• Recensie: Twee meisjes. Een liefdesgeschiedenis – Perihan Maden

    Recensie door Dominique Rothengatter

    Twee meisjes vertelt het tumultueuze liefdesverhaal van 2 Turkse tienermeisjes in Istanbul, Behiye en Handan die een speciale vriendschap met elkaar krijgen.

    De roodharige Behiye is ongelukkig in haar gezinssituatie. Ze heeft een onhandige moeder, een dociele vader en een dominante en agressieve broer Tufan waarmee het totaal niet botert. Ze heeft afwisselend last van depressieve en agressieve buien. Tussendoor kookt ze en maakt ze fanatiek schoon om alle sporen van haar familieleden uit te wissen. Ze vindt zichzelf te dik en eet daarom amper. Kortom het verhaal van een tienermeisje dat ongelukkig is met zichzelf maar dan wel een met een duister randje.

    Dan ontmoet ze de mooie, lieve meisjesachtige Handan en opeens is de wereld helemaal goed, mooi en als nieuw voor Behiye.
    Behiye loopt weg uit haar ouderlijk huis en trekt in bij Handan, haar mannenbehagende moeder Leman en de er soms verblijvende oude, afgeleefde vrouw, Muki. Tussen Behiye en Leman is er meteen strijd om de aandacht van Handan.
    Behiye gaat uitgebreid koken voor de vrouwen, ruimt op in huis, doet boodschappen en organiseert een heus verjaardagsfeestje voor ‘kindmoeder’ Leman wanneer deze 35 wordt.
    Alles gaat goed zolang Handan Behiye helemaal toegewijd is. Dan blijkt Handan geïnteresseerd te zijn in de rijke Turkse jongen Erim. Behiye wordt heel jaloers en heeft steeds vaker wisselende buien die ze ook naar Handan uit. Het maakt Handan totaal van streek.

    Als vreemde mannen begerig naar Handan kijken wordt Behiye witheet. Ze wil Handan beschermen en verdedigen tegen allerlei kwaad en akelige mannen. Daarom zoekt ze iets om haar te beschermen. Dit vindt ze in de vorm van een bistouri, een steekwapen. Wanneer een taxichauffeur op een gegeven moment ongegeneerd naar Handan’s borsten staart en haar terloops aanraakt slaat dit beeld van hem als een meteoriet in bij Behiye.
    ‘Als ze haar jas aan had gehad, als ze haar bistouri bij zich had gehad, had die vuile hond niet zulke sporen kunnen achterlaten. Behiye zou hem dan weggevaagd hebben, verdreven uit haar territorium. Ze zou hem niet hebben toegelaten; geen krater hebben laten maken. Gevoelens van spijt en schuld verteren haar.’

    Ondertussen vinden er sinistere moorden op jonge, veelal rijke mannen plaats. Alle moorden worden gepleegd met een steekwapen.

    Perihan Ma?den weet wat schrijven is en wat ze vertelt maakt indruk en sleept je mee in het verhaal. Ze gaat op confronterende en heldere wijze in op maatschappelijke problemen zoals de macht van mannen en de onderdrukking van vrouwen, ongewenste intimiteiten en leeftijdgebonden maar ook psychische problematiek. Het maakt dit boek tot een indrukwekkende en rauwe vertelling over een jonge, labiele vrouw in geestesnood. Constant ben je als lezer op je hoede voor de onberekenbaarheid van de hoofdpersoon die de schrijfster in al haar grilligheid zeer knap neerzet. Maar symbolisch gezien zou je Behiye ook kunnen zien als het personage dat in opstand komt tegen de maatschappelijke misstanden en het niet respectvolle gedrag naar vrouwen toe. Handan berust juist in het feit dat mannen zich zo gedragen naar vrouwen.

    Het resultaat is een verhaal met een onheilspellende sfeer met daarin onverwachts liefdevolle, ontroerende en bijna zoete taferelen. Ik heb het boek meermaals weggelegd en het uiteindelijk toch uitgelezen omdat ik heel graag wilde weten hoe het afliep. Mijn advies is dan ook: houd je van realistische, rauwe verhalen met een belangrijke maatschappelijke boodschap, dan raad ik je zeker aan dit boek te lezen.

    Over de schrijfster:
    Perihan Ma?den is in 1960 geboren in Istanbul en studeerde psychologie aan de Bosporusuniversiteit. Ze is journaliste en schrijfster van verhalen en gedichten. Ma?den is een alleenstaande moeder van een dochter.

    De schrijfster is beroemd vanwege haar columns in het dagblad Radikal waarin ze zich duidelijk uitspreekt tegen maatschappelijke misstanden. Toen ze het opnam voor een dienstweigeraar met gewetensbezwaren (dienstweigering is een door de Verenigde Naties erkend recht) werd ze het slachtoffer van een persoonlijke hetze die haar leven volledig op de kop zette. Ze werd veroordeeld tot gevangenisstraf maar ook weer vrijgesproken.

    In 2008 kreeg Perihan Ma?den de Grote Prijs voor vrijheid van meningsuiting door de Turkse uitgeversbond, toegekend vanwege haar moedige optreden.

    Naast het boek Twee meisjes (in 2002 al verschenen in Turkije) heeft Ma?den onder andere Moord op de boodschappenjongens (1991) geschreven en Voor wie waren we op de vlucht? (2009).

    Twee meisjes
    Een liefdesgeschiedenis

    Auteur: Perihan Ma?den
    Vertaald door: Hamide Dogan
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Prijs: € 19,95

  • Laarmans uit Lijmen, Het been en Kaas vertelt

    Laarmans uit Lijmen, Het been en Kaas vertelt

    Antwerpen is de stad van Willem Elsschot, in ieder geval nog tot het einde van dit jaar, vijftig jaar na zijjn dood. De feestelijke herdenking is al een tijdje bezig, vanaf 2007 om precies te zijn. Toen was het 125 jaar geleden dat Elsschot als Alfons de Ridder in Antwerpen geboren werd. Afgelopen mei was er nog een groot tweedaags festival en tot het eind van het jaar zijn er nog allerlei activiteiten, waaronder een Dwaallicht stadswandeling en de tentoonstelling Dichter bij Elsschot.

    Wie plezier wil beleven aan de Dwaallicht wandeling en de tentoonstelling kan zich beter thuis eerst voorbereiden. Laten we beginnen met Het Dwaallicht. Het is Elsschots laatste novelle, uit 1946, en in de uitgave van Atheneum nog geen 55 bladzijden lang. Maar het leesplezier is hier omgekeerd evenredig met de leestijd. Niet lang maar wel veel vreugde.
    De geringe lengte en de leesbaarheid van Het Dwaallicht zijn ook redenen voor scholieren om het op hun verplichte leeslijst te zetten. Maar op bevel lezen is iets anders dan lezen voor het plezier of uit innerlijke behoefte. En Elsschot verdient het niet om als verplichte kost door de jonge strot geduwd te worden onder het mom dat het ergens goed voor zou zijn. Wie niet lezen wil moet de dunne boekjes van Elsschot maar links laten liggen en wachten tot honger naar mooie literatuur ontstaat.

    Het Dwaallicht wordt verteld door Laarmans die we kunnen kennen uit Lijmen, Het Been en Kaas. Laarmans wordt door de oude vrouw die hem een krant verkoopt gewezen op drie ‘rijstkakkers’, door Laarmans ‘zwartjes’ genoemd. Het zijn drie oosterse matrozen van het schip de Delhi Castle. Later blijken het Afganen te zijn. Zij zijn op zoek naar een zekere Maria van Dam en Laarmans biedt aan om hen door Antwerpen te leiden. Het enige houvast dat hij heeft om Maria te vinden is een kartonnetje ‘waarin met potlood een hobbelige tekst is gegrift’: Maria van Dam, Kloosterstraat 15.
    Karel van het Reve merkte op dat je van Elsschots werk onmogelijk kan zeggen dat er iets anders bedoeld wordt dan er staat. ‘Boodschappen- en symbolenzoekers slaan waarschijnlijk bij de eerste bladzijden de schrik al om het hart’, schreef hij in De miskenning van Elsschot (1979). Het merkwaardige is nu dat dit voor Het Dwaallicht helemaal niet opgaat. Hoe helder en zonder versiering Elsschot ook schrijft, toch heeft het sommigen er niet van weerhouden om in Het Dwaallicht nog veel meer te lezen dat uitgelegd moet worden. Een voorbeeld van een dergelijke analyse is die van Kees Fens in het tijdschrijft Merlyn uit 1965. Ook scholieren die op internet het verhaal samenvatten weten wel raad met de symboliek van het verhaal. Drie zwarte mannen uit het Oosten die ’s nachts op zoek zijn naar Maria, dat verwijst natuurlijk naar de drie Bijbelse wijzen uit het Oosten.

    Laarmans zelf ziet die vergelijking ook wel en hij spot er voortdurend mee. Bijvoorbeeld, als het viertal gelooft Maria gevonden te hebben staat er: ‘Nu kan Maria ieder ogenblik verschijnen, want in de grot van Lourdes is het wonder ook gebeurd.’ Het kartonnetje met Maria’s adres wordt gekscherend Mariaboodschap genoemd. Heel serieus kun je de vergelijking met het Bijbelverhaal toch niet nemen, en wie dat wel doet zal toch ook tegelijkertijd moeten glimlachen. Ik ben geneigd Karel van het Reve gelijk te geven en te concluderen dat er inderdaad niet meer bedoeld wordt dan er staat. En dat is mooi genoeg.
    Maria van Dam lijkt ook in niets op de moeder van de Goddelijke zoon die zich vrijwillig aan het kruis liet nagelen. In een hilarische dialoog in een café probeert Laarmans zijn drie metgezellen de essentie van het Christendom uit te leggen, maar de drie moslims begrijpen er niet veel van. Laarmans tekent voor hen de gekruisigde Christus waarop één van de matrozen vraagt: ‘wordt dat hier veel gedaan?’
    Maria van Dam doet me meer denken aan de droomvrouw in het verhaal van een andere zeeman: Larios van Slauerhoff. Een vrouw waar alles voor aan de kant wordt gezet nadat ze alleen maar in een flits voorbij is getrokken, die gevonden wordt om onmiddellijk weer te worden verloren en waar altijd naar wordt gesmacht. Zo hoog als de romantische golven bij Slauerhoff gaan ze voor Elsschots matrozen niet. En ook Laarmans laat zich uiteindelijk niet verleiden tot een romantisch of seksueel avontuur en kiest ervoor om toch maar naar huis te gaan, naar vrouw en kinderen. ‘Een pad dat tot inkeer leidt’.
    Het Dwaallicht blijft een magnifiek korte novelle. In de nieuwe uitgave van Atheneum is er de stadswandeling van Erik Rinckhout aan toegevoegd en het kleine boekje is makkelijk mee te nemen. De beschrijving van de wandeling bestaat niet uit een saaie opsomming van straten uit het verhaal maar probeert inzicht te geven in hoe de wereld van Laarmans er nu precies uitzag. Het dwingt je toch nog even de tekst te herkauwen en dat is niet onaangenaam. Zo komen we dicht bij Elsschot.

    Dicht bij Elsschot is ook de naam van de tentoonstelling die het hele jaar nog te zien is in het Antwerpse Letterenhuis. Uitgeverij Atheneum heeft het gelijknamige boek uitgegeven. De tekst is geschreven door de curator van de tentoonstelling, Wieneke ’t Hoen, en beschrijft bondig maar niet te kort Elsschots levensloop. Het is een prachtig fotoboek dat iedere Elsschotliefhebber niet kan laten liggen. Het bevat foto’s van de schrijver en zijn familie, maar ook van manuscripten, documenten en brieven. Veel is afkomstig uit het literaire en zakelijke archief dat in 2009 door het Letterenhuis is aangekocht.
    Dicht bij Elsschot kom je inderdaad door dit boek en je beseft weer eens dat Laarmans zo erg op Elsschot lijkt. Net als Laarmans uit Het Dwaallicht had Elsschot zes kinderen, was hij liever buiten de deur dan dat hij zwijgend thuis zat en dronk hij soms ‘om het hoofd te doen draaien’, zoals het in Het Dwaallicht staat. Met zijn huwelijk had hij het zwaar. Het beroemde gedicht Het huwelijk schreef hij overigens in Rotterdam na twee jaar getrouwd te zijn. Het boek bevat een foto van de handgeschreven versie.
    Dichter bij Elsschot kom je vooral door hem te lezen. Maar afstand kan bedriegelijk zijn zo valt ook in Het Dwaallicht te lezen. ‘Het is vlak in de buurt, maar de straat schijnt mij opeens zo veraf te liggen, eindeloos ver, zo ver als enige plaats waar de dingen zijn die men nooit bereiken zal.’
    Op naar Antwerpen!

     

  • Wie dit leest is een zot!

    Wie dit leest is een zot!

    Recensie door Rein Swart

    In de serie ‘klassieken’ bespreek ik dit keer het debuut van de Poolse meester uit 1937, dat vaak is vertaald. De uitgave uit 1981, door Paul Beers omgezet, gaf het aangename gevoel dat het daarmee wel goed zat.
    Het is in het begin een wat vreemd boek, waarin groteske verhaal-elementen worden afgewisseld met diepzinnige overpeinzingen over de verhouding tussen jeugd en volwassenheid, kunst en kunstenaars en onze te grote gehechtheid aan vormen.

    Hoofdpersoon is de dertigjarige Jozio, alter ego van de schrijver, die op een dag als zeventienjarige ontwaakt. Het hele boek door blijft hij zeventien jaar. Een professor, de filoloog Pimko, neemt hem mee naar een school, waar tussen de lessen door een strijd ontbrandt tussen twee rivaliserende groepen schooljongens, die elkaar met grimassen te lijf gaan.
    Jozio krijgt onderdak bij de moderne familie Jongmens met de mooie dochter Zutra, die niets van Jozio moet hebben. Hij begluurt haar door het sleutelgat en verzint een list uit wraak, die echter niet goed uitpakt.
    Jozio vlucht met Mentjus, de leider van één van de twee schoolgroepen met homoseksuele gevoelens. Samen gaan ze op zoek naar een boerenjongen. Op het platteland blaffen de mensen als honden. De jongens worden gered door een bemiddelde tante, die hen meeneemt naar haar landhuis. Mentjus raakt in de ban van de jongste bediende en wil hem meenemen, hetgeen de nodige chaos teweegbrengt in het feodale milieu. Tenslotte ontsnapt Jozio met de dochter Zosia naar Warschau. Die laatste daad moet hem verlossen van de kinderlijkheid.
    Dit hoofdverhaal, dat naar het einde toe steeds beter te volgen is, wordt onderbroken door twee nogal drakerige intermezzo’s: over Filimon en later over Filibert, die het achterliggende idee moeten versterken.

    Gombrowicz hanteert een geheel eigen idioom met begrippen als ‘kontje, smoel en kuit’. ‘Kontje’ verwijst naar de infantiliteit, die door de school wordt bevorderd; het doel van het onderwijs, meent de verteller, is de wereld te verkinderlijken.
    ‘Smoel’ is de opgelegde gelaatsuitdrukking, het masker dat we allen dragen en dat door een stevige meppartij, zoals ook in het boek regelmatig gebeurt, misschien kan worden afgezet. ‘Kuit’ staat voor een intiem lichaamsdeel van de vrouw.
    Jozio ageert tegen ‘de lyceïstes, de scholieren, de grondbezitters en landbouwers, de kulturele tantes, de publicisten en stukjesschrijvers, het visioen van een verdachte, troebele demi-monde die op je loert en je langzaam met groen overwoekert als de slingerplanten, die lianen en andere gewassen uit Afrika.’
    De culturele tantes – om een categorie eruit te halen – hebben duidelijke oordelen die ze in tijdschriften verkondigen. ‘Want de kultuur van de wereld wordt beheerst door een horde aan de literatuur verkleefde oude wijven die bijzonder goed zijn ingevoerd in de geestelijke waarden en de esthetische stromingen, meestal beschikkend over een flink aantal ideeën en theorieën, en op de hoogte van het feit dat Oscar Wilde verouderd is en Bernard Shaw een meester van de paradox.’

    Gombrowicz ageert tegen de infantilisering, tegen de verkinderlijking van het individu (‘de melancholische gevangene in het groen’) maar ook tegen de starre volwassenheid. De feodale landheren zijn ook een soort kinderen die een spel spelen met hun bedienden.
    Gombrowicz houdt zijn tegendraadsheid tot op het laatst vol door te eindigen met: ‘Wie dit leest, die is een zot!’ Hij is, lang voor Guus Kuijer, iemand die de jeugdcultus aan de kaak stelt en een pleidooi houdt voor de rijpe volwassenheid, al is die niet gemakkelijk te verwezenlijken. Pas na afloop krijgt het boek zijn ware gewicht, wordt de reikwijdte van zijn stellingname duidelijk en de enorme rijkdom aan vorm en inhoud van dit debuut zichtbaar.

    Ferdydurke

    Auteur: Witold Gombrowicz
    Vertaald door: Paul Beers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atheneum(1981)