueel en daarmee de onwrikbare overzichtelijkheid, contrasteert met de  wereld van alledag. Het motto van Wittgenstein dat Kinsky aan deze terreinroman meegaf, wringt zich hier tussen: ‘Heeft het zin om naar een groepje bomen te wijzen en te vragen: “Begrijp jij wat er met dat groepje wordt bedoeld?” Over het algemeen niet; maar zou je met de manier waarop bomen gegroepeerd zijn geen betekenis kunnen uitdrukken, zou het geen geheimtaal kunnen zijn?’

    De feitelijke wereld lijkt op het eerste gezicht niet aan intrinsieke betekenis te doen. Aan nabestaanden presenteert de wereld zich anders dan aan mensen die geen dierbare verloren hebben. De verteller zoekt haar heil niet in de schijnwereld van het ritueel, maar verkent haar eigen spoor. In het aardse. Alledaagse geluiden, gewone gebeurtenissen die zelden of nooit te boek worden gesteld, maken hier hun opwachting. Geknetter van bromfietsen, houtzagerslawaai, schoten van jagers en andere idylle verstorende geluiden weerklinken in dit proza. 

    Band met overledenen

    In het tweede deel, dat de overleden vader portretteert, wordt duidelijk dat haar toewijding aan kerkhoven en graven, aan sporen en restanten niet van een vreemde komt. Haar eigenzinnige en zwijgzame vader was altijd op zoek naar  sporen van de Etrusken. ‘Boeken over Etruskische vindplaatsen stapelden zich op zijn bureau op en het woord ‘necropoli’ maakte tijdens de vakanties in Italië deel uit van het dagelijks vocabulaire.’ De verteller leert al jong op kerkhoven tussen graven van vreemden te staan en dat je er zelfs een band mee kunt opbouwen. Opmerkelijk is dat de overleden vader  meer aandacht krijgt dan de overleden partner. Die duikt af en toe op in een droom, maar komt er verder bekaaid van af. Haar vader liet zich in zijn nadagen als Italiëgids inhuren. Hij bezat ‘deskundigheid op het gebied van de kleur blauw en zijn daarmee samenhangende liefde voor de schilderingen van Fra Angelico’. De verteller had het voornemen haar vader daar bij gelegenheid  naar te vragen, maar het is er niet meer van gekomen, hij overlijdt. Aan het einde van het boek heeft de verteller een gelegenheid gevonden dit verzuim alsnog te compenseren.

    Vitale gelatenheid

    Op de laatste dag van haar verblijf in Italië maakt ze bij wijze van ‘plichtsbetrachting’ een uitstapje naar Ravenna vanwege een schilderij van Fra Angelico van een rouwtafereel. Ze staat oog in oog  met het interessegebied van haar vader: het blauw van Fra Angelico. Een schamel driehoekje lucht aan de bovenkant, bijna als toegift door de kunstenaar aangebracht. ‘De hulpeloosheid van de nabestaanden tegenover het dode lichaam komt op dit schilderij tot uitdrukking. (…) Het is een beeld van rouw, waarop de blauwe driehoek boven de torens en muren van de kloosterhof niemand op het schilderij opvalt en voor niemand iets betekent, hij hangt als een kleine plichtsbetrachting boven aan de rand, de kostbare lapis lazuliis voor niets met veel moeite gewonnen en fijngestampt, hij strekt de nabestaanden op geen enkele wijze tot troost.’ 

    Daarmee eindigt dit eigenzinnige boek. Gelijk het bewerkelijke blauw van Fra Angelico is ook dit boek van Esther Kinsky, waarin een inferieure streek van Italië met zoveel aanstekelijke aandacht is belicht. Er zit wellicht geen diepere betekenis achter, maar wie er voor openstaat, zal wel degelijk enige betekenis hieruit halen. Mag Kreupelhout dan niet direct tot troost strekken, het maakt allerminst een troosteloze of klagende indruk. Veeleer spreidt het een vitaal soort gelatenheid tentoon. Trek je eigen spoor door de geheimtaal van het kreupelhout en merk dat het ontcijferend werkt en dat zo’n spoor uit zichzelf betekenis krijgt. Het lezen van Kreupelhout zal zeker een spoor bij alle lezers achterlaten.

     

  • Ruzie kan altijd nog

    Ruzie kan altijd nog

    De wind buldert rond het huis en ik luister naar radiointerviews van Ischa Meijer. Dat hij vijfentwintig jaar geleden overleed wordt groots herdacht. Ik haal zijn boeken uit de kast. Lees De handzame, zijn interviews, blader door De Dikke Man columns. Luister naar degenen die hem gekend hebben. Ieder denkt te weten waarom Ischa was, zoals hij was. In de jaren negentig kwam ik wel eens in café Eik & Linde, waar ‘Een dik uur Ischa’ werd opgenomen. Tussen de gesprekken door, als de band speelde, zat hij doodgemoedereerd achter een tafeltje (flink) in zijn neus te peuteren. Ischa is een verslaving. Hoe meer ik over hem lees en naar hem luister, hoe dichter ik kom bij iets dat mijzelf raakt. Het heeft te maken met een steeds veranderen van richting, niets mag ooit gewoon worden. De gedrevenheid waarmee hij alles deed, Het is om gek van te worden.

    Ik moet er even uit en neem de bus naar Winterswijk met De zoete inval van L.H. Wiener op zak. 

    L.H. Wiener woont in een appartementencomplex aan het Spaarne, met vloerverwarming, een groot bad waar hij niet uit kan komen als hij erin zou gaan, en met ‘zo’n gluiperig kijkglaasje’ in zijn drie meter hoge voordeur, schrijft hij aan A.L. Snijders in een brief die in de bundel is opgenomen. Net als de (poste restante) brief die hij aan F. Starik schreef. De ene dag bezocht hij met F. Starik een kroeg, de dag daarop schreef hij hem een brief: met ‘een goed gevoel’ terugkijkend op hun cafébezoek. Rekent Starik tot een ‘bevriende mogendheid’. ‘Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen aanleiding.’ De brief eindigt met, ‘Blijf gezond, dat is gewoon het beste.’ Ruzie zouden ze nooit krijgen, Starik overleed de avond dat Wiener de brief verzond. ‘Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.’ 

    Wiener: ‘Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd. / Fantasie speelt geen rol. Verzinnen kan men alles wel. / Vormgeven is de kunst.’
    Ik denk te weten hoe de vork in de steel zit, zijn verhalen zeer eenvoudig zijn, maar kom bedrogen uit.
    Lees dit verhaal, waarin de schrijver een buizerd voor dood op straat vindt. In een vogelhospitaal herstelt de vogel, wordt vrijgelaten in de duinen. Wiener gaat er kijken, in de hoop een glimp van de buizerd op te vangen. Dan wordt het verhaal van een vrij droge vertelling, vederlicht. Er komt een buizerd  op hem af, landt op zijn schouders, richt over  zijn hoofd heen de snavel naar zijn gelaat. Ze kijken elkaar aan. Dan verdwijnt de buizerd. ‘Zo staat het nu geschreven. / En zo is het dus gebeurd. / Voor altijd.’
    Kijk, dit is prachtig, en ik geloof het maar al te graag.

    Ik lees graag verhalen van schrijvers waarvan je amper iets verneemt buiten hun verhalen om. Dat is wel zo rustig. Hoewel ik hier moet oppassen dat de verhalen van Wiener, zoals Snijders met zijn zkv’s, niet verslavend gaan werken. Een beetje ruimte is geboden.

     

    De zoete inval (verhalen) / L.H. Wiener / Uitgeverij Pluim


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Oogst week 50 -2019

    Zon

    ‘Als ik in het donker wacht
    houd ik een zakdoek aan mijn mond
    om mij ervan te vergewissen dat ik bloed
    want enkel wie kan bloeden kan ook dromen.’

    Het zijn de eerste regels van het openingsgedicht van Peter Verhelst in zijn nieuwe bundel Zon. Verhelst heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan aan poëzie, proza en theaterteksten en kijkt thuis uit op een indrukwekkende prijzenkast. Zon gaat over begeerte, eenzaamheid en verlies in apocalyptische tijden: ‘De zon is prachtig en mededogenloos’, zei hij in een interview op de Belgische radio, waaraan hij zijn kwaadheid toevoegde over de klimaatconferentie in Madrid: ‘ik probeer boven mijn kotsgeluid uit te komen (…) Mijn woede wordt te groot’. Een woede die in Zon meeklinkt als Verhelst bijvoorbeeld teksten van Bart de Wever verwerkt.

    Zon
    Auteur: Peter Verhelst
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    Het gewicht van de woorden

    De Zwitserse filosoof Peter Bieri schrijft romans onder het pseudoniem Pascal Mercier. Zijn Nachttrein naar Lissabon uit 2004 was zijn definitieve doorbraak in Nederland. Het werd in 2013 verfilmd en een jaar later liep in Nederland een theaterproductie naar de roman. Geeft de 57-jarige Gregorius in Nachttrein plotseling zijn oude leven in Bern op om in Portugal het leven van de arts Prado te onderzoeken, in zijn nieuwste roman Het gewicht van de woorden lijkt de inzet vergelijkbaar. Nu gaat het om de zestiger Simon Leyland die nog maar kort te leven heeft en besluit zijn uitgeverij in Triëst achter te laten om terug te gaan naar Londen waar hij in de vroegere brieven aan zijn vrouw duikt. De roman begint met een motto van de Portugese schrijver Pedro Vasco de Almeida Prado (een ander dan de fictieve Prado uit Nachttrein): ‘…als je de juiste woorden vindt, is het alsof je wakker wordt bij jezelf, er ontstaat een nieuwe tijd: het heden van de poëzie’.

    Het gewicht van de woorden
    Auteur: Pascal Mercier
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De Warnow

    Een man, een schip, een droom is de veelzeggende ondertitel van De Warnow. NRC-journalist Hans Steketee deed in 2013 in zijn krant verslag van de zoektocht naar een gammele loodsboot waarop schipper Arnoud Brinkman met onder andere zijn vriendin Tirza via Schotland naar Noorwegen was vertrokken om daar het Noorderlicht te zien. Ze werden in een storm nog maar net gered. Er ontstonden felle discussies die er toe leidden dat een aantal opvarenden aan wal ging. Maar Brinkman besloot door te gaan. Zijn schip raakte vermist.
    Steketee besloot dieper in het leven van de schipper te duiken in een mengeling van verbazing over diens roekeloosheid en bewondering voor de overgave aan avontuur en kameraadschap. De Warnow is een spannend verslag geworden van een onderzoek naar wie Brinkman was en naar wat er gebeurd kan zijn met zijn boot.

    De Warnow
    Auteur: Hans Steketee
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Weinig dichters verraden zich  na een paar regels. Al heb je voor het raden van dichters als Armando, Kouwenaar of Faverey  niet veel nodig. Sinds de bundel Nog een grap uit 2014 heeft Nachoem Wijnberg (1961) zich ook in dit groepje geschaard, met de voor hem zo karakteristiek geworden vragende vorm. Niet dat hij er voorspelbaar op geworden is. Integendeel, juist in zijn latere bundels verkent Wijnberg iedere keer een nieuw onderwerp dat hij vragenderwijs analyseert. In zijn negentiende en nieuwste bundel Afscheidswedstrijd waagt de dichter zich op en rond het voetbalveld. Een aantal gedichten van deze P.C. Hooftprijslaureaat beleefde een voorpublicatie in het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras. Het leverde hem een blurb op van niemand minder dan Henk Spaan.

    Meer afscheid dan wedstrijd

    In Afscheidswedstrijd worden geen hijgerige odes geserveerd aan vedettes die met hun wonderschone en legendarische doelpunten een staat van onsterfelijkheid verwierven. Er worden geen sport-filosofische inzichten ontvouwd. Wat dat aangaat is het meer ‘afscheid’ dan ‘wedstrijd’. Een greep uit de motieven die wél worden aangesneden: wachten, oefenen, verliezen, of beter gezegd: niet willen winnen, verguisd worden, laatste worden, niet kunnen kiezen, niet gekozen worden. Wijnberg hanteert vaak de comparatief en superlatief en speelt zo tegenstellingen tegen elkaar uit: ‘Enkel in de donkerste nacht zag je makkelijk / zo weinig als alle anderen samen’. Er wordt veel in extremen gedacht, met bijpassende woorden als: eerste, laatste, niemand, geen, niet, meer, minder. Het wemelt daarbij van bijwoordelijke bijzinnen en uitweidende vergelijkingen.

    De zinnen springen van het ene onderwerp naar het andere. Wijnberg is een denkende dichter, die voortdurend schakelt tussen de probleemstellingen om vat op de materie te krijgen. En dat in een consequent volgehouden parlandostijl maakt dat dit alles leest alsof je iemand hardop hoort denken. ‘Je wilde / dat je pas over je hoort dat je een minder goede verliezer bent dan iemand dacht / wanneer je niets meer te verliezen hebt.’
    Alles in de je-vorm, alsof er geen ontkomen aan is. Maar wel met de dichterlijke pen in de aanslag, om de zin een wending te geven die de schoonheid van het denken dient: ‘jullie kregen net zoveel kansen als jullie tegenstanders / van die dag om te doen waardoor de wereld dichterbij gebracht was waarin jullie / één kans meer gehad hadden.’

    Melancholische ondertoon

    Er zijn veel variaties op het thema ‘voetballen voor verliezers’ want een sukkel is de je-persoon in kwestie zeker. In de meeste gedichten schuilt een schlemielige vorm van humor met een melancholische ondertoon, die niet zelden ontroert: ‘En als jullie zeggen, / wijs maar een van ons aan / laat ik dat liever doen door een geblinddoekt kind (ik zou eerst om een vrouw vragen, / dan om een blinde, dan om een kind van wie de ouders toestemming gaven dat het geblinddoekt werd)’. In een gedicht waarin zowaar sprake is van winst, wordt champagne geserveerd: ‘Champagne in een koeler / midden in de kleedkamer. Eén glas voor iedereen? De wisselspelers die niet dachten // dat ze nog in het veld zouden komen zijn al weg en de anderen douchen liever thuis. Willen ze niet meer / naakt gezien worden? Word je daar bedroefd over / om het ergens anders / niet over te zijn?’ Dat elders ook weer champagne opduikt schept een zekere samenhang tussen de gedichten, die verder niet gegroepeerd en zonder inhoudsopgave in deze bundel zijn ondergebracht.

    Als hoogleraar economie van beroep kent Nachoem Wijnberg de waarde van uitstel van behoeftebevrediging als geen ander. Als dichter keert hij het begrip binnenste buiten. ‘Het is er een die zegt, laat mij, / voor de verandering, één keer krijgen wat ik nog niet kan zeggen dat ik wil hebben.’
    Met een motief als schaarste kan hij ook goed uit de voeten, zoals bijvoorbeeld in Om te lezen:

    ‘De volgende keer geef ik je een boek mee en je kan het uitlezen
    voordat je het doorgeeft of zou je dan bang worden
    dat er op een dag geen boeken meer zijn die je nog kan lezen? Zoals
    wanneer je in een bibliotheek loopt

    en alle boeken die je ziet heb je al gelezen
    en je vraagt of er niet nóg een deel
    van de bibliotheek is
    voor wie ouder dan jij is.’

    Bedwelmende gedichten

    Een fijn netwerk van vragen spreidt zich uit over deze gedichten , die daarmee iets bedwelmends krijgen. Zeker wanneer men bedenkt dat de meeste gedichten paginavullend zijn en in vaste formaties van vier strofen, 105 pagina’s lang over het papier waaieren. De gedichten lijken ‘aus einem Guss’ opgeschreven, al verkondigde Wijnberg ooit dat zijn poëzie vele kladstadia kent. Het leest in ieder geval alsof het allemaal  makkelijk is geschreven. Hierin lijkt zijn poëzie op het echte voetbal, waarin wat eenvoudig oogt, het moeilijkst te spelen is. Het associatieve in deze gedichten zie je als het ware onder je ogen plaatsvinden, als in De opstelling:

    ‘Of je nog opgesteld wordt of niet
    (of je ongesteld wordt of niet, omdat je het oneerlijk vond dat alleen meisjes dat mochten zeggen,
    wat de gymleraar bozer maakte dan wat je verder zei om niet mee te hoeven doen)
    en als de trainer je zegt buiten het veld te gaan zitten

    is dat ook een deel van de opstelling, want zoals op de lagere school tegen je gezegd werd
    wanneer de rest van de klas ging zingen,
    het enige wat samen gedaan werd, een of twee keer per jaar, er moet ook iemand luisteren
    en jij bent vandaag de luisteraar (…)’

    Overdaad schaadt niet

    Wijnbergs stijl behoeft een zekere overdaad om tot bloei te komen. Deze gedichten hebben verhalende aanzetjes nodig om het ontregelende, het vervreemdende te kunnen schragen. Je kunt als lezer gegrepen worden door zinnen als ‘maar je speelt toch tegen de hemel aan de kant van de aarde?’ Of wrevelig vaststellen dat het nergens naartoe gaat. Maar in deze poëzie gaat het vooral om waar gedachten, als in een schijnbeweging, haast terloops in gedichten overgaan. Vragenderwijs denken als sparring partner van poëzie. Dwingt Wijnbergs manier van dichten zulke ontregelende vragen af? Of woelen deze vragen poëtische lagen bloot?
    Dat Wijnbergs poëzie voor moeilijk wordt versleten is eigenlijk een groter raadsel dan zijn poëzie zelf. Het is niet het soort dat lezers op het verkeerde been zet. In wezen vraagt ze de bereidheid om op een vraag niet met een antwoord, maar met een andere vraag genoegen te nemen.

    Zinnen die willen schitteren

    Dat deze gedichten niet langer dan een pagina zijn, is een beperking die zijn poëzie ten goede komt. In zijn zeer uitgedijde bundel Van groot belang uit 2015 overspeelde de wetenschapper Wijnberg hier en daar zijn dichterlijke hand met al te wijdlopige gedachtestromen, waaraan het belang van de poëzie ondergeschikt leek. Iets ouderwets Wijnbergiaans zit nog in enkele langere titels van gedichten als Het mooiste verlies waarover je weet of Als er iemand anders geweest was had je zijn beide benen kunnen breken. Verreweg de meeste gedichten hebben beduidend kortere titels en een meerderheid daarvan heet gewoon Afscheidswedstrijd. Heel treffend voor een bundel waarin ieder gedicht voor typerend door kan gaan.

    In ieder gedicht schuilen zinnen die willen schitteren. Sommige lukt dat beter dan andere. ‘Hoe maak je een afscheid / zo groot als een juweel dat je probeert in te slikken als het al te laat is om / weg te lopen?’ levert niet echt een schitterend beeld op. Maar daar staat een waarlijk juweeltje van een wandtegelwijsheid tegenover: ‘Wie zegt, je hebt maar één leven, // moet lang hebben zitten tellen.’ En daarmee maakt deze dichter op overtuigende wijze het winnende doelpunt!

     

  • Oogst week 40 – 2019

    Hogere natuurkunde

    Hogere natuurkunde is de vierde dichtbundel van Ellen Deckwitz. Het thema is de doorwerking van ervaringen in Jappenkampen in Indië op de tweede en derde generatie. Deckwitz’ oma Koos deelde die ervaringen met Ellen, maar nauwelijks met anderen. Ze bespaarde haar kleindochter daarbij de gruwelijke details niet. Na oma’s dood in 2014 ontdekte Ellen dat zij alleen stond met die verhalen en ging ze op zoek naar andere nakomelingen van gevangenen uit de Jappenkampen. ‘Je zult moeten leren verdragen wat in je zit’, zegt ze in NRC Handelsblad. Therapie biedt geen oplossing. Het schrijven aan Hogere natuurkunde hielp haar wel. Op 29 september sprak ze over haar bundel in VPRO Boeken.

    Hogere natuurkunde
    Auteur: Ellen Deckwitz
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Dorsmans dood

    Mieke Smilde is rechtbankjournalist. In haar tweede roman, Dorsmans dood, beweegt ze zich volledig op haar vakgebied. Ze roept vragen op over de invloed van publiek en media op de waarheidsvinding in rechterlijke oordelen, maar ook over wat iemands afkomst betekent voor zijn latere werk. Rechter Pieter Coorn, van oorsprong een Rotterdamse stadsjongen, moet in hoger beroep beoordelen of een Bulgaarse verdachte inderdaad Esther Dorman heeft vermoord. Hij stelt nogal wat fouten vast die de familie en de pers liever niet horen. Ook met Miek Smilde is een interview te beluisteren in VPRO Boeken, op 22 september.

    Dorsmans dood
    Auteur: Miek Smilde
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaderliefde

    Het veelzijdige oeuvre van P.F. Thomése (De weldoener, De onderwaterzwemmer en de bijna burleske J. Kesselsromans) kende tot nu geen werk dat zo autobiografisch was als Schaduwkind (over de dood van zijn dochtertje Isa), ook al draagt Nergensman uit 2009 de ondertitel ‘Autobiografieën’. Daar is nu Vaderliefde aan toegevoegd. Hij schreef het na de dood van zijn beide ouders. Het verhaal gaat over veel meer dan zijn vader. Aan de hand van brieven, nagelaten spullen en persoonlijke herinneringen construeert hij zijn familiegeschiedenis tot ver terug, met aan het slot de vraag hoe hij zelf als vader in die geschiedenis zal worden opgenomen.
    Op 6 oktober zal Thomése in VPRO Boeken te gast zijn over Vaderliefde.

    Vaderliefde
    Auteur: P.F. Thomése
    Uitgeverij: Prometheus
  • Alle vogels kunnen maar niet de kraai of de specht

    Alle vogels kunnen maar niet de kraai of de specht

    A.H.J. Dautzenberg is sinds augustus van dit jaar de negende stadsdichter van Tilburg. Hij heeft zich tot taak gesteld om in die functie binnen twee jaar 24 gedichten te schrijven, een per maand. Kunstenaars die ook betrokken zijn bij Tilburg zullen deze gedichten omzetten naar andere disciplines in de kunst, bijvoorbeeld een lied, een film, een dansvoorstelling of een animatie. Hiermee geeft Dautzenberg al aan dat een gedicht niet op zichzelf staat, maar raakvlakken heeft met andere kunstuitingen. Op de website ‘De Tao van de T’ waarop al deze kunstvormen die zijn gedichten tot uitdrukking brengen, geplaatst zullen worden, heeft hij het motto van de experimentele dichter Antony Kok (1882-1969), medeoprichter van De Stijl, als leidraad genomen: ‘Het woord is machteloos. Wij willen met alle middelen die ons ten dienste staan: syntaxis, prosodie, typografie, arithmetica, orthografie, het woord een nieuwe betekenis en een nieuwe uitdrukkingskracht geven.’

    Omgevingsgeluiden

    De bundel Niet het krassen van de kraai volgt dit motto: het zijn experimentele gedichten, bestaande uit een verzameling letters die klanken moeten verbeelden. Termen als typografische gedichten, concrete poëzie, beeldpoëzie en visuele poëzie dienen zich daarbij  aan. In een nawoord geeft de dichter uitleg: hij lijdt al enige jaren aan tinnitus, het waarnemen van een piep, brom, fluit, suis of ander geluid in het hoofd of in de oren zonder dat er een externe geluidsbron aanwezig is. Dit kan zulke vreselijke vormen aannemen, dat Dautzenberg spreekt van ‘auditieve kanker’. Met omgevingsgeluiden probeert hij de tinnitus te dempen, maar als dat niet meer lukt, probeert hij het lawaai in zijn hoofd te sturen door zich in te beelden dat een roodborstje zingt, in de hoop dat de tinnitus het ritme en de melodie oppakt. Een andere vogel is ook goed, maar niet de kraai of de specht, omdat de geluiden die zij maken te veel lijken op die van de tinnitus.

    Inspiratiebron Hanlo

    Als sleutelgedicht voor deze ‘tinnitusgedichten’ heeft Dautzenberg gekozen voor het bekende Turdus viscivorus van Jan Hanlo, waarin de dichter een lied fluit dat hij probeert te laten lijken op de zang van de grote lijster. Maar niet alleen dit gedicht van Hanlo is toepasselijk: ook Oote oote boe en vooral De mus lijken een inspiratiebron te hebben gevormd.

    De eerste afdeling van de bundel bestaat op de eerste bladzijde uit 15 regels alleen de letter u: op de daaropvolgende pagina’s schuift in de middelste regel de u steeds een aantal plaatsen naar rechts op, totdat zes verzen later de regel geheel verdwenen is, om dan tenslotte de opgeschoven u te laten uitwaaieren in een wolk van combinaties van letters.

    Uitlopende klanken

    De tweede afdeling toont in het eerste gedicht de letters e, j en i in een grillig patroon van stijgen en dalen, als een grafiek die aangeeft hoe de klanken verlopen. De sterkte zwelt aan en neemt af in een onregelmatig ritme. Het ziet er grappig uit en irritant tegelijk, maar geeft wel een idee van wat er zich afspeelt in het hoofd van de dichter. Als dit in klank wordt omgezet, zou het een mens tot waanzin drijven.

    De klanken en losse letters kronkelen over de rechterpagina ( de linker pagina is consequent leeg gelaten) en trekken een spoor zonder een aanwijsbaar voorgenomen plan.

    De tweede en derde afdeling van de bundel zien er speels uit: de dichter wisselt vormen en klanken af en rangschikt de geluiden op verschillende manieren, die een beschrijving ervan moeilijk maken.

    In de vierde afdeling is het alleen de lettercombinatie ng die hardnekkig aanwezig is in negen gedichten, maar die uiteindelijk toch vervaagt, net als de terugkerende u in de vijfde en laatste afdeling.

    Wie bepaalt wat poëzie is

    Het is gemakkelijk om deze bundel af te serveren als een grap. Maar er is veel aandacht besteed aan de uiterlijke vormgeving; de bundel is bovendien verschenen in een beperkte oplage van vijfhonderd exemplaren, genummerd en gesigneerd door de auteur. Als het alleen om een lachertje te doen was, zou dat al te veel eer zijn. Weliswaar is de dichter provocerend te werk gegaan, met bravoure en ironie, maar tegelijkertijd werpt hij opnieuw de aloude vraag op wat poëzie precies inhoudt en hoe een definitie vastgesteld zou moeten worden. En vooral: wie dat bepaalt.

    Invoelbaar en geloofwaardig

    Dautzenberg houdt zich in deze bundel strikt aan zijn eigen poëtica: hij toont in de gedichten de machteloosheid van het woord als het er om gaat om weer te geven hoe een lijder aan tinnitus zich voelt. Of hij daarin geslaagd is, valt moeilijk te beoordelen. Maar wie zich probeert voor te stellen hoe de gedichten zouden klinken en daarbij toonhoogte en volume stelselmatig afwisselt tijdens het hardop lezen, komt waarschijnlijk dichter bij de ervaring van lijders aan tinnitus dan op welke andere manier dan ook. De website Medisch Contact besteedde in ieder geval aandacht aan de bundel.

    Nog mooier zou het zijn als de dichter zelf een voordracht zou geven en zijn gedichten zou verklanken zoals hij ze hoort in zijn hoofd. Dan zou hij niet alleen beantwoorden aan de vermenging van kunsten, zoals hij die zelf voorstaat, maar bovendien krijgt de lezer dan een expressieve interpretatie van de gedichten uit de eerste hand, zoals hij die zelf nooit had kunnen bedenken.

     

  • Oogst week 37

    Flessenpost uit Reykjavik

    Drie Nederlandse auteurs in de oogst van deze week, een schelmenroman, een reflectie op een leven als immigrant in IJsland en een poëziebundel, ontstaan in de strijd tegen tinnitus.

    Laura Broekhuysen (1983) studeerde viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar met schrijven was ze er al vroeg bij. In de laatste jaren van haar VWO opleiding schreef ze een jeugdboek Zand erover (Lemniscaat 2002). In 2014 verhuisde ze met man en kind naar IJsland waar ze het schrijven weer oppakte. Flessenpost uit Reykjavik is haar vierde boek, een reflectie op haar immigrant zijn, haar drietalige huishouden, op het pendelen tussen fjord en stad – en op het achtergelaten Nederland, dat naarmate de tijd verstrijkt steeds meer op een verhaal gaat lijken en IJsland de enige realiteit is want, ‘Het lastigste van IJsland is dat je er niet meer weg wilt als je er eenmaal woont,’schrijft ze in haar boek. Binnenkort de recensie!

    Flessenpost uit Reykjavik
    Auteur: Laura Broekhuysen
    Uitgeverij: Querido

    De heilige

    Twaalf jaar geleden was Martin Michael Driessen (1954) nog regisseur, dertig jaar werkte hij voor Duitse theaters en regisseerde vele toneel- en operavoorstellingen. Toen koos hij ervoor zich te settelen in Nederland, voor het isolement van Puttershoek om zich meer (in 1999 verscheen zijn eerste roman Gars al) op het schrijven te gaan richten. De heilige is zijn achtste roman en draagt als ondertitel Een schelmenroman.

    Over Donatien, geboren in het jaar van de Franse Revolutie en de verteller van deze roman. Hij leeft in de tijd van Victor Hugo, die hij ook ontmoet. Hij helpt bij het opstellen van de Schaal van Beaufort en rondt Kaap Hoorn tijdens een krankzinnige expeditie. Als struikrover maakt hij de Vogezen onveilig en wordt aanbeden door mannen en vrouwen
    Zijn persoonlijkheid is net zo veranderlijk als zijn moralistische instelling. Dan weer heet hij Donatien, dan weer Donatienne, en ten slotte Dieudonné. Uiteindelijk zal hij de geschiedenis ingaan als de heilige Dieudonné van Metz.

     

    De heilige
    Auteur: Martin Michael Driessen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Niet het krassen van de kraai

    A.H.J. Dautzenberg lijdt aan tinnitus en noemt dit zelf: auditieve kanker. Meestal kan hij het kabaal in zijn kop redelijk verdragen, maar soms wordt hij nagenoeg gek van de nucleaire ruisgeluiden. Het is een steeds weer zoeken naar een manier om hiermee om te kunnen gaan. Tijdens een snorkelvakantie op het stille eiland Gozo kreeg hij echter een lumineus idee. ‘Wanneer ik weer eens opgesloten zit in een knipperende tl-lamp, een slijpende tandartsboor of een piepende remschijf probeer ik het atonale lawaai enige lyriek en schwung mee te geven, een cantabile melodie.’
    Dautzenberg keerde van het eiland terug met een bundel tinnitusgedichten. Waarmee hij zijn binnenwereld een beetje bewoonbaar houdt. Een bespreking van deze bundel is binnenkort te verwachten.

     

    Niet het krassen van de kraai
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Mooie en relevante roman

    Mooie en relevante roman

    Hanna Bervoets’ Welkom in het rijk der zieken gaat over een man die getroffen is door Q-koorts wat hem permanente pijn en vermoeidheid bezorgt. De vragen die deze roman stelt zijn onder meer: hoe ga je ergens mee om waar geen oplossing voor is en hoe verdraag je andermans onbegrip?  Hoe moet je aankijken tegen behandelaars die zeggen dat er geen remedie is, dat je je toevlucht moet zoeken tot cognitieve therapie om met de klachten te leren omgaan. Wat heb je er aan als je leven een permanente wortelkanaalbehandeling is en men tegen je zegt dat het op den duur gaat wennen. Mensen met chronische pijn zijn bang om als vervelende klagers te worden gezien, die je maar vooral zou moeten mijden. Ze zijn niet gezellig. Men wil niet op jonge leeftijd tot het archetype van een klagende oma in een verzorgingstehuis worden.

    Hanna Bervoets (1984) schrijft over de reden waarom de vriendin van de hoofdfiguur hem verlaten heeft: ‘Had Nora doorgehad dat je haar niet echt omarmde, dat jij je eerder aan haar vastklampte? En had je niet beter je best moeten doen dat te verbergen, had je vrolijker moeten wezen, had je tijdens haar vaders verjaardag niet zo met je been moeten slepen, je symptomen moeten verbloemen in plaats van ze aan te zetten- ad deed je dat laatste ook weer niet zo vaag, toch?’

    De keuze van Bervoets om het verhaal in de je-vorm te vertellen is een gelukkige. Het voedt de empathie van de lezer die hierdoor wordt gedwongen zich in te leven. Je voel iets van de ontreddering van iemand die niet meer het leven kan leiden dat eens geleefd werd. Ook de vlucht van het hoofdpersonage naar een parallelle wereld is invoelbaar; waar moet je anders naartoe als je wordt omgeven door onbegrip? Maar begrip vindt hij ook niet in dit vreugdeloze universum. Het is geen escapisme naar een tropisch eiland of iets dergelijks, eerder naar een soort hel.

    Welkom in het rijk der zieken heeft een thematiek die niet vaak is uitgewerkt in romans. De tekst maakt invoelbaar hoe het leven met een ongeneeslijke ziekte die niet kan worden teruggedrongen, is. Bervoets, die zelf een chronische pijnziekte heeft, maakt duidelijk dat een ziekte met een duidelijke uitkomst – dood of genezing – in zeker opzicht te prefereren is boven een niet te genezen aandoening omdat de omgeving dan duidelijkheid heeft. Bij beide uitkomsten stopt de zieke met klagen, terwijl bij pijnziekten het klagen maar doorgaat. Bervoets: ‘het personage wordt ziek, hij schrikt, hij lijdt, en dan wordt hij beter, of niet. En wordt hij niet meer beter, dan sterft hij, met al zijn dierbaren om zijn bed, iedereen verdrietig maar allerlei verrijkende levensinzichten rijker.’ De stijl van Bervoets – die in tien jaar tijd zeven romans en vele columns schreef – is sober en geheel passend bij de thematiek. Een mooi en relevant boek.

     

  • Tussenman

    Tussenman

    Dimitri Verhulst schreef over de verhouding van een eenzame man met een jonge weduwe. Het speelt aan een groot meer. Dat het in Zweden is, hoorde ik in een interview met de schrijver, die ooit voor de liefde daarheen verhuisde. De liefde ging, de schrijver bleef, tot hij  weer naar België verhuisde, naar Gent om precies te zijn. De schrijver wisselt, net als de Mattis in zijn roman even vaak van geliefde als van woonstee. De schrijver en Mattis kruisen elkaars paden in De pruimenpluk, een roman over je terugtrekken uit de wereld. En waarin eenzaamheid het denken over vergankelijkheid aanspoort.

    Jeroen Brouwers is niet ver weg in deze roman. Het allenig leven in het blauwe huis aan het meer, roept de sfeer op van huize Krekelbos te Rijmenan, waar Brouwers in de jaren zeventig zijn schrijverscarrière grondde. De hang naar zelfvernietiging. De lege drankflessen – door Brouwers aan de takken van een boom in het Krekelbos gehangen zodat de wind er klingelende geluiden mee voort zou brengen – verwacht je elk moment rond het huis aan het meer te zullen aantreffen. Maar Mattis drinkt wijn uit kartonnen pakken, leeft van diepvriesmaaltijden en wordt ‘tussenman’ van weduwe Elma.

    Een bijvrouw is een soort bijzaak voor een man, vaak omwille van de voortplanting. Er is het Bijbelverhaal waarin Sara haar man, Abraham de slavin Hagar schenkt als bijvrouw. Omdat Sara onvruchtbaar is en zij haar man een erfgenaam wil bezorgen. Een bijman bestaat niet; onvruchtbaarheid werd toegedicht aan het vrouwelijk falen. Een man die een liefdesrelatie aangaat met een weduwe – die de nagedachtenis van haar overleden man koestert en het graf met deze enige echte zal delen – is een tussenman.
    ‘De eeuwigheid was voor twee gereserveerd. Op een dag zou zij dus bovenop Erik komen te liggen. (…) Wat Elma met mij doorbracht was wachten. Ik was haar tussenman. Haar verstrooiing in de antichambre.’

    Ik zoek naar verbanden. In de liefde is het verlangen de ‘enige’ te willen zijn, dodend. Gelukkig voor ‘altijd’ en ‘eeuwig’. Eeuwig als van nooit meer anders. Wie houdt dat vol. Het liefst zou Mattis op de vlucht slaan voor elke menselijke hang naar gezelligheid. ‘(…) het geluk zat mij nog wat ongemakkelijk. Het vooruitzicht stilletjes weg te teren had me zeker niet over de hele lijn onprettig geleken. Ik zag er best iets in om nog eventjes, niet te lang, schimmig over de aardbol te struinen. Als een hotelgast die niemand nader hoeft te kennen.’

    Het zou de loop van het verhaal goed passen wanneer Mattis opnieuw alleen achterbleef, (hij haalt nogal wat onverkwikkelijke strapatsen uit om zijn nieuwe lief te ontweduwen). Dat Verhulst hem laat kiezen voor een leven waar constant water bij de wijn (uit kartonnen pakken) wordt gedaan, ligt niet in die lijn, en dat prikkelt. Een verdraaid mooi werkje.

     

    De pruimenpluk / 151 p. / Uitgegeven bij Pluim.


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover.

     

     

  • Oogst week 24 – 2019

    Sofia Express

    De oogst van deze week: twee non-fictie boeken en een roman. In de reeks ‘Literaire steden’ van Het oog in ’t zeil, werd onlangs het twintigste deel Sofia Express uitgegeven. De schrijver van dit deel is slavist Jan Paul Hinrichs, die op fantastische wijze deze stad in Bugarije tot literatuur verheft. Eerder schreef Hinrichs al in dezelfde reeks De Mythe van Odessa (2011) en Trefpunt Riga (2017). Sofia is de stad van de dissidente schrijver Georgi Markov. Eric Ambler situeerde er enkele van zijn thrillers en Lucebert schreef in 1955 een reeks reisgedichten over de stad. Ook spelen romans van Cees Nooteboom en Dimitri Verhulst in Sofia. Hinrichs laat zijn ‘Woord vooraf’ beginnen met een citaat uit een van de boeken van Eric Ambler:
    ‘Mag ik zo bescheiden zijn te vragen waar u heen gaat?’
    ‘Ik ga naar Sofia.’
    ‘Zo Sofia? Een schitterende stad – werkelijk schitterend.’

    Zo is ook Sofia Express een schitterend boek, met mooi fotomateriaal en intirgerende verhalen van Hinrichs. Zeker een boek ter voorbereiding voor wie naar Bulgarije afreist, en hart en ziel van de stad wil doorgronden.

    Sofia Express
    Auteur: Jan Paul Hinrichs
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    De avonturen van Alexander von Humboldt

    De avonturen van Alexander von Humboldt is de tweede graphicnovel van Andrea Wulf (1972) en heeft als onderwerp het leven van Alexander von Humboldt (1769-1859), de ontdekkingsreiziger naar Zuid-Amerika. In haar eerste graphic novel over Humboldt, De uitvinder van de natuur beschreef Wulf de gewaagde expedities die hij ondernam en gaf ze inzicht in zijn onderzoek naar de vorming van het landschap op verschillende continenten. In deze tweede duikt ze dieper in het leven van Humboldt. De avonturen van Alexander von Humboldt focust op de vijfjarige expeditie in Zuid-Amerika die hij in juni 1799 begon. Samen met Lillian Melcher geeft Wulf deze expeditie in tekeningen weer, compleet met fragmenten uit Humboldts dagboeken, atlassen en publicaties. Het is een mooi en intiem portret van de man die klimaatverandering door menselijke invloed al voorspelde, poëtisch narratief verkoos boven wetenschappelijke observatie en iconische figuren als Simon Bolívar, Thomas Jefferson en Charles Darwin beïnvloedde. Dit verslag van de expeditie laat niet alleen zien hoe Humboldt zijn baanbrekende kennis en begrip van de natuur verfijnde, maar laat ook een man met passies zien. Het is prachtig vormgegeven in een groot formaat boek.

    De avonturen van Alexander von Humboldt
    Auteur: Andrea Wulf en Lillian Melcher
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Welkom in het Rijk der zieken

    Welkom in het Rijk der zieken is de zevende roman van Hanna Bervoets (1984). Ze schreef onder meer de succesvolle romans Efter (2014), Ivanov (2016) en haar voorlaatste roman Fuzzie (2017). Ze debuteerde in 2009 met Of hoe waarom en twee jaar later verscheen Lieve Céline, waarvoor ze de Opzij Literatuurprijs kreeg. In 2017 won Bervoets de BNG Bank Literatuurprijs voor Ivanov en in datzelfde jaar kreeg ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar hele oeuvre.

    Welkom in het, is een roman over ziek zijn, en onderwerp dat haar fascineert, zoals Bervoets zelf zegt. In de roman gaat het over de kinderoppas Clay, die ziek wordt na een bezoek aan een kinderboerderij. Hij krijgt hoge koorts en vecht voor zijn leven. Wanneer de koorts daalt, blijft de vermoeidheid en krijgt hij last van vreselijke pijnen. Q-koortsvermoeidheidssyndroom, luidt de diagnose. En daar zal hij nooit meer vanaf komen, wordt hem voorspeld. Dan volgt een zoektocht naar genezing. Behandelingen die niet aanslaan, zijn relatie houdt geen stand en eenzaamheid is zijn lot. Zo belandt hij in het Rijk der zieken, een wereld waar ondoorzichtige regels gelden en de eindbestemming onduidelijk is. Over de mallemolen van een chronische ziekte, in trefzekere taal geschreven.

    Welkom in het Rijk der zieken
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim