• Oogst week 23 – 2024

    De bekentenis van Lúcio

    Sommige zelfmoordenaars halen de club van 27 net niet. Eén van hen is de Portugese schrijver Mario de Sá-Carneiro. In 1916 pleegt hij zelfmoord op 26-jarige leeftijd. In het semi-autobiografische De bekentenis van Lúcio (A confissão de Lúcio) schrijft De Sá-Carneiro over de 10 jaar die hij vastzat. Hij zou zijn beste vriend, Ricardo Loureiro, echter helemaal niet hebben vermoord. Maar hoe betrouwbaar is de hoofdpersoon eigenlijk, die gebukt gaat onder waanbeelden en depressies?

    De Sá-Carneiro gold na Fernando Pessoa als de toonaangevende Portugese dichter van de vroege twintigste eeuw. Onder meer Ted Hughes en Sylvia Plath verslonden zijn gedichten. In 2016 stond Portugal zelfs stil bij de 100ste sterfdag van de auteur. Naast De bekentenis van Lúcio schreef hij boeken als De vriendschap, De hemel staat in brand en Lieve Fernando Pessoa, een briefwisseling met de beroemde schrijver. Oud zou Mario dus niet worden. Een zoveelste jong talent, in de knop gebroken.

    De bekentenis van Lúcio
    Auteur: Mario de Sá-Carneiro
    Uitgeverij: Nobelman

    Molo Uku – Erfenis van de Gouden Eeuw

    Graphic novels zijn een perfect opstapje om jongeren aan het lezen te krijgen. Dit heeft docent, marketeer en schrijver, Erno Pickee, waarschijnlijk geïnspireerd tot Molo Uku. Dit stripboek vertelt over de VOC-tijd, maar dan vanuit het perspectief van twee Molukse jongens. Alfred Birney, die zich ergert over dat eeuwige Oeroeg van Hella Haasse en Max Havelaar van Multatuli op de ‘inclusieve’ boekenlijsten, kan zijn hart ophalen. Eindelijk een verhaal over ‘de Oost’, verteld dóór onderdrukten, en niet óver onderdrukten.

    Als een multinational waar Shell bij verbleekt, houdt de VOC huis in de zeventiende eeuw. De compagnie veroorzaakt hongersnoden, slavenhandel en duizenden doden onder de Molukkers. Nederland moet deze geschiedenis kennen en niet wegmoffelen onder het tapijt. Daarom geeft Pickee aan de InHolland lessen over integriteit en authenticiteit. Hopelijk levert Molo Uku, niet te verwarren met het mierzoete en eurocentrische tempo doeloe, een bescheiden bijdrage aan een zelfbewuster Nederland.

    Molo Uku - Erfenis van de Gouden Eeuw
    Auteur: Erno Pickee
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Voet in voet oog in oog

    Voet in voet oog in oog klinkt als een Bijbelse vergeldingsformule, maar dat is het niet. Elly Stolwijk beschrijft het lot van haar vader Fons, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in nazi-Duitsland tewerkgesteld is. Heel zijn leven zwijgt hij over deze zware jaren in Berlijn en Haucherthal. Ruim 450.000 teruggekeerde jongemannen doen hetzelfde tijdens de wederopbouw. Fons vertelt alleen dat hij iets deed in fabrieken met moertjes en schroefjes. Verder overheerst de schaamte om geen echt verzet te hebben gepleegd tegen de nazi’s.

    Elly Stolwijk, naast auteur ook kunstenares, schreef eerder al de poëziebundel Met liefde de vluchtige holte. Drie jaar geleden verscheen De laatste framboos, waarvoor het Poëziecentrum in Gent haar nomineerde voor de Poëziedebuutprijs. In dat werk kruipt Stolwijk in de huid van een vrouw die een kind verliest, precies wanneer de zwangerschap op haar eind loopt. Met Voet in voet oog in oog behandelt Stolwijk wederom een trauma: iets overleven zonder dat je er trots op wilt zijn.

    Voet in voet oog in oog
    Auteur: Elly Stolwijk
    Uitgeverij: In de Knipscheer
  • Oogst week 3 – 2024

    Het enige kind

    Een oogst zou maar saai worden, als we slechts prijzen opnoemen die schrijvers in het verleden wonnen. Guadalupe Nettel, bijvoorbeeld, heeft een erelijst waarmee we een hele tekst kunnen vullen. Ze geldt als een van Amerika’s vermaardste auteurs. Bovendien verdient ze haar sporen als academica; ze promoveert op Taalwetenschappen in Parijs. Haar vierde roman, Het enige kind (La hija única), omschrijft het leven van vrouwen in Mexico-Stad. Klinkt simpel en droogjes. Wie zich echter mondjesmaat in de lokale cultuur verdiept, weet dat vrouwen daar dagelijks moeten vechten voor hun leven, alleen door vrouw te zijn. Moeders inclusief.

    We volgen vriendinnen Laura en Alina. Beiden diepgewortelde feministen, maar de één wil absoluut geen moeder worden en de ander… wellicht ooit wel. Moederschap brengt immers nogal wat teweeg, naast ‘gewoon’ een kind. Met heldere taal en kleurrijke bijfiguren laat Nettel zien welke offers moederschap vraagt: lichamelijk, sociaal en psychisch. Het complexe is, dat géén moeder willen worden, eveneens tot ongemak leidt. Het enige kind waarschuwt voor stelligheid; lonkt eenmaal de kans om voor een kind te zorgen, vertoont zelfs vrouwenactivist Laura moederlijke trekjes, waarvan ze altijd dacht die te moeten verafschuwen.

    Het enige kind
    Auteur: Guadalupe Nettel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Het mensenschip

    Telkens wanneer een Portugeestalig meesterwerk in het Nederlands verschijnt, is Harrie Lemmens erbij betrokken. Dit geldt ook voor A barca dos homens van Braziliaan Waldomiro Freitas Autran Dourado, vertaald als Het mensenschip. Dourado (1926 – 2012) kiest als decor vaak zijn geboorteregio Minas Gerais, wat hij nu nalaat. Binnenkort geeft uitgeverij Koppernik ook Opera der doden (Opera dos mortos) uit. Uniek binnen de Braziliaanse literatuur is dat Dourado zijn romans gebruikt voor poëtische stijloefeningen. Zijn prozaïsche stijl reserveert hij voor de journalistiek en advocatuur.

    In Het mensenschip staat de jonge knul Fortunato centraal. Die naamkeuze zal ironisch zijn: Fortunato heeft bepaald geen geluk en lijdt aan een verstandelijke beperking. Op een avond verdenkt men hem ervan een pistool te hebben gestolen. Er volgt een koortsachtige klopjacht door de complete gemeenschap. Per hoofdstuk wisselt Dourado van vertelperspectief; bijna elk lid uit de nabije omgeving komt voorbij, inclusief Fortunato zelf. Zo veel mensen, zo veel manieren van uitdrukken… een perfecte aanleiding voor Dourado om zijn stilistische begaafdheid te laten zien. Wie houdt van een gezonde dosis barok, zit bij A barca goed.

     

    Het mensenschip
    Auteur: Autran Dourado
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Binnen in de aarde is een berg

    Wie een gedichtenbundel getiteld Oogsteen uitbrengt, mag in de oogst van Literair Nederland natuurlijk niet ontbreken. Al gaat deze vermelding niet over dat boek, maar over Binnen in de aarde is een berg. Hester Knibbe (1946), alom geprezen dichteres uit Harderwijk, schreef al meer dan vijftien dichtbundels, die haar bijna allemaal prijzen opleverden. De laboratoriumanaliste is er beroepsmatig al aan gewend om tot de kern te komen, wat ze in haar verzen doortrekt. Critici loven haar nieuwsgierigheid en oog voor detail. Bovendien oogst Knibbe bewondering vanwege haar interesse in vroegere culturen, waaronder de Klassieke Oudheid.

    Ditmaal vormt I Tjing haar voornaamste inspiratiebron. Het Oud-Chinese Boek der veranderingen geldt als één van de oudste orakelboeken van de mensheid. Meer dan in een tarotsessie of een halfbakken toekomstvoorspelling bedient de I Tjing zich tóch ook van wetenschap, hetgeen Knibbe zal hebben gewaardeerd. Ze gebruikt de hexagrammen uit I Tjing als titels van haar gedichten en actualiseert ze. Uit het oude Griekenland kennen we natuurlijk al het motto ‘Panta rei, ouden menei’. Binnen in de aarde is een berg trekt verder oostwaarts om verandering niet alleen te accepteren, maar ook te wórden: het principe van de Tao.

    Binnen in de aarde is een berg
    Auteur: Hester Knibbe
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Openhartig egodocument

    Openhartig egodocument

    Met Mijn Nazi opa schreef documentairemaakster Sunny Bergman een egodocument waarin ze universele thema’s zoals intergenerationele traumaoverdracht, parentificatie, epigenetica en familiesystemen onderzoekt. Het begint allemaal met de mantelzorg rond haar invalide vader, Richard. Hij is deels verlamd en misschien ook wat depressief. Sunny besluit, nu het nog kan, samen met hem zijn roots te onderzoeken. Richard is een originele man zonder schaamte, en een Marxist. Hij lijkt zelfs op Marx, vindt Sunny. Hij is ook een oude hippie, die graag vergetelheid zoekt in het roken van een joint.

    Sunny Bergman is bekend van haar documentaires over racisme, complotdenken en seksualiteit. Ze is activiste en schrijfster, Mijn Nazi opa is na Sletvrees en Wit is ook een kleur haar derde boek. In Mijn Nazi opa gaat Bergman op zoek naar de herkomst van haar vaders jeugdtrauma. Ze vraagt zich af of zijn trauma’s ook doorwerken in haar. Waar komt haar eeuwige schuldgevoel ten aanzien van haar vader en het welbevinden van anderen vandaan? Ze praat met experts over intergenerationele traumaoverdracht. Maurits de Bruijn vertelt over zijn Joodse moeder, die tijdens razzia’s in een kast werd opgesloten. Vervolgens is ook hij zijn leven lang bang voor insluipers. De term parentificatie wordt genoemd, waarbij kinderen voor hun getraumatiseerde ouders zorgen. Bergman herkent het allemaal bij zichzelf en ze vraagt een gesprek aan met hoogleraar Bart Rutten, die haar een stoomcursus epigenetica geeft, wat volgens zijn zeggen een nog jonge wetenschap is die steeds meer terrein wint. ‘De overtuiging dat ons genetisch materiaal een in steen gebeiteld gegeven is, dat we onveranderd doorgeven aan ons nageslacht is dus een achterhaald idee.’ Met andere woorden, trauma’s van ouders hebben wel degelijk invloed op het DNA van hun kinderen. Zoals na onderzoek bij de kinderen van Holocaustoverlevenden bleek.

    Foute opa

    Sunny’s familie bestaat uit een kleurrijke lappendeken van personages, die ze met humor en empathie ten tonele voert. De Engelse achtergrond van haar moeder, het hippieverleden van haar ouders die op een woonboot woonden, de nieuwe partners van haar ouders, haar eigen partner en twee zoons, maar ook veel vrienden krijgen kort en bondig aandacht. Ze constateert dat ze een outcast is en outcast vrienden kiest. De hoofdverhaallijn in Mijn nazi opa is de zoektocht naar Heinrich Stender, de Duitse Nazi-vader van haar vader Richard. Hij was burgemeester en een veel oudere weduwnaar, die Richards moeder verkrachtte toen zij tijdens de oorlog zijn dienstmeisje was. Zij raakte zwanger en liet Richard na de oorlog achter bij haar ouders in Twente, om met een andere man nog een stel kinderen te krijgen. Richard kreeg zijn leerschool en liefde voor Marx mee van zijn CPN aanhangende opa van moederskant. Richard leed aan verlatingsangst en voelde zich afgewezen door zijn ouders. David, de partner van Sunny en vader van haar twee zoons, is in zijn jeugd ook door zijn moeder verlaten. Sunny’s moeder had een zeer verstoorde relatie met haar vader. Voilà, dat zijn herkenbare patronen, waarmee Mijn Nazi opa vooral een zoektocht naar Sunny zelf wordt, haar eigen ongemak en schuldgevoelens. Waarom loopt haar relatie met David stuk? Waarom leeft ze in chaos, met schuldgevoelens en zorg om anderen? En waarom zoekt ook zij telkens weer vergetelheid in die eeuwige joint.

    Verfrissend zelfhulpboek

    Ze gaat naast haar zoektocht naar de achtergrond van haar foute opa vooral op zoek naar een therapievorm die bij haar past, zowel in het wetenschappelijke als meer spirituele veld. Ze onderzoekt winti, een Surinaamse spirituele levensvisie en verdiept zich in het voorouderlijk helingsritueel. Ze doet mee aan een reality-tv-programma en komt tot weer nieuwe inzichten over superieur gedrag en kwetsbaarheid. Ze schrijft zich in voor een ceremonie met san pedro, geen drug, maar een plantmedicijn dat hallucinaties opwekt. Haar kracht is dat ze zichzelf en de therapievorm blijft bevragen. ‘Een week later bevind ik mezelf op de eerste verdieping van een industriegebouw, in een ruimte vol groene kussens, kaarsen, pauwenveren en nepplanten. Aan de muur hangen bordjes met ingelijste spirituele spreuken. Het geheel zou ik als kitscherig kunnen omschrijven, ware het niet dat ik mijn ironie en mijn oordelende brein achterwege wil laten tijdens deze ceremonie. Is ironie niet een verhulde vorm van superioriteit?’ Na de ceremonie voelt ze zich een stuk vrijer, omdat, dankzij de san pedro, haar gevoel sterk is aangesproken en ze onbedaarlijke huilbuien krijgt.

    Wijzer geworden na al haar therapeutische ervaringen weet Sunny beter wat eraan schort, waar haar eigen verdriet en trauma’s vandaan komen. (Overigens wordt het begrip ‘trauma’ tegenwoordig wel misbruikt, lezen we. Een ‘tekort hebben gehad’, zou in veel gevallen een betere duiding zijn.) Ze durft los te laten, zoals ze illustreert in een ontroerende laatste scène met een van papier gevouwen bootje dat ze met een waxinelichtje het water opstuurt. Ze is er vol ingegaan, heeft zich kwetsbaar en eerlijk opgesteld zonder zichzelf te sparen. Gelukkig is ze ook haar objectiviteit en zelfspot niet verloren, waarmee Mijn Nazi opa een verfrissend zelfhulpboek is, waarin het nodige te herkennen valt en waar veel mensen wel eens wat aan zouden kunnen hebben.

     

     

  • Oogst week 15 – 2023

    Onze voorouders ('I nostri antenati')

    Italo Calvino (Cuba, 1923) is één van die schrijvers die de oorlog niet slechts beschrijft vanaf de veilige zijlijn: tijdens de Tweede Wereldoorlog zit hij daadwerkelijk in het Italiaanse verzet. Na de val van Mussolini studeert Calvino literatuurwetenschappen in Turijn en sluit hij zich aan bij de Italiaanse communistische partij, die hij in 1957 weer verlaat. Ondertussen blijkt hij een productief schrijver. Nagenoeg alle romans die uit zijn pen vloeien, vallen op door magisch-realisme enerzijds en door een grote maatschappelijke betrokkenheid anderzijds. In 1960 verschijnt Calvino’s trilogie ‘I nostri antenati’, Onze voorouders.

    Pas in 1986, een jaar na Calvino’s heengaan, publiceert Bert Bakker eindelijk de Nederlandse vertaling. Heinrich Heine merkte niet voor niets ooit op: ‘In Holland passiert alles erst dreissig Jahren später.’ Het is een drieluik van Calvino’s vroegere novellen De gespleten burggraaf, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Uitgeverij LJ Veen Klassiek geeft het nu opnieuw uit, na Calvino’s werken De onzichtbare steden, Als op een winternacht een reiziger en Waarom zou je de klassieken lezen? LJ Veen Klassiek wil Nederland laten ontdekken waarom het Calvino zou moeten lezen!

    Onze voorouders ('I nostri antenati')
    Auteur: Italo Calvino
    Uitgeverij: LJ Veen Klassiek

    Uitzicht van dichtbij

    In een artikel voor Vice schrijft Megan van Kessel (1989): ‘Ik ging na waarom het schrijven van mijn boek inmiddels al net zo lang duurt als het leven van een gezonde cavia.’ Deze plompverloren nuchterheid had zo uit de koker van Paulien Cornellisse kunnen komen. Het alledaagse dat tegelijk het bijzondere daarvan benadrukt, valt onder Nieuwrealisme. Van Kessels debuut, Uitzicht van dichtbij, maakt het leven op het platteland, moederschap en tuinieren tot iets uitzonderlijk gewoons. De wat paradoxale titel is behalve een uitzicht van dichtbij, eveneens een zeer lezenswaardige focus van veraf. Maar waarop?

    Bij het eerder aangehaalde stuk in Vice schampert Van Kessel over haar eigen werk: ‘… wat ik op papier zette [was] niet veel spannender dan een gemiddelde gebruiksaanwijzing van aspirine.’ Op deze zelfkritiek valt een hoop af te dingen. Talloze auteurs gingen haar voor in het schrijven over banaliteiten. Het kan haast niet anders of Van Kessel is een begenadigde stilist. Het medium Papieren helden omschrijft haar werkethiek als volgt: ‘Toen ze moeder werd en nooit meer tijd had, ging het beter met schrijven.’ Dit heeft dus geleid tot Uitzicht van dichtbij. Het wordt hoog tijd de schrijfkunsten van de Waalse van dichtbij te bewonderen.

    Uitzicht van dichtbij
    Auteur: Megan van Kessel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Schrikkeljaar

    Als de titel van Anka Hashins literaire debuut, Schrikkeljaar, een voorbode is voor haar productiviteit, zitten we voorlopig geramd. In dit boek geeft Hashin (1980) volgens de Oost-Europese traditie en tóch in geheel eigen stijl een kleurrijk beeld van haar inmiddels niet meer bestaande vaderland: de Sovjet-Unie. De nostalgie voor haar geboortegrond gaat wel wat dieper dan de ‘industrieel-dus-gaaf-lampje’-fabriekshallenromantiek. Hashin is naast auteur beeldend kunstenares. Ze interesseert zich bovenmatig voor het spanningsveld tussen het vergane en het moderne, conservering en verwaarlozing.

    Volgens Uitgeverij Vrijdag is Schrikkeljaar een verhalenbundel die de grens tussen mens, dier en andere schepsels vervaagt. Het motto bij één van Hashins verhalen komt van Günter Grass: ‘De vogelverschrikker is gemaakt om op de mens te lijken.’ Weliswaar niet als een vogelverschrikker, maar als een piloot in alwetend perspectief beziet Hashin de teloorgang van de Sovjetrepubliek. Het literaire maandblad waarvoor Hashin schrijft, Znamya, betekent bovendien ‘spandoek’. Daarom zou Schrikkeljaar weleens de perfecte luchtreclame kunnen zijn voor de eersteling van Anka Hashin.

    Schrikkeljaar
    Auteur: Anka Hashin
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag
  • Oogst week 17 -2020

    Gekkenwerk

    Er verschijnt zoveel moois dat we er soms niet onderuit kunnen een titel meer op te nemen in de oogst van de week dan de gebruikelijke drie. Te beginnen met een roman over de geheimen van een oorlogsjournalist door Minka Nijhuis, een boek met 575 haiku’s van Kees van Kooten (Haikoots wel te verstaan), een nieuwe gedichtenbundel van Daniël Vis en een lijvig boek over de koloniale geschiedenis buiten de Verenigde Staten van Daniel Immerwahr.

    Minka Nijhuis (1958) verbleef als oorlogscorrespondent onder andere in Syrië, Irak, Oost-Timor en Afghanistan vanwaar zij verslag deed voor verschillende media. Voor haar journalistieke werk ontving ze in 2017 de Nieuwspoort Prijs van het Vrije Woord. Ze schreef meerdere non-fictie boeken over haar ervaringen, in 2009 werd ze met haar boek Birma: land van geheimen genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs. Gekkenwerk is haar eerste roman, een roman in briefvorm waarin Lotte, beginnendd als stewardess maar met de ambitie om oorlogscorrespondent te worden, schrijft ze haar neef Alexander. Brieven die een uiteenzetting zijn van haar gedachten, haar plannen en ondernemingen. Deze neef schrijft evenwel nooit terug, er komen geen brieven van hem in de roman voor, maar de gerichtheid waarmee Lotte aan hem schrijft, maken hem tot een belangrijk personage in deze roman.

     

     

    Gekkenwerk
    Auteur: Minka Nijhuis
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    575 Haikoots

    Kees van Kooten is een liefhebber van de haiku. Als bewonderaar raakte hij er min of meer door besmet en kon het schrijven ervan niet meer laten. Een haiku is een versvorm van zeventien lettergrepen en bestaat uit drie versregels van respectievelijk vijf, zeven en vijf lettergrepen. Dat het er 575 zijn geworden is dan ook te herleiden naar de opbouw van de haiku.

    Voor de ooit vermaarde Bescheurkalender (1973-1986) van Van Kooten en De Bie, schreef hij zo nu en dan al de zogenaamde Haikoot. Hoewel de oorspronkelijke haiku overwegend gewijd is aan de natuur, gaat een Haikoot over van alles en nog wat. Deze werkwijze resulteert in originele waarnemingen van ons aller doen en laten. 575 Haikoots is een ruime en bonte verzameling Haikoots en voorzien van passende foto’s door Van Kooten zelf.
    Hier is er een:

    uitgevallen roos
    siert nog even de paden
    met een feesttapijt

    575 Haikoots
    Auteur: Kees van Kooten
    Uitgeverij: De Harmonie

    Amerika buiten de Verenigde Staten

    Daniel Immerwahr is een Amerikaanse historicus die onderzoek deed naar de koloniale gebieden buiten VS, zoals de Guano-eilanden en de Filipijnen. In Amerika buiten de Verenigde Staten vertelt Daniel Immerwahr over gebieden die geen vertegenwoordiging hadden in het Amerikaanse Congres, maar er wel door werden bestuurd. In het geval van Puerto Rico is dat tot op de dag van vandaag nog zo.

    Hoewel dit niet strookt met het beeld dat Amerika van zichzelf heeft als voormalige kolonie, is het tot ver in de twintigste eeuw de situatie dat de Stars and Stripes wapperen op eilanden en militaire bases over de hele wereld. Na de Tweede Wereldoorlog nam de VS afstand van het kolonialisme. De tegenwoordige wereldwijde invloed van Amerika doet echter in wezen niet onder voor imperiale macht, zelfs vandaag heeft het nog gebieden over de hele wereld. Een boek over Amerika dat je visie op dit land doet veranderen.

    Amerika buiten de Verenigde Staten
    Auteur: Daniel Immerwahr
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het weefsel

    De dichter Daniël Vis (1988) won in 2014 het NK Poetry Slam. In datzelfde jaar publiceerde hij Crowdsurfen op laag water, waarover Menno Wigman zei, ‘Eindelijk weer een jonge dichter met een grote mond. En hij maakt het nog waar ook.’
    In 2018 volgde zijn tweede bundel Insect Redux.

    Het werk in zijn nieuwe bundel Het weefsel wordt ‘onvoorspelbaar en rücksichtlos’ genoemd. Hierbij een kleine voorproeve:

    ‘de gestalte
    op dat schilderij van munch —

    de opengesperde mond —

    schreeuwt niet,
    maar legt de handen tegen het hoofd

    om de schreeuw niet te horen.

    de angst,

    een fundamentele
    gebeurtenis —

    dat ik er ben —

    en opnieuw
    ontstaan

    de draden die het gekopieerde dna
    in de zich delende cel verdelen —

    een techniek
    van het aanwezig blijven.

     

     

     

    Het weefsel
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Prometheus
  • Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Moord op de moestuin is de wat dubbelzinnige titel van Nicolien Mizee’s eerste niet op autobiografische gebeurtenissen gebouwde roman. Wie de titel letterlijk neemt en bang is dat er een moestuin wordt vermoord kan gerust zijn: het gaat gewoon om een moord op het terrein van een moestuin. Mizee is een bewonderaarster van het oeuvre van Agatha Christie en wilde ook eens proberen een detective te schrijven.
    Ze vond daarvoor een heel geschikte personele bezetting en situatie. Hoofdpersonage Judith, net als Mizee zelf schrijfster en docent aan de schrijversvakschool is pas enkele dagen getrouwd met de vijftien jaar oudere Thijs als hij onverhoeds een hartaanval krijgt en moeizaam herstelt van de operatie die hij ondergaat.
    ‘De goden hadden de roekeloosheid bestraft waarmee ik mijn oude leven achter me had gelaten door met Thijs te trouwen en mijn zolderetage op te geven. Ze hadden mijn knappe, aardige, geleerde man in één minuut veranderd in een bijna onherkenbare grijsaard met lege ogen, voor wie ik eigenlijk een beetje bang was.’

    Culinaire traktaties

    Als de situatie nog verergerd wordt door bouwactiviteiten van de buurman bieden Judith’s zus en haar man soelaas: ze huren voor de zomer een boswachtershuisje op het landgoed Groenlust en gaan daar met Judith en haar man wonen. De eigenaressen van het landgoed zijn jeugdvriendinnen van Judith en haar zus en het wordt – zo te lezen – op het landgoed een gezellige boel, waar Thijs zichtbaar van opknapt. Culinaire tractaties die daar plaats vinden schrijft Mizee graag uitvoerig:
    ‘Ik liep met Cora mee om de vis uit de oven te halen. De zoutkorst was prachtig lichtbruin geworden. De marmeren plaat zou gauw afkoelen, toch was ik bang dat de bloemen zouden verflensen. Vlug maakte ik een krans van grote slabladeren om de zoutheuvels en daarop legde ik de bloemen. Cora maakte in een platte schaal een rand van de bladeren van de Oost-Indische kers, stortte de bietjes erin en tikte er met een pollepel de donkerrode pitten uit de granaatappel overheen. Her en der staken we nog wat bloemen in de schalen met krieltjes en worteltjes, en na enkele malen heen en weer lopen stond alles op tafel en konden we de bewonderende uitroepen gracieus in ontvangst nemen.’

    Een schedel

    Als de roman ongeveer op de helft is, de lezer een uitvoerig verslag van het maken van chipolatapudding achter de rug heeft en zich begint af te vragen wanneer het detective-verhaal nu eens zal beginnen, vindt Judith op de volkstuin die zij op het landgoed gehuurd heeft, een schedel. Ze barst van de weeromstuit in lachen uit, want Judith heeft zo haar eigenaardigheden, net als eigenlijk alle personages in deze roman. De schedel was ooit deel van het lichaam van de tientallen jaren geleden verdwenen vader van de beide zussen die nu – met hun 80-jarige demente moeder – het landgoed bewonen. Een dronkaard en weinig populair bij de tien volkstuinders die per traditie op het landgoed een gratis stukje grond mogen bewerken. Als vastgesteld is dat de eigenaar van de schedel is omgekomen door een klap met een scherp voorwerp hebben we eindelijk de moord waar het in dit boek om begonnen zou zijn. Eén van de volkstuinders zal vermoedelijk de dader zijn en Judith weet: de tiende is zij zelf en zij heeft het niet gedaan. Wie dan wel?

    Vreemde volkstuinders

    De politie (‘bij de politie komen ze altijd in paren, net als bij de ark van Noach’) richt haar aandacht op de vijf à zes actieve volkstuinders die Judith in de loop van die zomer heeft leren kennen als stuk voor stuk vreemde vogels.
    Heel erg ijverig wordt er door de politie niet gespeurd en als Judith probeert via gesprekken met de volkstuinders een verdachte te vinden, gaat het in de praktijk vooral over vogels en planten, waar Mizee en dus ook haar alter ego Judith graag hun gedetailleerde kennis over spuien.
    In het voortkabbelende verhaal vindt uiteindelijk nóg een moord plaats en na veel heen-en-weer-gepraat wordt bekend wie de vuige daders zijn van beide afrekeningen.

    Never a dull moment 

    Agatha Christie zou vermoedelijk niet erg onder de indruk zijn van Moord op de moestuin , want een rechttoe rechtaan whodunit zit er bij het soms wijdlopige en altijd van de hak op de tak springende proza van Nicolien Mizee niet in.
    Het is overigens goed te begrijpen dat Mizee veel fans heeft en dat Moord op de moestuin door het DWDD-boekenpanel gekozen is tot boek van de maand, want ‘never a dull moment’. Wat duidelijk haar schrijversmotto is en ze vertelt haar verhaal met zwier.
    Met als hoogtepunt de begrafenis van de bejaarde moeder, waar enkele oude vlammen komen opdagen en één van hen een lied gaat zingen:
    ‘Enkele seconden zweefden Felix’ handen boven het klavier. Toen sloeg hij toe. Raak. Maar zijn stem was licht en onvast, als een vlinder in de storm. (…) Ik was altijd diep onder de indruk van misplaatst zelfvertrouwen. Misschien hoorde hij iets heel anders dan wij.’

    Lichtvoetig en zwaar op de hand

    Voor haar fans zal Moord op de moestuin ongetwijfeld een traktatie zijn. Mizee moet wel uitkijken dat haar schalkse terzijdes en het het Joop ter Heul-achtige zeggen-wat-in-haar-opkomt van haar ‘fictieve’ alter ego niet teveel een maniertje wordt. Er zit ook iets vreemds in de combinatie van vermakelijke invallen en associaties die de schrijfster haar reputatie van originaliteit bezorgen, en de vele doodserieus bedoelde wijsheden en karrenvrachten kennis van plant en dier die ze op de lezer los laat.
    Dat Mizee enkele succesvolle boeken op haar naam heeft staan, wordt de lezers wel erg vaak verteld en de ‘Waardevolle Lessen’ die ze aan haar studenten aan de Schrijversvakschool voorschotelt, worden hen evenmin onthouden:
    ‘Les twee van mijn schrijfcursus gaat over het personage. Met koeienletters schrijf ik dan op het bord: “Grote Wil en Grote Angst.”‘
    Oei! Samenvattend lijkt het probleem van deze schrijfster dat ze én lichtvoetig én zwaar op de hand wil zijn. En dan moet je wel héél erg veel in je mars hebben. Maar daar zit allicht nog een roman in.

     

  • Saffraanperenboom

    Saffraanperenboom

    De tuinbonen staan te weken op het aanrecht. Het weekwater haalde ik gisteravond uit de regenton achter het huis. Vijfentwintig gerimpelde, tot in hun kiem verdroogde tuinbonen schudde ik vanuit een zakje in mijn hand en liet ze in het bakje glijden waar ze zich lispelend en knisperend volzogen met minuscule waterelementen. Straks gaan ze de grond in, vijf centimeter diep. Terwijl ik de tuin inloop denk ik aan de schrijfster wiens boek Moord op de moestuin diezelfde avond bij dwdd tot ‘Boek van de maand’ werd uitgeroepen. De boekverkoopster die het mocht onthullen liep over van enthousiasme: ‘het sleurt je naar binnen…, een whodunit…, droogkomisch…, met vaart…’, en eindigde tenslotte met: ‘Ik heb zó genoten jonge.’ (inderdaad zonder ’n’). En ik, die altijd geërgerd de stickers van gelauwerde boeken afpeuter, voelde geen aversie tegen dit Himmelhoch bewonderen.

    De karakters in Moord op de moestuin zijn, zoals in de Engelse detectiveserie Midsomer Murders, vormvast in hun handelingen. Met hier en daar een kleine afwijking in hun gedrag waardoor ze (oh heerlijke suspense) voor even de mogelijkheid van verdachte claimen. Er is een dertig jaar oude vermissingszaak en er vallen doden, al dan niet door moord. Bijzonder is de rol van een honderdjarige saffraanperenboom, de enige in zijn soort in Nederland. Ik had er geen weet van en zocht het op. In 1652  liet Jan van Riebeeck in Zuid-Afrika een park aanleggen voor groente en fruit om de VOC-schepen te kunnen voorzien van vers voedsel om scheurbuik te voorkomen. Anno 2019 staat er in het Van Riebeeckpark in Zuid-Afrika de oudste saffraanperenboom ter wereld, die blijkt uit Nederland afkomstig.
    Het voortbestaan van de saffraanperenboom in het moestuinencomplex is aanleiding tot een van de moorden.

    In de ik-figuur Judith is (voor wie de Faxen aan Ger gelezen heeft) de schrijfster te herkennen. Als de vrouw die zwijgen kan wanneer dit nodig is maar die, als ze spreekt, op het puriteinse af eerlijk is. Ook als Judith een herinnering wil delen en de anderen roepen: ‘Dat weten we al uit je boeken!’, is zo’n mooie verwijzing.
    Wanneer halverwege het boek de ontwikkelingen opeens wel erg snel gaan, deelt ze met onderstaand fragment een knipoog uit aan de lezer.
    ‘Tante Lidewij stierf nog diezelfde dag. Volgens Cora was zij over het hek rond haar bed geklommen omdat in haar verwarde geest toch iets was blijven hangen van de terugkeer van haar man [de schedel van haar vermiste man was gevonden]. Ook haar dood konden we hieraan toe schrijven, ze had gewacht tot hij terugkwam en toen het leven eraan gegeven.
    Het klonk allemaal wat al te mooi en ik zag dat Thijs bedenkelijk keek, maar het was toch troostrijk.’

    Ik stel me zo voor dat de man van de schrijfster, die in het boek de rol van Thijs kreeg, haar eerste lezer is. Dat hij bij deze passage de wenkbrauwen fronste en vroeg: ‘Is dit niet wat al te mooi?’ En inderdaad, dat is het. Maar door de manier waarop het er staat, wordt het Meesterlijk.
    Nu wil ik dus ook die dwdd sticker op mijn boek.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Dilemma’s, dilemma’s

    Dilemma’s, dilemma’s

    Dilemma’s, dilemma’s

    Jasmijn is een 23-jarige studente fotografie die voor een schoolproject naar een Noors eiland wordt gestuurd. Haar docent Van Asschen verwacht dat ze terug komt met ‘lustopwekkende landschapsfoto’s, soft-erotische rotsen en rivieren om bij klaar te komen.’ Als voormalig biologie studente zou het voor haar geen grote moeite moeten zijn om goede natuurfoto’s te maken. Maar zijn hoge verwachtingen ervaart ze als een grote druk, net als die van de mensen om haar heen. Is ze wel een succesvolle dochter, goede vriendin en loyale partner? Wat wil ze gaan doen in de toekomst en zijn haar verwachtingen realistisch?

    In Spitsbergen ontmoet ze haar vier jonge huisgenoten, met wie ze de avonturen en ongemakken van het barre klimaat deelt; zo leert ze snus te gebruiken en met een geweer op ijsberen te schieten. Ze krijgen een band met elkaar, waarbij Jasmijn vooral interesse toont in de breedgeschouderde geoloog Lars. Als haar vriendje haar opbelt om te vertellen dat hij overspel heeft gepleegd, gooit ze woedend haar mobieltje in de sneeuw en besluit ze ook niet meer te reageren op de e-mails van haar vriendinnen en ouders. Ze richt zich volledig op Lars. Na verloop van tijd trekt Jasmijn alleen de koude natuur in om haar talent als fotograaf te bewijzen en te ontvluchten aan alle emoties en problemen waar ze mee kampt. Tijdens deze tocht overdenkt ze haar leven. Ze vraagt zich af of ze wel de juiste keuzes heeft gemaakt in haar leven en maakt zich zorgen om de beslissingen die ze in de toekomst moet gaan nemen. Dit neemt haar zo in beslag dat ze nauwelijks meer fotografeert. Pas aan het einde van haar reis realiseert ze zich dat ze zonder goede foto’s misschien niet verder kan met haar studie. Als ze terug is in Nederland merkt ze dat er veel is veranderd: de liefde voor haar vriendje is bekoeld en ze lijkt vervreemd te zijn van haar vriendinnen.

    Venhuizen (1985) is wetenschapsjournaliste, schrijfster en fysisch geologe. Ze won een aantal Write Now! prijzen en schrijft in allerlei vormen: onder andere boekrecensies, reisreportages, columns en korte verhalen. Alle bessen kun je eten is haar romandebuut, een boek over een jonge vrouw met een quarterlife crisis. Dit is een verschijnsel waar massa’s studenten zich in zullen herkennen: als je alle vrijheid hebt, wat doe je dan? Jasmijn wikt en weegt, twijfelt, blundert en weet zich meestal geen raad met zichzelf. De ene beslissing sluit het andere weer uit – wat is dan de beste beslissing? Venhuizen brengt dit ‘luxe probleem’ goed in kaart, waardoor het voor de lezer gemakkelijk is om mee te leven. Haar schrijfstijl is prettig – eenvoudig, begrijpelijk, spreektaal en toch (soms pseudo-diepzinnig) poëtisch, en bovenal passend bij Jasmijn.

    Het boek heeft drie verhaallijnen. Het eerste richt zich op Jasmijns onzekere verliefde gevoelens voor haar huisgenoot Lars. Haar interesse in hem is overtuigend, maar de lezer krijgt te weinig details om haar verliefdheid echt te begrijpen. Hij heeft een tattoo, bruine baard en interesse in de biologische samenstelling van sneeuw; meer vertelt Venhuizen niet over Lars. De lezer moet Lars als een Ken-pop adoreren: knap, maar leeg. Gelukkig maken haar andere huisgenoten dit liefdesverhaal deels goed – de gevoelige christen Bjarki, opdringerige Inooraq en mooie snobistische Elena creëren een sfeervol plaatje. De vijf jonge reizigers skiën, worden dronken en spelen samen bordspelletjes. De huiselijke taferelen geven de lezer een warm gevoel.

    De tweede verhaallijn is Jasmijns solo trektocht door het gebied Dovrefjell. Gezien haar achtergrond had Venhuizen met haar speciale kennis van Alle bessen kun je eten een verhaal kunnen maken vol levendige details over de natuur van het hoge noorden. Dit heeft ze er gedeeltelijk ook van gemaakt, al zijn haar woorden beschrijvend in plaats van geografisch van aard. Gelukkig blijkt juist het beschrijven één van haar talenten: de details over de omgeving vermengt ze mooi met Jasmijns stemming.

    In Dovrefjell wordt het duidelijk dat Jasmijn niet veel geeft om fotograferen. Gedurende het verhaal maakt ze af en toe een foto, maar ze lijkt er geen passie voor te hebben. Beschrijvingen van artistieke details (bijvoorbeeld licht, schaduw of kleur) of technieken (zoals sluitertijd) worden slechts sporadisch gegeven. Misschien is dit een manier van Venhuizen om aan te tonen dat Jasmijn eigenlijk geen interesse heeft in fotografie.

    De derde lijn bestaat uit Jasmijns levendige jeugdherinneringen, die Venhuizen elke paar pagina’s weer naar voren laat komen. De focus ligt op haar stroeve sociale relaties, voornamelijk met haar ouders en vriendinnen. Waar iedereen in haar omgeving ondernemend en assertief is, is Jasmijn met haar passieve, puberale en onzekere houding een vreemde eend in de bijt. Dit stelt de lezer voor een raadsel. Want zou een studente die naar Noorwegen reist en dagenlang alleen door de natuur struint niet wat steviger in haar (sneeuw)schoenen moeten staan? Maar Jasmijn lijkt zich zelden volwassen op te stellen. Haar reacties op tegenslagen zijn regelmatig uit proportie – zo vernielt ze cd’s als ze gefrustreerd is –, of heel lomp. Een dieptepunt is haar eerste reactie als een jeugdvriendin laat zien dat haar borst is afgezet: ‘Met T-shirt zie je er niets van.’

    Moeten we ons Jasmijn inderdaad als een labiel, sociaal onhandig mens voorstellen? Of had Venhuizen Jasmijn wat jonger moeten maken, zodat ze de hormonen de schuld kon geven? Wat de reden ook is, het blijft onmogelijk voor de lezer zich te identificeren met de onvoorspelbare Jasmijn, waardoor ze al snel op de zenuwen gaat werken.

    Venhuizen gooit de drie verhaallijnen door elkaar, wat de aandacht  van de (geduldige) lezer blijft vasthouden. Bovendien is er op elk moment in het boek wel een onopgelost raadsel: hoe loopt het af met het gewonde rendier? Wat gebeurt er als ze bij haar ouders thuis komt? Dit houdt de spanning er goed in.

    Kortom, Alle bessen kun je eten heeft een mooi concept, waarbij de schrijfster bij het uitwerken ervan een paar steken heeft laten vallen, maar dat toch ook weet te boeien.

     

    Alle bessen kun je eten
    alleen sommige maar één keer

    Auteur: Gemma Venhuizen
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,50

     

  • Kiezen in de oorlog

    Kiezen in de oorlog

    Dit boek draagt als ondertitel: Verzet en collaboratie van twee stewardessen. En dat is het aardige van de opzet van dit werk. De carrières van twee stewardessen worden gevolgd met als hoogtepunt hun reilen en zeilen in de Tweede Wereldoorlog.

    In de jaren ’30 nam de KLM voor het eerst proeven met het inzetten van stewardessen. Nu onvoorstelbaar, maar toen een gewaagd experiment. De luchtvaart was nog in prille ontwikkeling en hoofdzakelijk een mannenwereld. Vrouwen werden in dit wereldje met argusogen bekeken. De omstandigheden aan boord van de ‘kisten’ zoals de vliegtuigen werden genoemd waren vaak nog erg primitief. De verwarming was uiterst gebrekkig en de stewardessen moesten veelal warme dranken en dekens uitdelen terwijl ze zelf in de ijskou zaten. Ook was er vaak iets mis met de motoren, gebeurden er ongelukken of moesten er noodlandingen worden gemaakt. Aan de stewardessen om de piloten te ondersteunen en de passagiers op hun gemak te stellen. Niet verwonderlijk dat de stewardessen streng getest werden op psychologisch vlak, ze moesten zich onder alle omstandigheden rustig, beheerst en zeker niet paniekerig kunnen gedragen.
    Zowel Hilda Bongertman als Trix Terwindt komen door de testen. Ze raken bevriend en vechten zich in binnen de mannenwereld van de toenmalige luchtvaart.

    We komen veel te weten over hun affaires en avonturen. Vanaf het moment dat de oorlog begint, lopen hun levens dramatisch uiteen. Boeddhisten geloven in karma, een soort lotsbeschikking waarin vorige levens vereffend moeten worden. Je zou als je neust in de biografieën van deze twee dames, bijna gaan geloven dat het zo moet zijn. Hilda Bongertman sluit zich aan bij de NSB en schrijft uit volle overtuiging een nationaal socialistisch getint boek voor de jeugd. Trix Terwindt ontsnapt via Zwitserland naar Engeland. Ze wordt door de Britse inlichtingendienst en de Nederlandse regering in ballingschap benaderd om terug te keren naar bezet Nederland. Hier moet ze gaan spioneren en haar bevindingen melden aan de Engelse geheime dienst. Ze wordt slachtoffer van het beruchte Englandspiel. Nadat ze gedropt is met een parachute in Nederland wordt ze door de Duitsers gearresteerd en eindeloos verhoord. De zaak is verraden, maar de Engelsen komen daar pas heel laat achter en er vallen nog veel meer mensen in handen van de Duitsers. Uiteindelijk belandt Trix in een concentratiekamp, maar door haar ijzeren wilskracht overleeft ze.

    Na de oorlog blijven we de levens van de twee vrouwen volgen. Ze zijn allebei gehavend. Trix ondergaat een behandeling bij de beroemde LSD psychiater Bastiaanse, die ze haar hele leven dankbaar zal blijven voor zijn behandeling van haar trauma’s. Bovendien krijgt ze van Prins Bernhard een hoge onderscheiding voor haar moed en trouw. Hilda neemt een andere naam aan, Heuser, om maar in de vergetelheid te verdwijnen. Ze raakt aan de drank en sterft eenzaam in Amsterdam Zuid. Wat begonnen is als een vrij onschuldig verhaal over twee stewardessen eindigt dus als een drama voor beide hoofdrolspeelsters. Ingrid van der Chijs heeft de verhalen knap geboekstaafd. Klein nadeel is dat haar stijl hier en daar wat stroef overkomt. Dat haalt af en toe de vaart uit het verhaal. Verder een zeer leesbaar en vooral onverwacht droevig boek.

     

    Luchtmeisjes

    Auteur: Ingrid van der Chijs
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 352
    Prijs € 19,95

     

     

  • Het verleden poets je niet zomaar weg

    Het verleden poets je niet zomaar weg

    Recensie door Rein Swart

    Zuid-Afrika is een land dat vaker negatief dan positief in het nieuws is. Berovingen zijn aan de orde van de dag. Toeristen doen er goed aan met gesloten portieren door Johannesburg te rijden om niet de dupe te worden van een overval. Dit soort berichten verwonderen na de democratische omslag die begin jaren negentig plaatsvond. Met de vrijlating van Mandela, de afschaffing van de apartheid, de vorming van een meerderheidsregering onder leiding van het ANC én het werk van de verzoeningscommissies leek een zonnige toekomst voor de zogenoemde regenboognatie gegarandeerd: alle groepen verenigd onder een stralende hemel. Hoe kon het dat de werkelijkheid heel anders uitpakte?

    Fred de Vries beschrijft in Afrikaners de toestand van verwarring waarin het land verkeert vanuit het oogpunt van de blanken die in Zuid-Afrika wonen. De ondertitel Een volk op drift geeft goed weer hoe het met hen gesteld is. Na de omverwerping van het apartheidsregime in 1992 en de vorming van een nieuwe regering die vooral uit ANC-leden bestond, konden ze als groep gemakkelijk uit elkaar gespeeld worden. De Afrikaners reageerden namelijk heel verschillend op de nieuwe situatie: sommigen emigreerden, anderen kropen bij elkaar, weer anderen wilden samenwerken met het ANC. Er was veel onzekerheid over de toekomst. De kort durende verbroedering tijdens het WK-voetbal in 2010 kon de giftige historische stoflaag niet wegblazen.

    De geschiedenis van de Afrikaners begint met de kolonisten die in de tijd van de VOC in Zuid-Afrika aanmeerden en in dit rijke land bleven hangen. De gewonnen strijd tegen de Zoeloes tijdens de Slag bij Bloedrivier in 1838 leidde tot euforie, maar de Boerenoorlog (1899- 1902), die verloren ging tegen de Engelsen, bracht een deuk teweeg in het zelfvertrouwen. De strijd in de jaren zeventig tegen het communistisch gevaar dat vanuit het Noorden dreigde, isoleerde Zuid-Afrika van de wereld. De politiek van apartheid leidde tot verdere uitsluiting.

    Boeiend zijn de ontmoetingen van de auteur met oud-leiders als Pik Botha en De Klerk. De laatste kreeg veel kritiek omdat hij de macht van de Afrikaners zou hebben verkwanseld door akkoord te gaan met stemrecht voor iedereen, waardoor de Boeren van overheersers tot een onderliggende groep werden. De versnippering van de machtspositie leidde tot opheffing van de Nationale Partij. De blanken trokken zich terug in hun security villages in steden als Johannesburg.

    De Vries maakt een rondgang langs de resten van de oude cultuur. Hij bezoekt Orania, een Afrikaner bolwerk, opgezet door Verwoerd, die de grondlegger was van de apartheid. De Vries vindt de sfeer er minder gesloten en kunstmatig dan in de blanke wijken van Johannesburg. Hij gaat in op de taal. ‘De geschiedenis van het Afrikaans is de geschiedenis van de Afrikaners in het klein.’ Tijdens de apartheid werd de taal gezuiverd van vreemde elementen. Melkskommel stond voor milkshake en prikkelpop voor pin-up. De geschiedenis is terug te horen in de term bittereinders, soldaten die tijdens de Boerenoorlog tot het bittere einde doorvochten. De plaas staat voor de boerderij en de grond die voor de boeren zeer belangrijk is en luid bezongen wordt. Het trauma van de Boerenoorlog maakte Afrikaners ongevoelig voor onrecht tegen zwarten, die op hun beurt met wrok tegen de vroegere overheersers aankijken en vaak ook fysiek tegen hen optreden. Een andersdenkende schrijver als Antjie Krog (1952) pleit voor ubuntu, een humanistische verbondenheid, terwijl de Engels opgevoede Rian Malan (1954) in My traitor’s heart de vooraanstaande plaats van de Afrikaners ter discussie stelt. De jongerencultuur staat inmiddels los van het verleden. Jongeren kiezen voor respect voor alle rassen en stammen en willen in vrijheid hun eigen subcultuur vormgeven.

    Tenslotte werpt De Vries een blik in de toekomst. Zullen de Afrikaners assimileren, segregeren of integreren? De uitkomst is ongewis. Vele blanken zijn, meer gedwongen dan uit vrije wil, geëmigreerd naar Australië, waar het maatschappelijk leven lauw is en alleen gestreden wordt voor homo-emancipatie. Zuid-Afrika is ook niet te vergelijken met andere Afrikaanse landen zoals Kenia, waar de blanken een duidelijke minderheid vormen zonder invloed op de cultuur. De uiteenlopende politieke visies maken het moeilijk om de Afrikaners op één lijn te krijgen. De Vries stelt ze voor als een doos nachtvlinders zonder deksel.

    Vaak komt in de beschouwingen en interviews naar voren dat de kloof tussen Afrikaners en zwarte stammen niet gemakkelijk te dichten is. . Typerend voor de situatie is dat er twee musea zijn over de De slag bij Bloedrivier. De Boeren denken vaak nog dat ze het beter weten dan de zwarten. Een blanke vakbondsleider meent dat het regeringsbeleid vooral tegen de Afrikaners is gericht. Door de positieve discriminatie op de werkvloer worden banen eerder aan een onbekwame zwarte vergeven dan aan een capabele blanke. Stagnatie is daarvan het gevolg. De vroegere steden met rijke blanke wijken, zwarte townships, zijn in plaats van welvarender armer geworden, zoals De Vries vaststelde in Kroonstad, de vroegere woonplaats van Antjie Krog.

    De Vries schuwt de persoonlijke noot niet, al blijft die beperkt tot enkele intermezzo’s en de inleiding. Bij zijn aankomst in Pretoria in 1992 met zijn vriendin die op de ambassade werkte, moest hij huilen van ellende. Hij had vijf jaar in andere Afrikaanse landen gewoond en kon moeilijk aarden. Op straat was geen zwarte te bekennen. Pas door een ontmoeting met de muziek van alternatieve Afrikaners raakte hij er meer op zijn gemak. In 2004 kocht hij samen met zijn nieuwe vriendin in het dorp Vrede een buitenhuis, op twee uur rijden van Johannesburg, waar hij later werd bedreigd tijdens het joggen. In een intermezzo vertelt hij over een diefstal die door zijn blanke buren werd gepleegd.

    Het is de tragiek van de Afrikaners dat zij op grond van het verleden in een moeilijke positie verkeren, zoals Coetzee in zijn roman In ongenade laat zien. Ze hebben zich geworteld in het gebied en hebben zich daar zodanig ingevochten dat ze nauwelijks weg kunnen. In Europa zouden zij zich onmogelijk nog op hun plaats voelen. De uiteenlopende opvattingen van blanke opportunisten, separatisten en verzoeningsgezinden over hun plaats in de Zuid-Afrikaanse maatschappij maken het boek nogal overladen, maar misschien komt dat ook omdat het samengesteld is uit delen die eerder in kranten en weekbladen gepubliceerd werden.

    Wellicht is in deze situatie, richtingbedonnerd als de Afrikaners zijn, het pleidooi voor democratie nog het meest wenselijk: afzien van de nadruk op ras of stam, maar gericht op de bescherming van de mensenrechten. De Vries zelf is na de verkoop van zijn huis aan het eind van het boek nog steeds een dolende buitenstaander, maar nu zonder tranen.

     

    Afrikaners
    Een volk op drift

    Auteur:  Fred de Vries
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 368
    Prijs: € 19,95

     

     

     

  • Zijn er niet gewoon te veel soorten?

    Zijn er niet gewoon te veel soorten?

     

    Bas Haring (1968), bekend van tv, columns, lezingen en boeken, vindt de geuzennaam ‘volksfilosoof’ goed passen bij wat hij allemaal doet. Hij ziet het als zijn roeping om actuele onderwerpen, zoals ‘hebben we eigenlijk wel een eigen wil?’ en ‘hoe kan het toch dat vooraanstaande economen zo van mening verschillen over de aanpak van de crisis?’, op zo’n manier uit te leggen dat ze voor iedereen begrijpelijk worden. Gelukkig vermijdt hij daarbij Jip en Janneketaal. Zo jong als hij is, is hij in Leiden al benoemd tot Bijzonder hoogleraar Publiek begrip van wetenschap.

    Zijn eerste boek, Kaas en de evolutietheorie, kreeg in 2002 de Gouden Uil voor jeugdliteratuur en de Eureka!prijs voor populairwetenschappelijke literatuur. In Duitsland werd het bekroond als het beste wetenschappelijk werk dat in 2003 daar verscheen.

    Plastic panda’s uit 2011 gaat over de natuur. Over de bij velen levende vraag of het erg is dat er stukken natuur of soorten verdwijnen. Een onderwerp dat natuurlijk aanspreekt omdat het aansluit bij onze zorg of er voor iedereen op aarde wel voldoende voedsel is, bij ons ongemak over de verdeling van armoede en rijkdom in de wereld en bij onze angst voor milieurampen en klimaatverandering.

    Kenmerkend voor zijn aanpak is dat hij heel systematisch alle begrippen, die bij zulke discussies als deze over de natuur gehanteerd worden, opspoort, ontleedt en definieert. Zodat verwarring en misverstand de meningsvorming bij de deelnemers aan het publieke debat niet hoeven te vertroebelen. Van de bij die discussies naar voren gebrachte feiten onderzoekt hij of ze wel kloppen, zodat de lezer, toehoorder of kijker de waarde ervan zelf kan beoordelen. Bovendien presenteert hij feiten en cijfers zo dat je ze je concreet kunt voorstellen. In een bekertje tuinaarde, schrijft hij bijvoorbeeld in Plastic panda’s, zitten meer bacteriën dan er mensen op aarde leven, zo’n zeven miljard. Die beschrijving is zo beeldend dat je het gelijk voor je ziet.

    Bas Harings aanpak in Plastic  panda’s is noodgedwongen net iets anders dan bij zijn vorige boeken. De kennis over de natuur is nog niet zodanig uitgekristalliseerd dat alleen maar ordenen en goed uitleggen toereikend kan zijn, vindt hij. Wetenschappelijke instituten van naam presenteren soms onderzoeksresultaten die elkaar tegenspreken. Haring lost dat probleem op door zijn boek als een persoonlijke zoektocht te zien. Hij zet niet alleen zijn gezond verstand in, maar hij luistert ook serieus naar zijn gevoelens. Die dienen vaak als uitgangspunt bij het onderzoeken van zijn vragen.

    Hij noemt zichzelf geen natuurscepticus maar is ook geen natuurfanaat. Hij zegt dat hij heeft geen verborgen agenda heeft. Maar enkele soorten minder van bepaalde planten of dieren maakt hem weinig uit, zeker gevoelsmatig. Zou het sowieso erg zijn als de helft van elke soort verdween? Dan zijn wel alle bekende soorten nog behouden, maar is de natuur gehalveerd. Hoe erg is dat? Op dit moment zijn er door de wetenschap zo’n 2 miljoen planten en dieren beschreven. Schimmels en bacteriën zitten daar niet eens bij maar zijn natuurlijk wel natuur. Is dat aantal misschien niet te veel?

    Al vijf keer eerder was er op aarde sprake van massa-uitsterving beweert hij. De laatste keer was 65 miljoen jaar geleden. Driekwart van de soorten, waaronder de dinosauriër, verdween. Het duurde 5 tot 10 miljoen jaar voordat de soortenrijkdom weer toenam. Het is bekend dat sinds het jaar 1500 van onze jaartelling er van de 60.000 soorten gewervelde dieren – vogels, vissen, zoogdieren, reptielen en amfibieën – 410 zijn uitgestorven. Ook op dit moment verdwijnen er soorten. Haring merkt er maar weinig van, maar hij geeft ook toe dat hij er eigenlijk onvoldoende van af weet om die afname te kunnen zien. De boodschap achter de presentatie van zo’n  rijtje cijfers lijkt dat de natuur op den duur wel weer op eigen kracht op zijn pootjes terecht komt, ook al duurt het lang. Maar gegarandeerd is dat natuurlijk niet.

    Hij bespreekt vragen als waar de diversiteit in de natuur vandaan komt, waardoor er soorten verdwijnen, of soorten een eigen intrinsieke waarde hebben, hoeveel biodiversiteit er eigenlijk nodig is. Maar hij behandelt ook uiteenlopende zaken als zijn ervaringen in het regenwoud en de uitgangspunten achter het Rondeel-ei. Hij rekent uit hoeveel natuur elk mens nodig heeft om plezierig te kunnen leven en verbaast zich over de voordelen voor de natuur van de gifberg bij IJburg.

    Door die typerende aanpak kunnen zijn conclusies vaak ontnuchterend zijn. Ontnuchterend omdat duidelijk blijkt dat we nog niet zo veel weten en omdat veel van wat we in de veelal verhitte discussies voor vanzelfsprekend en waar aannemen en als zodanig naar voren brengen, feitelijk niet zo vanzelfsprekend en waar is. Hij kan daardoor best anderen tegen de schenen schoppen. Wat natuurlijk pijnlijk is en weerstand oproept.

    Gelukkig laat hij ook zijn twijfels en onzekerheid duidelijk merken. Eén van de hoofdstukken heet zelfs ‘Ben ik goed bezig?’. Als hij conclusies formuleert, laat hij ruimte voor mogelijke aanvullingen en nuances. De wetenschap ontwikkelt zich en er kunnen altijd nieuwe feiten ontdekt worden. Misschien kunnen bijvoorbeeld bepaalde verstoringen in de relatie tussen de soorten toch negatieve gevolgen hebben die we nu nog niet overzien. Hoewel hij, geeft hij eerlijk toe, tijdens zijn zoektocht nog steeds niet echt overtuigd is geraakt van de zinvolheid van die grote verscheidenheid aan soorten.

    Haring lijkt heel makkelijk te formuleren. Zijn taalgebruik is losjes en populair maar ook zorgvuldig. Het leest alsof hij hardop tegen de lezer aan het spreken is. Wellicht daardoor staan er zulke  aardige woorden in het boek als ‘inenen’ in plaats van ineens of ‘het donkerte’ in plaats van het donker. Hij schrijft ook zelf dat hij het leuk vindt om het woord ‘Kukident’ eindelijk eens in een tekst te kunnen gebruiken. Zijn plezier in het helder onder woorden brengen van zijn gedachten straalt er dan ook van af.

    Bas Harings Plastic panda’s. Over het opheffen van de natuur is origineel en boeiend, zet je aan het denken, leest vlot en ziet er goed verzorgd uit. Het maakt je benieuwd naar zijn andere werk.

     

  • … we waren dezelfde

    … we waren dezelfde

    Mos Lupin heeft een onbezorgde jeugd. In Een rijk alleen, de debuutroman van Niels Gerson Lohman, vertelt hij met het onsamenhangende geklets van een jong kind over zijn huis en zijn familie. Nadat de complete familie, inclusief opa’s, oma, ooms en tante uitgebreid geïntroduceerd is, gaat Mos verder met de vakanties in Frankrijk. Of deze twee hoofdstukken de lezer motiveren om verder te lezen, is twijfelachtig. Er gebeurt nauwelijks iets in dit lineair vertelde verhaal. Mos beschrijft met zijn kinderogen zijn wereld, maar maakt nauwelijks iets mee. Hooguit wat ruzies tussen zijn broer Beer en zijn moeder Lind. ‘Beer en mama maken vaak ruzie. Als ze ruzie maken ruim ik de afwasmachine uit, zodat ze daar geen ruzie over kunnen krijgen.’ Maar dikwijls is zijn relaas te onbeduidend om lezenswaardig te zijn. ‘In Amsterdam zaten we elke dag achter in een auto waar we soms uit mochten stappen.’

    Het idyllische wereldje van Mos verandert als het gezin van Amsterdam naar Bussum verhuist. Het huis in Amsterdam werd te groot, vond zijn moeder. Een argumentatie waar Mos overigens niets van begrijpt: het was immers een prima huis waar hij geweldige forten kon bouwen. Na de verhuizing gaat alles mis: Mos wil op voetbal maar moet op hockey. Zijn vader blijft steeds vaker in Amsterdam en geleidelijk aan is niets meer hetzelfde in het leven van Mos.

    De dood van zijn broer Beer is de aangrijpendste verandering in Mos’ leven. ‘Er zijn nu twee levens, school en thuis. School maak ik zo licht mogelijk: ik haal grappen uit, maar soms ben ik ook meedogenloos zoals het hoort. Op school hoef ik nooit om te kijken, op school is Beer er nooit geweest.’ Thuis zijn moeder en hij nog maar met z’n tweetjes. Zijn vader Alexander verdwijnt langzaam uit beeld: Mos verliest hem twee keer, eerst aan de alcohol en daarna aan Alzheimer.

    Rond zijn achttiende lijkt Mos zich pas echt bewust van het verlies van zijn broer. Hij realiseert zich dat Beer zijn geweten was en dat hij zonder hem niets is. De dood en het verwerken van de dood van Beer zijn de beste passages uit het boek. Eenvoudig, en bij vlagen prachtig en ontroerend. ‘Er was geen Mos, alleen Beer-en-Mos, wij. Wij deden alles samen, we waren dezelfde. En na zijn dood was ik alleen.’ Zonder vader en zonder grote broer zijn er voor Mos geen voetsporen meer om te volgen. Niets bindt hem meer en hij is niet langer betrokken bij de wereld om hem heen. Mos vlucht naar het Filipijnse eiland Siquijor, dat hij kent uit verhalen van zijn vader. Helaas is het dan gedaan met de sterke gedeelten uit het boek. De lange reis naar Siquijor duurt ook in de vertelde tijd erg lang door een eindeloze uitweiding over bagels. Op het eiland zelf gebeurt niets noemenswaardigs. Dat realiseert Mos zich ook. Het is niet alleen zijn trots die hem daar houdt, ook het niet willen terugkeren. ‘Ik wil nooit meer terug naar Amsterdam.’ Na een aantal langdradige hoofdstukken over Siquijor volgt een sterk einde. Dit is zeer de moeite van het lezen waard, alleen zullen na het trage begin en de onsamenhangende hoofdstukken op het eiland niet veel lezers dit einde halen. ‘Soms laat Beer me zo in de steek dat het voelt als een bevrijding. Wat kan ik nu nog zijn? Ik was het tegenovergestelde van Beer. Beer was het tegenovergestelde van mij. Na zijn dood kon ik niet meer hetzelfde leven, want dat leidde tot zijn niet meer zijn.’ Soms zitten er juweeltjes tussen.

    Het is duidelijk, Een rijk alleen is een ‘coming of age‘-roman. Alleen mist het het niveau van boeken als De hemel van Heivisj van Benny Lindelauf of Extreem luid & ongelooflijk dichtbij van Jonathan Safran Foer. Deels komt dat omdat Lohman het verhaal chronologisch vertelt, waardoor de lezer zich door veel informatie heen moet worstelen om tot de kern te komen. Het naïeve taalgebruik wordt wat minder naïef naarmate Mos ouder wordt, maar helaas wordt zijn relaas er niet minder onsamenhangend door. Ondanks dat het taalgebruik past bij de belevingswereld van een kind, wordt deze wereld nergens echt geloofwaardig. Een aantal hoofdstukken staat te veel op zichzelf, een  samenhang ontbreekt. Vooral de hoofdstukken op het eiland lijken los van elkaar te staan. Alsof de auteur ze nog ergens in een bureaulade had liggen en ze toen maar in deze roman geplakt heeft.

    Met debutanten als Arnon Grunberg en Ronald Giphart heeft Nijgh&van Ditmar een naam hoog te houden. Of Niels Gerson Lohman een blijvende aanwinst is, moeten we afwachten. Ondanks een aantal werkelijk prachtige passages, overtuigt Een rijk alleen in elk geval (nog) niet.