• Over grenzen

    Over grenzen

    Er zijn zo van die boeken waardoor je na een eerste lezing wat verweesd achterblijft. Verweesd, of zelfs wat verdwaasd. Wat heb ik nu eigenlijk gelezen? Wat is de bedoeling van dit werk? Dit was ook de eerste gedachte na het lezen van de novelle De bruidegom was een hond van Yoko Tawada. Slechts 68 bladzijden, maar toch een bizarre leeservaring. Nochtans is de auteur niet van de minste. Tawada is een van de meest gelezen, meest vertaalde en best verkopende Japanse auteurs, die haar werken zowel in het Japans als Duits schrijft. Ze won al verschillende literaire prijzen waaronder de prestigieuze Japanse Akutagawaprijs voor deze novelle. De bruidegom was een hond behoort tot haar vroegere werk en verscheen voor het eerst in 1993. Nu bracht Koppernik het uit in een vertaling van Luk van Haute.

    Papieren zakdoekjes

    In De bruidegom was een hond maken we kennis met Mitsuko Kitamura, naar eigen zeggen 39 jaar, een dame die haar huis openstelt voor bijlessen. Kinderen gaan met plezier naar de lessen van juf Kitamura ,of naar Klas Viezemura, zoals ze die soms noemen, omdat ze altijd bizarre verhalen vertelt. Zo leert ze de kinderen papieren zakdoekjes te hergebruiken, ook als ze al vochtig zijn en vol met snot, zelfs om daarna hun billetjes mee af te vegen, want dat voelt zo zacht. Of ze vertelt het verhaal van een prinses die een hond had die haar billetjes schoonlikte na het poepen. De kinderen komen thuis met die vreemde verhalen. Ouders roddelen over die vertelsels, bellen elkaar op, maar geloven toch niet alles wat er verteld wordt. Kinderen hebben immers een rijke fantasie en er doen verschillende versies van de verhalen de ronde. Opeens komt er een man in het leven van Mitsuko. Plots is hij daar, begint het huis schoon te maken en heeft veelvuldig seks met haar. Details over de man, Taro genaamd, en zijn achtergrond zijn niet bekend. Ook hierrond ontstaan de wildste verhalen, tot een moeder Mitsuko aanspreekt en zegt dat Taro de weggelopen man is van Ryoko, een vrouw aan de andere kant van de stad. Na een ontmoeting met Ryoko leert Mitsuko dat Taro ook een relatie heeft met de vader van een van haar leerlingen. Het eind is bizar en verrassend.

    (Voor)oordelen?

    Geruchten leiden een eigen leven en worden ook steeds groter en vreemder. Dat lijkt een van de thema’s te zijn die Tawada meegeeft in deze novelle. Na elke les komt er wel een roddel bij, maar het blijft altijd ‘van horen zeggen’. Wordt de waarheid geweld aangedaan of niet? In lange zinnen, maar toch een zakelijke en nuchtere stijl beschrijft de auteur tot in de details de controversiële handelingen van juf Kitamura. Een handelsmerk van deze populaire Japanse auteur is het schrijven over grenzen:  het verschil tussen culturele en geografische grenzen of ook de grenzen tussen droom en werkelijkheid. In De bruidegom was een hond worden de situaties steeds absurder en kan je je als lezer afvragen of er geen grenzen worden overschreden. Waar trek je de grens? Wie oordeelt daarover? Zijn we niet te veel aan het vooroordelen en veroordelen? Het hoofdpersonage Mitsuko lijkt zich niet veel aan te trekken van de grenzen en de lezer krijgt ook een houding van, tja, moet kunnen, toch? Maar wanneer gaat het dan te ver? Is er sprake van grensoverschrijdend gedrag? Ook de ouders in het werkje worstelen hiermee. In elk geval lijkt Tawada te stellen dat het best ok is om anders te zijn, om niet mee te gaan in de conventies en geplogenheden van de heersende maatschappij. Oordelen en veroordelen liggen niet ver uiteen. De invloed van Kafka is ook heel duidelijk aanwezig in haar werk en het kan perfect gerekend worden tot de absurde literatuur, al is Haruka Murakami en het postmodernisme ook niet ver weg. In elk geval kan De bruidegom was een hond best een tweede lezing verdragen en de lezer doen stilstaan bij het anders-zijn en anders-denken, los van het feit of grenzen al dan niet worden overschreden.

     

     

  • Oogst week 44 – 2024

    Oogst week 44 – 2024

    Waarom het kind in de polenta kookt

    In Waarom het kind in de polenta kookt van de van oorsprong Roemeense Aglaja Veteranyi (1962–2002) komt de achtergrond van de schrijfster herkenbaar naar voren. Haar familie vluchtte tijdens het regime van Ceauşescu naar Zwitserland. Omdat haar ouders beide circusartiest waren, was de familie altijd onderweg en overal een buitenstaander, met alle problemen van dien. Ze bleven niet alleen in Zwitserland, maar reisden ook door Europa, Afrika en Zuid-Amerika. Hierdoor bleef Veteranyi lange tijd analfabeet. Toen ze weer terug was in Zwitserland leerde zij zichzelf Duits lezen en schrijven. Dat werd ook de taal waarin ze schreef.

    Waarom het kind in de polenta kookt uit 1999 is haar debuut. Het was meteen een groot succes. Het is een coming-of-age roman die gaat over twee zusjes in een Roemeense circusfamilie. Zij maken zich elke dag zorgen om hun moeder die elke avond in de trapeze hangt. Om die zorgen te vergeten, vertellen ze elkaar verhalen die soms erg gruwelijk worden.

    Aglaja Veteranyi pleegde in 2002 zelfmoord

     

     

    Waarom het kind in de polenta kookt
    Auteur: Aglaja Veteranyi
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers (2024)

    Ik wens mijn huis as 

    Darja Serenko (1993) is een Russische dichter, curator en politiek activist. Zij is medeoprichter van de Feminist Anti-War Resistance (FAS)-beweging die in februari 2022 opgericht werd als protest tegen de Russische invasie van Oekraïne. Al snel had de organisatie veel aanhangers. Nog geen jaar later wordt de FAS in Rusland als ‘buitenlands agent’ betiteld, maar krijgt daarna ook de Vredesprijs van Aken 2023.
    Vanwege een bericht op social media om steun te betuigen aan Alexsej Navalny krijgt Serenko 15 dagen celstraf. In die dagen begint ze aan Ik wens mijn huis as. Momenteel woont zij in Georgië.

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee afzonderlijke delen: Meisjes en instituties (2021), dat gebaseerd is op eigen ervaringen, en Ik wens mijn huis as (2023), waarin zij haar verblijf in de gevangenis centraal zet.

    Eva Hartog gaat op 1 november a.s. in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag met Serenko in gesprek. Hartog woonde en werkte jarenlang als correspondent in Rusland. In 2023 kreeg zij te horen dat ze dat land uit moest. Ze is als journalist verbonden aan o.a. De Groene Amsterdammer en Time Magazine.

    Ik wens mijn huis as 
    Auteur: Darja Serenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Kwaidan

    Kwaidan zijn Japanse spookverhalen en legendes. De schrijver van deze bundel Kwaidan werd in 1850 in Griekenland geboren als Patrick Lafcadio Hearn. Zijn vader was Iers, zijn moeder Grieks. Na zijn jeugd in Dublin emigreerde hij op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten, werd journalist en kwam uiteindelijk als correspondent terecht in Japan waar hij het staatsburgerschap kreeg en hij de rest van zijn leven zou blijven. Zijn Japanse naam is Koizumi Yakumo.

    Kwaidan bevat huiveringwekkende spookverhalen die gebaseerd zijn op Japanse folklore maar ook vol zitten met herinneringen aan de eigen spookachtige jeugd van de auteur in Ierland. Het wordt bevolkt door allerlei angstaanjagende en enge wezens.

    Het is een verzameling verhalen geworden die inmiddels tot de Japanse klassiekers behoort. Kwaidan is door Barbara de Lange vanuit het Engels vertaald, en is voorzien van een nawoord door Jannie Regnerus. Specifieke Japanse begrippen worden in noten onderaan de pagina toegelicht.

    Kwaidan
    Auteur: Lafcadio Hearn
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)
  • Oogst week 40 – 2024

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo

    Groots en onbekommerd, Leven en werk van Belcampo door Nico Keuning is de onlangs bij Querido verschenen biografie van de originele en absurdistische Nederlandse schrijver Belcampo, pseudoniem van Herman Schönfeld Wichers (1902-1990). Halverwege de vorige eeuw was Belcampo een van Nederlands populairste auteurs en stonden de Salamander-pockets met titels als Bevroren vuurwerk en Verborgenheden in menig boekenkast. In 2015 verfilmde Mike van Diem, heel succesvol, Belcampo’s korte verhaal De surprise.

    Belcampo groeide op als notariszoon in het gelovige Rijssen. Op zijn zestiende kreeg  Herman tuberculose en tijdens het revalideren in sanatoria las hij veel, schreef brieven en had alle tijd om te fantaseren. Hij studeerde in Amsterdam, en reisde zijn hele leven veel. Uiteindelijk werd hij schrijver en arts in Bathmen en Groningen. Uit zijn vele brieven komt Belcampo naar voren als een ras-optimist, vrijheidsaanbidder en levensgenieter. Uit zijn vertelkunst rijst het beeld van een visionair die moeiteloos aan de haal gaat met filosofie, wetenschap en religie.

    Keuning is een ervaren biograaf, hij schreef ook over Jan Arends, Bob den Uyl en Willem Brakman. Groots en onbekommerd beschrijft Belcampo’s jeugd en adolescentie boeiend en geeft een compleet beeld van het rijke, avontuurlijke leven van een schrijver, tekenaar, echtgenoot, vader en arts, die altijd in de breedste zin van het woord is blijven zwerven.

     

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido

    Zelfportret

    De Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar Édouard Levé (1965 – 2007) wordt wel een  literaire kubist genoemd. Zelfportret (oorspronkelijke titel Autoportrait, 2005)  bestaat uit losse, niet-geparagrafeerde zinnen met beweringen en zelfbeschrijvingen van de auteur. Het is een briljant en ontnuchterend zelfportret, neergeschreven in een verzameling fragmenten. Levé verbergt niets voor zijn lezers en schetst zijn leven in min of meer willekeurige, ritmische zinnen. Zelfportret is in psychologisch, politiek en filosofisch opzicht een juweeltje en naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar radicale objectiviteit.

    Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en droge, spottende toon merken dat we ontwapend worden, geboeid en verrukt raken door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

    Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Levé’s laatste boek Zelfmoord  verscheen in 2021, eveneens bij Koppernik.

     

    Zelfportret
    Auteur: Édouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De tweelingentrilogie

    De tweelingentrilogie van de Hongaarse schrijfster Ágota Kristóf (1935- 2011) is opnieuw gepubliceerd, en terecht zo vinden haar fans.

    Deze veelgeprezen trilogie, bestaat uit Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen. Kristóf gebruikte haar eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. Toch is het geen autobiografisch of historisch relaas, maar een wreed, urgent drieluik over wat oorlog en ballingschap met mensen doet.

    Een meedogenloos en beklemmend verhaal, verteld met de rauwe eenvoud van een sprookje, dat de duisterste kanten van de mens blootlegt. Een Kafkaëske onwerkelijkheid, waarin iedereen anoniem is, waarin al het herkenbare (geografisch en historisch) verdoezeld is en alles ongrijpbaar wordt, wat de absurditeit van oorlog en dictatuur versterkt en voelbaar maakt. Geschreven in eenvoudige, uitgebeende taal wordt de gruwelijke realiteit nog aangrijpender.

     

    De tweelingentrilogie
    Auteur: Ágota Kristóf
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
  • Enorme liefde voor de natuur in al haar verscheidenheid

    Enorme liefde voor de natuur in al haar verscheidenheid

    Maria gaat haar hele leven met grote regelmaat naar de kapel in de de Kapelstraat, waar ze ook woont, om een kaarsje te branden bij het beeld van haar naamgenote. In de loop van de tijd maakt ze het zichzelf op twee manieren gemakkelijk: ze leert zichzelf fietsen in een tijd dat het voor vrouwen zeer ongebruikelijk is om dat te doen en ze schaft kaarsen aan die een langere brandduur hebben. Deze innovaties zijn klein bier vergeleken bij de veranderingen die plaatsvinden in het fictieve Vlaamse dorp aan het riviertje de Nete, waar Iemand moest het doen, de tweede roman van Sanne Huysmans, zich afspeelt. De huizen worden aangesloten op elektriciteit, water en gas. Er worden nieuwe huizen gebouwd, het verkeer neemt toe, er woedt een oorlog en uiteindelijk wordt Maria gevraagd of ze haar huis van een aansluitpunt voor internet wil laten voorzien. Daar moet ze niets van hebben, er liggen volgens haar al genoeg kabels.

    Sanne Huysmans (1988) is al net zo veelzijdig als haar roman. Ze studeerde politieke wetenschappen en filosofie, is bestuurder van een intiem filosofiehuis, medeoprichter van een platenlabel, gediplomeerd bakker en boswachter. Haar debuut Rafelen werd bekroond met de publieksprijs van de Confituur Boekhandels. Ook haar tweede roman Iemand moest het doen valt op door de bijzondere en liefdevolle manier waarop verteld wordt over een doodgewoon straatje in een klein dorpje. Dat alles in een prachtige stijl geschreven.

    Als een zieke struisvogel

    Het boek is als een Grieks drama opgebouwd uit vijf delen waarin de stemmen van de bewoners van de Kapelstraat te horen zijn. Maria is een personage dat regelmatig terugkomt en bij naam genoemd wordt. Dat geldt ook voor Pol, een zachtaardige gepensioneerde vuilnisman, die op zijn oude dag heel verlegen op zoek gaat naar wat gezelschap. Hij is dol op planten en vindt dat er niets op de wereld zo levenslustig is als een plant. ‘Ze wilden altijd iets van de dag maken. Zonder gezeur of gezaag, recht omhoog als het even kon. Als het echt moest, stierven ze staande.’ De andere personages hebben vaak geen naam. Ze worden opgevoerd aan de hand van hun huisnummer, waardoor je soms even moet terugbladeren om te weten met wie je te doen hebt.

    Niet dat dat erg is, de zinnen in dit boek zijn vaak de moeite van het herlezen waard. Zelfs iets heel alledaags als een langdurig opengebroken straat wordt fraai en beeldend beschreven: ‘De straat lag open. Hij kon haar darmen zien, waarin het vieze water en de stront passeerden. De geul begon aan nummer 28 en liep tot voorbij zijn oprit. De kraan die het buizenwerk op de juiste plaats moest leggen, stond al zeven dagen stil op het rechterbaanvak. Als een zieke struisvogel met de bek op de grond. ‘

    Af en toe is er zelfs ook een boom aan het woord, een oude notelaar. Hij houdt van kinderen en geniet ervan wanneer ze schommelen aan zijn dwarse tak. Als oudste boom in de omgeving maakt hij zich echter ook zorgen over zijn toekomst. Hij is ‘gemaakt om vijf eeuwen te blijven staan’, maar: ‘Mensen rekenen niet in eeuwen. Dat ging blijkbaar niet. Ze rekenden in dagen en maanden, een enkele keer in jaren. Maar nog meer waren ze bezig met nu, nu, nu.’ Die waarneming is een schot in de roos. De mensen leven inderdaad in het nu en ze passen zich min of meer geruisloos aan aan de veranderingen die in hun levens plaatsvinden, zoals het krijgen van kinderen of het feit dat jonge mannen hun militaire dienstplicht moeten gaan vervullen, ook al waren ‘de bottines […] zwaarder geworden, door de schrik die aankoekte.’

    Liefde voor de natuur

    Uit het boek spreekt een enorme liefde voor de natuur in al haar verscheidenheid. De manier waarop verteld wordt dat Pol zijn eigen groente zaait, doet je verlangen naar een moestuin. De variëteit aan vogelsoorten die voorbijkomt en gebruikt wordt in beeldspraak, zorgt ervoor dat je onbekende soorten direct wilt opzoeken. Boswachter Sanne Huysmans is duidelijk aanwezig in de roman. Als lezer ben je geneigd om de bewoners van de Kapelstraat te vertrouwen in hun waarnemingen. Je begrijpt waarom Maria geen internet wil en waarom Pol zijn huis en tuin laat overwoekeren met planten. De bewoners doen geen van allen bijzondere of wereld veranderende dingen en hebben geen van allen een opmerkelijk talent, maar ze worden in hun eenvoud allemaal bijna liefdevol en in ieder geval zonder enig dedain geportretteerd. 

    De kracht van Iemand moest het doen is onder meer dat het boek gaat over heel alledaagse dingen die gebeuren in een doodgewoon dorpsstraatje in een Vlaams dorpje, waar onder de oppervlakte soms ook het een en ander smeult. Het boek is doorspekt met Vlaamse woorden, met zinnen die je wilt herlezen omdat ze zo mooi zijn. En door haar originele beeldspraak is het boek een feest om te lezen. Zelfs al zijn het plot en de personages duidelijk ondergeschikt aan de tijd die net als de rivier de Nete niet te stoppen is.

     

     

  • Oogst week 9 -2024

    Mijn moeder lacht

    De Belgische regisseur Chantal Akerman (1950 – 2015) begon al op jonge leeftijd met films maken, en is vooral bekend van de film die zij op 25-jarige leeftijd maakte en die wordt beschouwd als een van de eerste en grootste voorbeelden van de feministische film: Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Brussel uit 1975. De film werd in 2022 door het Britse Film Institute uitgeroepen tot ‘beste film aller tijden’.

    Daarvóór had zij al diverse films op haar naam staan waaronder Hotel Monterey (1972) en Je, Tu, Il, Elle (1974), maar ook daarna heeft zij nog tal van films gemaakt. Akerman was en bleef een inspiratie voor een hele generatie regisseurs.

    Akerman kwam uit een Joods-Pools gezin. Haar moeder met wie zij een hechte band had, was een overlevende van Auschwitz. Haar grootouders stierven daar. De band met haar moeder en de oorlogsgeschiedenis van haar familie zijn terugkerende thema’s in haar werk.

    Akerman schreef Mijn moeder lacht toen ze haar moeder verzorgde toen die in 2013 op sterven lag. Mijn moeder lacht gaat over haar jeugd, de ontsnapping van haar moeder uit Auschwitz, haar liefde voor haar vriendin C. en de angst voor de tijd na het overlijden van haar moeder.
    Niña Weijers schreef het voorwoord bij Mijn moeder lacht.

    In het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel is vanaf half maart t/m half juli 2024 een expositie over het werk van Chantal Akerman te zien.

    Meer informatie over Chantal Akerman is terug te vinden op de website van de Chantal Akerman Foundation.

    Mijn moeder lacht
    Auteur: Chantal Akerman
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Starfighter

    Binnenkort verschijnt er bij uitgeverij Palmslag het boek Starfighter van Jan Kloeze.
    Op de flaptekst is te lezen: ‘Aanvankelijk is Job een dromerige jongen die in de jaren tachtig opgroeit met een onverdraagzame vader en een behoeftige moeder. Hij is bereid ver te gaan om zijn ouders het hoofd te bieden; hij kruipt in de grond, brengt een offer, strijdt letterlijk tegen het leger, dreigt bij partnerruil zijn vaders plaats in te nemen en schaart zich aan de kant van het zwarte schaap in de familie. Steeds echter blijft hij met lege handen achter.

    Jaren later kenmerkt zijn volwassen leven zich door voorzichtigheid. Hij durft niet meer voluit te leven. Gedwongen door zijn vrouw treedt hij toe tot een therapiegroep aan de Waal. Daar wordt hij als het ware wakker geschud. Hij verandert in een handelende man die na het overlijden van een vriendin besluit tot een radicale actie. Dat zet een reeks gebeurtenissen in gang, alsnog leidend tot de confrontatie met zijn verleden.’

    Jan Kloeze (1959) studeerde met Starfighter af aan de ‘Schrijversvakschool’ Amsterdam.

    Starfighter
    Auteur: Jan Kloeze
    Uitgeverij: Uitgeverij Palmslag (2024)

    Onze vreemden

    Onze vreemden is een verhalenbundel van de Amerikaanse Lydia Davis. Daarin treffen de mensen elkaar kortstondig, op allerhande plaatsen en in allerlei situaties. Davis observeert en constateert. Ze schrijft over toevalligheden en over gewone dagelijkse zaken.

    Davis (1947) schrijft (ultra) korte verhalen, romans en essays. Met haar The Collected Stories (in het Nederlands in twee delen verschenen als Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak), brak ze internationaal door. In 2013 ontving ze voor haar oeuvre de Man Booker International Prize.

    Davis is ook vertaler. Ze vertaalde o.a. werk van Proust, Foucault en Flaubert al dan niet met haar eerste echtgenoot Paul Auster. Ook selecteerde en vertaalde ze korte verhalen van ‘onze’ korteverhalenschrijver A.L. Snijders die in 2016 in de bundel getiteld Grasses and Trees verschenen.

    Haar verhalen zijn heel kort, 1 tot 3 pagina’s, soms zelfs alleen een paar zinnen, zoals op pagina 14 het verhaal ‘Een klein beetje’ over Agnes Varda:

    ‘Agnes Varda, de Franse filmregisseur,
    zei tijdens een interview
    dat ze het leuk vond om een beetje te naaien
    een beetje te koken, een beetje te tuinieren, een beetje voor de
    baby te zorgen,
    maar alleen een klein beetje.’

     

     

    Onze vreemden
    Auteur: Lydia Davis
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact (2023)
  • Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Ondanks de zweem van een pleonasme heeft uitgeverij Koppernik als titel van de dunne essaybundel over de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926 – 1973) voor Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen gekozen. De combinatie van die woorden vat de schrijfster goed samen.

    Ingeborg Bachmann schreef romans, verhalen, essays, gedichten en toneel. Zij geldt volgens de uitgever als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. In het Duitstalig gebied was zij bij leven een literaire ster, misschien vergelijkbaar met Connie Palmen tegenwoordig bij ons. Ze verkeerde in de hoogste culturele kringen, won vele literaire prijzen en had relaties met meerdere beroemde mannen. Toch was ze ook getormenteerd, verslavingsgevoelig en regelmatig ernstig terneergeslagen. Ze leed niet alleen in de liefde, maar ook en vooral vanwege de oorlog, de Holocaust en de gedeelde dadersschuld die daarmee samenhing.

    Haar werk was lang niet of nauwelijks in het Nederlands te lezen. Daar is nu verandering gekomen. In de vertaling van Paul Beers (1935 – 2024) verscheen eind 2023 de onvoltooide trilogie Doodsoorzaken (Todesarten) bij Koppernik. Twee jaar eerder publiceerde dezelfde uitgeverij haar verzamelde korte verhalen, eveneens door Beers vertaald. Eind jaren tachtig vertaalde Beers ook haar gedichten, waarmee Bachmann in de jaren vijftig doorbrak, maar die zijn zelfs niet of nauwelijks nog antiquarisch te vinden.

    Essays
    Vrijwel tegelijk met Doodsoorzaken bracht Koppernik de bundel Nerveuze gejaagdheid uit waarin essays van Paul Beers tezamen met die van de Vlaamse germaniste Ingeborg Dusar een introductie op haar werk bieden. Als je beide essayisten leest, kan je niet aan de gedachte ontkomen dat het werk van Bachmann daadwerkelijk zo’n introductie nodig heeft. Beers en Dusar zijn bewonderaars. Het zijn exegeten. Ze weten alles van haar motieven, thema’s en personages en kunnen die bovendien feilloos plaatsen in de ontwikkeling van haar tragische, korte leven. Niettemin blijft Bachmanns werk een hermetische indruk wekken. Je moet zin hebben om je tanden erin te zetten, maar dan opent zich volgens Beers en Dusar een prachtig universum met een uniek vrouwelijk vertrekpunt van een schrijfster die zich staande wist te houden in een patriarchale literair-culturele wereld, maar niet zonder diepe deuken op te lopen.

    Beers’ vertrekpunt is dat van de bezorger van haar literaire nalatenschap. Dusar promoveerde op het late proza van Bachmann aan de KU-Leuven. Het moet heerlijk zijn voor een schrijver als mensen zo hun best hebben gedaan om al jouw zorgvuldig aangebrachte verdichtingen te ontrafelen en daar ook nog vlot en leesbaar over kunnen vertellen. De bundel bevat zelfs een briefwisseling tussen Beers en Dusar waarin ze elkaar liefdevol vertellen wat ze in het werk van IB (zo noemen ze haar onderling) hebben aangetroffen en hoe ze (vooral Beers) worstelen met de vertaling van sommige moeilijk te interpreteren passages. De vroege dood van de schrijfster, op 47-jarige leeftijd, wordt betreurd – ze stierf aan de gevolgen van een ernstige brand. Niet letterlijk uitgesproken door beide bewonderaars blijft ook in het nawoord van Bachmanns jongere broer de gedachte hangen dat ze deels schuldig was aan die tragische dood.

     

     

  • In memoriam Paul Beers 1935-2024

     

    Op 25 januari werd bekend dat schrijver en vertaler Paul Beers is overleden, hij werd achtentachtig jaar. Beers vertaalde meer dan veertig literaire werken, zowel uit het Duits als het Frans,  waaronder Jean-Paul Sartre, Marguerite Yourcenar, Marian Pankowski en Thomas, Golo en Erika Mann. Ook vertaalde hij literatuur voor de Volkskrant en Vrij Nederland en was mederedacteur bij de publicatie van het complete werk van Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche.

    Het was de Duitse literatuur van waaruit hij uiteindelijk het meest vertaalde en hij stond bekend als oeuvre-vertaler van Ingeborg Bachmann, Witold Gombrowicz en Robert Menasse. Drie auteurs die hem met hun werk overrompelden en waar hij zich als literair vertaler voor hun hele oeuvre mee verbond. Hij noemde ze ‘mijn grote drie’. 


    Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen en filosofie werd zijn literaire vertalersloopbaan in 1964 aangewakkerd door de vertaling van
    Mythe van Sisyphus van Camus door C.N. Lijsen. Hij vond deze vertaling ‘volkomen ongrijpbaar’ en na een vergelijking met de Franse tekst, bleek deze wel degelijk ondermaats te zijn. Hij schreef er een uitgebreid en kritisch stuk over dat werd gepubliceerd in literair tijdschrift Podium.
    In 1965 ontdekte hij het werk van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. Gombrowitcz’ stijl, ‘zijn luciditeit en moed tot waarheid’ had hem zo gegrepen dat hij vanaf dat moment kost wat kost zijn vertaler wilde worden. Beers was de Poolse taal niet machtig, daarom zocht hij de schrijver op en kreeg toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen. Elk jaar, van 1967 tot 1972 verscheen er een Gombrowicz-vertaling. In 1967 bezocht hij Gombrowicz in Vence, Zuid-Frankrijk voor een interview voor Vrij Nederland. Dit interview bood hij in 2016 – nadat bij uitgeverij IJzer een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen was in herziene vertaling door hem zelf – integraal aan.


    In zijn eind vorig jaar verschenen essaybundel
    Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen bij uitgeverij Koppernik, schreef hij dat in 1983 de redactie van literair tijdschrift De Revisor hem vroeg drie teksten van haar te vertalen. ‘Deze drie zo verschillende teksten spraken me dermate aan dat ik volledig voor deze schrijfster gewonnen werd. Hier was elke zin raak, gedragen door grote zeggingskracht met een heel eigen toon.’ Waarna hij zich grondig in haar werk verdiepte.

    In 1995 kreeg hij toevallig Selige Zeiten van Robert Menasse in handen, en ook hier overrompelde het werk hem zodanig dat hij dit wilde vertalen. Vanaf die tijd vertaalde hij ook van Menasse al zijn werk. 


    Beers zette zich ook in voor de positie van de literair vertaler. Zo hechtte hij grote waarde aan de naamsvermelding van vertalers. Het was hem een doorn in het oog dat op paginagrote advertenties in de opinieweekbladen de naam van de vertaler niet werd vermeld. Om uitgevers de waarde van de vertaler te doen inzien was zijn devies:
    ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’  

    In een gesprek met Huub Beurskens ter gelegenheid van zijn bekroning met de Letterenfonds Vertaalprijs in 2014, zei hij: ‘Terugkijkend heb ik geweldig geluk gehad dat ik het oeuvre van “mijn” grote drie heb kunnen vertalen.’



    Foto: rechtenvrij via uitgeverij Koppernik verkregen.

  • De uitgewiste Palestijnse wereld

    De uitgewiste Palestijnse wereld

    In de twee delen die de novelle Een klein detail telt, voert de Palestijnse schrijfster Adania Shibli (1974) twee verschillende hoofdpersonen op. In het eerste is dat de mannelijke commandant van een compagnie in 1949 in door Israël bezet gebied; in het tweede een Palestijnse journaliste die in huidige tijd probeert te reconstrueren wat er in dat jaar precies gebeurd is. In een interview uit 2017 (het jaar waarin de novelle in het Arabisch verscheen) zei Shibli dat het een bewuste keuze was: de man als vertegenwoordiger van een heersende wereld van orde en macht waar zij zichzelf nooit in thuis zou voelen, en de vrouw als onzeker en onderzoekend lid van een onderdrukt volk. Er zijn meer verschillen tussen de delen. Het eerste is in de derde persoon geschreven, het tweede in de eerste. Het eerste deel speelt zich af op één plek, het tweede is een reis door Israël en bezet gebied naar die ene plek. De commandant maakt de dienst uit. De journaliste loopt tijdens haar hele reis gevaar.

    Niemand heeft in de novelle een naam, de commandant niet, zijn ondergeschikten niet en de journaliste niet. Ook een meisje dat dat in beide delen een prominente rol speelt blijft naamloos. Daardoor bewaart Shibli een zekere afstand maar weet ze de lezer tegelijk onontkoombaar mee te sleuren in een algemener verhaal van onderdrukking dan alleen het Israëlisch-Palestijnse conflict. Shibli verhaalt niet alleen over het lot van de Palestijnen maar ook over hoe machthebbers in bredere zin de geschiedenis zo weten te draaien dat de onderdrukten niet worden gehoord.

    Verdrijving

    De commandant uit het eerste deel is met zijn compagnie gelegerd in de Negevwoestijn. Het is een jaar na de Nakba, de hardhandige verdrijving van Palestijnen uit hun gebied, die volgde op de stichting van de staat Israël in 1948. De commandant moet het gebied behoeden voor infiltranten vanuit Egypte. De dagelijkse patrouilles leveren aanvankelijk niets op, tot een groep bedoeïenen wordt ontdekt (nergens uit de tekst blijkt dat die kwaad in de zin hadden) en vermoord. De enige overlevende is een klein meisje dat meegenomen wordt naar het kamp en daar door de soldaten wordt verkracht en uiteindelijk vermoord. Dat voorval vindt plaats op 13 augustus 1949.
    De journaliste leest decennia later over dit incident in een krant. Ze wordt getroffen door het detail dat 13 augustus ook haar geboortedag is, een kwarteeuw later. Het is dus niet het verslag van het incident dat haar aan haar speurtocht zet, maar de datum ervan. Alsof het geweld zoveel omvattend is dat je er bijna gevoelloos voor wordt tenzij een detail je persoonlijk treft. Zoals je je van een schilderij dat je in een museum hebt gezien vooral herinnert dat er onderin een vlieg zat.

    Insectenbeet

    De journaliste begrijpt dat het verhaal in de krant is verteld vanuit Israëlisch perspectief en ze besluit zelf naar de nederzetting in de Negev te gaan om te proberen wat het verhaal in de ogen van het bedoeïenenmeisje was. Haar reis ernaar toe maakt duidelijk hoe moeilijk Palestijnen zich kunnen bewegen op hun voormalig grondgebied. De journaliste moet een auto huren via iemand die in tegenstelling tot haar als Palestijnse wel een creditkaart heeft en ze moet door diverse zones met evenzoveel controleposten, wat haar voortdurend angst bezorgt. Ze geeft zelfs een keer een Israëlische naam op als wordt gevraagd hoe ze heet.
    Shibli laat in dit tweede deel het angstzweet van haar protagoniste prachtig spiegelen met dat van de commandant uit het eerste deel die geïnfecteerd is door een insectenbeet en zweetaanvallen heeft. Hij wast zich voortdurend dwangmatig en elk insect dat hij ziet vermorzelt hij (zoals hij uiteindelijk ook het meisje vermoordt).
    Ook op een andere manier laat Shibli aan de hand van de reis van de journaliste zien wat de Palestijnen door de Nakba zijn kwijtgeraakt. Ze heeft in haar auto routekaarten uit de tijd vóór 1948 met de oorspronkelijke namen en uit de tijd erna waarop al die namen en wegen zijn weggevaagd en dorpen zijn verdwenen.

    Put

    Om te achterhalen wat er werkelijk is gebeurd bezoekt de journaliste verschillende musea en collecties om uiteindelijk alleen maar vast te kunnen stellen dat ze die geschiedenis ook van internet had kunnen halen. Er is één moment, zo beseft ze als het te laat is, dat het anders had kunnen lopen. Dat doet zich voor als ze in de buurt van de plek van het incident een oude vrouw ziet die het meegemaakt zou kunnen hebben. Ze kan die vrouw niet meer terugvinden als ze er spijt van krijgt dat ze haar niet heeft aangesproken. Haar getuigenis is veel meer waard dan de geschiedschrijving door de machthebber, lijkt Shibli hier te zeggen.

    Dat die geschiedenis door de overwinnaars wordt geschreven wordt schrijnend duidelijk in twee passages die dat bevestigen, de ene uit het eerste deel en de andere uit het tweede. In een toespraak tot zijn soldaten zegt de commandant bijvoorbeeld: ‘Als de Arabieren zich er op grond van hun rechtlijnige nationalistische gevoelens niet bij kunnen neerleggen dat wij ons hier vestigen (…) zullen we ons moeten gaan gedragen als een echt leger. Niemand heeft immers meer recht op dit gebied dan wij, nadat het eeuwenlang zo is verwaarloosd dat er alleen nog maar bedoeïenen leven met hun kuddes’.
    Dergelijke neerbuigende taal krijgt de journaliste in het tweede deel te horen van een Israëlische man die in een museum uitlegt wat de militairen in 1949 in het gebied deden: ‘Op een dag hebben ze tijdens een patrouille, in een nabijgelegen put het lichaam van een bedoeïenenmeisje gevonden. Wanneer Arabieren bedenkingen hebben over het gedrag van een meisje, vermoorden ze haar en gooien het lijk in een put’, waaraan de man toevoegt dat hij het jammer vindt dat ze er dat soort gewoonten op na houden.

    Een klein detail grijpt je op bijna elke pagina naar de strot. De lezer blijft met een opdoffer zitten. Dit verhaal moet gelezen worden.

     

  • Oogst week 3 – 2024

    Het enige kind

    Een oogst zou maar saai worden, als we slechts prijzen opnoemen die schrijvers in het verleden wonnen. Guadalupe Nettel, bijvoorbeeld, heeft een erelijst waarmee we een hele tekst kunnen vullen. Ze geldt als een van Amerika’s vermaardste auteurs. Bovendien verdient ze haar sporen als academica; ze promoveert op Taalwetenschappen in Parijs. Haar vierde roman, Het enige kind (La hija única), omschrijft het leven van vrouwen in Mexico-Stad. Klinkt simpel en droogjes. Wie zich echter mondjesmaat in de lokale cultuur verdiept, weet dat vrouwen daar dagelijks moeten vechten voor hun leven, alleen door vrouw te zijn. Moeders inclusief.

    We volgen vriendinnen Laura en Alina. Beiden diepgewortelde feministen, maar de één wil absoluut geen moeder worden en de ander… wellicht ooit wel. Moederschap brengt immers nogal wat teweeg, naast ‘gewoon’ een kind. Met heldere taal en kleurrijke bijfiguren laat Nettel zien welke offers moederschap vraagt: lichamelijk, sociaal en psychisch. Het complexe is, dat géén moeder willen worden, eveneens tot ongemak leidt. Het enige kind waarschuwt voor stelligheid; lonkt eenmaal de kans om voor een kind te zorgen, vertoont zelfs vrouwenactivist Laura moederlijke trekjes, waarvan ze altijd dacht die te moeten verafschuwen.

    Het enige kind
    Auteur: Guadalupe Nettel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Het mensenschip

    Telkens wanneer een Portugeestalig meesterwerk in het Nederlands verschijnt, is Harrie Lemmens erbij betrokken. Dit geldt ook voor A barca dos homens van Braziliaan Waldomiro Freitas Autran Dourado, vertaald als Het mensenschip. Dourado (1926 – 2012) kiest als decor vaak zijn geboorteregio Minas Gerais, wat hij nu nalaat. Binnenkort geeft uitgeverij Koppernik ook Opera der doden (Opera dos mortos) uit. Uniek binnen de Braziliaanse literatuur is dat Dourado zijn romans gebruikt voor poëtische stijloefeningen. Zijn prozaïsche stijl reserveert hij voor de journalistiek en advocatuur.

    In Het mensenschip staat de jonge knul Fortunato centraal. Die naamkeuze zal ironisch zijn: Fortunato heeft bepaald geen geluk en lijdt aan een verstandelijke beperking. Op een avond verdenkt men hem ervan een pistool te hebben gestolen. Er volgt een koortsachtige klopjacht door de complete gemeenschap. Per hoofdstuk wisselt Dourado van vertelperspectief; bijna elk lid uit de nabije omgeving komt voorbij, inclusief Fortunato zelf. Zo veel mensen, zo veel manieren van uitdrukken… een perfecte aanleiding voor Dourado om zijn stilistische begaafdheid te laten zien. Wie houdt van een gezonde dosis barok, zit bij A barca goed.

     

    Het mensenschip
    Auteur: Autran Dourado
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Binnen in de aarde is een berg

    Wie een gedichtenbundel getiteld Oogsteen uitbrengt, mag in de oogst van Literair Nederland natuurlijk niet ontbreken. Al gaat deze vermelding niet over dat boek, maar over Binnen in de aarde is een berg. Hester Knibbe (1946), alom geprezen dichteres uit Harderwijk, schreef al meer dan vijftien dichtbundels, die haar bijna allemaal prijzen opleverden. De laboratoriumanaliste is er beroepsmatig al aan gewend om tot de kern te komen, wat ze in haar verzen doortrekt. Critici loven haar nieuwsgierigheid en oog voor detail. Bovendien oogst Knibbe bewondering vanwege haar interesse in vroegere culturen, waaronder de Klassieke Oudheid.

    Ditmaal vormt I Tjing haar voornaamste inspiratiebron. Het Oud-Chinese Boek der veranderingen geldt als één van de oudste orakelboeken van de mensheid. Meer dan in een tarotsessie of een halfbakken toekomstvoorspelling bedient de I Tjing zich tóch ook van wetenschap, hetgeen Knibbe zal hebben gewaardeerd. Ze gebruikt de hexagrammen uit I Tjing als titels van haar gedichten en actualiseert ze. Uit het oude Griekenland kennen we natuurlijk al het motto ‘Panta rei, ouden menei’. Binnen in de aarde is een berg trekt verder oostwaarts om verandering niet alleen te accepteren, maar ook te wórden: het principe van de Tao.

    Binnen in de aarde is een berg
    Auteur: Hester Knibbe
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Laatste bladzijden

    Laatste bladzijden

    Soms wil je de laatste bladzijden van een boek overslaan. Ik had dat bij Moedermelk van de Letse schrijfster Nora Ikstena. Het lag beslist niet aan het boek, een prachtig boek. Het was omdat ik voorvoelde dat  de moeder het einde van het boek niet zou halen. Een afloop waarvan de eerste tekenen al op de derde bladzijde van het boek kenbaar werden gemaakt. ‘In de twintig jaar die ik met mijn moeder heb doorgebracht, heb ik haar nooit kunnen vragen waarom ze mij, een kleine hulpeloze baby, haar melk onthield.’ Dat er een einde aan alles komt, dat niets waarop gehoopt werd vervuld zou worden, gaat het hele boek mee. Uitlopend in een toestand die ik niet wilde weten. Dan ging ik maar thee zetten, was ophangen, post openen, ach, er is zoveel te doen in een huis.

    Door niet verder te lezen, vertraagde ik de levensverloop van moeder en dochter. Verijdelde het sterven van de een, het verdriet van de ander. In Moedermelk is het uit liefde dat de moeder haar dochter als baby de moedermelk ontzegt, haar laat opvoeden door grootouders. Wat ik stilletjes hoopte terwijl ik het gasfornuis schoonmaakte, was dat moeder en dochter op de laatste bladzijden nog een kans zouden krijgen, dat ze een soort ‘Happily ever after’ zouden bereiken.

    Ik had tot half zes de tijd, dan moest ik een trein halen. Naar een leesclub, waar we merendeels onbekend waren met elkaar. Dat is eigenlijk het beste voor een leesclub, dat je elkaar niet kent. Er was een schrijfster, een vriend, een vriendin van een vriendin, een doorlezer (dagen niet van zijn stoel komen en maar lezen), en ik. We zagen elkaar  bij een van de vijf thuis. Er kwam wijn en kaas op tafel. We luisterden naar verhalen uit onze levens, weefden daar onze bevindingen van het boek doorheen. Het bruiste zoals een glas champagne bruisen kan, verfrissend, tongen losmakend. Later kwam er een ovenschotel, salade, dessert op tafel. Tussendoor riep de schrijfster wel drie keer tegen de gastheer, ‘Jij kan ècht lekker koken!’ Waardoor wij wel moesten geloven dat haar man niet zo goed in de keuken was.

    Moedermelk is in het Engels vertaald als Soviet Milk. Wat we – terwijl we van de gevulde courgette aten – zo treffend, zo geweldig-goed-gekozen vonden. Want dat hele boek gaat over niet kunnen leven, niet kunnen ontwikkelen onder verstikkende Sovjetregels. De vriendin van de vriendin begreep eerst niks van het boek en ik begreep dat. Want ik was er ook pas na een tijdje lezen achter dat de dochter en de moeder om en om aan het woord zijn. Ik schreef met potlood een D of een M boven de tekstblokken. De doorlezer had het boek in het Engels op een e-reader in Cornwall gelezen. In de Engelse versie bleek het boek uit twee delen te bestaan. Wat voor verwarring zorgde.

    Toch las ik die laatste bladzijden, wanneer het de moeder is gelukt om te sterven. Het proza werd van registrerend, opeens meer ritmisch. ‘Haar lippen waren droog en gebarsten. Ik depte zachtjes haar borsten. Waaruit ik nooit had gedronken en die ik maar één keer had gezien, die nacht dat we gingen zwemmen in de rivier. (…) Ze waren als in mijn droom – warm en vol moedermelk… Een zee van melk. En ik dronk hem gulzig, ik dronk de melk van de goede, waarheidlievende moeder, en ik dronk de melk van het kwaad, die de slangen voedde, en de melk smaakte niet langer naar kamillethee maar naar iets raadselachtigs, dat mij kracht en macht gaf.’  Ja, een prachtig boek, het kwam goed.

     

     

    Moedermelk / Nora Ikstena / vertaling Brenda Lelie / uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Het absurde bestaan plakt aan de huid

    Het absurde bestaan plakt aan de huid

    Hitte maakt ons loom, landerig en doet alles aan elkaar plakken. Het mat ons af. Ook in de gelijknamige debuutroman van Victor Jestin (Frankrijk, 1994) sjokken de personages maar wat rond, klutsend van de zweetdruppels. Net als in het zuiden van Europa dezer dagen, bedrukt de warmte de vakantiegangers in Hitte op een camping in Normandië. Daar spendeert de zeventienjarige Léonard samen met zijn ouders en zusje twee weken van zijn vakantie. Gezellig spetteren in het zwembad, zou je denken. Dolle pret, toch?

    ‘Oscar is dood omdat ik toekeek toen hij doodging, zonder een vinger uit te steken.’ Met die eerste zin bedelft Jestin elke kans op een feelgoodboekje om in het vliegtuig op weg naar vakantie door te bladeren. Want de morbide lijklucht verspreidt zich meer en meer. Diezelfde nacht nog begraaft Léonard Oscar in het zand. Hij kende de dode slechts van ziens. Maar nu is er geen weg meer terug. De nietsvermoedende campinggangers sjokken voort in de hitte: ‘Zonder te weten bouwden kinderen zandkastelen ter nagedachtenis van Oscar.’

    Onder zijn leeftijdgenoten heerst een ongestoorde seksuele experimenteer- en geldingsdrang. Hitte lijkt amper te verschillen van een typische coming-of-age novelle: Léonard is een outcast, zondert zich af maar weet uiteindelijk wel aan te pappen met een populair meisje. Op dat vlak niets nieuws onder de loden zon. Zelfs het feit dat de voortdurende vervreemding zich voortzet tijdens de seks voelt niet bijster verrassend: ‘We plakten aan elkaar maar waren niet samen.’ Maar Jestin weet dit toch handig om te keren, omdat ook Oscar aan Léonards huid plakte.

    Zelfgeschapen schuldgevoel

    Dat plakkerige gevoel behelst niet een zintuigelijke sensatie, maar is vooral een psychologische kwestie. Léonards gemoedstoestand resoneert enigszins met het concept van ‘il y a’, of ‘er is’, gemunt door de Franse wijsgeer Emmanuel Levinas. Het ‘il y a’ is een zijnswijze, een toestand in de werkelijkheid, waarin er volgens Levinas geen onderscheid meer bestaat tussen de dingen. Alles kleeft aan elkaar. Het is één amorfe en onverschillige brij die op elkaar lijkt, zonder dat er echt iets gebeurt.

    Léonard kleeft zelf aan de werkelijkheid. Hij doet zaken zonder noemenswaardige drijfveren te bezitten: ‘Het leek me logisch dat Oscar moest verdwijnen. Ik dacht er verder niet bij na.’ Toen hij toevallig zag hoe Oscar in de touwen van de schommel zat verstrengeld, kon hij hulp inroepen. Maar vanuit een onverklaarbaar motief maakt Léonard zichzelf heel erg schuldig. En dat zelfgeschapen zwaard van Damocles isoleert hem nog meer van zijn familie en de rest van de camping.

    In die absurde levenshouding van Léonard loert het werk van filosoof-schrijver Albert Camus meermaals om de hoek. Vooral de gelijkenissen met Camus’ bekendste boek, De Vreemdeling, springen in het oog. Daarin wordt de zinloosheid van het bestaan getoond en begaat het hoofdpersonage Meursault de meest doelloze moord uit de literatuur. Zelfs de openingszin van Hitte doet qua directe en koude onverschilligheid niet onder voor de beroemde twee eerste zinnen van De vreemdeling: ‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet.’

    Absurde frictie

    Wat misschien wel geweten kan worden is dat er eveneens stilistische gelijkenissen tussen beide auteurs vallen te trekken. Net als die van Camus is Jestins stijl compact en puntig. En zelfs in filosofisch geladen opmerkingen blijft de toon observerend en afstandelijk: ‘De camping had haar eigen wetten. Twee weken vakantie, dat was een heel leven. Je kwam aan zoals je geboren wordt, bleek en alleen. Je ging weer weg zoals je sterft, met een zucht van weemoed en opluchting.’

    Die observerende maar spitse schrijfstijl creëert een contrast tussen de frisse focus van de zinnen en de donkere inhoud. Want onder elke zin sluimert het steeds meer ontbindende lijk van Oscar. Maar door de scherpte waarmee Léonard zijn gedachten en observaties meedeelt, wordt er geen bedompte of sentimentele sfeer geschapen. Opmerkingen als ‘Oscars blauwe handdoek moest over de balustrade hangen, veel te droog’ roepen een zintuiglijk en levendig beeld op. Wat schril afsteekt tegen de lugubere inhoud ervan.

    Die afstandelijke verteltoon laat zelfs plaats voor bijtende humor. Wanneer Léonard zich even tot op de bodem van het zwembad heeft laten zakken, bemerkt hij bij zichzelf dat ‘ik hier kon blijven met een mond vol chloor. Een persoon minder op de camping, geen mens die het merkte.’ Niet alle observaties zijn even geslaagd. Vaak verzwakt de impact van een observatie wanneer het absurde te expliciet naar boven drijft: ‘Snel de leegte vullen die mijn leven zwaar maakte.’ Of wanneer Léonard zeilboten ziet passeren volgt uit het niets: ‘Misschien verdrinkt er iemand.’ Tja, of misschien ook niet, denk je dan spontaan, door de willekeurigheid van die zin.

    Als novelle is Hitte op zijn best wanneer de frictie tussen de spitse zinnen en de walgelijke inhoud ervan de absurdheid van het bestaan voelbaar maakt. Qua narratief blijft het verhaal soms wel steken op het niveau van een typisch coming-of-age scenario. Dat doet geen afbreuk aan het feit dat Hitte niet zou misstaan als een hedendaagse variant van De vreemdeling op de leeslijsten in het middelbaar onderwijs. Al blijft Camus’ meesterwerk tot dusver filosofisch radicaler en vernieuwender. Maar Jestin is nog jong natuurlijk. En veel wijst erop dat we nog niet snel van hem verlost zullen zijn. Misschien betreft dit een debuut van een schrijver die nog veelvuldig aan onze huid zal blijven plakken.

     

  • De hopeloze zoektocht van een existentialist

    De hopeloze zoektocht van een existentialist

    Vreemd hoe grote talenten soms vergeten worden. Daarom is het noodzakelijk om af en toe eens te grasduinen in ons literaire verleden en meesterwerken van onder het stof te halen. Uitgeverij Koppernik bracht Het verbrande kind van Stig Dagerman opnieuw uit. Deze Zweed werd bestempeld als een van de grootste Europese schrijvers ooit, maar belandde in de vergeethoek. In de jaren veertig van vorige eeuw debuteerde hij met De Slang, schreef nog enkele korte verhalen en bracht in 1948 zijn meesterwerk Het verbrande kind uit. Daarna bleef het stil rond hem tot zijn zelfmoord op 31-jarige leeftijd in 1954.

    Existentialist pur sang

    Als journalist reisde Dagerman in 1946 door het vernietigde Europa en het zien van al die ellende heeft zeker een grote invloed gehad op zijn werk. Hij is een existentialist pur sang en treedt daarmee in de voetsporen van Sartre en Camus, maar anders dan bij hen straalt uit zijn werk een bodemloze diepte en peilloze leegte. Waar de anderen proberen om die leegte te vullen door zelf doortastende keuzes te maken, falen de personages van Dagerman onherroepelijk. Alles eindigt steeds in hypocrisie, (zelf)bedrog, angst en wanhoop.

    Spel van bedrog en leugens

    Het verbrande kind opent met de begrafenis van een vrouw. Het is de moeder van de 20-jarige Bengt. Hij belandt daardoor in een zeer diepe crisis en krijgt weinig steun van zijn schijnbaar opgeluchte vader. Al gauw wordt duidelijk waarom. Vader heeft al geruime tijd een affaire met een zekere Gun. Het verdriet en de rouw van Bengt slaan om in een blinde woede en haat jegens zijn vader en hij zint op wraak. Zijn vriendin Berit kan geen soelaas brengen. Hij heeft een heel koude relatie met haar en probeert afstand te nemen en te houden. Zijn wraak zal er uiteindelijk in bestaan door zelf een relatie aan te gaan met Gun, de minnares van zijn vader. Zo belandt ook hij in een spel van bedrog en leugens. Uiteindelijk trouwt Bengt toch met Berit, maar een mislukte zelfmoordpoging toont al aan dat het niet zo’n gelukkig huwelijk is. De blijvende zoektocht naar geluk en liefde eindigt steeds in angst en wanhoop.

    Beklemmende sfeer

    Dagerman heeft een aparte stijl. Hij schrijft zeer krachtig proza op een gebalde en afstandelijke manier. Die bijzondere stijl voelt bevreemdend aan en dat is ook de bedoeling. In de openingsscène heeft hij het over de vrouw, de echtgenoot en de zoon, zonder een zweem gevoel. Het begrafenisritueel beschrijft hij zeer koel en de beklemmende sfeer houdt hij de hele tijd aan. Ook in zijn taal probeert hij aan te geven dat het leven leeg, koud en onverschillig is. Bengt probeert op zoek te gaan naar liefde en vriendschap om die leegte te vullen, maar faalt daar faliekant in. Soms lijkt het alsof de leegte draagbaar is, in die luttele momenten dat hij opgaat in de intimiteit met Gun of Berit, maar de leegte vullen lukt niet.

    Het verhaal wordt onderbroken door brieven van Bengt aan zichzelf. Ook hier wordt de lezer geconfronteerd met de hopeloze zoektocht van Bengt. Net als in Camus’ De mythe van Sisyphus kent Bengt korte momenten van geluk, zoals Sisyphus wanneer hij de steen weer ophaalt om naar boven te rollen, alleen zijn ze bij Bengt een stuk korter. Dagermans werk zit daarnaast ook vol met symbolen en motieven. Zo is er de steeds terugkerende rode jurk, het paar schoenen, de hond en vooral de brandende kaars, waaraan ook Bengt zich verbrandt. Net als zijn vader, net als de mensheid is hij evenmin vrij van bedrog en hypocrisie en is hij dus ook ‘verbrand’. Ook in het echte leven geraakt Dagerman niet uit deze existentiële crisis en zal dat dus leiden tot zijn zelfmoord in 1954.

    Het verbrande kind leest aanvankelijk wat stroef door de afstandelijkheid, die herinnert aan de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar anders dan de Bordewijks en Elsschots van toen, slaagt Dagerman erin met zijn afstandelijke stijl bijzondere en diepe emoties op te roepen die raken aan onze meest duistere angsten en twijfels. Het boek zet de na-oorlogse mens een spiegel voor en raakt tot in de kern van de ziel. De diepste zielenroerselen komen er op een ongemakkelijke manier in naar boven en het zet aan tot denken over liefde en haat, hoop en wanhoop, leven en dood. Het verbrande kind is het zeker waard om afgestoft te worden en opnieuw de aandacht te krijgen die het verdient.