• Oogst week 26 – 2021

    Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen

    ‘De essentie van reizen is dat je je overgeeft aan wat je overkomt,’ schrijft Cees Nooteboom in zijn onlangs bij Koppernik verschenen Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen, bestaande uit een in 2020 geschreven essay en een gedicht. Nooteboom weet dat als geen ander: hij onderzoekt in zijn internationaal geprezen reisverhalen steeds het onbekende door zich onder te dompelen in de natuur en cultuur van de werelddelen en landen die hij aandoet. Met zijn partner, fotograaf Simone Sassen, bezocht hij in december van 2005 Kozan-ji, een kleine tempel in het noorden van Kyoto, in 1133 gesticht door de monnik Myoe. Nooteboom beschrijft de sprookjesachtige, verstilde omgeving; het verstrijken en concreet worden van de tijd in de rituelen en kunst in de tempel.

    Het boek, dat een in 2020 geschreven essay en een gedicht bevat, is verfraaid met kleurenfoto’s van Sassens hand en het eerste deel van de Choji-jinbutsu-giga-rol met inkttekeningen van antropomorfe dierenfiguren, waarvan de originele onderdelen zich tegenwoordig in het Nationaal Museum van Kyoto en het Nationaal Museum van Tokyo bevinden.

    Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen
    Auteur: Cees Nooteboom
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Mijn nachten met Spinoza

    ‘Sinds H. en ik uit elkaar zijn, komt alles me belachelijk voor. Ik ben woedend dat ik moet blijven eten, drinken, slapen, dat wat mensen leven noemen. Wat er daadwerkelijk belachelijk geworden is, dat ben ik zelf. Maar het zijn de spelregels, zeg ik tegen mezelf, het is precies de reden waarom ik het allemaal op moet schrijven. Ik ben het aan mezelf verplicht.’ Met die confessie kondigt Els Moors in Mijn nachten met Spinoza haar literaire zelfonderzoek aan. Aan de hand van de 48 affecten, of ‘impulsen tot handelen’, die de zeventiende-eeuwse filosoof Benedictus de Spinoza (1632-1677) definieerde, beschrijft Moors zo eerlijk mogelijk haar leven en het liefdesverdriet waarmee ze worstelt. 48 affecten, in 48 dagen: die indeling kenmerkt haar filosofische autofictie-relaas.

    Els Moors is dichteres en prozaïst. Ze was in 2018 en 2019 Dichter des Vaderlands van België. Haar poëziedebuut Er hangt een hoge lucht boven ons (Nieuw Amsterdam, 2006) werd bekroond met de Herman de Coninckprijs.

    Mijn nachten met Spinoza
    Auteur: Els Moors
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het heldenpad

    Nog een reisverhaal in deze Oogst, zij het dat dit boek meer weg heeft van een biografie: de Britse auteur Tim Parks trok in 2019 met zijn partner Eleonora de Apennijnen in, in navolging van de negentiende-eeuwse generaal Garibaldi. Parks tekende hun reis op in Het heldenpad. Te voet met Garibaldi van Rome naar Ravenna, dat eerder deze maand bij De Arbeiderspers verscheen in vertaling van Corine Kisling.

    Tijdens zijn middelbareschooltijd kwam Parks achter het bestaan van de illustere Giuseppe Garibaldi (1807-1882). Deze guerrillastrijder fascineerde Parks zodanig dat hij een reis én een boek aan hem wijdde. Garibaldi spreekt dan ook tot de verbeelding: hij ontkwam na een terdoodveroordeling aan de executie door naar Zuid-Amerika te vluchten, hij vocht in de Uruguayaanse Burgeroorlog, overleefde volgens de overlevering zo’n twaalf kogelwonden en wist uiteindelijk inderdaad een cruciale bijdrage te leveren aan wat bekendstaat als de Risorgimento, de Italiaanse eenwording, waarbij Italië het politieke juk van onder andere Oostenrijk afwierp.

    Het heldenpad
    Auteur: Tim Parks
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Die veel begeert, veel ontbeert

    Die veel begeert, veel ontbeert

    In zijn columnbundel De beste beesten brengt Midas Dekkers de mens onder in het dierenrijk. Hij schrijft over onze soort: ‘Snot, oorsmeer, uitwerpselen: elke uiting van uw centrale ik wordt stelselmatig door uw buitenwacht afgewezen. Kennelijk wilt u uzelf liever niet kennen. Stomme zak.’ De eigen dierlijkheid is de mens te weerzinwekkend om onder ogen te zien. Schamen wij ons ten diepste voor wie wij zijn? Eén landdier ontbreekt echter in de columns van Dekkers. Blijkbaar wilde hij zijn vingers niet branden aan het aaibare roofdier dat dankzij Beertje Paddington, Winnie de Poeh, Baloe en president Teddy van al zijn bloeddorstigheid beroofd is.

    Gelukkig heeft uitgeverij Koppernik het adembenemende boek Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel opnieuw gepubliceerd. Dit verhaal zindert van vrouwelijke seksualiteit en maatschappijkritiek, waar Engel tegelijk waarschuwt voor zelfgenoegzaamheid. Bibliothecaresse Lou wordt hopeloos verliefd op een beer die op het landgoed van een voormalige kolonist verblijft. In de veronderstelling verkerend dat ze de werkelijke beschaafdheid vindt in de onbedorven natuur, begaat Lou een doodzonde. 

    Masturberen

    Beer steekt alle erotische parels uit de literaire canon naar de kroon. Zo zuinig Engel met geslachtsdelen en seksuele handelingen strooit, zo doeltreffend creëert ze een sensuele ambiance met de échte aanjagers van seksueel verlangen: schaamte, geur en fantasie. Niet het expliciete, maar het impliciete prikkelt de zinnen. Lou reist af naar het desolate Noord-Ontario, waar ze een archief moet aanleggen voor een privébibliotheek van de overleden Colonel Cary. Bij binnenkomst van het koloniale, vervallen pand vechten walging en wellust om voorrang: ‘De geur van kachelolie. De geur van muizen. De geur van stof (…) Nog een geur, muskusachtig, ondefinieerbaar maar aangenaam.’ Ze ruikt de beer, die ze nog niet ontmoet heeft. Lucy Leroy, de native american die het beest verzorgde voor Cary, zegt dat Lou samen met de beer moet poepen, opdat ze elkaar leren kennen. ‘Beer leeft bij geur. Hij vindt jou aardig.’ Dit ritueel, dat Lou in haar zoektocht naar puurheid blindelings voltrekt, mist zijn uitwerking niet: ‘een muskuslucht zo scherp als de hoge zoete klank van een herdersfluit.’ Hoewel het archiveren van de bibliotheek voortvarend begint, raakt Lou verslingerd aan het wilde dier, dat in een hok achter het huis bivakkeert. 

    Seks met mannen is voor Lou een noodzakelijk kwaad: ‘Er was geen sprake van genegenheid. Het was iets geworden wat ze zichzelf aandeed.’ De directeur van het historisch instituut waar ze werkt, neemt haar in de lunchpauzes. De beheerder van Cary’s huis, Homer, verleidt haar met whisky en bedriegt zijn echtgenote. In de geborgenheid van Beers warme vacht ontdooit Lou, bevredigt zichzelf, maar heeft geen gemeenschap met het beest: ‘Hij likte tot haar tepels hard waren en schuierde haar navel. (…) Toen ze kwam, huilde ze zacht. En de beer likte haar tranen af.’ De ochtend erna overdenkt ze haar zonde: ‘Ze kneep in haar geweten om te achterhalen of ze zich een slecht mens voelde. Ze voelde zich geliefd.’ En ze houdt van hem. Het bestiale wordt het beste wat ze ooit gehad heeft, want ‘wat haar tegenstond in mannen was niet zozeer hun erotiek als wel de aanname dat die bij vrouwen ontbrak’. Volkomen blind voor het feit dat ze de beer voor haar eigen genot misbruikt, denkt ze haar onbedorvenheid te herwinnen. 

    Nobele wilde of de wil tot nobelheid

    Naarmate Lou langer met Beer optrekt – vrij snel geeft ze hem nota bene een naam – ontwaart ze menselijke trekjes in diens gedrag: na een plons in het naburige meer grijnst hij naar haar; hij schuifelt ongemakkelijk heen en weer in zijn onderkomen; moe en droevig wacht Beer tot Lou naar hem kijkt. Met deze antropomorfismen vervaagt Lou de grens tussen het menselijke en dierlijke. Zij ontkracht de overtuiging dat het menselijke, beschaafde enerzijds, en dierlijke, onbeschaafde anderzijds een tegenstelling vormen. Met andere woorden: ze waagt zich aan een gedachte-experiment om haar recent opgebloeide verlangen goed te praten. ‘Ze wilde weten wie en wat die Cary was. De beer. Er was een verband, een ondefinieerbare intimiteit tussen hen, een schakel tussen verlangen en begeerte en wat bereikbaar was. (…) Wat kreeg Cary terug voor het opofferen van de beschaving?’ Met dit achterhaalde motief van de nobele wilde, de noble savage, bekritiseert de hoofdpersoon de westerse beschaving om haar eigen geweten te zuiveren. 

    Volgens de idee van de nobele wilde is de primitieveling een betere, liefdevollere mens dan de geciviliseerde. Via de boeken uit Cary’s bibliotheek krijgen de Romantiek en de Verlichting, de grondleggers van dit motief, het nakijken. Romantici Keats en Lord Byron veroordeelt Lou, omdat de twee mannen over lijken gingen in hun pathetische streven naar ongereptheid: ze wilden, kortom, te graag nobele wilden zijn. Verlichte denkers Darwin en Linnaeus neemt ze juist kwalijk dat de wetenschappers het mysterie van de natuur verbraken in hun drang om alles te categoriseren: deze heren wilden in haar ogen te veel ‘beschaven’. Toch zweeft Lou geenszins boven de partijen en ontpopt zij zich ironisch genoeg tot niet-nobele wilde. Ze heeft meermaals seks met beheerder Homer en voelt zich er niet schuldig over dat ze overspel faciliteert. Hij is immers maar een doodvermoeiende zuurpruim die haar met zijn heldendichten over Europeanen en wilde indianen verveelt. Naderhand duwt de man – die niet voor niets naar Homerus vernoemd is – haar van zich af; ze stinkt naar beer. ‘s Avonds krijgt Lou van Beer niet de troostrijke omhelzing waar zij zo vurig naar verlangt: ‘Die avond rook hij mens aan haar en wilde niet bij haar komen.’ Mensen zijn weliswaar een soort dieren, dat maakt dieren echter nog niet tot een soort mensen.

    Zelfgenoegzaamheid

    Waar Lou een patriarchale, westerse maatschappij de maat neemt, is zij zelf geen haar beter. De keerzijden van de hierboven aangestipte periodes  – Romantiek, Verlichting en zelfs de Klassieke Oudheid – zijn eveneens in haar verankerd: haar naïeve, sentimentele queeste naar puurheid ontaardt in bestialiteit en haar rationele werk in de archieven vervreemdt haar van haar identiteit. Haar fantasie dat ze een Aphrodite is, wier vrouwelijke seksualiteit geëerbiedigd dient te worden, is slechts een excuus om de beer voor haar eigen gerief te exploiteren: ‘… ze wist dat ze uit water voort was gekomen. Ze sabbelde op haar tenen en haar vingers, spelend dat ze geboren werd. De golven bleven aan de kust sabbelen.’ 

    Marian Engel rekt in Beer de grenzen op van het maatschappelijk aanvaardbare en geeft de beer het imago dat hij verdient. In volle glorie ontbrandt Beers wildheid, als Lou het ondenkbare wenst: ‘er liep één lange rode geronnen striem van haar schouder naar haar bil.’ Wat Lou precies wil, geef ik niet prijs. Eén ding is zeker: Marian Engel vermorzelt het ‘beschaafde’ met begaafde pen.

     

  • Oogst week 51 – 2020

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special

    In de laatste Oogst van dit jaar een vers verschenen literair tijdschrift, een debuutroman, en een keuze van twee boeken uit de stapel boeken die de afgelopen maanden zijn binnengekomen.

    De vijfde papieren editie van Zuca-magazine is geheel gewijd aan de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). Wat deze editie vooral wil laten zien is dat Pessoa niet alleen dichter was, maar ook was hij journalist, chroniqueur, verhalenschrijver, filosoof, polemist, reclameman, oprichter van tijdschriften, misdaadauteur, uitgever en groot briefschrijver. Veel schreef hij vanuit zijn zogenaamde heteroniemen, zoals de dichter Ricardo Reis. Waarover Yves van Kempen een mooi stuk schreef, ‘De dichter Ricardo Reis en zijn geestelijke vaders’. Waarmee hij natuurlijk Pessoa zelf bedoelt, maar ook Saramago die Ricardo Reis in zijn roman Het jaar van de dood van Ricardo Reis, vanuit Brazilië waarheen Pessoa hem had laten emigreren, laat terugkeren naar Portugal. En beste lezer, wees gewaar dat het hier dus een door Pessoa verzonnen persoonlijkheid betreft, die verder leefde nadat hij zelf overleden was.

    Van Abdelkader Benali een stuk over toen hij als jongeman Het boek der rusteloosheid begon te lezen, de vele streepjes die hij zette, tot pag. 30 van het boek, toen begon het ‘fladderen’ zoals hij schrijft. ‘Het oog werd ekster’ die de aansprekende stukken eruit pikt, ze verzamelt. ‘Snapshots. Dit boek leent zich daar goed voor.’ De korte en langere stukken tekst van Pessoa, die zoals het redactionele stuk vermeldt: ‘Er is een Pessoa voor iedereen!’ Maar het mooie is, dat deze special de verschillende delen van Pessoa naast elkaar laat zien, die soms aan elkaar passen maar nooit helemaal samenvallen met een en dezelfde persoon.

    De vertalingen zijn van de hand van Harrie Lemmens, met een enkel opgenomen stuk in vertaling van August Willemsen.

    In het middenkatern een keuze uit de eerder op de site van Zuca-magazine verschenen citaten van Pessoa die samengaan met een kleurenfoto van Ana Carvalho, die een beeld zo dichtbij haalt dat er een andere werkelijkheid ontstaat.

     

     

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special
    Auteur: Onder redactie van Ana Carvalho, Marylin Suy en Harrie Lemmens
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De druppel

    Jan van Mersbergen is romanschrijver en een veelschrijver, en dat is positief bedoelt. Dagelijks schrijft hij een verhaal op zijn blog, of een stuk dat leest als een fragment uit een roman, hij is schrijfdocent en schrijft ook nog onder het pseudoniem van Frederik Baas thrillers.

    De druppel is zijn derde thriller en gaat over een burenruzie die nogal uit de hand loopt. Met de nogal obsessieve schrijver van een bestseller over opruimen, rust en regelmaat, Tom: een echte controlefreak. Schrijver Jan van Mersbergen is niet ver weg in deze thriller, hij zit in de schrijfstijl, in fragmenten als, ‘Als je een vaste baan hebt en iedere dag naar kantoor gaat dan weet je altijd hoe laat het is en welke dag het is. Zit je thuis met een stapel boeken op je tafeltje, en het werk is gedaan, dan maakt het niet uit welke dag het is.’

    En dan is er de mailwisseling met een schrijfdocent met de initialen J.M, en de cursist Gerard, die in het verhaal de bovenbuurman van Tom is. De druppel zit gewoon geweldig in elkaar, ingenieus geconstrueerd, en levert ook nog schrijftips op.

     

    De druppel
    Auteur: Frederik Baas
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Varkensribben

    Het prozadebuut Varkensribben van Amarylis De Gryse is een tragikomisch verhaal over een jonge vrouw die aan het begin van de roman in een auto leeft omdat haar jeugdliefde haar uit huis heeft gezet. Vanuit die auto vertrekt ze elke ochtend naar een verzorgingstehuis om haar ochtendshift te doen. Terug naar huis, naar haar moeder, blijkt geen optie. Als jongste van vier dochters, wordt het niet gewaardeerd dat haar relatie met de zoon van de slager verbroken is. Waarbij even gedacht wordt aan het prozadebuut van Tom Lanoye, Een slagerszoon met een brilletje. Waarbij met name de sfeer uit het leven van een middenstandsfamilie overeenkomsten vertoont.
    Varkensribben is opgebouwd uit herinneringen, mooi beschreven familietafereeltjes als uitstapjes naar het strand, het vieren van verjaardagen, de rolverdeling onderling.

    Maar meer nog is Varkensribben het verhaal van een jonge vrouw die zich in de steek gelaten voelt, haar eigen route moet gaan bepalen. Het verleden, herinneringen daaraan, spelen een belangrijke rol. Geschreven in prettig korte hoofdstukken, met gedetailleerde beschrijvingen van het menselijk ongemak.

    Varkensribben
    Auteur: Amarylis de Gryse
    Uitgeverij: Prometheus

    Treurzang voor een thuisland

    Ayad Akhtar(1971)  is een Amerikaanse toneel-, roman- en scenarioschrijver van Pakistaanse afkomst die in 2013 de Pulitzerprijs voor Drama ontving voor zijn toneelstuk ‘Disgraced’. Zijn romandebuut De hemelverdiener (2012) verscheen in meer dan twintig landen.

    Zijn nieuwe boek Treurzang voor een thuisland is een hybride roman waarin het politieke met het persoonlijke verhaal verweven is en leest als een aanklacht tegen Amerika. Het verhaal van een vader die cardioloog is, zijn zoon en de ‘Great American Dream’. Een droom die ook voor Ayad Ahkyar uitkwam, na jaren van geploeter werd hij beroemd en rijk. Toch hoort hij er nog steeds niet helemaal bij, omdat hij moslim is, kind van Pakistaanse ouders.

    Treurzang voor een thuisland  gaat over die Amerikaanse Droom, over schulden en drugsverslaving die talloze levens verwoesten, over een gierige reality-tv-persoonlijkheid die president is geworden en over hardwerkende immigranten die voortdurend in angst leven. Een boek dat we zouden moeten lezen.

    Treurzang voor een thuisland
    Auteur: Ayad Akhtar
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

    Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

    In De naam van de wereld (2000) van de Amerikaanse auteur Denis Johnson (1949-2017) werkt universitair docent Geschiedenis Michael Reed bij de faculteit Geesteswetenschappen in het midwesten van de VS, en gaat hij ‘ogenschijnlijk verlamd of onverschillig’ door het leven, nadat hij vier jaar eerder zijn vrouw en dochter verloor door een auto-ongeluk. Hij bleef doen wat hij al jaren deed. ‘Ik kwam opdagen waar ik was uitgenodigd. Ik las heel wat af in de bibliotheek. Ik ging in mijn eentje naar de film. Ik keek naar de schaatsers op het campusmeertje. Heel wat vaker dan ik aan de grote klok zou willen hangen had ik denkbeeldige gesprekken met ene Bill’. Bill is suppoost bij een museum en wisselt zelden een woord met bezoeker Michael.

    In het begin van het boek ontmoet hij tijdens een dinertje onder anderen Heidi Franklin, een historica van de kunstacademie. Ook aanwezig is een jonge studente die voor de aanwezigen cello speelt. Tien pagina’s verder gaat Michael naar het Schone Kunstengebouw om Heidi op te zoeken. Hij wordt verwezen naar een ruimte waar een ‘Cannon Performance’ gaande is. ‘…op een klein podium zat een vrouw met haar benen wijd op een tafel, haar linkervoet opgetrokken naast haar […] die bezig was haar ingezeepte venusheuvel te scheren.’ Dan schrijft Johnson: ‘Het duurde even voordat ik de jonge vrouw herkende die ik […] had ontmoet als Heidi Franklin, dat wil zeggen, de aangeschoten celliste in de blauwe fluwelen jurk.’ Maar bij dat dinertje is Heidi niet de aantrekkelijke roodharige in een blauwe fluwelen jurk (dat is de studente/celliste) maar een ‘vriendelijke maar onbeholpen vrouw, nauwgezet en wanhopig… niet moeders mooiste,’.

    Storende twijfel

    Enkele pagina’s verder schrijft Johnson dat Michael, als hij weer buiten staat, Heidi Franklin straal vergeten was. Ze komt inderdaad in het hele boek niet meer voor. De studente/celliste daarentegen wordt de pijler waarop het verhaal rust. Het is moeilijk voor te stellen dat Johnson met zijn handelskenmerk van trefzekere stijl en precieze zinnen hier een vergissing gemaakt heeft. Bovendien heeft hij er een handje van om zijn personages van een onduidelijke achtergrond te voorzien. Meerdere paspoorten, gevaarlijk werk en al of niet aanverwante dubieuze bezigheden, illegale plannen en vage doelen, doemen veelvuldig op in zijn verhalen en soms zelfs de vraag of iemand überhaupt bestaat. Johnson laat altijd reden tot twijfel. In De naam van de wereld laat hij Michael denken: ‘Zelfs feiten die dingen betroffen bevielen me niet, en op een heimelijke manier kreeg ik een hekel aan de waarheid zelf.’ Als de verwisseling van Heidi en de celliste al een bedoeling had, blijft die tot op het einde een raadsel. En eigenlijk stoort dat.

    Spel

    Steeds “toevallig” komt Michael ergens de kunststudente/celliste tegen. Ze blijkt de merkwaardige naam Flower Cannon te bezitten, waar ze later een verklaring voor geeft. Ze vertelt hoe ze als kind eens, via een man die haar meenam, terechtkwam in een huisje van peperkoek en dat daar wel of geen blind meisje aanwezig was. Van het blinde meisje overpeinst Michael of het misschien de geest van zijn overleden dochtertje was. Zo haspelt Johnson wederom personages door elkaar.

    Na de eerste toevallige ontmoeting denk je als lezer, nee, het zal niet waar zijn, niet de banaliteit van jonge vrouw – oudere man, na de regelrechte verwijzing naar het seksuele tijdens de performance en kort daarna als hij haar toevallig als stripper ziet optreden. Maar jawel, steeds duikt Flower Cannon weer op in losse situaties en scènes waarin een spel van aantrekking en afstoting lijkt te worden gespeeld. Het maakt de indruk van een zwaktebod van de auteur, iets wat niet des Johnsons is. Het is ook niet de bijna-seks met Flower die tot Michaels catharsis zal leiden. Schrijver Auke Hulst heeft het in zijn haast lyrische nawoord over de ‘diepere lagen’ van hun ontmoetingen. En die zijn nou juist ongeloofwaardig, want nietszeggend en semi-vertrouwelijk. De diepgang mag de lezer er zelf bij bedenken.

    Kerkzang

    Denis Johnson vindt zichzelf een christelijke schrijver die zich afvraagt hoe het zit met de existentie van God in een onrustige wereld, zo memoreert de New York Times in mei 2017 de dan net overleden schrijver: ‘Ik heb het gevoel dat God ons nogal grappig vindt. Maar dat is alles wat ik uit naam van God kan zeggen. Hij houdt zich niet met mij bezig.’ Dit zien we terug in De naam van de wereld. Nadat Michael Flower Cannon vanuit een supermarkt volgt komt hij in een grote kerk bij een sekte terecht. De volgende pagina’s worden gedomineerd door de kerkdienst en de aanwezigheid van Flower, en komt Johnsons idee van God naar buiten. ‘… ik had er inmiddels al behoorlijke tijd grondig de pest aan, aan die moordenaar, die dader, in wiens wezenloze zilveren ogen niemand te onbetekenend was, te onopmerkelijk, te onschuldig en klein om over het hoofd te worden gezien bij het uitdelen van drama.’ Dit ‘almachtige ding’ dat Michael ‘als een duisternis en een last’ beschouwde verdwijnt tijdens de kerkzang waaraan hij zelf ook meedoet. Hij is bevrijd van zijn lijden, er is geen God. Maar Johnson zou Johnson niet zijn als niet ook dit boek getuigt van zijn fijnzinnige onderkoelde humor. ‘Ik ben zo iemand die denkt dat hij wijs kan houden, en dus zong ik mee, en niemand snoerde me de mond. Tot even over zes […] loofden we het lege universum. Ik voelde onze harten almaar omhooggaan in een eindeloze interval zonder dat ze iets in de weg werd gelegd. Heel mijn gelukzalige bevrijde ziel kwam mijn keel uit.’

    Stem van de schrijver

    Na de bijna-seks ziet hij Flower Cannon niet meer. De rouw wordt minder. Zijn baan is hij inmiddels kwijt want zijn contract werd niet verlengd. De laatste twee pagina’s van De naam van de wereld doen denken aan andere boeken van Denis Johnson. Michael laat zich dan inhuren om als journalist naar oorlogsgebieden te gaan, waarmee we weer op vertrouwd terrein zijn. In exotische oorden, geweld, avontuur, risico, misdaad, de zelfkant van de maatschappij, overlevingsstrategieën en illegaliteit, prevaleert de stem van de schrijver die zich niet liet kennen. In scherpe zinnen blootgelegd menselijk tekort en weemoed zijn in Johnsons verhalen nooit afwezig. Rauwheid in De gulheid van de zeemeermin, drugs in Jezus’ zoon, oorlog en spionage in De lachende monsters en Tree of smoke. En juist daar, in de hardheid van het leven lijkt Johnsons ongrijpbare ziel te wonen. Niet in de banaliteit die maar niet wil wijken in De naam van de wereld, ondanks de prachtig gestileerde zinnen. Het maakt dit boek een beetje teleurstellend.

     

     

  • Oogst week 42 – 2020

    De kern van de zaak

    Wat doe je als je – figuurlijk, dan – na een ommetje een heel andere man aantreft dan degene die je thuis achterliet? In De kern van de zaak van de Australische auteur Madeleine St John overkomt het Nicola, die onaangenaam wordt verrast als ze weer thuiskomt nadat ze een pakje sigaretten heeft gekocht. Want: waarom wil haar vriend Jonathan haar opeens niet meer zien en werkt hij haar na zes jaar samen hun woning uit? Waarom werkt wat ze hadden ‘gewoon niet’ meer? Vanaf dat moment is het aan Nicola om het ‘leven na Jonathan’ aan te gaan, en aan Jonathan om in te zien wat hij heeft veroorzaakt.

    Madeleine St John schreef De kern van de zaak (The Essence of the Thing) in 1997. De roman werd genomineerd voor de Man Booker Prize en behaalde de shortlist. Deze vertaling is een postume uitgave: St John overleed in 2007.

    De kern van de zaak
    Auteur: Madeleine St John
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De onafscheidelijken

    Simone de Beauvoirs autobiografische roman De onafscheidelijken (Les inséperables) verscheen niet eerder. Autobiografisch, omdat de vriendschap die in dit boek centraal staat overeenkomsten vertoont met de hechte band van De Beauvoir en haar boezemvriendin, Elisabeth ‘Zaza’ Lacoin; dit jaar pas verschenen (zowel het origineel als in vertaling), omdat het boek bij leven van de auteur als ’te intiem’ bestempeld werd. De Beauvoirs dochter, Sylvie Le Bon-de Beauvoir, vond het manuscript in haar moeders archief en schreef het voorwoord.

    De hoofdpersonen, Andrée (Zaza) en Sylvie (Simone), ontmoeten elkaar op een katholieke meisjesschool in de vroege twintigste eeuw en hun levens raken vrijwel meteen verstrengeld. Hun vriendschap lijkt verder te gaan dan vriendschap alleen, en samen verzetten ze zich tegen het benauwende conservatieve milieu waarin ze zijn opgegroeid. Maar hun vriendschap komt tot een plotseling einde.

    De echte Andrée, Zaza, overleed al op 21-jarige leeftijd aan hersenontsteking. Na haar dood werd De Beauvoir een van de invloedrijkste filosofen van de 20e eeuw, mede dankzij haar baanbrekende magnum opus De tweede sekse (1949) – de feministische thema’s die zij daarin aansnijdt, schemeren in zeker opzicht ook door in De onafscheidelijken, dat De Beauvoir verrassend genoeg pas zes jaar na De tweede sekse schreef.

    De onafscheidelijken
    Auteur: Simone de Beauvoir
    Uitgeverij: Cossee

    Zussen

    Juli en September zijn de zussen uit de gelijknamige titel. Er is ze iets vreselijks overkomen, en hun moeder Sheela neemt ze mee naar een verlaten huis in the middle of nowhere in de hoop dat de zussen ervan opknappen. Met het huis is van alles mis – de unheimische indeling ervan doet denken aan Shirley Jacksons geesteskind Hill House (The Haunting of Hill House), en ook dit huis beweegt en kraakt zonder aanwijsbare (lees: menselijke) oorzaak. En dat is pas het begin. Sheela sluit zichzelf op in een van de kamers, en de narratieven van haar en haar dochters splitsen op, toewerkend naar een ontknoping.

    De Britse Daisy Johnson (1990) behaalde met haar eerste roman, Everything Under, een plek op de shortlist van de Man Booker Prize 2018.

    Zussen
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV
  • Raadselachtige modernismen

    Raadselachtige modernismen

    Eerder publiceerde literatuurwetenschapper, docent literatuurgeschiedenis en columnist Liesje Schreuders twee romans. Aan de wilde kant (1996) en De zondagsleraar (2001) waren zeer bescheiden succesjes. Meer aanzien kreeg haar vertaling van de dichtbundel Finisterre van Eugenio Montale in 2017. Wellicht kreeg de auteur weer de smaak te pakken en bundelde ze haar schrijfsels nu in Onder deze wereld. De bundel claimt een definitie te zoeken van het modernisme. Modernismen is de ondertitel van de bundel, een bonte verzameling van poëzie, proza en ondefinieerbare stukjes, verspreid over een zestigtal bladzijden. 

    In de omschrijving staat te lezen ‘Het is onmogelijk om definities te geven van wat zo abstract is als een beweging in de tijd’, daarmee doelend op het feit dat het modernisme moeilijk te definiëren valt. In feite verwijst ze hiermee rechtstreeks naar haar eigen werk, want wat volgt is inderdaad een reeks aan abstracte, ontoegankelijke literatuur waar kop noch staart aan te knopen valt. Onder deze wereld behoort tot het minst toegankelijke wat de Nederlandse literatuur de jongste jaren zoal heeft voortgebracht. Het feit dat zes maanden na het verschijnen ervan nog geen enkele recensie bestaat, duidt er wellicht op dat geen enkele recensent zich durft te wagen aan een beoordeling omdat het werk simpelweg niet te begrijpen valt. Wellicht kan de auteur zelf wel enige betekenis vinden in haar stukjes, maar voor de (zelfs geoefende) lezer blijft zowel de inhoud als het doel een raadsel. 

    Onsamenhangende woordenbrij

    ‘Het modernisme is pretentieus, intransigent, intolerant, vertroebeld, pervers’ staat verder nog te lezen in de omschrijving. Vermoedelijk doelt Schreuders opnieuw op haar eigen werk. Zeker, ze goochelt met termen en namen die ergens verwijzen naar de grondleggers en wegbereiders van het modernisme zoals de Vijftigers, Malevich, Marsman, Kafka, Rilke en Edna O’Brien, maar verder dan dat komt het niet. Haar gedichten bevatten veel herhaling en zijn een onsamenhangende woordenbrij, die bijna nergens het aanvaardbare niveau haalt van betekenisvolle en belangrijke poëzie. Alleen in muraille 1 konden enkele zinnen bekoren. 

    Ook de prozastukjes zijn van bedenkelijke makelij. Het lijken aan elkaar geplakte, onsamenhangende alinea’s die nergens op slaan en niet bij elkaar lijken te passen: ‘Het macrobiotisch commentaar op Cicero. De passievrucht en de wegenbouwer. Het fenomeen van de baarddragende warme bakker. Angst is een wekker. Vreugde is een stem van goud. Van hout. Het fenomeen van lichte honger, tussen twee maaltijden in. Het fenomeen van luchtdruk als beweging, ontspanning of ontploffing. In de keuken lees ik damesbladen. Uit nostalgie naar toen ik damesbladen las in de keuken, lees ik damesbladen in de keuken maar ik begrijp weer niet waar het toen over ging…’. Opnieuw een soort van woordenbrij om bladzijden te vullen of om toch maar aan te tonen dat modernisme ontoegankelijk en pretentieus is. 

    Modernismen worden niet uitgelegd

    Toegegeven, ‘Een opa van de wereld’ is best genietbaar en betekenisvol. Een opa laat zijn kleindochter altijd winnen bij een kaartspelletje, terwijl hij in gedachten mijmert over wat ‘winnen’ eigenlijk betekent, in al zijn betekenissen. Liesje Schreuders wint met Onder deze wereld echter niets. Wie zulke ontoegankelijke teksten schrijft, doet dat voor zichzelf, als therapie, als in een roes, zonder publiek voor ogen. Is dat dan niet waardevol? Toch wel, maar enkel voor de persoon in kwestie. Schreuders Modernismen worden op deze manier niet uitgelegd, niet aan het grote publiek, maar ook niet aan de geoefende lezer. Mary Shelley schreef Frankenstein na een avondje spookverhalen en heel wat verdovende middelen onder vrienden in Zwitserland. Maar ondanks al het groteske wordt Frankenstein nog steeds gelezen. In het slotgedicht A.U.P. schrijft Schreuders ‘in een opium droom’… Het lijkt wel of haar hele bundel ook op dergelijke wijze is ontstaan, alleen bestaat er grote twijfel of deze binnen tweehonderd jaar ook nog gelezen zal worden. Om toch met een positieve noot te eindigen: de omslagafbeelding van Sarah Dijkink is een knap staaltje tekenwerk.

     

     

  • Plattegrond

    Plattegrond

    ‘Wie weggaat van de wereld laat voor wie blijft een
     spoor van vragen achter.’ 

    In Amsterdam was het stil op straat. Anderhalvemeter afstand leek een overbodige regel. Ik liep over de Nieuwmarkt naar de Nieuwezijds Voorburgwal, naar de Sint Olofspoort, het Waterlooplein, ging onder het IJ door. Onderweg verzamel ik de herinneringen van mensen die je gekend hebben in al die jaren dat ik niet wist waar je was. Langzaam ontstaat er een beeld, worden lijnen zichtbaar waarop ik mijn vinger leg, beweeg van A naar B, als op een plattegrond, om te zien waar je ging. Geregeld denk ik, ‘Als ik dit geweten had’, of, ‘Als ik dat gedaan had, hoe zou het dan?’ Een poëtische gedachte, de ‘als dit of dat’ gedachte. Het helpt om het verleden voor even naar je hand te zetten. Deze zomer las ik de gedichten van de Portugese schrijfster Maria do Rosário Pedreira. Daarin krijgen emoties de vrije hand, enkel de woede ontbreekt. Daar had ik wat mee te stellen de laatste tijd, met onverwachte woede, om hoe de dingen gegaan zijn. 

    ‘Ik herinner me het muurtje tussen de weg en
    het strand. Daar gingen we zitten alsof we voor altijd
    het eerste streepje zonlicht konden bewaren, januari,
    een tijdens de nacht geleerd woord, of een eiland
    dat oprees uit de zee en doelloos ronddreef. Veel later
    zouden wespen en meeuwen op het geluid van mijn
    vingers in je haar afkomen – als lang verwachte engelen.’

    Pedreira dicht over verlangens die kwellen, van liefdes en levens die voorbij zijn, tussen de strofen door sijpelt verdriet en een zekere tederheid. Er spreekt verlatenheid in deze bundel, die niet zonder meer Scherven heet. Een verlatenheid die ook uit de verhalen van Natalia Ginzburg spreekt. Scherven is tweetalig uitgegeven – wat mooi is, de Portugese taal in het Nederlands te kunnen zien overgaan – waarmee een vertaler zijn werk vrijgeeft, laat zien welke keuzes hij maakte. Hoe in de ene regel het woord ‘medo’ vertaald wordt als ‘bang’, in een andere regel met ‘angst’. En ‘assustada’ ook de betekenis van bang zijn heeft. De nuances, het zoeken van de vertaler naar de juiste gradatie van een emotie. Ik zocht naar verschillende benamingen, gradaties van emoties.
    ‘ik ben bang. De maan is er nog maar voor de helft, de aarde beeft. En ik beef van angst dat je niet terugkeert.’
    (estou assustada. A lua está apenas por metada, a terra treme. E eu tremo, com medo que nao voltes.)

    Deze bundel was de hele zomer bij me. Telkens sloeg ik het open, verkende opnieuw de regels van verlangen, herkende klanken van voorbije levens.  Sommige gedichten zijn als een lied, het zingt terwijl je leest.

    ‘Ze bewaarde een paar stiltes en ook de dingen
     die ze gewoon bij toeval niet had gezegd. Ook bewaarde ze
     nu die toevalligheden, blanco berichten tussen de woorden,
     waarvan ze er te over had. Desondanks zou ze altijd die
     woorden bewaren, of het beeld van lippen terwijl ze ze
     zeiden – een gezicht dat nog niet triest aan de zomer herinnerde.’

    Zomers kenmerkten zich vroeger door een zomerliefde, een zomerhit. Door deze bundel zal ik mij de zomer van 2020, de zomer waarin jij verongelukte, altijd blijven herinneren.

     

     

    Scherven / Maria do Rosário Pedreira / gekozen, vertaald, nawoord  Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Moord als voltooiing van de mens

    Moord als voltooiing van de mens

    Huub Beurskens debuteerde in 1975 met Blindkap. In de daaropvolgende jaren was hij onder andere redacteur voor De Gids en schreef hij een indrukwekkende hoeveelheid poëziebundels en romans. De Straffeloze is de meest recente toevoeging aan zijn oeuvre.
    In deze roman zien we hoe hoofdpersoon H een moord beraamt. Die plant hij zeer zorgvuldig en hij denkt uitgebreid na over het beste moordwapen, de beste moordlocatie en het beste (wat wil zeggen meest willekeurige) slachtoffer. H wikt en weegt hierover en lijkt om de dag van mening te veranderen. Al zijn overwegingen beschrijft hij minutieus aan de lezer, zodat deze het denkproces van H op de voet kan volgen. Beurskens laat H filosofische gedachtegangen, vaak met sterk religieuze invloeden, afwisselen met praktische dagdromen. Bijvoorbeeld over het voordeel dat H heeft wanneer hij mensen zou neersteken op een roltrap. Daar zou hij zich dan makkelijk naar boven kunnen werken en vervolgens meteen weer de roltrap naar beneden kunnen afrennen om te ontsnappen.

    De auteur schrijft scènisch en versterkt dit effect door gebruik te maken van veel witregels en soms zelfs bijna lege pagina’s. In elke zorgvuldig uitgeschreven scène geeft hij H’s interne proces weer, maar beschrijft hij ook diens fysieke omgeving en handelen. De 119 pagina’s tellende roman nodigt ondanks de korte alinea’s en het vele wit, niet uit tot haastig lezen. H’s overpeinzingen over waaruit menselijkheid bestaat zijn allerminst lichtzinnig en Beurskens bouwt zijn zinnen zo zorgvuldig op dat je ze bij een eerste leesbeurt al meteen opnieuw wilt lezen. 

    Schuld en onschuld

    Het bekennen van schuld en het al dan niet (on)schuldig bevonden worden, is het grote thema in De Straffeloze. Ook het erkennen van schuld is voor H essentieel om als mens te slagen. Hij haalt de overeenkomst met de biecht in de katholieke kerk aan wanneer een herinnering bovenkomt. In zijn kinderjaren werd H tijdens een biecht uitgelachen door een pastoor, waardoor de schuld die hij ervoer niet erkend werd. H herinnert zich: ‘Hij had zich van zijn schuld laten beroven door zich er vrijwillig mee over te leveren en zich er lachwekkend mee te laten verklaren.’ Tijdens een bezoek aan een kerk raakt H wederom in het biechthokje verzeild. Daar probeert hij een schuld uit zijn jeugd op te biechten, waarbij hij een jeugdliefde heeft laten staan omdat hij de herinnering aan haar niet wilde bezoedelen met jeugdige vrijerij. De pastoor blijkt echter vooral in deze vrijerij geïnteresseerd en H wordt woedend. ‘Dat hij de engel die zaterdagavond vergeefs beneden aan de brug had laten staan wachten, er zich de maandag erna zelfs niet met een leugen voor had durven gaan excuseren […] dát was toch de schanddaad die om erkenning vroeg!’
    Het mogelijk verliezen van de schuld die volgens H iedereen in zich draagt, is in eerste instantie zijn beweegreden om de moord te plegen. Maar op momenten van (bijna) erkende schuld komt de onschuld om de hoek kijken: in de vorm van een jong meisje, een jeugdliefde en een hardloopster, door H beschreven als ‘kind’ maar ook als ‘engel’.  

    Lolita als bijbel

    Wie Lolita van Nabokov gelezen heeft, zal na enkele pagina’s van De Straffeloze bepaalde overeenkomsten herkennen. In beide romans wordt een daad besproken die in de maatschappij wordt afgekeurd. In Lolita is dat de relatie van een volwassen man met een kind en in De Straffeloze het plannen van een moord. De romans komen overeen in het taalgebruik en de zinsopbouw die ouderwets aandoen, ondanks dat H in het recente verleden handelt. Hij ziet bijvoorbeeld op televisie hoe de Notre Dame in brand staat. 

    Het wikken en wegen van H over de beste aanpak om de moord te plegen, doet denken aan Humbert Humbert uit Lolita, die op vergelijkbare wijze nadenkt over de stappen die hij moet zetten om zijn wens in vervulling te kunnen laten gaan. De personages houden een vergelijkbaar betoog, in Humberts geval om zich onschuldig te pleiten en in dat van H om de lezer juist van zijn schuld te overtuigen. Overigens ziet H zelf ook de overeenkomsten tussen hemzelf en Humbert Humbert. Sterker nog: hij heeft Lolita regelmatig gelezen en vindt het een ‘briljant boek’. Het krijgt van hem dezelfde status als de Bijbel, waarbij hij de roman gebruikt als handboek voor het plannen van zijn moord en de Bijbel als de verantwoording ervan. Immers, door het verboden eten van de appel in het Bijbelse paradijs door Eva en Adam en bijgevolg de zondeval, is de mens met de erfzonde geboren. Daarom moet de mens volgens H gestraft worden, om zijn mens-zijn te kunnen voltooien. Beurskens schrijft de cirkel van geloof, moord en Lolita rond, door H de roman naast de Bijbel op de keukentafel te laten leggen en hem er vervolgens nonchalant een appel bij te laten eten. 

    De perfecte moord

    Voor de moord in De Straffeloze is het heel belangrijk dat het slachtoffer een willekeurig gekozen persoon is omdat H niet wil dat zijn moordaanslag toegeschreven zou kunnen worden aan gender- ras- of geaardheid-voorkeuren. De moord moet er simpelweg voor zorgen dat H schuldig bevonden wordt. Voor hem zijn het fantaseren over de moord, het uitvoeren ervan en het schuldig bevonden worden essentiële zaken die hem ‘voltooien als mens’. Hij redeneert: ‘Want waar anders heb je verbeelding voor nodig dan voor wat niet is, kan of mag? […] Betekent dit nu dat onze verbeelding, ons voorstellingsvermogen, dat wat ons menselijk maakt, anders dan de dieren, ook het kwaad is dat in ons sluimert of dat het kwaad in ons voorstellingsvermogen sluimert […] Maakt niet straf alleen een daad tot misdaad? […] Kun je je menszijn dan volledig vervullen zonder te worden gestraft?’

    H vindt zichzelf de perfecte persoon om een moord te plegen, al past in potentie iedereen in het plaatje van een moordenaar volgens de opvatting dat ‘in ons allemaal, dus ook in onze slachtoffers, agressie, gewelddadigheid en moordzucht sluimeren.’ Heeft H een punt en is het de schuld die ons als mens valideert? Of is dat misschien toch het accepteren van de onvermijdelijke dood en het verlies van het leven? H stelt zich beide vragen maar betreedt met de laatste een nieuwe cyclus in de zoektocht naar zingeving. Hoe dan ook: De Straffeloze is een prachtige roman die aanzet tot nadenken en herlezen. 

     

     

  • Oogst week 21 – 2020

    De naam van de wereld

    In De naam van de wereld van Denis Johnson heeft de hoofdpersoon, Michael Reed, zich gaandeweg opgewerkt van leraar Maatschappijleer op een middelbare school tot universitair docent aan een Faculteit der Geesteswetenschappen.

    Johnson neemt het academisch reilen en zeilen op de hak en zijn schijnbaar lethargische personage ook, ‘Ik gaf kleine werkgroepen, vroeg slimme, ongerichte studenten boeken te lezen die ik zelf al gelezen had en luisterde daarna hoe ze werkstukken blootstelden aan de kritiek van de rest van de groep. Met andere woorden, ik voerde niets uit.’

    Reed draagt een groot verdriet met zich mee: zijn vrouw en dochter zijn overleden als gevolg van een auto-ongeluk. Als zijn dienstverband beëindigd dreigt te worden, spreekt Reed nieuwe contacten aan en begint hij opnieuw richting te geven aan zijn vastgelopen leven.

     

    De naam van de wereld
    Auteur: Denis Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De smaak van wilde peren

    Er is meer buitenlandse literatuur geoogst: De smaak van wilde peren, van Ewald Arenz. In deze roman draait het om de bijzondere vriendschap die tussen de personages Sally en Liss ontluikt.

    De jonge Sally schopt overal tegenaan, Liss is juist rustig en beheerst – iets wat duidelijk ook in hun vertelstijl wordt weerspiegeld, vlak voor ze elkaar ontmoeten in een wijngaard en Liss om Sally’s hulp vraagt.

    De smaak van wilde peren is het eerste boek van Arenz dat naar het Nederlands is vertaald.

    De smaak van wilde peren
    Auteur: Ewald Arenz
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Maanscherf

    Laurens van den Broek (1989) schreef met Maanscherf zijn debuutroman: een roman waarin hij vader-zoonverhoudingen, reizen en de voorspellende kracht van natuurverschijnselen met elkaar verbindt.

    Het hoofdpersonage, ex-ornitholoog Alphonse (of kortweg Fons) van Felius, reist af naar Les Sept Îles om de populatie jan-van-genten die daar leeft nader te onderzoeken. Langzaamaan lijkt zijn rationele inborst te worden aangetast.

    Het idee voor Maanscherf kreeg gestalte tijdens zijn deelname aan het schrijfkamp van Das Mag, in 2014. Naast schrijver is Van den Broek ontwerper.

    Maanscherf
    Auteur: Laurens van den Broek
    Uitgeverij: Palmslag
  • Onafwendbaar onheil

    Onafwendbaar onheil

    Er komen diverse fantasiewoorden voor in Daisy Johsons debuutroman, zoals ‘sjeesjtijd’, ‘sproenken’ en ‘harpiedoedel’.  Een grote rol speelt ‘de Bonak’, die staat voor datgene waar we bang voor zijn. Is de Bonak een reële dreiging of creëren wij zelf het gevaar?

    De Britse auteur Daisy Johnson (1990) won met haar verhalenbundel Veenland uit 2016 direct diverse prijzen en was twee jaar later een van de jongste genomineerden voor de Man Booker Prize met Onder het water, nu vertaald door Callas Nijskens. Deze roman stopt mythologische angsten in een modern jasje. Het verhaal van Gretel, die de hoofdpersoon is maar toch een buitenstaander blijft bij het drama dat zich onder haar neus heeft afgespeeld, fungeert als omhulsel voor oeroude thema’s.

    Opdiepen en terugroepen

    Eén van de troeven van het boek is de manier waarop informatie over de personages slechts geleidelijk onthuld wordt. Het begint allemaal lichtjes verwarrend en voordat je iedereen bij naam kent en de onderlinge relaties begrijpt ben je al een goed eind op weg in de roman. Johnson reikt een leeswijzer aan door middel van de hoofdstuktitels, die zich telkens herhalen: ‘De rivier’, ‘Het huisje’ en ‘De jacht’. Onder de noemer ‘Het huisje’ vallen die gedeelten waarin Gretel terugkijkt. Ze spreekt haar moeder aan, die ze na jaren van afwezigheid heeft teruggevonden maar die nu schijnbaar kampt met een vorm van alcoholdementie. ‘Het vertellen van jouw verhaal lijkt eerder een daad van opdelven dan van simpelweg vastleggen. Er zijn momenten dat je stilletjes luistert. Er zijn momenten dat je me onderbreekt en dat onze twee vertellingen zich verweven, samenvallen.’

    Gretel zit eerst en vooral met de vraag waarom ze op zestienjarige leeftijd werd achtergelaten door haar moeder Sarah. Terwijl de twee altijd samen waren opgetrokken, vooral in de tijd dat ze op een woonboot aan de rivier woonden, zonder bemoeienis van buitenaf. Zelfs de taal waarmee Gretel opgroeide was er een die niemand anders sprak, vol vreemde, verzonnen woorden, een taal die Sarah haar meegaf. Deze moedertaal isoleerde haar van de buitenwereld. Wellicht is het overcompensatie dat Gretel, inmiddels volwassen, nu woordenboekdefinities herschrijft en zich zo in dienst stelt van de officiële, door iedereen erkende wijze van uitdrukken.

    Oog in oog met de mythe

    Geleidelijk aan blijkt dat de langdurige verdwijning van Sarah in verband staat met een derde personage, Marcus. Deze Marcus woonde ooit gedurende een maand op de woonboot bij Gretel en Sarah. Het was tijdens een winter waarin andere rivierbewoners een voor een hun standplek verlieten omdat de omgeving niet langer veilig leek. Iets broeide er onder het wateroppervlak, dreiging hing in de lucht. Waar de jonge Gretel vooral het concrete gevaar ziet van een onbekend watermonster, de Bonak, die ze probeert in de val te lokken, draagt de mysterieuze Marcus een geheim met zich mee over onheil dat veel dieper gaat. Op knappe wijze weet Daisy Johnson lang in het midden te houden wat hiervan waar is en wat ingebeeld. ‘Wat het ook was dat door het kalme, koude water bewoog die winter, dat zich om onze dromen heen wikkelde en zijn geklauwde voetafdrukken in onze gedachten achterliet. Ik wil je vertellen dat hij misschien nooit was verschenen als wij hem niet verzonnen hadden.’

    De intrige van Onder het water grijpt uiteindelijk terug op een bekende Griekse mythe, waarbij een zelfvervullende voorspelling fungeert als drijvende kracht achter het drama. Aan de lezer om te ontdekken hoe alles in elkaar grijpt. Thema’s als het lot en de vrije wil komen voorbij maar worden niet echt uitgewerkt. Modern is de feminiene gedaante die het oerverhaal aanneemt en ook actueel is de rol van transgender identiteit, hoewel hiervoor net zo goed geldt dat nadere uitdieping achterwege blijft. Meer dan een inhoudelijke toevoeging zijn het elementen die de mythologische vertelling naar het nu trekken. Het gaat wat ver om het, net als de handvol verwijzingen naar sprookjes (zoals de naam Gretel), louter sfeerelementen te noemen, maar je kan het zien als bouwstenen om het oude in een nieuwe vorm te gieten. Johnson schrijft het keurig op, in een taal waar weinig op aan te merken valt, behalve dat de beelden niet altijd even treffend zijn. Kraaien die zich verzamelen om dan weer uiteen te breken ‘als puzzelstukjes’, dat overtuigt bijvoorbeeld niet.

    Oud en nieuw

    Onder het water is een verdienstelijke debuutroman, die goed verteld wordt maar niet weet door te boren tot de diepste lagen van de thematiek. Daisy Johnson onderscheidt zich, mede daardoor, niet radicaal in de stapel van jonge auteurs waaruit te kiezen valt. Desondanks is het hybride-karakter van het boek, de mythische onderstroom die zich manifesteert in een hedendaagse verhaalvorm, best interessant en geslaagd.

     

  • Feit of fictie? Nee: stijl!

    Feit of fictie? Nee: stijl!

    Begint H.C. ten Berge (1938) aan een tweede jeugd nu hij sinds kort onderdak heeft gevonden bij Koppernik? De uitgeverij heeft in korte tijd een eigenzinnig fonds opgebouwd met auteurs als Cynan Jones, Giorgio Bassani, Huub Beurskens en Wessel te Gussinklo. Niet vreemd dat Ten Berge met zijn eveneens eigenzinnige werk hier een welkome plek gevonden heeft. In 2019 verschenen bij Koppernik dan ook twee boeken van hem: De beproeving van Álvar úñez Cabeza de Vaca, een poëtische weerslag van een dramatisch verlopen Spaanse expeditie naar Amerika in 1527, waarbij Ten Berge zich baseerde op het verslag dat Cabeza de Vaca voor keizer Karel V schreef; en Notities van Nemo: een verzameling verhalen en novellen, geschreven tussen 1965 en 2012.

    Verhalen die een schrijversleven markeren 

    Notities van Nemo bevat geen nieuw werk. Wellicht kun je de verzamelde verhalen en novellen zien als piketpaaltjes in de schrijversloopbaan van Ten Berge, proza dat je zowel als realistisch, bijna journalistiek zou kunnen noemen, als wel surrealistisch, waarbij de lezer verre van een kant en klaar verhaal voorgeschoteld krijgt. In de laatste categorie kan het openingsverhaal ‘De honden’ en het titelverhaal, het tweede in deze bundel, geschaard worden.

    Voor liefhebbers van meer toegankelijk proza geldt daarom: eerst het zuur dan het zoet. Het derde verhaal, ‘Marble Island. Een reconstructie’, uit 1976, laat een geheel andere kant van Ten Berge zien. Een geschiedenis over zeevarende Europeanen, hun overwintering op Marble Island, het contact met Eskimo’s. Waarschijnlijk stuitte Ten Berge op deze geschiedenis toen hij in 1974 in Canada verbleef en werkte in het Volkenkundig Museum van Ottawa. De toon blijft vervreemdend. Het lijkt erop alsof een historisch verhaal wordt verteld, gebaseerd op bronnenonderzoek, maar is dat ook zo? Verbeelding lijkt deze wrede geschiedenis een extra dimensie te geven. Daarnaast openbaart zich voor het eerst – maar in deze bundel zeker niet voor het laatst – Ten Berges kritische blik op kolonialisme, politiek en macht. ‘Wat veroveraars en ontdekkingsreizigers delen is de gewoonte elke onbekende kust plompverloren “in bezit te nemen” namens een of andere imperialistische macht, die op plundering en uitbreiding gericht is.’

    De waarheid van de ‘oral historian’

    In ‘Lege stoelen, vijf novellen’ (dat de meeste ruimte inneemt in deze bundel) krijgt maatschappijkritiek ook de melancholieke ondertoon van de zestiger die terugblikt op een lang leven. ‘In Nederland knaagde de tand des tijds feller en sneller, omdat er geknoeid werd met ongeveer alles: de taal, de spelling, de scholen, de media. Alles moest altijd anders, minder en slechter.’ Aan het woord is M., de hoofdpersoon die in vier van de vijf novellen verhalen vertelt, maar vooral naar verhalen luistert over schrijvers van vervlogen tijden. M. keert terug naar Zeedorp, de plek waaraan hij goede herinneringen koestert, maar waarvoor hij ook tegenstrijdige gevoelens koestert (‘Als hij er niet gewoond had, zou het een prachtig oord zijn om doorheen te rijden.’). Kunstenaarsdorp Bergen aan Zee staat model voor Zeedorp.

    Met Betty praat M. over kunstenaars die in het dorp en in hun leven een rol hebben gespeeld: Tilman Hovius, Rieks Verwoold van Zanegeest zijn schuilnamen, maar andere personages worden onder hun eigen naam opgevoerd, zoals schrijver en journalist Jean Lenglet die onder het pseudoniem Édouard de Nève enkele romans schreef, en de Britse dichter Lawrence Durrell. Zo speelt Ten Berge met feit en fictie. Het lijkt allemaal op waarheid te berusten, maar het is de waarheid van de ‘oral historian’ die interviewt en uitsluitend met behulp van herinneringen, van ooggetuigen, geschiedenis weergeeft. Blijf je gefocust op dat historisch perspectief, wat is waar en wat is minder waar, dan mis je het belangrijkste aspect van deze bundel: en dat is de stijl van Ten Berge die je in korte verhalen als De honkvaste reiziger en Schimmen in de kloostertuin, maar vooral in Lege stoelen zo prominent bij de les houdt.

    Het beste verhaal voor het laatst bewaard

    Tot twee keer toe wordt William Faulkner aangehaald: ‘Houd drie dingen voor ogen (…): ervaring, waarneming en verbeelding’. Alleen een schrijver die voor zichzelf ook deze heilige drie-eenheid als adagium hanteert kan zijn personage het volgende laten denken, wanneer M. naar zijn gastvrouw kijkt: ‘Hij besefte dat hij urenlang in haar gezicht naar het gelaat van vroeger had gekeken. Haar echte leeftijd was voor hem een fictie die ineens werkelijkheid werd.’

    Save the best for last, alleen al het lezen van het slotverhaal ‘De vleeswolf’ maakt Notities van Nemo tot een waar avontuur. Uit de verantwoording blijkt dat de ‘De vleeswolf’ deel uitmaakt van De stok van Schopenhauer, een documentaire roman die Ten Berge in 2012 in eigen beheer uitgaf. Het is de geschiedenis van Fritz Haarmann, een seriemoordenaar die het vooral op jonge jongens had gemunt. Hij misbruikt en vermoordt ze niet alleen, maar stilt er ook zijn honger mee. Het decor is Hannover ten tijde van de Weimarrepubliek, de prille Duitse democratie van na de Eerste Wereldoorlog, maar de uitwerking van het drama is wellicht meer universeel.

    Het opnemen voor de eenzaat, de machtelozen

    Het dedain van machthebbers voor mensen van eenvoudige afkomst, tunnelvisie bij de politie, vriendjespolitiek. Zo werd er niets gedaan met de zorgen van de ouders van de vermiste jongens, noch met de verslagen van de buren van Haarmann – zij spraken over het verdachte rumoer in zijn huis, maar ook van verdachte handelingen buitenshuis. Sigarenboer Clobes en zijn vrouw zijn getuige hoe Haarmann met grote, zware zakken uit zijn huis wandelt om die in de rivier de Leine te gooien. Als het uiteindelijk tot een rechtszaak komt, is het de kritische berichtgeving van de journalist Theodor Lessing waar de rechtbank meer mee worstelt dan met de handel en wandel van Haarmann.

    Dan keert terug wat Ten Berge tot schrijven motiveert is het opnemen voor de eenzaat, de onmaatschappelijke (die eigenlijk juist heel maatschappelijk betrokken is), de machtelozen (van Eskimo’s tot ‘kleine luyden’). Het kan niet anders of het is zijn eigen woede als hij zijn alterego M. Louis Paul Boon laat citeren: ‘Men moet de mensen een geweten schoppen.’ Laat dit de opmaat zijn voor Ten Berges tweede jeugd.

     

  • Ja, het noodlot, het ongeluk is mooi

    Ja, het noodlot, het ongeluk is mooi

    Halverwege De Tanners zegt hoofdpersoon Simon: ‘Ik ben geen geboren luiwammes, nee, ik ben alleen maar een leegloper omdat verscheidene kantoren en notarissen mij geen werk willen verschaffen omdat ze er geen idee van hebben hoe ik hun tot nut zou kunnen zijn’. Het is één van de gedachten die duidelijk maken hoe Simon van dag tot dag leeft buiten de maatschappelijke orde. Hij is van goede wil, het is de buitenwereld die in zijn ogen vast zit aan werk, geld verdienen en indruk maken: ‘Ik heb geen tijd om bij één en hetzelfde beroep te blijven’.

    De Tanners is de eerste roman van de Zwitserse auteur Robert Walser (1878 – 1956). Hij schreef hem in 1906 als het ware in einem Guß: in zes weken en zonder veel doorhalingen. We volgen de twintigjarige Simon gedurende een jaar op zijn zwerftocht langs baantjes, die hij vervolgens snel weer opzegt of waaruit hij wordt ontslagen, op zijn talrijke wandelingen, zwervend van kamer naar kamer, en onthecht aan bezit. Hij wordt niet in het minst van zijn stuk gebracht door wat anderen van hem vinden.

    De roman is een weefsel van redelijke lange monologues interieurs van Simon en gesprekken met zijn broers en zus en met personages die hij ontmoet, zoals vrouwen voor wie hij vrijwel meteen amoureuze gevoelens koestert – vooral Klara Agappaia blijft je bij. In zekere zin zijn al die gesprekken echter wéér een vorm van een monoloog van Simon. We horen alles gefilterd door zijn geest.

    De Tanners is sterk autobiografisch. Walser kwam uit een armoedig gezin van acht kinderen. Robert zelf is gemakkelijk te herkennen in Simon, drie van zijn broers in de schilder Kaspar, de wetenschapper Klaus en de geesteszieke Emil en zijn zus in Hedwig, die schooljuffrouw is in een dorp. Zelfs de plekken zijn herkenbaar in de vergelijkingen die Simon trekt tussen het platteland en de stad. Het zijn het plaatsje Täuffelen, waar zijn werkelijke zus Lisa een school bestiert, en Zürich waar zijn werkelijke academische broer woont.

    Profetisch

    Hoewel Robert Walser in De Tanners natuurlijk alle vrijheden van de romancier benut, verschaft de kennis van zijn persoonlijke achtergrond een meerwaarde. Bijzonder opvallend zijn de profetische beschrijvingen in de roman. Twee voorbeelden daarvan: ergens reageert Simon aangebrand op een verhaal over zijn jongste broer Emil, die in een psychiatrische inrichting is opgenomen: ‘Ontdekt u aan mij misschien ook zoiets dat in de familie zou kunnen zitten? Moet ik ook in het krankzinnigengesticht belanden? Dat moest ik zonder twijfel als het in de familie zat want ik kom ook uit die familie. Die jongeman is mijn broer’. De auteur van deze regels, zelf de jongste zoon in het gezin Walser, wordt in 1933 (26 jaar nadat de roman verscheen) in een zenuwinrichting in Herisau opgenomen. En nog frappanter is het voorval waarin Simon, bezig aan een lange wandeling, een jongeman met hoed midden op het pad in de sneeuw ziet liggen. Het blijkt Sebastian te zijn, de vriend van Hedwig: ‘Hij was hier ongetwijfeld bevroren, en hij moest hier al enige tijd op dit pad liggen (…) Sebastian moest hier door zware, niet meer te verdragen vermoeidheid zijn ingestort. Erg sterk was hij al nooit geweest (…) Als je hem aankeek kreeg je het gevoel dat hij niet was opgewassen tegen het leven en zijn kille verplichtingen’. Vijftig jaar nadat hij deze zin neerschreef, op Eerste Kerstdag 1956, werd Robert Walser zelf dood gevonden in de sneeuw. Zijn hoed lag vlakbij (de foto ervan is beroemd geworden).

    Natuurmens

    Walser hanteert in De Tanners een aandoenlijk naïeve stijl, een mengsel van filosofische redeneringen en losse spreektaal. Het verhaal is plotloos, bijna een stream of consciousness, vol associatieve gedachtensprongen, maar tegelijk vol ironie. Simon leeft in het moment. Het vergt van de lezer dat hij zijn naar verklaringen zoekende ratio en zijn utiliteitsdenken loslaat. Simon vult weliswaar voortdurend in welke bedoelingen in zijn ogen achter gebeurtenissen en ontmoetingen met mensen zitten, maar legt daarbij vaak onnavolgbare verbanden waarvan we pas ten volle genieten als we onze eigen logica laten varen. Simon leeft van dag tot dag. Zijn tijd wordt niet bepaald door afspraken en agenda’s. Hij is een natuurmens. Vrijwel nergens in de roman worden gesprekken en ontmoetingen gedateerd. Het is lente, het is winter, het sneeuwt, de zon schijnt: dát zijn zijn tijdsaanduidingen.

    Gebeurtenissen krijgen niet altijd het vervolg dat we zouden verwachten. Zo ga je er als lezer van uit dat je nog verneemt wat de uitwerking van de dood van Sebastian op Hedwig zal zijn. Maar niets daarvan. In Simons leven volgt het één eenvoudigweg op het ander. Er is wat er is. Hij is graag ‘afhankelijk van de vriendelijke genade van anderen’, zegt hij. ‘Je moet een specifieke houding aannemen voor deze allermooiste staat van onvrijheid, een gedrag dat tussen brutaliteit en zachte, stille, natuurlijke waakzaamheid in ligt, en ik kan dat uitstekend’. En later: ‘Ongeluk is de ietwat norse maar des te eerlijkere vriend in ons leven (…) Ja, het noodlot, het ongeluk is mooi. Het is goed; want het bevat ook het geluk, zijn tegendeel’.

    Kijkgat

    De glasheldere Nederlandse vertaling is van Machteld Bokhove. Zij verdiept zich al sinds 2006 in Walser en heeft een website aan hem gewijd die belangrijke achtergrondinformatie geeft.

    Het is bovendien weldadig om na lezing van De Tanners nog eens het prachtige essay ter hand te nemen dat W.G. Sebald in zijn Logies in een landhuis opnam over Robert Walser. Volgens hem is Walser ‘van alle alleenstaande schrijvers de meest alleenstaande’ geweest. ‘De dienstmeisjes in Hotel Zum Blauen Kreuz, naar wie hij gluurde door een kijkgat dat hij in de muur van zijn mansardekamer had geboord, de serveersters in Bern, juffrouw Resy Breitbach in het Rijnland (…) allemaal waren ze voor hem, net als de dames met wie hij verlangend dweepte in zijn literaire fantasieën, wezens van een ander planeet’.

    Die eenzame Robert Walser is ook Simon Tanner, hunkerend naar liefde, maar niet bij machte die toe te laten. De lezer die zijn hart voor hem kan openstellen gaat van hem houden.