• Onverwachte poëzie

    Onverwachte poëzie

    Hoe ik mij op een avond met heel veel plezier verloor, ergens in een verkavelde Noord-Hollandse polder, in een oneigentijdse collectie van dichtbundels van een gestorven hoorspelregisseur.

    Op een regenachtige maandagavond reed ik terug vanuit West-Friesland naar Amsterdam met een fijne buit aan honderden dichtbundels van voornamelijk Nederlandse poëzie. Een hoorspelregisseur was overleden en liet een flinke boekencollectie na. In een jaren vijftig ruitjeshuis van een van de nabestaanden stond ik de bundeltjes te tellen: 328 in totaal. Ik nam ook nog een aantal kunstboeken mee en aan de wand zag ik een mooi schilderijtje hangen van een stadsgezicht in de avondmist dat me deed denken aan de Londense schilderijen van de Tachtiger Willem Witsen (1860-1923). Zo gek bleek mijn associatie niet te zijn. De opa van de dame die zich had ontfermd over de boekenerfenis bleek de schilder van dit werkje en hij verbleef in dezelfde periode als Witsen in Londen, zo rond 1890.

    Ik zakte weg in de tijd en vertoefde met de vaak prachtig grafisch vormgegeven poëzie in een dichterlijke dimensie die nog eens versterkt werd door het schaarse licht in huis en de waaiende duisternis buiten. Namen en titels van vergeten, bijna vergeten, tijdelijk bekende en beroemde dichters gingen door mijn handen. Ik lees van Paul Rodenko (1920-1976) in zijn verzamelde gedichten het gedicht Vreemdeling, dat begint zoals ook zijn biografie heet:

    Ik ben een vreemdeling,/ ik sta apart./ Elk ding/ zwelt tot een klam gezicht./ Ik tors het licht./ Het is stijf als een drenkeling./ Ik ben alleen./ Mijn moegerekte hart/ staat steil gericht:/ een meterhoge klarinet./ Maar geen geluid haalt grond in het/ star zwijgen om mij heen.

    Maurice Gilliams (1900-1982), Guillaume van der Graft (1920-2010), Catharina van der Linden (1909-2002), wie kent ze nog? Wie leest ze nog? Alsof hun poëzie eigenlijk al te verstoft is, te stoffig, te oneigentijds . Misschien is dat de reden dat ik van deze gedichten houd. Zoals ik graag naar een foto kijk, van een straat uit de jaren vijftig, waar zoveel nog niet is, de volheid van nu afwezig is, pas later wordt ingekleurd. Ida Gerhardt (1905-1997), ook zo’n type dichter, die bij wijze van spreken al ouderwets of te klassiek was toen mijn opa en oma de nieuwe tijd omarmden van auto, televisie en vakantie. Maar haar kosmisch-religieuze gedichten mogen soms wel reactionair klinken, tegen mijn hedendaagse ik in, ik kan niet ophouden ze te lezen. Zoals ook Marsman mij boeit en zelfs, aiai, Adriaan Roland Holst met zijn gezwollen taal. Stiekem, ik doe er een, van Van der Graft (ps. van Willem Barnard):

    De wind zo langademig in de bomen/ als liefde die nachtenlang niet inslaapt/ maar aldoor dezelfde naam herhaalt,/ onachtzaam voor anderen, onverstaanbaar,/ zodat men kan zitten in de kamer/ van één eigen leven mensvormigheid/ maar buiten dit lichaam verlopen er tijden/ en worden er levens gedrenkt in de regen/ en zoeken er doden een naam als een klok.

     

     

  • Secundair leven

    Secundair leven

    Vanochtend reed ik door een uitgebreidere variant van de nieuwbouwwijk dan waar ik, in de jaren tachtig, in opgroeide. Onder de rook van Schiphol bleek een opgeblazen ‘groeikernhel’ (Don Duyns) te liggen met de naam Hoofddorp. En een waterhoofd is het. Wie waren die fantasieloze ambtenaar-architecten die in de jaren 80 en 90 dit soort wijken uit de grond stampten? Met gelige baksteen in plaats van de rode uit vroeger jaren wordt het straatbeeld nog monotoner dan het al is door de gevels en huizenblokken, ontworpen door nuts-denkende bouwers.

    Ik reed door een wijk met (al lang vergeten) vrouwelijke schrijvers: Anna Blamanstraat, Ina Boudier-Bakkerlaan, om te stoppen voor een huis in de Annie Mankes-Zernikestraat. Via email had ik een lijst met boeken ontvangen waarop ik terugmailde: ‘Dank voor uw aanbod, maar er zit te weinig interessants tussen. Succes ermee.’ Ik kreeg een mail terug dat hij met de interessante boeken best wel langs wilde komen. Ik keek nog eens goed naar de lijst en besloot toch langs te gaan.

    Eenmaal binnen keek ik naar een paar stapels boeken op de eettafel en begon te selecteren, onderwijl pratend met de, zo bleek, leraar op een middelbare school in Nieuw-Vennep. ‘En daar heb ik ook nog wat staan,’ zei hij, ‘gekocht voor mijn studie filosofie en vanwege mijn interesse in de literatuur.’ Het drong tot me door dat het zeer de moeite waard was dit ritje te hebben gemaakt. Radical Enlightenment van Jonathan Israel zat er tussen. Maar ook boeken van filosofen als Richard Rorty, Kant en Nietzsche, van klassieke schrijvers als Herodotus en Augustinus en verschillende cultuur-historische studies.

    Hurkend op mijn knieën keek ik de stapels door die op de grond stonden. Lekker grasduinen en eruit pikken wat verkoopbaar, interessant of beide is. Voor mezelf pakte ik Het boek van de schoonheid en de troost van Wim Kayzer, naar de prachtige tv-serie die hij in de jaren negentig maakte met meerdere schrijvers, filosofen, wetenschappers en kunstenaars over de vraag naar de zin van het leven en de herinneringen gekoppeld aan schoonheid en troost. Door die serie werd er in mij een gevoel van reflectie geboren, een filosofische houding die tot dan toe, begin twintiger die ik was, nog niet aan de oppervlakte was gekomen. Het secundair kijken naar de wereld, niet impulsief maar juist reflectief, beschouwend.

    Thuis legde ik nog wat boeken voor mezelf terzijde. Van de geoloog Salomon Kroonenberg, over spraakverwarring, De binnenplaats van Babel (Atlas Contact, 2014), en ook zijn Waarom de hel naar zwavel ruikt (Atlas, 2011), waarin geologie, geschiedenis, kunst en cultuur met elkaar worden verweven. Over de werkplek van de geologie, letterlijk: de onderwereld. Reden waarom ik ook een boek voor mezelf hield over de magnifieke etsen van de Italiaanse architect Piranesi (1720-1778) van het oude Rome, maar ook van imaginaire onderaardse gewelven en catacomben. Harry Mulisch maakte mij attent op Piranesi in 1997. In dat jaar maakte de schrijver een tentoonstelling, een keuze uit de collectie van het Stedelijk Museum. Net als in 1996 Komrij dat al eens deed voor het Stedelijk. Om de drieslag compleet te maken van dode, Nederlandse, schrijvende mannen: plukte ik voor mezelf ook Johnny van Doorn uit de stapels. Zijn autobiografische verhalen waren van een stilistische souplesse, die maar weinig Nederlandse schrijvers met hem delen. Voor mijn doctoraalscriptie waarin ik zo’n beetje verzoop in de onmatige en ondeskundige wens wetenschap te bedrijven, gebruikte ik een paar zinnen van Van Doorn uit De geest moet waaien (1977): ‘Mijn hoofd was tot barstens toe gevuld met gedachten die alle kanten uitgingen. Ik wilde er iets mee doen, maar hoe kon ik ooit meester worden van die chaos?’ (Red)Middel: schrijven.

     

     

  • Ode aan een boeken- stad

    Ode aan een boeken- stad

    De wekker ging om half zeven. Het stormde en de regen sloeg tegen de ramen. Met tegenzin stapte ik een uur later in de auto en reed door het donker richting oosten. Op de snelweg lagen grote plassen water en achterin de auto stonden twintig dozen vol met boeken. Literatuur, geschiedenis, filosofie, kunst- en fotoboeken. Om negen uur reed ik die ochtend het centrum van de IJsselstad  binnen. Op een terp voor de Bergkerk hield ik halt. In de stromende regen bracht ik de boekendozen naar binnen. Waarom? Niemand gaat toch door dit hondenweer naar buiten! Was ik maar thuis gebleven, lekker warm in m’n bed. Om tien uur waren alle meegebrachte boeken netjes uitgestald over de tafels. Ik was de laatste antiquaar die was binnengekomen met zijn waar, maar net op tijd om de teleurstelling urenlang te gaan verbijten. Een verregende dag in een Overijsselse provinciestad. Wat deed ik daar?

    Ik stond dus in een middeleeuwse kerk in Deventer boeken aan de man te brengen. Om tien uur begon de markt. En voor ik het wist, ik had nog geen tijd voor koffie gehad of een smsje richting mijn lief dat ik veilig was aangekomen, was het één uur in de middag. Drie uur lang werden de boekenkramen bestormd zoals de muren van de kerk een paar honderd jaar geleden tijdens de Beeldenstorm. Deventenaren en ommelanders, wat een enthousiasme en kooplust. ‘Zo blij dat er weer een boekenmarkt is,’ hoorde ik een aantal mensen zeggen. Wat blijkt? Er bestaat in Deventer een boekenclub van 500 tot 600 leden. En natuurlijk, Deventer heeft de grootste boekenmarkt van Nederland, maar dat is in de zomer en niet op een natte dag in januari.

    Maar misschien heeft dat succes wel  een oorzakelijk verband met het enthousiasme van de lokale lezers. Ook mijn buren, collega-antiquaren uit de stad, zijn alleraardigst, komen om het half uur een praatje maken en bekennen dat ze vreesden voor hun verkoop, omdat ik naast ze sta met mijn boeken. Ik zeg dat dat wel mee zal vallen en koop een paar mooie boeken bij ze. Onder andere Baudelaires Les fleurs du mal in de Franse Bibliotheek van Van Oorschot en Nescio’s Natuurdagboek. Tevens weten ze me te strikken voor een lidmaatschap van de vermaarde Stichting De Roos. En terecht. Dit bibliofiele genootschap laat twee tot drie keer per jaar in een kleine oplage een speciaal voor hen vervaardigde publicatie verschijnen. Vaak is dat een samenwerking tussen een kunstenaar en een schrijver. Dubbeltalenten als Armando of een grote schrijver als Grunberg lieten hun werk al eens door De Roos uitgeven. ‘Je krijgt waarschijnlijk nummer 153,’ zegt de penningmeester. Niet onbelangrijk in de wereld van de bibliofilie. Een nummer zijn is in dit geval juist waardevol. En ik hoef niet op een wachtlijst, want er zijn onlangs een aantal leden overleden en er is weer een nummer te vergeven. Het abonneebestand vergrijst, dus ik, maar! 43 jaar oud, verlaag de gemiddelde leeftijd weer enigszins. Daar zijn ze blij mee. Net als mijn tijdelijke buurman en collega, die ook in het bestuur van De Roos heeft plaats genomen. In Deventer is het in de wereld van het boek goed toeven. Met heel wat minder boeken en een verlicht gemoed rijd ik ’s avonds weer richting het westen.

     

     

  • Bonnetjes en ansichtkaarten

    Het is een van de laatste dagen van 2015 dat ik op een ochtend aan de eettafel van de heer F. zit. Hij maakt koffie voor me in de keuken. In afwachting daarvan schuif ik een foto en een ansichtkaart naar de plek waaraan hij zo weer zal plaatsnemen. Ik vond ze in de boeken die ik de vorige keer van hem heb overgenomen. Zo vind ik vaak een visitekaartje, een brief, een boodschappenlijstje of een bonnetje in de boeken die ik aankocht.

    De heer F. zet de koffie op tafel en pakt de suiker erbij. Hij kijkt naar wat ik voor hem heb neergelegd. Doet zijn bril af. Kijkt. Zet zijn bril weer op. Kijkt. En blijft kijken. Achter hem valt het grijs-gele ochtendlicht vanuit de overwoekerende tuin naar binnen. Afwisselend pakt hij de foto en de ansichtkaart op en kijkt ernaar. De ansichtkaart is een geposte kaart uit 1982, geadresseerd aan de heer F., Kassel, Germany. Het is een eindejaarswens van de Duitse kunstenaar Sigmar Polke (1941-2010), generatiegenoot en een van de velen die F. uitnodigde om te komen exposeren op de door hem georganiseerde Documenta 7 in 1982, het vijfjarige evenement dat in Kassel de stand van de hedendagse kunst brengt onder de vleugels van een curator/ directeur van naam en faam. F. verbleef drie jaar in Kassel om Documenta 8 te bewerkstelligen. ‘Polke bracht zijn schilderijen pas een dag voor de opening. We waren goede vrienden.’ Thuis blader ik door de 2 delen van de Documenta 8-catalogus heen en zie de namen van de kunstenaars voorbij komen die hij in Kassel bijeenbracht: Andy Warhol, Gerhard Richter, Marina Abramovic, Jean-Michel Basquiat, Marlene Dumas, René Daniels, Robert Mapplethorpe, Isa Genzken, Anselm Kiefer en Cy Twombly. ‘Ik kreeg van het Van Abbemuseum waar ik nog directeur was, 500 gulden in de maand doorbetaald, dan hield ik in elk geval nog uitzicht op mijn pensioen.’ Scherp, dacht ik, zou ik waarschijnlijk niet aan denken als ik gevraagd zou worden voor een dergelijke eervolle opdracht.

    De zwart-wit-foto is een kiekje van De heer F. met een collega en kunstenaar, Johannes Gachnang, genomen in Turijn, toen ze samen directeur waren van een museum in die stad.  Hij kijkt naar zijn jongere zelf, een lachende ook. Goed gemutst staan ze nonchalant te poseren op het bordes van het ‘castello’. Ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hij spreekt over de kleermakers die ze hadden. Die van hem zat in London. Dan ineens: ‘Ik moet weer door, ik ga weer aan het werk. Ik moet een artikel schrijven voor een expositie van de kunstenaar Daniel Buren, een goede vriend van me. Gisteren heb ik een dag verprutst, de hele dag gedaan over een zin die ik later weer heb verworpen. Ik begin altijd te moeilijk, het moet simpel blijven.’ Ik wens hem fijne dagen. We hebben weer een afspraak staan in de eerste week van het nieuwe jaar. Dan struinen we verder door zijn boeken en zijn leven.

     

     

  • Strooptocht door boekendozen

    Een paar maanden geleden kocht ik een partij boeken van een Amerikaanse dame die al twee decennia in Nederland woont en directeur is van een culturele instantie. Gisteravond begon ik aan de dozen met boeken om een selectie te maken van wat wel of niet interessant is om in mijn collectie aan te bieden. Haar vakgebied is architectuur, stedenbouw, ruimtelijke ordening, cultuurgeschiedenis, maar ook film, kunst, design en fotografie heeft haar interesse. Voornamelijk uit de Angelsaksische cultuur voortgekomen. Het is een urenlange, heerlijke strooptocht door de boekendozen. Naast mijn commerciële blik, wordt mijn particuliere interesse ook gevoed. Ik pak een boek over vuur in het Amerikaanse landschap, foto’s van heidebranden en bossen in de fik, smeulende velden en brandende bomen (Larry Schwarm, On Fire, 2003). Het boek is gesigneerd door de fotograaf en heeft, ironisch genoeg, wat waterschade! Ik zet het bij mijn andere boeken over vuur van o.a. Johan Goudsblom en Sebastian Junger. Ooit zag ik de film Quest for Fire waarin oermensen, levend in moerassen, op zoek gaan naar vuur nadat hun gestookte en gekoesterde vuur tijdens een overtocht door het water, met drager en al kopje onder ging. Vuur als warmte- en voedselbron. Vuur de vernietiger, maar ook een natuurfenomeen dat noopt tot menselijke samenwerking.

    Of het boek Values of Agrarian Landscapes across Europe and North America. Glooiende heuvels, een enkel huisje, de kleuren bruin, groen en geel en blauw domineren op de landschapsfoto’s. Sinds ik in de bergen ben geweest, pas op mijn dertigste, wil ik er steeds weer naar terug. Stiekem zou ik er willen wonen, in een huisje tegen de berg aan. Arcadië, de pastorale, de leegte, hoogte, het sublieme, de hang naar rust en de nietigheid in de grillige natuur, zomaar een paar begrippen of gevoelens die me te binnen schieten als ik door het boek blader, of beter gezegd, die uit mijn onderbewuste omhoog borrelen. Maar ja, ook het boek  in de volgende doos bevalt me en maakt me nieuwsgierig naar het leven en wonen in een Amerikaanse stad: Robert Cameron’s Above Chicago, a new collection of historical and original aerial photographs of Chicago. Een lekker vet gekleurd platenboek met luchtfoto’s van deze Gross-Stadt waar de invloedrijke modernistische architect Mies van der Rohe neerstreek en met zijn wolkenkrabbers de skyline ging tekenen. De ligging van Chicago aan Lake Michigan en de gerasterde straten en wegen, onder soms een felblauwe zomerlucht en dan weer een prachtig wolkendek, maakt me hongerig naar De Grote Leegte om de stad heen.

    Daar weer onder ligt een boek getiteld Brilliant on the Skyline (SUN, 2011), over de architectuur en het design van een terminal op Schiphol. Ik houd van non-descripte, anonieme, lege ruimtes, zonder mensen, maar vol van licht en strakke lijnen en uitgekiende kleuren en vormen. Waarom vaart dat steeds in mij? Het verlangen daar te zijn of heen te gaan, de plekken op foto’s met veel ruimte, de glooiende horizon, de grote leegte, daar  waar weinig tot geen mensen te zien zijn. Onderin de laatste doos ligt een monografie over de architect W. van Tijen (1894-1974). Een van de beeldbepalende architecten van het naoorlogse Nederland die de wijk ontwierp die achter ons huis staat, aan de westelijke rand van Amsterdam. Ik ben weer geland, thuis en klaar voor vandaag.

     

  • Reizen langs boekruggen

    We zitten weer voor zijn boekenkast, de heer F. en ik. Twee uur lang. Buiten vallen de bladeren van de bomen. Het is begin november 2015. Ik heb alle tijd om rond te kijken, maar moet wel opletten. Elk moment kan er beslist worden of een boek terug de kast in gaat of dat ik het kan meenemen. Langzaam schuiven we langs de kasten die de meterslange muur beslaat. De reis langs de soms grijze, bruine maar ook vaak kleurige ruggen, verloopt rustig en ingekeerd.

    Het selectieproces is een mentale krachtsinspanning zie ik aan de kunsthistoricus. Elk boek behelst voor hem een ontmoeting, een anekdote, een referentie naar zijn tijd als museumdirecteur. Het literaire, politieke en historische deel van de collectie is al gewikt en gewogen. We passeren decennia stromingen. Kunstenaars die de geschiedenis stutten – Alberto Giacometti, Marcel Duchamp, Kurt Schwitters, Mondriaan, en waarmee heer F. gewerkt heeft: Markus Lüpertz, Donald Judd, Carl Andre, Joseph Beuys. Hij heeft tentoonstellingen met ze gemaakt en teksten over hen geschreven. ‘Maar ik zie ze steeds minder’. En met ‘ze’ bedoelt hij de grote kunstenaars van de afgelopen decennia. Gerhard Richter bij voorbeeld, maar ook Georg Baselitz. Ik zie een analogie met het jaargetijde, maar houd het voor me. Ooit kunstenaarsvrienden, maar nu op gevorderde leeftijd neemt met de tijd de afstand weer toe.

    Ik zeg: ‘Ook zoiets als vriendschap is gebaseerd op een gedeeld eigenbelang.’ De heer F. kijkt me met een vrolijke frons aan maar zegt verder niets. Nu veel kunstenaars waarmee hij verkeerde dood – of al een tijd lang gearriveerde personen in de kunst –  zijn, is de noodzaak tot samenwerking minder groot. ‘Ik wil nu met jonge kunstenaars werken.’ Prachtige kunstenaarsboeken van Per Kirkeby, Sigmar Polke, Carl  Andre, Katherina Sieverding, Marcel Broodthaers en A.R. Penck gaan door onze handen. Vooral die van Penck lijken wel schetsboeken, de zoektocht en onderzoek naar het kunstwerk waren in de jaren zeventig belangrijker dan het uiteindelijke resultaat. Vooral de tijd in het Van Abbemuseum uit de jaren zeventig en tachtig is in zijn studeerkamer goed vertegenwoordigd op de planken. Hij wijst naar een muur naast de deur waar een lage boekenkast staat. Aan de muur hangen portretten en werken van zijn idolen: Goethe, Beuys, Rembrandt, Kirkeby. Zelfs hij heeft idolen. Tuurlijk, iedereen heeft ze. Inspiratiebronnen.  Ik denk aan een paar mensen die ik als voorbeeld zag, van vroeger tot nu: Marco van Basten, Salvador Dalí, Vincent van Gogh en Friedrich Nietzsche. Ik kan er nog wel een paar noemen die me bijvoorbeeld aan het lezen kregen in mijn jeugd: Simon Vestdijk, Maarten ’t Hart, Heere Heeresma, Jan Wolkers. En de leraren die me de interesse voor literatuur en geschiedenis bijbrachten op de middelbare school.

    Ineens hoor ik: ‘Kun je een dichtbundel voor me regelen van Hans Faverey? Een paperback van zijn Verzamelde gedichten, 3e druk, 1990. Voor op reis. Dank je wel.’

     

     

  • Niet-lezers

    Dromen van een jachtslot vol kunst 

    Boekenblog door Stefan Ruiters

    Als ik online een boek verkoop, pak ik het in en stuur het naar mijn klant. Vaak via de verzendservice van DHL. Dat servicepunt bevindt zich in een doe-het-zelf-zaak, waar drie mannen in rode truien, of als het warm is, in een rood t-shirt mij helpen. Aardige mannen. Met één van hen praat ik over wielrennen, met de ander over metalband Metallica en met de baas eigenlijk nergens over. Maar we maken intussen wel geintjes. Wat hij geregeld zegt is: ‘goh, en dat zijn dus allemaal boeken? Die hebben ze dus bij jou gekocht?’ En: ‘Dat gaan ze dan dus lezen?’ Mijn reactie is dat boeken inderdaad nog gekocht worden. ‘En gelezen ook wel zo af en toe, denk ik.’ Daar moet ie vooral om lachen. De baas is duidelijk geen lezer. De anderen trouwens ook niet. Dat merk je, als lezer. Hetzelfde geldt voor kinderen hebben of niet. Of op wintersport gaan of niet. Je bent een vader, moeder, een skiër of snowboarder. Of niet. Je bent een lezer of niet. Ik vertoef met beiden, maar vooral met niet-lezers.

    Er wordt wel eens zorgelijk gedaan over dat niet-lezen. En in het verlengde, het niet-kopen van boeken. Ik maak me er ook wel eens zorgen over, uiteraard. Ik betreur het dat een scherm het overneemt van het boek ,of de snelheid en fragmentarisering van de digitale wereld die ten koste gaat van onze concentratie en verbeeldingskracht. Het is fijn een boek in handen te hebben, te voelen, te ruiken en te strelen. Een kunstboek, soms groot en zwaar, vol fantastische foto’s of afbeeldingen van kunstwerken. Een roman, lekker in de hand, gezet in een mooie letter. Of een studie over de obsessie van nazi’s met kunst. Daarover lees ik nu (Anders Rydell, De plunderaars. De nazi-obsessie met kunst. Atlas Contact, 2015).  Ik denk wel eens, een beetje pijnlijk is dat wel, dat ik die obsessie deel. Dat ik me dan voorstel Hermann Göring te zijn. In zijn stoutste gedachten kan iedereen wel eens zo megalomaan zijn. Göring liet in 1933 een jachtslot bouwen, genaamd Carinhal, naar zijn overleden vrouw en vulde dat met kunst. Daarnaast bezat hij meerdere verblijven, verspreid over Duitsland, ook vol met kunst. Rond de vijftienhonderd werken verzamelde hij. De nazi top bestond uit een paar fervente kunstverzamelaars. Verder waren ze natuurlijk zo fout als maar mogelijk is.

    Maar ik dwaal af. De wereld bestaat uit meer niet-lezers dan lezers. Ik hoorde zelfs op de radio dat Nederlandse kinderen, met Kroatische, voorop lopen als het gaat om afkerig te zijn van lezen. Dat verbaast me niet maar vind het wel een treurige gedachte. Nederlanders lopen vaak voorop als het gaat om het afbreken van waardevolle zaken. Gebouwen, geschiedenis, natuur, cultuur. Cultuur is in Nederland vaker niet dan wel een belangrijke zaak. Dus hoe krijgen onze kinderen mee dat cultuur, en daar hoort lezen bij, van belang is? Eens een keer niet nuttig bezig zijn, maar lekker dwalen in literaire of kunstzinnige projecten van een ander. Of je eigen dromen najagen, die nooit in vervulling zullen gaan. Zoals de droom een jachtslot vol kunst te bezitten, met een bibliotheek genoemd naar mijn geliefde.  

     

     

  • De noodzaak van boeken

    Nadat ik met mijn boeken was verhuisd van het centrum van Amsterdam naar de westelijke grens van de stad, begon ik de boekenkasten in te richten naar onderwerp. Gelijk wist ik dat er een kast moest vrijblijven voor ‘mijn’ boeken. Het is een volgepropte kast geworden met boeken over uiteenlopende onderwerpen. Boeken die ik bij me wil houden, die nabij moeten zijn, want ze verrijken de geest, ze doen je afdwalen van het soms schrijnende hier en nu.

    Ik zie een boek van Joost Zwagerman staan, Beeld verplaatst, zijn gedichten bij foto’s van Koos Breukel, Charlotte Dumas, Erwin Olaf, of bij kunstwerken van Rob Scholte, Harald van der Vlugt en Pieter Bijwaard. Omdat ik hou van de combinatie beeld en woord, of in het algemeen kunstdisciplines die elkaar beïnvloeden of op elkaar reageren en met elkaar communiceren. Maar ook over Tahiti Tattoos. Ik heb er zelf ook een paar, geen Moorse, maar het versierde mensenlijf fascineert me. Waarom je lichaam alleen laten tekenen door het leven? Maak van je lichaam een kunstwerk. Maak van je armen, rug en benen een wandelende totempaal, vol tekens van het verleden dat je met je meedraagt. Ik zie een boek over Moorish Architecture staan. De Europese cultuur die al eeuwen lang beïnvloed is door andere culturen en continenten. We gaan er zelfs heen op vakantie, om te zien hoe de veroveraars van het Iberische schiereiland ons verrijkten met hun gebouwen en ambachten.
    Europäische Meisterzeichnungen aus der Sammlung der Fürsten zu Waldberg-Wolfegg, alleen al de titel van het boek, heerlijk. Je waant je onmiddelllijk in een van die Zuid-Duitse deelstaatjes in de 17
    de eeuw. Keurvorst Max Willibald (1604-1667) was er naast krijgsheer ook (kunst)verzamelaar en legde een van de grootste private verzamelingen van die tijd aan. Meer dan tienduizend werken op papier verzamelde deze man. Vast niet altijd op rechtmatige wijze, maar toch, daar wil ik wel eens heen. Net zoals ik graag nog eens het Museum Schloss Moyland bezoek, waar ook een boek over is. Dat is een slot over de grens bij Nijmegen, waar de verzameling van Franz en Joseph van der Grinten is tentoongesteld.  De meeste werken zijn van de kunstenaar Joseph Beuys, waarvan ik een groot liefhebber ben, vooral van zijn werken op papier. Er liggen in ‘mijn’ kast ook een paar boeken van mopperkont George Steiner. De cultuurfilosoof die een wereld verloren ziet gaan aan gemeenschappelijke referenties, literair, historisch en cultureel. Hij is natuurlijk een highbrow-academicus die weinig op heeft met onze snelle tijd. Door hem leer je wel in het heden de poëzie te ontdekken, de paralellen met vroeger te zien, waardoor je blik meerduidiger en vooral filosofischer wordt.

    Dit zijn maar een paar van de ongeveer 300 boeken die in ‘mijn’ kast staan. Wellicht een volgende keer meer. Meer over de betekenis van boeken die nabij zijn.

     

    joot.nl

     

     

  • Bushokboeken

    Uitstalling als sociaal experiment

    Sommigen werpen een blik naar binnen tijdens het lopen, een enkeling stopt, de meesten staan er met hun rug naar toe. Of kijken wel maar zien ze niet. Boeken, mooi uitgestald achter het raam op een tafel van de ontwerper Kho Liang Ie. De brieven van Vincent van Gogh, een monografie over Anselm Kiefer, een paar titels van Friedrich Nietzsche, een Atlas of the Functional City en een set boeken over het 19de eeuwse Parijs van de fotograaf Eugène Atget. Het hoeft ook niet, ik ben geen boekhandel met openingstijden. Maar aanbellen mag als je een boek wilt zien. De uitstalling is voor mij een sociaal experiment geworden.

    Sinds een een paar maanden woon en werk ik in Nieuw-West, stadsdeel Geuzenveld op de grens naar Osdorp. Daarvoor heb ik meer dan tien jaar een winkel gehad in één van de negen straatjes in hartje Amsterdam, tussen de grachten. Heel anders dus.

    Ik had besloten mijn bureau aan de straatkant te zetten omdat aan de achterkant een gemeenschappelijke tuin is waarin kinderen een jungle creëerden en waarin dagelijks het darwinistische principe survival of The Fittest de boventoon voert.

    Als ik vanaf mijn werkplek naar links kijk, zie ik een bushokje. Halte Troelstralaan voor de buslijnen 69 en 61, richting Schiphol en Slotervaart. Ik zie vanaf deze plek veel mensen, wachtend op de bus. Ogen gericht op de straathoek waar de bus verschijnen moet. Ze willen weg van deze plek. Naar werk, school, familie of vliegtuig.

    Terwijl e-mails met bestellingen uit Nederland en uit de rest van de (vooral) Westerse wereld binnenkomen, heeft nog geen enkele wachtende een keer aangebeld en om een boek gevraagd. Het grote raam dat ons scheidt, lijkt een scheiding te markeren van werelden van verschil: leefwereld, denkwereld, culturele wereld. Is dat ook zo? Ik zou eigenlijk gewoon eens op een wachtende moeten afstappen en vragen of het haar/hem is opgevallen dat ik hier zit. Met kasten vol boeken, achter dat grote raam, op vier meter afstand van de doorgaande straat, de buurtring zoals de gemeente deze weg noemt.

    De wachtende mens als beschouwelijk object. Tweederde is vrouw, denk ik.  Alle huidskleuren zijn vertegenwoordigd. Blank is in de minderheid. Ik vind dat geen vervelende gedachte. Waarom zouden wij, witte mensen, dit deel van de aarde claimen. Omdat we er een paar eeuwen hebben gewoond?

    Sommigen gebruiken het bushokje als spiegel of om van zich af te staren, of misschien wel ter meditatie. Toevallige ontmoetingen vinden er plaats. Een enkeling rookt een sigaret, de meesten kijken op hun smartphone, luisteren muziek middels koptelefoon of oortjes en er wordt veel gesmst en geappt. Haarkleur is vooral donker, mediterraan, Afrikaans, Oost-Europees, Aziatisch. Soms een blonde dame, of een wat oudere blanke heer. Vaker is de haarkleur verstopt onder een hoofddoek, petje of shawl.
    Ik vraag me wel eens af: Hoeveel van hen hebben gisteravond de tv uitgelaten en een boek opengeslagen?


    JOOT.NL

     

  • Stylemeister

    Boeken om zelf te houden

    Boekenkastblog door Stefan Ruiters

    Amsterdam, dinsdagochtend 10.00 uur. Ik stap een op twee hoog gelegen appartement  binnen, vlakbij de Beethovenstraat. ‘De champagne staat al klaar hoor, haha.’ Zo’n uitbundige ontvangst bij een boekeninkoop heb ik niet eerder gehad. Door de kamers lopend, zie ik gelijk dat deze man stijl heeft. Alles in de ruimte is zorgvuldig gecomponeerd, als een 3D-schilderij. Onmiddellijk moet ik denken aan het atelier cq de woning van Mondriaan in Parijs en New York. Uitgebalanceerd, elementair, doordacht. Maar er is een verschil: de strenge, rechtlijnige Mondriaan ving zijn wereld in de kleuren rood, geel, blauw, in dit huis is het voornamelijk het zwart en het wit die overheersen, met hier een daar grijs of een houtkleur. En de man die tegenover me staat, is het uiterste contrast in persoonlijkheid: flamboyant, hartelijk, open, met een goede dosis zelfrelativering. ‘Nou, kijk maar wat er tussen zit, joh.’ Ik zie de stapels verspreid in een zijkamer staan en in de twee ingebouwde kasten in de muur.

    In zo’n huis wil je wonen, denk ik, de boeken van de grote fotografen Cartier-Bresson, Avedon, Bourke-White en Mapplethorpe doorbladerend. Het interieur is speels, met hier en daar een beeldhouwwerkje, een schilderij of een foto, dan weer een stoel van leer en hout en een robuuste tafel met graatmagere stoeltjes. De referenties aan de kunst zijn overal aanwezig: een lamp als een Alexander Calder, een schilderij dat doet denken aan een Franz Kline, een stoel die refereert aan Rietveld, een reliëf aan de muur aan het kubisme. Elke lijn, vorm of verhouding klopt. Je kunt ook denken: too much, te doordacht, bijna totalitair kunstzinnig. Maar als je nog eens goed kijkt, zie je ook stenen liggen, de planten en de nerven in het hout, ofwel de grillige vormen van de natuur naast de bedachte compositie van het interieur.

    Dit is zo’n inkoop waarvan ik denk: ik wil al die boeken eigenlijk houden, ik ga ze helemaal niet in de verkoop doen. Ik ga naar huis, ik ga ze lezen, de boeken over de modernistische Weense architectuur, over de Silver Factory van Warhol, de jaren voor de Eerste Wereldoorlog in Parijs en de  19de-eeuwse tuinen van Japan. Daarna ga ik schilderen, ik timmer een stoel in elkaar, ik ga beeldhouwen, het bos in om de natuur fotografisch te betrappen op zijn allernatuurlijkste schoonheid. Ik word een estheet, een dandy! De geest van de uomo universalis wordt vaardig over mij. Heeft mijn Culturele studie aan de Universiteit van Amsterdam, toch zin gehad: ik sta open voor de bronnen en uitingen van de westerse cultuur en laaf mij eraan, inspiratio doordrenk mij! Nee, het zal allemaal wel loslopen, maar wat een heerlijke ervaringen zijn het om andermans werelden van de geest in boeken gevangen, te mogen betreden. Stylemeister, bedankt!

     

  • De laatste keer

    Net voor ik gisteren vroeg in de ochtend naar Londen vertrok om een aantal jaren vijftig vintage prints te kopen, wierp ik snel een blik op de voorpagina van de Volkskrant. Ik ben verbijsterd bij het zien van de grote zwart-wit foto van Joost Zwagerman. Hij heeft zich het leven benomen. Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Hij leed aan het leven,  teveel om aan te kunnen.

    Afgelopen voorjaar was het de laatste keer dat ik bij hem boeken ging kopen. Hij was vergeten dat ik zou komen. Bezig met z’n laatste boek, zoals nu blijkt. Over licht in de kunst, De stilte van het licht. Ik kon een aantal boekendozen bekijken en meenemen. De grote bups zou later komen. Met een van zijn zoons zou hij de kunstboeken gaan rangschikken en zou ik weer langs mogen komen in zijn Haarlemse huis.

    Joost noemde mij Joost. Waarschijnlijk niet omdat hij zo heette, maar vanwege de gelijkenis met JOOT. Naar de naam Joost luister ik overigens ook als ik op inkoop ben bij de oud-museumdirecteur. Die noemt mij ook af en toe zo.

    Zwagerman was een aimabele kerel. Hij vertelde dat hij mogelijk weer zou verhuizen naar Amsterdam. Een paar jaar geleden las ik over zijn scheiding en dat hij  ergens in een vakantiehuisje woonde en dat hij een slechte periode doormaakte. Ik voelde verwantschap. Dat klinkt misschien pathetisch, maar het voelde wel zo. Ik was ook net gescheiden en woonde op een zolderetage. Hij voelde dat het langzaam weer beter ging, maar de foto bij dat krantenartikel was treffend. Donker van kleur en sfeer: een man alleen, in een huisje, een lichtplek en verder niks, de donkerte om hem heen, zoekend naar eigenwaarde. Zo zwart als hij het leven toen zag, heb ik het gelukkig nooit ervaren.

    Dat hij zo enthousiast en gedocumenteerd over kunst sprak en schreef, was mooi om naar te luisteren en te lezen. Het heeft hem mogelijk getroost, dat dacht ik althans. Tot ik in een Engelse trein vandaag het volgende las van Stefan Hertmans, in zijn bundel Steden. Schrijvend over Hölderlin:  ’Een vergelijkbaar effect had het licht van de Provence op Van Gogh; de melancholicus wil begrijpen wat de oorsprong is van dit overweldigende effect van het zichtbare en kiest fataal verkeerd, dat wil zeggen: niet voor het gedachteloos ondergaan, maar voor de altijd pijnlijke vraag naar de wijkende ervaring van dit bevreemdende gevoel zodra je het wilt vatten – een vergissing die voortkomt uit het feit dat mensen met aanleg voor neuroses niet kunnen aanvaarden dat de aangename bijwerkingen van landschap en klimaat geen hogere betekenis hebben.’

     

  • Museumdirecteur 2

    Pak jij Goethe’s kleurenleer nog wel eens uit de kast?

    Boekenkastblog door Stefan Ruiters

    Uur na uur gaan de boeken van de oud-museumdirecteur door mijn handen. De klassiekers, de canonieke namen en periodes van de westerse cultuur: Karel de Grote, Goethe, Dante, Ulysses, Renaissance, Mozart, Beckett, Lincoln, Coleridge, Byron, Heine, Aristoteles, Byzantium, Nietzsche en ik kan nog wel even doorgaan. En dan laat ik de Nederlandse Rembrandt, Lucebert, Busken Huet, Wolkers, Faverey, Nooteboom en Zwagerman nog achterwege. Het is een dagenlange exercitie langs de geschiedenis van het gedrukte, vooral mannelijke, westerse woord. Bij elkaar opgeteld heb ik een dag of twee in de studeerkamers van de oud-museumdirecteur in Amsterdam-Zuid  gebivakkeerd. Van minstens tweeduizend boeken heb ik de flaptekst gelezen en soms een eerste alinea. Het duizelt me van de vele tips die van sluiers zijn opgelicht.

    Steeds dringt de vraag zich aan me op: wie leest al deze schrijvers en boeken nog? Pak jij nog wel eens Goethe uit de kast om over zijn kleurenleer te lezen? Of de editie van Ulysses van James Joyce die met de computer gecorrigeerd is naar het handschrift van de Ierse schrijver? Überhaupt: wie heeft Goethe nog in de kast staan, in het Duits, in het Nederlands, laat staan een studie over zijn Wilhelm Meisters Lehrjahre? Heb jij De Goddelijke Komedie van Dante Alighieri gelezen? Of Paradise Lost van John Milton? Ik ook vrij weinig hoor. Ik ben zo’n secundaire lezer die zijn hele leven al de echte bronnen zou willen lezen. Dan pak ik een boek over de Romantiek in de Duitse literatuur en filosofie in plaats van dat ik een boek van Novalis of Schiller lees. Ik verklaar dat door een gebrekkige start in algemene kennis die ik nooit heb meegekregen, van thuis niet, van school niet. Ik streef wel naar dat intellectuele niveau. Maar de vraag is: heb je er wat aan, is het relevant? Ja zeker heb ik er wat aan in de biotoop van boekhandels en musea. Maar verder merk ik toch vrij weinig van een interesse voor kunst en literatuur in mijn omgeving in het bijzonder in de samenleving in het algemeen. De Klassieken is geen gespreksonderwerp zoals politiek of sport.

    Zelfs de oud-museumdirecteur kreeg daar, op het hoogste niveau, mee te maken. Hij vertelde: ‘Ik stond ooit tijdens de presentatie van Mondriaans Victory Boogie Woogie naast Gerrit Zalm, de minister van Financiën, in de wc. Hij vraagt aan me: “Is dit wel zo’n goed idee, deze aankoop? Wel veel geld, hè?” Ik zei tegen hem: als we nu uit de wc lopen is ie al weer een miljoen meer waard!’

    Weer krijg ik een boek in mijn handen gedrukt, van Tim Hilton: One more kilometre and we’re in the showers. ‘Moet je lezen, schitterend boek, van een echte wielrenfanaaat en fietser.’ Ik zeg dat ik dat ga doen, maar eerst ga ik vanavond zelf fietsen, naar de zee en weer terug.

    Lees hier Boekenlast van een museumdirecteur