• Oogst week 45 (2018)

    De akte van mijn moeder

    De Hongaar András Forgách (1952) is in eigen land een bekende schrijver. Men kent hem ook van zijn werk als vertaler, toneelschrijver en beeldend kunstenaar. In de jaren zeventig en tachtig was hij actief in verzet tegen het Sovjetregime.

    Zijn nieuwste roman De akte van mijn moeder is gebaseerd op de waarheid. Een waarheid waar hij dertig jaar na het overlijden van zijn moeder bij toeval achterkomt omdat een oude jeugdvriend hem daarop attendeert. Het blijkt dat zijn moeder, op wie hij dol was, vanaf 1975 tot aan haar dood gespioneerd heeft voor de geheime dienst. Zij rapporteerde over bekenden, haar vrienden, en zelfs over haar echtgenoot en kinderen. Dat zijn ouders Stalinisten waren, wist Forgách wel. Maar dat zijn moeder zo ver zou gaan, was een schok voor hem.

    Het boek is inmiddels in 14 landen vertaald en wordt ook verfilmd.

    De vertaalster, Rebekka Hermán Mostert, over dit boek: ‘Het is een boek met tanden, bij vlagen hilarisch, soms dor irritant, soms heel raak en roerend, maar zeker informatief, op het randje van exhibitionistisch. Hongarije in de ‘soft-socialistische’ late jaren, met mensen voor en tegen, onmachtig in en buiten het systeem, Israël en de Arabieren, de Holocaust, toe maar. Met talloze excursen, feiten en namen tussen neus en lippen door, die je langs even zovele nieuwe paden sturen. Een lange, ongemakkelijke blik in de keuken van een schrijver die aan systeemontleding doet, en daarbij zichzelf en de zijnen niet spaart. Een poging tot reconstructie. Een ontdekking van een wereld en werelden. Een altaar voor moeilijke liefde.’

     

     

     

     

     

     

    De akte van mijn moeder
    Auteur: András Forgách
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Mijn zusje, de seriemoordenaar

    Na Forgàch die schrijft over het verraad van zijn moeder, nu een ander ‘familieboek’, Mijn zusje, de seriemoordenaar, over twee bizarre zusjes. De één, de mooie Ayoola, vermoordt na verloop van tijd al haar vriendjes, de ander, Korede ruimt de boel op wist alle sporen. Totdat Ayoola ingaat op de avances van een man op wie Korede heimelijk verliefd is.

    Oyinkan Braithwaite studeerde rechten en creatief schrijven, werkte voor online magazines en een Nigeriaanse uitgeverij en treedt ook op als als poetry slammer. Ze wilde altijd al schrijfster worden en publiceerde Mijn zusje, de seriemoordenaar op een online platform. Omdat ze zoveel enthousiaste reacties kreeg, stuurde ze het naar een uitgever. Inmiddels is haar debuut een groot succes en zijn de filmrechten ervan verkocht.

     

     

    Mijn zusje, de seriemoordenaar
    Auteur: Oyinkan Braithwaite
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Voor wie in het donker op mij wacht

    Als je wakker wordt moet je altijd even aan de dag wennen’
    en dat is helemaal niet waar, ik hoef helemaal niet aan de dag te wennen, waar ik aan moet wennen is dat ze dingen verplaatsen zonder mij iets te vragen, ze doen gewoon waar ze zin in hebben, de dame op leeftijd schudde het kussen op, hielp me rechtop te gaan zitten
    ‘Voorzichtig want u hebt al vaker geknoeid’
    gaf me mijn pillen en schonk thee voor me in, terwijl de kat als water op de grond gleed, als ze langs mijn benen strijkt hoor je een motortje dat ronkt tot zijn staart voorbij is en hij me vergeet, heel even moest ik denken aan Faro, aan mijn moeder, als ze ’s avonds de soep op tafel zette, en mijn vader, die met zijn servet half in het boordje van zijn hemd en half in zijn hand, in bretels en zonder colbertje
    ‘Kom eens hier’
    zei dat ik mijn tong moest uitsteken, zijn wijsvinger natmaakte en een vlek van mijn neus wreef’

    (…)

    Nauwelijks interpunctie, het is niet altijd duidelijk over wie de hoofdpersoon het heeft, herinnering en werkelijkheid wisselen elkaar af. Je moet er wel bijblijven bij het lezen van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes.

    Voor wie in het donker op mij wacht gaat over de kracht van het geheugen en tegelijkertijd het verliezen van herinneringen.
    De 79-jarige Celeste is de verteller. Ze lijdt aan alzheimer en is overgeleverd aan de zorg van een oudere vrouw en de neef van haar tweede echtgenoot. Hoewel het spreken haar steeds slechter vergaat, probeert ze haar herinneringen vast te houden – aan haar jeugd in de Algarve, haar jaren als actrice en haar twee huwelijken. Als actrice verplaatst ze zich bovendien voortdurend in de mensen die haar omringen en verzint ze levens voor hen.

    Voor wie in het donker op mij wacht
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Geëngageerde roman over bevingen in Groningen

    Geëngageerde roman over bevingen in Groningen

    Schokland – de veelzeggende titel slaat niet op het voormalige eiland, maar op de gelijknamig kop-rompboerderij in het Groningerland – die te lijden heeft van de gevolgen van gasboringen. Op de boerderij woont Zwier Koridon met zijn dochter Femke en kleindochter Trijn. Femke’s zoon Jort, die dode vogels prepareerde en opzette, is overleden.
    Even verderop staat de boerderij ‘Wijde Wereld’, voor Trijn ‘het bewijs dat er meer bestond dan het onvermijdelijke boerenbestaan’. Een zin die de basis vormt voor de weg die Trijn zal gaan. Op boerderij ‘Wijde Wereld’ woont Fokko, de dorpsgek met een misvormde rechterhand. Trijn ontmoet Harm en raakt verliefd op hem. Samen krijgen ze een dochtertje, Femke, maar Trijn verlaat Harm, die losse handjes heeft en keert met de baby terug naar Schokland. Waar Trijn geen plezier in had – het werken op de boerderij – blijkt haar dochter Femke later wel graag te doen, daarbij geholpen door Brian, ‘een jongen met een rugzakje’.

    De grote beving
    Haast terloops wordt vermeld dat ‘na de grote beving van vijf jaar geleden’ de keuken en de bijkeuken ‘te gevaarlijk zijn geworden om te betreden’ en er in de woonkamer, ‘het hoofdkwartier’, moet worden gekookt en later steeds meer wordt geleefd.
    Trijn staat voor modernisering van het boerenbedrijf, haar dochter Femke wil een andere weg inslaan. Onder invloed van Daniëlle, waar ze verliefd op wordt, en die enkele boerderijen verderop woont wil ze biologisch boeren. In die zin is de titel van de roman ook dubbelzinnig: de seksuele ‘uitbarstingen’ tussen de twee worden beschreven als ‘schok na schok na schok’.
    Over dergelijke zaken, biologisch boeren en homoseksualiteit, kan letterlijk en figuurlijk niet gesproken worden: ‘het vroegere hart van hun bedrijf en van hun dagelijks leven is tot verboden gebied verklaard, omdat instorting dreigt’.
    Tijdens een inspectie van wat Goldschmidt ‘de fakkelaars’ noemt, waren de scheuren in de muren echter niet het gevolg van de krachtige beving, maar van achterstallig onderhoud. Uiteindelijk wordt ‘Wijde Wereld’ afgebroken, terwijl Fokko, de dorpsgek, wordt uitgekocht. Hij vindt tijdelijk onderdak op ‘Schokland’, waar het verval verder gaat en een grote scheur in de stalmuur ontstaat. Alle ellende wordt dan als een snoer aaneengeregen.

    Actie
    Fokko onderneemt een eenmansactie die de streek wakker schudt, en voor even, ook de pers. Uit protest draagt hij een muts waarop Trijn, in de voetsporen van de overleden Jort, een geprepareerde buizerd heeft bevestigd. De actievoerders die zich bij hem aansluiten, ook veelal getooid met dergelijke mutsen, komen op de televisie in een late night show, maar gaan roemloos ten onder nadat erop is gewezen dat het opzetten van vogels illegaal is en zij dus zouden kunnen worden vervolgd. Bovendien is de komkommertijd voorbij. De opsporingsambtenaar van de Voedsel- en Warenautoriteit heeft echter zijn hart op de goede plaats en laat Trijn niet vervolgen.
    De grote beving, waar iedereen voor vreesde, vindt plaats. Zwier breekt zijn been en in het verpleeghuis waar hij belandt wordt ontdekt waar Trijn al lang bang voor was: hij heeft een hartkwaal. Behalve dit, wordt een achterlijf van een vaarskalf verbrijzeld, zakt de krachtvoersilo scheef en kletteren even later de roosters met koeien en al de mestkelder in. Niet lang hierna sterft Zwier. Daniëlle geeft Femke, die ondertussen met haar heeft gebroken, een hondje tot troost. En als klap op de vuurpijl voert Fokko een onzalig plan uit en laat daarbij het leven. Maar de ongetrouwde ambtenaar van de Voedsel- en Warenautoriteit raakt verliefd op Trijn en zij bloeit op. Dit is een lichtpuntje temidden van alle ellende die wordt beschreven en de periode omvat van februari 2017 tot en met januari 2018.

    Verhaallijnen en thema’s
    Om dit verhaal van binnenuit te kunnen beschrijven, heeft Saskia Goldschmidt enkele jaren in Groningen gewoond waar ze met bewoners heeft gesproken en meegewerkt in de stallen van een melkveehouderij.
    In de roman vervlecht zij drie verhaallijnen met elkaar: die van de aardbevingen en de gevolgen daarvan, de familiegeschiedenis en de ontluikende liefde van Trijn en die tussen Daniëlle en Femke. De thema’s die hieraan ten grondslag liggen, zijn een  generatieconflict tussen drie generaties Koridon; de omslag willen maken naar biologisch boeren; de zin en zinloosheid van actievoeren.
    In haar roman De hormoonfabriek stelde Goldschmidt de praktijken van de farmaceutische industrie (Organon in Oss) aan de kaak. In Schokland zijn het de gaswinningsbedrijven NAM, Esso en Shell (‘de fakkelaars’) en de landelijke overheid die ze zwaar bekritiseert. De drie lijnen van het verhaal en de onderliggende thema’s worden knap met elkaar verweven. De mooie natuurbeschrijvingen zijn daarmee in samenspraak, zoals: ‘Wanneer zijn de bladeren van de bomen gewaaid, de bessen door de koperwieken van de struiken gevreten, wanneer is de kleur uit het riet getrokken en zijn de kiekendieven naar het zuiden afgereisd?’

    De karakters in Schokland zijn raak getekend en worden samengevat in zinsneden  als: ‘Fokke jammert – Femke staart – Trijn knijpt haar lippen samen – Zwiers wangen kleuren rood’. Een enkel personage, zoals Fokko met zijn misvormde rechterhand en in iets mindere mate stalknecht Brian, die ‘trappelt met zijn voeten en wappert met zijn handen’, roept de sfeer op van de gothic novel Reddende engel van Renate Dorrestein. Ook een roman over  verschillende generaties boeren, maar dan in de Zuid-Limburgse boerderij Oldenhage.
    De inspecteurs die in het verhaal rondlopen en de schade opmeten, zijn meer als stereotypen neergezet (‘de maatpakken’, Groenbril, Vlinderdas), wat hun onverschilligheid des te schrijnender maakt.

    In de proloog, in twee intermezzi en de epiloog is het boek een pleidooi voor de seismologische kennis van een streek – zoals de Italiaan Giuseppe Mercalli heeft aanbevolen – en niet alleen van de schaal van Richter uitgegaan moet worden. Indirect is het ook een pleidooi voor de onderzoeken zoals die nu vanuit de Rijksuniversiteit Groningen op gang komen naar het effect van de bevingen op de mensen die er wonen.
    Schokland is een goed geschreven, geloofwaardige en geëngageerde roman die prettig leest en er mag zijn.

     

  • Oogst week 44

    De dochter van Crusoe

    Deze week een vertaalde roman uit 1985 van Jane Gardam, poëzie van Karel Wasch, een kerstverhaal zonder woorden van Frank Flöthmann en een roman van de Duitse schrijver Uwe Timm.

    Jane Gardam (1928) publiceerde meer dan dertig boeken waaronder romans, verhalen en kinderboeken. Ze is de enige auteur in Engeland die twee keer met de Whitbread/Costa Award werd bekroond. Toch maakten wij in Nederland pas in 2017 kennis met haar door de uitgave van de Old Filth-trilogie bij uitgeverij Cossee die direct een groot succes werd.
    De roman De dochter van Crusoë uit 1985 werd onlangs vertaald. Het boek is deels gebaseerd op Gardam’s eigen jeugd en die van haar moeder in het Yorkshire van begin vorige eeuw.
    De zesjarige Polly Flint wordt bij twee vrome tantes achtergelaten in een huis aan de Engelse kust. Met om zich heen niets anders dan de duinen en een uitgestrekt landschap leest Polly zich de dagen door. Daarbij ontwikkelt ze een grote verwantschap met Robinson Crusoë: zij leeft immers net als Crusoë eenzaam en verlaten aan de kust en ze zijn beiden de held van hun eigen verhaal. De beschrijvingen van het leven van Polly strekt zich uit over acht decennia. Ze ontmoet de liefde en de overzichtelijke Victoriaanse eeuw maakt plaats voor de grote veranderingen van de twintigste eeuw. We worden meegenomen in de veranderingen in het leven van Polly en hoe het huis aan de Engelse kust omsloten wordt door woonwijken en autowegen.

    En ja, het is zoals de schrijver Ian McEwan al zei: ‘Jane Gardams boeken behoren tot de grote schatten van de Engelse literatuur.’

    De dochter van Crusoe
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Cossee, Uitgeverij

    Icarië

    In het werk van Uwe Timm (1940) spelen autobiografische apsecten en het verleden van Duitsland een grote rol. Zijn boek Mijn broer bijvoorbeeld (2003) gaat over zijn zestien jaar oudere broer die bij de Waffen-SS diende en in 1943 in Oekraïne is gestorven. Het werd door NRC Handelsblad geselecteerd als een van de beste boeken van 2003. In eigen land ontving hij dit jaar de prestigieuze Schiller-Preis voor zijn hele oeuvre.

    Ook in Icarië dat zich afspeelt in het Duitsland van 1945, verweeft hij feiten met fictie. De oorlog is verloren en geallieerde troepen rukken op langs verwoeste steden. De Amerikaanse officier Michael Hansen krijgt opdracht van de geheime dienst uit te zoeken welke rol de vooraanstaande rassenhygiënicus dr. Alfred Ploetz heeft gespeeld in het Derde Rijk. Hansen verricht zijn werk vanuit een geconfisqueerde villa, legt beslag op een luxe cabriolet en wordt verliefd op de jonge Duitse weduwe Molly.
    Uwe Timm wilde al meer dan veertig jaar over dr. Alfred Ploetz – die de grootvader van Timm’s vrouw is en van grote invloed was op de rassenleer van de nazi’s – schrijven. Nu het zich eindelijk liet schrijven is het evenals Mijn broer bijvoorbeeld, een zeer persoonlijk werk geworden waarvoor hij een indrukwekkende hoeveelheid research pleegde.

    Icarië
    Auteur: Uwe Timm
    Uitgeverij: Podium

    Het geluid van denken

    Dichter, biograaf, columnist en essayist, Karel Wasch, publiceert voor het eerst een gedichtenbundel bij uitgeverij In de Knipscheer. Zijn gedichten gaan over liefde en schuld, en indringende thema’s als een tragische vriendschap, een zieke moeder, katholieke rituelen als een processie en spanningen in een gezin. In deze bundel neemt de dichter de lezer mee op een odyssee door zijn leven, maakt hem deelgenoot van zijn ontheemding, de turbulenties in zijn geest. Volgens de uitgever is Het geluid van denken ‘een bundel voor de poëzieliefhebber, persoonlijk, gedurfd en buiten de gebaande paden van de mediawerkelijkheid.’
    En kan gelezen worden als een poëtische autobiografie ‘waarbij de lezer als een blinde een beeld aftast, voelt wat het voorstelt en er zo zijn eigen betekenis aan geeft.’

    Het geluid van denken
    Auteur: Karel Wasch
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Stille nacht

    De tekenaar Frank Flöthmann maakte al eerder van traditionele vertellingen een getekende versie; zonder tekst. Daarbij is het steeds weer verbazend hoeveel informatie Flöthmann kwijt kan in enkele simpele beelden.
    Zo hertekende hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus waarbij de enige woorden gebruikt worden voor de inleiding die aldus luiden: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

    Zo heeft hij nu ook het kerstverhaal met tekeningen vertaald naar deze tijd. Waarin vragen naar voren komen als: ‘Wat geef je een kind dat de hele wereld in zijn hand houdt? En als dat kind de zoon van God is maar niet wil slapen, houdt zijn stiefvader dan ook nog van hem? En is het wel verantwoord van de Drie Wijzen om een klein kind zo veel geschenken te geven?’ Een kerstverhaal met humor en liefde voor detail en zonder woorden: dat prikkelt de verbeelding.

    Er wordt gezegd dat zijn boek over het kerstverhaal behoort tot de hoogtepunten van de stille strips.

    Stille nacht
    Auteur: Frank Flöthmann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Kroniek van een bizar gezin

    Kroniek van een bizar gezin

    Het gaat in De schuilplaats over een Frans-Joodse familie van 5 personen (twee ouders, twee kinderen, één kleinkind) die zich geregeld in een Fiat 500 wurmen, en er lange reizen mee maken zonder ooit het voertuig verder dan enkele tientallen meters te verlaten voor de broodnodige aankopen. Ze slapen er ook in, de jongste in de achterbak. Bij kerkbezoek parkeert de familie het autootje aan het begin van de mis voor de kerk en rijdt na afloop zonder uitgestapt te zijn weer naar huis. Waarbij het wagentje geparkeerd wordt in de cour bij het huis en vlak voor de ingang zodat iedereen slechts enkele stappen in de open lucht hoeft te doen. ‘s Nachts slapen de kinderen en het kleinkind op de grond aan het voeteneind van het bed van het echtpaar, in slaapzakken. De familie-leden zijn met elkaar vergroeid tot een onafscheidelijke eenheid. Met zijn allen bewonen ze een voorname woning aan de  Rue de Grenelle in Parijs.

    Zo’n  familie lijkt een verzonnen schrijversparadijs vol eigenaardige wezens die een onuitputtelijke bron van verhalen vormen. En dat klopt. Met dit verschil dat de familie Boltanski niet is verzonnen maar echt bestaat en in de Franse Cultuur en wetenschap een niet onaanzienlijke plek inneemt. En het kleinkind, de Franse journalist Christophe Boltanski doet in De schuilplaats een boeiende poging de geschiedenis te beschrijven van zijn oma en opa, zijn vader (de enige die ontsnapte uit de familie-omarming) en zijn twee ooms.

    Zelf koos hij er op dertienjarige leeftijd voor om ook in het huis aan de Rue de Grenelle te gaan wonen. En dat levert nu een prachtige beschrijving op van een merkwaardige familie. Grootvader Etienne is professor in de geneeskunde en een arts die veel voor zijn patiënten over heeft totdat ze echt een ernstige ziekte krijgen. Want het is onverdraaglijk voor hem ze misschien niet te kunnen helpen. Deze patiënten worden dan snel doorverwezen naar collega’s die hij beter in staat acht ze te kunnen genezen. Met zijn patiënten praat hij lang en veel over hun problemen, zonder over zichzelf iets te vertellen. Thuis vergenoegt hij zich met luisteren naar wat zijn familieleden te zeggen hebben, tussen het geluid van de eeuwig aan staande TV door.

    Gevecht met het falende lijf

    Zijn vrouw Myriam, de oma van Christophe is duidelijk de hoofdpersoon van het verhaal. Als studente medicijnen raakte ze verliefd op haar professor en ze trouwden. Enkele jaren later kreeg ze kinderverlamming en die ziekte die haar benen tot onbruikbare lichaamsdelen maakte, bepaalde uiteindelijk het bestaan van het hele gezin. Want Myriam weigerde te erkennen dat ze invalide was en bleef volhouden dat haar niets mankeerde. Met haar kleine magere lichaam klauwend de trap op, haar benen bungelend achter zich aan.  Staand bij de tafel, terwijl ze zich overeind houdt leunend op haar ellebogen. Zittend op een stoel, met een doek over haar lamme benen, zodat het leek alsof die nog wel in orde waren. Tronend in het grote bed in de enige slaapkamer van het huis, van waaruit zij het gezin bestuurde, gasten ontving.en onder het pseudoniem Annie Lauran een reeks romans schreef, met snelle vingers over het toetsenbord van de typemachine. Van de twee zoons die ook als volwassene thuis bleven is de oudste Jean-Elie Boltanski, een bekende Franse taalkundige. De ander is Christian Boltanski, een al even bekende Franse beeldend kunstenaar en filmer. De zoon die de familie verliet toen hij volwassen werd is Luc Boltanski. een wellicht nog bekendere Franse socioloog. Een late toevoeging aan de familie was de aangenomen dochter Anne Boltanski, die als fotografe publiceert onder de naam Anne Franski. Ze werd geboren met één nier die het na enige tijd opgaf en ze fotografeert vooral tijdens haar eigen dialyse andere patiënten.

    Rondgang

    Christophe vertelt het verhaal van deze familie via hoofdstukken die elk gewijd zijn aan een deel van het huis. Omdat hij aan elk stukje van het pand herinneringen heeft. De keuken, de badkamer, de spreekkamer van Etienne, de woonkamer, de zolder, de slaapkamer, ze leveren allemaal beelden en anekdotes op. Nadeel van deze aanpak is wel dat de chronologie van de familiegeschiedenis verbrokkeld raakt doordat elk stukje van de ruimte zijn eigen verhaal heeft. Het familierelaas begint daardoor eigenlijk telkens opnieuw. Een heel bijzondere plek is de trap, die twee tot viermaal per dag beklommen wordt door Myriam, gesteund door haar kinderen.

    ‘Zo begon ze langzaam aan de klim, met de bangelijke statigheid van invaliden. (…) Ze boog haar hoofd om de afstanden te schatten, stak haar tong uit en spande haar spieren – dat wil zeggen de spieren die niet waren aangetast door de polio, spieren waarvan gezonde mensen zich niet bewust zijn, in de verbuigingen en verbindingen van de ledematen. Heel haar geamputeerde wezen was gericht op een onzichtbaar punt in de verte, vóór haar.’

    Een andere bijzonder plek in het huis is de ‘tussenruimte’, de plek waar opa Etienne veel tijd doorbrengt.

    ‘Om zich te kunnen afzonderen had hij een geheime plek, een donkere ruimte waar geen daglicht kwam en alleen een klein schemerlampje voor een beetje licht zorgde (…). Een berghok, een rommelkamer, ingeklemd tussen de badkamer en de slaapkamer.’

    Oorlog

    Opa Etienne is een katholieke jood, maar tijdens de oorlog is het tweede belangrijker dan het eerste. En onder het Pétain-regime verliezen joden hun banen en moeten zich tooien met de jodenster. Etienne gelooft en verwacht dat het allemaal wel goed zal komen, maar zijn vrouw Myriam weet beter. Zij grijpt in en maakt van de tussenruimte een schuilplaats voor haar man. Hoe dat ging en wat de oorlog voor het gezin met zich meebracht behoort tot de meest aangrijpende stukken uit het Boltanski familieverhaal. De stijl van Boltanski levert één verrassing op: de lezer krijgt heel lang de indruk dat de Boltanski’s weliswaar bij elkaar waren, maar weinig teksten uitwisselden. Pas op pagina 231 meldt de schrijver:

    ‘De televisie stond permanent aan, maar dat belette ons nooit te praten. Onze gesprekken vermengden zich voortdurend met de stroom beelden op het scherm en werden zo een mengelmoes zonder kop of staart.’

    Waarna enkele voorbeelden volgen van langs elkaar heen praten. Het zijn de enige conversaties in het bijna 300 pagina’s tellende boek. De vermoedelijke reden? Boltanski is een journalist. En journalisten kennen wel de monoloog maar niet de dialoog. Ondanks dit kleine gebrek is De schuilplaats een aanrader.
    De vertaling uit het Frans door Prescilla van Zoest levert prachtig proza op, dat doet begrijpen waarom het origineel bekroond werd met verschillende literaire prijzen.

     

  • Traumatische gebeurtenis uit het leven van een scholier in 1928 

    Traumatische gebeurtenis uit het leven van een scholier in 1928 

    Wie dit boek ter hand neemt moet zorgen minstens anderhalf á twee uur de tijd te hebben. Want als je er eenmaal aan begint lees je het honderdeneen pagina’s tellende verhaal in één ruk uit. En je maakt dan als lezer één lesuur mee uit klas 3B van het Wittelsbacher Gymnasium in München. In het jaar 1928. Tijdens die les komt de rector het schoollokaal binnen, neemt de les over van de leraar Grieks en zorgt er door zijn wijze van overhoren voor dat hij twee leerlingen van zijn school kan verwijderen wegens arrogant gedrag respectievelijk falende kennis. Doet hij dat met voorbedachte rade?

    Eén van die twee leerlingen is Franz Kien, het alter ego van de schrijver van dit boek, de in Nederland onbekende maar in Duitsland gevierde auteur Alfred Andersch (1914-1980). Het is het waargebeurde verhaal van zijn eigen verwijdering van de school. De pijn daarover droeg hij zijn hele leven mee en schreef het op zijn sterfbed van zich af. Het verhaal heeft in de Duitse literatuur dezelfde status als Bint van Bordewijk in de Nederlandse.

    Waarom hij een alter ego nodig had legt de schrijver in een nawoord geduldig uit aan zijn posthume publiek en de recensenten. Het laten beleven van deze vernedering door Franz Kien gaf hem meer mogelijkheden dan wanneer hij de gebeurtenissen vanuit het blikveld van een ik-persoon zou schrijven: ‘Juist het vertellen in de derde persoon stelt de auteur in staat om zo eerlijk te zijn als maar mogelijk is. Het helpt hem remmingen te overwinnen waarvan hij zich maar nauwelijks kan bevrijden als hij ik schrijft’ En het werkt.

    Vanaf het moment dat de rector het lokaal binnenkomt beleven we een spannend lesuur met Franz Kien, een matige en luie leerling die eerst geniet als een arrogante medeleerling te grazen genomen wordt door de Rex (zoals de rector achter zijn rug genoemd wordt), maar tot zijn grote schrik uiteindelijk zelf slachtoffer wordt van het schoolhoofd. De Rex voert zijn schrikbewind uit met een verraderlijke combinatie van vriendelijke uitstraling en onverhoedse minachting en vernedering van zijn pupillen.

    En deze rector heet Himmler en is de vader van Heinrich Himmler, in 1928 al aanhanger van Hitler en later diens tweede man. Vader Himmler en zoon zijn gebrouilleerd, maar dat heeft vooral te maken met het feit dat vader weinig achting heeft voor de uit de heffe van het volk voortgekomen Hitler, want Duits-nationalistisch is hij vanzelfsprekend wel.

    De leerlingen van het gymnasium zijn, alhoewel pas veertien of vijftien jaar, allemaal op de hoogte van deze situatie en sympathiseren van de weeromstuit met Heinrich, die de moed heeft gehad tegen zijn strenge vader op te staan.
    Behalve een spannend verhaal dat rechttoe-rechtaan geschreven is en je tot de laatste regelt boeit – ook als je de afloop weet –  is De vader van een moordenaar ook een boeiende beschrijving van de omgangsvormen die in die tijd gehanteerd werden op een gymnasium-van-stand.
    Leuk was anders. Een op zichzelf staand citaat is moeilijk te vinden in het zinderende relaas van dit lesuur. Maar een terzijde herinnering van Franz Kien kan toch een aardig beeld geven van de sfeer en de verhoudingen op deze school.

    ‘Franz was in de pauze naar het toilet gegaan en juist nadat hij zijn grote boodschap had gedaan en weer de ruimte met pissoirs betrad kwam de Rex binnen. Dat was vreemd, Franz had nooit eerder gezien dat een leraar in de pauze gebruik maakte van de leerlingentoiletten, als zoiets gebeurde moest er wel sprake zijn van hoge nood die wetten brak, maar de Rex had zo te zien helemaal geen haast, hij leek de wc’s alleen maar te willen inspecteren (…) ik leek vast een idioot, dacht Franz, omdat ik ervan uitging dat de Rex op deze plek en omdat hij me zo vriendelijk aankeek, iets grappigs zou zeggen en dat grappige kwam ook, klonk op van nabij, zakelijk en op fluistertoon maar niettemin zo duidelijk dat ook de andere leerlingen in de pissoirruimte het duidelijk konden horen: “Je gulp staat nog open, Kien.”’

    Door in de titel van dit verhaal (De vader van een moordenaar) een connectie te leggen tussen de wreedheid van de Rex en de oorlogsmisdaden van de zoon doet Alfred Andersch beiden mogelijk onrecht. En met het verhaal heeft de titel ook niets van doen. Maar dat is dan ook het enige negatieve dat gezegd kan worden over deze zeer geslaagde novelle.

     

  • Een roman met twee gezichten

    Een roman met twee gezichten

    Josepha Mendels was als feministe avant la lettre erg bekend in de jaren na de oorlog en heeft baanbrekend werk verricht voor de emancipatie van de vrouw. Een heruitgave van een boek uit 1948: je moet het maar durven als uitgeverij. Dit boek werd in die tijd als zeer modern en schokkend ervaren, dat ligt nu anders.

    Het is het verhaal van Frans Winter, een jonge Nederlandse man, getrouwd, twee kinderen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog via een vlucht door de Pyreneeën en Spanje uiteindelijk in Londen terechtkomt en daar Henriette Bas ontmoet, verliefd wordt en met haar gaat samenwonen. Het is een naïeve, bijna kinderlijke beschrijving van hun verhouding. Met name Frans is nogal onvolwassen.

    Kabouter en Raderdier
    Het eerste deel van deze roman, Vormen der liefde, verhaalt van hun gevoel voor elkaar, van hun verhouding tegen beter weten in, van hun en vooral haar idee over emancipatie. ‘Ja, ik voel me beledigd, niet alleen voor mezelf, maar voor alle vrouwen’ reageert Henriëtte als er een nogal vrouwonvriendelijke opmerking wordt gemaakt.
    Mendels benoemt veelvuldig het vrouwonvriendelijk gedrag van mannen: de aandacht die Frans voor andere vrouwen heeft, zijn ontrouw, zijn vele vriendinnen. Henriette nodigt deze allemaal uit om Frans’ verjaardag te vieren. Ze laat daarmee zien dat ze, sterk is, en onafhankelijk.
    Maar ook Frans is op zijn manier soms wel wat geëmancipeerd: ‘Kabouter, jouw roeping als vrouw ligt geheel hierin, dat je slechts jezelf kunt zijn als je met jezelve alleen bent’.
    Mendels beschrijft liefde en erotiek expliciet, hoewel het in deze tijd allemaal wat oubollig aandoet. Alleen die bijnamen al: hij noemt haar Kabouter, zij noemt hem Raderdier, wat verwijst naar het motto, een citaat uit een brief van Antoni van Leeuwenhoek, over de wonderen van de schepping.

    De roman is met vaart geschreven: Mendels loopt met grote stappen door de tijd. Haar stijl is, afgezet tegen de tijd waarin het boek is geschreven, soms verfrissend en vernieuwend en de beelden die ze gebruikt zijn verrassend: V2’s worden robots genoemd.
    Elk hoofdstuk wordt afgesloten met ‘In de verrekijker’, waarin Mendels vooruitblikt en het verdere verloop van een gebeurtenis of de toekomst van een personage uit de doeken doet. Dat is nogal een zwaktebod: de expliciete uitleg en verklaring van gebeurtenissen maakt de roman er zeker niet sterker op.

    Stijl
    Het tweede deel van de roman, Terzijde zal de wereld branden, plaatst de liefde tussen Frans en Henriette meer in de tijd waarin het zich afspeelt: Wereldoorlog II.
    Hoofdstukken over liefde en over de boze werkelijkheid van een bezet Europa wisselen elkaar af. Het is een ratjetoe van stijlen: soms lijkt het meer een verhalenbundel dan een coherente roman.
    En die stijlwisseling is niet gelukkig: zo is er een hoofdstuk over de zus van Henriette, Mirjam, dat niet in deze roman thuishoort, er geen meerwaarde aan verleent en bovendien heel erg in Joop ter Heul-taal is geschreven (Mieters!).
    Er is ook een hoofdstuk waarin Frans een droom beschrijft waarin hij met Antoni van Leeuwenhoek over raderdiertjes praat en ze als symbool voor zijn familie ziet; totaal niet ter zake doend. Bovendien onderbreekt het de samenhang in de roman.
    Als Frans hoort dat zijn moeder is overleden in Theresiënstadt maakt hij een erg naïeve opmerking: ‘Ik heb tot nu toe de oorlog door jongensogen bekeken’. In dit hoofdstuk komen opeens de gruwelen van de oorlog het boek binnen.

    Terug
    En dan komt het moment dat Frans, als Nederland is bevrijd, weer terug gaat naar zijn gezin. Het afscheid van Frans en Henriette wordt met een lange aanloop beschreven, maar is uiteindelijke kort en onbevredigend en ook daarna lijkt Frans weinig naar haar te verlangen. Veel later, als hij is herenigd met vrouw en kinderen, denkt hij nog wel eens aan haar. Zeker als hij zijn verhouding met zijn vrouw bekijkt, die wel het een en ander vermoedt, en zelf ook is veranderd in haar verhouding tot haar man: ze is een stuk zelfstandiger, gaat haar eigen gang. Merkwaardig genoeg vertelt Mendels niets over het leven in bezet Nederland in de jaren dat Frans weg was.

    Mendels heeft de titel een dubbele bodem gegeven: Je wist het toch. Frans: Je wist dat je terug zou gaan naar je oude leven, je gezin, en je kwam er achter dat het met de joden in Nederland slecht zou aflopen. Voor beide heb je je ogen gesloten.
    Het lijkt een verwijt te zijn, niet alleen aan Frans, maar daarmee aan alle mannen als het over emancipatie van de vrouw gaat en misschien wel aan alle Nederlanders die de ogen hebben gesloten voor de Joodse tragedie.
    Al met al een onbevredigende roman.

  • Rotonde als anticlimax

    Rotonde als anticlimax

    Mark Boog (1970) publiceerde vanaf 2000 een tiental gedichtenbundels en romans. Zijn nieuwste bundel De rotonde uit 2015 kreeg als ondertitel mee: ‘roman in verzen’, en is dus een combinatie van het verhalende en poëtische genre. Of er heel veel ‘romans in verzen’ zijn is de vraag … Een overbekend voorbeeld is Jevgeni Onegin van de Russische grootmeester A.S. Poesjkin uit 1833. Maar dat is veel omvangrijker dan De rotonde.

    De rotonde kent een strakke opbouw. Het bestaat uit drie afdelingen, die elk bestaan uit 33 gedichten. Elk gedicht telt vijftien regels, volgens het schema 4 : 4 : 4 : 3. De gedichten krijgen telkens hun beslag in twaalf regels. De drie slotregels vormen – met tal van kleine variaties – een telkens herhaald slotakkoord, een mantra die een ondertoon geeft aan het verhaal van dreigende onrust:

    Hij ziet de weg.
    Hij buigt het hoofd.
    Het onweert in de verte.

    Overtuigende poëzie

    De gedichten zijn gesteld in blanke verzen, ongerijmd dus, en met een krachtig en dwingend metrum en ritme. Daarmee overtuigt de dichter vanaf de eerste bladzijde. Was het niet A. Roland Holst die het een kenmerk van goede poëzie noemde als de lezer onwillekeurig de neiging voelt de gedichten in kwestie hardop voor te lezen? Mark Boog’s poëzie in De rotonde voldoet vaak aan dat criterium. De afzonderlijke gedichten, als ze al zo heten mogen, laten zich  op zich zelf lezen. Maar beter is toch ze tot je te nemen in de context van de hele bundel, als onderdeel van het verhaal, van de ‘roman’, omdat ze dan beter tot hun recht komen.

    Het verhaal gaat over meneer Van Dam. Hij heeft genoeg van zijn uitzichtloze bestaan dat kennelijk wordt bepaald door saai kantoorwerk, door de vergeefse maar niet aflatende zoektocht naar de liefde en door drankzucht. Hij heeft besloten zijn ziel aan de duivel te verkopen. Heel veel specifieke(re) contouren krijgt de figuur Van Dam niet, maar dat belemmert het meeleven of de geloofwaardigheid geen moment.

    Maar zelfs Van Dam herbergt een ziel. Hij loopt
    er jaren al mee rond, en is het dan
    een grauwe ziel, een ongevleugelde,
    het is er een. Zijn kostbaarste bezit.

    De advertentie die hij ooit de krant
    heeft aangeboden: “Ziel te koop. Niet duur.
    Als nieuw, haast ongebruikt. Gevraagde prijs:
    Talent, genie, genot, iets groots en vurigs.

    Ik wacht op vrijdagavond bij het kruispunt,
    na zonsondergang. U herkent mij
    aan de lege blik, de grijze jas
    het stof tussen de kaken.” Geen reacties.

    Overtuigend verbeeld

    En zo gaat Van Dam op pad, naar het kruispunt waar hij zijn ziel aan de duivel wil verkopen, net zoals volgens overlevering talrijke onwaarschijnlijk begenadigde kunstenaars en artiesten. Dit omineuze besluit valt min of meer samen met het concept van de zelfmoord. Zelfmoordenaars werden – eveneens volgens overlevering – begraven nabij een kruispunt, zodat hun zondige zielen de weg kwijt zouden raken. De rotonde verhaalt van Van Dams tocht naar zo’n kruispunt, en maakt de lezer deelgenoot van zijn overpeinzingen en inzichten. Poëtisch verwoord, sterk verbeeld, en overtuigend.

    De mens is een ontkenningsautomaat.
    Hij lacht zijn ziekte weg en pimpelt vrolijk
    de jenever binnen na crematie
    of begrafenis. Begint opnieuw.   

    Zo ook Van Dam – maar nu niet meer. Hij trekt
    zijn natte jas uit, vele kilo’s zwaar
    en laat hem achter op het wegdek. Dan
    slaat weer de twijfel toe. De nacht, het zwart,

    het niets! En onder het asfalt meters diep
    de zware klei, die zuigt, die aan hem trekt.
    Op hem leunt een zuil van storm en regen.
    drager van het al. […]

    Zelfbewust dichterschap

    De catch van Mark Boogs lange gedicht, helemaal aan het eind, is eigenlijk prozaïsch (no pun intended). Geheel in overeenstemming met de actuele praktijk in de wegenbouw is het kruispunt waarnaar Van Dam zo doelbewust en ‘definitief’ op weg was omgebouwd tot …? Juist ja: een rotonde. En daardoor is de betekenisvolle symboliek van het ‘kruispunt’ krachteloos geworden en ontlaadt de door de dichter opgebouwde spanning zich als een anticlimax. Van Dam rest geen andere keus dan doelloos rondjes te gaan draaien, achter een vage, grijze gestalte aan …

    De uitwerking van het verhaal doet denken aan een James Bond-film: Spannend, verrassend, onderhoudend, tot aan het einde, wanneer het verhaal steevast uit de bocht vliegt en het eigenlijk te gek wordt. Het lot van Van Dam in Boog’s De rotonde is niet zozeer ‘te gek’. De spanning, die zo knap, dreigend en beheerst werd opgebouwd, wordt aan het slot gewoon niet ingelost.
    Misschien is poëzie voor zo’n ‘verhaal’ dan toch een ongeschikt vehikel? Wel is het een uiting van Boogs sterke en zelfbewuste dichterschap. Dus: ‘verhalend’ is De rotonde niet helemaal geloofwaardig, poëtisch wel.

     

     

  • ‘Bloed gaat nooit teloor’

    ‘Bloed gaat nooit teloor’

    Soms vat één zin een boek samen. ‘Bloed sijpelt weg in de aarde, mensen sterven, anderen nemen hun plaats in, maar zal dat soms de weg veranderen?’ In deze ene zin ligt de essentie besloten van De hartslag van Moskou, de roman waarin de Tsjechische schrijver Jiří Weil (1900-1959) zijn kritiek op de harde Sovjetpraktijken boekstaafde.
    Het is een mooi maar lastig boek. Mooi omdat het een prachtig inkijkje geeft in het vroeg communistische Moskou, toen Weil daar zelf verbleef. Maar ook lastig, omdat Weils schrijfstijl, met zijn vele monologen en bij tijd en wijle trage, bureaucratische verslagstijl, het nodige uithoudingsvermogen van de lezer vraagt.

    Moskou, jaren 30 vorige eeuw
    De hartslag van Moskou vertelt in drie delen het verhaal van Tsjechische migranten in Moskou, aan het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw. In het eerste deel staat Ri centraal, een jonge, half-Joodse vrouw van goede komaf, die in Moskou langzaam de weg van het arbeidersproletariaat inslaat. Iets wat ze als dochter van een fabriekseigenaar zelf wat gekunsteld vindt, maar toch als enige juiste weg naar haar toekomst ziet. Een weg die ‘lijkt op lange Moskouse straten die in de binnenstad met grote paleizen beginnen en bij de houten arbeidersstulpjes in de buitenwijken eindigen.’ Net zoals Ri’s leven steeds minder luxe kent en langzaam wordt losgeweekt van het Europa uit haar jeugd, totdat ze zich in de Kaganovits fabriek voor kogellagers uiteindelijk ontpopt tot ware kameraad die de weg gevonden heeft.

    In het tweede en derde deel spelen achtereenvolgens Jan Fischer en Rudolf Herzog de hoofdrol, leraar ‘politiek correct gedrag’ respectievelijk reactionair communist. Langzaam verdwijnen Europese wortels naar de achtergrond en dringt de communistische machinerie naar de voorgrond. Individualiteit wordt vervangen door harde, ontmenselijkte partijpolitiek. Vooral als na de moord op politicus Sergej Kirov de zuivering op gang komt en iedereen die verdacht wordt of in de weg zit met harde hand wordt vervolgd. Nergens is vastigheid, iedereen vertrekt, alles verandert. Alleen de partij blijft, het communistische bloed, dat weliswaar met iedere veroordeling opnieuw vloeit, maar standvastiger blijkt dan individueel leed. ‘Bloed gaat nooit teloor zoals stukken die in dossiers worden weggeborgen, of paperassen met tientallen stempels.’

    Jiří Weil schreef De hartslag van Moskou vanuit eigen ervaringen. Hij verbleef van 1933 tot 1935 in Moskou en maakte daar de moord op Kirov en de Grote Zuivering mee. Weil werd zelf in de nasleep van de moord gearresteerd en verbannen naar Zuid-Azië, net als veel andere lotgenoten om onduidelijke redenen. Na zijn terugkomst in Praag schreef hij zijn relaas van Ri, Jan Fischer en Rudolf Herzog, als literaire aanklacht waarin hij fictie verweefde met de feiten die hij kende. Alhoewel hem dit op een royement van de Tsjechische Communistische Partij kwam te staan beviel het hem blijkbaar wel. Want in zijn latere werk lopen feiten en fictie vaker door elkaar heen, zoals in Leven met de ster (1949), waarin hij zijn oorlogsherinneringen als onderduiker verwerkte. Jiří Weil schreef in totaal 16 boeken, waarvan er vier in het Nederlands zijn vertaald.

     

  • Faction als (roman)debuut

    Faction als (roman)debuut

    Het is haast bon ton om je bij elk boek dat als een ‘roman’ in de markt wordt gezet, en dat ook maar een beetje van het klassieke beeld daarbij van een vooral psychologisch getint verhaal afwijkt, af te vragen of het eigenlijk nog wel een ‘roman’ mag heten. Chris Kraus overkwam het met I love Dick (1997), de Franse schrijver en journalist Adrien Bosc overkomt het met zijn debuut Morgenvroeg in New York. Beide boeken hebben een min (Kraus) of meer (Bosc) documentair karakter. Bestaande personages worden opgevoerd en schrijven elkaar bijvoorbeeld brieven. Kraus gaat verder, door net als Knausgård, essays in haar roman op te nemen over onder meer de filosoof Deleuze. Zij beschouwt haar boek misschien als een nieuw literair genre, ‘iets tussen culturele kritiek en fictie in.’

    Roman
    Maar ook als je beide romans als ‘roman’ wilt blijven beschouwen, dan nog kun je met een gerust geweten stellen dat het, zoals de aankondiging luidde van een serie van vijf boekjes Over de roman die verscheen in het laatste decennium van de vorige eeuw, nog steeds gaat om een genre dat telkens weer verandert en zichzelf steeds weer vernieuwt, dat ‘steeds van gedaante veranderende ding’, zoals Oek de Jong in een deeltje de roman omschreef.
    Met De Jong zou je de roman van Bosc kunnen kenschetsen als ‘een roman die de kenmerken heeft van onze tijd’: fragmentarisch en beeldend. Zonder dat het iets bedachts of theoretisch heeft. De auteur ontving ervoor inmiddels onder meer de Grand Prix du roman de l’Académie française.

    Het verhaal
    Bosc beschrijft de noodlottige vlucht van de Constellation F-BAZN van Air France op 27 oktober 1949 van Parijs naar New York. De achtergrond van de achtenveertig inzittenden vormt een deel van het verhaal. Zoals dat van vijf Baskische herders die voor een jaar of tien naar de Nieuwe Wereld gaan. De gelaagdheid van de roman in ’t algemeen en hun verhaal in het bijzonder wordt benadrukt door versregels van Grégoire Iturzia die door hun verhaal zijn gewoven:

    Al je zorgen gaan op in rook
    In pluimen van rook
    Wolken trekken weg.

    Het brandende wrak van de Constellation werd gevonden tegen een berghelling op São Miguel, een eilandje in de Azoren.

    Verteltechnieken
    Bosc gebruikt, net als Kraus, allerlei verteltechnieken om zijn verhaal vorm te geven. Net als Kraus zijn dat om te beginnen brieven. Zo schrijft Meisje Mus (Edith Piaf) aan haar geliefde, de bokser Marcel Cerdan die de vlucht maakt. Of schrijft het vioolwonder Ginette Neveu aan haar viooldocente. Er zitten ook verslagen over de vlucht in de roman, zoals die uit France-Soir en teksten van telegrammen.
    Een laag dieper gaan de spiegelverhalen die Brosc vertelt. Zoals over Françoise Brandière die in een auto zat die tegen een boom knalde. Waar Kraus op dit niveau refereert aan filosofie, verwijst Bosc naar schilderkunst. Bijvoorbeeld naar Dalí’s schilderij De volharding der herinnering (Museum of Modern Art, New York): ‘Ligt daar een van die vijf miljoen Mickey-horloges, kapot en druipend over het karkas van een Constellation?’ Een verwijzing naar het succesnummer van de Disney-studio’s: het Mickey Mouse-horloge. Geen toeval, want de onderdirecteur van Disney zit in het ramptoestel. Niet dat filosofie helemaal ver weg is; een van de treffende metaforen komt uit Leibniz’ Theodicee: het vliegtuig is uiteen gespat als een schilderij waar een doek voor hangt, zodat je er maar een deel van kunt zien. Maar ook dan gaat het om een schilderij …

    Faction
    Bosc schrijft dat hij een voorliefde heeft voor toevalligheden en gefascineerd is ‘door mensen die in de vergetelheid zijn geraakt.’ Die voorliefde en fascinatie heeft hij in dit boek kunnen uitleven; toeval waardoor iemand het vliegtuig mist en dus overleeft, of waardoor iemand een vlucht eerder nam en dus verongelukt. ‘Onvermijdelijk toeval of de kracht van het lot, wie zal het zeggen,’ aldus Bosc.
    De auteur heeft een vorm gekozen waarin geen alwetende ik de toedracht van de ramp tracht te achterhalen, maar beschrijft de achtergrond van de levens van inzittenden en hoe die elkaar op één noodlottig moment in de lucht raken. Wat je mist – en ja, dat is de klassieke achtergrond van een roman – is wat meer psychologische diepgang. Dat had het boek een meerwaarde gegeven die er nu aan ontbreekt, hoe grensverleggend het romandebuut op zich misschien ook is.

     

  • Archaïsche roman over het naoorlogse Wenen

    Archaïsche roman over het naoorlogse Wenen

    Wie een boek ter hand neemt van een schrijfster van wie nog niet eerder iets in het Nederlands is verschenen, is geneigd de stijl te vergelijken met die van reeds bekende auteurs. Natuurlijk zit daar dan nog een vertaalslag tussen. De vraag bij Het verborgen stadspaleis (The Exile Return) van Elisabeth de Waal-Ephrussi (1899-1991) is of de soms wat omstandige manier van uitdrukken bij haar schrijfstijl hoort, of dat het ligt aan de vertaler, Gerlof Janzen: ‘Zolang de trein nog in Zürich had gestaan had hij, zei hij tegen zichzelf, nog kunnen uitstappen’ en: ‘Gedurende een paar intense momenten was hij zich sterk bewust van zijn vrijheid van keuze’. De waarheid ligt wellicht in het midden. In ieder geval is er hoe dan ook sprake van een archaïsch karakter in deze in de late jaren vijftig van de vorige eeuw geschreven roman. Zowel qua stijl als qua thematiek, – het leven in Oostenrijk na de Tweede Wereldoorlog-, die volgens Sigrid Löffler in een nawoord ‘welhaast Hofmannsthal-achtig sentimenteel’ aandoet. Al zitten er ook reminiscenties in aan de door De Waal bewonderde Marcel Proust. Zo eet één van de hoofdpersonen, Kuno Adler, Zwitserse chocola ‘als herinnering aan vroeger’, zoals bij Proust madeleines in de bloesemthee worden gedoopt en de herinneringen bovenkomen.

    Kuno Adler
    Het boek bestaat uit drie verhaallijnen. De eerste betreft het leven van de joodse wetenschapper Kuno Adler, die na zijn vlucht naar de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog weer terugkeert naar Wenen en er, zoals zoveel joden kil wordt ontvangen. Herkenbaar, omdat we dit gegeven ook uit de naoorlogse Nederlandse geschiedenis kennen, getuige een recent onderzoek van Hinke Piersma (NIOD).

    Via onder meer de technieken van de monologue intérieur en déjà vu wordt de thematiek uitgewerkt. Door détaillistische beschrijvingen van Wenen kan elke lezer die er ook maar een beetje bekend is, Adler zo volgen. Tot in de Volksgarten aan toe, waar hij een verlaten laan inslaat, op een bankje gaat zitten en weent om alles wat verloren is gegaan: zijn oude baan bij een laboratorium, de vriendschappen, de glans die alles had. Eén ding is duidelijk: het nazistische gedachtengoed leeft voort. In dit geval in de persoon van de chef die Adlers plaats bij het laboratorium heeft ingenomen, dr. Krieger (!). Krieger maakte terloopse opmerkingen over zijn verering van het nazisme, die Adler pijn moeten hebben gedaan, zonder dat De Waal van dit laatste melding maakt; de lezer kan de gevoelens zelf invullen, wat een sterk element in het boek is.

    Theophil Kanakis en Resi
    De tweede verhaallijn volgt het wel en wee van de welgestelde dandy Theophil Kanakis die wekelijks soirées organiseert. Een groter contrast met Kuno Adler is niet denkbaar. Alhoewel Kanakis ook herinneringen najaagt; hij is op zoek naar en vindt een klein palais, een verborgen stadspaleis waaraan de titel van het boek refereert.
    De derde verhaallijn gaat over de adellijke Marie-Theres, Resi, die vanuit Amerika naar Schloss Wald, een kasteel in Opper-Oostenrijk wordt gestuurd om kennis te maken met het leven in het land van haar voorouders in de hoop dat het door cultuur omgeven leven daar het ogenschijnlijk onverschillige meisje goed zal doen.

    Het alleen aanduiden in plaats van omschrijven, zoals we dat ook bij Adler tegenkwamen, zit ook in de verhalen over Resi. Zo schrijft slotvrouwe, tante Franzi aan de moeder van Resi: ‘Vanwege de oorlog, en, erger nog, die naoorlogse jaren’ was er geen lapje stof te krijgen voor een mooie jurk. Dit zijn détails die het boek een inkijkje geven in de naoorlogse Oostenrijkse mentaliteit: je druk maken over zo’n kleinigheid als een lapje stof. Daar staan wat sjablonen over de oude cultuur van Oostenrijk en de Nieuwe Wereld tegenover: de westerse tante die ‘met jaar vijftig jaar echt en geruststellend oud was’ en Valery, de moeder in Amerika van begin veertig die ‘ongepast en geforceerd jong was’.
    De vraag is overigens wat deze derde verhaallijn toevoegt aan de andere twee. Sterker nog: het is eigenlijk een boek op zich.

    De levens raken elkaar
    De verhaallijnen van Marie-Theres en Konrad raken elkaar op het moment dat Resi een soirée bij Kanakis bezoekt en hij haar vervolgens meeneemt naar het Theater an der Wien.
    De levens van Nina, één van de dochters van tante Franzi, en Adler raken elkaar omdat zij op hetzelfde instituut blijken te werken. Dat is wat mager voor een literair werk, waar je meer op elkaar inwerken van de verschillende verhaallijnen zou mogen verwachten.
    Wat volgt, zijn verwikkelingen die het niveau van het boek wat naar beneden halen. Dat is jammer, want van een literaire ontdekking als deze, die de kleinzoon van de schrijfster, Edmund de Waal, door zijn vader kreeg toegespeeld, verwacht je meer.

    Het boek biedt wat archaïsche, détaillistische inkijkjes in het leven van het naoorlogse Wenen. Een wereld die de adellijke, joodse schrijfster van binnenuit kende. De mentaliteit van de bewoners wordt boeiend weergegeven. Gevoelens worden niet altijd ingevuld, zodat de lezer zich daarin kan inleven. Hoewel het boek qua compositie wat te wensen over laat, valt te verwachten dat het een grote lezerskring zal vinden.

     

  • ‘Wie kan weten wat de waarheid is?’

    ‘Wie kan weten wat de waarheid is?’

    ‘Hier woonde Charlotte Salomon, geboren in 1917. Vlucht 1939 Frankrijk, 1940 kamp Gurs. Geïnterneerd Drancy. Gedeporteerd 1943. Vermoord in Auschwitz’.

    Haar leven kort en zakelijk samengevat op een struikelsteen voor haar ouderlijke woning in de Wielandstraße 15 in Berlijn. Struikelstenen  – Stolpersteine  –  zijn kleine vierkante steentjes met een bovenplaatje van messing met een korte tekst. Zulke steentjes worden geplaatst in het trottoir voor de huizen ‘waaruit de Joden verdreven en vermoord zijn.’ (bron: struikelstenen.nl).

    De Duits-Joodse kunstenares Charlotte Salomon is bekend geworden door Leven of Theater? Haar leven in de vorm van een kunstwerk. Haar gouaches werden begin jaren zestig voor het eerst tentoongesteld in Amsterdam. Kort daarop kwam Charlotte, A Diary in Pictures (1963) uit. De eerste volledige uitgave van al haar werk verscheen in 1981. De film Charlotte ging in hetzelfde jaar in première.

    ‘Mijn leven begon toen mijn grootmoeder zich het leven wilde benemen, toen ik te weten kwam dat ook mijn moeder zich het leven benam, evenals haar hele familie, toen ik te weten kwam dat ik zelf de enige overlevende ben en diep in mij dezelfde neiging voelde, dezelfde hang naar wanhoop en dood.  

    Dit schreef Charlotte in Villefranche-sur-Mer. Zij was op advies van haar ouders in 1939 voor het nazi-geweld vanuit Berlijn naar haar grootouders in het dan nog veilige zuiden van Frankrijk gevlucht. Daar hoorde ze van haar grootvader dat haar moeder en haar tante zelfmoord hadden gepleegd: ‘ze probeerde het eerst met vergif en uiteindelijk sprong ze uit het raam. Je tante Charlotte is het water ingelopen.’ Charlotte wist dat tot dat moment nog niet. Haar was altijd verteld dat haar moeder aan een zware griep was overleden.

    Zelfmoord blijkt een terugkerend noodlot in de familie van Charlotte. Nadat haar grootmoeder  in de lente van 1940 zelfmoord pleegde, voelde Charlotte zich voor een keuze gesteld. In navolging van ‘haar moeder en hele familie’ ook uit het leven stappen of aan deze doem ontsnappen door ‘iets heel krankzinnig bijzonders te ondernemen.’
    Ze koos, mede op advies van haar Franse dokter Moridis, voor het laatste en dat resulteerde in Leven of Theater? 

    Uitgeverij Cossee heeft twee boeken van en over Charlotte in de najaarscollectie 2015 opgenomen. Een nieuwe uitgebreidere editie van Leven? of Theater? (met twee vraagtekens) en de Nederlandse vertaling van Charlotte, de roman uit 2014 van de Franse schrijver David Foenkinos. Foenkinos (1974) schrijft dat zijn Charlotte (2015) is geïnspireerd op haar autobiografische werk Leven? Of Theater? Hij vertelt dat hij jaren aantekeningen heeft gemaakt, maar dat het hem maar niet lukte het boek te schrijven.

    Welke vorm moest ik mijn obsessie geven?
    Ik begon, ik probeerde, dan gaf ik het op.
    Het lukte me niet twee zinnen achter elkaar te schrijven.
    Op elk punt voelde ik dat ik vast zat.
    Onmogelijk om verder te gaan.
    Het was een fysieke gewaarwording, een beklemming.
    Ik merkte dat het nodig was steeds op een nieuwe regel te beginnen, om lucht te krijgen.

    Toen begreep ik dat ik het zo moest schrijven.’

    Foenkinos gebruikt deze vorm het hele boek door. Zijn roman begint op het kerkhof: ‘Charlotte ziet haar voornaam staan op een grafsteen.’ Tante Charlotte is in 1913 van een brug in het ijskoude water gesprongen. Hij beschrijft de familiegeschiedenisvan de familie Salomon. Hij begint met Charlottes jeugd in Berlijn. Hij wisselt haar levensverhaal af met verslagen van zijn bezoeken aan de plaatsen waar zij verbleef, haar ouderlijk huis, haar school. In het trottoir voor haar huis ziet hij drie struikelsteentjes, van Charlotte, haar stiefmoeder Paula en haar vader Albert. Hij legt de route van en naar haar school af.

    Vele malen trad ik in haar voetstappen.
    Heen en terug, in de sporen van het kind dat Charlotte eens was.’

    Charlotte is negen jaar als haar moeder overlijdt. Aan een fatale griep, vertelt haar vader haar. Albert Salomon is van plan te verhuizen, maar Charlotte weigert, want haar moeder heeft beloofd een brief te sturen vanuit de hemel: ‘Anders zou mama ons niet meer kunnen vinden.’  Stiefmoeder Paula Lindberg komt in haar leven. En Alfred Wolfsohn, de zangpedagoog van Paula. Hij komt bij Charlotte kijken als ze zit te tekenen. Ze is diep onder de indruk van deze man en ontwikkelt diepere gevoelens.

    Ondertussen komen in 1933 de nazi’s aan de macht. Voor Charlotte en haar familie neemt de dreiging toe. Haar vader wordt opgepakt en geïnterneerd in Sachsenhausen. Sterk vermagerd komt hij weer vrij. Haar grootouders vluchten datzelfde jaar naar Villefranche-sur-Mer in Zuid-Frankrijk. In 1939 voegt Charlotte zich bij hen. Vele jaren later legt Foenkinos dezelfde weg af. De villa waar Charlotte met haar grootouders woonde blijkt afgebroken. Maar de spreekkamer van dokter Moridis is nog intact. Foenkinos beschrijft zijn ontmoeting met diens dochter Kika:

    Dankzij haar heb ik door de entourage van 1940 kunnen lopen.
    Door mijn roman kunnen wandelen.
    Het bordje op de deur is er nog.’

    De afgebroken zinnen passen bij het haastige en onrustige leven van Charlotte. Haar familiegeschiedenis met de zelfmoorden. Charlotte realiseert zich dat zij moet leven om te scheppen, ‘schilderen om niet gek te worden.’ Ze wil haar kunstwerk afronden, voordat de nazi’s komen. Ze zijn al in Parijs. Hoe lang duurt het nog voordat zij het zuiden bereiken?  ‘Ze moet handelen zonder tijd te verliezen.’
    Charlotte herbeleeft haar jeugd. Ze herinnert zich de intieme gesprekken met Wolfsohn. ‘Degenen die een rol in haar leven hebben gespeeld worden personages.’ Zo ontstaat Leven of Theater? Foenkinos beschrijft de bezetenheid waarmee Charlotte werkt: ‘een creëren op de rand van de afgrond’.

    In een grote terugblik tekent Charlotte het verhaal van haar leven en haar familie. Ze maakt meer dan 1300 gouaches met tekstbladen. Met de woorden ‘dit is mijn hele leven’ levert ze haar werk af bij dokter Moridis. Leven of Theater? heeft de vorm van een muziektheaterstuk met akten en scenes, een ‘zangspel’.

    Hiermee stopt de roman niet. Foenkinos’ zoektocht gaat verder. Wat is er met Charlotte en haar familie gebeurd nadat haar kunstwerk voltooid was? Hij werkt het verhaal achter de tekst op haar struikelsteen uit. Gurs, Drancy, Auschwitz. Op de stenen van Paula en Albert staat o.a.: ‘Geïnterneerd Westerbork. Vlucht 1943. Overleefd’. Zij hebben de oorlog overleefd. Er zijn ook struikelstenen met ‘überlebt’ erop. Ze dachten er goed aan te doen Charlotte naar Frankrijk te sturen. Zelf vluchtten ze in 1939 naar Amsterdam. Toeval bepaalde hun lot, het verschil tussen leven (überlebt) en dood (ermordet). Charlotte was zesentwintig jaar toen zij werd vermoord.

    ‘Haar leven is mijn obsessie geworden’, schrijft Foenkinos. Hij heeft een passend motto van Franz Kafka aan zijn boek toegevoegd: ‘Degene die tijdens zijn leven zijn leven niet kan aanvaarden, heeft een hand nodig om de wanhoop van zijn lot enigszins af te weren.’

    Na de oorlog zien Paula en Albert al haar gouaches en teksten voor het eerst. ‘Zij hadden geen idee, van alles wat er in haar omging.’

    ‘Waar is het leven?
    Waar is het theater?
    Wie kan weten wat de waarheid is?’

    David Foenkinos heeft met zijn ingetogen roman een papieren monument opgericht voor de bijzondere kunstenares die Charlotte was.

     

     

  • Coetzee ontleed tot op de millimeter

    Coetzee ontleed tot op de millimeter

    Het universum van J.M. Coetzee, van David Attwell, is een doorwrocht werk dat het vergrootglas legt op de romans van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee (75). Maar het zullen waarschijnlijk alleen de superfans van de Zuid-Afrikaanse schrijver zijn, en een handvol studenten literatuurwetenschap, die de goed verzorgde uitgave op waarde zullen weten te schatten.

    Coetzee laat de analyses van zijn werk graag aan anderen over. De schrijver van bekroonde romans als Wereld & wandel van Michael K (1983) en In ongenade (1999) staat niet bekend als een schrijver die zijn literaire programma graag verklaart of uit de doeken doet hoe zijn romans zijn ontstaan. Daar staat tegenover dat hij er geen moeite mee heeft om anderen toegang te verschaffen tot zijn rijke archief. Hij heeft in ieder geval zijn landgenoot David Attwell (1959), ooit een student van hem, de sleutel gegeven en Attwell heeft uitgebreid gegrasduind in de archiefdozen.

    Het resultaat is een serie analyses van Coetzee’s romans die beschrijven hoe de werken tot stand zijn gekomen. Coetzee heeft zelf literatuur onderwezen op universiteiten in Zuid-Afrika en de VS en weet dus als geen ander hoe waardevol het is als een schrijver niets weggooit, ook de mislukte probeersels bewaart. Dat heeft hij zelf ook gedaan. Attwell heeft dagboeken mogen lezen en manuscripten. Van sommige romans heeft Coetzee wel vijftien eerdere versies overgeleverd; in een archief van de universiteit van Texas worden ze bewaard. Het moet een rijke bron zijn geweest waaruit Attwell heeft kunnen putten.

    Meer nog dan we konden vermoeden, blijken de romans van Coetzee afspiegelingen te zijn van zijn persoonlijke leven en zijn verhouding tot zijn vaderland. Dat geldt met name voor de recente geschiedenis van Zuid-Afrika. In ongenade bijvoorbeeld, de met de Bookerprijs bekroonde roman, beschrijft niet alleen de neergang van een cynische professor die wordt ontslagen na een affaire met een studente. Volgens Attwell ademt de roman ook uit hoe in die eerste jaren na het afschaffen van de Apartheid, begin jaren negentig, de nieuwe politiek voelbaar werd in de universitaire wereld. Politieke kortetermijndoelen werden boven academische belangen gesteld, schrijft Attwell. Daarin moeten we de werkelijke reden van het ontslag van de professor zien, die immers niet met een blanke, maar met een kleurlingenmeisje had aangepapt. Politieke correctheid en dus niet moraliteit vormde de drijfveer van het universiteitsbestuur om de prof te ontslaan. Coetzee stelt die veranderingen in In ongenade aan de kaak. De alom bejubelde manier waarop het nieuwe Zuid-Afrika het rauwe verleden verwerkte – door het instellen van een Waarheids- en Verzoeningscommissie – was voor Coetzee niets anders dan machtsvertoon van de bewindvoerders, aldus Attwell.

    Zelden krijg je de ontstaansgeschiedenis van belangrijke romans zo op een dienblad geserveerd als Attwell hier doet. Dan moet je die romans wel eerst gelezen hebben. Dat is geen straf want Coetzee’s romans zijn stuk voor stuk de moeite waard. De vraag blijft gerechtvaardigd: wat hebben we aan die doorwrochte analyses achteraf? Moet lezing van het primaire werk zelf niet de voldoening geven?