• Met branie en manie breekt ze de taal los

    Met branie en manie breekt ze de taal los

    Met Het jaagpad op en af levert Saskia de Jong (1973) haar vierde dichtbundel af in zestien jaar tijd. Ook ditmaal een opvallende vormgeving en een eigenzinnige omgang met interpunctie en kapitalen. De site van haar uitgeverij omschrijft de bundel als een ‘uitkijkpunt waarin de viering van het perspectief’ wordt beleden. Deze typering zal ongetwijfeld uit de koker van De Jong zelf afkomstig zijn. De talige vrijheid om naar eigen believen over woorden, zinsverbanden en begrips(ver)vorming te beschikken viert hoogtij. De taal is bij De Jong het beschrijvende ver voorbij. Met branie en manie breekt en braakt ze de taal los. Het motto van de eerste afdeling  Wij gaan over in wij  en over in wij en in wij draait er niet omheen: ‘Zeker, als 2 x 2 geen 4 was,  zouden ook  3 x 3 zich tevergeefs inspannen om 9 te zijn.’ Dit bevrijdende perspectief – omdat vierkant o zo rond is heet dan ook zelfverzekerd een gedicht – lijkt leidend voor het hele oeuvre van De Jong en doet in deze gedichten niet minder opgeld. Bestemd is deze poëzie ‘voor ons’, zo staat voorin. Een duivels pact met de lezer die zich niet van het jaagpad laat verjagen?

    Jongelerend

    Eigenzinnig en met élan jonglerend trekt de dichteres meteen al in het titelloze openingsgedicht schijnbaar moeiteloos door de veertien strofen van elk drie regels heen: ‘we vermeerderen het begeerde/ we begeren het vermeerderde’ (..) we schuilen zo goed dat geen stilstand ons vindt /(..) we hebben de impact van een impasse’. Met een fraaie afsluiting: ‘we zitten als mensen die op willen staan.’ 

    De Jong stuurt het verloop van haar zinnen niet over de met gemak geplaveide weg van de grootste gemene deler. Maar haar woorden wekken wel de indruk met overtuiging en met plezier over de zinnen te zijn uitgerold. En dat mist zijn uitwerking op de lezer niet. In deze bundel eisen de woorden een voor zichzelf sprekende status op. En wie geeft ze weerstand? Soms swingen de woorden gewoonweg over je heen zoals in het gedicht aan de in ellende liggende liefhebbers

    zo jongens de kop is eraf jullie dachten toch niet werkelijk
    dat het om de tulpen ging? dat was maar jok en kinderspel
    het ging om de manie! mea culpa, tulipa alsjeblieft
    geen rechte wegen geen ballast geen bagage, daarentegen
    blind als mollen dieper graven naar nieuwere bollen, we waren
    toch blij? waren we niet blij? we waren blij! het gemiddeld aantal
    dit, het gemiddeld dat? wie kijkt er op een gemiddelde? er is karigheid
    in hen die niet dwaas zijn, van kinderen worden we kinderen
    met borsten en baarden, met gouden kalven, op houten paarden
    goed en mooi en recht is enkel voor bedaarden, het gaat om gokjes
    wagen nukken plukken welluidend bedwelmen
    om het toppen van de toppen, het merkwaardig
    hartstochtelijke zomaar, niet de prijs maar het prijzen, niet het loof
    maar het loven, niet kostbaar maar kostelijk manie makes the world
    go round (…)

    Hier kiezen de ‘welluidend bedwelmende’ woorden niet voor binnen de lijntjes (‘nut is nietig’), maar omarmen zoveel royaler het onmetelijke.  Toeval is een toverbal  luidt de titel van een gedicht en met het zuigen erop wordt de lezer gewiekst een vervreemdende staat in gewiegd: ‘ingezwachteld mijn volksmond / eet een zoutje, wat weerhoudt je / van de vertering van de violente vragen’.

    Rijk aan motto’s

    De bundel is rijk aan motto’s van o.a. Calvino, Beckett en Herakleitos en achterin de bundel wordt de lezer nog eens gewezen op verwijzingen naar o.a de Bijbel en Lucebert. Laatstgenoemde lijkt een rijke inspiratiebron te zijn geweest voor de wijze waarop haar woorden zich met ogenschijnlijk gemak vermenigvuldigen in gelijk- dan wel tegengestemde vervolgen. De Jong mag dan stemmen lenen van andere schrijvers, dichters, liedjes, spreektaal – zinnen als ‘onderbreek me nou niet schatje’ of anderszins opgevangen frases als ‘happen naar de baas’ worden probleemloos ingelast– boven alles uit weerklinkt de eigen stem van de dichter vrijmoedig met soms een behoorlijke dosis pessimisme: ‘we waren gemaakt om te sterven’. 

    Zeker, de lezer zal niet overal aanspraak kunnen maken op begrip. En niet altijd wordt de lezer daarvoor gecompenseerd. Passages waarin vermetele taalbotsingen niet echt verdienstelijk uitpakken, maken het Het jaagpad niet overal even prettig begaanbaar:
    ‘dit is een blijspel zonder klokken, zonder gister, zonder morgen.
    houzee.
                  dubbeloverslag? minstens tweevoudig! molendraaien?
    minstens tweevoudig! axiaaldraai? minstens tweevoudig! een
    combinatie van minstens overslag, schroef, axiaal! h.h. jauchzend.’

    Maar veel valt te vergeven wanneer men wordt getrakteerd op een passage als:
    ‘wat is de voorsprong, waar is nou die oorsprong? volg je
    roepstem, icarus, waer bestu bleven? sommigen vallen omhoog.
    van zenit naar zenit. dit is tenslotte een dimensionale ruimte. als het
    ware is dit het ware. een vleugje paradijs misschien? de eeuwige
    rekbaarheid, roekeloos roekoe roekoe.’

    De poëtische kortsluiting die vaak genoeg ontstaat zal de lezer niet kunnen ontgaan: ‘na de stilte verlangen we/ naar de verlenging van de stilte’. Met het ontregelen van de voor de hand liggende zekerheden, smeedt De Jong haar eigen poëtische bouwsels:
    ‘zonder hese schreeuwers wacht een klaagmuur
    zo gesloten als een steen die afleidt van de steen’. 

    Grens opzoeken

    De Jong zoekt de grens alleen op om eroverheen te gaan. Het speelse is vaak op het dreigende af. Ook zit er hier en daar een stevig portie maatschappijkritiek doorheen gemengd, zoals in het lange gedicht ‘in nederland’. Een vileine maar ook grappige afrekening in de vorm van meerkeuzevragen dat in zijn slot niet onder doet voor Hans Verhagen:

    liggend aan de voet van het paradijs
    sussen jullie voor het eerst de

    a: zonnen
    b: witte dwergen
    c: zwarte gaten   

    Het jaagpad op en af  is een caleidoscopische bundel waarin taal vibreert, vliegt en omhoog valt en maar zelden zinvol oogt in de vertrouwde zin des woords. Telkens zal de lezer aan andere passages, aan andere zinnen blijven haken, andere verbanden opmerken, of juist eroverheen lezen. Maar één ding is zeker: het wemelt van potentie van een steeds herleven. De ontsporing in de ene lezing kan de opstapplaats zijn voor een volgende, om hetzelfde jaagpad toch weer anders te vervolgen, of beter nog, de gebaande weg te verlaten: ‘laten we dwalen! van klaproos tot klaproos, van troostprijs tot troostprijs’.

     

     

  • Fietstocht om inzicht te krijgen in afkomst en aard

    Fietstocht om inzicht te krijgen in afkomst en aard

    Dichter en prozaïst Jacob Groot laat in zijn nieuwste roman Toen ik alle dingen zag, een man een fietstocht maken langs de kust van Noord-Holland, van Velsen tot aan Den Helder. De reden waarom hij dat doet, wordt niet helemaal duidelijk: hij heeft een opdracht gekregen van zijn vrouw Eva, maar welke opdracht dat precies is, wordt niet onthuld. Wel wordt door zijn vrouw middels een codewoord, ‘Wolkendek’ gerefereerd aan een gebeurtenis tijdens een nacht, ‘waar we ons nog altijd blind op staren’. De ontknoping daarvan is de opdracht die de naamloze fietser meekrijgt, maar waar verder in het boek niet meer over gesproken wordt.

    Belangrijker is de opdracht die de man zichzelf geeft: een fietstocht maken door het Noord-Hollandse landschap dat in hem verankerd ligt, om daardoor inzicht te krijgen in zijn afkomst en zijn aard. De provincie zit in zijn genen, ‘ze is een bouwsteen van wie ik ben.’ Daarom gaat hij in de roman voortdurend een dialoog aan met zichzelf en maakt hij de lezer deelgenoot van zijn invallen, fantasieën, dromen en herinneringen. 

    Niets gebeurt zomaar

    In dichterlijk proza beschrijft Groot de bespiegelingen van de hoofdpersoon tijdens zijn queeste op zijn groene Raleigh-racefiets. Hij laat zijn gedachten gaan over het landschap, over de auteurs Herman Gorter en Jorge Luis Borges die hij als zijn reisgenoten beschouwt. Ook Roland Holst en Kouwenaar worden besproken. De zinnen waarin hij dat doet, zijn vaak uitzonderlijk lang, uitgesmeerd over de volledige pagina: een brij van hoofd- en bijzinnen waarin het soms moeilijk is te bepalen waar het over gaat zonder gedegen kennis van zinsontleding. Ook deinst Groot niet terug voor moeilijke woorden en begrippen die waarschijnlijk iedereen moet opzoeken. Dat draagt ertoe bij dat de moeilijkheidsgraad van deze roman hoog ligt, ook door de talloze verwijzingen naar de Bijbel en andere literatuur.

    De Bijbel, de Koran en de Misjna worden al in het begin van de fietstocht door de hoofdpersoon in de grond begraven, misschien als symbool voor het loskomen van gevestigde tradities, een blanco begin te maken. Want in deze roman gebeurt niets zomaar en blijft niets zonder betekenis: in de proloog richt de auteur zich rechtstreeks tot de verteller: ‘En u verteller? U vindt dat we in wezen alles moeten kunnen zien, zelfs als het achter een koppig wolkendek verborgen ligt? Maar belangrijker is dan toch de vraag of u het zaakje voor ons opklaart? Dat laatste is natuurlijk ook uw opdracht, dus kwijt u zich vanzelfsprekend van die taak, al dient u zich eerst nog voor te bereiden.’

    De fietstocht van de man lijkt gaandeweg op een pelgrimage, inclusief de verleidingen van mooie, wulpse vrouwen zoals diverse heiligen die moesten doorstaan. Maar in tegenstelling tot hen bezwijkt de hoofdpersoon, die zichzelf beschouwt ‘als een profeet in de woestijn’ wel voor die verleiding, al is het niet duidelijk of dit alleen in zijn fantasie gebeurt. 

    Zoon van Alkmaar

    De beproevingen beginnen pas goed als zijn fietsband lek is, het avond wordt en hij uitgeput is. Op een camping maakt hij kennis met een oude man, die hem helpt en die op zijn vader lijkt. Hij zal deze man, die zich voorstelt als Salomo Keizer, nog twee keer tegenkomen; de tweede ontmoeting eindigt zonder enige aanleiding en ongeloofwaardig in een worstelpartij: Jacob vecht met de engel. Daarna begeleidt Salomo de hoofdpersoon in de trein van Schagen naar Den Helder. Als Salomo vraagt, wat de ander zoekt, vertelt deze een verhaal over de Zoon van Alkmaar, die naar de grote stad wilde, die ertoe doen wilde: ‘How to star?’ Het is een ironische verhaal over je anders voordoen dan je bent. De Zoon van Alkmaar is auteur en raakt onder invloed van de media, hij schept niets meer, maar levert maatwerk. ‘Je zelfbeeld beeldt alleen nog maar je publieke afwezigheid af.’

    Het verhaal wordt dan steeds mystieker. De hoofdpersoon gaat naar een hotel, ‘Lands End’ genaamd, waar hij verwacht wordt en niet hoeft te betalen. Ook bezoekt hij een rock-café met de naam ‘De Engel’, waar een band speelt die de Dämmerung heet. Namen met een culturele lading.
    Het gesprek eerder met Salomo in de trein brengt een catharsis teweeg: de hoofdpersoon besluit terug te gaan naar huis, naar Eva, ‘terug naar de recapitulatie en de evaluatie en de vergetelheid.’

    De bedevaart is dan allang een odyssee geworden met een Penelope aan het einde van de tocht. Groot noemt zijn protagonist dan ook ‘Nobody’, een verwijzing naar de naam die Odysseus zichzelf geeft als de Cycloop vraagt wie hij is: Niemand. 

    Dichterlijke taal

    Naast de vele verwijzingen naar de Bijbel en de Klassieke Oudheid worden er ook begrippen uit de alchemie aangeduid. De roman bestaat uit drie delen, waarvan de laatste twee ‘Transfiguratie’ en ‘Stralende nacht’ getiteld zijn. Al met al heeft Groot veel verwijzingen en symboliek gebruikt, maar dat voorkomt niet dat het einde onbevredigend is. Na het boek te hebben gelezen, blijft de vraag waar het allemaal om ging. Aan het taalgebruik is te merken dat Groot een dichter is. De indruk blijft dat deze roman beter tot zijn recht zou komen als dagboek in plaats van een reisverslag van een spirituele fietstocht. En hoewel de lezer met regelmaat rechtstreeks wordt aangesproken door de hoofdpersoon, lijkt het hele relaas niet voor hem bestemd, maar dient het als middel tot  reflectie voor de verteller zelf. De vraag blijft of je een hoofdpersoon in een roman of het lyrische ik in een gedicht mag vereenzelvigen met de auteur.

    Taalkundige Marc van Oostendorp schreef onlangs in een blog voor Neerlandistiek, het online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek, dat ‘ik en jij in gedichten niet de gebruikelijke betekenis hebben, maar los staan van de werkelijkheid.’ Als dat ook voor een roman zou gelden dan zou de hoofdpersoon los staan van de auteur Jacob Groot. Dat lijkt onwaarschijnlijk, de fietser en de Zoon van Alkmaar lijken zijn alter ego’s te zijn. Niet dat het er echt toe doet. Groot heeft een intrigerende maar bij vlagen, vage roman geschreven, met genoeg gedachtes, filosofische overpeinzingen om iedereen bezig te houden tijdens de lange reis.

     

     

  • Oogst week 4 – 2021

    De jonge helden van de Sovjet-Unie

    De Amerikaanse journalist en non-fictieschrijver Alex Halberstadt werd in 1970 geboren in de toenmalige Sovjet Unie. Acht jaar later vertrok hij er met zijn moeder en grootouders op een uitreisvisum voor Israël, om via Europa naar de Verenigde Staten te reizen waar de familie zich wilde vestigen. Alex’ vader bleef achter. Deze gebroken relatie loopt als een rode draad door het boek.

    In een van hun summiere telefonische contacten hoort Halberstadt over zijn grootvader, van wie hij dacht dat deze dood was. Het is aanleiding voor hem om op reis te gaan, naar zijn grootvader in Oekraïne, die lijfwacht van Stalin blijkt te zijn geweest; naar de geboortegrond van zijn Joodse moeder in Litouwen waar hij de sporen van de Holocaust en het verborgen antisemitisme optekent; naar zijn geboorteplaats Moskou, waar zijn ouders hadden geleden onder de Sovjet-terreur. Zijn eigen verleden waarin hij zich als migrantenjongen nauwelijks kon handhaven komt dichterbij. ‘De jonge helden van de Sovjet-Unie’ – de titel verwijst naar het boekje dat Halberstadt als kind moest lezen – is geschiedschrijving en biografie ineen en laat zien hoe trauma’s van angst, wreedheid, woede en pijn in drie generaties doorwerken.

     

    De jonge helden van de Sovjet-Unie
    Auteur: Alex Halberstadt
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De getalenteerde Mr. Ripley

    De BBC plaatste The talented Mr. Ripley uit 1955 op de lijst van honderd invloedrijkste romans, want schrijfster Patricia Highsmith (1921-1995) introduceerde met dit beroemde boek de psychologische thriller. Volgens schrijver en filosoof John Gray had Highsmith een diep inzicht in de broosheid van de moraliteit. Het nieuwe genre vond veel navolging. De getalenteerde meneer Ripley is door De Arbeiderspers nu opnieuw uitgegeven.

    Een rijke industrieel betaalt Tom Ripley, een streberige jongeman uit een gebroken gezin, om zijn verwende zoon Dickie Greenleaf terug naar huis te halen. Dickie bevindt zich aan de Italiaanse kust, waar Ripley hem opzoekt en vervolgens totaal in de ban raakt van de luxueuze levensstijl van de playboy en zijn vriendin. Na een tijdje krijgt Dickie echter genoeg van Ripley, waardoor de laatste zich ontpopt als de moordenaar die met zijn charmes mensen grandioos voor de gek houdt en zo de sociopaat wordt waar Highsmith nog vier andere boeken aan wijdde. Haar romans werden meerde keren verfilmd. De Ripley uit De getalenteerde meneer Ripley werd eenmaal gespeeld door Alain Delon en eenmaal door Matt Damon. Alfred Hitchcock maakte een legendarische film van Vreemden in de trein, en recenter (2015) verscheen Carol op het witte doek.

    De getalenteerde Mr. Ripley
    Auteur: Patricia Highsmith
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Raaf

    Kun je werkelijk loskomen van waar je vandaan komt? is de vraag waarover het gaat in Raaf, de debuutroman van Roos Vlogman. Eerder schreef ze verhalen, gedichten en essays die o.a. werden gepubliceerd in Trouw, Tirade en De Morgen. In Raaf is de gelijknamige hoofdpersoon sterk verbonden met zijn moeder, de vrouw die hem overheerst en die telkens weer zijn aandacht opeist.

    Zo moet hij haar zoeken als zij zich voor de zoveelste maal verstopt heeft; ze dwingt Raaf haar te volgen als hun overleden hond Frederik via haar heeft laten weten waar hij wil worden uitgestrooid, en ze dwingt hem tot een soa-test waarbij ze zelf meegaat naar de huisarts. Het is een onafzienbare relatie waar geen ontsnappen aan is, dun maar onmetelijk krachtig. ‘Mijn moeder is als een  plant die naar de  grond toe groeit. Ze raakt overwoekerd door de tuin en er is niemand om haar los te knippen, haar wortels uit te trekken, licht en lucht te geven. Ik schud haar van me af.’ Zal het Raaf lukken om los te komen van zijn moeder?

    Raaf
    Auteur: Roos Vlogman
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Oogst week 17 -2020

    Gekkenwerk

    Er verschijnt zoveel moois dat we er soms niet onderuit kunnen een titel meer op te nemen in de oogst van de week dan de gebruikelijke drie. Te beginnen met een roman over de geheimen van een oorlogsjournalist door Minka Nijhuis, een boek met 575 haiku’s van Kees van Kooten (Haikoots wel te verstaan), een nieuwe gedichtenbundel van Daniël Vis en een lijvig boek over de koloniale geschiedenis buiten de Verenigde Staten van Daniel Immerwahr.

    Minka Nijhuis (1958) verbleef als oorlogscorrespondent onder andere in Syrië, Irak, Oost-Timor en Afghanistan vanwaar zij verslag deed voor verschillende media. Voor haar journalistieke werk ontving ze in 2017 de Nieuwspoort Prijs van het Vrije Woord. Ze schreef meerdere non-fictie boeken over haar ervaringen, in 2009 werd ze met haar boek Birma: land van geheimen genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs. Gekkenwerk is haar eerste roman, een roman in briefvorm waarin Lotte, beginnendd als stewardess maar met de ambitie om oorlogscorrespondent te worden, schrijft ze haar neef Alexander. Brieven die een uiteenzetting zijn van haar gedachten, haar plannen en ondernemingen. Deze neef schrijft evenwel nooit terug, er komen geen brieven van hem in de roman voor, maar de gerichtheid waarmee Lotte aan hem schrijft, maken hem tot een belangrijk personage in deze roman.

     

     

    Gekkenwerk
    Auteur: Minka Nijhuis
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    575 Haikoots

    Kees van Kooten is een liefhebber van de haiku. Als bewonderaar raakte hij er min of meer door besmet en kon het schrijven ervan niet meer laten. Een haiku is een versvorm van zeventien lettergrepen en bestaat uit drie versregels van respectievelijk vijf, zeven en vijf lettergrepen. Dat het er 575 zijn geworden is dan ook te herleiden naar de opbouw van de haiku.

    Voor de ooit vermaarde Bescheurkalender (1973-1986) van Van Kooten en De Bie, schreef hij zo nu en dan al de zogenaamde Haikoot. Hoewel de oorspronkelijke haiku overwegend gewijd is aan de natuur, gaat een Haikoot over van alles en nog wat. Deze werkwijze resulteert in originele waarnemingen van ons aller doen en laten. 575 Haikoots is een ruime en bonte verzameling Haikoots en voorzien van passende foto’s door Van Kooten zelf.
    Hier is er een:

    uitgevallen roos
    siert nog even de paden
    met een feesttapijt

    575 Haikoots
    Auteur: Kees van Kooten
    Uitgeverij: De Harmonie

    Amerika buiten de Verenigde Staten

    Daniel Immerwahr is een Amerikaanse historicus die onderzoek deed naar de koloniale gebieden buiten VS, zoals de Guano-eilanden en de Filipijnen. In Amerika buiten de Verenigde Staten vertelt Daniel Immerwahr over gebieden die geen vertegenwoordiging hadden in het Amerikaanse Congres, maar er wel door werden bestuurd. In het geval van Puerto Rico is dat tot op de dag van vandaag nog zo.

    Hoewel dit niet strookt met het beeld dat Amerika van zichzelf heeft als voormalige kolonie, is het tot ver in de twintigste eeuw de situatie dat de Stars and Stripes wapperen op eilanden en militaire bases over de hele wereld. Na de Tweede Wereldoorlog nam de VS afstand van het kolonialisme. De tegenwoordige wereldwijde invloed van Amerika doet echter in wezen niet onder voor imperiale macht, zelfs vandaag heeft het nog gebieden over de hele wereld. Een boek over Amerika dat je visie op dit land doet veranderen.

    Amerika buiten de Verenigde Staten
    Auteur: Daniel Immerwahr
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het weefsel

    De dichter Daniël Vis (1988) won in 2014 het NK Poetry Slam. In datzelfde jaar publiceerde hij Crowdsurfen op laag water, waarover Menno Wigman zei, ‘Eindelijk weer een jonge dichter met een grote mond. En hij maakt het nog waar ook.’
    In 2018 volgde zijn tweede bundel Insect Redux.

    Het werk in zijn nieuwe bundel Het weefsel wordt ‘onvoorspelbaar en rücksichtlos’ genoemd. Hierbij een kleine voorproeve:

    ‘de gestalte
    op dat schilderij van munch —

    de opengesperde mond —

    schreeuwt niet,
    maar legt de handen tegen het hoofd

    om de schreeuw niet te horen.

    de angst,

    een fundamentele
    gebeurtenis —

    dat ik er ben —

    en opnieuw
    ontstaan

    de draden die het gekopieerde dna
    in de zich delende cel verdelen —

    een techniek
    van het aanwezig blijven.

     

     

     

    Het weefsel
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Prometheus
  • Libanese galgenhumor

    Libanese galgenhumor

    Mazen Maarouf (1978) werd in de Libanese hoofdstad Beiroet geboren. Zijn ouders waren Palestijnse vluchtelingen die van de regen in de drop terechtkwamen: Maaroufs jeugd speelde zich af tegen de achtergrond van de Libanese burgeroorlog (1975-1990), die naar schatting een kwart miljoen mensenlevens kostte. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat oorlogsgeweld altijd aanwezig is in dit boek, zij het op een ongebruikelijke manier. Het wordt namelijk op een haast achteloze manier vermeld, in de woorden van een kind dat er letterlijk mee is opgegroeid en blijkbaar nooit iets anders heeft gekend: ‘We hoorden van tijd tot tijd geweerschoten buiten, maar daar waren we net zo aan gewend als aan het toeteren van voorbijkomende auto’s.’

    De ik-figuur in het verhaal waar deze bundel naar werd genoemd en meteen ook het langste in dit boek – loopt elke dag met zijn tweelingbroertje naar school in een Beiroet dat vergeven is van rivaliserende milities. Zijn vader heeft een wasserij en wordt regelmatig in elkaar geslagen en vernederd door militieleden. Om de gewelddadige realiteit op afstand te houden, vlucht hij in zijn kinderlijke fantasiewereld. Poëzie en diepe ellende liggen in dit boek dan ook zeer dicht bij elkaar. Het verhaal is stevig gekruid met morbide galgenhumor. Zo is er een passage waarin het hoofdpersonage overweegt om zijn broertje te verkopen:
    Ik had er mijn hoop op gevestigd dat de schutters liefhebbers van orgaanvlees waren, want ik zag mijn dove broertje als profijtelijke handelswaar.’

    Humor is een geducht verdedigingswapen in dit boek: wie erin slaagt om een militielid te amuseren met een goede grap, hoeft zich even geen zorgen te maken. Al neemt dat niet weg dat totale willekeur ook een einde aan je leven kan maken: wie op het verkeerde moment op de verkeerde plaats is, kan zomaar worden getroffen door een verdwaalde mortiergranaat.

    De andere verhalen die na ‘Grappen voor de schutters‘ volgen, zijn veel korter en van wisselende kwaliteit. Zo blijkt hier weer dat het korte verhaal een zeer veeleisend literair genre is, want terwijl een vuistdikke roman niet meteen ten onder gaat aan een minder geslaagde passage, kan een schrijver het zich echt niet permitteren om steken te laten vallen als hij voor de korte baan kiest en zich op een stuk of vijf bladzijden moet bewijzen. Sommige verhalen in deze bundel komen dan ook niet helemaal van de grond of zijn eigenlijk maar probeersels.

    Een uitschieter is ‘De grammofoon, waarin de vader van de ik-figuur aan de kost komt door in een ondergronds café een mechanische grammofoon aan te zwengelen. Beiroet wordt immers voortdurend geplaagd door elektriciteitspannes. Plichtsbewust volbrengt de vader zijn taak: ‘Soms draaide mijn vader wat langzamer omdat hij moe werd, en soms verloor hij zijn concentratie, omdat er dicht in de buurt een granaat viel, en draaide hij sneller, waardoor het lied werd vervormd.’
    Als de bar door een bom wordt getroffen, wordt de vader levend vanonder het puin gehaald. De armen waarmee hij de grammofoon bediende, moeten geamputeerd worden. Het weinige wat gewone mensen nog hebben in de oorlog, de kleine dingen waar ze zich aan vastklampen, verliezen ze vaak nog.

    Soms gaat Maarouf volledig de absurde toer op, zoals in ‘Biscuit’, een verhaal waarin een oude man auto’s ‘in biscuit verandert’. Dat is even amusant, maar volstaat niet om een verhaal te redden dat verder niet veel om het lijf heeft. Zo merk je dat deze schrijver eigenlijk nog wat aan het zoeken is en deze bundel misschien te vroeg heeft gepubliceerd: hij heeft veel in zijn mars, maar zijn beste werk moet duidelijk nog komen. Naar verluidt is Maarouf aan een roman aan het werken. Misschien kunnen we deze weliswaar niet helemaal geslaagde, maar toch veelbelovende verhalenbundel met een paar sterke momenten als een voorproefje beschouwen.

     

     

  • Oogst week 10 – 2020

    Onze verslaggever in de leegte

    Hoe terecht of onterecht de verontwaarding rond een boek ook mag zijn, het is in elk geval een trefzekere manier om er de aandacht op te vestigen. Zoals vorige week Onze verslaggever in de leegte van Dimitri Verhulst. De schrijver was zo kwaad over wat hij over zich heen kreeg na een interview in Humo dat hij niets meer moet hebben van een promotietour. Hij wil geen interviews meer. ‘Ik ben naar de kloten gegaan door iets wat ik niet heb gedaan. Door iets waartoe ik niet eens in staat zou zijn om te doen’, schrijft hij in zijn nieuweling, een soort dagboek zonder data, dat teruggaat tot 2015. Daarin gaat het over zijn zelfvernietiging door drank, drugs en seks na een beschuldiging van aanranding door een ex-vriendin, een Zweeds-Bulgaarse. De aanklacht werd geseponeerd. Eén van de motto’s is van Joseph Conrad: ‘Een raar iets is het leven toch. Het beste wat je ervan kunt verwachten is een beetje kennis van jezelf. En die komt toch te laat. Voor de rest is het allemaal zinloos’.

    Onze verslaggever in de leegte
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Het eiland

    ‘Voor een kind zijn alle stranden oneindig en bossen mysterieus, is het leven eeuwig en zijn volwassen mensen die weten wat ze doen. Mijn eiland was mijn leven. Geen ontsnappen aan. Ik heb mijn jeugd overleefd, vraag me niet hoe. Het eiland heeft me gevormd en gered.
    En daarover ga ik vertellen’.
    Zo eindigt het eerste hoofdstuk van Het eiland van Koos Terpstra. Het eiland is Texel, waar Terpstra in 1955 werd geboren. In dit boek haalt hij meanderend door de tijd herinneringen op aan zijn jeugd. Terpstra is toneelregisseur, maar ook schrijver van onder andere de fameuze Troje trilogie, een marathonstuk dat gespeeld werd door het toenmalige gezelschap ‘De Appel’ en werd bekroond in 1995. Lezers zouden Terpstra ook kunnen kennen van Brieven aan Koos van filosoof-cabaretier Tim Fransen uit 2018, waarin Terpstra de geadresseerde is.

    Het eiland
    Auteur: Koos Terpstra
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Apeirogon

    De Palestijn Bassam Aramin en de Israeliër Rami Elhanan zijn bestaande mensen die elk een dochter verloren in de conflicten in het Midden-Oosten. De Ierse schrijver Colum MacCann (geboren in 1965 en wonend in New York) ontmoette hen toen hij voor zijn organisatie Narrative 4 het Midden-Oosten bezocht. Narrative 4 probeert mensen die uit tegengestelde werelden komen te bewegen elkaar hun verhaal te vertellen. Daardoor onstaat wederzijds begrip. Het leverde zijn nieuwe roman Apeirogon op: een bonte verzameling fragmenten over waarnemingen en ervaringen, waarin de verhalen van Aramin en Elhanan centraal staan. De titel (een apeirogon is een veelhoek met een onbeperkt aantal zijden) verwijst naar de ontelbare aspecten van de dood van de dochters van Aramin en Elhanan. Die veelheid wordt ook weerspiegeld in het aantal hoofdstukken en -stukjes, 1001, een verwijzing naar de verhalen uit Duizend-en-een-nacht.

    Apeirogon
    Auteur: Colum McCann
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Oogst week 7 – 2020

    Weersverwachting

    Deze week een scherpzinnige roman van de Amerikaanse Jenny Offwell, een trilogie in toneelteksten van Judith Herzberg en de eerste roman van de Zambiaans/Amerikaanse Namwali Serpell.

    De Amerikaanse schrijver Jenny Offwill (1968) wordt na haar laatste roman Verbroken beloften – over een vrouw die kunstenaar wil worden maar zichzelf verliest in het (ook bij Rachel Cusk een leidend thema) moederschap – op een lijn geplaatst met de Britse Anne Enright en Rachel Cusk. Dat Offwell een scherp observator is en dit in prachtige zinnen beschrijft, blijkt ook uit haar derde roman Weersverwachting. Een roman over een jonge vrouw, met een bijbaantje in de bibliotheek van de universiteit waar ze eigenlijk wilde promoveren. Maar haar zorgen om haar broer, een exverslaafde en voor het eerst vader geworden, leidden haar af van dat doel. Ze voelt zich verantwoordelijk voor hem, wat ten koste gaat van haar eigen leven en dat van man en kind. Als ze door haar voormalige promotor, een klimaatwetenschapper en populaire podcasthost, gevraagd wordt te helpen bij het verwerken van een groeiende stroom aan brieven en mails, begint ze vragen te beantwoorden van klimaat- en religieuze doemdenkers. Het verdiepen in deze rampenpsychologie maakt dat ze steeds minder goed in staat is een overlevingsstrategie voor zichzelf te bepalen, om te kunnen ontsnappen aan een leven dat ze niet gewild heeft.

    Weersverwachting
    Auteur: Jenny Offill
    Uitgeverij: De Geus

    Leedvermaak trilogie

    Vorig jaar ontving Judith Herzberg de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren. Herzberg is vooral bekend als dichter, minder bekend is dat ze ook een van onze belangrijkste toneelschrijvers is. In 1982 schreef ze het stuk Leedvermaak dat als een mijlpaal wordt gezien in de toneelgeschiedenis en in 1989 verfilmd door Frans Weisz. Een weergave van hoe de oorlog doorwerkte in de levens van latere generaties. Dertien jaar later schreef Herzberg Rijgdraad (1995), en nog weer zes jaar later Simon (2001). Hoofdrol spelen Nico en Lea, haar ouders Ada en Simon, Dory (de ex van Nico), Lea’s onderduikmoeder Riet, Nico’s vader en stiefmoeder Zwart en Duifje, kinderen en kleinkinderen.
    Als geen ander weet Herzberg  In schijnbaar terloopse en zo eigen aan Herzberg, luchtige dialogen vorm te geven aan het ongemakkelijke leven van onderduik- en kampoverlevers na de oorlog. De toneelteksten kenmerken zich door een zwijgend wegkijken, een niet kunnen (of willen) begrijpen van de ander.
    De trilogie is een klassieker en al lange tijd uitverkocht. Dat er een nieuwe editie van Leedvermaak Trilogie verschijnt, heeft te maken met de opvoering van alle drie de toneelstukken in een marathonvoorstelling dit voorjaar door Het Nationaal Toneel, een bijzonderheid, want niet eerder werd de trilogie in zijn geheel uitgevoerd. De nieuwe editie van deze klassieker is het begin van een integrale uitgave van het hele toneeloeuvre van Judith Herzberg. Iets om naar uit te kijken.

    Leedvermaak trilogie
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: De Harmonie,

    De rook die dondert

    Professor Engels en schrijver Namwali Serpell (1980, Zambia) woont sinds haar negende in de Verenigde Staten. Haar korte verhalen werden gepubliceerd in literaire tijdschriften, verschillende daarvan werden bekroond, zoals in 2015 met de ‘Caine Prize for African Writing’. Haar roman De rook die dondert (The Old Drift) verscheen onlangs in vertaling van Linda Broeder bij AtlasContact.
    Een ingenieuze roman over het lot van drie vrouwen die om verschillende redenen in Zambia wonen. Agnes, de blinde dochter van een Britse parlementariër wordt verliefd op een ingenieur. Ze gaat er met hem vandoor naar zijn thuisland Zambia, dat op het punt staat onafhankelijk te worden. Sibilla groeit als buitenechtelijk kind op in een gehucht in Italië, ze is van top tot teen bedekt met haar. Ze vlucht met haar geliefde naar Zambia om een nieuw leven op te bouwen. Wiskundige Matha, is in Zambia geboren, en wordt overvallen door een eindeloze tranenvloed nadat ze ongewenst zwanger bleek en gedwongen werd een veelbelovende carrière op te geven. De levens van de kinderen en kleinkinderen van deze vrouwen raken in de daarop volgende decennia onvermijdelijk verbonden met het lot van een hele natie.

    De rook die dondert
    Auteur: Namwali Serpell
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Intellectuele robots en mensenlevens

    Intellectuele robots en mensenlevens

    In de roman Machines zoals ik wordt de 32-jarige Charlie, speculant in aandelen (waar hij niet goed in is), verliefd op de tien jaar jongere Miranda, zijn bovenbuurvrouw. Charlie vermoedt dat Miranda iets uit haar leven voor hem achter houdt, wat zijn relatie met haar alleen maar beïnvloedt. Een groot deel van het boek gaat over deze relatie. Daarnaast wordt veel ruimte besteed aan de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, i.c. robots.
    De Britse wiskundige Alan Turing krijgt de rol toebedeeld van producent van twaalf Adams en dertien Eva’s. Turing heeft zijn beroemdheid te danken aan het feit dat hij in de Tweede Wereldoorlog het Duitse coderingssysteem wist te ontcijferen. Na de oorlog stond hij aan de wieg van de ontwikkeling van computerachtige machines (de Turingmachine). Ook heeft hij een experiment uitgevoerd (Turingtest) om erachter te komen of machines kunnen denken en menselijke intelligentie kunnen vertonen.

    Initiatief van robot

    Charlie koopt met geld uit een erfenis voor 86.000 pond de androïde Adam waarna hij volledig blut is. Eigenlijk had hij liever een Eva gekocht maar die zijn allemaal door Saoedie-Arabië opgekocht. Miranda en Charlie programmeren de kunstmens Adam zelf, zonder tegen elkaar te zeggen welke persoonlijke elementen ieder van hen aan deze robot-Adam toekent.
    Gaandeweg ontwikkelt zich een driehoeksrelatie, waarbij Adam op beider levens steeds meer invloed weet uit te oefenen, gelijk een mens. Gelukkig zit er een knop aan Adam zodat Charlie hem kan uitzetten maar desondanks dringt de robot steeds dieper hun levens binnen. Zo weet Adam op internet het geheim van Miranda eerder te achterhalen dan Charlie. Naarmate Adam meer vertrouwd raakt met Charlie en Miranda ontwikkelt hij ook initiatieven tot handelen die soms goed uitpakken en soms niet. Zo wordt Adam verliefd op Miranda, wat de relatie van Miranda en Charlie niet ten goede komt.

    Verleden en toekomst

    McEwan situeert zijn roman in 1982 ten tijde van de regering-Thatcher die toentertijd een smadelijke nederlaag leed tegen Argentinië in strijd om de Falkland-eilanden. Ook aan de maatschappelijke situatie in het Engeland van die tijd besteedt McEwan veel aandacht. Door de situering in de jaren tachtig van de vorige eeuw speelt het verhaal zich in het verleden af. Maar door de introductie van Adams en Eva’s – die tot op de dag van vandaag niet in die vorm bestaan en ontwikkeld worden door iemand die in 1954 is overleden – maakt hij er ook een toekomstverkenning van. Een die aansluit op de huidige discussie over kunstmatige intelligentie, over de robotisering van de samenleving, over zelfsturende auto’s, over de invloed van internet met zijn algoritmes op het leven van de moderne mens. Wat lichtelijk verwarrend werkt.

    McEwan schetst een samenleving waarin niet alleen veel routinehandelingen door een robot kunnen worden overgenomen maar waarin een robot een volwaardige (?) plaats als mens inneemt. Hij is niet alleen te programmeren, hij wil gesprekken met je voeren, hij geeft je advies, hij onderneemt actie, etc. De vraag dringt zich op hoe realistisch dit toekomstbeeld is en of dit beeld dichterbij is dan wij denken?

    Robot wordt mens

    Machines zoals ik is om een aantal redenen een intrigerend boek. Er is de centrale plaats die een robot in het verhaal inneemt; een kunstmens die meer menselijke dan machinale trekken heeft. Hij heeft een grote, zelfstandige invloed op de levens van Charlie en Miranda. Terwijl Charlie hem heeft gekocht om zijn leven te vergemakkelijken, is het eigenlijk ‘iemand’ die veel weet en alles beter kan en doet dan Charlie. Zo neemt Adam het speculeren op de beurs over van Charlie en dat legt hem geen windeieren. De fundamentele vraag die McEwan oproept is die naar het type samenleving waarin de technologische revolutie zo ver is voortgeschreden dat de mens robotten kunnen maken die de mens – volledig – kunnen vervangen. Een verbeterde versie van de mens kunnen worden.

    Tijdsituering

    Er is de wat vreemde tijdsituering van de regering-Thatcher in 1982. McEwan plaatst zijn verhalen meestal in een actueel maatschappelijk kader waaraan hij een sociologische betekenis weet te geven. Nu speelt het verhaal ruim 35 jaar terug in de tijd maar blijft onduidelijk waarom hij juist die periode heeft gekozen.
    De derde reden waarom het een intrigerend boek is, ligt besloten in de verhaallijn over de relatie tussen Charlie en Miranda. Die boeit, ook zonder de aanwezigheid en interventies van Adam. Er zijn veel elementen in het boek gestopt, wat de coherentie niet altijd ten goede komt. Ten opzichte van de aandacht die de figuur van Adam krijgt, blijven Charlie en Miranda betrekkelijk wazig. Toch is Ian McEwan een schrijver wiens boeken het lezen meer dan waard zijn en die, door hun actuele thematiek, altijd stof tot nadenken geeft.

     

  • Oogst week 17 – 2019

    Het beroep van mijn vader

    Deze week uit elk boek een klein citaat. Te beginnen bij Het beroep van mijn vader, de nieuwe roman van de Franse journalist en schrijver Sorj Chalandon (Tunis, 1952).

    Hij begint als volgt:

    ‘Zaterdag 23 april 2011

    We waren maar met z’n tweeën, mijn moeder en ik. Toen het karretje met daarop de doodskist van mijn vader werd binnengereden, moest ik aan een serveerwagentje in een restaurant denken. De lijkdragers waren met zijn drieën. Vale gezichten, zwarte jassen, slecht geknoopte dassen, te korte broeken, witte sokken en slappe schoenen. Ze hadden niets plechtigs of ernstigs, wisten met hun blik en hun handen geen raad. Ik verjoeg een glimlach. Mijn vader zou worden afgevoerd door uitsmijters van een nachtclub.’

    Chalandon had geen gemakkelijke vader. In Het beroep van mijn vader, zijn meest autobiografische roman, stelt hij de vraag hoe je je als kind het beste kunt wapenen tegen de uitbarstingen van een paranoïde vader.
    Hij schreef het na de dood van zijn vader.

    Het beroep van mijn vader
    Auteur: Sorj Chalandon
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De kamer waar alle verhalen beginnen

    De kamer waar alle verhalen beginnen van Wouter Godijn (1955) gaat over een redacteur van thrillers, fantasy en sciencefiction die zo door zijn werk in beslag is genomen dat hij ervan droomt. Opvallend is dat hij droomt in de stijl van die genres, en de inhoud van de dromen is te herleiden tot de trauma’s die hij opliep in zijn eigen jeugd.

    Het boek begint als volgt:

    ‘De redacteur was zich aan het uitkleden. Zijn pantalon, als hij hem aanhad een nogal intimiderend kledingstuk, glanzend blauw als de avondhemel vlak voor het écht donker wordt, lag al in een enigszins ambivalente houding, een kruising tussen een prop en netjes opgevouwen, op een parmantig stoeltje niet ver van zijn bed. Hij stond voor een smalle, langgerekte spiegel, waar hij niet in keek en tegelijk wel, en knoopte zijn wit-lichtblauw gestreepte overhemd dat nu een beetje op een jurkje leek open, werktuiglijk speurend naar urinevlekken op het onderste deel (sinds de operatie was het risico daarop groter geworden) en andersoortige ongerechtigheden- hoewel hij de volgende dag sowieso een schoon overhemd zou dragen. Beroepshalve diende hij frisheid en reinheid uit te stralen.’

    De uitgeverij omschrijft De kamer waar alle verhalen beginnen als een ontroerend verhaal over waarschijnlijk de laatste nacht uit het leven van een man die zich heeft geprobeerd te verzoenen met iets wat dat leven heeft verruïneerd, en noemt het spannend, humoristisch en de verbeelding overstijgend.

     

    De kamer waar alle verhalen beginnen
    Auteur: Wouter Godijn
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Afhankelijkheidsverklaring

    De proloog van Afhankelijkheidsverklaring van theatermaakster Rebekka de Wit begint als volgt:

    ‘Het schijnt dat Aboriginals een absoluut gevoel voor richting hebben. Als ergens aan de linkerkant van een Aboriginal een gigantische rots staat te blinken in het zonlicht, zal hij die rots lokaliseren aan de hand van de windrichtingen. “Opmerkelijk”, zal hij mompelen. “Een blinkende rots in het noordoosten” Of er loopt een mierenkolonie voorbij, terwijl twee Aboriginals wat ditjes en datjes uitwisselen. Een van hen zou dan kunnen zeggen: “Kijk! Een Australische mierenoptocht, ongeveer tien centimeter ten zuiden van je enkel!”’

    Afhankelijkheidsverklaring is min of meer een logisch vervolg op haar debuut uit 2015 We komen nog één wonder tekort waarin De Wit schreef:

    ‘Ik zou een Declaration of Dependence willen schrijven, omdat dat veel minder bezijden de waarheid klinkt en troostender is dan de gebalde vuist, en independence me vrijwel uitsluitend doet denken aan het alleen zijn, wat er sowieso is.’

    En nu is die afhankelijkheidsverklaring er dus. Volgens Atlas Contact is het een bundel met bespiegelingen, verhalen en essays over het meest vanzelfsprekende. Rebekka de Wit probeert als een antropoloog te doorgronden waarom iedereen van zijn doodsangsten uitdagingen probeert te maken, waarom afhankelijkheid als falen wordt gezien en waarom mensen die graag te boek staan als ‘no nonsense’ doorgaans veel nonsens uitkramen.

     

     

     

    Afhankelijkheidsverklaring
    Auteur: Rebekka de Wit
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    QualityLand

    ‘Come to where the quality is! Come to QualityLand!’

    Zo begint de inleiding van het bij uitgeverij De Harmonie verschenen boek QualityLand.

    Het gaat verder:

    ‘Je gaat dus voor het eerst van je leven op reis naar QualityLand. Voel je de spanning stijgen? Nou? Volkomen terecht! Want nog even en je zet voet in het land dat zo belangrijk is dat de stichting ervan een nieuwe jaartelling inluidde: QualityTime

    Na de zoveelste crisis in korte tijd onderneemt de regering actie: ‘Meegesleurd in de blinde paniek van de markten vroeg de regering de bedrijfsadviseurs van Big Business Consulting (BBC) om hulp, en zij besloten dat het land vooral een nieuwe naam nodig had. […]

    De bedrijfsadviseurs gaven de creatieve geesten van WereldWijdeWarenhuis (WWW) niet alleen de opdracht om met een nieuwe naam voor het land te komen maar meteen ook een nieuw imago, nieuwe helden, een nieuwe cultuur, kortom: een nieuwe Country Identity.’

    In QualtiyLand vertelt QualityPartner je wie het beste bij je past en zelfrijdende auto’s weten precies waar je naartoe wilt. Werk, vrije tijd en relaties, alles wordt door algoritmes bepaald.

    De Duitse auteur Marc-Uwe Kling is kleinkunstenaar en poetryslammer. Hij was zeer succesvol met zijn debuut De kangoeroekronieken.Daarvan werden in Duitsland een half miljoen exemplaren verkocht. Ook werden de filmrechten verkocht.

    QualityLand
    Auteur: Marc-Uwe Kling
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie (2019)
  • Van het toneel verdwenen

    Van het toneel verdwenen

    De eerste scène van de toneeltekst Aquarium van Nathan Vecht begint met een man, Walter, en een vrouw, Birgit, die een gesprek voeren bij de verhuisdozen in hun nieuwe huis. Plotseling staan de buren binnen. Ze willen kennismaken en nodigen het stel op de koffie. Birgit heeft juist zelf koffie gezet en daarom vinden de buren, Rudi en Doris, het wel handig om maar meteen een kopje met hen mee te drinken. Meteen al blijken zij opdringerig behulpzaam. Rudi is iemand die alles kan, alles weet en ongevraagd zaken naar zich toetrekt. Er ontspint zich een ingewikkeld spel tussen de vier personages. Ze gaan en komen, deuren gaan open en dicht, als in een klucht. Maar wel een wrange.

    Al snel onthult Doris dat Rudi bij een inlichtingendienst werkt en daarover niets mag zeggen. Birgit, een bekende tv-persoonlijkheid, vraagt Doris of zij bij haar man niet toch wat informatie kan loskrijgen over haar. Doris doet dat, maar er blijkt geen enkel gerucht over Birgit te circuleren. Echter… ‘Walters naam dook op.’ Enkele scènes verder heeft Rudi het over ‘het systeem’ en algoritmes, vandaag de dag min of meer synoniem met ongrijpbare ondoorzichtigheid.

    Onheil
    Walter heeft problemen met de pomp van het aquarium en Rudi wil die wel even repareren. Hij brengt ook een nieuwe vis mee als gezelschap voor Von Koblenz, de enige vis in het aquarium. Walter heeft daarover, net als over de andere bemoeienissen van de buren, zijn twijfels: ‘Tussen elkaar opeten en vredig samenleven bestaat nog een heel spectrum van hoe levende wezens zich tot elkaar kunnen verhouden.’ Met deze metafoor lijkt verstandig gedrag van de personages het inmiddels opdagende onheil nog te kunnen keren, maar dat zal niet zo zijn.

    Onkenbare werkelijkheid
    De Nederlandse dichter, essayist en componist Samuel Vriezen introduceerde het begrip ‘werkelijkheidstekort’. Hij bedoelt daarmee dat proza, inclusief krantenartikelen, ervan uitgaat dat de werkelijkheid beschrijfbaar is terwijl dat niet zo is, en noemt dat ‘conventioneel realisme’. Daartegenover zet hij het ‘experimenteel realisme’ waarin de werkelijkheid onkenbaar en zonder betekenis is, wat hij in zijn poëzie zichtbaar maakt met veel witruimte tussen woorden en regels. Hoewel minder vergaand doet Nathan Vecht iets dergelijks in Aquarium.

    Slimme dialogen
    Door zijn personages niet adequaat te laten reageren, niet de meest logische vragen te laten stellen en door voor de hand liggende opmerkingen achterwege te laten, creëren de twee stellen Vriezens witruimte. Het zijn slimme dialogen van Vecht waarmee de vier verstrikt raken in een onvoorziene oorzaak-en-gevolgsituatie. Althans, dat lijkt zo. Want ergens halverwege maken Doris en Rudi een raadselachtige opmerking tegen elkaar over ‘hen niet te hard aanpakken’. De regie van wat zich voltrekt blijkt bij hen te liggen. Rudi begint Walter zelfs een verhoor af te nemen en laat los dat ‘ze’ ernstige beschuldigingen uiten, want Walter doet verdachte dingen.

    Bezegeld lot
    Walters nogal onschuldige activiteiten krijgen met de verdachtmakingen een dreiging die zich ook tot Birgit uitstrekt. Het andere stel zal hun lot bezegelen, suggereert Vecht: ‘DORIS We breken ‘m af. RUDI Waarom? DORIS Ze zijn te intelligent. RUDI Ik vind dat wel meevallen. DORIS Je bent niet alert.’ In de verdere dialogen strooit Vecht met woorden als: ‘Binnendringen, dossier laten verdwijnen, recht op het donker, je data zijn geclusterd, destabiliserende informatie, sporen achterlaten.’ De lezer/toeschouwer voelt dan allang aan dat Walter ergens in gevangen zit waaruit ontsnappen niet meer mogelijk is.

    Ontknoping
    Walter en Birgit blijken ‘van de radar’ te moeten, al wordt niet duidelijk waarom, en in een van de laatste scènes vertrekken ze. Wat volgt is een ontknoping met Rudi en Doris in de hoofdrol. Daarna blijft de toeschouwer met vragen achter. Hoezeer ook de vier personages, de vissen, de verhuizing en de al dan niet werkelijke gebeurtenissen met elkaar verweven zijn, aan het eind lijkt het allemaal om een ‘werkelijkheidstekort’ te gaan. Knap gedaan van Vecht.

     

  • Oogst week 6

    Het heterogeen

    In de Oogst van deze week twee poëziebundels, een debuutvertaling van een roman uit het Engels en een boek dat niet geschreven zou zijn als Donald Trump in 2016 niet tot president gekozen was.

    Elly de Waard was jarenlang popjournalist voor de Volkskrant en Vrij Nederland, voor ze als dichteres naam maakte. Vanaf haar eerste bundel Afstand (1978) was ze spraakmakend omdat ze duidelijk stelling nam tegen de vijftigers die in die tijd nog bepaalden wat goede poëzie was. De liefde tussen vrouwen werd een van haar belangrijkste thema’s. Haar werk is daarom geliefd evenals om haar zorgzame omgang met taal. Het heterogeen is de negentiende dichtbundel van Elly de Waard.

    Het werk van Elly de Waard wordt al veertig jaar trouw uitgegeven bij De Harmonie. Dat mag wel eens gezegd worden in een tijd van dolende schrijvers.

    Het heterogeen
    Auteur: Elly de Waard
    Uitgeverij: De Harmonie

    Identiteit

    Francis Fukuyama is docent internationale economie aan de John Hopkins University en werd wereldwijd bekend met zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992).
    Met zijn nieuwe boek Identiteit laat hij zijn licht schijnen op het electorale succes van populisten. Een succes dat verklaard wordt vanuit economische motieven, maar in feite voortkomt uit een behoefte aan identiteit. In Het einde van de geschiedenis schreef Fukuyama al dat mensen hechten aan erkenning van hun waardigheid. In Identiteit verklaart hij dit begrip vanuit het huidige tijdsgewricht.

    ‘Ik heb de laatste decennia veel nagedacht over de ontwikkeling
    van moderne politieke instellingen: hoe de staat, de
    rechtsorde en democratische verantwoording zijn ontstaan,
    hoe ze zich ontwikkelden en op elkaar inwerkten, en ten
    slotte, hoe ze in verval hebben kunnen raken,’ schijft Fukuyama in zijn voorwoord.

    Identiteit
    Auteur: Francis Fukuyama
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Lief slecht ding

    Dichter en essayist Frank Keizer (1987) is redacteur bij nY en medeoprichter van het online tijdschrift Samplekanon. Zijn eerste bundel Onder normale omstandigheden werd genomineerd voor de Poëziedebuutprijs Aan Zee.

    Zijn nieuwe bundel Lief slecht ding is, zo de uitgever laat weten, ‘een zoektocht naar wat aantrekt en afstoot, naar wat beter maakt en wat zeer doet. Ikken en jijen (soms een jullie) verzamelen zich rondom vuren en keukentafels, liggen op beton of in een kapot bed. Ze begeven zich op een postmilitante weg naar iets wat toekomst heet. Ze wachten, bereiden zich voor. Ze praten over het wij dat nog moet worden aangeleerd of eerst afgeleerd.’ Want geluk zal collectief zijn, of niet.

    ‘Zijn poëzie is witty – geestig én intelligent – en bij vlagen messcherp en puntig’, oordeelde de Jury van de Poëziedebuutprijs Aan Zee over de poëtische kunsten van Frank Keijzer.

     

    Lief slecht ding
    Auteur: Frank Keizer
    Uitgeverij: Polis uitgevers

    Veenland

    De verhalenbundel Fen van Daisy Johnson (1990) werd vertaald als Veenland, door Callas Nijskens, die hiermee haar debuut als vertaalster maakte.

    Daisy Johnson (Oxford, 1990) schrijft over vrouwen die de grenzen van hun kracht opzoeken. Het speelt in de moerasgebieden van Engeland en gaat over een tienermeisje dat zichzelf uithongert tot ze zo dun is als een paling. Over een huis dat verliefd raakt op een meisje en een jongen die uit de dood herrijst als een vos. Het moerasgebied is een plek waar dieren en mensen in elkaar overgaan, waar vreemde metamorfosen plaatsvinden en waar mythe en donkere magie zich ophouden.

    Veenland
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik
  • Een knap romandebuut

    Een knap romandebuut

    Nina Roos (1981) tekent en schrijft poëzie en verhalen. Recent verscheen haar eerste roman, Drie dagen, waarin ze drie dagen lang drie mensen volgt: Vincent, de directeur van Vochtwerking Compleet, zijn vrouw Isabeau en zijn broer Mart. Ze komen om de beurt tot leven in gebeurtenissen, gesprekken en gedachten, die door Roos in een strakke compositie van drie keer drie hoofdstukken (drie dagen) worden gepresenteerd.

    De compositie verraadt de hand van de tekenaar. Wat logisch is, omdat je bij een kunstenaar het werk in het ene medium nooit los kunt zien van dat in een ander medium. Ook bij Roos verraadt haar tekenstijl reeds hoe zij als schrijfster de wereld ziet en benadert. In Twee eenden in het water (Water serie, 2012) tekent ze met een trefzekere hand twee eenden. Elk half onder water, zoekend naar dat wat ze in leven houdt. Samen maar toch alleen, elk in hun eigen draaikolk, die elkaar aan de randen raken zonder echt in elkaar over te gaan. Want waar ze elkaar raken heeft Roos een leegte gelaten. Een intrigerende leegte die je doet afvragen waar deze tekening echt over gaat. Over twee eenden op zoek naar eten? Of over de leegte die altijd tussen de twee vogels bestaat? Omdat alle vogels uiteindelijk – net als mensen – gedoemd zijn hun eigen leven te leiden.

    Iedereen is gedoemd zijn eigen leven te leiden. Je ziet het ook op een andere tekening van Roos, uit dezelfde Water serie: Zes mensen in het water, waarbij elk in zijn of haar eigen wereld dobbert. Zonder contact of interactie. Zoals in Drie dagen Vincent en Isabeau elk in hun eigen draaikolk leven, voortdurend op zoek naar de kick in hun leven. Roos schetst het paar met energieke pennenstreken, en legt ze voortdurend zinnen in de mond die zo vol van woorden zijn dat ze overstromen. En die mij vanwege de overdreven drukdoenerij vanaf de allereerste zinnen van het boek een lichte hekel deed krijgen aan het paar: ‘Ik heb goed nieuws pop, het is wild vlees. Nee dwaas, dat dingetje onder mijn oksel, de dokter gaat ervan uit dat het onschuldig is, hij stuurt het voor de zekerheid op naar een lab. Voor de zekerheid. Harder? Hij stuurt het op, hij snijdt het vleesje vrijdag weg en dan stuurt hij het op naar het lab. Ja, het jeukt nog als een tierelier, wat? Jij zei dat het groeide. Hoe ik me voel? Ik voel me prima. Nee hij heeft nog niets weggesneden, als jij nou even ophoudt met dat geritsel dan kan ik je misschien verstaan, schijnt de zon daar wel?’

    En dat gaat zo maar door, pagina na pagina, dag na dag na dag. Terwijl Vincent het vijfentwintigjarig jubileum van zijn bedrijf viert en zich druk maakt over de naderende kleine ingreep trekt Isabeau met haar vriendin een paar dagen naar de zon. Een duidelijker bewijs dat het paar van elkaar vervreemd is had Roos moeilijk kunnen geven. Of het moet zijn met de achter de spiegel geschoven briefjes waarmee ze communiceren, of met de telefoongesprekken die eerst niet en later wel plaatsvinden, tussen de bedrijven door, waarbij ze elkaar verwijten dat er geen aandacht voor elkaar is, zonder dat ze echt even de tijd voor elkaar nemen: ‘Isa, ik snap wel dat je met een kater niets kunt, maar een berichtje? Je weet dat ik zit te wachten, moet ik je als vermist aanmelden, nors vertrokken, onalledaags onbereikbaar, deze koffie is godbetere zo heet dat mijn tong verbrandt, werkelijk, mogen we fijn de hele dag aan deze ochtend herinnerd worden. Opstappen maar.’

    In dergelijke passages tekent Roos de eenzaam-lege levens van Vincent en Isabeau net zo trefzeker als de eenden op haar tekening. Wat ook voor het leven van Mart geldt, de broer van Vincent, die de pendant lijkt te zijn van de leegte op de eenden-tekening. Het noodzakelijke rustpunt waarin zijn hyperende broer en zelfs zijn schoonzus hun noodzakelijke anker vinden. Eigenaar van een wat saaie winkel in kruiden en snuisterijen die zijn dagen slijt met het inpakken van cadeautjes, fietsen en een geheime tweede liefde, met wie hij menig moment doorbrengt en aan wie hij vrijwel de hele tijd denkt.

    Aan het einde van de roman ontsporen de levens van Vincent en Isabeau zich elk op hun eigen manier en blijkt Mart een onbetrouwbaar ankerpunt. Niemand heeft houvast aan elkaar; ieder is gedoemd zijn eigen leven in goede banen te leiden. Het knappe van Roos is dat ze haar lezers dit alles voorschotelt op een wijze die zowel ergernis als bewondering verdient. Ergernis, vanwege de leeghoofdige brallerigheid van Vincent en Isabeau, en bewondering vanwege het vakmanschap waarmee Roos deze ergerlijke figuren overtuigend neerzet. Het maakt Drie dagen een knap romandebuut.