• Dolend in de eindtijd

    Dolend in de eindtijd

    Libris Literatuurprijswinnaar (2020, Uit het leven van een hond) Sander Kollaard schreef de kloeke roman Einde Verhaal, die veel dikker en groter qua thema is dan zijn vorige boeken. Van de lezer wordt veel gevraagd. Hij moet zijn aangeboren of ingebouwde ‘reality check’ thuis laten, zoals vaker tegenwoordig want in steeds meer boeken wordt met speculatieve fictie de wereld van nu geduid. Niet per se via een afschrikwekkende dystopie, maar met een beschrijving van een ‘onmogelijke wereld’. Een goed voorbeeld daarvan is het succesvolle Gebied 19 van Esther Gerritsen over een nieuwe, onbekende planeet waarnaar een deel van de mensheid wordt getransporteerd.

    Einde verhaal heeft als hoofdpersoon aartsengel Astoreth die naar de aarde is afgedaald met een missie. Die missie is de strijd aanbinden met God en de Bijbel, hier de Schrijver en zijn Boek genoemd. Astoreth transformeert daarbij geleidelijk tot mens. Het uiteindelijke doel van zijn strijd is het weerleggen van de notie dat dat Verhaal van het Boek de uiteindelijke waarheid en het ultieme verhaal zou zijn. Astoreth noemt dat een ‘narratieve guerilla’. Hij gelooft niet in één, vaststaand Einde Verhaal. Daar moet de wereld voor worden behoed en daarom is de gevallen aartsengel begonnen met het schrijven van zijn eigen verhaal. Hij begint daarmee ‘in de duisternis van een supermarktmagazijn in Eslöv, op die betonnen vloer, tijdens de uren of dagen of weken die ik daar lag’. De kernzin van het boek is: ’Het groeide uit het simpele besef dat geloof een poging is om elk ander verhaal te overstemmen.’ Tegelijk is Astoreth bescheiden over zijn eigen pretenties: ’Ik ben een lezer, geen schrijver, dus het kan zijn dat mijn verhaal klinkt als een valse kraai, maar dat is het punt niet: als het maar klinkt.’

    Prozaïsche tocht

    Kollaard situeert zijn roman in de Eindtijd die net is begonnen en overal in de wereld tot onzekerheid en chaos leidt. Astoreth valt op aarde neer, verliest daarbij zijn vriend Areopatigica, maar wordt min of meer liefdevol opgevangen door een bont gezelschap dat voor de eindtijd op de vlucht is. Van een onder water lopend en verdrinkend Nederland, meer in het bijzonder Amsterdam, vlucht het gezelschap naar het Zweedse platteland, waar Kollaard zelf woont.

    Van die vlucht maakt Astoreth een eigen verhaal over de apocalyps, wat niet dat van het Bijbelboek Openbaringen is, met zijn apocalyptische ruiters en het hemelse Jerusalem met straten van goud. Integendeel, Astoreths verhaal is een nogal prozaïsche tocht vol ontberingen van Nederland naar Zweden, vol spannende avonturen. Vol onwaarschijnlijkheden ook, maar ja wat zijn hier onwaarschijnlijkheden?

    Dus schrik niet van mensen die opstaan uit de dood, van een nogal aparte hond met menselijke eigenschappen en een sprekende zeug. Verwonder je niet over de wonderbaarlijke belevenissen onderweg in het gammele busje dat van Nederland miraculeus in Zweden belandt. Waarom Zweden? Omdat het bonte gezelschap waarin Astoreth terechtkomt bestaat uit een gepensioneerde Zweedse politie-inspecteur, diens zuster en een opstandige dochter: Otto, Greet en Erin. De chauffeur van het busje is een jonge schilder, Gustav, die op zoek is naar zijn in Nederland vermoorde zus, lange afstandszwemster Jonna. Ze wordt gevonden en haar as gaat mee om op het Zweedse platteland te worden verstrooid.

    Rolmodel

    Astoreth zelf muteert onderweg van engel naar mens. Zijn vleugels verdorren, zijn lichaam krijgt vorm, tot en met zijn onderlijf, wat de interesse van dochter Erin opwekt. Alle hoofdpersonen in het verhaal zijn een afzonderlijke combinatie van lichaam en geest. Er zijn enerzijds denkers en tobbers en anderzijds mensen die hun lusten en instincten volgen. Otto is de ratio. ‘Otto’s zucht naar orde had veel van een geloofsartikel, een essentieel principe dat zijn bestaan zin en substantie gaf. Orde betekende leven: een orde van spul dat zichzelf aan de gang houdt, van verandering die behoud betekent, zo lang het duurt natuurlijk.’ En zo heeft iedereen in het groepje mensen (en dieren) dat door de Eindtijd trekt een eigensoortig, soms heel eigenaardig karakter. Astoreth plooit zich daar makkelijk in en vormt voor de groep een interessant rolmodel om zich aan te spiegelen, zeker in de barre tijden van de apocalyps. Tegelijk leert Astoreth veel van de mensen op aarde bij zijn eerste ontmoeting met een voor hem nieuwe soort. De enige die de relatieve vrede in de dolende groep midden in de Eindtijd verstoort is de orthodoxe en ‘true believer’ aartsengel Gabriël. Hij probeert met alle middelen, waaronder opsluiting, Astoreth op het rechte pad van het geloof te houden.

    Het boek draait behalve om de Eindtijd en het al dan niet ene Verhaal om de omgang van de groep zwervende mensen met Astoreth, die zelf ook op zoek is naar wie hij is. Die omgang was niet vanzelfsprekend. ‘Het had me veel moeite gekost om Otto, Greet en Erin ervan te overtuigen wie en wat ik was. Nadat ik ze mijn vleugels had laten zien, meteen al, tijdens de maaltijd met de linzensoep, waren ze weliswaar bereid om te luisteren naar mijn onwaarschijnlijke verhaal, maar niet om het te geloven. Ik kon het ze moeilijk kwalijk nemen: ik beweerde een uit de hemel gevallen engel te zijn, als onderdeel van een grotesk verhaal, en inmiddels in de greep van een proces van menswording dat ook voor mijzelf een raadsel was.’ En dan volgt een cruciale dialoog met de rationele Otto. ‘”Ik wil je best geloven” had Otto gezegd, “maar ik zou geholpen zijn met wat feiten.” Ik deed mijn best. Ik vertelde over de hemel en mijn taken (…) maar hij werd met elk feit onrustiger, logisch natuurlijk want de feiten die ik hem gaf waren meer dan onbegrijpelijk – ze waren onmogelijk.’

    Af van somber doemdenken

    De bijzondere tocht van dit samengeraapte groepje mensen, de ‘extended family’, eindigt in een nog vredig, bijna idyllisch Zweeds dorpje, vredig vergeleken met de desolate gebieden waardoor de reis zich voltrekt, met hier en daar een dode. ‘De zon schijnt. De vensterbanken in de salon staan vol met zaailingen: sla, tomaat, prei, pompoen. De tuindeuren staan open. Ik hoor vogels, het geblaf van Schele en het geluid van de schop waarmee Otto het voor hem bestemde graf dichtgooit – in een hoog tempo als demonstratie van herwonnen vitaliteit.’ En net als wat tijdens de tocht gebeurde voelt Astoreth een aards verlangen naar liefde.

    Zijn verhaal is ten einde en de lezer beseft dat het einde der tijden misschien wel dichtbij is. Gelukkig zijn er losse eindjes. Dit is de eindtijd, maar misschien ook niet. Het eind van het verhaal is niet eenduidig, maar meerduidig. Einde Verhaal is een bijzonder boek, waarvoor je je bril van de ratio en geloof in de waarheid af moet zetten. Misschien is het wat te gecomponeerd, maar het is ook meeslepend geschreven, met bizarre avonturen van menslievende mensen met ruwe kanten. Toch blijven ze een gemeenschap vormen en de aartsengel Astoreth wordt geïnspireerd door die gemeenschap, maar helpt hen ook af van het sombere doemdenken dat bij een bepaalde manier van geloven hoort. Misschien schetst Kollaard wel het paradijs op aarde, daar op het hem bekende Zweedse platteland en wil hij ons de kans geven daarvan mee te genieten. Er is hoop, bedoelt Kollaard, ondanks alle sombere voorspellingen over het einde van de planeet, en hoop doet leven.

     

  • Janken

    Janken

    Mijn tranen zitten nogal hoog. Ik ben gauw ontroerd en huil snel bij zowel goede als slechte dingen, in de woorden van Emily Dickinson: ‘all we know of heaven, and all we need of hell.’ De laatste tijd wordt het alleen maar erger, in een oogwenk stijgt het waterpeil en de oevers van mijn ogen stromen over. Het ligt niet aan mij, denk ik, maar aan de wereld, waarin zoveel meer gebeurt om over te huilen. Er zal wel een heel oud verdriet onder liggen, dat weet ik niet. Gerry van der Linden schreef er een gedicht over.

    Porseleinen tranen

    Op een avond kwam ik aan
    in de werkplaats, in het huis
    van de hoekige dame
    die ronde vormen maakt

    van klei en aarde.
    Ik zag wel vijftig
    porseleinen tranen naast elkaar
    op de vloer gelegd en ze zei:

    ‘Tja, ik weet het ook niet,
    het gaat maar door.
    Misschien als ik suja zeg
    of tot honderd ga…’

    Misschien, dacht ik
    als je ze rangschikt
    naar verdriet.

    Ik had daarom beter moeten nadenken welk boek ik meenam toen ik naar een afspraak met de fysiotherapeut ging. In de wachtkamer waren twee mannen met hun telefoon bezig, ze bromden wat zonder op te kijken toen ik goedemiddag zei. Ik pakte het boek Uit het leven van een hond van Sander Kollaard uit mijn tas, waarin één dag uit het leven van goeierd Henk van Doorn en zijn hond Schurk wordt beschreven. Ik had het bijna uit, moest nog maar een paar bladzijden voordat ik geroepen zou worden. Maar ik had er niet op gerekend dat aan het einde van dit heerlijke boekje de schrijver zijn zelfopgelegde restrictie van 24 uur zou overschrijden door iets in de toekomst te beschrijven: Henk zal weliswaar gelukkig worden, maar zonder Schurk, die hij zeven maanden later moet laten inslapen: ‘[…] nog een keer zijn gezicht in die verrukkelijke Schurkvacht duwen, en nog een keer [..] maar zich dan abrupt omdraaien en weglopen, naar buiten, dat gedrocht van een wereld in.’
    Henk herinnert zich dat de dierenarts die bij het afscheid aanwezig is, een zoon verloren heeft en wil hem omhelzen, maar hij doet het niet. 

    Toen de fysiotherapeut me riep, zaten de tranen me hoog. Ik wilde nog een valse verklaring geven, zo van: wat een gure wind, he? Maar hij was de trap al op. Toen hij tijdens een oefening mijn arm hoog boven mijn schouder tilde, zag ik een kans om mijn tranen ongegeneerd te laten vallen, waarop hij geschrokken vroeg of het echt zo zeer deed. 

    Waarom kan Henk de dierenarts niet omhelzen, waarom kan ik niet gewoon tegen de therapeut zeggen: ik heb een boek gelezen waardoor ik geraakt ben en nou moet ik een beetje huilen. Waarom doen we onszelf altijd anders voor dan we zijn? Waarom moet schaamte altijd de overhand krijgen boven andere emoties? Ik zal toch niet de enige zijn die jankt om een boek?

    Enfin, volgende keer maar een woordenboek meenemen om te lezen in de wachtkamer, of iets anders dat geen tranen kan trekken. Ik sta open voor suggesties.

     

     

    Uit: Gerry van der Linden, Aan mijn veren hand (1993)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    De zomer is voorbij maar de zomereditie van literair tijdschrift Tirade is er nog. Een editie met veel ruimte voor poëzie, verschillende essays en verhalen. In deze tijd heeft de geest nood aan een breed palet van kleuren en smaken om te beseffen dat het leven niet eenduidig te verklaren is. Toepasselijk is dan ook dat Lodewijk Verduin het in zijn inleidende ‘Redactioneel’ heeft over het verspreiden van literaire ‘spaanders die terechtkomen in humus, andere planten weer doen groeien, of bloeien’. En ‘viert Tirade […] de literatuur met wildgroei van teksten uit alle genrehoeken, geschreven door auteurs van uiteenlopend, veelkleurig pluimage.’

    Het essay, ‘Het demasqué der standpunten’ van Mathijs Sanders komt uit de letterkundige hoek en heeft als uitgangspunt een ontmoeting tussen de twee tijdgenoten Menno ter Braak en F. Bordewijk. Hoe beide schrijvers tezelfdertijd op een bijeenkomst waren om het honderdjarig bestaan van hun uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te vieren. Of ze toen werkelijk kennis met elkaar maakten, is niet zeker. ‘Spraken de twee schrijvers elkaar die middag? Ik probeer het mij voor te stellen.’ Naar zo blijkt was de ontmoeting, ‘tussen twee van de belangrijkste prozaschrijvers van het interbellum [..] vooral een ontmoeting op papier’.

    Leessporen

    Via leessporen in de boeken die Ter Braak en Bordewijk van elkaar lazen en die zich in hun huisbibliotheek bevonden – welke sinds enkele jaren ‘gebroederlijk’ naast elkaar in de kelder van de Leidse universiteitsbibliotheek staan – volgt Sanders de aard van de onderzoekingen die beiden in elkaars boeken ondernamen. Een prachtige speurtocht waar de lezer in meegenomen wordt om als een detective de aantekeningen en onderstrepingen in beider boeken te volgen. En de herkenbare twijfels over zijn eigen interpretatie, ‘Lees ik in Ter Braaks potloodaantekeningen iets wat er niet staat? Zie ik bijna een eeuw na dato iets wat de criticus zelf destijds niet onder woorden kon of wilde brengen? Ben ik bevangen door de hoogmoed van de hermeneut, over wie de filosoof Schleiermacher begin negentiende eeuw schreef dat het diens opdracht is om de auteur beter te begrijpen dan hij zichzelf begreep?’ Dit fijne essay is een bewerking van een lezing gehouden door Mathijs Sanders in de Universiteitsbibliotheek van Leiden op 24 nov. ‘22.

    Anja Sicking geeft in ‘Wachten op de clou’, een mooie lezing van de dystopische roman Onder het asfalt (2022) van Maarten van der Graaff. Ze merkt op dat Van der Graaffs ‘fascinatie voor het wegvallen van de bestaande ordening van het landschap’ niet nieuw is in zijn oeuvre, en heeft het onder meer over schrijvers en hun rijbewijs halen, over wat zoal tijdens het rijden wordt waargenomen. Van een rijleraar hoorde zij datvan alle beroepsgroepen, schrijvers het langst erover doen hun rijbewijs te halen. ‘Dat is omdat ze geen onderscheid maken ‘tussen hoofd- en bijzaken, hun aandacht blijft vaak aan iets onbenulligs hangen.’ Zelf slaagde ze na tachtig rijlessen voor haar rijbewijs, op een zaterdagochtend, toen de wegen bijkans leeg waren, ‘op een verdwaald konijn na’. Weet dat een onbenullig detail voor een schrijver van groot belang is.

    Samen zwaluwstaarten

    Van Tomas Lieske drie gedichten met een adelijke Charlotte De Bourbon in de hoofdrol. Het gedicht, ‘Charlotte De Bourbon leest poëzie’, opent meesterlijk met: ‘Vivat Astrid Lampe, vivat Piet Gerbrandy, vivat. // Kunnen die twee niet samen zwaluwstaarten daar moet letterlijk / gesproken iets moois uit groeien van het hardste hout’ / (…) En over de wantsen in het bed van de kasteelvrouw, ‘als kleine letters die zich rennend verbergen’. In het woord ‘zwalustaarten’ ontstaat zonder meer een beeld van bovengenoemde dichters samen, dat daar iets goeds uit voortkomt.

    In vijf gedichten van Lies Gallez gaat het over verlangen, ‘aanraakpunten’ die verbinden en het belang van het benoemen van de dingen. Waaronder het veelzeggende gedicht, ‘Pogingen om een moeder gelukkig te maken’. 

    ‘je moet dit leren: de miserie van je moeder kun je niet oplossen. zelfs niet door
    een eeuwige glimlach met je mee te smokkelen, zelfs niet door voetstappen zo
    licht als het licht zelf op zondagochtend, zelfs niet met koppen koffie’

    Goed verhaal en essaydebuut

    In het goed geschreven verhaal ‘The Timekeepers’ van Jonathan van der Horst gaat het over de tijd. ‘Hoe alles wat vandaag van belang lijkt, morgen alweer verdwenen kan zijn. Opgeslokt door de tijd.’ Over vriendschap waar een uiterste houdbaarheidsdatum op zit. Als twee van de drie oude vrienden elkaar na lange tijd weer ontmoeten, zegt de een, ‘ We gaan het niet over Pepijn hebben. Dat is voorbij. Afgelopen. We zijn hier niet om oude koeien uit de sloot te halen.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Een oude vriend. Dat is iets anders. Een oude koe sterft een langzame dood. Een oude vriend verwaarloos je alleen maar.’ 

    Verder in deze Tirade het essaydebuut ‘Ik geloof dat mensen planten zijn’, van Marijke Vos. Van Sander Kollaard werd de reactie die hij in januari van dit jaar voorlas tijdens een avond in Spui25 over ecokritiek in zijn roman Uit het leven van een hond en in de Nederlandstalige literatuur, opgenomen. Van Kyrke Otto de zeer ritmisch lezende gedichten, ‘Drie gedichten voor Sophia’. Van Rodante van der Waal het gedicht ‘Krijg een kind met mij’ in zes afleveringen. Van Yasmin Namavar drie gedichten. Twee gedichten van Piet Gerbrandy en Lilian van Ooyen met ook twee gedichten. Van Rozalie Hirs staat er met een serie van vijf gedichten, ‘Als je aanwezigheid’ in, en van Pieter Franciscus M. vier gedichten onder de titel, ‘Merlin’. Werner Valk schreef het verhaal ‘Vogelbot’. Kortom een Tirade met niets dan mooie bijdragen die met genoegen gelezen werden.

    De illustraties zijn van Rein Klomp.

     

    Tirade verschijnt vijf keer per jaar.

     

  • Al wandelend tot de essentie komen

    Al wandelend tot de essentie komen

    Ze zijn er al even, vaak uitgestald op de toonbank bij de boekenwinkel, de Terloops-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Kleine, handzame boekjes van bekende schrijvers over hun favoriete wandeling. Wat meteen opvalt zijn de mooie uitgaven: ingetogen, klassiek bijna, tekening op de kaft met een paar mooie penseelstreken tot stand gekomen. Al vele memorabele wandeltochten zijn er verschenen en nu mochten Sander Kollaard (1961) en Yolanda Entius (1961) hun wandelrelaas aan de imposante lijst toevoegen. 

    ‘Er zijn dagen dat ik me niet eens kan voorstellen dat ze nog komt,’ begint Sander Kollaard zijn verhaal met de passende titel Lentehonger. Hij tekent het op tijdens de sombere winter in Zweden, het land waarin hij sinds 2006 woont en werkt. Reikhalzend kijkt hij uit naar  de ‘glorieuze’ lente, ‘de ongelooflijke frisheid ervan, het licht, de kleur.’ Hij telt de minuten daglicht die er dagelijks bijkomen. ‘Ik tel ze allemaal,’ schrijft hij, een korte zin die de urgentie kernachtig en invoelbaar weergeeft. Op de tijd vooruitlopend, schrijvend vanuit zijn wandelaantekeningen en herinneringen, probeert hij de lente alvast op te roepen. Maar eerst wordt de lezer uit de droom geholpen. Zweden heeft namelijk ‘een overwegend saai landschap, (…)  gedomineerd door eindeloze, eenvormige akkers en even eindeloze en eenvormige bossen.’ Land- en bosbouw worden op ‘industriële schaal’ bedreven en bij de kap wordt er niet lichtvoetig te werk gegaan; er is geronk van dieselmotoren en ‘het indringende waarschuwingssignaal bij achterwaartse bewegingen,’ omineuze herrie van voertuigen die een ‘verwoesting’ aanrichten, een ‘ravage’. Deze rigoureuze bomenkap komt ook voorbij in Kollaards vorig jaar verschenen roman De kleuren van Anna

    Kibbelende seizoenen

    Al woont Kollaard landelijk, hij en zijn vrouw S moeten een goed half uur rijden om een plezierige wandeling te vinden, een die het documenteren waard is. En die vinden ze, in een gebied ‘waar alles een slag kleinschaliger is’ en dat een variatie biedt die elders ontbreekt. Veel dieren ontmoeten ze op de wandeling: vogels in het bijzonder (ganzen, leeuweriken, kieviten, kraanvogels, puttertjes, eksters), maar ook reeën, hazen, muizen en een jonge adder ‘midden op het pad, levend maar kennelijk suf van de kou,’ waar Kollaards hond geïnteresseerd aan snuffelt. Mooie bespiegelingen volgen over de symboliek van de lente – ‘wedergeboorte, herstel, nieuw leven’ – en onze gemoedstoestanden, onze verbondenheid met de seizoenen, en hoe die terug te vinden is in kunst en mythologische verhalen. Ook denkt hij aan de dood van zijn moeder, kort daarvoor, op het hoogtepunt van de coronapandemie; al wandelend krijgt rouw de ruimte. 

    Kollaards proza wordt gedragen door een zeer eigen stem waar zowel levenslustige lichtheid als melancholie in doorklinken. Die dualiteit is overal in zijn werk te vinden. Neem het volgende, waar niet alleen een wonderschoon landschap wordt getoond, maar ook een lente die worstelend op gang komt en soms even ten onder gaat: ‘Op weg naar huis, aan het eind van de middag, zien we hoe op deze eerste lentedag een winteravond valt, even spectaculair als grimmig, met geeloranje horizonlicht en vlak erboven een donkerpaarse wolkenbank die her en der uitloopt, als waterverf, aan de kleur herkenbaar als sneeuwbuien.’ Er gebeurt hier iets in het hoofd van de lezer dat alleen de magie van goede literatuur genoemd kan worden: iets opent zich, nieuwe gewaarwordingen, een frisse blik. Zelfs iets banaals als koeienpoep weet Kollaard glans te geven wanneer hij schrijft over ‘stijfbevroren plakkaten zomerstront’.

    Niet gemaakt voor het alleen-zijn

    Ogentroost begint met een aangename vaart. Monter vertelt Yolanda Entius over hoe ze tot het wandelen is gekomen. Ze is geen reiziger of avonturier: ‘Liever bouw ik een huis en leg ik een moestuin aan.’ Toch brengt het wandelen haar iets wat het alle moeite waard maakt: ze voelt zich vrij, ‘vrij van twijfel’. De wandeling waarover wij lezen is een uitdagende – sommigen zouden het een barre tocht noemen –  in de Mercantour, het grensgebied van Frankrijk met Italië, waar ze al wandelend nadenkt over herkenbare levenszaken, zoals de moderne wereld waarin we leven. ‘Hier, in het westen, is een overvloed waardoor onze talenten niet meer worden aangesproken en gaan kwijnen. En wat te denken van mijn zintuigen? Ogen die niets zien dan mijn cursor en de letters letters letters die ik tik tik tik.’  

    Stilistisch gezien wringt Ogentroost, vooral de bevreemdende platheden. Zo moet Entius nodig ‘pissen’ (‘en niet zo’n beetje ook’), haar man F. ‘poepen,’ en is ‘schijten met dit weer een beproeving, maar zeker geen ramp.’ En dan nog de veelvoud aan clichés: ‘glad vergeten,’ ergens mee ‘in je nopjes’ of ‘in je sas’ zijn, regen die met ‘bakken uit de hemel’ valt, ‘hijgend als een paard,’ bergen die meer dan eens omschreven worden als ‘puisten.’ Grappig als spreektaal, kleurloos op papier. Je hoopt daarom op een goed verhaal, een stukje inzicht, food for thought. Mooi is de bespiegeling over samen- versus alleen-zijn, die oprecht aanvoelt en ontroert. ‘Ik ben, ik zeg het maar eerlijk, niet gemaakt voor het alleen-zijn. Ik ben te jong te lang alleen geweest om er de lol van in te kunnen zien. (…) Ik bewonder ze wel hoor, mensen die volmaakt gelukkig zijn zonder een lief, maar ik heb nog nooit zo’n man of vrouw ontmoet, alleen maar mensen die het beweren; (…).’ Je voelt dat Entius heel wat te verduren heeft gehad in haar leven. Ook tijdens de wandeltocht moet ze zich steeds vermannen, zichzelf steeds weer moed inspreken.

    Ronduit onprettig is de botsing tussen Entius en F., die van de lezer een voyeur maakt. We kennen F. immers niet en leren hem ook niet echt kennen, alleen via deze botsing met Entius die van hem een onsympathiek, kleinzerig figuur maakt. Even later worden we uitvoerig getrakteerd op het medisch dossier van Tea, een wandelvriendin van vroeger. Gaandeweg vraag je je af: Waar dienen al deze intieme details toe? Misschien is bekendheid met het gehele oeuvre van Entius een voorwaarde om Ogentroost echt te kunnen waarderen, al moet een kunstwerk op zichzelf kunnen staan, niet hoeven leunen op voorgangers. 

    Waar Lentehonger uitblinkt in subtiliteit en gelaagdheid, grossiert Ogentroost in een directheid die weinig overlaat aan de verbeelding van de lezer. Kollaard laat de natuur zelf tot leven komen, als een personage haast, en wanneer de auteur verlangt, verlangen wij mee. Ogentroost blijft erg particulier, en een verhaal dat wil beklijven moet meer bieden dan dat.

     

  • Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

    Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrondfoto in zijn geheel.


    Sander Kollaard won de Libris Literatuurprijs 2020 met Uit het leven van een hond. Toen ik deze roman over het baasje van hond Schurk las, gingen mijn gedachten uit naar andere boeken met een prominente rol voor een hond. Reizen met Charley van John Steinbeck, Flush van Virginia Woolf, De staart van Patricia de Martelaere, Het complete Rekelboek van Koos van Zomeren, en Mijn leven met Tikker van Jan Siebelink. Er waren jaren dat ik dieren uit de geschiedenis en de literatuur verzamelde in een schriftje. Alleen paarden en honden – je moet ergens een grens trekken. Mijn schriftje groeide uit tot een indrukwekkende mini-encyclopedie, maar alle inspanning die ik erin heb gestoken bleek verspilde energie toen het door internet steeds makkelijker werd om lijsten en collecties aan te leggen.

    Het schriftje is al decennia kwijt en bij lezing van Kollaards boek smoorde ik mijn  neiging om de opsomming hierboven uit te breiden onmiddellijk in de kiem. Toch bracht deze foto opnieuw en met weemoed mijn oude ‘hobby’ in herinnering. Nee, kippen heb ik nooit verzameld. Buiten de honden en paarden zijn er in de marge van mijn geheugen alleen anekdotische dieren blijven hangen. De kat Hodge van Johnson waarvoor zijn baasje  (volgens zijn biograaf James Boswell), speciaal oesters ging kopen. En de goudvis die Gabriele d’Annunzio in een hotel aantrof en Adolphus doopte. Toen hij later vernam dat de vis het loodje had gelegd liet hij hem in de tuin van het hotel begraven om er even later zijn tranen op de laatste rustplaats te komen plengen. D’Annuzio schijnt trouwens boeken te hebben laten drukken op rubber zodat hij ze kon lezen als hij gezellig met zijn eigen goudvis in bad ging.

    Excentriek geval

    De foto verhaalt van een nog excentrieker geval. De kippen vielen me meteen op, en toen ik in het bijschrift las dat het hier ging om ‘the chicken poet of Massachussetts’, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Een kippendichter? Ik moest denken aan Gerrit Komrij, die graag vertelde dat hij in 1944 in een kippenhok was geboren waarin zijn ouders voor luchtaanvallen waren weggekropen. Maar zijn gedichten zijn niet vergeven van hoenderachtigen. De kippendichter blijkt Nancy Luce te heten. Wikipedia keurt haar een intrigerend lemma waardig, alleen in het Engels én – hoe merkwaardig – in het Arabisch. Nancy Luce (1811-1890) werd geboren op het eiland Martha’s Vineyard, ten zuiden van Cape Cod, dat een paar honderd jaar extreem veel doven telde. Is er over de hele wereld één op de zesduizend mensen doof, op dit eiland was het er één op de honderdvijftien. Dat hadden de Vineyarders te danken aan een voorvader die de aandoening generaties lang in zijn genen doorgaf. De doven leerden met elkaar communiceren door een geheel eigen gebarentaal te ontwikkelen.

    De gelovige gemeenschap op het eiland kende grote gezinnen, maar de ouders van Nancy, Philip en Anna, hadden het door hun zwakke gezondheid bij één dochter moeten houden. Toen Nancy een eind in de twintig  was waren haar ouders zo verzwakt dat ze in haar eentje hun boerenbedrijfje voortzette. Zoveel stelde dat niet voor: ze hield kippen, molk een koe en een geit en verbouwde groenten. Ik ken ook een foto van die boerderij: die was, inclusief woongedeelte, niet groter dan een schuurtje. Toen haar beide ouders kort na elkaar stierven probeerden buurtbewoners haar onder curatele te laten stellen wegens krankzinnigheid. Waarschijnlijk zat daar hebzucht achter: (boeren roken een kans om hun erf uit te breiden met het perceel van wijlen Nancy’s ouders), want volgens de geraadpleegde arts was Nancy voldoende compos mentis. (Nancy’s biograaf Walter Teller veronderstelde dat ze aan neurasthenie, een zenuwzwakte, moet hebben geleden).

    Naamlijst voor kippen

    Nancy bleef haar verdere leven alleen met haar dieren. Die kregen allemaal een naam. De koe die ze in een achterkamer hield, heette Susannah Allen. Een naamlijst van haar kippen vormt een eigenaardig klankspel dat is weer te geven als een sonnet en vermoedelijk zijn de namen een mengeling van Engels en het dialect van de Wampanoag-indianen die er in Nancy’s tijd nog woonden:

    teedie lete,
    phebea peadeo,
    letoogie tickling,
    jaatie jafy, 

    reanty fyfante,
    speackekey lepurlyo,
    pondy lily,
    kalallyphe roseiekey, 

    tealsay mebloomie,
    levendy ludandy,
    appe kaleanyo, 

    meleany teatolly,
    aterryryree roseendy,
    vailatee pinkoatie.

    Nancy dichtte over de zonden der aarde, over God, over de wonderen der natuur. En over haar kippen. Elke hen die doodging kon rekenen op een grafsteen en een treurdicht met al haar namen en troetelnamen. Zoals in het volgende (vrij vertaalde) fragment over Tweedle-Tedel-Beebe-Pinky. De kip stierf, zo tekent Nancy aan, in haar armen op 19 juni 1871 om kwart over zeven ’s avonds op de leeftijd van vier jaar. 

    Arme lieve hartje,
    Pijn brak haar,
    En ik blijf achter met een gebroken hart
    Zij was mijn eigen hart
    Ze was slimmer dan zomaar iemand
    Ze is ontkomen aan het kwaad dat nog wacht.

    Zij die me hebben gekend, kennen – me – niet – langer,
    Alles komt aan zijn eind
    En zij, en ik, zullen elkaar weerzien in de hemel.

    Selfie avant la lettre

    Haar gedichten werden niet overgeleverd vanwege hoge literaire kwaliteiten maar vanwege de bijzonderheid van de auteur. Nancy zorgde zelf voor die publiciteit. Ze liet van de gedichten dunne boekjes drukken die ze aan voorbijgangers verkocht. Die kwamen in steeds grotere getale en de grafstenen voor de kippen groeiden uit tot een toeristische attractie. Bij die boekjes was ook deze foto van Nancy met haar kippen Ada Queetie en Beauty Linna te koop, een soort selfie avant la lettre. 

    Na haar dood ontfermden bewonderaars zich over haar erfenis. De gedichten, de grafstenen van de kippen, haar brieven en krantenartikelen over het houden van pluimvee, alles is bewaard gebleven in een klein museum in Edgartown op Martha’s Vineyard. Ze zit er zelf ook, een wassen beeld met hoofddoek, zoals op de foto. Iets verderop, in West Tisbury, staat haar eigen zerk, erbovenop een stenen kip. Eromheen kippen en kuikens van steen, plastic en rubber die er jaarlijks op haar sterfdag door toeristen worden neergelegd.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • De wereld is groter dan onze blik weet te vangen

    De wereld is groter dan onze blik weet te vangen

    De in Zweden wonende schrijver Sander Kollaard won in 2020 de Libris Literatuurprijs voor zijn roman Uit het leven van een hond. Geboren in 1961 debuteerde hij vrij laat met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012), waarna nog een verhalenbundel en een roman verschenen. Kollaard schrijft geen spectaculair grote verhalen of romans in ruime gebaren en ronkende taal. Hij schetst in een fijnzinnige stijl de beweegredenen van mensen, soms van dieren en voegt daar subtiele humor aan toe. Inhoud en vorm vallen uitermate goed samen. Ook in De kleuren van Anna is dat het geval. Wat begon als een “blind boekje” (serie jubileumuitgaven van uitgeverij Van Oorschot ter viering van het 75-jarig bestaan), met als titel Rood, is uitgegroeid tot een prachtig verhaal over Anna, over de kleuren, over de wereld waarin we leven, ja, over wat niet?

    Het raamwerk van dit boek: vier hoofdstukken gekoppeld aan de kleuren rood, geel, blauw en groen, waarin Kollaard allerlei voorbeelden geeft van feiten en gebeurtenissen waarin deze kleuren een rol spelen of waar ze symbool voor staan. Hij koppelt dit aan diverse actuele gebeurtenissen waarin de zorg om het milieu, de coronacrisis en het vluchtelingenprobleem steeds terugkomen. Hij verwijst naar de Metamorfosen van Ovidius: corona zorgt voor een verandering van de aarde, van de verhouding tussen mensen. De manier waarop de mensheid met het milieu omgaat draagt daar ook een steentje aan bij. Kollaard is kritisch, maar zachtmoedig. Hij weet de oplossingen ook niet.

    Anna

    De tweede verhaallijn gaat over Anna. De ik-figuur komt op zijn wandelingen met zijn hond in het Zweedse dorp waar hij woont Anna tegen, even in de zeventig, die ook met haar hond in en rond het dorp wandelt. Er ontstaat een band tussen deze twee heel verschillende personen. Anna vertelt de ik-figuur het verhaal van haar worsteling met een engel, toen ze een jong meisje was. Het was ’s morgens vroeg, ze voerde de kippen, er lag sneeuw. De engel bezorgde haar een heupblessure waardoor ze nog steeds wat moeilijk loopt.

    Het is een verwijzing naar het Bijbelse verhaal van Jacob die met de engel worstelt, zoals er in dit boek veel verwijzingen naar de Bijbel en de Bijbelse taal staan, evenals naar de oude Griekse filosofen. Anna gelooft dat de worsteling werkelijk heeft plaatsgevonden, omdat ze een paar dagen daarvoor ontdekte dat ze zwanger was: ‘Door die ontdekking lag ik open. Alles kwam binnen. (…) En dus staat alles me nog bij.’

    De ik-figuur waardeert Anna’s openheid en kwetsbaarheid. Er ontwikkelt zich een uitwisseling van allerlei standpunten, oordelen en meningen over van alles en nog wat: actualiteiten, de gebeurtenissen in het dorp, de toestand van de wereld, milieuvervuiling, boskap, de coronacrisis. En over de woede in de wereld die zich onder andere uit in de polarisatie rondom de vaccinaties, in Trump en in eerdere tijden in Hitler en Rosa Parks. ‘Wie woedend is, behandelt zijn naasten als prooi. Wie woedend is bevindt zich niet langer in een menselijke staat”.
    En over macht: ‘Zo bezien is macht een vorm van Literatuur. Machthebbers vertellen een verhaal en gebruiken vertrouwde technieken als retoriek, drama, conflict, intrige, loutering en afronding. Net zoals in de literatuur wordt het grondwerk gelegd door suspension of disbelief: het opschorten van ongeloof.’

    Kleur draagt minder oordeel

    Het virus zorgt ook voor verbinding in het dorp. Bewoners zorgen voor elkaar, doen boodschappen voor de buren, koken voor elkaar. Zo komt de ik-figuur steeds vaker bij Anna thuis, eten ze samen en maakt hij kennis met Zilan, een Syrische asielzoekster voor wie Anna zorgt. Dat is de positieve kant, die Kollaard ook erg benadrukt.
    De schrijver stelt veel vragen in dit boek. Wat zit er in het hart van onze rusteloosheid? Wat beweegt ons? Wat zoeken we? Hij probeert antwoorden te vinden in de wereldliteratuur, in de Bijbel, in de filosofie, bij de oude natuurvolkeren.

    De ik-figuur en Anna filosoferen heel wat af tijdens hun wandelingen. Over kleur bijvoorbeeld: ‘Dankzij jou ben ik het gaan zien, Anna, zei ik. Kleur. Als je er eenmaal op let, is er veel kleur in de wereld. Wie de wereld wil begrijpen, zal kleur moeten begrijpen’. En ook: ‘Kleur draagt minder oordeel in zich dan taal.’ Anna relativeert veel van wat de ik-figuur poneert: ‘Dat lijkt me een tikje overdreven, schrijvertje, zei ze, maar ik begrijp je punt.’
    Anna heeft van een professor zijn bibliotheek geërfd en leest deze van A tot Z. Ze vertelt het verhaal van Gregor Samsa uit Die Verwandlung van Kafka als iets wat de professor is overkomen. De ik-figuur corrigeert haar en vertelt dat het een verhaal van Kafka is. Maar Anna is nog niet bij de K. En bovendien: ‘Dat het verhaal feitelijk niet helemaal juist is, maakt niet uit. Het laat zich goed voorstellen dus wat zou het.’

    Activiste

    Anna overlijdt en de ik-figuur mist haar verschrikkelijk. Hij licht Zilan, die even weg is geweest, in over Anna’s dood. Samen zoeken ze naar manieren om deze te boven te komen. De ik-figuur volgt pluisjes wol van Anna’s baret die aan de takken in de bomen zijn blijven haken in de hoop dat ze zijn rouw verlichten en maakt zo heel wat omzwervingen in het bosrijke gebied rondom het dorp. Hij probeert het raadsel van haar routes te ontrafelen.

    Zilan ondertussen vindt een drone in Anna’s schuur. In het geheugen van de camera ontdekt ze een handvol filmpjes van de boskap en van de ravage op een gekapt perceel. Ook ziet ze allerlei middelen die Anna blijkbaar heeft gebruikt om te protesteren tegen de kap van de bossen, inclusief materiaal om brand te stichten. Anna is een milieuactivist geweest die niet schroomde om grove middelen in te zetten. Als eerbetoon aan de activiste Anna stellen Zilan en de ik-figuur een daad. De gevolgen zijn behoorlijk ernstig, zoals ook de kleinkinderen van Anna ontdekken, die het er wel mee eens zijn.

    Kollaard komt ook te schrijven over de krankzinnige verhalen over het coronavirus die de ronde doen en de mensen die allerlei complottheorieën aanhangen. Hij vergelijkt een Amerikaanse verpleegkundige die ervan overtuigd is dat het vaccin je magnetiseert met Franciscus van Assisi die voor de vogels predikt. De ik-figuur ziet op een illustratie dat de vogels om Franciscus heen zitten en lijken te luisteren naar wat hij predikt. Wat de ik-figuur verontrust is dat ze stil zijn. ‘Het was niet het verhaal dat ik verontrustend vond, maar onze aandacht. We zouden onze stilte als een onheilspellende stilte die zelf de aandacht opeist, moeten opeisen, waarin elk credo, elke ideologie verloren gaat.’
    De kleuren van Anna is een roman  die je over veel zaken laat nadenken en die rijk is aan beelden, humor, historie en inzicht.

     

     

  • Oogst week 47 – 2021

    De kleuren van Anna

    Sander Kollaard won met zijn roman Uit het leven van een hond de Libris Literatuurprijs 2020. Dit onderstreept maar weer eens hoezeer de band tussen mens en hond waardering en ontroering oogst. In Kollaards recent verschenen De kleuren van Anna ontmoet een naamloze ik-figuur in Zweden de intrigerende Anna tijdens, hoe kan het anders, het uitlaten van de honden. Het boek is een mengeling van essayistiek, literatuur, een dagboek en ogenschijnlijk losse aantekeningen. Kleuren krijgen bovendien, als we de tot nu toe verschenen recensies mogen geloven, een on-Nederlands rijke dimensie.

    Het leeuwendeel van de inkt reserveert Kollaard voor de gesprekken die de ik-persoon met Anna voert. De onderwerpen met deze rode (activistische) dame variëren rijkelijk: Zweedse natuur, Engelse dichtkunst, de verrechtsing in de VS én de psychische invloed van kleur op de mens. Telkens toont zij zich de meest nuchtere van de twee, waar de ik-persoon nogal eens zwelgt in de Weltschmerz die we van Kollaards oeuvre kennen. De kleuren van Anna is een ideeënrijk tegengif tegen de winterse duisternis.

    De kleuren van Anna
    Auteur: Sander Kollaard
    Uitgeverij: G.A. Van Oorschot

    Ik heb de tijd op je naam laten vallen – Poëzie uit Portugal

    Vele culturen hebben zo hun eigen onvertaalbare concepten waar ze trots op zijn. Nederlanders zijn ‘gezellig’, Denen veraangenamen hun leven met ‘hygge’ en Zweden bewonderen de maanreflectie in het water met ‘mångata’. Portugal kent een begrip dat niets minder dan de hartslag van zijn geliefde fado is: ‘saudade’. Dit betekent zoveel als genietend rouwen om het verloren gegane of nooit verkregene. Deze weemoed kan zich richten op geliefden, landen, geuren, maaltijden of een gevoel. Een uitermate geschikt thema voor de poëzie. Maar deze keer geen uitgave over het driekoppige vlaggenschip van de Portugese literatuur: Luís do Camoes, Fernando Pessoa en José Saramago.

    Uitgeverij Koppernik brengt een Portugees-Nederlandse dichtcompilatie uit, samengesteld door  Harrie Lemmens en getiteld Ik heb de tijd op je naam laten vallen – vrouwenstemmen uit vijf eeuwen. In deze tweetalige uitgave verschijnen alle gedichten titelloos, De boektitel is ontleend aan een gedicht van Maria do Rosário Pedreira: naast dichteres een bekende kinderboeken- en liedtekstschrijfster. In hun vertaling zijn Lemmens en Suy dicht bij de brontekst gebleven van de eenendertig dichteressen, maar weten zij de zinnelijkheid en de ‘saudade’ te behouden in het Nederlands. Deze bundel is een eerbetoon aan de onderbelichte vrouwenstemmen in de Portugese literatuur, en opent een nieuw stukje van de Portugese literatuur voor de Nederlandse lezer.

    Ik heb de tijd op je naam laten vallen - Poëzie uit Portugal
    Auteur: Vrouwenstemmen uit vijf eeuwen
    Uitgeverij: Koppernik

    Arsène Lupin – Gentleman Inbreker

    De populaire beeldcultuur beïnvloedt al jaren ons leesgedrag. Dit jaar wint Lale Gül voor haar debuut Ik ga leven de NS Publieksprijs. Michel van Egmond flikte dit kunstje zelfs twee keer: eerst met Gijp, daarna met Kieft. Hiermee lieten zij mastodonten als Tommy Wieringa, Arthur Japin en Nelleke Noordervliet moeiteloos achter zich. Hoe? Televisiebekendheid. Eenzelfde lot lijkt Martien Meiland en zijn ex-vrouw Erica beschoren, alle xenofobie in hun memoires ten spijt. Onder jeugdige lezers is de grootste stuurder van leesgedrag Netflix. Laat dat medium nu nét de avonturen van Maurice Leblanc reanimeren met een hoofdrol voor de goedlachse Omar Sy als Arsène Lupin. Gentleman, Inbreker.

    Het motief van de goede dief die steelt van de rijken, Robin Hood, doet het altijd goed bij het grote publiek. Uitgeverij Davidsfonds, gesitueerd in het Belgische Leuven, geldt als ’s lands grootste cultuurfonds en begrijpt bovendien dat dit verhaal zich uitstekend leent voor een stripuitgave. Zij is rijkelijk geïllustreerd en brontekstgetrouw vertaald. Daarbij kan de hoofdpersoon wat sluwheid betreft, wedijveren met de prehistorische Galliër uit het dorp dat wij zo goed kennen. Altijd weer tovert de gentleman een truc uit zijn hoge, zwarte hoed. Laat u zich betoveren?

    Arsène Lupin - Gentleman Inbreker
    Auteur: Maurice Leblanc
    Uitgeverij: Davidsfonds – infodok
  • Jurre

    Jurre

    Op het strand van Vlieland zag ik dat een onbekend nummer een bericht had achtergelaten op mijn voicemail. Of ik zo spoedig mogelijk terug kon bellen, ze hadden misschien een leuke hond. Ik twijfelde. De vakantie was net een dag oud en het dagelijks leven drong zich alweer op. Van mijn partner, die naast me in het zand lag met een lavendelkussentje op zijn ogen, viel geen besluitvaardigheid te verwachten. Een hond. Het klonk urgent. Ze leek mijn naam niet te herkennen toen ik terugbelde. ‘Het gaat om Jurre.’ Op de achtergrond geritsel van papieren. ‘Een schrijnend geval.’ Ik ging op mijn handdoek verzitten, zand plakte aan mijn zwembroek. ‘Jurre is een Husky van twaalf met staar aan één oog.’ Ze liet een pauze vallen, maar ik humde gewoontegetrouw aanmoedigend. Zo snel ben ik nu ook weer niet uit het lood geslagen.
    ‘Hij is ook gecastreerd.’
    ‘Natuurlijk,’ antwoordde ik onhandig.
    ‘En snel wagenziek.’
    ‘Met kotsen?’
    ‘Met kotsen,’ bevestigde ze
    ‘We zoeken een gouden mandje voor hem omdat het thuis niet meer gaat.’

    Doorhummen, niet zeggen dat ik een pesthekel heb aan dat gouden mandje-gedoe, een hond zoekt een mandje, een thuis, meer niet. ‘Hij komt van een ouder echtpaar,’ zei ze. ‘De één dementeert, de ander heeft ook iets…’ – weer geritsel –  ‘waardoor ze niet meer voor Jurre konden zorgen.’
    ‘Ach, wat vervelend.’
    ‘En daardoor is hij beland bij een opvanggezin.’
    Dat klonk als een oplossing.
    ‘Maar daar gaat het niet goed, vanwege een andere hond.’

    Ik zag voor me hoe Jurre op zijn oude dag door een vitale soortgenoot opgejaagd werd en in zijn doffe vacht gebeten. ‘Jurre is nogal dominant. In het algemeen. Maar ook naar de andere hond. Die andere…’ – ze zuchtte in de telefoon – ‘heeft een hartprobleem. Kortom, het gaat niet meer.’
    Twaalf, gecastreerd, staar, dominant.’ Zo vatte mijn partner het telefoongesprek samen. ‘Waarschijnlijk laat hij dagelijks stinkende winden.’
    ‘Dat hoeft niet.’

    Ik dacht aan Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Henk knielt bij zijn oude hond neer, aait hem – en zijn nieuwe vlam, Mia, bekijkt het tafereel. ‘De man die naast haar hurkte rook naar zweet, maar dat stoorde haar niet. Het was een voordeel van haar jaren,  hoofd- en bijzaken werden steeds sneller gescheiden, en de hoofdzaak was niet die geur van zweet maar de grote, lieve man die zo bezorgd was om zijn hond.’ Hoewel de scene ogenschijnlijk vooral over Henk gaat, ontroerde me de aanwezigheid van de oude hond. Zonder dat ik hem had gezien – van Jurre was geen foto beschikbaar –  maakte mijn lijf gedurende die vakantieweek een stoot hormonen aan, die me niet alleen gelukkiger maakten, maar ook een groot verantwoordelijkheidsgevoel gaven. Ik voelde me met hem verbonden, Jurre mocht bij ons rustig oud worden, sterven.
    Terwijl we op onze dagelijkse strandwandelingen over Jurre bleven praten, kwam een dag voor ons vertrek het bericht dat het qua dominantie toch wel meeviel, Jurre bleef. ‘Dat is ook het beste,’ zei ik aan de telefoon. Zo kalm mogelijk. ‘Een oude hond moet je niet verplaatsen.’ Jurre, ik heb hem nooit gezien, maar wat heb ik al veel van hem gehouden.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Geluk schuilt in het ontdekken van schoonheid

    Geluk schuilt in het ontdekken van schoonheid

    Sander Kollaard kiest ervoor de bundel De laatste dag van de koning te beginnen met verwondering. In het eerste verhaal, Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, verwondert een kind aan het strand zich over de spiraalvormige heuveltjes zand waar wormen onder zitten. Verwondering vormt de grondhouding van de verhalen. In dit boek toont Kollaard zich naast een begenadigd verteller van korte verhalen ook een vaardig essayist. Met een zeer eigen stemgeluid, lucide en behoedzaam formulerend en beschouwend.  

    De personages die Kollaard schept zijn vaak op zoek, naar dierenskeletten of naar hun eigen plaats in de wereld. Zelden voelen ze zich ergens op hun plek of in een vertrouwde bubbel. Er is altijd een nieuwsgierigheid, een fascinatie voor wetenschappelijke principes en de drijfveren van mensen. Ze worden aangetrokken door de ‘schoonheid die voortvloeit uit een trefzekere ordening, zoals de schoonheid van een antieke tempel, een strijkkwartet van Beethoven of een natuurwet.’ Vaak worden ze gegrepen door kleine details die anderen ontgaan. Een hapering in het beeld van de televisie, een visitekaartje van een medium of wat het interieur zegt over iemand. De op een nauwkeurige, aandachtige manier beschreven kleine voorvallen doen een strakke regisseur vermoeden. 

    De afstand tot een ramp

    De hoofdpersonen van Kollaard zijn zich altijd bewust van de aanwezigheid van ‘Meester Dood’. Die schuilt in kleine dingen, zoals de afstand tot een ramp en de macht van het toeval. De details waar de auteur de aandacht op vestigt variëren. In De trogkrabber bijvoorbeeld is het een stuk gereedschap in een autowrak dat de hoofdpersoon tijdens een wandeling aantreft. Als hij erachter komt waar het voor dient, schiet hem meteen een lokale mythe te binnen. En dan gaan zijn gedachten via een rotsformatie van een versteende bruid in Corsica naar Nescio en naar het heelal. Kollaard heeft een lichtvoetige, essayerende pen en speelt een grillig literair spel met feiten. Soms verhullend en fictief, soms vermengd met biografische elementen, vaak over schrijvers. Bijvoorbeeld in het verhaal Over de merkwaardig lichte gang van Fernando Pessoa. Daarin is een hardloper op zoek naar zijn vermiste vriend, ondertussen filosoferend over de gesprekken die ze samen hebben gehad over Pessoa.

    Kollaard is zich ervan bewust dat we onszelf verhalen vertellen om de wereld te ordenen. Het ik hangt als los zand aan elkaar en als de mythes wegvallen blijft er rauw verdriet over. Over de sterfelijkheid van de mens en de schaduw die de dood werpt. Tegenover zekerheid stelt Kollaard twijfel en in de plaats van wijsheid komt alleen een ‘stakkerig wijs zijn’ zoals hij het met Nescio zegt. Voor zijn hoofdpersonen schuilt de troost vaak in kunst, zoals de plooi in het kleed van een beeld, of een kleur in het landschap die met schildershand gemaakt lijkt. Waar ze voor even ‘verlossing vinden van het verpletterende besef dat de tijd maar één richting kent.’

    In de eerste plaats is Kollaard een lezer, schrijft hij, en hij laat dat zien door zijn literaire kritieken. Hij bespreekt het werk van uiteenlopende schrijvers, waaronder Judith van Nimwegen, Stephan Enter en Judicus Verstegen. Schrijvend over het werk van Enter concludeert hij voor zichzelf dat stijl een kern-ingrediënt hoort te zijn in de roman. Zo reflecteert Kollaard over wat een roman uniek maakt. Tegen de ‘vrijwel volledige vernietiging van ons leven’ legt de roman iets van het leven vast. De complexiteit van de roman toont volgens hem de onzekerheid van het leven. De roman is van levensbelang, omdat hij perspectief biedt op andere ervaringen. Voor Kollaard is dit een houvast: ‘Dankzij boeken kan ik me tot de wereld verhouden. Door te lezen en te schrijven knoop ik me vast aan een wereld die anders onbegrijpelijk zou zijn.’ 

    Vluchtig geluk

    Vaak worden zijn karakters bedrogen door de herinnering, zoals de Russische doelman Dassajev in het verhaal En Dassajev verbijsterd achterliet. Het is afhankelijk van het personage wat voor verklaring hij of zij voor de chaos heeft. Zelf is Kollaard eerder geneigd om een breder perspectief te zoeken. Zoals Janet die in Het einde van de verlichting zegt: ‘De werkelijkheid is een chaos. Dat een uitzonderlijke gebeurtenis betekenis suggereert, zegt iets over ons, maar niets over de werkelijkheid. Toeval is overal.’ Wat overblijft is giswerk, in de literatuur en de wetenschap. Dit giswerk leidt vervolgens tot een wetenschappelijke theorie of een roman, beide kunnen mooi zijn, zegt Kollaard. Als een van de beste voorbeelden noemt hij Darwins evolutietheorie.

    Wat we nog uit de ‘gapende muil van de tijd’ kunnen redden zijn meestal kleine dingen, herinneringen, of een vluchtig gevoel van geluk. Geluk schuilt voor Kollaard onder meer in het ontdekken van de wonderlijke schoonheid van Darwins wormen in diens ‘Wormenboek’, het laatste dat Darwin voor zijn dood schreef. Het is ’tegen de duisternis in schrijven’ en ‘het voertuig zijn van verbeelding en inval, impuls en herinnering.’ Het vluchtige geluk, meent Kollaard, schuilt in schitterende taal, de taal die ons bij de hand neemt. Ook lezen is ten diepste autobiografie, schrijft hij. Via het verhaal van een ander komen we bij ons eigen verhaal: ‘Goede literatuur verlost de lezer en de schrijver van zichzelf.’ We zetten voor even een andere bril op en onze kijk verandert. Hij noemt literatuur zelfs een alternatief voor religie, het is immers een manier om de wereld te begrijpen.

    Schatgraven

    Veel van deze verhalen en essays zijn als eerste gepubliceerd in Tirade en De Gids. Daarnaast zijn er een paar nooit eerder gepubliceerde stukken. Sommige verhalen zoals Winkelcentrum Vredeburg Noord intrigeren en smaken naar meer. De essays zijn hoogtepunten. Hier doet Kollaard het nodige uit de doeken over zijn persoonlijke opvattingen, bijvoorbeeld als het over engagement gaat. De laatste dag van de koning levert het beeld op van een eigenzinnige schrijver die ambachtelijk te werk gaat en voor even een raam openzet waarna een grandioos perspectief opdoemt. Zijn opvattingen over de troost van literatuur onderschrijven zijn talent voor poëtische meditaties over het leven. Dit maakt deze gevarieerde bundel geschikt om in te schatgraven op zoek naar diezelfde verwondering als die Kollaard beschrijft.

     

     

  • Oogst week 13 – 2021

    De eerste vrouw

    In De eerste vrouw van Jennifer Makumbi groeit het leergierige kind Kirabo op te midden van familie. Haar moeder heeft ze echter nooit gekend en ze is opgegroeid bij haar grootouders. Haar omgeving in het Oegandese dorpje Nattetta lijkt haar te dwarsbomen als ze op zoek gaat naar de vrouw uit wie ze voortkwam. Zelfs van haar vader, die ze wel kent, wordt ze niets wijzer. Kirabo is ook een merkwaardig kind. Ze kan bijvoorbeeld uit haar lichaam treden.

    In het eerste hoofdstuk van de roman besluit ze de blinde dorpsheks Nsuuta te raadplegen. Die weet haar het vertrouwen te geven dat haar uittredingservaringen haar in staat stellen de oorspronkelijk vrouw te vinden die nog niet is gekneed voor de mannenmaatschappij. De roman is gebaseerd op het Oegandese scheppingsverhaal van de eerste vrouw.
    De eerste vrouw begint in 1975 als dictator Idi Amin aan de macht is. Het is de tweede roman van Makumbi van wie in 2020 Kintu in het Nederlands verscheen.

    De eerste vrouw
    Auteur: Jennifer Nansubuga Makumbi
    Uitgeverij: Cossee

    Beer

    In april verschijnt Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985). Het origineel is al uit 1976 en is nu in het Nederlands vertaald door Barbara de Lange. Het boek oogstte nogal wat kritiek om de seksuele en spirituele relatie die de 27-jarige bibliothecaresse Lou krijgt met een beer. Dat gebeurt als ze op een verlaten eiland, waarop ze zich heeft teruggetrokken om de bibliotheek van een excentrieke kolonel te catalogiseren, ontdekt dat er buiten haar nóg een bewoner is, de beer.

    Margaret Atwood loofde het als een vreemd en wonderlijk boek en een verontrustend sprookje.

    Beer
    Auteur: Marian Engel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV

    Revisor Binnenpost

    ‘Als ik ’s ochtends aan het fietsen ben, trap ik alle tegenstrijdige gedachten, alle onzekerheid, alle schuldgevoelens en frustratie er even uit en ben ik gewoon lichaam, een steeds makkelijker heuvel op fietsend lichaam. Ja, dit jaar is het jaar van het lichaam. Van medelichamen (…) Is 2020 niet ook een jaar geweest waarin jij je juist geconfronteerd zag met je lichamelijkheid en met een zekere blindheid? Door jouw ervaringen met ziekte en isolatie kan ik me dat goed voorstellen, maar misschien heb ik het verkeerd. Is jouw glas halfvol of halfleeg? En heb jij nog woorden, voor nu de échte, allerlaatste brief?’

    Het is een fragment uit een brief van Alfred Schaffer aan Bernke Klein Zandvoort, één van de bijdragen aan Binnenpost, het nieuwste nummer van De Revisor. Daarin schrijven zes auteurs elkaar in 2020 vanuit vier landen 22 brieven over wat de coronapandemie voor hen betekent. Naast de twee genoemden zijn dat Roos van Rijswijk, Sander Kollaard, Bernard Wesseling en Neske Beks. Ook opgenomen is Aantekeningen uit het moeras van Eva Gerlach.

    Revisor Binnenpost
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido
  • Elke editie meer dan de moeite waard

    Elke editie meer dan de moeite waard

    Literair tijdschrift Tirade verschijnt dit jaar in een hogere versnelling. Waar in voorgaande jaren steeds vier edities verschenen, lijkt het blad dit jaar met vijf edities te zullen afsluiten, gezien de tweemaandelijkse plof op de mat. Het wordt er wel levendiger van, alsof er een vitaliserende druk achter zit. De dommelende lezer, die dacht nog wel even te hebben voor er een nieuw nummer verschijnt, moet zijn instelling veranderen. Dit jaar verscheen er een maart- /mei- en augustusnummer, en het oktobernummer is in aantocht. Elk nummer een feest aan verhalen, gedichten, essays, worden auteurs gememoreerd. Met hier en daar een nieuw geluid, een debuterend of in Nederland nog onbekend schrijver.

    Floyd-effect in de literatuur

    Tirade 480 opent met een redactioneel stuk waarin Julien Ignacio opmerkt dat na de gewelddadige dood van George Floyd, zwarte schrijvers in de spotlights zijn komen te staan, er een zogezegd Floyd-effect is ontstaan. Het eerste korte verhaal ‘Een doodgewone vrijdagochtend’, is dan ook van de vrij onbekende Afro-Amerikaanse dichter en schrijver Langston Hughes (1901-1967). Na het lezen van zijn verhaal, wil je gelijk meer van deze auteur lezen. Het verhaal, over het zwarte meisje Nancy Lee die op een witte openbare school meedoet aan een kunstwedstrijd, is schrijnend. Met haar werk wint ze een kunststudiebeurs. Dan komt de commissie erachter dat Nancy zwart is, krijgt ze de beurs toch niet. Hughes zoekt niet de scherpe randen van het goed en kwaad op,( wat voor de hand zou liggen), maar kiest geen partij.
    De leerkracht van Nancy, Miss O’Shay leert haar, nadat ze Nancy het slechte nieuws heeft moeten vertellen, dat, ‘Amerika alleen [is] wat wij ervan maken. Ik ben Ierse. Dit weet jij misschien niet Nancy Lee, maar jaren geleden werden we de smerige Ieren genoemd, en werden we door hordes in de grote steden aangevallen, en werden we verzocht om terug te gaan naar waar we vandaan kwamen. Maar we gingen niet. En we gaven niet op, omdat we geloofden in de Amerikaanse droom, (…) Degenen die jou deze studiebeurs ontzeggen, weten niet wat die sterren [in de vlag] betekenen, maar het is aan ons om het ze te vertellen.’ En Nancy tilde haar hoofd op, glimlachte. ‘Er komen wel andere prijzen, dacht Nancy Lee. Er zijn scholen in andere steden. Dit houdt me niet tegen.’ Caspar Wijers vertaalde dit verhaal van Hughes, en je hoopt dat er eens een heel boek van deze schrijver vertaald zal gaan worden.

    Nog met het verhaal van Hughes in het hoofd door naar de ‘Kwatrijnen’ van Tonnus Oosterhoff. Alsof ze daar en nergens anders geplaatst konden worden. ‘Er wordt ritmisch aan ons getrokken. / Door Wie? In welke richting? / We weten dat we waardevol zijn / omdat er aan ons gerukt wordt.’

    Honden in de literatuur

    Sander Kollaard over de roman Onderdak van Elisabeth van Nimwegen. Over hoe bijzonder deze roman is, met uitgelichte thema’s als de druk van de samenleving, moederschap, vrouw zijn en de wens helemaal te willen verdwijnen. Mooi is dat Kollaard hierin een vergelijking trekt met Bor de Wolf uit de Fabeltjeskrant, die voorafgaand aan elke zin eerst een huil (Hu!) liet horen. Bor wil met niks en niemand iets te maken hebben, het Enge bos is voor hem de ultieme plek om zich terug te trekken, net als Andrea uit Onderdak, die zich in een bergruimte op zolder heeft teruggetrokken, wil ook met niks en niemand meer iets te maken hebben. Verdraaid goede roman, Kollaard schreef er een fijn stuk over. 

    Guido van Hengel schreef over de hond in de literatuur, ‘Meelezen met de honden’. De hond in het werk van Virginia Woolf, Tsjechov en Kafka. En natuurlijk Sander Kollaard met zijn Uit het leven van een hond,en Ik wil geen hond zijn van Alma Mathijsen. ‘Waarom verschijnen er zoveel boeken over honden?’
    Poëzie van Maria Barnas, gebeeldhouwde woorden, regels als de tandjes van een rits, die in elkaar schuiven, sluitend zijn. Getiteld ‘Ha-ha’ naar de Ha-ha Wall: een droge gracht waarin een muur verborgen wordt als omheining.

    Eerdere edities 

    Uit de eerste editie van dit jaar, Tirade 478 is een verhaal van Julien Ignacio, geïnspireerd op de roman Alleen de bergen zijn mijn vrienden van  Behrouz Boochani, zeer vermeldenswaardig. Ignacio laat een cyborg een vriendschapsverzoek naar Behrouz sturen. Waarna ze gaan chatten, waardoor het leven van Behrouz dichtbij komt, dichterbij kun je haast niet komen, bij een mens, verslagen als vluchteling. Dan een bizar verhaal van Maria Kager, ‘Een unieke ervaring’, waarin de prijs van een schrijfwedstrijd een ontmoeting met Etgar Keret in Tel Aviv inhoudt. Van Marjolein van de Gender een gestileerd verhaal over verlaten zijn. En Yentl van Stokkum, die gefascineerd is door Emily Brontë, schreef daar prachtige gedichten over. 

    In Tirade 479 een bijdrage van Wouter van Oorschot, herinneringen aan de dit jaar overleden schrijver Carl Friedman, een mooi in memoriam. Lodewijk Verduin over het werk van H.A. Gomperts, ‘Maar wat is er dan gebeurd met H.A. Gomperts? Hij wordt zelden genoemd, zijn boeken worden niet driftig gezocht.’ Daar zou deze bijdrage wel eens verandering in kunnen brengen. Lees, lees, lees!
    Last but not least een prachtig verhaal, Ritueel, van beeldhouwer en schrijver Mohana van den Kroonenberg. In 2010 debuteerde ze met de verhalenbundel Moorddiner, sindsdien werd er op literair gebied weinig van haar vernomen. Goed te horen dat er wordt gewerkt aan een tweede verhalenbundel, Overlevingsstrategieën

    Elke editie is meer dan de moeite waard om aan te schaffen, door te snuffelen, te lezen, van voor naar achter en weer terug, verhalen houden nooit op.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen

    Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen

    ‘Zo ziet mijn leven er op dit moment uit,’ zegt Sander Kollaard (1961) ineens. We zitten op een terras in Amsterdam. De schrijver woont in Zweden en is voor tien dagen overgekomen voor de promotie van zijn roman Uit het leven van een hond die eind juni werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Er is zojuist een enorme hoosbui losgebarsten, maar boven onze tafel hangt een grote parasol. ‘Overal vallen buien en gebeuren vreselijke dingen, maar ik zit lekker droog.’ 

    Sinds enkele jaren leeft Sander Kollaard alleen van het schrijven. Dat brengt onzekerheid over inkomsten met zich mee, ook omdat zijn vrouw op projectbasis werkt. Tot vier jaar geleden werkte hij ook nog als redacteur voor een medische uitgeverij, uit financiële noodzaak. Maar toen ging die zaak failliet, vertelt Sander Kollaard. ‘Op dat moment zat ik al met de vraag of ik er niet mee moest stoppen om me volledig op het schrijven te richten. Gelukkig werd de keuze toen voor mij genomen. Het was een enorme bevrijding en daardoor kon ik veel meer gaan schrijven. Dankzij de Librisprijs kunnen we het leven dat we nu leiden langer volhouden.’ 


    Veel te vieren

    Zijn bekroonde roman Uit het leven van een hond beschrijft een zaterdag uit het leven van de 56-jarige Henk van Doorn. Een doodgewone zaterdag, behalve dat Henks hond ziek is. ‘John Updike werd eens gevraagd waarom hij schreef. Hij antwoordde toen: “To give the mundane its beautiful due”, dat je zou kunnen vertalen met “het alledaagse tooien met de schoonheid die haar toekomt”. Dat heeft mij altijd erg aangesproken. Waar literatuur erg goed in is, is mensen opnieuw te laten kijken naar wat ze al kennen. Maar dan met een frisse blik. Dan zie je veel meer en worden ook de banale dingen op slag interessanter.’

    Geconfronteerd met de ziekte van zijn hond ervaart Henk zijn emoties wat sterker dan normaal. Hij kent de nare en verdrietige kanten van het leven. Hij heeft bijvoorbeeld zijn oudere broer verloren, een dementerende vriendin en hij is gescheiden. Ondanks het besef dat hij zijn hond over niet al te lange tijd zal verliezen, weet hij de wending te maken naar de gelukkige kanten van het leven. ‘Er valt in het leven veel te vieren. Je moet het alleen wel willen zien en dat begint Henk op deze dag te ontdekken.’

    Als je Uit het leven van een hond vergelijkt met de andere boeken van Sander Kollaard, dan lijkt het nog een meest op zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. ‘Het is een soort vervolg qua toon, klank en lichtheid. In het eerste boek is er ook het besef van sterfelijkheid, een memento mori, dat als een onweerswolk boven alles hangt. Het geeft de hoofdpersoon in die verhalenbundel een gevoel van zinloosheid. Maar Henk uit mijn laatste boek maakt de draai dat we aan die sterfelijkheid ook alles te danken hebben wat goed en bijzonder is.’ 


    Buitenspelen

    ‘Elk boek heeft zijn eigen regels. Een onderdeel van het schrijven is het ontdekken van die regels. Het is alsof je een spel krijgt toegeworpen zonder gebruiksaanwijzing,’ vertelt Kollaard over zijn schrijfproces. Elk boek is dan ook totaal anders dan het vorige. Zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is wat vertellen betreft het minst conventioneel: ‘Op dat boek ben ik het meest trots. Ik heb met die verhalen de vorm enorm weten op te rekken voor mezelf. Ik ontdekte nieuwe mogelijkheden van vertellen. En daar is Uit het leven van een hond ook een gevolg van.’ 

    Bij het schrijven van Uit het leven van een hond volgde Sander Kollaard wat hemzelf bezighield. Dat het een boek over onder meer levenslust is geworden bijvoorbeeld, is omdat de schrijver die zelf ook in zijn eigen leven meer dan voorheen ervaart. Dat het boek het gevoel van levenslust doorgeeft aan de lezer komt, denkt  Kollaard, door de lol waarmee hij het geschreven heeft. ‘Dat werkt aanstekelijk.’

    ‘Een andere schrijver heeft me wel eens voorgehouden dat het een slecht teken is als je om je eigen grapjes moet lachen. Maar ik denk: als ik er niet om lach, dan lacht er helemaal niemand om. Ik heb veel plezier gehad in het schrijven. Allerlei zinnen en beelden leken als vanzelf te komen. Dat geldt ook voor het vertelperspectief. Het scheelt niet veel of de schrijver komt zelf tevoorschijn in het verhaal. Toen ik dat eenmaal doorhad, zag ik ook de mogelijkheden van wat je daar allemaal mee kunt doen. Daarop heb ik me toen uitgeleefd.’

    Het liefst schrijft Sander Kollaard zonder al te veel plannen en zonder schema. In de handeling van het schrijven gebeuren volgens hem namelijk de interessante dingen. Verhalen lenen zich beter voor die manier van schrijven, want ze zijn op alle niveaus overzichtelijker dan romans. Romans schrijven is daarom meer een gerichte, ambachtelijke inspanning. ‘Het is niet dat ik daar geen lol in heb, maar ik schrijf liever korte verhalen. Dat voelt als buitenspelen, terwijl een roman schrijven meer is als huiswerk maken.’ 


    Fascinatie voor verhalen

    Terugkerend thema in het werk van Sander Kollaard is het vertellen van verhalen. In Uit het leven van een hond noemt Henk verhalen onze meest basale vorm van begrip. In zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is het vertellen van verhalen een expliciet thema en ook in de eerdere roman Stadium IV en Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde is Kollaards fascinatie voor verhalen aanwezig. 

    ‘We kunnen ons alleen maar verhouden tot onszelf en de ander in de vorm van verhalen. Al onze kennis en al ons begrip neemt de vorm aan van een verhaal. Voor mij als schrijver is dat fascinerend, omdat ik me bemoei met dat web van verhalen dat er in de wereld is. Los daarvan is het een vruchtbaar perspectief op wat er in de wereld gebeurt, de verhalenstrijd die je overal ziet, zoals in de discussies over identiteit. Of dat nou is met populistisch rechts, de Nederlandse cultuur of Black Lives Matter: iedereen doet zijn of haar best anderen te overtuigen van het eigen verhaal. 

    Wat essentieel is om te begrijpen aan de hele discussie over identiteit, is dat het verhalen zijn die we onszelf en anderen vertellen. Je hebt het niet over een noodlot of onwrikbare waarheid. Het wordt natuurlijk pijnlijk als jouw verhaal door anderen wordt verteld, zoals zwarte Amerikanen is overkomen: hun verhaal is te lang en te vaak verteld door witte Amerikanen en doordrenkt van racistische vooroordelen. Maar aan die verhalen kun je ook een nieuw verhaal toevoegen. Dat doen ze nu met veel overtuiging. Ik vind het iets bevrijdends hebben om op die manier naar de wereld te kijken, omdat het je weghoudt bij absolute waarheden. Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen.’


    Extra leven

    Een nieuw verhaal beginnen, het is een metafoor die mooi past bij het leven van Sander Kollaard. Hij debuteerde tamelijk laat, pas toen hij vijftig was. In zijn jongere jaren schreef hij wel eens iets, maar hij had nooit de concrete ambitie om schrijver te worden. Pas toen hij naar Zweden verhuisde begon hij het schrijven serieuzer aan te pakken. 

    ‘Ik kreeg een relatie met mijn Zweedse vrouw, Susanna, die ik in Nederland leerde kennen, juist toen zij op het punt stond weer naar Zweden te gaan. Toen ben ik met haar meegegaan. Omdat zij al twee kinderen had, kreeg ik ook een rol als vader. En niet lang daarna kregen we samen ook nog een kind. Het was een opwindende, maar ook een zware periode waarin voor mij vrijwel alles veranderde. Om mijzelf niet te verliezen in die nieuwe rollen, ben ik bewust uren voor mijzelf gaan nemen, en daarin ben ik begonnen met schrijven. En dat leidde al vrij snel tot publicaties in De Gids en in Tirade.’

    Met zijn schrijverscarrière ging het meteen goed. Voor zijn debuut ontving hij de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs, Stadium IV werd verkozen tot Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door, en nu volgt de Libris Literatuur Prijs. Sinds het verschijnen van Uit het leven van een hond heeft hij alweer een nieuw verhaal geschreven en inmiddels is hij ook weer bezig met een nieuwe roman. Achter de schrijftafel is hij zijn personage Henk allang weer kwijt. ‘Maar ik ben heel blij dat Henk door deze Librisprijs een extra leven heeft gekregen en nog een tijdje mee mag.’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Susanna Erlandsson