• Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    klik op de foto om de achtergrond te zien


    Als Stendhal op 22 januari 1817 de Santa Croce in Florence zou zijn binnengelopen – ik verbeeld het me even – om te schuilen voor een plotselinge regenbui die hem overviel terwijl hij op zoek was naar een dokter die hem kon helpen aan een ontstoken kies, zouden we dan van het naar hem genoemde syndroom hebben gehoord? Het is mogelijk, maar minder waarschijnlijk. Althans niet op die vrijdag, denk ik.

    De dag voor zijn 34ste verjaardag, sprak Stendhal in Florence een monnik aan die hem de kapel in de Santa Croce binnenliet waar hij de fresco’s van Baldassare Franceschini (‘Il Volterrano’) wilde zien. Eenmaal binnen raakte hij in extase bij het plotselinge besef dat hij hier stond tussen de graven van Michelangelo, Galilei, Macchiavelli, Rossini en zoveel andere kunstenaars en met zoveel schoonheid om zich heen. Hij werd overdonderd door sensations célestes, hemelse sensaties. Hij kreeg hartkloppingen – ‘wat ze in Berlijn de zenuwen noemen’, legt hij uit – en stond te trillen op zijn benen.

    Het kan in fictie een stuk erger. In De gevangene, het vijfde deel van de cyclus Op zoek naar de verleden tijd, laat Proust zijn Bergotte zelfs overlijden aan duizelingen als hij naar het stukje gele muur met een puntdak op Gezicht op Delft van Vermeer staat te kijken.

    Trillende benen

    Er staat me een onuitwisbaar moment voor ogen waarop ik zelf op zijn minst duidelijke symptomen van het syndroom ervoer. Dat was bij het schilderij Black, Red over Black on Red van Mark Rothko in het Centre Pompidou. Ik heb elders werk van hem gezien. In het Gemeentemuseum (tegenwoordig Kunstmuseum) in Den Haag zag ik in 2014 zijn overzichtstentoonstelling. Ik maakte ‘Rothko en ik’ mee in het Stedelijk Museum in Schiedam. Beide verliet ik teleurgesteld. Ik weet waarom. In Den Haag moest ik laveren tussen schuifelende lijven waaruit hinderlijke commentaren opstegen. Stilte was er daarentegen voldoende in de kamer waarin ik in Schiedam tien minuten alleen mocht zijn met Grey, Orange on Maroon, No. 8. Mensen verlieten soms huilend de ruimte, had ik vooraf gelezen. Ik bleef zelf betrekkelijk onberoerd. Te hoge verwachtingen barricadeerden bij voorbaat elke spontane emotie.

    Dat in het Centre Pompidou een Rothko hing wist ik niet. Het was vooral die argeloosheid van me die de schok veroorzaakte toen ik een hoek omging en overspoeld werd door het volle licht van het schilderij. In de ruimte was geen ander publiek. Ik voelde mijn adem stokken, stond te trillen op mijn benen. Iets vergelijkbaars is de ‘historische sensatie’ van Johan Huizinga. In een befaamd artikel in De Gids in 1920 schreef hij:

    ‘Het kan zijn, dat zulk een historisch détail, in een prent, maar het zou evengoed kunnen zijn in een notarisacte, terwijl het mij toch als zodanig onverschillig is, mij opeens het gevoel geeft van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mij zelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie’.

    Zonder verwachtingen

    Lang geleden maakte ik een rondreis door Griekenland met een vaag verlangen naar een sensatie zoals Edward Gibbon die op de verweerde stenen van het Capitool in Rome ervoer. De enige plek waarop ik in Griekenland een bescheiden glimp van verbondenheid met het verleden ervoer was het oude stadion in Olympia. Er waren nauwelijks mensen. Er ruiste een zachte wind. Ik was er niet op bedacht. Ik heb het blijkbaar nodig leeg te zijn, zonder verwachtingen. Net als Stephen Greenblatt in zijn essay Resonance and Wonder, ‘Looking may be called enchanted when the act of attention draws a circle around itself from which everything but the object is excluded, when intensity of regard blocks out all circumambient images, stills all murmuring voices’.

    Er zijn schrijvers die mij als lezer zowel de symptomen van het syndroom van Stendhal, alsook de ontroering van een historische sensatie kunnen bezorgen. Dat zijn de groten, zoals de Brit Richard Holmes. Hij is het meest bekend van zijn biografieën over schrijvers als Samuel Taylor Coleridge en Percy Bysshe Shelley. In 1986 las ik van hem Voetsporen. Daarin beschrijft hij hoe hij te werk gaat. Dat doet hij in zo’n grootste stijl en met zo’n sterke verbeeldingskracht dat ik het boek af en toe aangedaan moest wegleggen. Toen ik het een paar jaar later niet meer in mijn boekenkast terugvond (te enthousiast uitgeleend en nooit teruggekregen?), sloeg dat een pijnlijk gat. Ik schafte het onmiddellijk opnieuw aan. 

    Volledig ingepalmd

    Holmes slaagde erin mij totaal in te palmen en mee te nemen naar de mensen over wie hij schreef en de tijd en omstandigheden waarin zij leefden. Het was alsof ik met hen meewandelde, met hen at, met hen ademde. Holmes bereikte dat door zelf volkomen op te gaan in de schrijvers over wie hij vertelt. Een veelzeggende zin van hem: ‘Voor mij begint mijn leven als biograaf op de dag dat mijn bank een cheque weigerde omdat die per ongeluk 1772 was gedateerd’. De wegen van Shelly nawandelend maakte hij een foto van de achtertuin van Casa Bertini in Bagni di Lucca. In 1818 woonde Shelly, 26 jaar, daar met zijn eenentwintig jarige tweede vrouw Mary, baby Clara en vierjarige zoon William. Dood en ellende achtervolgden hem. Baby Clara stierf dat jaar, William een jaar later, Mary kreeg een zenuwinzinking. ‘De schim van de kleine William Shelly komt te voorschijn achter de plataan rechts’, noteerde Holmes bij de door hem zelf gemaakte foto.
    Ik zag het ook.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Zomerboeken 2018 – Vakantiebestemming Corsica

    Zomerboeken 2018 – Vakantiebestemming Corsica

    De huid

    Corsica hoort bij Frankrijk en is Frans, ik zal het niet betwisten, maar de band met Italië is eveneens onmiskenbaar. Het eiland was vanaf de 14eeeuw tot het jaar 1768 onderdeel van de republiek Genua. Deze republiek kwam aan zijn einde door de bekendste zoon van Corsica: Napoleon Bonaparte. De vele Genuese wachttorens langs de gehele kust van het eiland, elk met zicht op twee anderen, zijn stille getuigen van de geschiedenis. Italiaanse invloeden kunnen ook worden teruggevonden in het eten, met pasta en een overvloed aan kaas, en in de locale taal, een variant van Toscaans.

    Voor deze zomerrubriek heb ik daarom gekozen voor literatuur waarin Frankrijk en Italië op een bepaalde manier samenkomen en er een, al dan niet vergezochte, connectie met Corsica kan worden gelegd.

    Curzio Malaparte – De huid (1949)
    Wie Corsica zegt, zegt Napoleon. In de eilandhoofdstad Ajaccio bevindt zich een groot monument voor de militante, zelfgekroonde keizer dat door busladingen Fransen wordt bezocht. Maar wie Bonaparte zegt, kan gemakkelijk verder associëren naar de literaire luis in de pels die zichzelf Curzio Malaparte doopte. Deze geboren Italiaan was de ultieme non-conformist. In beide wereldoorlogen was hij ooggetuige en betrokkene; tijdens de eerste vocht hij als jonge vrijwilliger voor het Franse vreemdelingenlegioen. In 1947 week hij uit van zijn beroemde huis op het ballingseiland Capri naar Parijs, maar was daar evengoed uit de gratie vanwege zijn ongrijpbare politieke opstelling. Hierover schreef hij in Dagboek van een vreemdeling in Parijs. Ook zijn eerste boek, Techniek van de staatsgreep, dat hem in conflict bracht met zowel Stalin als Trotski (hoe typerend), geniet nog steeds bekendheid. Zijn tijdloze plaats in de literatuur dankt Curzio Malaparte echter aan twee grote, essayistische oorlogsboeken: Kaputt en De huid. Vooral dit laatste werk is groots, huiveringwekkend, vlijmscherp, briljant, een unieke overdenking over de moraal van de mens in erbarmelijke omstandigheden. De huid is een van die uitzonderlijke boeken die gedurende vele jaren blijven hangen. Plan minstens een extra dag in om bij te komen.

     

     

    De huid
    Auteur: Curzio Malaparte
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2007)

    De preek over de val van Rome

    Jérôme Ferrari – De preek over de val van Rome (2012)
    De schrijversnaam en de titel werpen al direct lijnen uit van Frankrijk naar Italië, maar het boek dat in 2012 de Prix Goncourt won speelt zich daadwerkelijk af op Corsica. Ferrari’s ouders zijn afkomstig van het eiland en hij heeft er zelf gewoond en filosofie gedoceerd. De roman is een niet bepaald typische familiegeschiedenis, gedrenkt in de apocalyptische sfeer uit de preken van kerkvader Augustinus over de ondergang van Rome (ergo: de wereld). Ruzies en wraak blijken, na een idyllisch begin, onontkoombaar op het eiland dat nog niet zo lang geleden bekend stond om zijn bloedige vendetta’s. Het wordt allemaal prachtig opgeschreven door Jérôme Ferrari, in een moeiteloos vloeiende stijl van lange zinnen die je als lezer geregeld aan de pagina’s kluisteren. Niet het makkelijkste vakantieboek, maar wel zeer fraaie literatuur en ook nog eens op en top Corsicaans.

     

     

    De preek over de val van Rome
    Auteur: Jérôme Ferrari
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De Kartuize van Parma

    Stendhal – De kartuize van Parma (1839)
    Frankrijk, Italië en Napoleon, ze komen samen bij Stendhal. Deze 19e-eeuwse, Franse romancier, diende in het leger van Napoleon en woonde lange tijd in Milaan. De achtergrond van zijn bekendste romans (zoals Het rood en het zwart) wordt gevormd door precies deze, deels autobiografische elementen. Dat geldt ook voor De Kartuize van Parma, dat daarnaast vol staat met hertoginnen en hofintriges. Stendhal dicteerde zijn romans en tijdens het lezen krijg je soms inderdaad het gevoel dat iemand mondeling een verhaal aan het vertellen is. Een verhaal vol interne conflicten bij de protagonisten, even heftige als wisselende emoties, maar zonder het plechtstatige wat in de romantiek nog wel eens aanwezig is. Integendeel, de vertellerstoon van Stendhal is licht ironisch en zonder opsmuk, met een enigszins fragmentarisch aspect in de compositie die elke vorm van hermetische geslotenheid uitbant. De Kartuize van Parma kan derhalve betiteld worden als een luchthartig gevoelsavontuur dat een prima tijdsbesteding biedt tijdens een zonnige vakantie aan de Middellandse zee

    De Kartuize van Parma
    Auteur: Stendhal
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep (2017)
  • De ziel van het lezen

    Jarenlang heb ik op de Muziekschool in Amsterdam hoboles gehad. De langste tijd van Leo van der Lek, die althoboïst was van het – toen nog niet Koninklijk – Concertgebouworkest. Op een gegeven moment vond hij de tijd rijp om mij rieten te leren snijden. Gewapend met een glas water om het hout in nat te maken, een mes om het te snijden, een vijl om het dunner te maken en ga zo maar door. En tot slot met een stel stevige lippen om het eindproduct dicht te knijpen. Het was best leuk om zo bezig te zijn, en het leverde ook geestige momenten op wanneer Van der Lek op het eind van een les bijvoorbeeld met een zwierig gebaar het glas water uit het open raam leegde en er toevallig net een andere docent zat te genieten in de zon …

    Maar wat je al rieten makend vooral nodig had, was een dosis gevoel om, zoals Van der Lek het noemde, een ziel in het riet te leggen. Hij wist zelfs de plaats ervan aan te wijzen. De magie is er alleen een beetje af, nu ik in de roman Morgenvroeg in New York van Adrien Bosc las dat ook een viool een âme, een ziel heeft. Dat vurenhouten stukje binnen in de klankkast kan ook gewoon worden aangewezen: ‘Een paar millimeter rechts van de kam en het staartstuk zorgt de stapel, de “ziel”, vanbinnen (…) voor weerklank.’

    En toeval bestaat niet. Al struinend tussen boeken in de uitverkoop tref ik voor in het essay Wat alleen de roman kan zeggen van Oek de Jong een motto aan van Stendhal: ‘Een roman is als een strijkstok, de klankkast van de viool – dat is de ziel van het lezen.’
    Het wordt wel erg veel allemaal, een ziel die je overal opeens, soms aanwijsbaar, schijnt terug te kunnen vinden. Bosc concludeert met enig gevoel voor drama iets soortgelijks als Stendhal, namelijk dat de ziel een soort galmkamer is, ja zelfs ‘de zwaarte van het bestaan.’ En dat vindt hij wel een mooie gedachte.

    In dat citaat vibreert uiteraard een boektitel mee. Van een roman natuurlijk. Die romans, en de ziel van het lezen zelf, hebben een beetje de plaats van de hobo ingenomen. Het viel me zwaar hem aan de wilgen te hangen, maar met de vervanging kon het minder.

     

    Foto Henk Hilterman

     

  • Oogst week 42

    Oogst week 42

     

    Schuld
    …schuldig bin ich
    Anders als Ihr denkt.
    Ich musste früher meine Pflicht erkennen;
    Ich musste schärfer Unheil Unheil nennen;
    Mein Urteil habe ich zu lang gelenkt…
    Ich habe gewarnt,
    Aber nicht genug, und klar;
    Und heute weiß ich, was ich schuldig war.

    Dit is een gedicht uit de Moabiter Sonette die Albrecht Haushofer schreef tijdens zijn gevangenschap in Nazi-Duitsland.

    ‘Wat schrijven mensen in het uur van de waarheid? Hoe verhoudt zich dat tot andere literatuur die in volkomen afzondering is geschreven?’ vraagt Maarten Asscher zich af in een interview in De Volkskrant van 16 februari 2013.
    Het is onderwerp van de dissertatie waarop hij eind oktober hoopt te promoveren. Aan de hand van de autobiografische getuigenissen van Silvio Pellico, Oscar Wilde en Albrecht Haushofer gaat Asscher op deze vragen in.
    Tegenover deze drie schrijvers plaatst hij drie schrijvers die de gevangeniservaring als onderwerp kozen voor hun literaire verbeelding: Stendhal, Charles Dickens en Jan Campert. Welke categorie boeken – de getuigenis of de verbeelding – draagt de benauwenis van de gevangeniservaring het sterkst op de lezer over?

    Het uur der waarheid, over de gevangenschap als literaire ervaring, Maarten Asscher, Atlas/Contact, 408 pagina’s, € 24,99

     

    In datzelfde interview vertelt Asscher dat hij zo’n hekel heeft aan het woord ‘leesschuld’. Het is inderdaad een vreselijk begrip, maar wel één dat iedere lezer meteen begrijpt. Gelukkig gaat hij verder: ‘Ik heb sterk het gevoel dat je op een gegeven moment aan die boeken wel toekomt, over een maand, een jaar of over twintig jaar.’
    Dat moment is nu misschien aangebroken voor al die lezers die nooit De vreemdeling van Camus lazen. In zijn wereldberoemde roman over moordenaar Meursault gaat alle aandacht uit naar deze hoofdpersoon. Aan de vermoorde man wordt enkel gerefereerd met de woorden ‘de Arabier’.

    Algerijn Kamel Daoud geeft deze man een naam in zijn debuutroman Moussa, of de dood van een Arabier. Hierin probeert MoussaHaroen de moord op zijn broer te verwerken.
    Maar het is veel meer dan een verwerkingsroman. Het is een roman die kritisch is op De vreemdeling, kritisch op godsdienst, kritisch op geweld en kritisch op het kolonialisme van het Westen. Tegelijkertijd zijn er veel raakvlakken met het werk van Camus dat van directe invloed is geweest op het leven van Daoud. Als jongen raakte hij in de ban van islamistische groeperingen. Het lezen van o.a. De mens in opstand en De mythe van Sisyphus veranderden zijn kijk op het leven.
    Kamel Daoud won met deze roman Prix Goncourt voor Debutanten.

    Moussa, of de dood van een Arabier, Kamel Daoud, vertaald door Manik Sarkar, Ambo Anthos, 114 pagina’s, € 18,99

     

    Winter in Gloster HuisIn Winter in Gloster Huis van Vonne van der Meer gaat het over kiezen. Kiezen tussen dood en leven. Deze keuze wordt gesymboliseerd door twee hotels elk aan de andere kant van de oever van een meer. Aan de ene kant een hotel waar je waardig en omringd door aandacht kunt sterven, aan de andere kant Gloster Huis waar je terecht kunt als je op het laatste moment toch twijfelt aan je doodswens. Het ene hotel is van Richard, het andere van zijn broer Arthur. Arthur zegt: ‘Zijn kracht ligt in het willen, de mijne in wachten.’
    Het is een roman die de discussie over het vrijwillig levenseinde weer zal doen aanwakkeren.

    Winter in Gloster Huis, Vonne van der Meer, 
Atlas Contact
, 144 pagina’s, € 17,99

  • Zomerrubriek 2012 – Menno Hartman

    Laat u inspireren door de recensenten en redacteuren van Literair Nederland.

    Menno Hartman beantwoordt de volgende vragen:

    Heb je literaire vakantieplannen?

    De behoefte aan lezen en reizen komen bij mij uit eenzelfde bron. Ik reis om de wereld te leren kennen, zoals ik lees om de wereld te leren kennen. Deze zomer ga ik naar Indonesië en daar komt dan een derde aspect bij: dat van de geschiedenis. Waar ik ook ooit die fascinatie heb opgedaan; als ik in gebieden ben waar Nederland een koloniaal verleden heeft, dan verdubbelt de wereld daar naar een huidige en een verleden wereld. En ik wandel door beide tegelijkertijd. En je schippert heen en weer tussen de ene en de andere terwijl je leest. Toen ik bijvoorbeeld eens op Sulawesi was, heb ik op een boot  middenin de golf van Tomini de eerste oude man gesproken die graag een paar woorden Nederlands met mij wilde wisselen, (‘hallo graag even voorrrstellen, mijn naam is Alexxx’) omdat hij nog herinneringen had uit de tijd dat Nederlands algemener was in Indië. Op dat moment leef ik in mijn heden, daar op die boot, en in zijn verleden. Die verdubbeling is wat ook aan lezen zo prachtig is. Dus: ik ga naar Indonesië en lees over het droevig verleden van dat eilandenrijk, en heb gelijkertijd de mogelijkheid naar het heden te kijken. Ik neem Vincent Mahieu mee, A. Alberts en R. Nieuwenhuys. Suggesties zijn welkom.

    Welke roman heeft je het afgelopen half jaar het meeste geboeid? 

    In de roman Mother’s Milk van Edward St Aubyn (vertaald als Moedermelk, uitgegeven door Meulenhoff, vertaald door Nicolette Hoekmeijer) volgen we Patrick Melrose in een aantal opeenvolgende zomervakanties. Hij heeft een vrouw en twee jonge zoontjes. Zijn moeder laat hun Franse vakantiehuis niet aan hem na, maar aan een zweverige stichting. Patrick heeft een probleem met zijn moeder, zijn vrouw wil niet meer met hem naar bed en hij heeft een drankprobleem. In hoofdstuk 9 volgen we hem een ochtend lang waarop hij bellen cognac drinkt en espresso’s op een Frans terras en er niets gebeurt dan dat de lezer zijn furieuze dronkenschap zich ziet ontwikkelen. Hilarisch, scherp, meeslepend, een absolute aanrader dit boek, nu lees ik het vervolg At Last. De vertaling daarvan verschijnt volgens de vertaalster op 16 juli.

    Bezoek je in het buitenland wel eens literaire plekken? 

    Zo min mogelijk, zoals ik ook literaire evenementen tracht te vermijden. Vorig jaar liep ik opeens tegen de ‘Popping Stone’ aan, een groep stenen in Noord Engeland waar Sir Walter Scott zijn aanstaande zijn huwelijksaanzoek deed. ‘The question just popped’ een moderne mythe die lokaal zoveel navolging heeft gehad dat er vele heren en dames heen gaan om hun verhoopte aanstaande tot de vraag te verleiden. In zijn soort een prachtig voorbeeld van een literaire plek: lichtjes truttig en weinig met literatuur uitstaande hebbend.

    Van welke hoofdpersoon ben je nog steeds onder de indruk? 

    Herzog uit de gelijknamige roman van Saul Bellow. De mooiste naamgever van een roman die ik ken, een compleet mens, niet samen te vatten in minder dan 500 pagina’s. Ik ben op zoek naar een lijst met boeken die als titel de naam van hun hoofdpersoon hebben, ik noem maar eens, alle indrukwekkend: Babbitt van Siclair Lewis, Ravelstein van Herzog, Werther Nieland van Reve, Henri Brulard van Stendhal, gaarne aanvullen…

    Menno Hartman (1971) is oprichter van Literair Nederland en redacteur bij Uitgeverij Van Oorschot en van het literaire tijdschrift Tirade. Recensies van Menno Hartman.

    Wilt u ook een bijdrage leveren aan deze Zomerrubriek klik dan hier.

    Klik hier voor de bijdrage van Karel Wasch
    Klik hier voor de bijdrage van Albert Hogeweij

  • Overwegingen halverwege een boek 1

    door Menno Hartman

    Ik lees Verloren Illusies van Honoré de Balzac. ‘Wat moet je lezen als je een boek uit de negentiende eeuw wilt lezen,’ vroeg ik iemand die er verstand van heeft. ‘Balzac,’ was het onmiddellijke antwoord. ‘Meer wisecracks op de vierkante centimeter dan welke andere auteur dan ook.’

    Door een boek van een redelijke jonge Latijns-Amerikaan, Andrès Neuman, De tijdreiziger, was ik weer een beetje op het spoor van deze-eeuw-waarin-alles-begon gezet. Of anders wel door Umberto Eco’s De begraafplaats van Praag, waarin Eco de holocaust laat kiemen in de complotrijke wereld van revolutionairen in de eeuw van de eenwording van Italië en Duitsland. In Balzacs Verloren illusies is de revolutie ook niet zo ver weg, niet meer dan een halve eeuw. En de hoofdfiguur Lucien worstelt met zijn nederige afkomst en liefde voor een adellijke dame. In het dorp maakt de bourgeoisie hem belachelijk. Liberté, egalité, fraternité, maar rond 1830 is de wereld nog altijd verdeeld in standen. Balzac heeft inmiddels wel de mogelijkheid erover te schrijven.

    Een ‘overweging halverwege een boek’ geeft weinig kansen iets over het einde kwijt te kunnen. Zover ben ik nog niet. Maar des te meer redenen om te zien of het boek te vergelijken is met andere boeken, want dat is toch wat een lezer lezende doet. Binnen 30 pagina’s moet duidelijk zijn of je doorleest. En waarom niet wachten tot ik het boek uit heb om met een weloverwogen oordeel te komen? Omdat ik context boeiender vind dan oordeel. Omdat ik graag boeken lees waarvan ik het een gotspe zou vinden ze van een eindoordeel te voorzien. Omdat ik een boek nooit uit heb maar er altijd midden inzit.

    Welnu, waar lijkt dit boek op, en waarin onderscheidt het zich? Het relaas van een begaafde jongeling die uit zijn milieu tracht te komen, zou ook een omschrijving van Stendhals Rood en zwart kunnen zijn. Dat de toon overeenkomt is niet zo vreemd, Stendhal is maar een beetje ouder, zijn werk heeft ook romantische en realistische kenmerken. Bij Stendhal moet de religie het steeds veel meer ontgelden. Stendhal kan je lezen als een geestige afrekening met de hypocrisie van het toenmalige katholicisme. Daar lijkt Balzac nog maar weinig mee op te hebben. Balzac fileert opgeblazen persoonlijkheden. Iets waar ik altijd erg enthousiast van wordt. Een mooie wisecrack dan maar in deze beschrijving van een van de salonbezoekers: “Iemand die zich onbekommerd op de stroom van de gebeurtenissen laat meedrijven en ervoor zorgt dat hij het hoofd boven water houdt, zodat het lijkt of hij de gebeurtenissen zelf leidt, wat dan nog slechts een kwestie van behendig sturen is.” (vertaling Jan Versteeg) Dat is toch mooi, je kunt je er menig politicus bij voorstellen.

    Er wordt geduelleerd. Dat koude feit en de liefdesperikelen tot in de venijnige details beschreven brengen ook Choderlos de Laclos in gedachten met zijn Liaisons Dangereuses, wat wel wat vroeger geschreven is en dan ook nog nadrukkelijk het ancien regime aan de lezer toont. Tolstoj is later, en in een werk als Oorlog en vrede speelt in de salons wel een gelijkluidend gekonkel van ‘erbij horen’ of net niet, een rol. Centrum en periferie, nog zo’n typische Russische hang up die ook Balzac in deze roman niet vreemd is. Twee aan elkaar grenzende stadsdelen waarvan er een wel goed is, en het andere net niet, maatschappelijk gezien.

    Vage aanduidingen van gelijkenis, maar de auteurs hebben elkaar allemaal kunnen tegenkomen (zijn elkaar wellicht ooit tegengekomen?) Dat Tolstoj Balzac las kunnen we zeker weten. Dus, waarin onderscheidt Verloren Illusies zich? Puntiger dan Tolstoj, psychologischer  dan Stendhal, luchtiger dan De Laclos. En dan weer: minder filosofisch dan Tolstoj, minder alomvattend dan Stendhal, minder venijnig dan De Laclos.

    In ‘overwegingen halverwege een boek’ zit ook het vorige boek althans deze lezer nog in het hoofd: Shuzaku Endo The Girl I Left Behind, een prachtig verhaal over een man, die een meisje niet al te goed behandelt, haar achterlaat, in zijn leven nog een paar keer van haar hoort, haar niet uit zijn hoofd krijgt, haar tracht te achterhalen, net te laat is.

    De zus van Lucien is een Endomeisje, een meisje waarvan je vermoedt dat de egocentrische Lucien haar achter zal laten, terwijl zij alles voor hem gedaan heeft.

    Ik lees door in Balzac omdat de randfiguren me interesseren, en omdat ik bijna niemand mooier in kort bestek mensen op hun plaats heb zien zetten dan Balzac dat kan. Een andere salonbezoeker is in Balzacs omschrijving bijvoorbeeld: ‘Iemand bij wie alleen de leegte diep gaat,’ en een derde bladert overdag wat in Cicero opzoek naar een passage die hij ’s avonds in de salon met betrekking tot een actuele gebeurtenis achteloos kan laten vallen. Ik ben voldoende misantroop om deze kant van Balzac zeer te waarderen.

     

    De volgende keer hoop ik halverwege Yourcenars Hadrianus gedenkschriften te zijn.

  • Verhalen en een novelle over liefdesverhoudingen

    Verhalen en een novelle over liefdesverhoudingen

    Recensie door Rein Swart

    Een vijftal verhalen en een novelle over liefdesverhoudingen waarbij macht, machinaties list en bedrog een belangrijke rol spelen. In Vanina Vanini gaat het om de liefde van de welgestelde mooie Vanina voor een Italiaanse vrijheidsstrijder, die sterk op de proef wordt gesteld door de omstandigheden. Vanina probeert hem los te weken van zijn strijd door zijn kameraden te verraden, maar de liefde moet het tenslotte ontgelden als de vrijheidsstrijder zichzelf aangeeft en hij ook voor zijn terechtstelling in de gevangenis niets meer van haar wil weten.

    De kist en de geest gaat over de liefde van een jonge Spaanse vrouw voor een jongeman die door een machtige politiecommissaris wordt vastgezet, zodat hij zelf met de schone vrouw kan trouwen en met haar in zijn kasteel kan wonen. Als de jongeman eenmaal weer vrij is, dringt hij in een kist het kasteel binnen, waarop een zeer tumultueus slot volgt.

    Leven en dood van Mina von Wangel zou een bewerking zijn van een Deense verhaal van M. Oehlenschläger. In een noot schrijft vertaalster Tatjana Daan echter dat Oehlenschläger voor zover bekend nooit de geschiedenis van Mina op schrift heeft gesteld.

    De hoofdpersoon, die volgens de openingszin in Königsberg werd geboren, in het land van de filosofie en de verbeelding, is een lichtzinnige negentienjarige vrouw die in Duitsland niet kan aarden en daar ook niet wil trouwen. Na de dood van haar vader krijgt ze toestemming om voor zes maanden het landgoed te verlaten en met haar moeder vertrekt ze naar Parijs. Tijdens een jachtpartij ziet ze een mooi landgoed dat aan een graaf toebehoort, die een oogje op haar heeft. Nadat Mina ook haar moeder verloren heeft, adviseert een vriendin haar om te trouwen en naar Duitsland terug te keren. Ze raakt tijdens een zomer in Aix verliefd op een getrouwde heer en ze verzint allerlei listen om hem aan zich te binden, met haar eigen dood tot gevolg.

    In De liefdesdrank komt een Franse luitenant op de late avond uit een café, als een vrouw op straat wordt gegooid en voor zijn voeten terechtkomt. Hij twijfelt eerst of hij iets moet doen maar als zij een jonge knappe Spaanse blijkt te zijn, is hij blij dat hij haar geholpen heeft. Hij is stapel verliefd op haar, maar zij is nog steeds verslingerd aan een brute minnaar. Ziedaar de ingrediënten voor een onverkwikkelijke afloop.

    Het houterige San Francesco a Ripa draait om twee nichten van de paus, een gravin en een prinses, die dezelfde minnaar hebben.

    In het drakerige Féder of De vermogende echtgenoot tenslotte wil ballerina Rosalinde met Féder trouwen, maar deze tweederangs kunstschilder wil eerst wat meer geld bezitten en Rosalinde helpt hem op weg. Féder schildert de knappe ex-kloosterlinge Valentine en wordt verliefd op haar. Om te voorkomen dat haar man en broer argwaan krijgen, stookt hij de mannen tegen elkaar op. Zoals te verwachten was, wordt Rosalinde jaloers op Valentine en keert zich tot de kerk. ‘Is dat niet de laatste eigenschap die de wereld bij een danseres zou vermoeden?’ vraagt de verteller zich af.

    Vaak gaan de vrouwen, die vaak worden gekenschetst als wispelturig en lichtzinnig, het klooster in. Dit geldt ook voor Mina.

    De verhalen zijn sterk gericht op de intriges tussen mannen en vrouwen die tweehonderd jaar geleden omslachtig en met scrupules toenadering tot elkaar zochten. In de verhalen komen veel dezelfde situaties voor, waarin men elkaar aantrekt en weer afstoot. Afgaande op de beschrijving van de verhalen lijkt het inhoudelijk misschien interessant, maar het blijven lege karkassen met weinig vlees en smaak. De verhalen komen niet tot leven, zijn te uitleggerig, te langdradig en staan vol met vreemde wendingen en cesuren. Daar kan zelfs de prachtige rode omslag, die ik schat op negentig magenta en honderd yellow, weinig aan veranderen.