• Op zoek naar inspiratie in Beiroet 

    Op zoek naar inspiratie in Beiroet 

    Naar Beiroet is de zevende roman van Gerrit Brand (1956). Hoofdpersoon van deze roman is Edgar Laseur die een galerie heeft in de stad Groningen en op zoek is naar nieuwe inspiratie. Zijn vriend Arthur van den Berg is arabist en wijst Laseur op Libanon als ideale springplank naar het Midden-Oosten. Daar kan hij vast wel inspiratie opdoen en werk van interessante schilders vinden. De internationale kunstmarkt wordt immers steeds meer door rijke oliesjeiks beheerst. Van den Berg weet ook nog iemand die Edgar wegwijs kan maken in de hoofdstad van Libanon, namelijk de persfotograaf Fatima die van de alwetende verteller geen achternaam meekrijgt.

    Das gelobte Land

    Laseur reist af naar Beiroet. Hij hoopt er niet alleen een schilder te vinden die zijn galerie een nieuwe impuls kan geven, maar is ook op zoek naar een impuls in zijn eigen leven. Na 7 oktober 2023 ziet hij een groep jongens die zwaaien met Palestijnse vlaggen en luid juichen. Free Palestine hoort hij hen roepen. Het zijn aanhangers van Hezbollah die blij zijn dat Hamas Israël te grazen heeft genomen, in de eufemistische woorden van Fatima.

    Tijdens zijn reis leest Laseur de roman Das gelobte Land (Het beloofde land) van Erich Maria Remarque die vooral bekend is geworden door zijn roman Im Westen nichts Neues. De vlucht van Joodse vluchtelingen voor de naziterreur uit Das gelobte Land spiegelt Laseur aan het lot van de Palestijnse vluchtelingen voor de Israëlische bombardementen. Het boek van Remarque biedt daardoor een mooie allegorie op de huidige situatie in het Midden-Oosten.

    Eyeless in Gaza

    Laseur moet tijdens zijn verblijf in Libanon ook denken aan een andere roman: Eyeless in Gaza van Aldous Huxley. De titel refereert aan Simson met de lange haren uit de Bijbel, een Jood met bovenmenselijke krachten. God waarschuwt hem: als zijn haar wordt afgeknipt, verliest hij zijn kracht. Simson valt voor de Filistijnse – zeg maar: Palestijnse – Delila, die achter zijn geheim komt en zijn haar afknipt terwijl hij slaapt. Ze levert hem uit aan de Filistijnen die zijn ogen uitsteken en hem gevangen zetten in Gaza. Vandaar de titel van de roman van Huxley: Eyeless in Gaza. In Gaza begint zijn haar weer te groeien en wanneer hij meegenomen wordt naar de tempel van een Fenicische god, vraagt hij of hij even mag uitrusten tussen de steunpilaren. Daar bidt hij tot God en vraagt aan Hem of hij zijn kracht terug kan krijgen. God vervult zijn wens en vervolgens duwt Simson de steunpilaren uit elkaar waarop de tempel instort. Hij komt samen met de Filistijnen om het leven.

    Het boek van Huxley spiegelt niet alleen de huidige situatie in het Midden-Oosten, maar ook de eigen positie van Laseur. Is hij niet blind geweest voor het lijden van de Palestijnen en is hij niet als blindeman op zoek gegaan naar de zin van het leven?

    Kantelend perspectief

    Fatima neemt Laseur mee naar demonstraties (omdat ze daar foto’s moet maken) en laat hem de verwoestingen na de Israëlische bombardementen zien. Laseurs westerse en pro-Israëlische opvattingen kantelen omdat hij via haar Libanon leert kennen en de geschiedenis van dat land beter leert begrijpen. Zijn zoektocht naar een spraakmakende schilder gaat door en door bemiddeling van Fatima maakt Laseur kennis met de schilder Balsam Aridi en hij koopt haar werk voor zijn galerie. Wanneer de dreiging groter wordt, geeft hij gehoor aan het negatieve reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken en keert hij terug naar Groningen.

    Vernissage

    Terug in zijn galerie exposeert Laseur de schilderijen van Aridi. De Libanese ambassadeur komt de expositie zelf openen. Dat is natuurlijk mooi, maar misschien ook wat onwaarschijnlijk daar op de schilderijen wonderlijke voorstellingen van open vulva’s, rechtopstaande en hangende penissen (doorboord of afgebonden) te zien zijn. Of geeft dit blijk van vooringenomenheid en een westerse blik op een land dat voor de helft uit Moslims bestaat? Op de vernissage is ook één zwarte man aanwezig, Kofi Tsiboe uit Ghana. Hij zegt: ‘Zolang je als buitenlander kunst maakt en je aangepast gedraagt is er niets aan de hand. Als er maar niet te veel van jouw soort het land inkomen.’ Zo eindigt de boeiende roman een tikje moralistisch. Het is een indringend verhaal, niet zozeer door de belevenissen van de hoofdpersoon die op zoek is naar inspiratie, maar door de lotgevallen van de vrouwen in Libanon die zwaar te lijden hebben onder oorlog en geweld.

  • De schijn van stand

    De schijn van stand

    Met Sjees en paella, dat oorspronkelijk in 1894 verscheen als Arroz y tartana (letterlijk: ‘rijst en rijtuig’), opende Vicente Blasco Ibáñez (1867–1928) zijn reeks zogenoemde Valenciaanse romans. De titel bevat meteen de kern: de spanning tussen het volkse en het verfijnde, tussen voeding en vertoon. Arroz, de rijst, verwijst naar het alledaagse leven van Valencia, de stad van de paella en de arbeid. Tartana, de sjees, symboliseert de drang naar status en de façade van de burgerlijke wereld. In die tegenstelling ontvouwt zich het drama van Doña Manuela, dat tegelijk de spanningen binnen een maatschappelijke klasse weerspiegelt.

    De roman verscheen aanvankelijk als feuilleton in El Pueblo, de republikeinse krant die Blasco Ibáñez zelf oprichtte. Het vroege werk biedt een portret van burgerlijk Valencia rond de eeuwwisseling: een stad op de drempel van moderniteit, verscheurd tussen traditie en vooruitgang, tussen eergevoel en economische drift. Behalve een realistische kroniek biedt de roman ook sociale kritiek,† verpakt in een meeslepend familiedrama. Achter het verhaal van een vervallende familie ontvouwt zich een bijtende satire op de opkomende Spaanse bourgeoisie, een klasse die smacht naar erkenning, maar wankelt in haar pogingen zich te handhaven binnen een maatschappij die haar nog niet volledig heeft aanvaard.

    Een samenleving van schijn en status

    Centraal in Sjees en paella staat Doña Manuela, een weduwe van middelbare leeftijd die ooit tot de gegoede burgerij behoorde, maar wier fortuin inmiddels is verdwenen. In plaats van haar verval te aanvaarden, klampt zij zich met verbeten trots vast aan de uiterlijke tekenen van haar vroegere status: kostbare japonnen, diners, liefdadigheidsacties en een woning die zij nauwelijks kan onderhouden. Alles draait om de blik van de ander. Haar leven is een zorgvuldig geregisseerd toneelstuk waarin zij de hoofdrol speelt, terwijl het decor langzaam instort.

    Blasco Ibáñez tekent Doña Manuela met een evenwicht van ironie en mededogen. Zij is zowel tragisch als komisch: een vrouw die leeft van bewondering, maar door haar eigen illusies het verval van haar gezin onvermijdelijk maakt. In haar obsessie om haar dochters Concha en Amparo ‘goed te laten trouwen’, offert zij alles op – waardigheid, eerlijkheid en innerlijke rust. Haar jongste zoon Rafael is de verwende lieveling die onverantwoord met geld omspringt, terwijl haar oudste zoon Juanito, nuchter en plichtsgetrouw, als enige probeert het morele evenwicht te bewaren.

    Doña Manuela’s verschijning onthult veel over de thematische kern van de roman:

    ‘Ze naderde de vijftig, zoals ze enige malen aan haar dochter had opgebiecht; maar ze was zo trots en zag er zo goed uit, haar verheven postuur ging samen met zulke weelderige vormen, dat ze nog altijd een zekere vervoering wekte, vooral bij adolescenten, die in hun verhitte brooddronkenheid de uitstulpingen en zwellingen van de vervallende schoonheid een verering toedragen die ze de ranke en jeugdige frisheid onthouden.’

    Ze belichaamt de spanning tussen uiterlijk vertoon en innerlijk verval, tussen nostalgie naar een verloren wereld en de onontkoombare moderniteit van de nieuwe tijd.

    Valencia als spiegel van de samenleving

    Wat Sjees en paella intrigerend maakt, is de manier waarop Blasco Ibáñez het lot van één familie verweeft met een bredere sociale diagnose. Het Valencia van rond 1900 is een stad van contrasten: weelderige boulevards naast verarmde wijken, speculanten die fortuinen vergaren terwijl oude families geruisloos wegzinken. De drang om ‘erbij te horen’ bepaalt het handelen van bijna alle personages, een thema dat nog altijd herkenbaar is.

    Het verhaal is doortrokken van costumbrismo: het realisme dat de gebruiken, kleding, taal en omgangsvormen van een streek vastlegt. De levendige beschrijvingen van markten, rijtoeren langs de Turia, sociale rituelen en het onophoudelijke geroddel in cafés en salons maken van de roman een indringende momentopname van een verdwenen tijd. Blasco Ibáñez’ proza is rijk, zintuiglijk en soms uitbundig: zijn Valencia ademt, ruist en leeft.

    Een meester in observatie

    Wat deze roman bijzonder maakt binnen het negentiende-eeuwse realisme is de opmerkelijke psychologische scherpte van Blasco Ibáñez. Doña Manuela is geen karikatuur, maar een complex personage, gedreven door angst, trots en verlies. Haar broer tío Juan fungeert als moreel tegenwicht – een man van eenvoudige gewoonten, die de waarde van arbeid en geld begrijpt, maar machteloos moet toezien hoe zijn zuster zichzelf naar de afgrond drijft.

    Ook Juanito, de oudste zoon, is intrigerend. Hij beweegt zich tussen twee werelden, gevangen tussen de illusies van zijn moeder en de stem van zijn eigen geweten. Zijn ontwikkeling van volgzame zoon tot man die zijn eigen pad durft te kiezen verleent de roman emotionele diepte. Blasco Ibáñez toont hoe economische en morele waarden in elkaar verstrikt raken en hoe moeilijk het is om integer te blijven in een wereld die de schijn beloont.

    De kunst van vertraging

    De stijl is weelderig en zintuiglijk, maar niet altijd licht verteerbaar. Beschrijvingen kunnen zich over meerdere pagina’s uitstrekken, rijk aan minutieuze details over kleding, architectuur en landschap. Voor de hedendaagse lezer, meer gewend aan snellere vertelvormen, kan dat traag lijken, maar die traagheid is doelbewust: zij schept sfeer, geloofwaardigheid en historische diepte. Men ruikt de sinaasappels in de haven, hoort het geratel van de rijtuigen en voelt de zinderende hitte boven de stad.

    Blasco Ibáñez schrijft levendige dialogen, vaak doortrokken van ironie. Achter de alledaagse gesprekken schuilen sociale spanningen en morele dilemma’s. Sjees en paella wordt zo meer dan een familieroman; het is een fijnzinnig maatschappelijk portret waarin menselijke waardigheid onder druk staat in een tijd van economische onzekerheid.

    Een boodschap die blijft nazinderen

    Aan het einde van de roman blijft de lezer niet alleen achter met mededogen voor Doña Manuela, maar ook met herkenning. De wereld waarin uiterlijk vertoon belangrijker is dan innerlijke rust, waarin status en consumptie het geluk lijken te bepalen, is geen reliek van 1894. Blasco Ibáñez legt een menselijke zwakte bloot die tijdloos blijkt: de behoefte om beter te lijken dan men is.

    Daarmee krijgt ook de titel haar volle betekenis. De ‘sjees’ en de ‘paella’ zijn meer dan symbolen van een tijdperk: ze vertegenwoordigen twee manieren van leven die elkaar tot op heden tegenspreken. De rijtuigen zijn verdwenen, maar het verlangen om indruk te maken is gebleven. In dat spanningsveld, tussen rijst en rijtuig, tussen voeding en vertoon, toont Blasco Ibáñez hoe kwetsbaar trots kan zijn en hoe moeilijk het is eerlijk te leven in een wereld die voortdurend oordeelt. Sjees en paella is een hoogtepunt van het Spaanse realisme: meeslepend, ironisch en moreel geladen, een roman die de façade doorziet en de mens erachter onthult.

     

  • Luisteren naar wat onuitgesproken blijft

    Luisteren naar wat onuitgesproken blijft

    Eljakim van de Sande is een veelzijdige kunstenaar die zich beweegt tussen muziek, theater en literatuur. Hij studeerde kleinkunst in Utrecht, bracht in 2018 het album Sway uit onder zijn artiestennaam Celsus en ontwikkelde zich tot een maker die verschillende disciplines combineert om thema’s als identiteit, herinnering en vervreemding te verkennen. Zijn debuutroman Kostganger past perfect binnen dat artistieke universum. Het boek maakt deel uit van een breder project waarin ook een theatervoorstelling en een muziekalbum voorkomen. Van de Sande is dus niet enkel schrijver in de traditionele zin, maar eerder een verhalenverteller die zijn publiek op verschillende manieren laat nadenken over wat het betekent om thuis te zijn — of juist niet.

    Kostganger speelt zich af in een afgelegen dorp in het noorden van Nederland, waar sinds Hemelvaartsdag 1973 niets meer lijkt te zijn zoals het was. De tijd staat stil, de bewoners volgen hun routines zonder doel, en er hangt een sluier van leegte over alles. De grote dag van het dorp, de jaarlijkse Lambertusmarkt, krijgt van jaar tot jaar minder betekenis tot grote frustratie van de inwoners. In die verstilde gemeenschap groeit Lenno op, een jonge man die het onbehagen voelt, die beseft dat er iets niet klopt, dat er iets verloren is gegaan. Hij wil antwoorden, maar niemand spreekt nog echt. Vanuit zijn perspectief — en dat van enkele andere dorpsbewoners — ontvouwt zich een verhaal dat evenveel over stiltes als over woorden gaat. Wat er precies gebeurde op die bewuste dag in 1973 blijft onduidelijk, maar de nasleep ervan is voelbaar in elk gebaar, in elk huis, in elke herhaling van het dagelijks leven.

    Fragmentarische novelle

    De roman is compact, nauwelijks meer dan honderd bladzijden, en voelt daardoor eerder als een novelle dan als een klassieke roman. Toch weet Van de Sande in die beperkte ruimte een gelaagd verhaal te schetsen. De opbouw is fragmentarisch: losse scènes en gedachten wisselen elkaar af, zonder strakke chronologie. Die keuze benadrukt het gevoel van desoriëntatie dat de personages ervaren. De structuur van het boek doet denken aan het ritme van herinneringen: losse flarden, herhalingen en echo’s. De spanning zit niet in grote gebeurtenissen, maar in de traagheid van het vertellen, in wat onuitgesproken blijft en in de kleine breuken tussen de zinnen.

    Van de Sande schrijft in een sobere, poëtische stijl die soms doet denken aan de ingetogen toon van een auteur als Tommy Wieringa in Dit zijn de namen. Zijn taal is zuinig, maar geladen; elke zin lijkt zorgvuldig gewogen. Er is veel aandacht voor sfeer en ritme, voor de cadans van stilte. De beschrijvingen van het landschap — het vlakke noorden, de weidse lucht, het beklemmende niets — versterken precies het gevoel van die verstilling. Het is een taal die vertraagt, die de lezer uitnodigt om te luisteren naar wat onuitgesproken blijft. De stijl is introspectief, maar nooit ontoegankelijk: juist door zijn eenvoud weet Van de Sande diepe emotie op te roepen.

    Stilstaan of losbreken

    De personages zijn grotendeels schaduwen, schimmen van mensen die ooit vol leven waren. Lenno is de enige die zich lijkt te verzetten tegen de lethargie van het dorp, al weet ook hij niet precies hoe. Zijn drang om te begrijpen, om los te breken, verwijst naar de centrale thematiek: de spanning tussen blijven en vertrekken, tussen herinnering en vergetelheid. De andere bewoners verbeelden collectieve stilstand, een gemeenschap die de pijn van vroeger niet kan benoemen en daardoor vastzit in zichzelf.

    De dieperliggende betekenis van Kostganger ligt in de manier waarop het boek het begrip ‘thuis’ onderzoekt. Wat betekent het om ergens thuis te horen als dat thuis zelf ontzield is geraakt? Het dorp staat symbool voor het menselijk verlangen naar geborgenheid, maar ook voor de angst om te verdwijnen in de sleur van het bekende. De gebeurtenis op Hemelvaartsdag 1973 — waarvan de aard nooit volledig wordt onthuld — fungeert als metafoor voor trauma: iets wat zich ooit voltrok en sindsdien het ritme van het leven onzichtbaar bepaalt. In die zin gaat Kostganger niet alleen over een plaats of een tijd, maar over het onvermogen om vooruit te komen zolang het verleden niet is doorleefd. Het is een roman over stilstand, over de stilte na een breuk die nooit geheeld is.

    Muzikale compositie

    Van de Sande’s achtergrond als muzikant en theatermaker is voelbaar in de compositie van het boek. De zinnen hebben muzikaliteit vol herhaling en ritme. Tegelijkertijd roept het boek een sterk visueel beeld op: het dorp als decor, de trage beweging van de dagen, de dreigende wolkenlucht. Het is alsof elk hoofdstuk een scène is, elke passage een klank. Daarmee overstijgt Kostganger het puur literaire: het is een zintuiglijke ervaring waarin tekst, geluid en beeld in elkaar overlopen.

    Als literair debuut is Kostganger bijzonder geslaagd. Het is een ingetogen, bedachtzaam werk dat zijn kracht vindt in sfeer en symboliek, niet in plot of actie. Van de Sande koos niet voor het evidente, niet voor een rechttoe rechtaan verhaal. Hij durft te vertrouwen op stilte, op suggestie, op het vermogen van de lezer om te luisteren tussen de regels. Dat maakt het boek rijk, maar ook veeleisend: wie houdt van snelle verhaallijnen of uitgesproken emoties zal Kostganger vlug opzij leggen. Toch is het juist die terughoudendheid die het boek zo memorabel maakt. Het is een roman die langzaam onder de huid kruipt, die je laat nadenken over je eigen plaats in de wereld, over de manier waarop tijd en herinnering ons vasthouden.

    Met Kostganger levert Eljakim van de Sande een sterk en oorspronkelijk debuut af. Het is een boek dat je niet leest om te weten hoe het afloopt, maar om stil te staan bij wat er blijft hangen wanneer woorden tekortschieten. In zijn soberheid schuilt een diepe menselijkheid. Kostganger is een kleine roman met een groot hart — een poëtische ode aan het verlies, aan het verlangen, en aan het trage, pijnlijke proces van verder leven.

     

  • Oogst week 40 – 2025

    Verspreid over de aarde

    Japan is van de aardbodem verdwenen in de nieuwe roman Verspreid over de aarde van Yoko Tawada (1960). De inwoners zwerven over de wereld en Japan wordt nu het land van sushi genoemd. Hoofdpersoon Hiruko is via Noorwegen en Zweden in Denemarken beland en heeft zelf een taal ontworpen, het Pansca, waarin ze immigrantenkinderen lesgeeft. Ze wil graag in haar moedertaal praten, maar er is niemand om dat mee te doen. Onder het opmerkelijke gezelschap om Hiruko heen bevinden zich de Deense taalkundige Knut, en Nanoek uit Groenland die vaak voor een Japanner wordt aangezien. In de vrolijke dystopie ontmoet het gezelschap op zijn zoektocht onder andere een dode walvis, een Andalusische matador en robotvrouwen.

    Volgens vertaler Luc Van Haute gebruikt Tawada altijd woordspelletjes in haar taal, maar ‘ditmaal was die uitdaging nog een stuk groter, met personages van verschillende nationaliteiten die in verschillende landen communiceren in verschillende talen.’

    Yoko Tawada is geboren in Tokio, verhuisde in 1982 naar Duitsland waar ze Duitse literatuur studeerde. Sinds 2006 woont ze in Berlijn. Tawada schrijft in het Japans en in het Duits en won vele Japanse en Duitse prijzen voor haar werk. Haar thema’s zijn de relatie tussen woorden en realiteit en het idee dat verschillen in taal assimilatie in een andere cultuur onmogelijk maken. Het gaat vaak over het overstijgen van grenzen, zowel wat betreft reizen tussen landen en culturen als de grens tussen waken en dromen, gedachten en emoties. Tawada publiceerde tientallen boeken, verhalen en essays. Ze laat zich beïnvloeden door Paul Celan en Franz Kafka.

     

    Verspreid over de aarde
    Auteur: Yoko Tawada
    Uitgeverij: Koppernik

    De zwevende wereld

    Om nog even bij Japan te blijven: Het leven van de Duits-Nederlandse arts, wetenschapper en botanicus Franz von Siebold (1796-1866) vond onderdak in De zwevende wereld, het nieuwste boek van Annejet van der Zijl. Maar niet alleen zijn leven, ook dat van zijn Japanse dochter Kusumoto Ine ‘Oine’ (1827-1903) wordt door Van der Zijl meeslepend beschreven. Oine was de eerste vrouwelijke arts in Japan en is tegenwoordig een heldin in boeken, opera’s en televisieseries.

    Von Siebold vertrok in 1823 naar de Hollandse handelspost Deshima, aanvankelijk met de opdracht om informatie te verzamelen over het toen nog grotendeels van de buitenwereld afgesloten Japan. Hij ontmoette er zijn grote liefde Sonogi en kreeg met haar dochter Oine. ‘Onder het portret dat Franz opnam in het eerste deel van Nippon, dat hij in deze maanden aan het schrijven was, noemde hij haar Otaksa, het koosnaampje dat hij zijn geliefde na de geboorte van hun dochter had gegeven.’ Helaas werd Von Siebold verbannen uit Japan. Vader en dochter zouden elkaar tientallen jaren niet zien en toen het eindelijk zover was, pakte de ontmoeting anders uit dan voorzien.
    Von Siebold werd wereldwijd beroemd als Japankenner. In Nederland kregen de vele door hem gestuurde en meegebrachte planten een plek, onder meer in de Leidse Hortus Botanicus.

    Van der Zijl schreef een uniek boek over een unieke vader en een unieke dochter, dat begint met ‘Het lijden van de jonge Siebold. (…) De vroegste kinderjaren van Philippe Franz von Siebold waren doordrenkt met tranen, de rest van zijn jeugd met oorlog.’ Het boek bevat stambomen van zijn familie en van die van Sonogi, plus een overzicht van historische en persoonlijke gebeurtenissen.

     

    De zwevende wereld
    Auteur: Annejet van der Zijl
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Afdruk

    In de nieuwe roman van Peter Brouwer, Afdruk, is Carl in de jaren tachtig student fotografie in Utrecht. Hij beleeft zijn studententijd met vrienden die korter of langer in zijn leven aanwezig zijn. Zo heeft hij een onenightstand met de twintig jaar oudere Mara die de volgende dag zijn camera lijkt te hebben gestolen. Als vijftigjarige blijkt hij in het bezit van een haarkam in de vorm van een vogel. Hij was vergeten dat hij de kam bezat en waar deze vandaan kwam weet hij niet meer. Zijn vrouw, een kunsthistorica, zet hem ertoe aan om het verhaal achter de kam te gaan uitzoeken. Maakt het voorwerp deel uit van een traumatische geschiedenis, is het verleden onzichtbaar geworden?

    In Zuid-Frankrijk zoekt Carl antwoorden op vragen die in zijn studententijd zijn ontstaan. Hij ontmoet er Patrique Rossier, een Fransman en Carls voormalige docent die teruggetrokken op de Haute-Vienne leeft. Hij bezoekt een gruwelplek uit de Tweede Wereldoorlog, het dorp Oradour sur Glane waar in 1944 de Nazi’s een massaslachting aanrichtten. Er is sprake van roofkunst en van een geschilderd portret van een meisje met een masker dat Carl op Corsica ziet. Dat herinnert hem aan de nacht met Mara.

    Peter Brouwer (1965) studeerde Duitse taal- en letterkunde. Hij is schrijver, vertaler en nuziektheatermaker. Voor Afdruk publiceerde hij al drie romans en drie poëziebundels.

     

    Afdruk
    Auteur: Peter Brouwer
    Uitgeverij: Nobelman
  • Oogst week 23 – 2025

    De weg

    In de serie Kritische Klassieken publiceert Uitgeverij Schokland na De Slag nu De weg van de Spaanse journalist, radiomaker en schrijver Arturo Barea (1897 –1957), in een vertaling van Mia Buursma. Tijdens zijn dienstplicht in Ceuta en Marokko was Barea ooggetuige van de verschrikkingen in De Spaanse oorlog in Marokko.

    Vlak na de Eerste Wereldoorlog had Spanje het protectoraat over Spaans Marokko, een brede strook rond het Rifgebergte en een smalle strook in het Zuiden van het huidige Marokko. Voor Spanje was het van levensbelang om daar de regie te behouden en jonge dienstplichtige mannen werden erheen gestuurd om te vechten tegen het in opstand gekomen Riffijnse rebellenleger onder leiding van de legendarische Abd El-krim. Tussen hen bevond zich de jonge Spanjaard Arturo Barea die van 1920 tot 1923 in Marokko verbleef.

    Barea wordt al snel bevorderd tot sergeant, waardoor hij niet meer tot de gewone dienstplichtige soldaten behoort, maar ook niet tot de geprivilegieerde klasse van hoge officieren. Dankzij deze positie is hij wel getuige van het door en door corrupte Spaanse leger waar onrecht, omkoping, geweld en machtsmisbruik aan de orde van de dag zijn. Het slecht georganiseerde leger lijdt bloedige en verpletterende nederlagen in de Slag bij Annual en bij Melilla, waarbij honderdduizenden soldaten omkomen. Al snel rijst bij hem het besef dat hij meevecht in een volstrekt zinloze koloniale oorlog en krijgt hij voorgoed zijn bekomst van het leger en het kolonialisme.

    Ondertussen is er op het Spaanse vasteland ook al jaren sprake van politieke chaos, met onmachtige regeringen die elkaar voortdurend opvolgen. Als Barea in 1923 afzwaait, pleegt generaal Primo de Rivera een succesvolle staatsgreep, terwijl ook elders in Europa duistere machten hun schaduw vooruitwerpen.

    Barea neemt geen blad voor de mond en net als in De slag toont hij zich in De weg een vlijmscherp waarnemer van het leven van de gewone soldaten en de officieren. Francisco Franco, de latere Spaanse dictator, is één van hen. Hij zal deze koloniale ervaring later gebruiken om in 1936 in opstand te komen tegen de Spaanse Republiek. De militaire exercitie in Marokko is daarmee niets meer en niets minder dan de opmaat tot de Spaanse Burgeroorlog en de tot 1975 durende dictatuur van Franco.

     

    De weg
    Auteur: Arturo Barea Ogazón
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland, Kritische Klassieken 24

    Sjees en paella

    De roman Sjees en Paella van de Spaanse veelschrijver Vicente Blasco Ibañez  (1867 – 1928) verscheen in 1894 in het Spaans als Arroz y tartana en is nu door Nobelman opnieuw uitgegeven in de vertaling van Frans Oosterholt. Het is een realistische roman over het booming Valencia van de tweede helft van de negentiende eeuw.

    Het hart van de roman wordt gevormd door een stoffenzaak die in 1832 wordt opgericht door een arme immigrant uit Aragon, Don Eugenio. De lezer wordt meegenomen naar het begin, vervolgens de glorietijd, en ten slotte de ondergang van deze winkel doordat de laatste eigenaar zijn hand overspeelt op de beurs.

    De weduwe Manuela Peña trouwt met haar jeugdliefde, de charlatan Rafael Pajares, die weldra het fortuin van haar eerste echtgenoot erdoor jaagt. Als ook hij overlijdt, na een leven vol uitspattingen, blijft Manuela alleen achter met haar twee zonen en twee dochters. Wanneer de laatsten de huwbare leeftijd bereiken, zet hun moeder alles op alles om de high society van Valencia ervan te overtuigen dat ze de begeerlijkste prijsdieren op de huwelijksmarkt zijn.
    Maar dan slaat het noodlot toe. Brillante, het dappere paard dat de sjees van de familie trekt, gaat plotseling dood. Geld voor een nieuw paard heeft Manuela niet, maar haar dochters kunnen zich niet in hoge kringen van Valencia vertonen zonder rijtuig. Wat nu?

    Vicente Blasco Ibáñez kwam uit een arm immigrantenfamilie uit Aragon. Hij werkte zich uit het milieu van kleine middenstanders in Valencia op tot een populaire en wereldvermaarde veelschrijver en invloedrijk politicus. Deze veelschrijver publiceerde verhalenbundels, historische romans, sociale, psychologische en avonturenromans en reisverhalen.

    Sjees en paella
    Auteur: Vicente Blasco Ibañez
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    De kwetsbare tijd

    Donatella Di Pietrantonio won met L’età fragile de belangrijkste Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega 2024. Nu is de Nederlandse vertaling van Hilda Schraa, De kwetsbare tijd verschenen. Lucia’s dochter Amanda keert terug uit Milaan, waar ze studeert. Lucia is verontrust, want het lijkt alsof Amanda alleen maar wil verdwijnen: ze sluit zich op in haar kamer en wil met niemand praten. Lucia heeft haar dochter altijd voor alles willen behoeden, maar nu kijkt ze hulpeloos toe. Er moet in Milaan iets afschuwelijks zijn voorgevallen, want het licht is uit Amanda’s ogen verdwenen.

    Tegelijkertijd ruziet Lucia met haar oude vader over de verkoop van hun verlaten familiecamping in de bergen. Dertig jaar geleden heeft daar een tragedie plaatsgevonden waardoor de camping is gesloten, en Lucia voorgoed naar de kust is verhuisd. Klemgezet tussen haar koppige vader en haar zwijgzame dochter moet Lucia onder ogen komen dat dit de onherstelbare wonden zijn die je oploopt in het leven.

    Donatella Di Pietrantonio (1962) werd in Arsita in Italië geboren. Ze schreef eerder de zeer goed ontvangen romans Teruggeworpen en Mijn zusje en de zee. Romans voor liefhebbers van Elena Ferrante.

    De kwetsbare tijd
    Auteur: Donatella Di Pietrantonio
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • De zonde bestaat erin de daad in eigen hand te nemen

    De zonde bestaat erin de daad in eigen hand te nemen

    Het is het voorrecht van de kunstenaar om te bepalen dat zijn werk klaar is. Iemand die dit adagium tot in de finesse beheerste was Auguste Rodin. Als geen ander wist hij dat je in goede kunst moet focussen op wat er echt toe doet. En dat het af is als je die focus gevonden hebt. In veel van zijn beelden liet hij de rest van de steen dan ook vrijwel onaangeraakt, zoals bijvoorbeeld het beeld Gedachte, waar een perfect gebeeldhouwd vrouwenhoofd oprijst uit een ruw stuk marmer.

    Ook in de roman De zee van de Spaanse dichter en romancier Blai Bonet – (1e druk in 1958) eerste Nederlandse vertaling in 2024 – ligt de nadruk op wat ertoe doet. Maar in tegenstelling tot Rodin’s Gedachte, werd die focus pas gevonden toen het overtollige werd weggesneden. De eerste versie van De Zee besloeg meer dan zevenhonderd pagina’s en uit het uiteindelijke manuscript werden voor publicatie nog verschillende hoofdstukken geschrapt. Niet door de censuur, die ten tijde van dictator Franco fors kon zijn, maar door de redacteur van de roman, Joan Sales. Dit is althans de mening van Frans Oosterholt, die de Nederlandse vertaling maakte en het nawoord bij de roman verzorgde. Volgens hem is het waarschijnlijk dat Sales de schrijver ervan overtuigde dat het beter was om negen hoofdstukken niet op te nemen, om zo te voorkomen dat het verhaal zou uitwaaieren en de aandacht zou worden afgeleid van de hoofdpersonen. Hoofdstukken die overigens in de Nederlandse vertaling als annex zijn opgenomen. Waardoor je je als lezer er ook zelf van kan vergewissen dat less in dit geval inderdaad echt more is en focus loont.

    Sanatorium als tegenvoeter van verveling

    Het resultaat van Sales’ ingrepen is een intens geconcentreerde roman over twee adolescenten: Andreu Romallo en Manuel Tur. Zij zijn beiden met tuberculose in een sanatorium opgenomen en afwisselend aan het woord. Ze vertellen over de armoede en onzekerheid van hun jeugd, over het geweld en de wreedheden van de Spaans burgeroorlog, over hun ontluikende homoseksualiteit, over zonde, schuld, en het bestaan van tuberculoselijders in het sanatorium.

    Priester Gabriel Caldentey, één van de weinige anderen die aan het woord komen in de roman, duidt het sanatorium treffend als de tegenvoeter van verveling. ‘Hier zondigt men subtiel, men zondigt en bespreekt de zonde, zoals in hogere kringen. In dit sanatorium wordt vurig gezondigd, niet ondergronds, zoals in de plattelandsparochies.’ 

    Zonde en schuldbesef 

    De roman is doordesemd van zonde en schuldbesef, waarbij het vooral de homoseksuele gevoelens en de dood zijn die deze gevoelens opwekken. Zowel Andreu als Manuel gaan hieronder gebukt en er uiteindelijk ook aan onderdoor. Als Manuel tegen het einde van het boek zijn naakte lichaam in de spiegel bekijkt is hij zich bewust van die zonde en van de kwetsbaarheid die ermee gepaard gaat. ‘Ik ben helemaal bloot. Nooit was ik er zo van doordrongen dat het lichaam van een mens vleesgeworden stilte is.’

    Ook Andreu gaat gebukt onder zonde en schuld. Hij weet dat hij alleen zal achterblijven in de vreselijke daad die hij zal begaan. En dat ze hem dan zullen vinden. Dat de zonde een hondenstraf is die erin bestaat de daad in eigen hand te nemen. Maar hij meent ook dat de zonde een tempel is ‘waarin een man binnengaat, op onverklaarbare wijze, omdat hij weet dat zijn onschuld hem zal laten huilen…’

    De dood als kloosterregel

    Naast zondebesef en schuld is de dood het tweede grote thema in De zee. De dood is alomtegenwoordig, in de vorm van jeugdige doden als gevolg van de gebrekkige gezondheid van de arme Spaanse plattelandsbevolking, van moord in een verscheurd land in en na de burgeroorlog, van fusillades, van uitgeteerde tuberculosepatiënten die het niet redden, en zo meer. 

    Als Andreu naar het dorp loopt komt hij en oude vriend tegen die het leger in gaat. Ze raken in gesprek over militaire dienst, vechten, en doden, en de militair in spé legt Andreu uit waarom doodgaan iets is dat je uiteindelijk alleen zou moeten doen. ‘Een man is nooit meer man dan wanneer hij moet sterven. Zeggen ze. Omdat hij helemaal alleen is. Zonder iets te geven. Zonder iets te krijgen. Er zit alles in: de weg, het land, angst, tederheid, het leven. Zonder het te gebruiken. Er eenvoudig over beschikken. Zonder het vast te houden. De dood is een kloosterregel die volledig doorleefd wordt in twee uur tijd.’ 

    Doordat in De Zee het perspectief per hoofdstuk verandert is het lezen ervan topsport. Je kunt je aandacht geen moment laten verslappen en moet het net zo intens lezen als het is opgeschreven. Al gunt Bonet je af en toe ook een bezinningsmoment, wanneer zijn pen de omgeving van het sanatorium beschrijft, waarin de geuren en warmte van Mallorca zinderen. ‘De stoep die, immer grijs, om het paviljoen heen loopt, kraakt, gloeiend en geblakerd, onder de zon van drie uur, de zon van de distels, van de stoppels, waar de klaprozen, de witte en roze akkerwinde, het bisschopskruid voor de bruid, hun nuances laten opzuigen door de nobele en brute zon van het land.’

    Het Mallorcaanse landschap en leven als decor

    Zondebesef, schuld, de dood, het Mallorcaanse landschap en plattelandsleven. Het zijn vaste thema’s in het oeuvre van Bonet. Hij werd in 1926 geboren in Santanyí op Mallorca en stierf er in 1997. Als jongeling ging hij het seminarium in maar moest die opleiding afbreken vanwege tuberculose. Hij zou in het sanatorium waar hij verbleef het idee opdoen voor De zee, zijn eerste roman. Daarnaast putte hij veel inspiratie uit het eiland waar hij woonde, zijn moeizame relatie met zijn vader en zijn worsteling met homoseksualiteit. Allemaal thema’s die worden aangestipt in De zee. Na zijn debuutroman zouden er nog vier volgen. Daarnaast schreef hij vooral en veel poëzie. Zijn verzamelde dichtwerk, in 2014 uitgebracht, beslaat maar liefst 1374 pagina’s. En dat was nog niet alles. Bonet was ook een begenadigd dramaturg, dagboekschrijver, kustcriticus en journalist.

    Zijn kritische inborst als kunstcriticus en journalist toont zich duidelijk in De Zee. Alhoewel Bonet net als Andreu Romallo en Manuel Tur in een sanatorium verbleef, heeft de schrijver altijd benadrukt dat De zee niet autobiografisch is. Hij wilde, zoals hij in 1981 in een interview had gezegd, niet zozeer de realiteit van een sanatorium schetsen, maar de verstikkende atmosfeer van het franquistische Spanje. Het verdriet van Spanje.

     

  • Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Dromen hebben vaak een geheel eigen logica die de natuurwetten tart, net als in de waanzin of het delirium breken de grenzen van het normale af en wordt alles opeens mogelijk. Zo’n verhitte koortsdroom is de roman De bekentenis van Lúcio van de Portugese dichter Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), persoonlijk vriend van die andere Portugese dichter: Fernando Pessoa. Het boek draait in hoofdzaak om een crime passionel maar dan als het ware onder invloed van absint. Daarnaast bevat het een wervelende beschrijving van het artistieke milieu in Parijs, alvorens de allesoverheersende vriendschap met de dichter Ricardo de Loureiro op het toneel komt. In een gecompliceerde driehoeksverhouding met de vrouw van Ricardo probeert hoofdpersoon Lúcio feit van fictie te scheiden. Terwijl hij ondertussen een inzinking nadert en alles zich dreigt te ontrafelen om hem heen.

    Sá-Carneiro heeft ook in Parijs gewoond, waar zijn mentale gezondheid het uiteindelijk liet afweten en hij zelfmoord pleegde. In De bekentenis van Lúcio heeft de hoofdpersoon moeite om bij de feiten te blijven, al is vanaf het begin nooit helemaal duidelijk wat de feiten zijn. Lúcio ondergraaft constant zijn eigen weergave. De opzet is die van een typische bekentenisroman, waarin Lúcio vanuit de gevangenis zijn zaak uiteenzet. Net als Pessoa schrijft Sá-Carneiro om zich te verschansen tegen het echte leven waarin hij weinig voldoening ervaart. Waar Pessoa echter de perfecte beheersing heeft over zijn ficties schiet het verhaal bij Sá-Carneiro alle kanten uit. Hij denkt in kleuren, overschrijdt de grenzen van het waarschijnlijke en dompelt zich onder in de roes. Het zijn vooral veel indrukken en dichterlijke beschrijvingen. In een taal die bol staat van de verfijnde zinnelijkheden jongleert Sá-Carneiro met verwachtingen en speelt hij met verlangen.

    Mijn Parijs

    Het verhaal begint in Parijs waar het zich grotendeels afspeelt. De stad is voor Ricardo ‘de enige blonde opium die ik heb voor mijn pijn.’ Dit soort uitzinnige uitroepen komen wel vaker voor bij Sá-Carneiro vooral als het om kunst draait. Want daar gaat het voornamelijk om in de kringen waar Lúcio zich in begeeft. Al geeft hij ook af op ‘die vreselijke lui, de nepartiesten, wier werk besloten ligt in hun houding: die altijd het hoogste woord voeren, ingewikkelde zinnen uitkramen, de gekste voorkeuren aan de dag leggen, gekunsteld, irritant, onverdraaglijk.’ Die kringen zijn gevuld met excentrieke types zoals Russische schilders, vergeten genieën en briljante dansers. Of de kunstenaar Villa-Nova die hij kent uit Lissabon, het type ‘mislukt, of liever tot mislukken gedoemd groot kunstenaar.’ Deze Villa-Nova heeft het constant over kermisartiesten, obscure schrijverscollectieven en hoe onbegrepen hij is. Bij een van zijn soirees ontmoet Lúcio voor het eerst Ricardo voor wie hij gelijk genegenheid opvat, zelfs zoveel dat hij het een ‘gepredestineerde’ vriendschap noemt. Tijdens lange wandelingen en etentjes houden de boezemvrienden gesprekken van ziel tot ziel. Zo onthult Ricardo in een van die gesprekken dat hij ‘niemands vriend zou kunnen zijn.’

    Het is verleidelijk om in de figuur van Ricardo Pessoa terug te zien en in Lúcio Sá-Carneiro zelf. Gedeelten van hun gesprekken lijken wel direct uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa te komen. We weten dat Sá-Carneiro Pessoa beschouwde als zijn beste vriend, ook al is hij in zijn schaduw blijven staan. Ze schreven samen aan het literaire avant-garde tijdschrift Orpheu. Tot Sá-Carneiro’s problemen schijnbaar de overhand kregen, wat tot een paar wanhopige brieven aan Pessoa leidde: ‘Koorts, koorts is het.’ Iets van die wanhoop schemert duidelijk door in deze roman waarin de zenuwen van Lúcio het zwaar te verduren krijgen door Marta, de vrouw van Ricardo.

    Die vervloekte literatuur

    Lúcio drukt de lezer telkens op het hart dat hij ‘alleen maar feiten’ mededeelt, al lijkt zijn mentale staat het tegenovergestelde te beduiden. Sá-Carneiro blinkt vooral uit in portretten en nergens leeft hij zich zo uit als op het karakter van zijn kameraad. Urenlang denkt Lúcio na over al zijn eigenaardigheden en trekjes, zijn werk dat vol ‘sensualisme en waanzinnige perversiteiten’ zit. Ricardo dringt door tot in de donkere krochten van Lucio’s geest die volgens hem leidt onder een ‘duister doodslijden.’ Ricardo voelt zich lijden onder de banaliteit, maar ook de literatuur is geen uitweg, alles is al eens beschreven, en beter. Zodat hij tenslotte uitroept: ‘die vervloekte literatuur’. Deze zweem van fantastisch fatalisme doet denken aan de decadentie van de poètes maudits, de opulentie van een Baudelaire of de fantastische visioenen van een Rimbaud. Er is een onzichtbaar noodlot aan het werk en het obscure of perverse wordt bewust opgezocht.

    Als Ricardo terugreist naar Lissabon stuurt hij Lució een brief waarin hij vertelt dat hij een partner heeft gevonden, Marta. Als Lució hem tenslotte achterna reist komt hij al snel onder haar invloed. Marta heeft vanaf het begin een air van mysterie en lijkt eerder een van de duistere bruiden van Edgar Allan Poe. Ze verschijnt als een waar droombeeld aan Lúcio die haar beschrijft als ‘een knappe vrouw, blond, heel blond, lang, sculpturaal – en haar huid was gebronsd, stevig vluchtig. Haar blauwe oogopslag ging nostalgisch verloren in het oneindige.’ Haar handen zijn ‘verontrustend’ en ze lijkt ergens door gekweld te worden. Deze schijnbaar ideale partner ontpopt zich tot een ware femme fatale in de letterlijke zin van het woord voor Lúcio. In een sfeer van beklemmende geheimen worden de twee steeds intiemer.

    Fata morgana

    De zaadjes van de twijfel worden gezaaid door Sá-Carneiro die telkens weer de lezer op een verkeerd spoor tracht te zetten. Dan lijkt Marta opeens op te lossen in de lucht, en is ze opeens verontrustend echt in Lúcio’s bed. In de finale wordt iets van de sluier opgelicht maar er wordt niets uitgelegd of weggegeven. In de greep van de betovering lijkt Lúcio niet helder meer te willen denken. ‘Mijn enige beklemming was het mysterie.’ En nu hij het vleesgeworden mysterie bezit, wordt hij nog steeds gekweld door wroeging. Maar het levert niet meer op dan warrige spoken en hersenschimmen, Marta’s mystieke lichaam lijkt niet bezeten te kunnen worden, ze is vluchtig als een droom. Niet alleen de gevoelens worden literatuur bij Sá-Carneiro, maar hij lijkt zelf de grens tussen literatuur en het echte leven te willen overschrijden. Zodat je nooit zeker weet of Marta nu een constructie is van Ricardo of een echte vrouw. Schoonheid moet voor Sá-Carneiro overvloedig zijn, convulsief haast, de zinnen moeten ontregeld worden.

    En dus schept Sá-Carneiro een spiegelpaleis waarin de schoonheid bewierookt wordt en de elegantie centraal staat. Met zijn decadente stijl zet hij een dialoog voort met Pessoa en zette hij zichzelf op de kaart als modernist. Via Orpheu introduceerde Sá-Carneiro ook het futurisme in Portugal. De bekentenis van Lúcio is een legpuzzel met een ontbrekend stukje en de oplossing kan wellicht gevonden worden in het leven (of de dood) van Sá-Carneiro. In zijn proza blijft hij een dichter en dit zie je terug in de warrige structuur van de roman en de focus op beschrijvingen, veelal in een onmogelijk palet van bonte kleuren. De spanning valt ook een beetje weg in het middenstuk omdat je constant ten onder gaat in alle bizarre beelden, krankzinnige gedachten en extravagante metaforen. Sá-Carneiro heeft ooit gespeeld met het idee van een verhaal over een man die verdwijnt in zijn eigen innerlijke wereld; zijn leven en kunst zijn hier sterk door getekend. De bekentenis van Lúcio leest als een lange trance, het ontwaken uit een ‘vreemde, duistere slaapdronkenheid.’

     

     

  • Liefde, cultuur en macht

    Liefde, cultuur en macht

    Met de openingszin van Het monster van Sint-Helena vat de Catalaanse Albert Sánchez Piñol zijn hele boek samen. ‘Wat zou er gebeuren als we de Liefde, de Cultuur en de Macht in één kamer bijeenbrachten? Ik geloof, Lief Dagboek, dat alles begon met deze overigens frivole en banale vraag, die ik mezelf op een dag stelde.’ Piñol vroeg zich af wat er zou gebeuren als deze drie denkbeelden samen zouden komen. Voor de Liefde koos hij de markiezin van Custine als personificatie; de schrijver en denker De Chateaubriand was Cultuur en Napoleon Bonaparte kan worden geïdentificeerd als de Macht. Plaats van delict: Sint-Helena. Hoewel hij historische figuren gebruikt tegen de achtergrond van het eiland met de villa Longwood, waarin Napoleon gevangenzat en bewaakt werd door een garnizoen van duizenden soldaten, is Het monster van Sint-Helena geen historische roman, maar fictie.

    Het verhaal speelt rond 1819. Delphine Sabran, markiezin van Custine, leeft voor en van de liefde. Ze is de minnares van de grote Franse schrijver en denker Francois René de Chateaubriand. Ze houdt veel van hem en vraagt zich af of hij ook wel zoveel van haar houdt want hij spreekt de woorden nooit uit. Om hem uit te dagen en misschien ook uit pure verveling, verzint ze een plan. Samen met hem maakt ze de reis naar Sint-Helena om aldaar Napoleon Bonaparte te verleiden, zodat Chateaubriand, als hij echt verliefd is op Delphine, wel jaloers moet worden.

    Allegorie

    Tamelijk humoristisch en naïef is dit het begin van de allegorie Het monster van Sint-Helena. Een allegorie die staat voor de verheerlijking van de macht (momenteel actueler dan ooit); de onontkoombare liefde, en de teloorgang van de cultuur of beschaving. Delphine is intelligent, goed van de tongriem gesneden en heeft bovendien zelfspot. Ze vertrouwt haar zielenroerselen toe aan haar ‘Lief Dagboek’, dat ze te pas en te onpas als zodanig aanspreekt, wat aanvankelijk irriteert, tot het grappig wordt. In feite is ook het dagboek een personage in het verhaal.

    Chateaubriand en Delphine zijn beiden verwend en arrogant en denken de wijsheid in pacht te hebben. Na maanden op het zeilschip naar Sint-Helena, met veel citroenen tegen scheurbuik en vitaminegebrek en diepe verveling, komen ze eindelijk op het desolate grijze, lelijke Sint-Helena aan. Een eiland dat vergeven is van ratten. ‘Lief Dagboek, die geluiden, dat alomtegenwoordige krikrak in de herberg, in het huis van de gouverneur, in het huis van Umbé, zijn geen houtwormen maar ratten. Achter elke wand, over elk plafond, onder de houten vloeren, en hier is alles van hout. Ratten. Het hele eiland is ervan vergeven. Ratten.’

    Monsters

    De grote Napoleon krijgen ze vooralsnog niet te zien. Ze verkassen van de herberg naar het huis van Umbé, die als slavin en voormalige minnares van Bonaparte een slachtoffer is van de macht. Ze is doof en blind, maar overleeft met een groentetuin en haar kippen. Eén kip is bijzonder, mismaakt maar reuze slim. Delphine heeft een zwak voor deze kip, die Trophy wordt genoemd en de beste eieren legt. Umbé en iedereen op het eiland waarschuwt Delphine voor ‘Boney’. Hij is een monster, toch ziet Delphine uit naar de ontmoeting, er nog steeds van overtuigd dat alles zal veranderen als hij haar ziet. De teleurstelling is groot.

    Behalve Napoleon is er volgens sommige bewoners en Umbé nog een monster in aantocht. Er wordt veelvuldig gesproken over de Bigcripi en langzaamaan krijgt het verhaal sterke fantasy-elementen. De Bigcripi is een watermonster van ongekende afmetingen dat aan land komt en alles om zich heen verwoest.

    In een interview met Publico zegt Piñol dat hij begon met een kort verhaal, maar zoveel plezier in het schrijven kreeg dat het steeds langer werd. Bovendien zat hij net als iedereen in de covidpandemie gevangen. Het is makkelijk om de Bigcripi, het watermonster, als een metafoor van het coronavirus te zien. ‘Ik had een slechte tijd, de maatregelen volgden elkaar op. Een optelsom van Bigcripi’s, de een bijt in de staart van de ander.’

    Wanneer de macht, de liefde en de cultuur in een kamer zijn, lijkt er een soort balans te ontstaan van hypocrisie. Tot de macht de liefde verkracht en de cultuur ten onder gaat en zodra de Bigcripi’s op het eiland verschijnen worden dankzij hun ingrijpende destructie alle pionnen verzet; de karakters van de hoofdpersonages veranderen. Macht wordt verzwolgen, Cultuur komt tot inkeer en Liefde herpakt zichzelf. ‘Het is nu niet langer een poëtisch steekspel tussen Bonaparte en Chateaubriand, tussen de literatuur en de politiek, maar een strijd om te overleven, en ik zal er alles aan doen om ons hier levend uit te laten komen. Soms is de verhevenste uiting van liefde het waarborgen van de veiligheid van de geliefde.’

    Vrouwelijke veerkracht

    Dat Delphine als vrouw het dagboek schrijft en haar visie op de gebeurtenissen geeft is een sterk gegeven. De rol van de vrouw krijgt een duidelijke plaats in het hele machtsverhaal. Net als Umbé en het watermonster, dat uiteindelijk ook vrouwelijk blijkt te zijn, tonen zij veerkracht. ‘Voor een ogenblik stonden wij drie vrouwen, de drie ongelijksoortigste wijfjes van het heelal, met elkaar in verbinding, zoals de drie punten van een driehoek onvermijdelijk verenigd zijn.’

    Een boek dat als een tamelijk naïef liefdesverhaal begint eindigt met een gewelddadige veldslag, waarin de gekte van mannen die oorlog voeren overheerst. Piñol is een geëngageerd schrijver met een ongebreidelde fantasie die zorgt voor een paar uur leesgenot, maar uiteindelijk is Het monster van Sint-Helena een klucht die niet echt zal beklijven.

     

  • Oogst week 23 – 2024

    De bekentenis van Lúcio

    Sommige zelfmoordenaars halen de club van 27 net niet. Eén van hen is de Portugese schrijver Mario de Sá-Carneiro. In 1916 pleegt hij zelfmoord op 26-jarige leeftijd. In het semi-autobiografische De bekentenis van Lúcio (A confissão de Lúcio) schrijft De Sá-Carneiro over de 10 jaar die hij vastzat. Hij zou zijn beste vriend, Ricardo Loureiro, echter helemaal niet hebben vermoord. Maar hoe betrouwbaar is de hoofdpersoon eigenlijk, die gebukt gaat onder waanbeelden en depressies?

    De Sá-Carneiro gold na Fernando Pessoa als de toonaangevende Portugese dichter van de vroege twintigste eeuw. Onder meer Ted Hughes en Sylvia Plath verslonden zijn gedichten. In 2016 stond Portugal zelfs stil bij de 100ste sterfdag van de auteur. Naast De bekentenis van Lúcio schreef hij boeken als De vriendschap, De hemel staat in brand en Lieve Fernando Pessoa, een briefwisseling met de beroemde schrijver. Oud zou Mario dus niet worden. Een zoveelste jong talent, in de knop gebroken.

    De bekentenis van Lúcio
    Auteur: Mario de Sá-Carneiro
    Uitgeverij: Nobelman

    Molo Uku – Erfenis van de Gouden Eeuw

    Graphic novels zijn een perfect opstapje om jongeren aan het lezen te krijgen. Dit heeft docent, marketeer en schrijver, Erno Pickee, waarschijnlijk geïnspireerd tot Molo Uku. Dit stripboek vertelt over de VOC-tijd, maar dan vanuit het perspectief van twee Molukse jongens. Alfred Birney, die zich ergert over dat eeuwige Oeroeg van Hella Haasse en Max Havelaar van Multatuli op de ‘inclusieve’ boekenlijsten, kan zijn hart ophalen. Eindelijk een verhaal over ‘de Oost’, verteld dóór onderdrukten, en niet óver onderdrukten.

    Als een multinational waar Shell bij verbleekt, houdt de VOC huis in de zeventiende eeuw. De compagnie veroorzaakt hongersnoden, slavenhandel en duizenden doden onder de Molukkers. Nederland moet deze geschiedenis kennen en niet wegmoffelen onder het tapijt. Daarom geeft Pickee aan de InHolland lessen over integriteit en authenticiteit. Hopelijk levert Molo Uku, niet te verwarren met het mierzoete en eurocentrische tempo doeloe, een bescheiden bijdrage aan een zelfbewuster Nederland.

    Molo Uku - Erfenis van de Gouden Eeuw
    Auteur: Erno Pickee
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Voet in voet oog in oog

    Voet in voet oog in oog klinkt als een Bijbelse vergeldingsformule, maar dat is het niet. Elly Stolwijk beschrijft het lot van haar vader Fons, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in nazi-Duitsland tewerkgesteld is. Heel zijn leven zwijgt hij over deze zware jaren in Berlijn en Haucherthal. Ruim 450.000 teruggekeerde jongemannen doen hetzelfde tijdens de wederopbouw. Fons vertelt alleen dat hij iets deed in fabrieken met moertjes en schroefjes. Verder overheerst de schaamte om geen echt verzet te hebben gepleegd tegen de nazi’s.

    Elly Stolwijk, naast auteur ook kunstenares, schreef eerder al de poëziebundel Met liefde de vluchtige holte. Drie jaar geleden verscheen De laatste framboos, waarvoor het Poëziecentrum in Gent haar nomineerde voor de Poëziedebuutprijs. In dat werk kruipt Stolwijk in de huid van een vrouw die een kind verliest, precies wanneer de zwangerschap op haar eind loopt. Met Voet in voet oog in oog behandelt Stolwijk wederom een trauma: iets overleven zonder dat je er trots op wilt zijn.

    Voet in voet oog in oog
    Auteur: Elly Stolwijk
    Uitgeverij: In de Knipscheer
  • Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    In een interview met de Volkskrant zei Nuri Bilge Ceylan, regisseur van de Turkse film About Dry Grasses, onlangs: ‘Het verhaal van de film is voor mij ook niet zo belangrijk. Het gaat meer om wat interessante momenten, waarin ik dan de worsteling van de personages kan vatten.’ Dit had ook gezegd kunnen zijn door de Amerikaanse schrijver Sam Shepard, en dan over zijn boek Een dag als geen ander (oorspronkelijke titel Day out of days, vertaald door Gerrit Brand). Ook hier is geen sprake van een ‘verhaal’. 

    Hoewel dit een verhalenbundel is, zijn er maar een paar verhalen met iets van een samenhangend plot. Inderdaad, het zijn veel meer een verzameling ‘interessante momenten’ – literaire snapshots van wat in een van de teksten ‘de Amerikaanse verlorenheid’ wordt genoemd. Als er iets is wat de verhalen in Een dag als geen ander bindt, dan is dat de beschrijving van het grimmige, wanhopige leven aan de rand van de Amerikaanse samenleving. Of wie weet is het juist het leven in de kern van die complexe, worstelende, uit elkaar vallende maatschappij.

    Toneelschrijver Sam Shepard (1943-2017) kreeg in 1979 de Pulitzer Prijs voor Buried Child. Daarnaast was hij scenarioschrijver, regisseur en acteur en schreef twee romans en vier verhalenbundels. Een dag als geen ander is de laatste daarvan. Shepards verwevenheid met toneel en film verloochent zich in deze bundel bepaalt niet. Veel teksten, meestal maar een of twee pagina’s, lijken wel bedoeld als schetsen voor filmscènes.

    Soms ook zien we dialogen in korte zinnen, die zó een fragment van een toneeltekst zouden kunnen zijn. Dan weer hele reeksen korte observaties, zoals in het eerste verhaal (‘Keuken’), dat voornamelijk bestaat uit de beschrijving van alles wat er in die keuken aan foto’s en ander beeldmateriaal te zien is, ‘gewoon willekeurig vastgepind aan kasten en deurposten, zijdelings wegglijdend’. Sommige verhalen gaan expliciet over filmische thema’s, zoals het leven van een acteur die ‘wat laatste opnames’ moet maken voor een film ‘waarvan hij zelfs de titel niet meer weet’ en een ik-figuur die ‘weer een militair’ moet spelen, ‘die ik niet ben en nooit zal zijn’. 

    Identiteit

    Daarmee is een ander overkoepelend thema in deze verhalenbundel aangestipt: de zoektocht naar identiteit. Een kwestie die uiteraard essentieel is in de wereld van film en toneel, waarin de grens tussen speler en gespeelde dikwijls diffuus is. Opvallend vaak gaat het in deze bundel over onthoofdingen, ‘het soort scheiding dat ons het meest beangstigt – ons hoofd verliezen’, en het villen van de gezichtshuid, ‘zodra je het gezicht van het lichaam scheidt en het plat op een formica toonbank legt, is het helemaal niet meer hetzelfde’. Soms ook zit de dualistische identiteit in de persoon zelf, zoals in het verhaal Costello. Daarin keert de ik-figuur na vijfenveertig jaar terug naar zijn geboortestad, en heeft meteen spijt. ‘Waarom zou iemand vrijwillig een wandeling maken door zijn verre verleden, anders dan [om] het geheugen van een lang verloren tegenhanger te kwellen?’

    Vervolgens komt er een intrigerend spel met en over identiteit, via een gesprek over vroeger waarin een van de gesprekspartners de ander niet herkent als zijn grote jeugdvriend, en intussen wel heroïsche anekdotes over hem opdist. In een van de laatste verhalen gaat het over iemand die na een hartaanval een ander mens is. ‘Hij kon zijn ommezwaai nauwelijks geloven. (…) Hoe hij plotseling zijn heiligste obsessies kon opgeven, hele aspecten van zijn karakter die hij als onveranderlijk had beschouwd.’ 

    De beste onderdelen van Een dag als geen ander zijn de langere verhalen (vijf tot tien pagina’s), geordend als een soort roadtrip, met titels vernoemd naar de plaats van actie of van herkomst. Deze zijn vlot, soms zelfs meeslepend geschreven, en doen denken aan Kerouacs On the road, waarnaar ook een keer letterlijk verwezen wordt. Ze gaan over het leven over de highways, op motelkamers en in stacaravans. Drank, drugs, overspel en verdwalen in een loeiende storm. Plaatsnamen als Tucumcari, Baton Rouge, Calexico en Texarcana. De zinnen zijn vaak kort, af en toe bijtend. De enscenering wordt krachtig gevisualiseerd.

    Sterke beeldendenker

    Als film- en theaterman is Shepard kennelijk geneigd sterk in beelden te denken: ‘Ik maak geen geheim van mijn obsessie tot observeren.’ Verder bestaat de bundel uit een groot aantal kortere teksten, die lang niet altijd als ‘verhalen’ zijn te beschouwen. Laten we ze ‘aantekeningen’ noemen. Aan een aantal daarvan is geen touw vast te knopen. Een voorbeeld daarvan is Alpine, Texas (Highway 90), dat bestaat uit drie pagina’s korte zinnen, soms van maar één woord, zonder enig onderling verband. Of het moet de verbeelding van een onnavolgbare, stream-of-consciousness-achtige koortsdroom zijn. Hoe dan ook, afwisseling en vervreemding genoeg in deze gedurfde verhalenbundel. Het is beslist geen doorsneeboek en de uitgever en vertaler verdienen waardering voor het toegankelijk maken ervan voor de Nederlandse liefhebber. 

    Aandacht voor de taal

    Toch is er een minpunt. Soms staan er lelijke zinnen, wat nog onder ‘smaken verschillen’ kan vallen, zoals: ‘We reden toen we eindelijk terugkeerden in stilte van het vliegveld van St. Paul naar huis.’ Maar er zijn ook ontsporende zinnen. ‘En dat deze snijbloemen in L.A. veel geld opbrachten, nadat ze ’s nachts die lange weg met de trein door de Santana wind waren gereden, in pikzwarte goederenwagons, die in de ochtenddauw door Mexicaanse verkopers werden geopend om vervolgens te worden verkocht voor de schaduwrijke patio’s van de superrijke Wrigleys en Richfields.’ Laakbaar wordt het als woorden verkeerd vertaald zijn. ‘Artificial eyes’ zijn ‘kunstogen’ en niet ‘artificiële ogen’. We zeggen ‘ambulancepersoneel’, en niet ‘paramedici’. En een ‘fireman’ op een stoomlocomotief heet in het Nederlands geen ‘brandweerman’, maar ‘stoker’. Dat is zonde. Dit bijzondere boek had meer aandacht voor de taal verdiend. 

     

     

  • Meanderende familiegeschiedenis

    Meanderende familiegeschiedenis

    Het hart van de ever van Baltasar Porcel is het soort boek dat je, nadat je het hebt dichtgeslagen meteen weer opent om het begin te herlezen. Zijn er daar al aanwijzingen naar het einde? Ja, die zijn er. Halverwege de eerste bladzijde wordt gewag gemaakt van een graf. Tijdens het lezen van dit wijduit meanderende verhaal ben je dat allang vergeten. Het is ook geen boek om achter elkaar uit te lezen, toch is de rode draad makkelijk te volgen.

    Het verhaal is opgebouwd uit acht hoofdstukken, die meestal beginnen met een overpeinzing of een natuurbeschrijving, zoals het hoofdstuk Het eiland van opa van het oog. ‘De dag brak open en ordelijk aan, het eiland was half gezien en veelvuldig voorgesteld. Wat zouden we de wereld liefhebben als we haar voor de eerste keer in één keer ontdekten! Om vanuit de ruimte aan te komen bij alle bomen en edelstenen, bij de meest uiteenlopende en uitgelaten mensen, bij de intense en smachtende aspecten van de liefde, bij de lome en grootse tijger en de witte en nostalgische meeuw, (…)’

    Elk hoofdstuk gaat dieper in op een ander personage dat een rol speelde in het leven van Baltasar Guillem van De Oude Huizen. Hij is de oom van de verteller, de schrijver Baltasar Porcel die in dit boek zijn eigen leven fictionaliseert. Baltasar Guillem was de broer van Gabriel, de vader van de schrijver. Over de vader en de nijd tussen beide broers komen we weinig te weten, hoewel het niet vertelde genoeg zegt over hun relatie. Gabriel was een grijze muis, Baltasar een charismatische rokkenjager, avonturier, filosoof en opportunist. Stof genoeg om in de handen van de Catalaan Porcel een boeiend en rijk verhaal te worden.

    De erfenis

    Het hart van de ever speelt zich af op Mallorca, waar de schrijver zijn jeugd doorbracht, maar ook in Cuba, Thailand en de Provence. Porcel erft het bezit van zijn oom op Mallorca: De Oude Huizen, een vervallen landgoedje, en in Palma het dorpshuis Can Cronos. Reden voor de schrijver om in het waarom van deze vreemde nalatenschap te duiken, maar vooral ook om antwoord te krijgen op wie zijn oom eigenlijk was. Hij zou de erfenis kunnen weigeren, want het onderhoud zal een hoop geld gaan kosten. Sommige kamers zijn nog in tact met wat aftands meubilair, onder andere de secretaire van zijn oom met oude dagboeken en brieven. Vervolgens duikt Porcel in zijn familiegeschiedenis vol anekdotes en geheimen waarin zijn mysterieuze oom de hoofdrol speelt.

    De oom stond voor het recht van het individu en wilde zijn persoonlijk universum opbouwen. In het boek wordt dat gesymboliseerd in het licht dat de oom in De Oude Huizen liet aanleggen om ze uit de duisternis te halen. ‘Vanavond heb ik getrild en gehuild van verwondering: ik heb de schakelaar omgedraaid en Er Was Licht. Een put van duister en kou en dood en vreemde en beslissende krachten die altijd over De Oude Huizen geheerst had, is plotseling ontploft, verzwonden, vervlogen in de lucht, en te midden van alles en boven alles is de mensen helderheid verschenen in de gloed waarvan de huizen vlekkeloos straalden, een lichtend witte bloem.’ Dit is een sleutelscène in het boek want in het proces van het scheppen van zijn wereld, zoals in Genesis, wil oom dat zijn erfgenaam zal schijnen door weer bezit te nemen van De Oude Huizen en op die manier de betekenis van zijn werk te accepteren.

    Rokkenjager en filosoof

    In Thailand leefde oom met mooie opwindende vrouwen. Hij had een affaire met Pilar Massanella, de dochter van zijn latere vrouw Valèria, en de rest van haar leven verlangt het meisje, later vrouw smachtend naar hem. In de tijd van de Spaanse burgeroorlog, die ook op Mallorca speelde, wist hij bij een vliegtuigcrash de gewonde Engelse piloot en een Duitse professor die de Nazi’s ontvluchtte onder de ogen van de Guardia Civil te helpen ontsnappen. De oom kreeg hulp van de dochter van een Engels spionnenechtpaar, met wie Porcel later weer contact zoekt. Van haar krijgt hij interessante informatie over zijn oom. We krijgen het indringende verhaal van de verlegen en saaie Maxim Massanella de Mus, doctorandus semitische talen, die met de mooie wulpse Valèria trouwde. Hij redde haar en haar dochter Pilar uit het huwelijk met een gewelddadige falangist, waarbij zijn familiekapitaal haar bijzonder goed uitkwam. Na Maxims dood, die hij zelf zag aankomen en die hoogstwaarschijnlijk door Valèria werd beraamd, trouwt zij met Baltasar Guillem. Na haar, verrassende, dood heeft hij zijn affaire met Pilar. Over de dader van deze vreemde doodsoorzaken wordt gespeculeerd en sommige mensen wijzen de oom aan.

    De schrijver-verteller-neef bewonderde oom in zijn jeugd, verfoeide hem later om zijn egoïstische gedrag, maar leert uit de geschriften die hij achterliet dat zijn oom kon en wilde zijn wie hij was, ondanks de beknottende periode ten tijde van de Spaanse burgeroorlog en daarna. Een man die vocht tegen uniformiteit en weerstand bood tegen onrecht. Dat blijkt ook uit de gesprekken die Porcel heeft met diverse mensen die nog in leven zijn en oom gekend hebben. Zoals Donat Consolí, de oude knecht die nog in De Oude Huizen woont.

    Intrige volgt op intrige en langzaam worden de ogen van Porcel, en zijn lezer, geopend voor wat er allemaal heeft gespeeld in die breed uitwaaierende familie. De opa bijvoorbeeld, Baltasar Pere van De Oude Huizen, oftewel Baltasar Pere van het oog, vertrok als jonge man naar Cuba, viel in een krokodillenkuil en verloor zijn oog. Baltasar Guillem bezoekt zijn vader in Cuba en doet in een van zijn dagboeken levendig verslag van diens leven. In de jaren twintig van de vorige eeuw vergaarde hij zijn kapitaal met het smokkelen van drank en tabak naar het door de drooglegging geteisterde Amerika.

    Uiteindelijk gaat Porcel naar de Provence op zoek naar Emaur Jano. Haar moeder was een vriendin van oom en de dochter, ‘van blakende schoonheid’, heeft Baltasar Guillem goed gekend in haar jeugd. Wederzijdse energie knettert voelbaar tussen de schrijver en Emaur Jano. Hun amourette is een intermezzo in het boek. Ondertussen weet Emaur Jano heel veel puzzelstukjes te leggen in het verhaal van de oom, een boeiende maar ook wat langdradige ontwikkeling, want er blijkt een hele Franse tak van de Porcels te zijn die eeuwen terugvoert.

    Tussen God en de duivel

    De ontdekking van wie Baltasar Guillem werkelijk was, kan gezien worden als de ware erfenis die de schrijver ontving. Zijn grootvader en oom hadden hem uitverkoren als de personificatie van de deugden van hun familie.
    Hoewel het verhaal nergens echt spannend is, dwingt het einde tot snel uitlezen en worden diverse verhaallijnen afgeknoopt. Porcel gaat op zoek naar het graf van zijn oom, dat bijzonder genoeg ergens in Bretagne zou zijn. Het beeld van een boeiend mens is bijna compleet, hoewel het einde nog een verrassing in petto heeft. Het hart van de ever – de titel slaat terug op de everzwijnen die op het landgoed gehouden werden – is een boek dat gaat over mensen als amorele wezens, die zich voortbewegen door instinct, verlangen naar vrijheid, ambitie, macht en plezier. Baltasar Guillem was een fervent atheïst, maar altijd in harmonie met het universum en net zo ver verwijderd van God als van de duivel, of anders gezegd, goed met beide.

    Dit boek is een aanrader. De goede vertaling moet geen gemakkelijke klus zijn geweest. Baltasar Porcel stierf in 2009 en wordt beschouwd als de beste schrijver die Catalonië voortbracht. Hij schrijft inhoudsvol en toegankelijk, met prachtige beelden, natuurbeschrijvingen en filosofieën over dood en leven, passie en verlangens en hoe te leven.

     

     

  • Goed, hè?

    Goed, hè?

    Sommige boeken bereiken het tegenovergestelde van wat ze proberen. Neem de ‘openhartige’ biografie van Patrick Kluivert, die eindelijk het ware gezicht van de oud-spits zou tonen. Het charmeoffensief resulteert in een beschamend interview met Wilfried de Jong, die de voetballer in verlegenheid brengt. In 1995 rijdt Kluivert namelijk een theaterdirecteur dood en pas twee dagen voor publicatie van de biografie (2006) neemt hij contact op met diens familie. Elf jaar later. Weg oprechtheid. Denk ook aan het levensverhaal van de ‘sympathieke’ Erica Meiland. Zij wordt voor xenofoob versleten, na een vergelijking van moslima’s met pinguïns. En wat te denken van Lale Güls debuutroman? Sinds het verschijnen van Ik ga leven wordt haar bewegingsvrijheid drastisch ingeperkt door intimidaties. Dat is geen leven. Exact dit averechtse effect heeft ook De Liefdader van Stasio Komar.

    Het verhaal moet voelen als de genadeloze ontmaskering van een Nederlandse weldoener in Brazilië. Het wordt een slap aftreksel van Multatuli’s Max Havelaar. Hoe komt dat? Alle elementen lijken aanwezig voor een nietsontziend relaas over een favela-viespeuk. Op het eerste gezicht, althans. De ondertitel van De Liefdader luidt ‘Een roman die een stem geeft aan hen die zwijgen’. Op de voorkaft blikken twee schichtige kereltjes door een sleutelgat, als in een Juliana Fonds-reclame. De lezer moet nu denken: ‘In dit boek gebeuren heel, heel duistere dingen.’ Dat is ook zo, maar de ernst wil maar niet beklijven door cruciale keuzes van de schrijver in stijl, inhoud en genre.

    Rio de genre

    Komar begint zijn verhaal met een DISCLAIMER, in kapitalen: ‘Personages, locaties, voorwerpen, sferen (…) in deze roman zijn fictief. Identificatie met bestaande personen, plaatsen of situaties is geheel toevallig.’ Dat Komar zelf hulpprojecten opgezet heeft in Brazilië, staat dus volledig los van de misstanden in zijn boek. Tegelijk bevat De Liefdader achterin een Braziliaans-Portugese woordenlijst en een overzicht van locaties, personages en organisaties. Voortdurend schippert de schrijver tussen lyrische, bedwelmende fictie en objectieve non-fictie. En nee, hier is geen sprake van een bewust postmodern spel dat het spanningsveld tussen beide aftast. De waarheid gaat ons lezers vol in ons gezicht slaan, belooft Komars motto: ‘De waarheid is een jas: wie hem niet past, beschuldigt de kleermaker.’ En terecht… Kleermaker Komar begaat immers flink wat weeffouten.

    De schrijver is bloedserieus, maar blijft worstelen met de vraag welk genre zich voor zijn verhaal leent. Een documentaire? Een reportage? Een roman? Wie schandalen onthult, verdient altijd respect. Zo ook Stasio Komar. Maar wie het zo belangrijk vindt de waarheid boven tafel te krijgen, kan dat het beste onomwonden of met messcherpe satire doen. De Liefdader laat beide na. Het boek is soft, dus zouteloos. Wijdlopig, dus saai. Onbewust over de schrijvers vooroordelen, dus pijnlijk.

    Via ik-persoon Julian Udazkovski brengt de auteur het kindermisbruik van weldoener Arno Burgers aan het licht. Vooral de jongens in de straatarme favela’s zijn niet veilig voor Burgers. Komar, zelf journalist van beroep, propt zijn boek echter vol met overtollige beschrijvingen die voor journalistieke precisie moeten doorgaan. Ze ergeren vooral. Doordat het boek slordig meandert van feit naar fabel en verhaal naar verslag, wiegen Komars woorden ons in coma. Dan wordt wakker schudden met de waarheid vrij lastig.

    Bijvoeglijke naamwoorden

    De auteur verwart raak observeren met heel veel informeren. Aan het begin van elk hoofdstuk hangt er weer een andere sfeer. Die moet steeds expliciet beschreven worden. En nadien worden uitgelegd. Op pagina één reeds dreigt een omineus onweer, het voorteken voor rampspoed: ‘Vanaf de oceaan breidde een dek van bewolking zich snel uit in de richting van de stad. Grijze wolken sloten zich aaneen en de opgestoken wind joeg de duisternis naar het vasteland. In de verte zigzagden al bliksemschichten. De zinderende lucht verbond zich met het water. De golvende spiegel ving miljoenen deeltjes. Verblindende flitsen volgden elkaar met steeds kortere tussenpozen op. Ineens was er een lange grafiekvormige bliksem die de hemel spleet. De eerste donderslag liet niet lang op zich wachten. Een paar aarzelende druppels spatten uiteen op de stoffige ruit.’ Dit belooft weinig goeds.

    Op diezelfde pagina is de broeierige warmte rondom Rio de Janeiro viervoudig voelbaar, waarna de lezer beseft: dit wordt vijfhonderd pagina’s lang zweten en ploegen. Als het taalkundig mogelijk was geweest, dan had De Liefdader meer bijvoeglijke dan zelfstandige naamwoorden gehad: ‘Passerende auto’s veranderden het stoffige wegdek in een vieze brij.’ Kleine jongens in een opvangcentrum klappen mee met de muziek van de juf en doen dat ‘met hun handen’. De doorbrekende zon is ‘stoffig’. Kan dat überhaupt? Wat te denken van deze vergelijking, waarin Burgers zijn eigen stichting moet beoordelen: ‘Burgers keurde niet alleen zijn eigen vlees, hij mestte het ook nog vet, sabbelde er een tijdje aan en stuurde het dan naar zijn eigen abattoir.’ Oké, hij deugt inderdaad voor geen cent. Maar hoe zit het met die integere, nietsvermoedende Julian Udazkovski zelf?

    Goede inborst of borstklopperij?

    Zoals gezegd claimt deze roman een stem te geven aan wie zwijgen. Als Komar daarmee verwijst naar de misbruikte favela-kinderen, dan is de claim volkomen leeg. De enigen die uitgebreid focaliseren en dus een stem krijgen, zijn een alwetende verteller en Julian Udazkovski. Als mogelijk evenbeeld van Stasio Komar moet deze journalist natuurlijk uit de bus komen als de good guy. En dat Arno Burgers een hond van een vent is, moge duidelijk zijn. Wanneer deze zijn walgelijke gedrag richting een jonge bedelaar tentoonspreidt, biedt Julian wel heel weinig tegengas. Het blijft bij ‘Je gaat wel speels met die jongens om, hè?’ Omgekeerd geldt voor De Liefdader: is dit niet veel te soft? Los daarvan verdienen Julians omschrijvingen van de lokale bevolking pas echt hoongelach en afkeer. Naar het schijnt, hekelt Julian de exotisering van Braziliaanse jongeren. Zijn woordkeuze verraadt toch een andere houding.

    Continu struikelt de lezer over Julians ongelukkige formuleringen als ‘tengere jongetjes’, ‘straathandelaartjes’, ‘donkere gestalten’ en meer neerbuigende termen. De auctoriale verteller maakt het nog bonter: ‘wulps’ als de misbruikte meisjes zich bewegen, ‘weten ze uitstekend hoe ze mannen gek moeten maken’ en hebben ze ‘precies de leeftijd waarop hun kleine billen nog lekker zijn’. Dit soort kapitale blunders had Komar kunnen voorkomen door te kiezen voor een personaal vertelperspectief. Dat plaatst je écht in de hersenpan van een praktiserend pedofiel. Door deze keuze niet te maken en de pedofilie afstandelijk doch feitelijk te willen omschrijven, kan Komar zich geen subjectiviteit veroorloven. Helaas gebeurt dat wel met een onvervalst verlekkerde male gaze; het misbruik klinkt onbedoeld erotisch. Au. Dit kan toch nooit de bedoeling zijn van een roman die beweert onrecht aan te kaarten?

    Compliment voor Komar

    Komar stelt zichzelf hetzelfde doel als Peter R. de Vries en Kees van der Spek: onrecht en misdaad bestrijden. Desnoods als machteloze eenling. Van dat soort mensen kunnen er nooit genoeg zijn. Dat is en blijft nobel aan Stasio Komar. Al had De Liefdader meer effect gehad als non-fictieboek. Bijvoeglijke naamwoorden en lyriek gaan moeilijk samen met misbruikpraktijken in Brazilië. En al helemaal als die tierelantijntjes het schandaal overschreeuwen.