• Een zoektocht naar loutering

    Een zoektocht naar loutering

    Precies 100 jaar nadat de debuutbundel Ossi di Seppia van Eugenio Montale (1896-1981) verscheen in Italië, en 50 jaar nadat hem de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, is er eindelijk een integrale vertaling in het Nederlands verschenen onder de titel Zeekatskeletten. Voor zijn debuut heeft Montale zich laten inspireren door Monterosso, een van de vijf inmiddels door toerisme overlopen plaatsen in de Cinque Terre, niet ver van zijn geboorteplaats Genua. De familie Montale bracht elk jaar de vakanties door in Monterosso, in de villa die er nog altijd staat en die tegenwoordig gehuurd kan worden. Het huis is het epicentrum van Montales debuut, samen met de ommuurde tuin en de altijd aanwezige Middellandse Zee.

    T.S. Eliot

    In deze omgeving is de dichter voortdurend op zoek naar een diepere duiding, naar inzicht, en naar een bijna Danteske zoektocht naar loutering. Zo lezen we in het beroemde openingsgedicht ‘De citroenen’: Kijk: in deze stiltes waarin de dingen/ zich gewonnen geven, alsof ze elk moment/ hun diepste geheim kunnen verraden,/ verwacht je soms/ een vergissing van de Natuur te ontdekken,/ het dode punt van de wereld, de schakel die niet houdt,/ de draad die uiteindelijk, als we hem ontwarren,/ naar het hart van een waarheid voert.’

    De ommuurde tuin levert direct associaties op met het werk van T.S. Eliot; natuurlijk met name met ‘Burnt Norton’ uit de Four Quartets, ware het niet dat dat pas in 1939 werd geschreven. Maar dat de beide dichters elkaar over en weer hebben beïnvloed is duidelijk en blijkt alleen al uit de vertalingen van elkaars werk. Zo vertaalde T.S. Eliot het lange gedicht ‘Arsenio’ uit deze bundel. Daarnaast zijn er parallellen met Paul Valéry’s beroemde lange gedicht Het kerkhof bij de zee. Evenals Montale zocht ook Valéry naar duiding in een wereld tussen leven en dood, en ook bij hem is daar altijd de Middellandse Zee.

    Overgave

    Deze gedichten van Montale geven hun geheimen niet direct prijs, in tegenstelling tot de meer toegankelijke poëzie uit zijn late periode. Dit vroege werk is typisch poëzie waaraan je je moet overgeven, maar dan vind je ook een enorme rijkdom, met vaak wisselende inzichten. Kenmerkende elementen zijn tijd, moment, wind, natuur, herinnering, eenzaamheid, zee, kust, vogels en vergankelijkheid; zoals in ‘Cocon’: zie hoe de tijd/ ijlt en verdwijnt, opgeslorpt/ tussen de stenen’.

    De notie zoals vermeld in het nawoord, dat de dichter zelf in zijn poëzie geen verlossing vond, staat naast de zoektocht naar zingeving, naar een zachte weg naar de dood, die juist louterend werkt. Zo blijft het werk van Montale een baken voor de tot bespiegeling geneigde lezer die, wetende dat hij tekortschiet, probeert grip te krijgen op het raadsel van het bestaan,’ aldus vertalers Jur Koksma en Joep Stapel in het nawoord. We vinden dit bijvoorbeeld terug in een van de gedichten van de cyclus ‘Sarcofagen’, waarin het rondlopen over een begraafplaats herinneringen oproept aan diegenen die ooit een betekenis voor ons hadden in het leven. Laat de zwijgzame steenmenigte achter/ en wend je tot de verwaarloosde zerken,/ waarin een ongemakkelijk symbool gebeiteld is:/ de traan en de lach, tweelingen,/ wellen gezamenlijk eruit op’. De dichter is altijd op zoek naar de essentie van het bestaan. U, mijn prooi, schenkt mij/ een kort moment van menselijk zinderen./ Geen tel zou ik ervan willen missen/ dit is mijn deel, al het andere ijdel.’  En steeds heerst de vluchtigheid van het moment, dat altijd weer direct verleden is. Het uur verstrijkt/ en trekt alles uit elkaar; door de hemelkoepel schieten/ bladeren of vogels, wie zal het zeggen – ze zijn er al niet meer.

    De dichter komt steeds op de drempel van een inzicht en als lezer ga je met Montale mee in die zoektocht. Dat is de meerwaarde van Zeekatskeletten: in de omgeving de waarheid en het lot van de mens ontdekken. Maar de omgeving en de natuur zijn gewoon aanwezig, het is de dichter die er zijn betekenis aan oplegt: hop, vrolijke vogel, belasterd/ door de dichters […] en jij hebt geen idee,’.  In deze gedichten heerst een zoektocht naar rust, sereniteit en tijdeloosheid, naar buiten de tijd staan, naar het volledig opgaan in de natuur, ja een plant of zelfs een steen te zijn. ‘O en dan te verdwijnen,/ beetje bij beetje, wentelend/ als het zeekatskelet in de golven,/ een knoestige boom te worden/ of een door de zee geslepen steen’.

     Deze gedichten zijn ontstaan aan het begin van de jaren ’20, toen het fascisme in Italië vaste voet aan de grond kreeg. Hoewel Montale geen politiek dichter was, kan het openingsgedicht van de cyclus waaraan de gehele bundel haar naam ontleent worden gezien als verhulde aanklacht tegen het fascisme en de slotregels behoren tot de beroemdste uit de Italiaanse poëzie: ‘Vraag ons niet de formule die je de nieuwe orde openbaart,/ hooguit, droog als een tak, wat kromme lettergrepen. / Dit alleen kunnen we je vandaag zeggen:/ dat wat we niet zijn, dat wat we niet willen.’

    Vertaling

    Niet alleen de gedichten op zich, ook de verantwoording van vertalers Jur Koksma en Joep Stapel dwingt bewondering af. Inherent aan het vertalen van poëzie is dat je vrijwel altijd iets van het origineel zult moeten prijsgeven. In het nawoord geven de vertalers inzichten die iedere aspirant-poëzievertaler ter harte mag nemen: Als vuistregel hebben we gestreefd het ‘nettogewicht’ van een gedicht en van de bundel als geheel te bewaren. Wat we laten liggen aan formele kenmerken als eindrijm en versvoet proberen we goed te maken met de tot Nederlands genaturaliseerde inzet van ritme, dichtheid, klank en assonantie.’ Zeer terecht is hun reden minder eindrijm te gebruiken dan Montale, want niets is zo fnuikend voor de esthetische ervaring als geforceerd rijm, met dat vleugje je ne sais quoi van de decembermaand. Eindrijm klinkt in het Nederlands nu eenmaal anders dan in het Italiaans, waar bijna alles op alles rijmt.’

    In 1984 verscheen een selectie uit de poëzie van Montale in Nederlandse vertaling onder de titel De roos in de kermistent, onder redactie van Jacques Hamelink. Een mooie verzameling, een enkele keer iets archaïscher en formeler dan deze nieuwe uitgave (logisch gezien de ruim 40 jaar die ertussen liggen), maar de grootste winst ten opzichte van die eerdere uitgave is dat we nu een integrale vertaling hebben van Montale’s debuutbundel. Daarbij is het geheel ook nog eens voorbeeldig uitgegeven. Niet alleen een sterke vertaling met een erg informatief en verhelderend nawoord, maar ook de vormgeving is prachtig; kleur en typografie sluiten heel mooi aan bij het karakter van deze bundel. Al met al een mooie tweetalige uitgave die met veel liefde is gemaakt. En daarmee een aanwinst voor elke poëzieliefhebber.

     

  • De aarde brengt geen graan maar angst voort

    De aarde brengt geen graan maar angst voort

    Het is 26 juli 1923, een snikhete dag waarop laat in de middag een flinke onweersbui los zal barsten. Een meisje en een man worden om zes uur ’s morgens wakker in hun smalle ijzeren bed in Berlijn. De geldontwaarding in de Weimarrepubliek wordt alsmaar erger. De dollar staat ’s morgens op vierhonderdveertienduizend mark en ’s avonds op zevenhonderdzestigduizend. Op 8 augustus – we zijn dan halverwege de vuistdikke (835 dichtbedrukte pagina’s) van Wolf onder wolven – staat hij op vier miljoen mark méér. En nog een week later is dat honderdzestig miljoen. Hoe overleef je dat?
    Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen) beschreef het in zijn roman, veertien jaar nadien. Hij zat zelf omstreeks 1923 een paar keer gevangen en leed aan alcoholverslaving. Hij wist waarover hij schreef.

    De belabberde situatie in Duitsland was een gevolg van de vrede van Versailles die het land na WO I diep vernederde. Het werd door de overwinnaars tot op het bot uitgekleed en opgezadeld met niet op te brengen herstelbetalingen. De repercussies daarvan waren voelbaar in het dagelijkse leven van elke Duitser. Iedereen probeerde op zijn eigen manier het hoofd boven water te houden.

    Gokken

    Wolf onder wolven is door de vele verhaallijnen en verwikkelingen tamelijk complex. De roman telt bovendien ongeveer honderd personages, waarvan zeker vijfentwintig prominent figureren. Je raakt naarmate de lezing vordert af en toe de draad kwijt in de doolhof van verbindende schakels en de veelheid van perspectieven en stemmen, maar als je je overgeeft aan de tekst raak je steeds meer bedwelmd door de beschrijving van de over elkaar buitelende ontwikkelingen en stemmingen. Wolf onder wolven leest zelfs als een heuse pageturner.

    Naast de torenhoge inflatie is er een tweede gebeurtenis die Fallada verwerkte. Dat is de mislukte Küstrinputsch onder leiding van majoor Buchrucker die plaatsvond omdat sommigen vonden dat de regering te weinig deed tegen de bezetting van het Ruhrgebied door Frankrijk.
    Küstrin was een vesting aan de Oder, die in de roman Ostade heet; Buchrucker is te herkennen in majoor Rückert. In die omgeving speelt het tweede deel (na Berlijn als locatie van het eerste) van de roman zich grotendeels af: we bevinden we ons hier in het fictieve Neulohe ‘op het uiterste puntje van de Neumark (…) bijna tegen de Poolse grens’.

    Hobbes

    Beide locaties gaan op hun eigen manier om met de crisistijd. In Berlijn is het vooral de zelfkant die probeert zich overeind te houden in prostitutie of door te gokken. De jonge Wolfgang Pagel, zoon van een welgestelde moeder, is zo’n gokverslaafde. Hij pikt de armoedige Petra Ledig op uit ‘het leven’ en gaat met haar samen wonen bij de hospita Thumann. Het stel wordt wegens wanbetaling al snel uit huis gezet (Petra ontdekt later dat ze zwanger is) en komt gescheiden en onwetend van elkaars lot in politiecellen terecht.

    ‘Het is een vraatzuchtige tijd, Wolfstijd. Zonen hebben zich tegen hun ouders gekeerd, hongerige wolven tonen elkaar hun blikkerende tanden – de sterke zal leven! Wie zwak is sterft! Tussen mijn tanden!’ Het is een duidelijke verwijzing, ook al in de voornaam van Pagel, Wolf of Wolfgang, naar de opvatting van filosoof Thomas Hobbes dat zelfzuchtigheid ten koste van de ander in de mens is ingebakken (‘Homo homini lupus est’).

    Intriges

    Op het platteland probeert de oude adel te redden wat er te redden valt. Ze is in het bezit van vastgoed, zoals kastelen en bezittingen die worden verpacht. Baron Von Teschow is eigenaar van twee landgoederen waaronder Neulohe en een groot bosareaal. Via de oude kameraden uit het leger, Von Prackwitz, pachter en schoonzoon van de baron, en Von Studmann, die in Berlijn een hotel leidde maar op straat is gezet, belandt Pagel op Neulohe. Hij wordt er opzichter over het personeel.
    Het is een wereld vol uitbuiting, intriges, roddels en verdachtmakingen en plunderingen van de velden van de pachter door de armste bevolking. Niemand vertrouwt nog iemand. Bovendien hangt er een voortdurende dreiging van in de bossen verscholen veteranen, na de oorlog uitgespuugd door een leger dat na ‘Versailles’ niet meer mocht bestaan. Ze zijn uit op een putsch. Kortom: ook op het platteland regeert de ‘wolfstijd’.

    Speenvarken

    Fallada vertelt in Wolf onder wolven niet het politieke en algemeen maatschappelijke verhaal van de moordende inflatie in Duitsland, maar laat ons die beleven aan de hand van individuele karakters in alledaagse omstandigheden. Alle belangrijke personages komen tot leven in al hun eigenaardigheden en individuele trekken. Daarbij voert Fallada vaak koddige scènes op rond amoureuze relaties, ontrouw, ruzies, klungelige opzet van de putsch en al dan niet zoekgeraakte brieven, zonder dat de roman een klucht wordt. Er zit dan ook veel humor in de vertelwijze van de auteur. Soms is die woordspelig als in: ‘Stel dat hij zich in wanhoop een kogel door zijn hoofd schoot – iemand van minder kaliber dan hijzelf zou daar in zijn situatie heel goed toe kunnen besluiten’. Veelvuldiger zijn de komische generalisaties die zich in de hoofden van de personages hebben vastgezet zoals wanneer Von Teschow zegt: ‘De mens is nu eenmaal geboren om te jammeren, dat zeg ik u, mijn beste Von Studmann! Zodra hij geboren is gilt hij als een speenvarken en als hij doodgaat rochelt hij als een oude bok en in de tussentijd blijft hij maar mekkeren’. Of de verteller als hij het heeft over de in onmin met zijn vrouw geraakte Von Prackwitz: ‘Een man naar wiens pijpen een vrouw twintig jaar heeft gedanst, zal nooit begrijpen waarom ze dat opeens niet meer doet’.

    Het is niet een humor die, naar het aforisme van Godfried Bomans’, ‘overwonnen droefheid’ is, maar een die dat verdriet juist accentueert. Er schuilen verholen agressie en fatalisme onder: ‘Wachtmeester Leo Gubalke, die dagelijks met opgewonden vrouwen van doen heeft, is er vast van overtuigd dat ook vrouwen verstand kunnen hebben. Maar het is een ander soort verstand dan dat van mannen, en het is compleet zinloos hen van iets te willen overtuigen waarvan ze niet overtuigd willen worden’.

    Angst

    Wolf onder wolven zuigt je op een meeslepende manier mee in een jaar uit de Duitse geschiedenis waarin iedereen geloofde dat hij bedrogen werd als hij dat zelf niet als eerste deed. Het motto: ieder voor zich. Iedereen werd door die geest geïnfecteerd: ‘De aarde brengt geen graan voort, maar angst, besmettelijke angst. Een generatie vol angst’.

    Toch geeft Fallada één van zijn protagonisten deze gedachte in: ‘Welbeschouwd bestaat het leven uit louter nederlagen. Maar desondanks leeft een mens, dat o zo taaie en onverzettelijke schepsel, verder en is blij dat hij leeft…’.

    Twee mensen laten zien dat de mens niet gedoemd is anderen te verdrukken. Dat zijn Wolfgang Pagel en Petra Ledig. Wolf onder wolven is daarmee tevens een ontwikkelingsroman over deze twee die na een onderlinge breuk los van elkaar groeien naar onafhankelijkheid en inzicht en zo verantwoordelijkheid leren nemen voor hun leven. Het laatste hoofdstuk refereert aan de opening van de roman. De man en de vrouw worden ’s morgens in een bed in Berlijn wakker. Een fris briesje beweegt de gordijnen. Wolfgang is door alles wat hij meemaakte sterker geworden. Petra heeft ontdekt dat het geluk ‘niet afhankelijk [is] van dingen buiten haar, het zit in haarzelf, als de kern in een noot’.

     

     

  • Je moet wel kijken, anders zie je niets

    Je moet wel kijken, anders zie je niets

    In december 2009 werd het lijk van de Cypriotische oud-president Papadopoulos, een dag voor de herdenking van zijn overlijden, gestolen uit zijn graf. Pas een paar maanden later werd het teruggevonden. Het zou voor losgeld ontvoerd zijn. Het is geen uniek geval. In 2017 werd hetzelfde geprobeerd met het lijk van de Italiaanse autobouwer Enzo Ferrari (het mislukte voor er losgeld kon worden gevraagd). En in 1978 groeven twee criminelen in Zwitserland het lijk van Charlie Chaplin op, nu wel met een losgeldeis.
    Het voorbeeld van Chaplin wordt genoemd in de nieuwe novelle Erfgenaam van Hans Heesen, maar slechts als een terzijde. De ik-figuur uit die roman wordt tegen zijn zin betrokken bij een plan om een lijk op te graven om losgeld te vragen. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat er andere motieven spelen dan winstbejag. Daarmee wordt dit verhaal ver uitgetild boven de sfeer van een gothic novel waarin je aanvankelijk verzeild lijkt te zijn.

    Val

    ‘Een schimmig zaakje’ noemt de verteller in de eerste zin het plan waarin Marcel, een vroegere vriend, hem betrekt. Marcel heeft ooit tienduizend gulden van hem geleend, maar dat bedrag nooit terugbetaald. Hij probeert zijn vroegere vriend over te halen tot het opgraven van een lijk met het doel om via een losgeldeis aan geld te komen. Het blijft lang vaag wat zijn motief is. Probeert Marcel hem te chanteren? Heeft hij een val bedacht waardoor de verteller strafrechtelijk dreigt op te draaien terwijl Marcel de buit opstrijkt? Voldoende ingrediënten voor een verhaal dat steeds spannender wordt, maar dat gaandeweg een minder criminele achtergrond blijkt te hebben dan de lezer denkt. Bijna elke benaderende beschrijving van het vervolg leidt in deze bespreking tot een spoiler. Laten we het daarom vaag houden.

    Trauma

    Niet toevallig is de verteller scenarioschrijver. Gedurende de hele roman bedenkt hij allerlei mogelijke ontwikkelingen, zowel voor de uitvoering van het plan als voor de mogelijke motieven, die de vaart er in Erfgenaam voortdurend in houden. Ze voeren de lezer terug naar eerdere gebeurtenissen in beider levens en dat van vroegere vrienden. Halverwege wordt duidelijk dat Marcel en de verteller een vergelijkbaar trauma delen, elk in hun eigen leven. Vooral de verteller wordt gedwongen zijn (gebrek aan) verwerking van dat trauma onder ogen te zien.

    Dan verandert het ‘schimmige zaakje’ in persoonlijke reflecties over wat vriendschap in wezen is en wat de waarde van een leven is. Is iemand die risico’s vermijdt een beter mens dan iemand die een reeks van mislukkingen, zoals faillissementen in ondernemingen, achter zich aansleept? Wie is een held? Wie een roekeloze?

    Dilemma’s

    Erfgenaam – de titel verwijst naar wat de werkelijke rol van de verteller aan het slot van de roman blijkt te zijn geworden – verandert steeds opnieuw van perspectief en laat de lezer daardoor ook reflecteren op zijn eigen omgang met het verleden.
    Het is een roman over rouw, omgang met de dood, slachtofferschap en morele dilemma’s (een thema dat in verschillende gedaantes voorkomt) zonder loodzwaar te worden. Er zit veel humor en ironie in. En er zijn mooie stiltemomenten, bijvoorbeeld in de spiegeling van een lijst van namen op een begraafplaats met die van allerlei groenten die de verteller na zijn loutering gaat telen. Hij was eerder nauwelijks geïnteresseerd in de natuur wat een vroegere vriendin het advies aan hem uitlokte: ‘Je moet wel kijken, anders zie je niets’. Nu vindt hij er rust en toewijding in. Hij ziet waaraan hij eerder is voorbijgegaan. `

    Erfgenaam is lichtvoetig, filosofisch en poëtisch.

     

  • Oogst week 20 – 2025

    Wonderkind

    In Wonderkind van Willemijn Tillmans keert Mia Compré ieder jaar terug naar Geldrop, het kleine Brabantse dorp waar haar vader uit haar leven verdween toen ze twaalf jaar oud was. Ze is op zoek naar antwoorden, niet alleen op de schuldvraag — lag het aan haar of aan hem? — maar ook op de vraag waar het is misgegaan. Wanneer nam haar jeugd een andere wending? Zijzelf zou zeggen dat het iets te maken had met de verhuiswagen van de nieuwe buren die kwam vast te zitten tussen de Volkswagen Jetta van de Comprés en een puincontainer. Haar moeder heeft weer een ander verhaal over de redenen waarom het gezin uit elkaar is gevallen en haar oma zag het al misgaan tijdens Mia’s geboorte.

    Willemijn Tillmans (1976) is acquirerend redacteur uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Ze studeerde af aan de schrijfopleiding van de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht en werkte o.a. als scenario- en promoschrijver voor verschillende televisiezenders. Wonderkind is haar debuutroman.

    Wonderkind
    Auteur: Willemijn Tillmans
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Alles over liefde

    Alles over liefde van bell hooks (in kleine letters) werd oorspronkelijk gepubliceerd in december 1999 (All About Love) en nu is er een vertaling. In het boek zet hooks een nieuwe ethiek uiteen voor onze samenleving, die zij liefdeloos noemt. Het gaat haar niet om romantiek, ruim aanwezig in onze gepolariseerde samenleving, maar om zorg, mededogen en gemeenschap. hooks vervlecht haar eigen ervaringen met liefde en het ontbreken ervan met een analyse van de lessen over liefde die onze huidige samenleving ons leert.

    Gloria Jean Watkins (1952-2021), beter bekend onder haar pennaam bell hooks, was een Amerikaanse auteur, denker, onderwijzer en maatschappijcriticus. Ze schreef tientallen boeken, vooral over de manieren waarop racisme, kapitalisme en seksisme samenhangen en elkaar versterken. Gedurende haar leven gaf ze les aan meerdere universiteiten en was ze bijzonder hoogleraar in residentie aan het Berea College. 

    Alles over liefde
    Auteur: bell hooks
    Uitgeverij: De Geus

    De Duchampcode

    In Ludo Mentens De Duchampcode denkt kunstschilder Louis Gabriëls hét grote geheim van de Frans-Amerikaanse Dadaïst Marcel Duchamp te hebben ontdekt. Hij is er zo enthousiast over dat hij verwacht dat iedereen het zal willen weten, maar dat valt tegen. Niemand wil zijn nieuwe hypothese geloven. Gabriëls is niet voor één gat te vangen. Hij bijt zich vast in zijn onderzoek naar Duchamp, wat leidt tot een nog minder geloofwaardige hypothese. Omdat een vreemde werkelijkheid soms alleen in fictie is te vangen, besluit hij dat er dan maar van te maken: een verhaal over Duchamps eerste geheime liefde, die uiteindelijk bekend wordt dankzij de Duchampcode.

    Ludo Menten (1965) is historicus en schrijft onder een pseudoniem. Hij werkt als zelfstandig tekstschrijver omdat hij tenminste vijf jaar onbekend wil blijven. Tijdens de coronacrisis vond hij op internet een onderzoek, genaamd 1-2-3-DUCHAMP! (2012), van de Belgische kunstenaar Gorik Lindemans dat een heel nieuwe blik wierp op Marcel Duchamps leven. Het vormde de basis voor Mentens roman De Duchampcode. 

    De Duchampcode
    Auteur: Ludo Menten
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer
  • Our guy

    Our guy

    Een vrouw van een jaar of zeventig loopt met grote passen op me af, pakt mijn hand en zegt dat ze zo blij is dat er in Grand Rapids eindelijk iemand aandacht besteedt aan ‘My guy Scholte’. Zij is oorspronkelijk afkomstig uit Pella (Iowa) en vindt het maar niks dat Scholte in Michigan niet meetelt. Hier is Albertus van Raalte de grote man, over wie bijna ieder jaar wel een boek verschijnt, terwijl haar Scholte, die toch minstens zo interessant is, er wordt doodgezwegen. Vindt zij.

    Ik ben op het Theologisch Seminarium van de Calvin University om samen met de in Pella wonende Bruce Boertje een lezing te geven naar aanleiding van de verschijning van de Engelse vertaling van mijn beide historische romans over Hendrik Peter Scholte. Tot mijn grote verbazing zijn er meer dan 100 mensen op de lezing afgekomen en, zo vertelt organisatrice Sonja de Jong vol trots: ‘Online luisteren en kijken ook nog 150 mensen mee.’

    Zelden werd ik enthousiaster ontvangen bij een lezing. Zelden ook waren de geluidsinstallatie en het projectiescherm zo professioneel als hier. Vier jonge mensen waren continu in de weer om de zaken te regelen. Het leeft hier allemaal nog, al zijn de bezoekers – alumni van Calvin University – wel allemaal boven de zestig. Tijdens mijn lezing wordt er veel gelachen. Terwijl ik toch echt niet leuk wil zijn. Volgens vertaalster Carol Hoeksema lachen ze ook omdat ze mijn accent zo grappig vinden. Ik knauw niet als een Amerikaan en mijn uitspraak houdt het midden tussen een betere versie van Rutte en die van mijn middelbare schooldocent Jan Bertens.

    Uit de vragen die mij gesteld worden blijkt dat sommigen heel goed op de hoogte zijn en een docent Engels heeft mijn boek zelfs in drie dagen uitgelezen. Hij wil graag weten of Scholte zelf niet beter is geworden van de landverkoop in de kolonie Pella. Ik kan hem verzekeren dat Scholte een ‘fair price’ heeft gerekend en dat niet ik dat heb onderzocht maar de in Grand Rapids hooggewaardeerde professor Robert Swierenga. Dat maakt me meteen geloofwaardig. 

    Een dag later spreek ik in het Museum van Holland, de stad die door dominee van Raalte in oktober 1846 werd gesticht. De kleine zaal is vol ook al moeten de bezoekers entree betalen. Voorafgaand aan de lezing ontbijten we bij restaurant De Boer, die ook als bakker van traditionele producten als speculaas en krentenbrood zijn broek ophoudt. Voorvader De Boer was afkomstig uit Kollum. De huidige eigenaar De Boer komt, als we aan de maaltijd zitten, naar ons toe om de mensen uit zijn vaderland te begroeten. Hij spreekt zelf geen enkel woord Nederlands meer, maar trakteert ons wel spontaan op ‘Sinterklaas Kapoentje’ dat hij met volle bariton zingt. Dit feest wordt hier nog altijd gevierd.

    Als bakker van traditionele Nederlandse producten heb je er natuurlijk belang bij dat dit feest gevierd blijft. Ik heb hem maar niet verteld dat Scholte wilde dat de landverhuizers zo snel mogelijk Amerikanen werden. Maar de meeste volgelingen, hier in Holland, maar ook in Scholte’s Pella hielden tradities vast. Zo wordt er in beide steden een Tulip Festival gehouden, waar klompen en klederdracht tevoorschijn worden getoverd. Het is een meerdaags feest waarvoor heel de gemeenschap als vrijwilligers tienduizenden bezoekers vermaken. Het is een feest voor iedereen en zeer in het bijzonder voor de plaatselijke middenstand. Volgende week gaan we dit feest meevieren in Pella, waar ik nog een lezing zal geven.

    Na afloop van de lezingen komen mensen enthousiast op me af. Of ik met hen op de foto wil en of ik het door hen gekochte boek wil signeren. Even, heel even heb ik het gevoel dat ik een beroemde schrijver ben. Maar het draait hier niet om mij, maar om dominee Scholte: ‘He’s our guy, you know.’

     

    `

     


    Michiel van Diggelen, reist vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Voor Literair Nederland doet hij hiervan verslag.

     

  • Poëzie-oogst week 41 – 2024

    Gezwommen worden

    De debuutbundel van Anke Senden gaat over water, zee, meeuwen en westenwind en over de manier waarop je daarnaar kunt kijken. Senden doet dat vanuit het perspectief van wat bekeken wordt. Hiermee zorgt ze voor een andere invalshoek voor de lezer. 

    ‘ik heb nog voor meeuw gestudeerd
     toen ik dacht de standvastigheid
     te kunnen volhouden als een rots
     die dient om de zee te breken
     –
     het water brak geen enkele meeuw,
     behalve mij, ik ben niet onderlegd
     in breedgevleugeld op alles neerkijken,
     ik kan niet hoog in de wind hangen
     terwijl onder mij in de vloed het strand
     het leven laat, ik beheer hoogstens
     het bloedrode krijsen dat iets
     over vliegen verraadt’

    De titel Gezwommen worden, geeft in deze passieve vorm aan dat het water de zwemmer draagt, zoals ook de omslagillustratie laat zien. Deze gedichten gaan dan over ervaringen, iets wat je gegeven wordt, wat je mag ondergaan. Zoals het water dat altijd verder stroomt, zo laat de dichter haar gedachten gaan in associaties over alles wat met de zee te maken heeft. Zoals de zee de zwemmer draagt, zo draagt haar taal de lezer.
    Anke Senden publiceerde eerder in Het Liegend Konijn en presenteert haar poëzie samen met muzikanten tijdens kleinschalige programma’s. 



    Gezwommen worden
    Auteur: Anke Senden
    Uitgeverij: Poëzie Centrum

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten

    Dit voorjaar verscheen een tweetalige uitgave van de verzamelde gedichten van W.H. Auden, samengesteld en vertaald door Han van der Vegt. In dit vuistdikke boek zijn niet alle gedichten van Auden vrzameld, maar een groot gedeelte ervan. Auden (1907-1973) is een van de bekendste Engelstalige dichters, die in zijn poëzie persoonlijke zaken met politiek wist te verenigen. Door de film Four Weddings and a Funeral uit 1994 werd een versregel uit zijn gedicht ‘Funeral Blues’ wereldberoemd: ‘Stop all the clocks, cut off the telephone,/ Prevent the dog from barking with a juicy bone’. Willem Wilmink zorgde al eerder voor een vertaling van de bloemlezing Tell Me the Truth About Love in Vertel me de waarheid over de liefde. Ook Marko Fondse, Peter Verstegen en W. Hoogendoorn vertaalden enkele gedichten van Auden in tijdschrift De Tweede Ronde

    Deze nieuwe vertaling ontbeert af en toe het ritme en de klank van Auden. Zo maakte Van de Vegt van de beroemde versregel ‘We must love one another or die’ uit het gedicht ‘1 september 1939’: ‘waar geen liefde heerst, rest dood.’ Maar de vertaaltechnische hoogstandjes liggen in het vinden van variaties op Audens soms archaische en vaak allitererende taalgebruik, dat een uitdaging vormt voor iedereen die zich aan een vertaling ervan waagt.

     

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het boek der beelden

    Rainer Maria Rilke (1875-1926) was een van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. De bundel Das Buch der Bilder is ontstaan in de jaren van 1898 tot 1906. Een periode die gekenmerkt wordt door een belangrijke scheidslijn in Rilkes ontwikkeling als dichter en die een doorbraak naar een nieuwe manier van dichten betekende: van impressionisme naar modernisme, van lyricus naar observator.
    Er staan een groot aantal van Rilkes mooiste en bekendste gedichten in deze uitgave: ‘Herbsttag’, ‘Pont du Carrousel’ en ‘Schluszstück’, evenals de cyclus ‘Die Stimmen’, waarin Rilke geen waarde oordeel toekent aan de mensen die hij beschrijft, maar hen enkel optekent zoals hij hen ziet. De bundel is niet eerder integraal in het Nederlands vertaald. Gerard Kessels heeft dat op zich genomen, met als resultaat deze mooie, tweetalige uitgave. Hij vertaalde eerder van Rilke
    Het getijdenboek (Das Stunden-Buch) en Nieuwe gedichten & Nieuwe gedichten het andere deel (Neue Gedichte & Der neuen Gedichte anderer Teil).

    ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.  
     Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
     wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben.’

    wordt in de vertaling van Kessels:

    ‘Wie nu geen huis heeft, bouwt er heus geen meer.
     Wie nu alleen is, zal het langtijds blijven,
     zal waken, lezen, lange brieven schrijven.’

     

     

    (Uit: ‘Herbsttag’)



    Het boek der beelden
    Auteur: Rainer Maria Rilke
    Uitgeverij: IJzer
  • Plaatsbepaling van verdriet

    Plaatsbepaling van verdriet

    Sinds de avond van de verkiezingsuitslagen gonst het in mijn hoofd. Hoe het kan dat een man die in de twintig jaar dat hij zijn extreem rechtse politieke ideeën te pas en te onpas uitkraamde, premier van Nederland wordt. De man die er altijd op uit was de poten onder andermans/-vrouws stoel uit te zagen, zou milder zijn geworden. Iedereen lijkt vergeten hoe hij gewoon is de ander te kwetsen. In mijn hoofd klonk het doorlopend: ‘Oh, no, Not me’. Uit The Man who Sold the World van David Bowie, gezongen door Lulu. Dat kwam door de kleine roman Tenminste voor een bepaalde tijd, die ik in de week voorafgaand aan de verkiezingen las. De vertelling bracht iets teweeg in mijn hoofd. Ik dacht aan de jongen die op zaterdag in een boekhandel werkt. Waar hij schrijvers als Knut Hamsun, Christopher Isherwood, Dostojevski ontdekt. De jongen die op latere leeftijd terugkijkt op een periode in zijn leven die hem gevormd heeft, daar een boek over schrijft dat speelt in het jaar 1974, als hij vijftien wordt. 

    In dat jaar vraagt zijn vriend Nico hem mee naar zijn opa en oma in Klarenbeek. Ze lopen er op een zondagmiddag vanuit Zutphen naartoe. Ik denk aan die wandeling van tweeëneenhalf uur. Ze gaan Frida bezoeken, de zeventienjarige zus van Nico, bij haar grootouders ondergebracht omdat ze zwanger is, vader onbekend. De baby zal vernoemd worden naar de zangeres van The man who sold the world, waar Frida een plaat van had. Op zeker moment gaat de jongen de songtekst analyseren, op zoek naar een aanwijzing, naar de vader van het kind.

    Tussen de gebeurtenissen door, het lijden aan een onuitgesproken verdriet, de verstilling in het gezin van de jongen, is er een plek in de stad die ‘de plaatsbepaling van verdriet’ genoemd wordt. Het is de afstand tussen de plaatsen waar hij zich in dat jaar ophield. ‘De afstand tussen de boekhandel (…), waar ik mijn zaterdagen doorbracht, en Hotel Spaan, waar ik mijn zondagen sleet, was nog geen tweehonderd meter. Precies halverwege stond mijn school en was het fatale kruispunt van het ongeluk. Nog steeds, ook na al die jaren die er sindsdien zijn verstreken, kan ik dit punt niet passeren zonder aan mijn zus te denken.’ Dit beschrijft de verteller als hij na bijna vijftig jaar weer in het stadje rondloopt, waar zijn zus op veertienjarige leeftijd onder de achterwielen van een vrachtwagen vermorzelt werd.

    De impact van de overleden zus zit in de herinnering aan een magere jonge man in het stadspark met een hondje twee jaar na het ongeluk. Daarin herkende de jongen de agent die na het ongeluk de schooltas van zijn zus, ‘die door de klap was weggeslingerd’, kwam brengen. Die ‘klap’ en dat ‘wegslingeren’ hakken erin.

    In de boekhandel noteert de jongen uit een boek van de vrijwel onbekende schrijver Jean de Tinan een regel die deels de titel van het boek is geworden. ‘Alles is onsterfelijk – tenminste voor een bepaalde tijd.’ Een boek vol ideeën en vragen over vrijheid, en de jongen vraagt zich later af: ‘Was ik vrij of gevangen? Was de bewondering die ik, (…) voor Frida voelde, niet juist gebaseerd op het besef dat zíj vrij was en ikzelf niet?’ 

    Dan is er een wending in het verhaal die je niet zag aankomen. Want, is de verteller de vader van het kind van de tienermoeder? Het loopt af met een sisser, maar hee, als je dan opnieuw de openingsscène van het boek leest, bekruipt je het gevoel dat het een vooropgezet plan van Nico en zijn ouders is geweest om de verteller te betrekken in het familiegeheim van de zwangere zus. Maar dan verdwijnt de familie van Frida en Nico. Had ik het al gehad over andere verdwijningen die een rol spelen in het boek? Over een man die boeken, verhalen verzameld over verdwenen mensen. Het is een werkelijk knap geconstrueerde roman met verschillende mysteries die niet allemaal ontrafeld worden. Het leven is geen kloppend geheel, dat is mooi. Het heeft er alle schijn van dat – zoals Carmiggelt een meester was in het observeren van de kleine handelingen – Hans Heesen een meester is in het beschrijven van het achterwaarts beleven van gebeurtenissen uit het leven van een vroegere zelf. Het zou zomaar kunnen dat zijn volgende roman over de botte vader uit Tenminste voor een bepaalde tijd zal gaan.

     

     

    Tenminste voor een bepaalde tijd / Hans Heesen / 126 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft lezend.

  • Buiten zijn beroemde hoofdwerk is dit de enige fictie die tijdens zijn leven verscheen

    Buiten zijn beroemde hoofdwerk is dit de enige fictie die tijdens zijn leven verscheen

    Marcel Prousts debuut Les plaisirs et les jours verscheen in 1896, toen hij net vijfentwintig was. Pas tien jaar later begon hij  aan zijn romancyclus Op zoek naar de verloren Tijd. Te laat om die te voltooien voor hij op 18 november 1922 zijn laatste adem uitblies. Ter ere van Prousts honderdjarige sterfdag gaf uitgeverij IJzer Prousts eerste publicatie, vertaald als Lusten en dagen (2022) in een integrale vertaling uit. Behalve zijn beroemde hoofdwerk is dit debuut zijn enige fictie die tijdens zijn leven het licht zag. Niets wees er bij verschijning op dat de auteur ooit gelabeld zou worden als een der grootsten van de twintigste eeuw. De verkoopcijfers van het in luxe uitgave verschenen boek nog het minst, want die waren bedroevend. Toen Proust eind 1919 de Prix de Goncourt kreeg voor In de schaduw van de bloeiende meisjes, het tweede deel van zijn romancyclus, keerde het tij en was hij op slag beroemd.

    Niet alleen de oorspronkelijke illustraties van Madeleine Lemaire en de partituren van de cyclus Les portraits de peintres voor piano van Reynaldo Hahn zijn in deze Nederlandse uitgave opgenomen, als bonus biedt deze uitgave ook een cd met een opname van vier door Lineke Lever uitgevoerde pianoverklankingen van Prousts gedichten over de schilders Albert Cuyp, Paulus Potter, Antoine Watteau en Antoon van Dyck. Met de toen nog achttienjarige componist Reynaldo Hahn had Proust een liefdesverhouding. 

    Veelzijdig debuut

    Ook staan er vier gedichten over de componisten Chopin, Gluck, Mozart en Schumann in. Evoceert Proust in de schildersportretten hun schilderijen, in die over de componisten gebruikt hij metrum als eerbetoon aan de muziek, terwijl woorden de stemming vastleggen. Met recht typeert men dit debuut met zijn korte verhalen, schetsen, poëzie, handgeschilderde illustraties en partituren als ‘hybride’. De jonge Proust schreef ze in een tijd dat hij zich als rechtenstudent verveelde en in plaats van zich te herpakken voor examens, liever de Parijse salons frequenteerde. Tussen de artiesten en grandes dames observeerde hij het soort publiek dat hij tien jaar later zou portretteren in zijn hoofdwerk. Sommige van deze verhalen waarin hij de lezer rondleidt door de high-society kringen van het fin-de-siècle, wist hij in kleinere tijdschriften gepubliceerd te krijgen. In deze werkjes van de korte baan zien we Proust bezig met het aanscherpen, het verfijnen van zijn gevoeligheden, en het spelen met stijl en inhoud.

    Toch liet hij zijn verzamelde indrukken nog geruime tijd gisten, gezien de jaren die er tussen zijn debuut en hoofdwerk zaten. Een aanzet tot een roman bleef liggen, waarna hij zich toelegde op essayistische stukken. In die tijd las hij schrijvers als Thomas Carlyle, Ralph Waldo Emerson en John Ruskin. Laatstgenoemde, van wie hij ook werk in het Frans vertaalde, scherpte en verfijnde zijn theorieën over kunst en de rol van de kunstenaar in de samenleving. Dit debuut is zijn enige fictiewerk dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd en hoewel hij het aanvankelijk als onrijp afdeed, begon hij het naderhand enigszins te waarderen.

    Snobisme van Parijse samenleving

    Niettemin bleef dit debuut ook nadat Proust tot de onsterfelijke schrijvers was gaan behoren, in de schaduw van zijn bloeiende reputatie staan. André Gide was de eerste die wees op de vele parallellen tussen dit eerste boek en zijn grote meesterwerk. De hoofdmotieven daarin liggen al uitgezaaid in Lusten en dagen. Zoals de onbestendige subjectiviteit van liefde, dood en ziekte, de gehechtheid aan de moeder, het snobisme van de Parijse samenleving en het verband tussen temporele en mentale verandering. Een zeer aanzienlijk hoofdingrediënt, de onwillekeurige herinnering en de daardoor opgelegde structuur aan het schrijven, komt in deze eersteling echter nog niet aan bod. 

    Opvallend is zijn pessimistische begrip van liefde en de onvolmaakte benadering van het verlangen naar het ideaal. ‘De ongelukkige liefde maakt het ons niet alleen onmogelijk het geluk te ervaren, zij verhindert ons ook nog de leegte ervan te ontdekken.’ De verhalen analyseren en reflecteren het komen en gaan van liefdes, illusies en dromen, evenals onze herinneringen eraan. Er is een vermakelijke hommage aan Flaubert in de vorm van een verhaal met dezelfde hoofdpersonages uit diens satirische boek Bouvard en Pécuchet. Proust houdt in het stuk Mondaine aspiraties en passie voor muziek bij Bouvard en Pécuchet vast aan de geest en vorm van Flaubert en plaatst het duo in zijn eigen tijd.  

    Stillistische overdaad

    Lusten en Dagen kent een stilistische overdaad die kan vermoeien. Het meest verrassende treft men in de afdeling Weemoedig omzien -Tijdgekleurde verzinsels (Les regrets – rêveries couleur du temps). Dit bouquet van dertig dromerige prozateksten, meer beeldend dan vertellend en zwaar sensitief getoonzet, staat tussen ‘echte’ prozagedichten en verhaaltjes in. Sfeerbeelden, hooguit door een summiere verhaallijn bijeengehouden. Geen zelfstandig naamwoord lijkt veilig voor aanhechting van een of meerdere adjectieven, maar de grammaticale structuur van inversie, die vertragend werkt en zodoende de tijd geeft het meegedeelde op kracht te laten komen, maakt veel goed. 

    De laatste passage uit de rêverie Tuilerieën roept een beladen sfeer á la Carel Willink op. ‘Maar de lucht is betrokken, het gaat regenen. De vijvers, waarin geen azuur meer blinkt, lijken wezenloze ogen of vazen vol tranen.’ De jonge Proust wist goed welk reflecterend en herkauwend leven voor hem was weggelegd, getuige het slot van ‘Relikwieën’. ’Haar meest wezenlijke schoonheid was misschien in mijn verlangen. Zij heeft haar leven geleefd, maar ik heb het, als enige misschien, gedroomd.’ Rêverie XXII Werkelijke aanwezigheid verhaalt over een vakantie van twee romantische jongemannen in het Zwitserse Engadin, nabij de Italiaanse grens. Op de grens van Duitse en Italiaanse namen, blijkt de volmaakte harmonie tussen platonische en fysieke liefde eens te meer iets wat slechts puur in nimmer beleefde herinneringen kan worden ervaren. Want tussen harde werkelijkheid van de Zwitserse bergen en de verte met zijn Italiaanse valleien, wordt het gemis des te heviger gevoeld. Fysiek blijft de ander immers ‘in het kleed van mijn gemis, in de werkelijkheid van mijn verlangen.’ 

    Gedroomde herinneringen

    Het blijft bij dromen en mijmeringen van liefde met parallellen in een fysieke wereld. Gedroomde herinneringen bevatten meer waarheid dan echte herinneringen. Dat romantische procédé werkte de latere Proust om in de stelling dat de essentie van het werkelijke leven slechts in herinnering kan worden gevat; het heden als een soort ontwaken uit de droom van het verleden, waarin de tijd kan worden opgeheven door het opnieuw ervaren van eens geleefde ogenblikken. 

    In zijn debuut zette Proust al in op de metafoor en verbeelding van de werkelijkheid, maar minder samenhangend, nog niet als spil van zijn schrijfstijl. Het zijn nog dagtripjes in vergelijking tot de wereldreis van Á la Recherche du temps perdu. Lusten en Dagen toont het belang van muziek en schilderkunst voor Proust, maar nog zonder die verheven taak om een equivalent van de allerhoogste belevingen te scheppen. Er worden veel indrukken geabsorbeerd, zonder dat er een structurerend en sturend principe tegenover staat dat er betekenis aan geeft. Wie in Proust geïnteresseerd is, zal dit fraai uitgegeven debuut zeker bekoren. Al is het maar om te zien hoe Proust dacht en schreef toen hij nog niet zo geniaal was om zijn Recherche du temps te schrijven. 



  • Oogst week 40 – 2023

    De nachtzijde van de rivier

    De Britse schrijfster Jeanette Winterson (1959) publiceerde in 1985 Oranges are not the only fruit, een autobiografische roman over een lesbisch meisje dat opgroeit in een streng christelijk milieu. Ze verwierf er internationale bekendheid mee en van het boek werd ook een tv-serie gemaakt. Winterson studeerde Engels en begon aan een schrijverscarrière met verhalen, kinderboeken en essays. Ideeën uit de natuurwetenschap, tijd en ruimte, metafysica, fictie versus werkelijkheid en genderidentiteit zijn de kwesties waarover zij zich buigt. Haar eerste jeugdroman De tijdhoeder (2005) is een science-fictionverhaal en de roman Frankusstein, om er maar een te noemen, handelt onder meer over kunstmatige intelligentie en robotica.

    De nachtzijde van de rivier bestaat uit huiveringwekkende korte verhalen over verleiding, angst en wraak, liefde en verdriet. Van de geesten en de doden wel te verstaan en tegen de achtergrond van onze digitale wereld. We staan voortdurend met elkaar in contact. We weten alles over anderen en over de ontwikkelingen in de wereld. Wat we niet kennen is de wereld van de geesten, de verhalen van de doden. Winterson op haar website: ‘Ik geloofde nooit in geesten, totdat ik met ze samen begon te leven.’ Wintersons geesten hebben nieuwe manieren gevonden om ons te bereiken, verstoren met technologie de grens tussen leven en dood en regelen ontmoetingen met het bovennatuurlijke.

    De nachtzijde van de rivier
    Auteur: Jeanette Winterson
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Tenminste voor een bepaalde tijd

    Met het schrijven van Tenminste voor een bepaalde tijd komt de ik-verteller een onuitgesproken belofte aan Frida na. Het is 1974. Frida is de tiener die zwanger is en, zo komt de ik te weten van haar broer Nico met wie hij vriendschap heeft aangeknoopt, daarom door haar ouders van school wordt gehouden. De vijftienjarige ik is hopeloos verliefd op haar. ‘Want door Frida trad het leven – en zeker ook mijn leven – voor even uit zijn verstikkende begrenzing.’

    Hij is in de ban van zijn verliefdheid, maar ook van het verdriet om zijn zus die door een verkeersongeluk om het leven is gekomen. Al die heftige gevoelens kwellen hem voortdurend. Om daaraan en aan de droevige sfeer thuis te ontsnappen zoekt hij een baantje. De boekwinkel waarin hij gaat werken wordt zijn houvast, evenals het voor een klant bijhouden van een archief van mysterieuze verdwijningen. In het boek is het overlijden van de zus van de auteur een autobiografisch gegeven.

    Het verhaal speelt zich af in Zutphen, waar ook Heesens debuutroman Een naderend begin van iets nieuws (2021) – met dezelfde ik-verteller maar dan een paar jaar ouder – en de verhalenbundel Naar Zutphen (2019) zijn gesitueerd.

    Tenminste voor een bepaalde tijd
    Auteur: Hans Heesen
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer 2023

    Over de berekening van ruimte I

    De Deense schrijfster Solvej Balle (1962) studeerde literatuur en filosofie. In 1984 verscheen haar eerste boek, de novelle Lyrefugl. Vele verhalen en gedichten verder brak ze in 1993 door met de roman Ifjølge Loven en er volgde internationaal erkenning. Voor haar fictie laat Balle zich inspireren door Kafka en Borges, liefde en existentiële eenzaamheid zijn haar thema’s.
    Voor de delen een t/m drie van Over de berekening van ruimte – een titel die in totaal zeven romans zal beslaan – ontving ze in 2022 de Literatuurprijs van de Noordse Raad.

    In deel 1 botsen twee tijdsbelevingen. Thomas, samen met zijn vrouw Tara handelend in 18e eeuwse boeken, wordt elke ochtend wakker op 18 november. Zijn geheugen is gewist, zijn geestelijke gevangenschap doet denken aan dementie. Voor Tara loopt de tijd gewoon door en iedere dag vertelt zij hem wat er is gebeurd. Alles wat Tara ziet en hoort schrijft ze op. In het begin van de roman is het voor de 121e keer 18 november. Tara wordt elke dag ouder en voor haar is het haast een obsessie om te proberen bij 19 november te komen, in een wereld waar de tijd normaal verstrijkt. Maar wat is normaal? Op het mysterie tijd hebben natuurkundigen, filosofen en geriaters nog altijd geen antwoord. Solvej Balle houdt de lezer vast met de vraag wat er in Thomas’ en Tara’s wereld aan de hand is.

     

    Over de berekening van ruimte I
    Auteur: Solvej Balle
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • De kracht van de traditie

    De kracht van de traditie

    De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella is het vervolg op een eerder in 2018 verschenen boek van Michiel van Diggelen getiteld De exodus van Hendrik Peter Scholte. Van Diggelen is duidelijk gegrepen door de figuur van dominee Hendrik Peter Scholte. Hij heeft een diepgaande studie van hem gemaakt op basis van jarenlang onderzoek. Van Diggelen heeft er niet voor gekozen zich te beperken tot een zakelijke biografie. Hij heeft geprobeerd Scholte te portretteren als een man van vlees en bloed en zich de vrijheid gepermitteerd invulling te geven aan gevoelens en gedachten van Scholte en zijn vrouw, die hij niet aanwijsbaar in de bronnen heeft kunnen terugvinden, maar die hij wel meent te kunnen afleiden uit de bronnen. Het gevolg is dat Van Diggelen in zijn roman een menselijk monument voor Hendrik Peter Scholte heeft opgericht, zodanig dat diens nabestaanden hem daarmee hebben gecomplimenteerd. Zij leefden in de waan dat Scholte een wat kille, stijle figuur is geweest. Hoewel ook Van Diggelen Scholte tekent als een zeer principiële, weinig plooibare man, ziet hij ook de oprecht warme, zelfs romantische kant van de man.

    Mozes

    Gaat Van Diggelen in zijn eerste boek vooral in op Hendrik Peter Scholte als een van de leidende figuren in de Afscheiding van de Nederlands Hervormde Kerk in 1834, in De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella gaat hij in op de rol van Scholte als leider van de landverhuizers naar Amerika. Na het overlijden van zijn vrouw in 1844 is Scholte hertrouwd. Hij besluit in 1847 een nieuwe start te maken door met zijn gezin te emigreren naar Amerika waar hij, bevrijd van de knellende banden van kerk en staat in Nederland, een nieuwe geloofsgemeenschap hoopt te stichten volgens zijn eigen denkbeelden. Hij weet zijn jonge echtgenote over te halen mee te gaan door haar een groot huis te beloven en de vrijheid om met vriendinnen te musiceren. Ook mag haar zus en hartsvriendin mee. Van Diggelen schetst haar als een weerbare, creatieve vrouw met een eigen mening, maar wel opgegroeid in het besef van gehoorzaamheid aan haar man. Scholte voelt zich geroepen als een ware Mozes zijn ongeveer 800 volgelingen de Atlantische Oceaan over te leiden. Eenmaal aangekomen in het Beloofde Land vestigen zij zich in de net nieuw gevormde, voormalige Indianenstaat Iowa. Daar stichten zij een Christelijke kolonie. Scholte geeft het de naam Pella, naar het toevluchtsoord van de door de Romeinen in het jaar 70 n.C. uit Jeruzalem verdreven Joden.

    Bevlogen, principieel en open-minded

    Zijn vrouw en kinderen functioneren als contrapunten in de roman. Zijn vrouw als het gaat om kwesties die hun persoonlijk leven betreffen. Zijn kinderen als het gaat om algemene vraagstukken die in die tijd spelen in Amerika. De kolonisten gingen zich immers vestigen in een gebied dat tot voor kort nog van de Indianen was. Bovendien moesten de blanke inwoners van Iowa nog kiezen of zij slavernij wilden toestaan in hun pas gevormde staat of niet. Iowa bevindt zich in de frontlinie van de discussie die een paar jaar later zal leiden tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Interessant is te zien dat de Democratische Partij, in tegenstelling tot tegenwoordig, als conservatief te boek stond en de belangen behartigde van de Zuidelijke slavenhouders, terwijl de Republikeinse Partij progressief was en de belangen behartigde van de Noordelijke industriëlen en zich juist scherp keerde tegen de slavernij. Aanvankelijk kiest Scholte voor de Democraten, hoewel hij eigenlijk de slavernij principieel afkeurt.

    Uiteindelijk schaart hij zich toch achter Lincoln en de Republikeinen. Zoals hijzelf in 1830 ten strijde is getrokken tegen de Belgische scheurmakers tijdens de opstand tegen koning Willem I, zo roept hij nu de jongemannen van Pella op zich te melden voor de strijd tegen de Zuidelijke scheurmakers. De opstand is immers gericht tegen het door God gestelde gezag van de Unie. Scholte is politiek actief en betoont zich geen gevangene van het verleden zoals veel van zijn volgelingen en in zekere zin ook zijn vrouw. Hij heeft gekozen voor Amerika en gaat daarvoor. Hij zoekt toenadering tot andere emigranten, past zich aan aan de Amerikaanse gewoonten en gebruiken en stimuleert het aanleren van de Engelse taal. Als een echte pionier ziet hij kansen en gebruikt die ook. Zo richt hij een krant op en opent hij een eigen bank voor de gemeenschap.

    Een ontroerend moment voor hem persoonlijk en voor de hele gemeenschap is het afleggen van de eed op de Amerikaanse grondwet waardoor de pioniers echt Amerikaanse staatsburgers zijn geworden. Toch heeft Scholte het niet altijd gemakkelijk. Zijn volgelingen blijken, net als Scholte zelf trouwens, karaktervolle mensen, eigenzinnig en soms ronduit wantrouwig. Dat zit natuurlijk in de aard van hun beweegredenen om te breken met de hervormde kerk en daarvoor zelfs te emigreren. Ook Scholte zelf wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen zijn gevoel een geroepene door de Heer te zijn en zijn overtuiging dat zijn leiderschap gebaseerd moet zijn op de eigen verantwoordelijkheid van de leden van de gemeente. Zo komt Scholte ook in Pella, net als in Nederland, in botsing met de kerkenraad. Zijn denkbeelden stroken niet altijd met de opvattingen van de landverhuizers, zeker niet als hun eigenbelang op het spel staat.

    Liefdevol

    Van Diggelen heeft een mooi, liefdevol boek geschreven. Hij steekt zijn bewondering en sympathie voor Hendrik Peter Scholte niet onder stoelen of banken, zonder overigens in een vorm van hagiografie te vervallen. Het is veeleer gebaseerd op de kracht van de traditie waarin ook Michiel van Diggelen geworteld is. Door zijn portret van Scholte geeft hij niet alleen kleur aan de protestantse pioniersgemeenschap van Iowa, maar ook aan het pioniersbestaan in een van de meest cruciale perioden in de wordingsgeschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika.

     

  • Oogst week 49 – 2022

    Veen, dras, moeras

    Voorin in het boek Veen, dras, moeras heeft Annie Proulx de volgende opdracht opgenomen:

    ‘Dit bescheiden boek is opgedragen aan de inwoners van Ecuador, die ervoor zorgden dat hun land als eerste ter wereld rechten voor natuurlijke ecosystemen in de grond- wet heeft opgenomen. De recente rechterlijke uitspraak dat Los Cedros, het nevelwoud in de Andes, tegen de mijnbouwbedrijven moet worden beschermd, betekent een mijlpaal voor de wereld.’

    De urgentie van dit boek (oorspronkelijke titel Fen, Bog & Swamp) blijkt mogelijk uit het snelle verschijnen van de Nederlandse vertaling; beiden titels verschenen in 2022.
    In Veen, dras, moeras documenteert Proulx de lang onbegrepen rol van de belangrijkste veengebieden bij het redden van de planeet. Veen, drassen, moerassen en mariene estuaria zijn blijkbaar de meest wenselijke en betrouwbare hulpbronnen van de aarde. Proulx beschrijft de geschiedenis en toont de vennen van het 16e-eeuwse Engeland tot de laaglanden van de Hudsonbaai in Canada, het Russische Great Vasyugan Mire, het Amerikaanse Okeefenokee National Wildlife Refuge en de 19e-eeuwse ontdekkingsreizigers die begonnen met de vernietiging van het Amazoneregenwoud.
    The Guardian noemde Veen, dras, moeras ‘Een krachtige aanklacht in prachtig proza tegen onze medeplichtigheid aan de vernietiging van het milieu.’

    De inmiddels 87-jarige Annie Proulx werd bij het grote publiek vooral bekend door (de verfilmingen van) Scheepsberichten en Brokeback Mountain.

    Veen, dras, moeras
    Auteur: Annie Proulx
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2022)

    Uitwissing

    Uit het postuum gevonden manuscript van Thomas Bernard (1931-1989) van zijn eerste, grotendeels autobiografische roman komt een pessimistische, eenzame verbitterde auteur naar voren. Bernard hield tijdens zijn leven de publicatie van dit boek zelf tegen.
    Zijn latere werk getuigt ook van somberte, afkeer van de medemens en van zijn walging voor zijn Oostenrijkse vaderland. Hij werd er tegen wil en dank een succesvoll auteur, hoewel hij kort voor zijn dood nog enorme ophef veroorzaakte. In een toneelstuk beweerde hij o.a. dat Oostenrijk sinds de Tweede Wereldoorlog nog niet veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. 

    In Uitwissing, zijn laatste grote prozawerk, staat de vraag centraal of een mens in staat is zich te ontdoen van datgene waar hij zich door zijn afkomst mee belast weet. Deze roman verscheen in 1986, onder de titel Auslöschung. Ein Zerfall, drie jaar voor zijn dood.
    De hoofdpersoon uit Uitwissing worstelt met een ‘Herkunftskomplex’ en wil kost wat kost afstand doen van en afrekenen met zijn achtergrond. In Uitwissing zegt hij:
    ‘Het enige dat ik al definitief in mijn hoofd heb, […] is de titel Uitwissing, want mijn verslag is er alleen maar voor bedoeld om wat erin beschreven wordt uit te wissen, alles uit te wissen wat ik onder Wolfsegg versta, en alles wat Wolfsegg is, alles, […] inderdaad werkelijk alles.’

    Wolfsegg was het landgoed van de schatrijke familie van de hoofdpersoon in Opper-Oostenrijk.

    Uitwissing
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer (2022)

    Bob

    Vorige maand is bij uitgeverij Querido de vertaling verschenen van Bob en ik van de succesvolle Deense schrijfster Helle Helle (1965).
    In alle stukken die over Helle verschijnen staat iets over de manier waarop zij het gewone van alledag behandelt en beschrijft.
    Ook hier op Literair Nederland. In 2015 bijvoorbeeld in een recensie over Als je wilt schrijft Huub Bartman: ‘Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama.’

    In Bob en ik komen we alleen te weten over Bob, over de ik krijgt de lezer niet anders te horen dan via Bob. Het stel is net verhuisd, Bob wil wel studeren maar weet niet wat. Wat hij wel weet is dat hij samen wil blijven met de ik en mogelijk ooit ook een gezin met haar wil stichten.

    In 2012 verscheen hier op Literair Nederland ook een recensie over haar boek Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden, waarvoor ze de De Gyldne Laurbær ontving. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door de Vereniging van Deense Boekhandelaren.

    Bob
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2022)
  • Oogst week 48 – 2022

    Wulk – Vallen – Opstaan

    Myrte Leffring (1973) is dichter, hoofdredacteur van poëzietijdschrift Awater en geeft schrijfcursussen poëzie. Van haar hand verschenen gedichten in diverse tijdschriften en zij treedt op festivals en andere podia op met het lezen van haar werk, al of niet begeleid door een pianist. In 2015 verscheen haar debuutbundel Om je schouders hang ik de nachten, en in 2016 haar tweede bundel, De tere bloemen van het verstand.  

    Uitgeverij De Meent heeft nu een tweeluik van Leffring het licht doen zien, waarvan het ene boek, Vallen, een roman is en het andere, Opstaan, een poëziebundel. Ze vertellen hetzelfde verhaal. De twee paperbacks zijn samengevoegd in een kartonnen stofomslag. De roman is Leffrings prozadebuut.

    De onbewogen advocaat Lea Noorderveen krijgt een bericht van haar jongere zus Kim met wie ze al jarenlang geen contact meer heeft. Twintig jaar eerder verdween hun moeder tijdens een zomervakantie in Normandië. Lea heeft een drukke baan met een mooi kantoor en een ruim appartement en heeft de herinneringen en gevoelens over het gebeuren in Normandië effectief weten te verdringen. Door het hernieuwde contact met Kim wordt duidelijk waarom de zussen elkaar zo lang niet hebben gezien en welke rol hun vader, die het gezin had verlaten, heeft gespeeld. Vallen vertelt het verhaal, Opstaan gaat over wat er is verzwegen. De hoofdstukken en gedichten kunnen apart gelezen worden maar ook gelijklopend aan elkaar.

    Wulk - Vallen - Opstaan
    Auteur: Myrte Leffring
    Uitgeverij: Uitgeverij De Meent

    Licht in het duister – Veertien historische miniaturen

    In de novelle-achtige vertellingen uit Licht in het duister van Stefan Zweig (1881-1942) staat steeds een bijzondere historische “persoonlijkheid” centraal, waaronder Cicero, Händel, Dostojevski en de Marseillaise, aan de hand waarvan Zweig historische momenten in de geschiedenis belicht.

    Zweig zegt dat als er in de kunst een genie opstaat, dit zijn tijd overleeft en lotsbepalende momenten in de geschiedenis teweegbrengt die grote invloed op de mensheid hebben. Hij noemt dat kantelmomenten of Sternstunden ‘omdat ze al schitterend en onveranderlijk als sterren de nacht van de vergankelijkheid verlichten’. Ze zijn bij toeval ontstaan en voor tientallen of honderden jaren ‘van beslissende betekenis’, zo staat in het voorwoord te lezen.

    Stefan Zweig was een echte Europeaan, ingebed in het Europese culturele en intellectuele leven. Europa was voor hem één gemeenschappelijk en samenhangend cultuurgebied en hij reisde er haast onafgebroken in rond. Zo bezocht hij onder meer Nederland, België, Zwitserland, Duitsland, Italië en Groot-Brittannië.

    Zijn literaire productie is groot. Zweig schrijft novellen, romans, essays, gedichten en artikelen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkt hij een tijdje als correspondent in het neutrale Zwitserland. Als in 1933 de nationaalsocialisten in Duitsland aan de macht komen verhuist Zweig, van Joodse afkomst, naar Londen. In 1941 vertrekt hij met zijn vrouw naar Brazilië. In 1942 kiest het echtpaar voor de vrijwillige dood, uit verdriet over de vernietiging van Europa, dat nooit meer zou zijn zoals het was.

    Licht in het duister - Veertien historische miniaturen
    Auteur: Stefan Zweig
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer

    Ruimte

    Meer dan een miljoen Nederlanders wil een boek schrijven. Uitgeverij Atlas Contact geeft voor hen de reeks ‘De literaire gereedschapskist’ uit, waarin nu de delen Tijd en Ruimte zijn verschenen. Eerder dit jaar al verscheen Plot. Schrijver ervan is Louis Stiller, onder andere redacteur, journalist en schrijver van essays, scenario’s en non-fictie. Hij ontwikkelde ‘De Schrijfbibliotheek’, een serie waarmee diverse schrijvers hun vakmanschap en schrijfinzicht kunnen verdiepen en vergroten.

    Een verhaal vertellen kan op veel manieren. In Tijd behandelt Stiller structuren als de cirkelvertelling, het lineaire verhaal, de spiraalvorm en andere. Hij besteedt aandacht aan het tempo, welke uitwerking heeft welk tempo, aan de wijze waarop flashbacks en flashforwards worden gebruikt en de mate waarin je deze elementen met elkaar kunt verweven.

    In Ruimte stelt hij aan de orde wat het belang is van de omgeving, hoe landschap het verhaal sfeer kan geven, waarom de binnen- en buitenruimte ertoe doet. Hoe kan de ruimte het drama in het verhaal versterken?

    De Schrijfbibliotheek richt zich op de middelen waarvan de schrijver zich bedient: personages, scènes, plot, tijd, ruimte en showing of telling. De boeken uit deze serie zijn voorzien van voorbeelden en tips uit de wereldliteratuur, uit films en andere verhalende kunsten en bevatten interviews met gerenommeerde schrijvers.

    Ruimte
    Auteur: Louis Stiller
    Uitgeverij: Atlas Contact