• Uit respect voor het boek zijn onze uitgaven niet in de ramsj te vinden

    De jonge uitgeverij Koppernik, opgericht in 2014 door Bart Kraamer en Chris de Jong, afficheert zich als onafhankelijk en is gericht op eigenzinnige boeken die gedurfd  en uitdagend zijn. Waar zit die uitdaging precies in en wie zijn de mensen achter deze eigenzinnigheid? Adri Altink sprak voor Literair Nederland met Chris de Jong, een van de uitgevers van Koppernik.

    We ontmoeten elkaar in Haarlem. De door Chris de Jong voorgestelde wandeling zit er door de weersomstandigheden niet in. Aanhoudende regens houdt de mensen binnen, het plein voor de Sint-Bavo ligt er net zo verlaten bij als de Piazza del Duomo in Milaan door  het coronavirus. We gaan naar Grand Café Brinkmann aan de Grote Markt, waar al snel een geanimeerd gesprek ontstaat.

    Hoe is de uitgeverij ontstaan?

    ‘Ik had zelf een roman geschreven die ik naar Meulenhoff had gestuurd; Bart Kraamer werd daar mijn redacteur. Een reorganisatie bij Meulenhoff zorgde er echter voor dat hij boventallig werd en mijn debuut niet doorging. We hielden er wel een vriendschap met elkaar aan over. Boeken en literatuur bepaalden onze gesprekken en we zaten vol ideeën over literatuur die bij uitgevers geen kans krijgt. Tot iemand ons het laatste zetje gaf met de vraag: waarom beginnen jullie zelf geen uitgeverij?’

    En dat werd Koppernik. Hoe kwamen jullie aan die naam?

    ‘Die was een idee van Bart. Hij had Doctor Copernicus van John Banville gelezen en was daarvan onder de indruk. Koppernik of ook wel Kopernik was de oorspronkelijke naam van de Poolse astronoom die een wetenschappelijke revolutie veroorzaakte door het geocentrische denken te verlaten tegen de druk van zijn tijd en zijn geloof in. Een radicaal andere manier van kijken, zoals ook wij anders naar de boekenmarkt kijken’.

    Waar zit dat in, die revolutionaire blik van jullie?

    ‘Wij geloven dat de commercie veel te bepalend is in de huidige boekenwereld. Zonder bestsellers kan een uitgeverij niet gedijen en als een uitgever dan al eens overweegt om een vernieuwende en minder bekende, misschien ook wel minder toegankelijke, auteur aan te durven, dan hijgt onmiddellijk de verkoopafdeling in zijn nek. Dat gaat ten koste van veel kwalitatief goede literatuur waarvan wij vinden dat die de lezer wat nieuws te zeggen heeft. Wij willen juist die boeken aantrekkelijk presenteren en verleidelijk maken. We kiezen daarbij vooral voor de stijl. Die moet uitdagend zijn, gedurfd en oorspronkelijk. Dat zegt nog niets over de thematiek. Ze kunnen gaan over zaken die we in de mainstream literatuur ook tegenkomen, zoals onderdrukking, misbruik, klimaat, politiek en dergelijke. Maar voor ons moet de stijl waarin die thema’s worden benaderd een heel persoonlijke zijn’.

    Waarin verschilt jullie aanpak van gevestigde grote uitgeverijen? 

    ‘Wij vormen met zijn tweeën de hele uitgeverij. We doen alles zelf: de selectie, de redactie, de opmaak, de administratie enzovoort. We hebben ook alleen vertegenwoordigers in dienst die ons fonds aan de man brengen. We hebben zelfs geen pand. Vergaderen hoeven we nauwelijks omdat we met zijn tweeën een heel korte lijn hebben en gesprekken met schrijvers of met interviewers, zoals nu met jou, houden we in een café of ergens anders. Onze werkkamer is het huis van Bart. Daar is het een opeenstapeling van paperassen, dummy’s en administratieve verwerking. En boeken natuurlijk’.

    Wat opvalt is de herkenbare vormgeving van jullie uitgaven. Er zit een duidelijke verstilling in gebaseerd op gedempte kleuren met af en toe penachtige tekeningen. Ze zijn een heel eigen signatuur. Komt die ook uit jullie handen?

    ‘Het idee voor de omslagen is meestal wel van ons zelf. Dat kan een beeld zijn dat we in ons hoofd hebben, maar soms baseren we ons, bij vertalingen bijvoorbeeld, op de oorspronkelijke uitgaven. Soms maken we daarna het omslag zelf, maar vaak doen we daarvoor ook een beroep op een bevriende kunstenares, Anouk Martijn. Ik vind het leuk dat je onze uitgaven al aan de omslagen herkent. Dat willen we ook, een kenmerkende illustratieve stijl, maar ook een strakke belettering die we steeds gebruiken. We hebben daar overigens wel een ontwikkeling in doorgemaakt. In het tweede jaar van ons bestaan zijn we wat dat betreft de fout ingegaan. Terugkijkend vind ik dat we toen kozen voor te felle kleuren; we waren iets te schreeuwerig. Ik ben blij dat we daar van afgestapt zijn’.

    Er spreekt ook uit dat jullie het papieren boek als kunstvoorwerp belangrijk vinden. Bijna niets van jullie is als e-book verkrijgbaar.

    ‘Dat klopt, en dat heeft inderdaad een ideële reden. Het produceren van een e-book kost nauwelijks geld, dus daarvoor hoeven we het niet te laten. Maar het gaat wel ten koste van zaken zoals een bladspiegel, het wit in een tekst, de regelval en andere zaken die het boek tot een kunstwerk maken. En er is nog iets: onze boeken hebben een zachte cover. Een enkele keer levert dat problemen op, zoals bij nominaties voor een prijs of bij een bekroning. Toen Wessel Te Gussinklo vorig jaar de Bookspotprijs won, moesten we de omslagen van zijn bekroonde De Hoogstapelaar aanpassen omdat er stickers op moesten kunnen. Uit respect voor het boek zul je onze uitgaven ook niet in de ramsj vinden’.

    Dat zijn mooie idealen, maar er moet natuurlijk wel brood op de plank.

    ‘Natuurlijk nemen we risico’s. Maar door onze grote zelfwerkzaamheid springen we er met een verkoop van tweeduizend exemplaren al goed uit. Alles wat  meer is, geeft weer ruimte voor nieuwe plannen. Van De Hoogstapelaar verkochten we er bijvoorbeeld na het winnen van de Bookspotprijs veel meer en nu het op de shortlist van de Librisprijs staat loopt het misschien nog beter. Het aantal uitgaven is beperkt. We doen er twaalf per jaar met een enkele uitschieter tot vijftien à achttien. Onze eerste uitgave in 2014 was Zeer helder licht van Wessel Te Gussinklo. Bart kende hem goed en toen zijn plan om essays uit te geven bij zijn eerdere uitgever niet aansloeg koos hij voor ons. De roman werd meteen genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Dat was natuurlijk een geweldige binnenkomer voor ons als nieuwe uitgever. We hebben daarna eigenlijk nooit te klagen gehad over aandacht. Uitgaven van ons werden goed gerecenseerd en enkele romans haalden VPRO Boeken en het panel van DWDD. Ons concept slaat dus duidelijk aan. Sinds vorig jaar hebben we zelfs een investeerder, al hebben Bart en ik nog altijd een meerderheidsbelang wat aandelen betreft. Mocht het eens wat slechter gaan’ (hij grinnikt), ‘dan zijn we niet te beroerd om de handen op een andere manier uit de mouwen te steken. Bart vertaalt bijvoorbeeld uit het Zweeds en ik ben handig in kluswerk in de bouw. Maar dat heb ik al een tijd niet meer hoeven doen’.

    Hoe komen jullie aan je titels?

    ‘We lezen veel, niet alleen romans, poëzie en essayistisch werk, maar we volgen ook literaire bladen en bezoeken beurzen. Bij die gelegenheden steken we veel tijd in persoonlijke contacten. We wijzen elkaar voortdurend op belangwekkende boeken die niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Het komt ook nogal eens voor dat vertalers ons tippen en een boek bij ons onder willen brengen. We laten ons niet afleiden door bekroningen, maar zoeken eerder naar werk dat volgens ons ten onrechte onder de radar blijft.’

    En de manuscripten?

    ‘Die krijgen we behoorlijk veel, maar ze zijn in onze ogen zelden gedurfd genoeg. Ik schat dat we er in een jaar een paar honderd binnen krijgen, maar in slechts één geval hebben we dat debuut ook daadwerkelijk uitgegeven’.

    Tijdens het gesprek pakt De Jong een paar keer zijn telefoon om te laten zien op welke uitgaven hij het meest trots is: het pas verschenen De Tanners van Robert Walser uit 1907, De wetten van water van Cynan Jones, Onder het water van Daisy Johnson, en werk van Rilke en Huub Beurskens.

    En die roman waarmee het allemaal is begonnen, mogen we die nog verwachten?

    (Weer een glimlach) ‘Ik weet het niet. Maar als hij er komt breng ik hem ergens anders onder. De uitgeverij is er niet om mezelf op het podium te zetten.’

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Klik hier voor een blik op alle uitgaven van Uitgeverij Koppernik.

     

     

  • Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Het was voorwaar niet zomaar een uitgemaakte zaak dat Peter Handke (1942) in 2019 de Nobelprijs voor de Literatuur zou krijgen. De eigengereide Oostenrijker heeft in zijn eigen land niet alleen bewonderaars, maar ook felle tegenstanders, en zijn opmerkelijke houding ten aanzien van de Joegoslavische burgeroorlog is omstreden. Vooral zijn beslissing om het in dat conflict op te nemen voor Servië en een toespraak te houden op de begrafenis van Slobodan Milošević wordt hem begrijpelijkerwijs nog steeds kwalijk genomen. Overlevenden van de genocide in Srebrenica eisten tevergeefs dat de prijs werd ingetrokken.

    Het veelgeplaagde nobelprijscomité – als gevolg van een onverkwikkelijke affaire kon er in 2018 aanvankelijk zelfs geen prijs worden uitgereikt – wees erop dat het om een literaire onderscheiding ging, waarbij de politieke overtuiging of daden van de winnaar irrelevant zijn. Daar valt wel iets voor te zeggen, want als we geen onderscheid meer maken tussen het persoonlijke gedrag of de opvattingen van een auteur en zijn werk, kunnen we Louis-Ferdinand Céline, Knut Hamsun en zovele andere schrijvers met bedenkelijke sympathieën eenvoudigweg niet meer lezen.

    Herziene uitgave van experimenteel werk

    Die Angst des Tormanns beim Elfmeter verscheen in 1970. In 1972 kwam er een Nederlandse vertaling uit, getiteld De angst van de doelman voor de strafschop. Die was jaren niet meer verkrijgbaar, tot uitgeverij Koppernik vorig jaar besliste om de vertaling door Gerrit Bussink te laten herzien en opnieuw op de markt te brengen. Het verschijningsjaar spreekt boekdelen. In de vroege jaren zeventig ging de literatuur overal in Europa door een sterk experimentele fase. In Frankrijk had je de nouveau roman, met figuren als Alain Robbe-Grillet, wiens indrukwekkende Een regicide overigens ook bij Koppernik verscheen. Kort gezegd ging het om een poging om de traditionele conventies van de verhalende roman te doorbreken, ‘verouderde’ concepten als plot of intrige te negeren en de lezer doelbewust vervreemdende, zelfs weerzin oproepende literatuur voor te schotelen.

    Peter Handke, die als bewonderaar van onder meer Marguerite Duras ongetwijfeld bekend was met de nouveau roman, laat zijn afkeer van ‘beschrijvingsdrang’ en ‘verhalen’ tot uiting komen in De angst van de doelman voor de strafschop. In dat korte boek – ‘roman’ is wellicht niet de juiste omschrijving – volgen we Josef Bloch, een monteur die om volstrekt irrationele redenen aanneemt dat hij ontslagen is: ‘Toen hij zich ’s morgens op zijn werk meldde, werd monteur Josef Bloch, die vroeger een bekende doelman was geweest, meegedeeld dat hij ontslagen was. Tenminste, als zodanig legde Bloch het feit uit dat toen hij in de deur van de bouwkeet verscheen waar zich juist de arbeiders bevonden, alleen de voorman van zijn tienuurtje opkeek, en hij verliet het bouwterrein.’

    Objectiviteit op losse schroeven

    De schijnbaar objectief beschreven werkelijkheid van de openingszin wordt dus onmiddellijk daarna op losse schroeven gezet. We volgen Bloch op een schijnbaar zinloze dwaaltocht door de stad waarbij banale gebeurtenissen emotieloos worden beschreven: de hoofdpersoon neemt een hotelkamer, belt vrienden, gaat naar de bioscoop of neemt de tram. Zoals een doelman een willekeurige hoek kiest als hij een strafschop wil tegenhouden, laat Bloch zich onverschillig door het toeval leiden. De werkelijkheid interpreteren lijkt een onmogelijke opgave voor hem: ‘Tegen de vrouw die hem in de bus – door haar tasje open te maken en daarin met verschillende voorwerpen te spelen – al had aangeduid dat ze zich onwel voelde, zei hij: “Ik ben vergeten een briefje achter te laten”, zonder te weten wat hij met de woorden ‘briefje’ en ‘achterlaten’ eigenlijk bedoelde.’

    Dit soort onwezenlijke uitspraken en andere vervreemdingseffecten zijn schering en inslag. Het is alsof een cameraman de ik-figuur op afstand volgt zonder door te dringen tot zijn innerlijke gevoelens of gedachtenwereld. Er lijkt haast een glazen wand tussen Bloch en de werkelijkheid te staan die het hem onmogelijk maakt om werkelijk contact te leggen met zijn omgeving: ‘Hij ging voor het raam van een restaurant staan; de mensen binnen zaten voor een televisie. Hij keek een tijdlang toe; iemand draaide zich naar hem om en hij liep verder.’

    Doelbewust nergens naar toe

    En dan, plots, pleegt Bloch en verschrikkelijke misdaad, die op dezelfde emotieloze manier wordt beschreven als wanneer hij een kop koffie drinkt of geld opneemt bij de bank. Volstrekt onverstoorbaar zet hij daarna zijn willekeurige dwaaltocht voort en strandt in een grensplaats. Kortom, er ‘gebeurt’ weliswaar van alles, maar er is geen plot. Dit boek, deze antiroman gaat doelbewust nergens naartoe. Als het leven geen samenhangend verhaal is, zo lijkt Handke ons voor te houden, met een duidelijk afgebakend begin, midden en einde, waarom zou een boek dan wel op die manier gecomponeerd moeten zijn?
    Ook de relatie tussen taal en werkelijkheid wordt geproblematiseerd. Nu eens ondermijnt Handke zijn eigen beschrijvingen: ‘Bloch deed de briefkaarten op de bus. Er klonk een hol geluid toen ze in de lege bus vielen. Maar de brievenbus was zo klein dat het helemaal niet hol kon klinken. Bovendien was Bloch meteen doorgelopen.’

    Dan weer is het de taal zelf die niet bij de werkelijkheid schijnt te passen, of die vervormt: ‘De kasten, de wasbak, de reistas, de deur; pas nu viel het hem op dat het leek of hij gedwongen werd bij ieder voorwerp ook het woord erbij te denken. Iedere waarneming van een voorwerp werd onmiddellijk gevolgd door het woord. De stoel, de kleerhanger, de sleutel.’
    Handke gaat zo ver in dat experiment dat hij aan het einde van zijn boek zelfs woorden begint te vervangen door herkenbare, maar ook moeilijker te interpreteren symbolen. Bevorderlijk voor het leesplezier is dat niet, maar het laatste wat Handke dan ook wilde met dit boek, is zijn lezers een paar uurtjes zorgeloos achterover laten leunen in een gemakkelijke stoel om ze vervolgens met een voldaan gevoel naar bed te sturen.

     

  • Belangrijk is zo goed mogelijk te kunnen schrijven

    Wessel te Gussinklo won onlangs de BookSpot Literatuurprijs en werd overstelpt met interviews, tv-optredens en fotografen. De drukte van de voorbije maanden heeft zijn sporen nagelaten. Daarom vindt dit interview via de telefoon plaats. De schrijver heeft behoefte aan rust, om ongestoord te werken aan het vervolg van zijn tetralogie rond Ewout Meyster, het hoofdpersonage van zijn debuut De verboden tuin (1986), gevolgd door De opdracht (1995) en De hoogstapelaar (2019). Voor zijn eersteling, De verboden tuin, kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Nadat het verscheen, kreeg het onmiddellijk de Anton Wachterprijs. Na het succes van De opdracht bleef het lange tijd stil rond de schrijver, maar dat had zo zijn redenen. Na zijn hele leven in de buurt van Utrecht te hebben gewoond, verhuisde hij in 2007 naar Kamperland in Zeeland en bouwde, ver van alle drukte, een nieuw leven op.

    Voor het grote publiek bleef deze schrijver lange tijd onder de radar. Het winnen van de BookSpot Literatuurprijs bracht daar verandering in. Een gesprek met een literator pur sang, over het winnen van literaire prijzen, De hoogstapelaar en zijn schrijverschap.

     

    De hoogstapelaar was een onverwachte winnaar. Heeft u dat verrast?

    Dat ik gewonnen heb pleit voor de kwaliteit van de jury. Naar relevantie was het boek van Manon Uphoff door de hele MeToo beweging die iedereen bezighoudt, misschien wel de favoriet. En met het hele mediacircus rondom en de populariteit van Buwalda, gaf ik mezelf weinig kans. Zo ging het tenminste in 2014. Ik deed toen mee voor de AKO-literatuurprijs met Zeer helder licht. Er was toen het boek Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, precies 100 jaar na de Eerste Wereldoorlog, en dat won.’


    Hoe komt het dat uw boeken nooit het grote publiek hebben bereikt.

    ‘Ja, ik heb een ingewikkelde naam en ben Noord-Nederlands, en ik kom nooit op tv. Heb dat ook een aantal keren geweigerd na de dood van mijn eerste vrouw en dan vragen ze je niet meer. Daarna schreef ik enkel essays wat niet zo populair is. Bovendien woon ik niet in de buurt van Amsterdam, heel bewust. Dat betekent dat er weinig gerefereerd wordt aan mij. Ik behoor tot de zogenaamde ‘stervende’ schrijvers, zij die niet op tv komen. Gelukkig heb ik genoeg kwaliteit om te blijven drijven. Belangrijk voor mij is mijn boeken te kunnen schrijven, ze zo goed mogelijk te schrijven. Succes is natuurlijk leuk en aardig, maar tevreden zijn met jezelf, met wat je doet, is het hoogste. Je bent natuurlijk nooit echt tevreden. Maar wel zo tevreden als het kan, ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren er wel uithaal wat er in zit.’


    In De hoogstapelaar is Ewout Meyster weer hoofdpersonage. Er zit vierentwintig jaar  tussen De opdracht en deze laatste roman. Waarom duurde het zo lang ?

    Kijk, in 1998 overleed mijn eerste vrouw. Toen was de poëzie uit mijn leven verdwenen. Ik kon alleen nog essays schrijven. Het emotionele bestaan, de blik op het bestaan in de ruimste zin, heeft in veel opzichten toch ook met liefde te maken. Als de binding met het leven, de liefde, de menselijke samenhang weg is, dan ben je een soort van buitenstaander, die essayistisch toekijkt. Ik had geen romans meer in mij. Toen kwam ik Odilia tegen, en zo kwam alles langzaam weer op gang. Een andere vrouw, met een andere blik en een ander temperament, maakte mij toch weer scheppend.”


    Is Odilia uw muze?  
       

    “Absoluut. In 2013 kwam het  schrijven weer wat op gang. Het was niet eenvoudig, het was ook weer een emotioneel heroriënteren. Ik had  daarvoor al een paar keer geprobeerd het vierde deel te schrijven, het vervolg op De hoogstapelaar. Twee keer probeerde ik het, maar kwam niet verder dan één bladzijde. En toen, in 2013, lukte het weer met Zeer helder licht. Mijn vrouw kan mijn boeken beoordelen. Als schrijver zie je de onderkant van het tapijt, zie je de losse knoopjes, de verkeerd gespannen draden, maar de bovenkant, dat wat gezien moet worden, dat zie je als schrijver niet. Mijn vrouw is de eerste lezer of beter, luisteraar. Elke dag als ik wat geschreven heb, lees ik het haar voor om te weten wat ze ervan vindt, maar ook om het zelf te horen.’     


    Waarom deze bijzondere titel ‘De hoogstapelaar’. Een woord dat velen niet kennen. In het woordenboek staat ‘blaaskaak, snoever’, maar het refereert uiteraard aan ‘Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull’ van Thomas Mann. 

    ‘Het past wel bij Ewout Meyster, het is een snoevertje, een opscheppertje. Hij zit nog in een soort van vacuüm voor de volwassenheid. Daarbij kom je in hiërarchieën, dictatoriale en meedogenloze structuren die alles kapot maken. Hoe groot je kwaliteiten ook zijn, je wordt gemeten en beoordeeld. Je moet op alle mogelijke manieren jezelf stroomlijnen om je plaats te kunnen veroveren. Dat gebeurt evenwel nog niet in de puberteit. Dan kijk je nog naar die volwassenheid. Dan denk je hoogstens zoals jihadisten, lieden van de ETA, of IRA, “de wereld moet heel anders en die volwassenen hebben alles verkeerd gedaan. We moeten alles opnieuw doen.” Zo kijk je als puber tegen het leven aan. Daarna kom je in het echte leven terecht en moet je je aanpassen. Binnen de bestaande structuren je plaats zien te vinden. Maar een puber is een buitenstaander.’


    Ewout Meyster zit op die grens, hij is  zeventien, bijna achttien. Hij worstelt met het volwassen worden, maar tegelijkertijd geeft hij ook advies aan zijn ‘vrienden’ over hoe ze het moeten aanpakken. Het is heel dubbel voor Ewout.

    ‘Kijk, hij is zichzelf aan het scheppen als een echt baasje. Hij geniet niet voor niks van die foto’s van bekende en beroemde mensen. “Als volwassene wil ik worden als Churchill, als die of die dirigent. Een machtig persoon wil ik worden als volwassene, ik begin nu alvast te oefenen.” Dat is eigenlijk wat hij aan het doen is. “Ik ga een kereltje van belang worden.” En die zogenaamde vrienden, zijn natuurlijk geen vrienden. Dat zijn pionnen waarmee hij schaakt in het leven. Hij heeft die nodig. Neem nu die Meindert. Die heeft hij nodig om zichzelf te bewijzen dat hij superieur is aan hem. Zo probeert hij alles een beetje uit, en dat laat hij dan weer op anderen. Het zijn geen vrienden, maar allemaal oefenmodellen om het kereltje te worden dat hij graag zou willen zijn.


    Je hebt het over oefenmodellen. Ewout groeit op zonder vader. Is het niet zo dat hij de hele tijd op zoek is naar een rolmodel, een voorbeeld om zich aan te spiegelen?

    Hij heeft de ellende dat hij geen vader heeft en dus ook geen begrenzingen. In zekere zin moet hij zijn eigen vader zijn, een soort Baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras omhoog moet trekken. Een vader is  een voorbeeld waaraan je je optrekt, maar hij heeft niks. Hoogstens een aantal verre vaders als Churchill, Roosevelt en een beetje Hitler en foto’s van dirigenten en andere belangrijke mannen. Dat zijn abstracte vaders. Dat zijn de modellen waarmee hij speelt. Die kant moet het uit. En dat is natuurlijk idioot. Dan denkt hij, “Hoe houden ze het vol, elke dag hetzelfde.” Terwijl hijzelf ook een kunstenaar is, maar dat weet hij nog niet. Zijn eigen kunstwerk is hijzelf. Dan is hij na alle creatieve vondsten aan het eind van de avond hartstikke moe, uitgeput, moet hij snel naar bed. Zoals elke kunstenaar als hij iets gemaakt heeft. Neem die jazzkelder bijvoorbeeld. Hij heeft daar strapatsen gemaakt en volgens hemzelf heel bijzondere dingen gedaan, maar dan is het ineens op. Hij kan zichzelf, net als een kunstenaar, niet herhalen. Dan glijdt hij weg in een halve schemertoestand, een apathische bewustzijnsverlaging.’


    Ewout dweept ook met Sartre. Hoewel hij enkel flarden van zijn werk heeft gelezen, pakt hij daarmee uit tegenover anderen. 

    ‘Hij kan ze overbluffen met Sartre. Dit is ook een vorm van kunst. Hij haalt Sartre aan en iedereen zit sprakeloos naar hem te kijken. Goh, dat-ie dat allemaal weet. Dat is de enige kennis die hij heeft, want verder weet hij helemaal niks.’


    Daarmee is het boek een mooi voorbeeld van het existentialistische principe ‘L’enfer, c’est les autres’ ofwel, Eerst besta je, daarna word je pas iemand.

    ‘Ik ben Sartre pas grondig gaan lezen rond mijn dertigste. In mijn essaybundel Aangeraakt door Goden (2003) heet het eerste deel “Sartre als verlosser”. Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of  ernstig gestoord. Hij sprak dat tegen. Sartre was een verlossing voor mij: ik ben niet gek, ik ben geen melaatse, ik ben niet iemand die niet van andere mensen houdt, die allemaal rare en warrige gevoelens heeft. Ik ben zoals Sartre beschrijft hoe mensen zijn, wat een opluchting was. Daarna kwamen Nietzsche en Freud, Jung, Adler. De hele psychologie. Sartre was nieuw, modieus en schokkend. Ewout is in zijn tijd gewoon iedereen voor. Hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf ook in Sartre.’


    Is ‘De hoogstapelaar’ autobiografisch?

    De hoogstapelaar is het meest autobiografisch. Het blijft natuurlijk een roman. Er staan heel veel zaken in die helemaal niet autobiografisch zijn, maar die de dwang van het verhaal zijn. Het type is wel autobiografisch: zo’n verwende zwelbast was ik ook op die leeftijd. Later leert het leven je wel andere dingen, maar op een bepaalde leeftijd leek ik er toch wel sterk op.’


    Hoe gaat het verder met Ewout Meyster. Komt er nog een vierde deel?

    ‘Ik ben zeer druk in de weer met het vierde boek. Daar was ik eigenlijk al eerder mee bezig. Van dit derde boek heb ik heel lang gedacht, dat schrijf ik niet, dat sla ik gewoon over. Maar uiteindelijk heb ik het dan toch geschreven tot voldoening van mezelf. Maar het was eerst niet mijn plan. Dat vierde deel was ik al begonnen ergens rond 2010, maar zoals gezegd, dat lukte toen niet. Tot tweemaal toe. Maar dezelfde insteek die ik toen had, heb ik nu wel opnieuw hernomen.’


    Heeft u een bepaald schrijfpatroon of -ritueel? 

    ‘Ik schrijf in de ochtend. Vroeger niet. Toen schreef ik aan het eind van de dag. Was ik me een hele dag aan het voorbereiden en schreef aan het eind van de dag, als een soort ontlading mijn bladzijden. Sinds ik in 2013 weer begon met romanschrijven, begin ik meteen als ik opsta. Dan ben ik het meest vitaal. Dan zit ik eerst een uurtje te staren, in de materie te kruipen en daarna schrijf ik één à twee, soms drie bladzijden. Daar doe ik  gemiddeld vier uur over, het varieert een beetje. Op die manier, door in de ochtend te schrijven, is mijn dag gered en heb ik daarna vrije tijd.’


    Staat een boek al op voorhand vast of werkt u met een plan?

    ‘Van het verhaal zelf staan alleen de grote lijnen vast, verder  niets. Het ontwikkelt zich geleidelijk aan. Na een episode van De hoogstapelaar bijvoorbeeld, moest ik mezelf gaan corrigeren omdat ik niet meer wist hoe het verder moest. Al corrigerend schoten mij weer dingen te binnen en had ik me weer verdiept in de materie en wist ik weer hoe ik verder moest. Mijn meeste romans zijn een verhaal dat doorloopt, met een begin en een eind. De hoogstapelaar is natuurlijk een episodeboek, wat Peter Buwalda vergeleek met De avonden van Reve. Stukje na stukje, zonder een echt verhaal. De enige constante is de aanwezigheid van Ewout Meyser.’


    Het hele boek is een monologue interieur in het hoofd van Ewout Meyster. Was dat een bewuste keuze?

    ‘Nee, of ja, misschien toch wel. Ik kan er op deze manier ironie en het bizarre in kwijt, maar dat is zo gegroeid. De verwerking van het materiaal, dat wat ik voor ogen heb, is deze stijl, een beetje hyperbolisch met aanstellerij, met versieringen die zowel ironisch zijn als evocatief. En wat natuurlijk nodig is: aanwezigheid scheppen. Wat Mulisch bijvoorbeeld zei: “Naast de ster kijken, dan zie je de ster het scherpst.” Wat ik doe is het raadselachtige, het onzichtbare een beetje omcirkelen, dan ernaast kijken  om iets zichtbaar te maken.’


    In het begin is Ewout aanstellerig en absoluut geen leuk personage. Naarmate het verhaal vordert, word je hem, krijg je medelijden met hem. Dat is een verdienste van de stijl.

    Dat is  ook de bedoeling. Dat je in zijn werkelijkheid kruipt, zijn kijk op de dingen, op het bestaan. Zo leef je, zo moet je leven. Met alle hindernissen, alle problemen, maar ook alle mogelijkheden. Hoe leef je met jezelf en met de wereld. Je gaat mee met zijn blik op het wezenlijke, ook al is het een zeer subjectieve blik van dat ventje.’

     

    Is Ewout een zielig figuur of gewoon een puber die opgroeit?

    ‘Hij is een normale puber die amoreel, meedogenloos kijkt naar de dingen, uitprobeert, en zonder vooroordelen is. Hij heeft een kille blik op de dingen, maar wel met af en toe een verzachtend moment als hij muziek draait. Het paradijs zal komen, maar eerst moet hij ontzettend zijn best doen.’ 


    Hoe zou u willen dat er op uw schrijverschap wordt teruggekeken?

    ‘Ik ben in zekere zin  een schrijver die niet in de grote lijn past. Ik schrijf iets dat afwijkt en in veel opzichten dieper gaat dan wat normaliter geschreven wordt. Mijn werk is intens, het roept veel op. Ik probeer de diepte naar de oppervlakte te brengen. Vandaar dat mijn stijl ook breed uitwaaiert: bizar, spottend, beschrijvend, nadenkend, vrij diepe lagen onmiddellijk beleefbaar makend. Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus nou ja.’

     

    Auteursfoto verkregen via uitgeverij Koppernik.

     


    De hoogstapelaar werd uitgegeven bij uitgeverij Koppernik, net als zijn andere titels.

  • Hazenpad

    Hazenpad

    Toen er de laatste weken volop werd teruggeblikt, lijstjes werden gepresenteerd, er relletjes ontstonden rond het werven van stemmen voor beste boek van het jaar en het vooruitblikken loskwam, koos ik het hazenpad. ‘s Nachts zette ik me in de tuin, wachtend in de stilte op het gekwinkeleer van een vogel die elke nacht mijn nieuwsgierigheid wekte. Ik dacht een nachtegaal, maar weet niets van vogels. Overdag was ik met Belmiro Borba, een man zonder bestemming uit Belo Horizonte. We gingen samen uit, waren met zijn vrienden in het park, voerden filosofische, door drank aangespoorde gesprekken. Het was kerstavond 1934 en we namen de tram naar Calafate, naar zijn huis, een fazenda van zijn familie waar Belmiro woont met zijn twee stokoude zussen. De een wordt op gezette tijden opgenomen in een inrichting, de ander zet tijdens de maaltijden een kartonnen scherm voor haar bord om haar broer niet te hoeven zien.

    Onbereikbare liefdes zijn de gasoline waarmee Belmiro zijn dagen doorkomt. Verliefd op de mythe die hij zelf gecreëerd heeft rond het meisje Carmélia. Belmiro kan enkel op deze wijze de liefde aan, zo gauw deze fysiek wordt, verliest hij het bewustzijn. Liever droomt hij. ‘Toen ik een keer ‘s middags onder de luifel bij de voordeur zat, lichamelijk zeer verzwakt, zag ik haar zelfs het ijzeren tuinpoortje openduwen en naar me toekomen. (…) We praatten lang met elkaar, eindeloze uren, (…). Ze droeg een witte jurk, die haar lichter maakt en haar maagdelijke aanzien versterkt. Wat is deze liefde kuis! Geen lust of verlangen, geen sensuele voorstellingen.’ Carmélia trouwt uiteindelijk met een jongeman uit haar jeugd en gaat op huwelijksreis naar Europa. Belmiro overweegt,  ‘Als ik nou eens naar Rio ging om de afvaart bij te wonen, gewoon onverschillig, is dat geen idee?’ Waarna hij zichzelf direct op de vingers tikt: ‘Nou ja zeg, seu Belmiro, alleen al de gedachte om naar Rio te gaan sluit onverschilligheid uit. Blijf nou maar rustig in de Rua Erê en maak jezelf niks wijs.’  

    Toch gaat hij. Onder het mom van een zakenreisje reist hij naar Rio, ziet van een afstand het jonge stel de loopplank opgaan. Waardoor hij zich geërgerd afvraagt of hij naar Rio was gekomen om ‘dat’ te zien. Twee ‘doodgewone’ reizigers. Er gebeurde niets. ‘De aarde beefde niet, de zon werd niet verduisterd.’  Het is het leven op afstand dat Belmiro voor me inneemt. In zijn dagboek is er sprake van een onderzoekende geest, soms schimpend. Ja, dat is Belmiro, overdag is hij een timide, introverte jongeman van achtendertig, in zijn dagboek is hij een relativerende, soms nukkige oude man. Dagboekschrijven is voor hem een project, ‘Wie wil mag kwaadspreken over de literatuur. Ikzelf zal zeggen dat ik er mijn redding aan te danken heb. Ik kom bedrukt thuis, schrijf tien regels en word olympisch.’ Laten we gaan schrijven, onszelf overtreffen. Maar  lees eerst dit geweldige boek.

    Het was het roodborstje dat wanneer het ’s nacht wakker wordt direct aan het zingen slaat. Roodborstjes roeren zich net als Belmiro, het best in eenzaamheid.

     

     

    Ambtenaar Belmiro / Cyro dos Anjos / vertaald door Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Wandelen langs de rivier

    Wandelen langs de rivier

    De Zwitserse schrijver Gerhard Meier (1917-2008) is hier te lande niet zo bekend, hoewel hij een groot oeuvre van proza en poëzie heeft opgebouwd. Nu is voor het eerst een roman uit 1979 van hem vertaald, Dodeneiland.

    Het is een kort verhaal; twee oude vrienden, Baur en Bindschädler, wandelen langs de rivier de stad uit. Zoals de rivier door het landschap slingert, zo verloopt het gesprek tussen de twee mannen; althans het is Baur die aan één stuk door praat en Bindschädler die luistert en nadenkt. De vertelling meandert van diepe inzichten tot oppervlakkige observaties, het gaat alle kanten op: over de kersenbomen die door kraaien worden belegerd, over de bakkerswinkel waar zijn schoolvriendin Linda woonde, over de begraafplaats waar zijn neef Johann ligt, ‘de laatste landloper van onze streek’, over de vrouw van de cavaleriemajoor waaraan Baur geparenteerd was, over ‘de omineuze bootreis die ze achter zich hadden’ (naar Griekenland), enzovoort.

    Het is niet gemakkelijk te achterhalen wat Baur bezielt: waarom vertelt hij dit allemaal aan zijn oude vriend? En waarom reageert Bindschädler nauwelijks? Misschien is dit het antwoord:

    ‘”Waarom, Bindschädler, heeft men op zijn oude dag die krankzinnige behoefte – achterom te zien of in het verleden te leven, steeds weer die draden in de greep te krijgen die je verbinden met wat vergaan, vervlogen en onmogelijk weer terug te brengen is, wat op de een of andere manier is opgelost, maar toch aanwezig is en niet weg te poetsen? Wat uiteindelijk op een of andere manier met ons de grond ingaat waar het oplost, vervluchtigt of opgaat in het minerale, het stoffelijke, om dan in bloemen, in lelies bijvoorbeeld, in asters, in sneeuwklokjes, vergeet-mij-nietjes weer op te duiken, als hun geur (voor zover ze die wensen af te geven) en zo weer te vervliegen,” zei Baur.’

    Door er op deze manier over te praten houdt hij het verleden levendig en daarmee zijn leven. Dit citaat is ook illustratief voor het epische taalgebruik van Meier. Het is mooi geschreven, beeldend proza waarbij je je een goede voorstelling kunt maken van wat de beide vrienden onderweg tegenkomen, wat ze zien en welke associaties dat vooral bij Baur oproept. Baur is naar eigen zeggen een ‘ogenmens’, neemt veel waar, zowel wat hij tijdens zijn wandelingen langs de rivier ziet, als ook de herinneringen die bij hem bovenkomen van gebeurtenissen die zij samen hebben meegemaakt.

     

  • Hernieuwde aandacht voor Witold Gombrowicz

    Hernieuwde aandacht voor Witold Gombrowicz

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969) is vooral bekend geworden door zijn boeken Ferdydurke (1937), Pornografie (1960) en Kosmos (1965)Minder bekend bij het grote publiek zijn zijn dagboeken die hij speciaal voor publicatie schreef. Paul Beers maakte er in 1986 een integrale Nederlandse vertaling van, Dagboek 1953-1969. Dit dagboek is alleen nog antiquarisch te vinden. Om die reden maakte Huub Beurskens er een selectie uit die onlangs is verschenen onder de titel Met mijn smoel in mijn handen.

    Gombrowicz verblijft in Argentinië als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. ‘Ik was door een toeval naar Argentinië vertrokken, slechts voor twee weken, en als door een speling van het lot in die twee weken de oorlog niet was uitgebroken, zou ik naar Polen zijn teruggekeerd /…/’. Het werd geen verblijf van twee weken, maar van 24 jaar. Pas in 1964 keert hij terug naar Europa, naar onder andere Berlijn, Barcelona en Parijs. Het laatste deel van zijn leven, tot 1969, woont hij in het Franse Vence, op twintig kilometer van Nice.

    Dagboeken

    Huub Beurskens maakte een selectie uit de drie dagboeken, die van 1953-1956, 1957-1961 en 1961-1969. In zijn Argentijnse periode werkte Gombrowicz zeven jaar als directiesecretaris bij Banco Polaco, de Argentijnse tak van de Poolse bank Pekao SA Bank. Ondertussen werkte hij aan romans, toneelstukken en aan zijn dagboeken. In 1953 verscheen het eerste deel.

    Gombrowicz schrijft in zijn dagboeken over talloze onderwerpen, over schilderkunst (Da Vinci, Titiaan), klassieke muziek (Mozart, Bach, Beethoven, Schönberg), literatuur (Dante, Barthes, Sartre, Proust) en ook over literaire kritiek. Over critici: ‘Werp met woede en trots alle kunstmatige superioriteit van u af die uw positie u verschaft. Want literaire kritiek is niet beoordeling van de ene mens door de andere (wie gaf u het recht daartoe?), maar een treffen van twee persoonlijkheden die absoluut gelijke rechten hebben. Dus, oordeel niet. Beschrijf slechts uw reacties. Schrijf nooit over de auteur noch over zijn werk – alleen over uzelf in confrontatie met het werk of de auteur.’

    Raak

    Gombrowicz weet vooral te raken met zijn observaties over kunst. Over zijn bezoek aan het Louvre schrijft hij onder meer: ‘Dat gedrang aan die wanden, die dom, vlak naast elkaar opgehangen schilderijen. Je krijgt de hik van die opeenhoping. Een kakofonie. Kermis.’ De bezoekers in de zaal met de Mona Lisa vergelijkt hij met schildpadden die elk jaar de zee verlaten om op een verlaten strand hun eieren te leggen: ‘Zo verzamelt zich elke dag, al vijf eeuwen lang, een kleine menigte voor dit schilderij om het als een stelletje ezels aan te gapen… Klik! Een Amerikaan met zijn camera. De anderen glimlachen toegevend, zonder te begrijpen, de gelukzaligen, dat hun milde toegevendheid niet minder dom is. Over het algemeen heerst er domheid in de zalen van het Louvre.’ Alsof er niets veranderd is… toen de Amerikaan met zijn klikkende camera, nu de talloze mobiele telefoons en de selfies voor het beroemde schilderij van Da Vinci.

    Uitersten

    Gombrowicz houdt van vergelijken en contrasten. Zo zet hij Sartre, Proust en Borges tegenover elkaar. De ene schrijver bewondert hij, de andere verguist hij. ‘Sartre, weet u, is op alle fronten passé.’ Hij formuleert het zo: ‘Onze bewondering voor een kunstenaar heeft veel weg van de goedheid van een oude tante die een kleine jongen een complimentje geeft om hem geen verdriet te doen.’

    De jaren in Argentinië zet hij tegenover de jaren in Europa. Terug in Berlijn realiseert hij zich dat de omschakeling naar het leven in Europa niet eenvoudig is: ‘Ik voelde nu, ik wist, dat dat allemaal niet vanzelf zou gaan, dat die Europese reis van mij iets veel gevaarlijkers was geworden dan ik me had kunnen voorstellen toen ik in Buenos Aires mijn koffers sloot. Een schrijnend element van wanhoop was in mijn reis geslopen /…/ Sinds ik Argentinië had verlaten, was ik de draad kwijtgeraakt…’

    Chronologisch in het dagboek lezen is niet nodig. Sla het boek op een willekeurige bladzijde open en je blijft lezen. Als lezer word je meegenomen in zijn vreugde en zijn wanhoop. Geniet van zijn verhalen over Argentinië en huiver bij zijn beschrijvingen van Parijs en Berlijn.
    Het is jammer dat het boek geen namenregister bevat. Het is fijn als een lezer op naam kan zoeken in het dagboek. Positief is de toegevoegde beknopte bio- en bibliografie.

    Aanvulling op de dagboeken

    Bij deze uitgave verscheen tegelijkertijd een boek van Paul Beers, Witold Gombrowicz door de jaren heen. Het is een mooie aanvulling op de selectie uit het Dagboek 1953-1969 van de Poolse schrijver. Het bevat o.a. een deel van de briefwisseling van eind jaren zestig tussen Beers en Gombrowicz, plus essays en interviews en beschrijvingen van de bezoekjes die Beers bracht aan de schrijver in zijn huis in het Franse Vence.

    Beers is een energiek pleitbezorger van zijn werk. De schrijver wist dat ook te waarderen, getuige de opdracht die hij voorin een van zijn werken voor Beers schreef: ‘A Paul Beers qui me torture avec ses questions /…/’  Het laatste artikel in het boek is de tekst van een voordracht van Beers uit 2004, ‘Opkomst en neergang van Gombrowicz in Nederland’. Het bevat de constatering dat Gombrowicz ‘voor een algemeen publiek dood is in Nederland.’

    Bijzonder is dat Paul Beers het werk van Gombrowicz vertaalde op basis van de Franse en Duitse vertalingen uit het Pools. Beers zei daar in zijn voordracht over dat het ‘iets ongemakkelijks’ heeft ‘de vertaler te zijn van een van de grote moderne Poolse schrijvers zonder diens taal te beheersen.’ Gombrowicz vond dat geen probleem. Hij liet Beers weten dat hij liever een goede vertaling via het Frans en het Duits zag dan een middelmatige vertaling uit het Pools.

    Dit doet echter in het geheel niets af aan het feit dat beide boeken Wiltold Gombrowicz opnieuw onder de aandacht brengen. Huub Beurskens, Paul Beers en uitgeverij Koppernik verdienen alle lof daarvoor. Het is te hopen dat hierdoor een opleving voor het werk van deze belangwekkende schrijver zal ontstaan.
    Gombrowicz verdient het om gelezen te worden. In zijn eigen woorden: ‘Dat mijn werk sinds dertig jaar niets aan levenskracht heeft ingeboet, dat een boek als Ferdydurke vandaag, net als toen, met een vreugdekreet begroet kan worden door een Italiaan, een Deen, een Canadees, een Paraguyaan – dat is voor mij belangrijk!’

     

  • Oogst week 23 – 2019

    Eiland in de nevel

    Alleen de intense ervaringen die wandelaar Pieter Kikkert ervoer tijdens zijn kilometerslange wandeling in 1791 kunnen wandelaars van nu misschien herkennen, maar niet het landschap. Dat zag er in 1791 heel anders uit dan tegenwoordig. Kikkert wandelde in die zomer over Texel, met een dichtbundel onder de arm, net nadat het had gestormd en er hele stukken land in zee waren verdwenen. Hij schreef er een verslag over dat Texelaar en auteur Lodewijk Dros (1964) twee jaar geleden bij toeval vond. Dros ontdekte wat een veelzijdig man Pieter Kikkert is geweest en gebruikte diens verslag voor Eiland in de nevel
    Eiland in de nevel geeft volgens uitgeverij Boom ‘een caleidoscopisch beeld van het leven op een eiland rond 1800’.

    Lodewijk Dros (Texel, 1964) werkt sinds 2000 bij dagblad Trouw, momenteel als chef van Letter & Geest. Hij studeerde theologie en was predikant in Amsterdam.

    Het originele manuscript van Pieter Kikkert is online te lezen.

    Eiland in de nevel
    Auteur: Lodewijk Dros
    Uitgeverij: Boom (2019)

    Met mijn smoel in mijn handen

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904 – 1969) is een van de vertegenwoordigers van de Poolse avantgarde. Zijn werk wordt vergeleken met dat van Kafka, Ionesco en Beckett. Zijn belangrijkste romans zijn Ferdydurke, Kosmos, Pornografie, en Het huwelijk

    Paul Beers die bijna het gehele oeuvre van Gombrowicz vertaalde vond het Dagboek het hoogtepunt in diens werk en zeer relevant voor het begrip van zijn romans. Gombrowicz schreef het Dagboek bewust om het te laten publiceren, en formuleert daarin zijn gedachten over ‘hoe ons door anderen een vorm wordt opgedrongen, over waarom het onrijpe en lage machtiger zijn dan de rijpheid, over wat schijn is in de juist zo persoonlijk geachte beleving van kunstzinnige uitingen, waar de grenzen liggen van onze moraal op een aardbol waar het probleem van het explosieve bewonersaantal onmogelijk kan worden genegeerd.’

    Huub Beurskens maakte een selectie uit het Dagboek zoals dat in de integrale Nederlandse vertaling door Paul Beers in 1986 verscheen. Volgens uitgeverij Koppernik is Met mijn smoel in mijn handen ‘nog actueler en urgenter […] dan toen Gombrowicz het schreef’.

     

    Met mijn smoel in mijn handen
    Auteur: Witold Gombrowicz
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De fantastische meneer Willughby

    In de wereld van ornitologen werd John Ray jarenlang als een van de eerste en meest toonaangevende wetenschappers gezien. Hij publiceerde in 1676 samen met Francis Willuhhby een standaardwerk de Ornithologiae. Op het moment van verschijnen was deze Willuhhby echter al overleden en de roem ging bijna volledig naar Ray.
    Totdat Tim Birkhead (1950), hoogleraar gedragsbiologie en wetenschapsgeschiedenis aan de universiteit van Sheffield , in contact kwam met een verre nazaat van Willuhhby en gewezen werd op diens werkelijke betekenis.
    Dit was voor Birkhead aanleiding om op onderzoek uit te gaan, gelden te verzamelen en vervolgens Willuhhby de eer te geven die hem toekwam. In het voorwoord schrijft Birkhead: ‘Dit is het verhaal van de man die de grondslag legde van het wetenschappelijk onderzoek van vogels.’

    De fantastische meneer Willughby
    Auteur: Tim Birkhead
    Uitgeverij: Atlas Contact(2019)

    In het hart van het hart van de schrijn

    Het nieuwe nummer van Terras, nummer 16 heeft als thema ‘Over de grens’ en biedt nieuwe poëzie van alle continenten.
    Over de grens is het grote internationale poëzienummer waarvoor in 2017 dichters, redacteuren, vertalers en conservatoren van poëziebibliotheken samenkwamen om over een nieuwe bloemlezing van poëzie van de hele wereld te spreken.
    Deze editie wordt voor abonnees vergezeld door de dichtbundel In het hart van het hart van de schrijn van Anne Kawala, uit het Frans vertaald door Kim Andringa.

    Terras #16 verschijnt aan de vooravond van de 50ste editie van Poetry International maar presenteert een eigen en onafhankelijke selectie dichters. Het nummer brengt lectuur uit Argentinië, Ierland, Italië, Oostenrijk, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Duitsland, Cuba, Spanje, Engeland, Mexico, de VS, Hongarije, China en Schotland.

     

    Voor meer informatie: Https://tijdschriftterras.nl/hart-hart-schrijn/

     

    In het hart van het hart van de schrijn
    Auteur: Anne Kawaba
    Uitgeverij: Perdu – Terras Poeziëcentrum
  • Leerjaren van een jonge dromer

    Leerjaren van een jonge dromer

    Onlangs verscheen De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo, de derde roman over de Utrechtse jongen Ewout Meyster. Hij is daarin 17 jaar oud. Zijn intrede in de literatuur deed deze Ewout in 1986 in De verboden tuin, waarin hij ongeveer 10 jaar is. Het vervolg was De opdracht uit 1995. Daarin volgen we het personage als 14-jarige in een zomerkamp op De Veluwe. Die roman vielen diverse prijzen ten deel (onder andere de ECI), en De verboden tuin werd gelauwerd met de Anton Wachterprijs voor debutanten. De hoogstapelaar is opnieuw bejubeld, in de kranten althans.

    De opdracht is nog steeds te koop, maar dat gold niet voor Te Gussinklo’s debuutroman. Daarin is nu voorzien door de derde druk van De verboden tuin. Daarmee is de hele cyclus weer binnen bereik voor de literaire doorzetter. Want dat moet gezegd: gemakzuchtige lezers zullen licht stranden in de drie romans.

    Zwartleren portemonnee
    De verboden tuin is geen gewone vertelling. Eigenlijk gebeurt er zelfs bijzonder weinig. Te Gussinklo trekt ons al vanaf de eerste zin in de binnenwereld van Ewout waaruit we niet meer weg kunnen vluchten. Eigenlijk is de roman één monologue intérieur vanuit de gemoedsbewegingen van de tienjarige hoofdfiguur. Dat we over hem lezen in de derde persoon werkt bovendien nog eens vervreemdend en toch lijkt dat een goede keuze. Als de roman de ik-vorm had gehad zou dat te zelfbewust zijn overgekomen. Het ontbreekt Ewout namelijk aan helder inzicht in zichzelf. Hij wordt voortdurend belaagd door gebrek aan zelfvertrouwen, twijfels en fantasieën die hem grip op de werkelijkheid moeten geven waar hij zich niet in thuis lijkt te voelen.

    De eerste zin is kenmerkend voor de roman: ‘Toen hij de trap afkwam zag hij de zwartleren portemonne van zijn moeder op de kapstok liggen en meteen bonkte er iets in hem en hij bleef roerloos staan zonder dat hij precies wist waarom. Op slag was het van hem afgevallen; het gevoel van onbehagen, de verveling, het gevoel niets meer te herkennen.’ Alles dat de komende hoofdstukken zal gaan beheersen zit er in: de verveling en doelloosheid, de plotselinge omslagen in de gemoedstoestand, de detaillering (niet gewoon een portemonnee, nee heel precies een zwartleren), de verleiding om een verboden daad te stellen. Gaat hij geld stelen? En waarom?

    Verrukte glimlach
    Die eerste zin heeft iets geheimzinnigs. In de roman, die uit twee delen bestaat, komt het woord ‘geheim’ of ermee verwante begrippen tientallen keren voor. Ewout doet  dingen waarvan het spannende voor hem is dat hij zelf de enige is die ervan weet: een kettinkje zo verstoppen in een bosje struiken ‘dat niemand het weet te vinden’; een waterstroompje bedekken met takjes en graspolletjes ‘zodat het een onderaards riviertje was geworden dat niemand kon zien’. Hij fantaseert over tuintjes die hij aanlegt, over het houden van paarden, over het bezit van een boerderij. Over het bereiken van iets groots.

    Ewout heeft op school een kringetje van vrienden waar hij zich niet echt aan kan hechten. Hij wil invloed op ze hebben, bepalen wat er gebeurt, maar voelt zich vaak door hen uitgelachen (in die scènes heeft Ewout veel weg van een autist). Wat hij in de werkelijkheid niet kan bereiken probeert hij in de greep te krijgen in fantasieën die vaak destructief zijn. Zijn beste vriendje is Hennie, maar ook in contacten met hem blijft Ewout de eenzelvige jongen die zich voortdurend afvraagt wat de betekenis is van het leven en de gebeurtenissen en dingen om hen heen. Meisjes zijn al helemaal onbenaderbaar; ‘Het leek of ze intens maar heel gelukkig met iets bezig waren dat zo geheim was, zo verborgen dat niemand het wist, een geheim dat ze voor zichzelf hielden, waar ze blij om waren, en voortdurend aan dachten. Er hing iets stralends, iets onkwetsbaars om ze heen, iets als een ononderbroken zachte verrukte glimlach, alsof ze een wonder verwachtten, uitkeken naar een schitterend geluk dat alles zou vervullen, een geluk waarvoor ze gereed waren om het te ontvangen, en dat voor hem verborgen bleef’.

    Spiegeling
    Ewout leeft alleen thuis met zijn moeder. Zijn vader is in de oorlog door de Duitsers doodgeschoten, iets waarop enkele keren wordt gezinspeeld maar dat pas tegen het einde van de roman feitelijk duidelijk wordt. De twee delen van de roman zijn een spiegeling van elkaar, niet alleen omdat ze beide negen hoofdstukken tellen, maar ook door twee verhalen die een verwantschap hebben. In het eerste deel is de centrale gebeurtenis dat Ewout, die inderdaad geld steelt uit de portemonnee van zijn moeder, enkele Dick Bosboekjes koopt; lectuur waarmee zijn moeder hem niet wil zien. Ze vormen één van zijn geheime werelden die hij in een mengeling van schuldbesef en trots op zijn durf moet verdedigen als zijn vriendje Hennie ze ontdekt. Maar nog erger als zijn moeder er achter komt. In een scène die doet denken aan Ciske de Rat wiens moeder een boek kapot maakt dat Ciske van een vriendje heeft gekregen, verscheurt Ewouts moeder ook de boekjes van Dick Bos. Het leidt tot driftbuien en fantasieën waarin hij zijn moeder de gemeenste dingen laat overkomen.

    In het tweede deel staat de verliefdheid van Ewout op klasgenootje Hanneke centraal. Ook nu weer zijn de gevoelens die hij voor haar koestert een strikt persoonlijk geheim waaraan hij geen gevolg kan geven. Anders dan bij de boekjes van Dick Bos zal hij nu echter wel degelijk contact moeten maken om zijn hunkering naar haar in daden om te zetten. Terwijl hij zich overdag ergert aan de vieze praatjes van zijn vrienden over seks met Hanneke, fantaseert hij ’s nachts over hoe hij haar in zijn macht kan krijgen door haar naakt aan een boom te binden. Zijn ontluikende amoureuze gevoelens zijn de verboden tuin waarop de titel van de roman doelt.

    Proustiaans
    Op die manier samengevat kan de indruk ontstaan dat De verboden tuin een toegankelijk verhaal is. Dat is niet zo. We zitten de hele roman in het hoofd van Ewout en varen dus mee op zijn grillige gemoedsstromen. Gedachten worden vaak midden in een zin alweer onderbroken door bedenkingen, tegenreacties die Ewout vreest en vragen naar de betekenis van zijn leven. Dat levert hoekige zinnen op en lange Proustiaanse overpeinzingen. Daarin duiken toespelingen op op gebeurtenissen waarvan de lezer op dat moment nog geen weet heeft. Het is dan ook een bijzonder knappe Bildungsroman over een onzekere maar ambitieuze jongen (in Ewouts achternaam Meyster echoot natuurlijk Wilhelm Meisters leerjaren van Goethe door), die volledige overgave van de lezer vergt aan een weerbarstige stijl.

     

  • Oogst week 13 – 2019

    Vallen is als vliegen

    Alleen maar ervaren en gewaardeerde Nederlandse schrijvers, deze week in de Oogst.

    In Vallen is als vliegen valt de zestien jaar oudere zus van de hoofdpersoon, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap en sterft. Dat doet de woede van de schrijfster ontbranden. De dood van Henne Vuur, ooit haar ‘schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien.

    De nieuwe roman van Uphof begint direct met die val:

    ‘Henne Vuur

    Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in de Bataclan te Parijs voorgoed weerhouden werd van verdere onschuldige uitstapjes.
    Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.
    Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulancemedewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.
    Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. Moest je ze nou eens zien: die moeder, altijd en eeuwig met haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje. Deed het niet denken aan Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!’ […]

     

    Vallen is als vliegen
    Auteur: Manon Uphoff
    Uitgeverij: Querido

    De onverwachte rijkdom van Altena

    Jan van Mersbergen viert op vier april a.s. vanaf 17.00 uur de presentatie van zijn nieuwe roman bij boekhandel Athenaeum op het Spui in Amsterdam.

    In een dorp verschijnt een persoon met de mededeling dat de man is overleden die dertig jaar eerder een geliefd meer door een hek liet omheinen en afsluiten. Waarom deed hij dat? De dorpelingen denken dat hij voor zichzelf deed. Maar is dat zo? Diens dochter komt vervolgens met de sleutel van het hek.

    Het boek begint als volgt:

    ‘1 horizontaal: Beloning voor de portier

    Er staat een Chinees voor de cafetaria.
    Dat is niet een van de opgaven van de puzzel die hier voor me ligt, al zou het ervoor door kunnen gaan. Ik denk aan iets heel anders en dat begon met die Chinees, bij de cafetaria. Daarvoor gebeurde er veel en daarna gebeurde er nog veel meer, geloof me, maar het werd in gang gezet door die oude Chinees op het stoepje.
    Het zou iets met bami kunnen zijn, als die Chinees een crypto was, of met mayo. De eerste opgave van deze puzzel, één horizontaal, is: Een beloning voor de portier.’ […]

    De uitgeverij: ‘De onverwachte rijkdom van Altena laat zien dat delen pas zin heeft als iedereen ervan profiteert. Een intrigerend verhaal over afgunst en solidariteit onder de uitgestrekte hemel van de Nederlandse polder.’

     

    De onverwachte rijkdom van Altena
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Voorwaarts

    Eva Meijer (1980) debuteerde in 2011 met Het schuwste dier (2011). Later volgden  Dagpauwoog (2013) en Het vogelhuis (2016), beiden op Literair Nederland besproken.

    Meijer (filosoof, kunstenaar, singer-songwriter en schrijver) is zowel voor haar literaire als essayistische werk genomineerd voor verschillende prijzen, haar werk wordt in veel landen vertaald en zij won in 2017 de Halewijnprijs voor haar gehele oeuvre.

    Op haar blog van 16 maart jl. schrijft ze over haar nieuwe roman Voorwaarts!:

    Uit betrouwbare bron vernam ik dat mijn nieuwe roman Voorwaarts al in de winkel ligt. Nog voor ik het boek zelf gezien heb. Dus ren naar je favo boekhandel en koop het voor jezelf, je geliefde, en/of je buurvrouw. Over het boek:
    In 1923 verlaat een groep anarchisten Parijs om nabij Luynes een commune op te richten. Veganisme, nudisme en gelijkheid tussen man en vrouw bieden volgens hen de mogelijkheid om in harmonie met de aarde te leven. Bijna honderd jaar later leest student politieke filosofie Sam een oude uitgave van het dagboek van één van hen, Sophie. Sam raakt betoverd door de verhalen over het leven op de boerderij, haar liefde voor Clémence, en de vele discussies die ze hebben over de juiste manier van leven. Ze overtuigt haar eigen vrienden om de stad te verlaten en zelfvoorzienend te gaan leven. In het noorden van het land krijgen ze te maken met spirituele gelukszoekers, geldminnende makelaars, de grenzen van de open liefde en de beklemming van afzondering. Hun dromen lijken niet bestand tegen het experiment en één voor één verlaten ze het huis. Of kan het toch anders? Voorwaarts is een roman over liefde en vrijheid, en de strijd voor wat de moeite waard is.’

     

    Voorwaarts
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De verboden tuin

    Dan de heruitgave van de debuutroman De verboden tuin uit 1986 van Wessel te Gussinklo die hem meteen de Anton Wachterprijs opleverde en een debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren

    De verboden tuin beschrijft het leven van een kind met een blik op de wereld zoals alleen kinderen die hebben. De roman beschrijft ook de wijze waarop je – zowel kind als volwassene – probeert je de wereld toe te eigenen. Het heimwee naar de ongeschondenheid, naar het samenvallen van de eigen werkelijkheid met dé werkelijkheid: een droom die in iedereen leeft, maar die bij het kind nog ongerept is.

    De verboden tuin is de eerste roman met als hoofdpersoon Ewout Meyster, die later terug zal keren in de romans De opdracht en De hoogstapelaar.

     

     

    De verboden tuin
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Een van ons zal omkijken

    Tot slot de meester Toon Tellegen die een bloemlezing samenstelde uit al zijn gedichten. In al zijn bundels dicht hij over ons, de mens, over het leven, de liefde, de twijfel en de dood. De uitgeverij schrijft daarover: ‘Soms zijn die gedichten ingetogen en melancholisch, dan weer spreken ze met uitroeptekens van hoop, verlangen en geluk. En steeds gaan ze over herkenbare gedachten en gevoelens, van het verdrietigste treurgedicht tot de gloedvolste liefdespoëzie.’

    Geniet ervan!

     

    Een van ons zal omkijken
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 6

    Het heterogeen

    In de Oogst van deze week twee poëziebundels, een debuutvertaling van een roman uit het Engels en een boek dat niet geschreven zou zijn als Donald Trump in 2016 niet tot president gekozen was.

    Elly de Waard was jarenlang popjournalist voor de Volkskrant en Vrij Nederland, voor ze als dichteres naam maakte. Vanaf haar eerste bundel Afstand (1978) was ze spraakmakend omdat ze duidelijk stelling nam tegen de vijftigers die in die tijd nog bepaalden wat goede poëzie was. De liefde tussen vrouwen werd een van haar belangrijkste thema’s. Haar werk is daarom geliefd evenals om haar zorgzame omgang met taal. Het heterogeen is de negentiende dichtbundel van Elly de Waard.

    Het werk van Elly de Waard wordt al veertig jaar trouw uitgegeven bij De Harmonie. Dat mag wel eens gezegd worden in een tijd van dolende schrijvers.

    Het heterogeen
    Auteur: Elly de Waard
    Uitgeverij: De Harmonie

    Identiteit

    Francis Fukuyama is docent internationale economie aan de John Hopkins University en werd wereldwijd bekend met zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992).
    Met zijn nieuwe boek Identiteit laat hij zijn licht schijnen op het electorale succes van populisten. Een succes dat verklaard wordt vanuit economische motieven, maar in feite voortkomt uit een behoefte aan identiteit. In Het einde van de geschiedenis schreef Fukuyama al dat mensen hechten aan erkenning van hun waardigheid. In Identiteit verklaart hij dit begrip vanuit het huidige tijdsgewricht.

    ‘Ik heb de laatste decennia veel nagedacht over de ontwikkeling
    van moderne politieke instellingen: hoe de staat, de
    rechtsorde en democratische verantwoording zijn ontstaan,
    hoe ze zich ontwikkelden en op elkaar inwerkten, en ten
    slotte, hoe ze in verval hebben kunnen raken,’ schijft Fukuyama in zijn voorwoord.

    Identiteit
    Auteur: Francis Fukuyama
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Lief slecht ding

    Dichter en essayist Frank Keizer (1987) is redacteur bij nY en medeoprichter van het online tijdschrift Samplekanon. Zijn eerste bundel Onder normale omstandigheden werd genomineerd voor de Poëziedebuutprijs Aan Zee.

    Zijn nieuwe bundel Lief slecht ding is, zo de uitgever laat weten, ‘een zoektocht naar wat aantrekt en afstoot, naar wat beter maakt en wat zeer doet. Ikken en jijen (soms een jullie) verzamelen zich rondom vuren en keukentafels, liggen op beton of in een kapot bed. Ze begeven zich op een postmilitante weg naar iets wat toekomst heet. Ze wachten, bereiden zich voor. Ze praten over het wij dat nog moet worden aangeleerd of eerst afgeleerd.’ Want geluk zal collectief zijn, of niet.

    ‘Zijn poëzie is witty – geestig én intelligent – en bij vlagen messcherp en puntig’, oordeelde de Jury van de Poëziedebuutprijs Aan Zee over de poëtische kunsten van Frank Keijzer.

     

    Lief slecht ding
    Auteur: Frank Keizer
    Uitgeverij: Polis uitgevers

    Veenland

    De verhalenbundel Fen van Daisy Johnson (1990) werd vertaald als Veenland, door Callas Nijskens, die hiermee haar debuut als vertaalster maakte.

    Daisy Johnson (Oxford, 1990) schrijft over vrouwen die de grenzen van hun kracht opzoeken. Het speelt in de moerasgebieden van Engeland en gaat over een tienermeisje dat zichzelf uithongert tot ze zo dun is als een paling. Over een huis dat verliefd raakt op een meisje en een jongen die uit de dood herrijst als een vos. Het moerasgebied is een plek waar dieren en mensen in elkaar overgaan, waar vreemde metamorfosen plaatsvinden en waar mythe en donkere magie zich ophouden.

    Veenland
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik
  • Een man zonder missie

    Een man zonder missie

    Experimenteren en vernieuwen zit essayist, dichter en verhalend prozaïst Huub Beurskens (1950) in het bloed, zo bewijst ook zijn laatste roman Steyler. Tot op de dag van vandaag publiceert Beurskens romans die literatuurtradities op de helling zetten. Bovendien blijft hij zichzelf trouw in het ondernemen van een zoektocht naar oorsprong en zin van het menselijk bestaan. In zijn boeken wordt veel gereisd naar (verre) landen en afgedaald in zowel persoonlijk verleden als in wereldhistorie.
    Dat Beurskens in zijn lange literaire carrière steeds toegankelijker is geworden ligt misschien hieraan dat hij als uitgangspunt in zijn boeken een ‘story’ is gaan etaleren. Hij heeft die omkleed met het experiment dat voorheen op de voorgrond stond en met betekenislagen waaruit als vanouds zijn teksten zijn opgebouwd.

    Stilistisch knap relaas

    De story wordt als een aanlokkelijk vloerkleed voor de lezer uitgelegd. Hij kan het optillen en de diepste diepten ontwaren. Doet hij dit niet, dan neemt hij genoegen met een in de regel onderhoudend en stilistisch knap relaas. Mogelijk stoort de lezer zich aan het experiment dat daarbovenop wordt beproefd en legt hij het boek als ongeloofwaardig terzijde.
    Zo kan de roman Noordzeepalmen dat geschreven is vanuit een ‘onbetrouwbaar’ vertelstandpunt, beleefd worden als een daadwerkelijk plaatsgevonden reeks spannende gebeurtenissen. In Steyler kan men savoureren als een reisverslag naar de Dordogne waarin een op leeftijd geraakte, nogal saaie man knotsgekke verwikkelingen over zich afroept.

    Het levensraadsel

    Evenals het andere werk van Beurskens is dit boek méér dan een verslag van een reis naar Frankrijk. Voor hoofdpersoon Mathieu draait het om de vraag waar hij vandaan komt en waar hij heengaat. Zijn interesse is gericht op de missing link tussen de aap en de eerste, rechtoplopende mens en verder alles wat met het levensraadsel verband houdt. Een onderwerp dat overigens beslist niet nieuw is in het oeuvre van Beurskens.
    Hij is dermate geobsedeerd door de mysteries van het bestaan dat hij tuurt in de veronachtzaamde kanten ervan. Een vlieg en enige metgezel in zijn eerste hotelkamer in de Dordogne neemt hij onder een stolp mee die hij tijdens het vervolgen van zijn reis zorgvuldig bewaakt.

    Mathieu is op weg naar zijn vriend Steyler, de titelfiguur. Sinds hun jeugd in het Noord-Limburgse Tegelen zijn ze bevriend. Beiden zijn beeldend kunstenaar, al heeft Mathieu zich sinds kort op het pad van de romanschrijverij begeven. Misschien komt het daardoor dat hij op zoek is naar verrassender invalshoeken in de beschouwing van de werkelijkheid.
    Hij observeert het insect onder een vergrootglas en betreedt een nieuwe wereld. Los van de oude wereld kan hij echter niet komen. De vleugels van de vlieg zijn met een schaartje bewerkt!

    Ver van de waarheid

    Hij wordt teruggeworpen in de alledaagse werkelijkheid waarin herhalingen van wreedheden tijdens het vervolgen van zijn reis zullen plaatsvinden. Tijdens zijn reis lijkt alles met elkaar samen te hangen maar het antwoord op de cruciale vraag (waar kom ik vandaan en waar ga ik heen) wordt er juist door vertroebeld. Hoe dichter hij de waarheid nadert hoe meer hij op een mistgordijn stuit. Het is een gang die Beurskens rond 1970 in zijn poëzie herhaaldelijk had gemaakt en vele ‘autonomisten’ met hem in de voetsporen van de destijds vernieuwende Kouwenaar en Faverey.
    De speurtocht die Steyler in zijn jeugd naar de schakel tussen aap en mens heeft ondernomen en die zijn zoon thans als een erfstuk koestert, is mislukt. Wederom een herhaling: de zoon van Steyler raakt in China de onderzoeksgegevens kwijt van zijn expertise naar de missing link, naar de Pekingmens. Via ingenieuze ontwikkelingen raakt Mathieu betrokken in deze onderneming waarover hij vóór zijn komst was ingelicht door Steyler in brieven. Bizarre belevenissen volgen. Dat ze niet leiden tot een ontknoping laat zich raden.

    Voorbij de romantraditie

    De debuutroman van Mathieu die de lezer, zo wordt gaandeweg duidelijk, in handen heeft, gaat naar het einde toe op een totale mislukking uitdraaien. Uitstapjes in de vorm van beschouwingen over vriendschap, liefde, noodlot, of eindigheid kunnen het boek niet redden. Zelfs niet het verslag van de nacht van Mathieu op een Franse hotelkamer met de vriendin van Steylers zoon die hem de brieven van Mathieu over de vorderingen van het onderzoek in China wil ontfutselen. Dat avontuur is te ongeloofwaardig en past niet in een ‘goede’ roman.

    In Steyler wordt men door de auteur in een voetnoot hoffelijk aangesproken. Het is één van de methoden waarmee Beurskens de romantraditie doorbreekt. Aan het eind van het boek valt ons een nog charmantere benadering ten deel: ‘Lezer… Ik wilde het hierbij laten, maar je bent dus gebleven. Hoewel ik je schromelijk ben gaan verwaarlozen. […] Je trouw doet me werkelijk deugd en is geest- en hartverwarmend.’
    Wat de lezer voorgeschoteld krijgt, getuigt van taaiheid, geeft de schrijver toe. Maar zij is functioneel. Wie slechts het ‘verhaal’ heeft opgepikt komt ook niet slecht weg. Zo beschouwd is Steyler een geslaagde roman. Een roman voor een groter publiek wellicht dan Beurskens tot nu toe voor zijn werk heeft gevonden.

     

  • ‘Halverwege ergens een diepe kuil’

    ‘Halverwege ergens een diepe kuil’

    Dat van Simeliberg, het nieuwe werk van Michael Fehr ook een hoorspelversie bestaat, zoals vertaler Ard Posthuma in zijn verhelderende nawoord schrijft, mag geen verwondering wekken voor wie de roman heeft gelezen.
    Een toneelstuk, waarin verschillende stemmen naast die van de verteller de verhalende structuur bepalen. Je kunt dat een min of meer willekeurige keuze noemen van de auteur om zijn tekst in afgebroken regels te presenteren, zodat die op poëzie gaat lijken, ook vanwege zich repeterende fragmenten, of zoals toneelteksten van bijvoorbeeld Samuel Beckett over de pagina worden verdeeld. Maar die willekeur is natuurlijk maar schijn.

    Simeliberg doet ook denken aan het werk van Bert Schierbeek, aan diens Weerwerk, Betrekkingen en Binnenwerk bijvoorbeeld. Schierbeek zou best iets te vertellen hebben gehad over dit werk van Fehr, waarin stemmen een primaire rol spelen.
    In een interview met John Vandenbergh, aan het slot van Schierbeeks Het dier heeft een mens getekend (1960) reageert Schierbeek op de opmerking dat zijn werk hardop gelezen moet worden met: ‘Kijk, lezen zijn de mensen verleerd door het lezen van zinnen, die ze steeds weer tegenkomen en die ze dus wel kunnen dromen. Zij zijn gewend aan een slordig gebruik van woorden, aan een voertaal, die een soort vervoerstaal is, die allang met de klank der woorden en dus ook met de betekenissen heeft afgedaan. (….) Hardop lezen kan hen dus helpen om de taal weer te horen, de klankomschreven betekenissen weer tot het oor door te laten dringen.’

    Fehr verdeelt samengestelde zinnen over meerdere regels, die af en toe door andere zinsfragmenten worden onderbroken. Dat dwingt tot teruglezen, zodat het bewust vertraagde leesproces de lezer dicht bij de tekst brengt. De lezer krijgt niet de gelegenheid om te verslappen, op straffe van onbegrijpelijkheid.
    Ook het genoemde werk van Schierbeek wint aan zeggingskracht door het voor te lezen, maar daarmee houdt elke vergelijking ook wel op. Simeliberg is een soort Kammerspiel, beperkt in ruimte en tijd en in het aantal personages, geheel in tegenstelling tot bijvoorbeeld een uitdijend universum als Betrekkingen van Schierbeek.

    Simeliberg is een krimi en zoals elke goede krimi ook een thriller, die speelt in een Zwitsers gehucht. Een geheel atypische locatie ook, voor wie zonovergoten, al dan niet besneeuwde bergtoppen verwacht. Regen, modder, een beetje sneeuw en klamme, natte kou bepalen de grijzige sfeer, waarin de intrige zich voltrekt.

    Griese, de Duits-Zwitserse hoofdpersoon, gemeentesecretaris  van het dorp, raakt verstrikt in het web van een ultranationalistische beweging van jongeren, wiens onvermoede voorman een boer is die in een groot huis in het dal woont. Schwarz heet de eenzelvige man, die zijn ideeën aan Griese opdist, wanneer de laatste hem komt afhalen voor een onderzoek door de sociale dienst in de nabijgelegen stad in de persoon van mevrouw Weiss. Schwarz wordt meegenomen vanwege de aanhoudende geruchten in het dorp dat hij zijn vrouw, die al tijden niet meer in het dorp gesignaleerd is, zou hebben vermoord.

    De wereld gaat ten onder aan lafhartigheid en slampamperij en de enige uitkomst is vestiging op de rode planeet om de beschaving opnieuw te beginnen, aldus Schwarz. Zijn jeugdige bentgenoten, onder wie de zoon van de vrouw met wie Griese een verhouding heeft, hebben geen zin om te wachten op verhuizing naar Mars. Zij willen om te beginnen de zwakken en nuttelozen alvast elimineren, zodat alleen een sterk ras overblijft. Maar Schwarz verdenken ze ervan dat hij de zaak heeft belazerd, dat hij met de door hen bijeengebrachte honderdduizenden franken er tussen uit wil knijpen.

    Griese, die in het dorp vanwege zijn afkomst – geen volbloed Zwitser – eigenlijk een outcast is, ondanks zijn centrale functie, gaat op eigen onderzoek uit naar de dood van de vrouw van boer Schwarz, vooral ook omdat hij naar zijn zin door de politie en sociale dienst van heel weinig informatie wordt voorzien, terwijl zijn dorpsgenoten van hem het naadje van de kous willen weten. Maar de onfortuinlijke Griese komt ook toevallig de in zwarte uniformen samenspannende ultranationalistische organisatie op het spoor.

    Uiteindelijk zal blijken dat de vrouwelijke rechercheur, die het onderzoek leidt, de sleutel tot het lot van Griese in handen heeft. Halverwege het werk wordt de lezer, via een advies van haar aan het naar de afgelegen boerderij afdalende politiecorps, al gewaarschuwd: ‘….als ik jullie was/zou ik niet verder rechtdoor lopen/halverwege moet ergens een diepe kuil zitten…’
    In die (figuurlijke) kuil blijkt aan het slot Griese te vallen, zonder schuld, maar ook zonder alibi.

    Simeliberg is een prachtig leesavontuur en schitterend vertaald door de uiterst veelzijdige taalvirtuoos Ard Posthuma. Wat wil je nog meer, Fehr zijnde, met zo’n klassevertaler?