• Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • Weten wanneer je hulp moet bieden

    Weten wanneer je hulp moet bieden

    Nastya in Charkiv, Naar de frontlinie van Europa is een prachtig vormgegeven bundeling verhalen door Jaap Scholten over een hulpkonvooi naar Oekraïne, over Oekraïners in de strijd  tegen Rusland, en over arts en psycholoog Nastya. Zij is Nederlands-Bulgaars en groeide op in Den Haag en is een senior combat medic, een hospik in Charkiv. Ze is plaatsvervangend commandant van een compagnie, en spreekt Engels, Russisch en Oekraïens. ‘We helpen haar en haar eenheid al ruim een jaar. Ze is al drie jaar actief in de oorlog.’ Met geschreven en gesproken berichten via de smartphone heeft Scholten contact met haar. De berichten zijn in het boek in blauw cursief afgedrukt, net als alle uitspraken van anderen en citaten uit boeken of artikelen. Achterin het boek worden de bronnen door Scholten genoemd en toegelicht.

    Op het omslag, op de flappen en binnenin het boek staan indrukwekkende zwart-wit foto’s van Eddy van Wessel, die meereisde met het konvooi. Scholten onderneemt de tocht namens de mede door hem opgerichte organisatie Protect Ukraine. De manier waarop hij daarvan verslag doet, is meeslepend en met passende humor geschreven. Jaap Scholten verdiende zijn literaire sporen vanaf de jaren negentig met de bekroonde romans Kameraad Baron (2010) over de verdwijnende Transsylvaanse aristocratie en Horizon City (2014), de kroniek van zijn eigen familie. Sinds 2013 woont de schrijver met zijn Hongaarse echtgenote en hun kinderen in Hongarije. Direct na de Russische inval werd hij actief in de ondersteuning van Oekraïne en in 2022 verscheen daarover het boek Drie zakken dameskleding, twee cakes Kyiv & een sniper.

    Weten wanneer je hulp moet bieden

    In Nastya in Karkiv vertelt Scholten hoe hij ertoe gekomen is zich in te zetten voor Oekraïne. Op de ochtend na de invasie werd hij gebeld door een nichtje dat haar leven deelt met een Oekraïner. Ze vroeg of hij de familie van haar vriend in Kyiv kon helpen. Waarna Scholten zonder aarzelen vanuit Hongarije naar de grens reed die hij, na vier dagen wachten, wist te passeren. Daar zag Scholten hoe een roodharig meisje vanuit een roestige bestelbus een stapel dekens tevoorschijn haalde en aan verkleumde vluchtelingen uitdeelde. Hij schreef daarover al in zijn eerdere Oekraïne boek, maar hier vertelt hij wat het voor hem betekende: ‘In de vrieskou bij de grenspost besloot ik, op het moment dat de deken over de schouders van het bibberende meisje werd geslagen, dat ik niet moest blijven toekijken en noteren, maar iets moest gaan dóen’.

    De verhalen springen heen en weer in de tijd, van februari 2022 tot februari 2025. Ook kijkt Scholten terug naar november 2003 toen hij in Hongarije een huis opknapte. ‘Eigenlijk had ik veel eerder in mijn leven bewust moeten worden wat het Kremlin en Poetin bezielden, maar ik heb niet opgelet.’ Door zijn deelname aan het Europees Cultureel Parlement leerde hij onderzoeksjournalist Anna Politskovskaja kennen. Zij schreef voor de Navaja Gazeta maar werd ‘op 7 oktober 2006, de verjaardag van Poetin, in de lift van haar appartement […] doodgeschoten.’ De dag ervoor had ze een verhaal ingeleverd over de martelpraktijken in Tsjetsjenië. Scholten citeert een tekst van Politskovkaja uit 2004, waarin staat dat een journalist zich totaal moet onderwerpen aan Poetin. ‘Anders kan het de dood, de kogel of een rechtszaak zijn.’

    Het zevende konvooi

    Tien verhalen hebben als titel Konvooi 7 en zijn geschreven tijdens of na zijn reis in februari 2025. Ze zijn de rode draad in het boek en gaan over het zevende konvooi naar Oekraïne. Maar ook in de andere verhalen gaat het vaak over het konvooi en wat zich daar afspeelt. Dit konvooi bestaat uit twintig konvooigangers en ‘drie ambulances, vijf terreinauto’s een passagiersbusje en een vrachtwagen met rode kruizen.’ De auto’s zijn volgeladen met medicijnen en allerlei medische en militaire hulpmiddelen. Vooral grote en kleine drones, maar bijvoorbeeld ook haringen en stroopwafels. ‘We toeren door Oekraïne en leveren spullen en terreinauto’s af bij de eenheden.’ Ze zijn op weg naar Nastya aan het front, de reis gaat via Lviv, Kyiv, Sumy, Charkiv en Mikolajiv naar Odessa. Als eerste ontvangt Olesya het konvooi in Lviv. Zij is arts en therapeute en vertelt de konvooigangers over haar werk. Olesya heeft via internet met Scholten contact gelegd, nadat ze de Engelse vertaling van zijn vorige boek had gelezen en ze vroeg hem om spullen die ze nodig hebben.

    Onderweg ontmoeten de konvooigangers de Oekraïners bij wie de auto’s, drones en andere spullen worden afgeleverd. Jongeren en ouderen, mannen en vrouwen, medici, militairen, mariniers, beroeps en vrijwilligers, managers, boeren, chauffeurs, een graffity-artiest, een danseres. Het zijn er veel en allemaal verdedigen ze hun land. In de andere verhalen schrijft Scholten over de Oekraïense PEN, de verhouding tussen de soldaten, tussen mannen en vrouwen, over mensenrechten, en over de ontmoeting met Nastya. Zij vertelt over het moment waarop zij besloot meer te doen dan spullen naar Oekraïne te brengen: ‘Ik ben geen vechter, ik ben geen soldaat, maar helpen wil ik wel.’ Jaap Scholten, Tommy Wieringa en vijf konvooigangers bezoeken ook Nastya’s huwelijksfeest. Ze ‘straalt als de zon’ wanneer ze vertelt hoe ze haar man ontmoette. Ze trouwen en gaan twee dagen op huwelijksreis, buiten het bereik van de raketten.

    Het maskeren van bedoelingen door Rusland

    In een van de laatste verhalen vertelt Scholten over ‘maskirovka’, het maskeren van je bedoelingen, wat Rusland voortdurend doet om iedereen op het verkeerde been te zetten.  En hij schrijft over de martelingen, het geweld en de geweldsdreigingen die Poetin uit laat voeren, als bewonderaar van Felikjs Djerzjinski, de oprichter van de eerste bolsjewistische geheime dienst Tsjeka.Hun werkwijze zie je volgens Scholten terug in Oekraïne. Hij citeert en interviewt ook mensenrechtenadvocaat Oleksandra Matviichuk, die ambassadeur is voor Support Ukraine, over de ‘werkelijke racistische cultuur’ in Rusland. ‘Russische bezetting betekent gewelddadige ontvoering, verkrachting, merteling.’ Zij maakt zich hard voor een speciaal tribunaal voor Vladimir Poetin.

    In het verloop van de oorlog zijn hun tochten volgens Scholten een ‘langzame en onvermijdelijke afdaling in het gitzwarte’. De spullen die ze brengen zijn ‘stille getuigen van het desperate karakter van de oorlog’. Sinds vorig jaar nemen ze ook katheters en luiers mee. ‘Vrijwel alle Oekraïense militairen die uit Russische gevangenschap terugkeren, zijn zodanig gemarteld dat ze incontinent zijn.’ De meest gruwelijke dingen die ze hebben gehoord noteert hij niet in detail. ‘Ik heb op het laatste moment martelverhalen geschrapt, anders leest geen hond in Nederland dit boek.’ De lezer moet sowieso een sterke maag hebben, ook zonder al die martelingen. Maar het geeft een goed beeld van binnenuit wat de Oekraïense bevolking moet doorstaan en wat de westerse pers niet laat zien.

    Het konvooi eindigt in Odessa, met een wandeling langs de beroemde en door een bom beschadigde Transfiguratiekathedraal. Met de trappen die bekend zijn geworden door de film Pantserkruiser Potjomkin van Sergej Eisenstein. Scholten probeert nog van een proefgranaat af te komen, die hij als een ongewenst cadeautje in zijn bagage heeft. Hij wil het ding ongezien in zee laten vallen, als een van de ondanks de oorlog min of meer tragisch humoristische anekdotes in dit overdonderende oorlogsverhaal.

     

     

  • Magische roman over slachtoffers van de nazi’s, de Sovjets en vlucht MH17

    Magische roman over slachtoffers van de nazi’s, de Sovjets en vlucht MH17

    De witte dame van de mijn is een ontluisterende en noodzakelijke roman van de Russische schrijver en ‘buitenland agent’ Sergei Lebedev (1981). Een huiveringwekkend verhaal rond de vliegramp van de M17, gezien door de ogen van vier personages in de Donbas. Lebedev is in 2018 voor zijn eigen veiligheid verhuisd van Moskou naar Berlijn. Hij is een van de bekendste schrijvers van zijn generatie. In de meeste van zijn boeken doet hij onderzoek naar de psychische gevolgen van de Goelag op de Russische samenleving.

    Als kind zocht Lebedev naar mineralen en bergkristallen in verlaten mijnen om zijn zakgeld aan te vullen. Daarbij stuitte hij op resten van voormalige kampen uit de Goelag. Vanaf zijn vijftiende was hij jarenlang veldwerker bij geologische expedities in het Verre Noorden van Rusland en in Centraal-Azië, de voormalige Goelag gebieden die onbewoond waren gebleven nadat de gevangenkampen halverwege de jaren zestig waren gesloten. Als journalist schreef hij vanaf 2010 artikelen en romans over het Sovjetverleden. Met name over de gevolgen van de onderdrukkingen en vervolgingen die daar plaatsvonden. In De witte dame van de mijn verbindt hij de beginnende Russische agressie tegen Oekraïne na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie met het neerhalen van vlucht MH17 boven de Donbas.

    Versteende slachtoffers

    In een interview vertelde Lebedev dat hij al langer een roman wilde schrijven die in de Donbas speelt, omdat de holocaust nog verder naar het Oosten ging dan Baby Jar in Kiev waar de nazi’s meer dan dertigduizend Joden hebben vermoord. Bij hun terugtrekking uit de Donbas vernietigden ze alle sporen. Het was een van de dichtstbevolkte joodse gebieden in de Sovjet-Unie en tienduizenden Joden werden in de mijnschachten terechtgesteld en achtergelaten. Toen de Sovjets na de oorlog de schachten openden, sloten ze die onmiddellijk weer af nadat ze er een blik in hadden geworpen. Tienduizenden versteende slachtoffers bevinden zich nu nog in de mijnen en de Sovjets wilden het leed van de Joden niet openbaar maken.

    Op 17 juli 2014 werd vlucht MH17 boven datzelfde gebied uit de lucht geschoten. De brokstukken van het vliegtuig, de lichamen en de bagage van de passagiers lagen over vele kilometers verspreid, een beeld dat Lebedev jarenlang achtervolgde. Als hij in februari 2022 ziet dat Russische pantservoertuigen met halve hakenkruizen (Z) de grens oversteken, besluit hij dat het tijd is voor deze roman. Het absurdistische en cynische verhaal speelt over vijf dagen in juli 2014. Elke dag heeft als titel de naam van een van de personages: Jeanne, Valet, De Generaal en De Ingenieur. De laatste dag is getiteld Jeanne. Per hoofdstuk wisselt Lebedev van perspectief.

    Hoofd van de wasserij

    Het eerste hoofdstuk op de eerste dag gaat over Jeanne, de dochter van Marianne die drie decennia hoofd van de wasserij van de mijn is geweest. De vader van Jeanne was in 1996 overleden tijdens een mijnramp. Nadat de mijn werd gesloten, ging Marianne voor een half jaar als ziekenverzorgster naar Graz in Oostenrijk. Na terugkeer was zij ziek en bedlegerig. Ze wilde geen dokter en of andere hulp inroepen. Tijdens haar ziekte, wat kanker bleek te zijn, ondervond Marianne een complete persoonsverwisseling. Terwijl Jeanne in de kamer naast haar moeder sliep, overleed  Marianne. Een ambulancebroeder zei over haar moeder: “Zo uit het concentratiekamp’.  Dat deed Jeanne denken aan een verlaten mijnschacht: ‘Het hele dorp wist wat, of liever wie er in die schacht lag. Het was een geheim dat geen geheim was.’  Aan het eind van die dag ziet Jeanne nog een lijnvliegtuig, dat oplost in de lucht.

    Aan het begin van de tweede dag begluurt Valet zijn opgroeiende buurmeisje Jeanne. Hij zag ook het geleide luchtafweer raketsysteem Omela langsrijden. Het zijn in de roman de eerste voortekenen van het neerschieten van een lijnvliegtuig zoals Jeanne dat in de lucht zag verdwijnen. Op de derde dag, getiteld ‘Valet’, ziet Valet de brokstukken van MH17 neerkomen.

    Valets vader overleefde – verminkt – de mijnramp. Als jonge man dacht Valet dat er in de mijnschacht een geheime raket verborgen was,  maar van zijn vader hoorde hij dat er Joden lagen. Hij zocht er naar gouden kronen en vermoordde een zwerver die hem betrapte. Toen buurvrouw Marianne dat ontdekte, liet zij hem wegsturen. Jaren later , als Marianne op sterven ligt, komt Valet  terug uit Moskou. Hij bespiedt hun huis terwijl Marianne naakt op bed ligt en Jeanne zich in een witte stofjas over haar heen buigt. Die aanblik windt hem op, en om wraak te nemen, wil hij Jeanne overweldigen.

    Dossier Sneeuwwitje

    In de volgende hoofdstukken vertelt Lebedev het verhaal zodanig dat ze naadloos op elkaar aansluiten. De Generaal ziet ook het luchtafweerraketsysteem voorbij komen: ‘Maar zonder het te maskeren, de idioten!’ Als lid van de KGB had De Generaal dertig jaar eerder een dossier aangelegd met onderzoek naar de wasvrouw Marianne: Dossier Sneeuwwitje. In de omgeving van de mijnschacht was een executieplaats geweest van de NKVD, de voorloper van de KGB, er lagen duizenden mensen onder de grond. Nu zou hij haar kunnen ‘vastzetten en martelen’. En hij bedacht dat hij De Ingenieur, de man die de mijn ontworpen en gebouwd had, zou moeten spreken.

    Vanuit De Ingenieur, die paleontologie studeerde en uiteindelijk mijnbouwingenieur werd, wordt het nachtmerrieachtige verhaal over de ‘lijken van de gevangenen van de noordse strafkampen die aan de permafrost zijn vrijgegeven’ vertelt. De lijken liggen gestapeld in lagen: ‘op de door de Duitsers doodgeschoten, krijgsgevangen genomen soldaten van het Rode Leger. Daaronder de door de bolsjewieken doodgeschoten arrestanten uit de Sovjetgevangenissen, toen het Rode Leger terugtrok. Daaronder de tijdens de Burgeroorlog door optrekkende of zich terugtrekkende […] legers terechtgestelde, toevallig tot gijzelaar gemaakte dorpelingen… Daaronder de gedode stakers van de eerste revolutie, die van 1905.’

    In zijn verhaal ontvouwt Lebedev langzamerhand de gruwelijkheden uit de geschiedenis van de voormalige Sovjet-Unie, en van Oekraïne in 2017 aan de hand van de door hem bedachte personages.

    Neergehaald vliegtuig

    Op de derde dag ziet Valet een vliegtuig dat met zijn neus naar beneden komt en in de lucht uit elkaar valt. Hij ziet brokstukken neerkomen, een roze koffer met sieraden, polshorloges en andere persoonlijke eigendommen. Het is hem duidelijk dat er een passagiersvliegtuig is neergehaald. Hij vindt een ‘overdadig vrouwelijk’ lichaam en is ‘bang haar als dode aan te raken’, ondanks de ‘onverminderde aantrekkingskracht’. Ook vindt hij een kristallen flesje met een gouden lipstick. Die zal hij aan Jeanne geven en zeggen dat hij die in Moskou gekocht heeft. Lebedev laat hem cynisch en in misogyne fantasieën denken dat Jeanne haar lippen zou stiften ‘met de lipstick van dat dooie wijf.’

    De Generaal bedenkt dat hij een flinke leugen nodig zal hebben om een verklaring te geven voor het neergeschoten vliegtuig. Maar hij kan niets meer verzinnen. En De Ingenieur denkt aan de Witte Dame, ‘de wasvrouw’ die niet alleen het kwaad van de nazi’s witwaste, maar van alle misdaden, van alle achtergelaten lichamen.

    Op de vierde dag ontdekte Jeanne een vrouw die in de voortuin is gevallen. Valet kwam naar haar toe gelopen en geeft haar de lipstick. Zij vraagt zich af waar hij zo’n dure lipstick vandaan heeft en vermoedt dat hij die uit iemands bagage moet hebben gestolen. Ze stift haar lippen en trekt een witte jurk aan. Hij nodigt haar mee uit naar een dancing waar Jeanne danst terwijl Valet zich overgeeft aan meer misogyne gedachten. De Ingenieur ziet de (jonge) Witte Dame als ‘de kus van de oorlog en het sacrament van de leugen.’

    De roman eindigt de volgende ochtend met Jeanne, na een bizarre en dramatische gebeurtenis de avond daarvoor bij de dancing. In een wat apocalyptische scene verlaat ze haar huis en komt terecht in een ‘reusachtige, onderaardse ruimte waarin een heel land was afgedaald.’ Dan weet ze dat haar toekomst ligt in ‘de tunnels en kelders, de mijngangen de metrolijnen, vol met mensen.’ Lebedev eindigt dit aangrijpende verhaal met heldhaftigheid en medemenselijkheid zoals de meeste Oekrainers dit heden ten dagen steeds laten zien.

     

     

  • Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • Kafka’s leven in brieven

    Kafka’s leven in brieven

    Ik moet u zo ontzettend schrijven, een keuze uit de brieven van Franz Kafka, is een van de laatste vertalingen van Willem van Toorn (1935-2024). Hij vertaalde vrijwel alles van Kafka, ook de briefwisseling tussen Kafka en Max Brod – levenslange vriend en latere biograaf – waarvan veel brieven in deze bundeling zijn terechtgekomen. De titel is ontleend aan één van de brieven aan Milena, een van Kafka’s geliefden. Het is een ‘strikt persoonlijke keuze’ schrijft Van Toorn in de inleiding, het zijn de brieven die hem het meest vertelden over de mens en de schrijver Kafka. In 2024 verscheen ook nog een boekje met Van Toorns essays: Kafka voor beginners, als een afscheid van zijn lezers.

    De bijna driehonderd door Van Toorn gekozen brieven van Kafka zijn van 1900 tot 1920 geschreven aan vrienden, familie, geliefden, en uitgevers. Ze staan in chronologische volgorde, zodat ze een beeld geven van Kafka’s leven en ontwikkeling tot vier jaar voor zijn dood. De laatste jaren ontbreken helaas, misschien ontbrak het Van Toorn aan tijd de briefwisseling af te maken. De laatste vier jaar vat hij samen in één pagina commentaar, geen brief uit deze belangrijke periode. Ook omdat het vijfde en laatste deel van de uitgave van de Briefe van Kafka die door Hans-Gerd Koch is samengesteld, pas later dit jaar zal verschijnen. Alle brieven en kaarten in deze uitgave zijn voorzien van uitgebreide bronvermelding en commentaar. 

    Belangrijk materiaal voor biografen

    Achter de brieven in zijn vertaling heeft Van Toorn een korte toelichting geschreven, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van de beschikbare bronnen door Kafka-specialisten Hans-Gerd Koch, Hartmut Binder en Klaus Wagenbach. Helaas staat er in deze uitgave geen register op de ontvangers, dat het op- en terugzoeken van de brieven voor de lezers eenvoudiger zou kunnen maken.  

    De brieven en dagboeken zijn belangrijk materiaal geweest voor de biografen van Kafka, die na de eerste biografie van Max Brod uiteindelijk beter in staat waren een minder persoonlijk gekleurd en ongecensureerd beeld van Kafka te geven. Deze keuze uit de brieven Kafka is ook een unieke bron om de mens Kafka te leren kennen: een uiterst vriendelijke, gevoelige, fundamenteel twijfelende en ook humoristische Kafka. Zijn brieven, en niet te vergeten zijn dagboeken, omvatten bij elkaar veel meer tekst dan al zijn verhalen en romans bij elkaar. Kafka zelf zou waarschijnlijk, net als van zijn nagelaten romans en andere teksten, nooit gewild hebben dat ze werden gepubliceerd. Hij wilde die manuscripten zelfs laten vernietigen. Gelukkig heeft zijn vriend Max Brod die wens van Kafka niet echt serieus genomen en vrijwel alles laten publiceren dat volgens hem de moeite waard was. 

    Literaire juweeltjes

    Veel van Kafka’s brieven zijn literaire juweeltjes. In een van de eerste gekozen brieven schrijft de 20-jarige Kafka aan zijn vriend Oskar Pollak de beroemd geworden zin ‘We hebben de boeken nodig die ons treffen als een ongeluk dat ons veel pijn doet, zoals de dood van iemand die wij meer liefhadden dan onszelf, alsof we verstoten waren naar de bossen, ver van alle mensen, als een zelfmoord, een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in onszelf.’ 

    Het grootste deel van de gekozen brieven is geschreven aan zijn geliefde Felice Bauer, van september 1912 tot begin 1918. Deze brieven ‘getuigen van een grote gespletenheid van Kafka ten opzichte van Felice’ schrijft Van Toorn in een van zijn commentaren. Het was een bijzonder moeizame relatie die verschillende keren aan en uit ging, zoals met de dramatische woorden van Kafka in een brief uit mei 2013: ‘Dit is dus het einde Felice met dit zwijgen laat je me los en maak je een einde aan mijn hoop op het enige geluk dat op aarde voor mij mogelijk is.’

    Ruim vier jaar later schrijft Kafka aan zijn zuster Ottla over een bezoek van Felice: ‘De dagen met F. waren erg (…) en de laatste middag heb ik meer gehuild dan in alle jaren in mijn kindertijd.’ In zijn ‘vermoedelijk’ laatste brief aan Felice Bauer: ‘Een ding wilde ik nog zeggen: er waren en zijn ogenblikken waarop voor mij (…) iets in wezen hogers door lijkt te breken, maar ik ben, zoals altijd, te zwak om het vast te houden of het tegenover mij in stand te houden’.     

    Brieven aan Milena Jesenska-Polak

    Naast deze brieven zijn er veel aan vriend Max Brod en de bekende brieven aan Milena Jesenska-Polak, met wie Kafka vanaf maart 1920 een intieme, niet alleen epistolaire liefdesverhouding onderhield. Over haar brieven schrijft Kafka aan Milena dat ze ‘als geheel, bijna in elke regel, het mooiste (zijn) wat mij in mijn leven is overkomen’. Ook schreef hij haar ‘Enige tijd geleden heb ik je gevraagd niet elke dag te schrijven, ik was bang voor de brieven; als er een keer geen kwam was ik rustiger; als ik er één op de tafel zag liggen, moest ik al mijn krachten verzamelen en dat was bij lange na niet genoeg – en vandaag zou ik ongelukkig zijn geweest als deze kaarten (…) niet waren gekomen. Dank je.’ 

    De laatste brief die Van Toorn koos, is aan Kafka’s zus Ottla over zijn aankomst in Matliary in de Tatra waar Ottla een kamer voor hem heeft gereserveerd. Zij was zelf niet meegekomen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, schrijft Van Toorn in zijn commentaar ‘omdat ze bang was voor besmetting’. Kafka had tuberculose. In Matliary zou hij student Robert Klopstock die ook aan tuberculose leed, ontmoeten. ‘Klopstock zou hem tot op het moment van zijn sterven terzijde staan.’
    Voor de brieven uit de laatste jaren tot juni 1923 is de lezer aangewezen op het laatste deel van de – oorspronkelijke, duitstalige – Briefe dat in november zal verschijnen.  



  • Een humoristische maar ook cynische verademing

    Een humoristische maar ook cynische verademing

    Het zilveren bot is het eerste deel van de serie ‘Kyiv Mysteries’ van de Oekraïense schrijver Andrej Koerkov en verscheen nog voor de Russische inval. Het verhaal speelt zich af tijdens de Oekraïne-Sovjet Oorlog (1917-1921) in Kiev en het Rode Leger de stad heeft bezet. Samson Koletsjko is de hoofdpersoon, die door noodlottige omstandigheden bij de politie in dienst komt als rechercheur. Het is een door historische bronnen van de bolsjevistische geheime politie in Kiev geïnspireerde serie, met humor geschreven, maar toch doet denken aan de huidige gevechten met het Russische leger. 

    De eerste alinea van het boek is meteen al gruwelijk, maar zet – gelukkig – niet de toon voor de hele roman. Bovendien is het fictie, en dat is even wennen. Met een sabel splijt een ruiter van het Rode Leger het hoofd van Samson’s vader in tweeën en met een volgende houw slaat hij het rechteroor van Samson zelf eraf, hij kan het nog net uit een sloot vissen. Met een boer uit de omgeving brengt Samson het lijk van zijn vader naar een begrafenisonderneming: ‘Op dinsdag 11 maart 1919 werd er een streep gezet onder zijn oude leven.’ Het afgehakte oor zal in het boek terugkomen in veelal hilarische scènes. Samson bergt het oor op in een doosje, en de wond geneest langzaam. Het afgehakte oor zal hem uit benarde situaties redden door gesprekken te kunnen beluisteren die hij anders niet kon horen, tot en met de epiloog: ‘Toen besefte hij pas dat hij dit allemaal hoorde met zijn tweede, afgehakte oor.’

    Dubbele moord in het huis van de kleermaker

    De oorspronkelijke titel van het boek is Samson en Nadežda. Vertaald als Het zilveren bot, naar een voorwerp dat tegen het einde van het boek opduikt en een belangrijke rol speelt bij de ontknoping van het mysterie. Het tweede deel heet Samson en het gestolen hart, net als de oorspronkelijke Oekraïense versieDe vertaling van deze ‘Kyiv Mysteries’ is van de Vlaamse Melanie Zonderman. Af en toe duiken er een paar Vlaamse uitdrukkingen en woorden, ‘smoutebollen’, ‘als ze komaf zouden maken’, en ‘mijn nonkel’ op. Maar allez, dat is zeker geen probleem. Op het omslag van het boek staan twee vergelijkingen met bekende schrijvers als aanprijzing. Uit The Guardian: ‘De Oekraïense Murakami’, uit The Daily Telegraph: ‘Een post-sovjet Kafka’. De vergelijking met Murakami is begrijpelijk door het magisch realisme van het afgehakte oor, maar die met Kafka niet. Er is een mysterie, maar niet typisch kafkaësk.

    Dit Kyiv mysterie is een dubbele moord die halverwege het boek voor de ogen van Samson Koletjko plaats vindt in het huis van een kleermaker. In zijn ouderlijk huis worden twee soldaten uit Zuid-Oekraïne ingekwartierd, die hij bovendien te eten moet geven. Hij leert via de weduwe van de huismeester Nadezjda kennen, die bij haar ouders woont en bij een gemeentelijke instelling werkt. Ze maken een wandeling en Samson beklaagt de soldaten die bij hem zijn ingekwartierd: ‘die missen hun dorp, hun grond! Het is niet goed om zoveel mensen van hun grond weg te halen…’. Nadezjda begrijpt dat want ‘honger naar de overwinning zou ons moeten helpen!’ Ze kijken dromerig naar de stad bij zonsondergang en zij heeft voor Samson een broodje uit de Rode Bakkerij(!) meegenomen.

    Het eigenlijke mysterie

    Het verhaal is voor een Westerse lezer met beperkte kennis van de Oekraïense geschiedenis al humoristisch, maar waarschijnlijk nog meer voor Oekraïeners en anderen die de historische  verwijzingen zullen begrijpen. Het eigenlijke mysterie begint als de ingekwartierde soldaten  stiekem zilveren voorwerpen meenemen uit het ouderlijk huis van Samson. Daarna wordt zijn vaders schrijftafel in beslag genomen en met paard en wagen naar het politiebureau gebracht. Samson rent achter de wagen aan omdat zijn vaders spullen nog in de laden van de schrijftafel zitten. De in het bureau aanwezige commissaris Najdjon, ‘in een oud groen uniformjasje en een  blauwe uniformbroek’, geeft hem de opdracht een rapport te schrijven over de in beslag genomen bezittingen. Van dat rapport is Najdjon zo onder de indruk dat hij hem het voorstel doet in dienst te komen met als taak ’diefstallen te bestrijden en de orde te bewaken’. Hij krijgt dan ook bonnen voor de Sovjetkantine. Waarop Samson vraagt: ‘Krijg ik dan ook een wapen?’ ‘Natuurlijk’, antwoordt Najdjon. Vanaf dat moment beginnen de avonturen van rechercheur Samson.

    Samson moet onderzoek doen naar de gestolen zilveren voorwerpen en ook moet hij op zoek naar de dader van de moord op de kleermaker die Samson bezocht. Daarbij ontkwam hij zelf ternauwernood aan de dood door een reddende actie van een meegekomen soldaat die wel werd doodgeschoten. Tijdens de begrafenis van de kleermaker en de soldaat houdt commissaris Najdjon een toespraak vanaf een ‘uit houten planken in elkaar geflanst podium’, waarbij hij zegt dat we ‘onze gevallen helden niet vergeten’ en dat we ‘jullie verheffen tot de rang van Rode martelaren.’ Alsof het hier gaat om een heldendood in plaats van een criminele daad. De toespraak lijkt letterlijk geplukt uit de archieven van de geheime dienst die Koerkov kon inzien. In Kiev breekt dan een opstand tegen het Rode Leger uit van groepen onder leiding van een ‘hetman’ (historische naam voor een kozakkenhoofdman). Commisaris Najdjon moet het gebouw van de veiligheidsdienst Tjeka verdedigen en roept ‘Vecht tot de dood’ als hij het politiebureau verlaat. Een oproep die doet denken aan Stalin’s opdracht voor hij zijn soldaten de Tweede Wereldoorlog instuurde. 

    Eigenaar zilveren bot

    Een andere verhaallijn is de relatie tussen Samson en Nadezjda, die in het ouderlijk huis is komen wonen in een kamer van de overleden ouders van Samson. ‘Nadezjda’s ouders brengen de koffer en een kist met haar spullen op een kar.’  Nadezjda helpt hem met liefdevol advies als Samson aan zichzelf begint te twijfelen en als hij denkt dat hij ‘iets belangrijks en voor de hand liggends’ niet ziet, neemt zij hem bij zich in bed en troost hem. 

    In de kelder van de vermoorde kleermaker gaat Samson op zoek naar sporen van de moordenaar en ontdekt daar het in varkenshuid gewikkeld zilveren bot. Dit bot zal hem via een chirurg naar de eigenaar leiden en uiteindelijk naar de oplossing van de moord. Die eigenaar van het bot heet Jacobs en blijkt in het voorlaatste hoofdstuk van Vlaamse komaf te zijn. De ontknoping moet de lezer zelf ontdekken in dit eerste van Kurkovs mysterie- verhalen, dat eindigt met Samson die in bed ligt met de slapende Nadezjda. ‘Einde. Maar wordt vervolgd.’ Het derde deel is intussen verschenen. Een humoristische maar ook cynische verademing tussen alle realistische oorlogsverhalen in deze niet alleen voor Oekraïne zo gruwelijke tijd.



  • Niemand werd ter verantwoording geroepen

    Niemand werd ter verantwoording geroepen

    De Amerikaanse journalist en schrijver Nathan Thrall werkte jaren aan Een dag uit het leven van Abed Salama, over een noodlottig busongeluk in 2012 met Palestijnse kinderen tijdens een schoolreisje in bezet gebied bij Jeruzalem. Thrall deed onderzoek naar alle feiten en vertelt het verhaal van Abed Salama, vader van een van de kinderen. Maar ook vertelt hij het verhaal van omstanders zoals de buschauffeur, de arts die als eerste ter plaatse was en andere betrokkenen. Hij won met dit indrukwekkende en hartverscheurende boek de Pulitzer prijs voor non-fictie in 2024.

    Nathan Thrall (1979) werd in een joods gezin geboren, zijn moeder emigreerde vanuit de Sovjet Unie  naar de VS. Thrall schrijft onder meer voor de New York Review of Books en de New York Times en was docent aan het Bard College in New York. Met zijn echtgenote en drie dochters woont hij in Jeruzalem. Voor het schrijven van Een dag uit het leven van Abed Salama heeft hij zich drie jaar verdiept in de wereld van alle personen die betrokken waren bij het ongeluk en de slachtoffers. 

    Achterin het boek is een lijst van de ruim zestig (!) betrokkenen, de meesten met hun eigen naam, opgenomen. De eerste zinnen van zijn boek zijn dezelfde als van zijn  artikel dat hij in 2021 over het ongeluk schreef voor de New York Review of Books: ‘De avond voor het ongeluk was Milad Salama haast door het dolle heen vanwege het schoolreisje. Hij stond opgewonden aan de arm van zijn vader Abed te trekken. ‘Baba, ik wil iets te eten kopen voor de picknick morgen.’ Na dit artikel werd Thrall aangemoedigd een boek over dit tragische ongeval te schrijven.

    Iets schrijven dat mensen in tranen brengt 

    Het boek werd kort voor de aanslagen op 7 oktober 2023 gepubliceerd. Thrall zegt in een interview: ‘De wereld wordt steeds onverschilliger, steeds ongevoeliger voor de situatie van deze mensen. De enige manier waarop we indruk kunnen maken is als we iets schrijven dat mensen in tranen brengt.’  

    In de proloog helpt Haifa haar vijfjarige zoontje met aankleden. Milad ontbijt snel en rent dan naar de bus voor zijn schoolreisje. Zijn vader Abed slaapt nog en wordt als hij wakker is gebeld door een vriend waarmee hij afgesproken heeft. Hij zegt in een file te staan door een ongeluk. Daarna belt een familielid en vertelt dat het een ongeluk met een schoolbus is. ‘Abeds maag draaide zich om’ terwijl hij op weg gaat naar de plek van het ongeluk. De door een vrachtwagen aangereden en uitgebrande bus ligt op zijn kant en de inzittenden zijn al vervoerd naar verschillende ziekenhuizen. Abed gaat naar het ziekenhuis in Ramallah waar het een chaos is. Ambulances, verpleegkundigen met brancards, huilende ouders en tv-ploegen die artsen interviewen. ‘Abed kreeg een beklemmend gevoel op zijn borst en zijn ademhaling ging snel. Hij baande zich een weg door het gekkenhuis en probeerde zijn groeiende angst de kop in te drukken.’

    Een Palestijnse James Dean

    In het eerste en langste deel van het boek beschrijft Nathan Thrall de familiegeschiedenis en persoonlijke ontwikkeling van Abed Salama.  Abed ging op school in het Palestijnse  dorp Anata waar iedereen elkaar kende. De helft van de inwoners bestaat uit drie grote families en allen stammen af van één voorvader. Het open landschap van Anata stond vol olijf- en vijgenbomen tussen de korenvelden en linzenplanten. Anata veranderde snel na de oorlog van 1967. Ieder jaar werden de Palestijnen meer en meer geabsorbeerd door de fabrieken van het uitbreidende Jeruzalem.   

    Abed was een lange en slanke jongeman met donker haar. Met zijn opengeknoopte shirt leek hij op een Palestijnse James Dean. Hij was seculier en tegen het gebruik van de hijab. In die tijd bedekten de helft van de meisjes in Anata hun haar, ook zijn – geheime – geliefde Ghazl. Anderhalf jaar nadat Abed zijn middelbare school heeft afgemaakt, breekt in december 1987 de eerste Intifada uit. Hij hoopte in Moskou te kunnen studeren, maar zijn vader weigert hem te helpen. Via een familielid wordt hij lid van het Bevrijdingsfront van Palestina, een marxistisch-leninistische afdeling van het PLO.

    Als Abed hoort dat Ghazls vader haar verbiedt met een Salama te trouwen, verbreekt hij de relatie met haar. Waarna zijn zuster voor hem een huwelijk met een nicht arrangeert. In zijn grote verdriet accepteert Abed het aanbod en trouwt met Asmahan. Het is geen gelukkig huwelijk. Abed ontmoet tijdens de tweede Intifada, Haifa, zij wordt zijn tweede vrouw. Een jaar na hun huwelijk krijgt Haifa een zoon en drie jaar later wordt hun tweede zoon, Milad geboren.

    Het ongeluk en het ontstaan van de muur

    Thrall beschrijft eerst het ongeluk met de bus op de Jaba Road – door de vele ongelukken ook wel de ‘weg des doods’ genoemd – vanuit het perspectief van Huda, een Palestijnse arts en alleenstaande moeder. Zij is onderweg op Jaba Road als een grote vrachtwagen de bus heeft aangereden. De bus is omgevallen en de voorkant staat in brand. Huda springt uit de auto en helpt de kinderen uit de bus te halen. Het ongeluk doet haar denken aan de ergste dag uit haar leven. Die was na een Israelische bomaanval op het PLO hoofdkwartier in Tunesië in 1985 – ‘een hel van puin, as en lichamen’.

    Vervolgens laat Thrall het ongeluk zien door de ogen van de chauffeur van de bus, de verpleegkundigen ter plekke, een Israelische militair, een leerkracht, de chauffeur van de vrachtwagen en via een video-opname door een van de omstanders. De eerste Palestijnse ambulance arriveerde na tien minuten en kon de dode slachtoffers meenemen, de eerste Israelische ambulance ariveerde pas na 24 minuten, toen alle slachtoffers al waren afgevoerd. 

    Dan beschrijft Thrall hoe de bouw van de muur is ontstaan. Hij noemt de Palestijnse zelfmoordaanslagen die begonnen zijn nadat in 1994 een religieuze kolonist negenentwintig biddende Palestijnsen vermoordde. Door die aanslagen vond de Israelische politie het nodig een muur te bouwen. Daarna werden de vrijheden van de Palestijnen ingeperkt, maar niet die van de kolonisten. Door de muur werden dichtbevolkte Palestijnse wijken afgezonderd van Jeruzalem, er kwam een avondklok, huiszoekingen en nieuwe checkpoints. Tienduizenden bevonden zich aan de verkeerde kant van de muur en de hulpdiensten mochten niet naar de andere kant van de muur zonder begeleiding van militairen. Daardoor kwam hulp vaak te laat. In 2006 werd een ambulance zolang opgehouden dat hulp te laat kwam voor een slachtoffer met een hartaanval.

    Bizarre omstandigheden en werkelijke oorzaken

    In het laatste deel is Abed op zoek naar zijn zoontje. Hij kan niet naar het ziekenhuis in Jeruzalem waar sommige kinderen zijn terechtgekomen omdat hij niet over de geschikte ID beschikt. In Ramallah gaat hij naar een ziekenhuis, maar vindt Milad niet. Wel zes andere slachtoffers, een lerares en vijf kinderen van wie drie onherkenbaar door de brandwonden. Een arts vraagt Abed om een DNA test van hem en zijn vrouw en hun andere zoontje. Na het wachten op de uitslag van de test, gaat Abed ‘s middags  met zijn jongere broer Bashir naar het ziekenhuis. Daar krijgen ze te horen dat Milad een van de kinderen in het lijkenhuis is. Bashir wil niet dat Abed zijn zoon ziet. Milad was te ernstig verbrand om begrafenisrituelen uit te kunnen voeren. Ze rijden achter de ambulance naar de begraafplaats. Milad’s lichaam, in een lijkwade gewikkeld, wordt door een van zijn broers het familiegraf ingedragen.

    Een dag later wordt Abed gevraagd te praten met een boze groep ouders en familieleden die de school het ongeluk kwalijk nemen en in brand willen steken. Hij weet het te voorkomen.   

    Een maand na het ongeluk wordt Abed voor een Israelisch televisieprogramma geïnterviewd, samen met een stel Israëlische jongeren en een paar kolonisten. De jongeren maken zich vrolijk over de omgekomen kinderen, de kolonisten zeggen dat ook hun kinderen in een bus hadden kunnen zitten. Abed zegt: ‘We hebben extremisten in onze maatschappij, en jullie ook.’ Als er een filmpje van Milad met Abed wordt vertoond, bedekt hij zijn gezicht en begint te huilen.   

    Thrall vertelt nauwgezet het verhaal van de betrokkenen en onthoudt zich van commentaar. Tot de laatste alinea’s, die over een ministeriële  commissie van de Palestijnse Autoriteit gaan en die in hun verslag ‘de ware oorzaken van de calamiteit’ niet noemen. Hij stelt dan vast dat er  geen voorstel werd gedaan om de ouders van de kinderen te compenseren door het Israëlisch fonds voor verkeersslachtoffers. En dat voor de bizarre omstandigheden en werkelijke oorzaken van het ongeluk niemand ter verantwoording werd geroepen. 



  • Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Het romanfragment Aardbeien door Joseph Roth (1894 – 1939) uit 1929 werd pas een halve eeuw later (in 1982) voor het eerst gepubliceerd met een toelichting door Roth’s biograaf David Bronsen. Het manuscript was in de jaren zeventig in een bruine enveloppe tevoorschijn gekomen uit de in 1933 door de Gestapo in beslag genomen documenten van Roth bij uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn. Volgens het nawoord van vertaalster Els Snick is de tekst weliswaar niet af, maar wel ‘beeldrijk en ontroerend mooi’.

    Deze door Koen Broucke kleurrijk geïllustreerde uitgave is de derde editie van Aardbeien in het Nederlands. Eerder verscheen het verhaal in het themanummer over Joseph Roth van tijdschrift Het Oog in het Zeil (1989), vertaald door Nicolien van Doorn. Ruim een kwart eeuw later als zelfstandige uitgave bij de kleine uitgeverij Het huis met de drie gedichten (2016), vertaald door Els Snick, die voor deze nieuwe uitgave haar vertaling heeft herzien. 

    Volgens Snick (in het nawoord) staan de zinnen in de tekst ‘losjes achter elkaar (…), zonder doordachte alina-indeling’. De verschillende figuren in Aardbeien zullen de ervaren Roth-lezers bekend voorkomen uit zijn romans Hiob, Hotel Savoy en Radetzkymars. Aan zijn vriend en geldschieter Stefan Zweig schreef Roth in mei 1936 vanuit Amsterdam dat hij het materiaal voor zijn grote roman Die Erdbeeren in een andere roman wilde gooien (‘da werfe ich schnell alles hinein’). Mogelijk in de roman Das Falsche Gewicht uit 1937. 

    Ongeschoold alter ego van Roth

    Aardbeien is een nagelaten fragment van zo’n veertig pagina’s. Het begint als volgt: ‘De stad waarin ik geboren ben lag in het oosten van Europa, in een grote, dunbevolkte vlakte.’  Met de stad verwijst Roth duidelijk naar zijn geboorteplaats Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van het huidige Lviv. De prachtige illustraties beslaan zo’n derde van het boekje, ze zijn roodachtig getinte in tegenstelling tot de omgeving van de geboorteplaats van Roth die vooral groen is. De aardbeien hebben Koen Broucke duidelijk geinspireerd. De verteller van het verhaal is Naphtali Kroj, hij noemt zich zelf ‘een soort oplichter’, met een vals paspoort, geen doopakte, geen stamboom.  

    Perlefter, een ander nagelaten romanfragment van Joseph Roth, heeft een vergelijkbaar begin. ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben, was naar Westeuropese begrippen geen stad.’ Roth deed verschillende pogingen een roman over zijn jeugd schrijven, maar het kwam er uiteindelijk niet van, mede door de opkomst van de nazi’s in 1933. Hij vluchtte in dat jaar uit Berlijn, zijn boeken werden verboden en gingen in vlammen op tijdens de vele boekverbrandingen.  Aardbeien werd door de Gestapo in beslag genomen samen met andere documenten. Het fragment laat wel een mogelijke glimp zien van wat Roth van plan was. Naphtali Kroj is een ongeschoold alter ego van Roth, tegenover de gymnasiast en student die Roth was. Eerst werkt Naphtali Kroj als krullenjongen bij de barbier en daarna als koetsier. Hij zeept de burgemeester in bij de barbier en maakt later op zondag tochtjes met de burgemeester.  

    Verhaal leest als een plattegrond

    Roth geeft een ironisch sfeerbeeld van het stadje, met corrupte gendarmes en grenswachters, ernstige en kleine misdaden die niet werden ontdekt, inbrekers en struikrovers die niet werden vervolgd. Over de kleine pogroms, die ‘in de maalstroom van de gebeurtenissen werden vergeten’. Ook over de gevolgen van de jaargetijden – de sneeuw, de ijspegels en de regen. ‘De wegen werden zacht. Het moeras drong het bos binnen, de kikkers zwommen tussen de bomen.’ En over de natuur waarvan zijn langenoten hielden, ‘niet omwille van de natuur zelf, maar omwille van de vruchten die ze voortbracht’. Zoals de aardappels en de aardbeien.  

    Het taalgebruik in Aardbeien is eenvoudig met korte zinnen en af en toe een poëtische uitweiding. ‘De herfst bestond bij ons uit vloeibaar goud en vloeibaar zilver, uit wind, zwermen raven en lichte vorst.’ Het verhaal leest ook als een plattegrond van het stadje waarin Roth’s geboorteplaats Brody is te herkennen. ‘Onze stad was zeer regelmatig en eenvoudig van opzet. De twee hoofdwegen kruisten elkaar in het centrum. In dat centrum ontstond een rond plein, waar twee keer per week de markt werd gehouden. De ene straat leidde van het station naar de begraafplaats. De andere van de gevangenis naar het bos.’ 

    Het gezin van Naphtali Kroj in Aardbeien is het tegenovergestelde van het gezin waarin Roth opgroeide, opgevoed door een alleenstaande moeder. Dat van Naphtali was een moederloos gezin met acht zonen en een alcoholische vader, die bij 35 graden vorst doodgevroren op een weg werd gevonden: ‘Hij was in dronken toestand van zijn slee gevallen’. 

    Ongecorrigeerd en onvolledig verhaal

    Het verhaal bevat ook tegenstrijdigheden, waaruit blijkt dat Roth het niet meer heeft gecorrigeerd en afgemaakt. In het vervolg gaat Naphtali Kroj na de barbier niet als koetsier werken, maar bij een kleermaker in de leer. Ook hier weer een ironisch verhaal over een kleermaker en een glazenmaker, die Naphtali in navolging van zijn leermeester verachtte. Ondanks dat de glazenmaker hem later beschuldigde van diefstal van een diamant en hem een roofmoordenaar noemde, bewonderde hij ineens de glazenmaker en vond hij de kleermaker een lafaard. Het werk liep niet goed af en hij werd door de glazenmaker de werkplaats uitgezet terwijl de kleermaker niets deed: ‘Hij ving een vlieg, een uitgeputte grijze wintervlieg, hield hem bij de vleugels en telde zijn ziek trappelende pootjes’.

    Na zijn vertrek bij de kleermaker loopt Naphtali bij de begraafplaats een dodenkamer binnen waar doodgraver Pantalejmon ligt te slapen. Dan volgt een hilarisch verhaal over de dief Pantalejmon, die niet stal maar het wel probeerde, en een graaf die in een kasteel vlak bij de stad woonde.  Het eindigt ermee dat de graaf de magistraat van het stadje geld leent om een standbeeld te laten maken van een schrijver en geleerde uit de zeventiende eeuw die in een naburig dorp was geboren. ‘De beeldhouwer vervaardigde een lange man met bril. Een wapperende mantel, een boek in zijn hand en een pen achter zijn oor. Dat was ons monument. Het stond op een sokkel van nepmarmer.’ In de winter werd ter bescherming een houten behuizing gemaakt, die in de lente weer werd verwijderd. ‘Het standbeeld is al bevrijd! Het is lente! zeiden de mensen in april.’

    Laatste tien pagina’s en een abrupt einde

    Hierna volgt een scène waarin Naphtali en Pantalejmon een opgehangen man op de begraafplaats vinden.  Het leidt bij Naphtali tot vragen over het waarom van de zelfgekozen dood en ‘op dat moment nam ik het besluit nooit zelfmoord te plegen. Het was onmogelijk om hangend aan een tak te sterven en door Pantalejmon gevonden te worden.’ Pantalejmon  bedacht intussen dat ze de strop konden verkopen en Naphtali dat ze zelfs meer konden verdienen door hem in stukken te snijden. ‘De mensen bleven komen, we verkochten  kleine stukjes die we sneden van steeds nieuwe touwen’. 

    In de laatste  tien pagina’s van Aardbeien volgen anekdotes over drie rijke familieleden die naar het stadje kwamen. De eerste liet een hotel bouwen en verdween weer omdat er geen gasten kwamen. De tweede was een rijke theehandelaar. Hij bezocht het graf van zijn vader, en hij huurde kamers in het leegstaande hotel. De derde was twintig jaar eerder naar Londen vertrokken. Hij keerde terug als ‘pionier van de Engelse cultuur’ en liet een huis zonder ramen bouwen. De mensen dachten dat hij gek was geworden, maar hij was minder gek dan ze dachten. ‘Het was een warenhuis zoals hij er in Londen vast een had gezien!’

    Hier eindigt het fragment abrupt. Het laat in rudimentaire  vorm zien, samen met de roman Das Falsche Gewicht en een fictieve brief van Naphtali Kroj uit Bueneos Aires die Joseph Roth in dezelfde tijd schreef, wat hij mogelijk voor ogen had met de groots opgezette roman over zijn jeugd.    

     

     

  • Prachtig en (on)Nederlands geschreven boek

    Prachtig en (on)Nederlands geschreven boek

    Waar alle wegen ophouden is een fascinerend literair verslag van de jarenlange zoektocht van Sana Valiulina (1964) naar het verleden van haar vader. Het is het vervolg op eerdere onderzoeken naar hem als voorbereiding op haar roman Didar en Faroek (2006). In Waar alle wegen ophouden laat Valiulina haar vader, ‘deze raadselachtige man’ historisch en poëtisch herleven. Valiulina is een Nederlands-Estisch schrijfster, dochter van een Tataarse oorlogsveteraan die na WO II krijgsgevangene werd gemaakt. Ze draagt haar boek op aan alle Sovjetkrijgsgevangenen en hun families.
    Met Didar en Faroek schreef Valiulina een op de werkelijkheid gebaseerde roman waarin haar moeder een brief aan haar vader in de Goelag schreef die het begin is van een liefdevolle correspondentie. Het
     is een autobiografisch boek en begint met de laatste keer dat Valiulina haar vader zag ‘door de stoffige achterruit van de bus.’

    Als Sana Valiulina na een bezoek aan haar ouders in Tallinn terugreist naar Amsterdam is ze bang dat de bus waar haar ouders in zaten, ‘van koers zou veranderen, van de radar verdwijnen en schommelend op de golven over de zwarte rivier zou varen, naar waar geen vogelenzang meer klinkt en vanwaar niemand terugkeert.’ Als ze in Amsterdam is aangekomen, belt ze hen meteen op. Haar vader neemt op. ‘Pak van mijn hart.’ De bus is niet van zijn route afgeraakt en ‘…niet de modderige oever opgereden waar verloren schaduwen ordeloos samendrommen en heeft niet met de sombere veerman met zijn ongekamde baard en zijn afgedragen chiton koers gezet naar de zwarte wateren.’ De toon en poëtische stijl van het boek zijn gezet.

    Geheimen en beloftes

    Na deze opening, waarin zij de laatste ontmoeting met haar vader beschrijft, is de elfjarige Valiulina met haar vader op bezoek in Koktebel op de Krim. Ze gaan naar het strand en vader gaat zwemmen waar hij bijna verdrinkt in de ‘valse golven’, zoals een van de redders zei. Het eerste wat haar vader zegt: ‘Niets tegen mama zeggen, hoor!’ Tot aan zijn dood, zal zij zich aan haar belofte houden. Het in drie hoofdstukken opgebouwde boek beweegt, zoals in het begin hierboven, heen en weer in plaats en tijd. De zoektocht van Valiulina naar het kampverleden van haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog, speelt zich af na zijn vroegtijdige dood. De eerste helft van de jaren tachtig woonde Valiulina in Moskou en zo is haar vaders droom uitgekomen: zijn beide dochters zijn ontsnapt aan ‘het verschrikkelijke lot om verkoopster te worden in het centrale warenhuis van Tallinn’. 

    Als Sana Valiulina in 1989 in Nederland woont en Goelag Archipel van Solzjenitsyn voor het eerst heeft kunnen lezen, durft ze later aan haar vader te vragen of hij in een strafkamp heeft gezeten. Het zou de laatste keer zijn dat ze haar vader zag, omdat hij daarna onverwacht op vroege leeftijd overleed. Na een zwempartij kreeg hij waarschijnlijk een hartaanval door de plotselinge daling van temperatuur.

    Dagboek en brieven als bron

    In Valiulina’s verhalenbundel Winterse buien (2016) vertelt ze in onder meer drie korte stukjes over haar vader, Solzjenitsyn’s Goelag Archipel en het lot van de miljoenen Russische krijgsgevangenen na de Tweede Wereldoorlog. De overlevenden werden na hun terugkeer op Russische bodem in treinen geladen en en naar strafkampen gestuurd. ‘Volgens artikel 58-1 “landverraad” kregen ze allemaal tien jaar kamp en vijf jaar ballingschap’. In het korte essay Wortel en Tak (2021) beschrijft Valiulina haar bezoek aan de Oeralregio waar haar vader na WO II in een strafkamp heeft gezeten. Een belangrijke bron voor haar speurtocht is het dagboek van haar vader dat zij van haar moeder kreeg na zijn overlijden en waaruit ze veel fragmenten aanhaalt, net als uit zijn brieven.  

    Sana’s vader kreeg in augustus 1941 een oproep voor het Sovjetleger en werd in april 1942 als lid van een bataljon parachutisten in district Smolensk achter het front gedropt. In zijn aantekeningen schrijft haar vader over de sprong uit het vliegtuig, de landing en de gevechten met fascisten. Zijn aantekeningen eindigen bij een slag in de buurt van een dorp op 2 mei 1942, hij werd in de borst geschoten, maar daar schrijft hij niets over. Later schrijft hij wel dat hij na zijn verwonding gevangen is genomen. In die tijd was de Stalin-verordening 270 al een jaar van kracht, de ‘verordening over de laatste kogel’. Die kogel moesten de soldaten zichzelf door het hoofd jagen om niet in handen van de vijand te vallen en later als landverrader veroordeeld te worden. Sana’s vader verdween van de radar in de zomer van 1942. Valiulina komt hem op het spoor via een artikel met foto in tijdschrift ‘Yank’, De Russen in Normandië van 30 juli 1944 dat zij in een vitrine in het Museum van de Invasie in Caen ziet liggen. ‘Ik kom ogen en adem te kort. Alle vijf mijn zintuigen spelen op en vechten met elkaar.’ Het is een foto van haar vader in een strak grijs uniformjasje met ‘een soldatenmuts waaronder plukken blond haar uitsteken’.

    Veroordeeld tot tien jaar strafkamp

    Door deze foto komt Sana Valiulina in contact met de dochter van de Amerikaanse militair die op de foto naast haar vader zit. In de tussentijd zoekt ze uit welke weg  haar vader heeft afgelegd na zijn gevangenneming door de Duitsers die hem dwongen mee te vechten tegen de geallieerden. Met een bataljon Russische krijgsgevangenen werd hij naar het front in Normandië gestuurd en na de landing van de geallieerden op D-day slaagde hij er op een onbewaakt ogenblik in om over te lopen. Vervolgens werkte hij – voornamelijk als tolk – mee aan de strijd tegen de nazi’s, eerst vanuit Engeland, later in de bevrijde gebieden. Tot hij na de vredesonderhandelingen in Jalta als krijgsgevangene naar Odessa wordt gestuurd en daar veroordeeld wordt tot tien jaar strafkamp. Dat alles dankzij een geheime overeenkomst over de gedwongen terugkeer van krijgsgevangenen tussen Stalin en Churchill.

    Sana Valiulina krijgt tijdens haar zoektocht van de – in 2021 verboden – organisatie Memorial te horen dat ze om rehabilitatie van haar vader kan verzoeken. Haar zuster schrijft de brief en verzorgt de correspondentie, dat kan Valiulina niet zelf ‘als burgeres van een andere en Rusland “vijandig gezinde staat”, die ook nog lid is van een Rusland vijandig gezind militair-politiek gezind blok’. Dat wil zeggen, van Nederland. Die rehabilitatie wordt natuurlijk geweigerd, maar ze krijgen wel inzage in haar vaders dossier en daar ging het ze om. Hij was ook nog een keer uit een Engels kamp voor Russische krijgsgevangenen gevlucht, door de politie aangehouden en ‘uitgeleverd aan het commando van het Sovjetleger’. Valiulina vindt het een mooie gedachte dat hij zich verzette tegen het Sovjetsysteem en ’tegen kameraad Stalin persoonlijk, die het in zijn broek deed bij de gedachte dat zijn slaven de vrijheid zouden kunnen krijgen en daarmee ook een stem, om de wereld te waarheid over de oorlog te zeggen.’     

    In het laatste hoofdstuk blikt Valiulina terug op het verblijf van haar vader in vier kampen en ze vraagt zich af hoe hij die heeft doorstaan. Als ze het hem vraagt, haalt hij zijn schouders op en zegt: ‘Soms was het verdomd onaangenaam.’ Ze schrijft ook over de eerste ontmoeting van haar ouders en over haar jeugd met beide ouders in Tallinn. Valiulina schrijft met trots over haar vader als ‘de worm die met al zijn ingewanden de staat toebehoort en de moed heeft gehad een subject van de geschiedenis te worden (…) die zelf over zijn eigen lot wil beschikken.’ Aan het eind van het boek zijn er verrassende en ontroerende ontmoetingen die de lezer zelf moet ontdekken. Net als de onbekende politieke gebeurtenissen en poëtische rijkdom in dit – in prachtig (on) Nederlands – geschreven) boek.

     

     

  • Beste boeken 2024

    Beste boeken 2024

    Literair Nederland vroeg zijn recensenten en redacteuren twee titels te noemen van boeken die zij dit jaar hebben gelezen en die de meeste indruk op hen maakte. Boeken die werden herlezen, inspireerden, troostrijk waren, of gewoonweg zo goed dat je ze nooit meer vergeet. Meer dan dertig titels kwamen boven uit de meer dan driehonderd boeken die er op Literair Nederland gerecenseerd of getipt werden. Sommige titels werden door meerderen genoemd als beste boek. We kunnen wel zeggen dat het een goed boekenjaar was en de keuze niet eenvoudig.

     

     

     



    Van de boeken die in 2024 een bijzondere indruk op me maakten is er een van vorig jaar dat me een nieuwe leeservaring bezorgde en een inmiddels bekroond boek is. Dat laatste is
    Het kleedje voor Hitler. Een imponerende familiegeschiedenis die me trof door het vermogen van auteur Bas von Benda-Beckman wel kritische vragen te stellen, maar nergens te veroordelen of op te hemelen. Mag je trots voelen op je voorouders of schaamte, verantwoordelijk zelfs?

     

     

    Ik herlas De kleine prins (1943) van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) na het zien van de schitterende documentaire Het wonder van Le Petit Prince, over versies in uitstervende talen. ‘Native speakers’ van vier daarvan vertellen over de betekenis van het boek in hun leven. Ik herlas het (in de vertaling van Erik van Muiswinkel) met nieuwe ogen en zag de actualiteit, vooral om hoe het prinsje zijn roos beschermt tegen de woekerende baobab en onze zorgen om de opkomst van rechts extremisme. (Adri Altink)

     

     



    Verkeerd begrepen
    is de Nederlandse vertaling uit 1871 door Johanna van Swinderen van de meesterlijke
    tranentrekker Misunderstood (1869) van Florence Montgomery (1843-1923). Daarover schreef Vladimir Nabokov in Speak Memory dat het lot van de 7-jarige Humphrey hem een vakkundiger brok in de keel bezorgde dan wat dan ook van Dickens. Ook Lewis Carroll was een groot bewonderaar. In 2000 verscheen een Nederlandse bewerking van dit boek. Jammer. Er moet gewoon snel een serieuze nieuwe vertaling van dit prachtboek komen!

     

     

    Ander woord voor moeder (2024) is het ijzersterke poëziedebuut van Auke Leistra, vertaler van Paul Theroux, John Updike, David Sedaris e.v.a.. Een zeer persoonlijke bundel die in 42 gedichten een claustrofobisch universum van verdriet oproept. Ontsnappen lukt niet, maar door de stilistische brille en de humor toch wel af en toe bijna. Gedichten als ‘Bij nader inzien’, ‘Treintje’, ‘Zelfportret met schep’, ‘Pleister op de wonde’ en ‘Moederlijke zorg’ zijn voorbestemd evergreens te worden. (Hans Heesen)

     

     



    ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’ Dit is de aanvang van het evangelie van Johannes. Zo heet ook het hoofdpersonage in
    Ochtend en avond, novelle van de Noorse Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Johannes gaat dood, maar komt onder de handen van de schrijver prachtig tot leven. Vertaald door Marianne Molenaar. 

     

     

     

     

    Het is zo’n titel die tot in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden (2021). Weer een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, totdat ik het niet langer kon negeren. Nu weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd door een schrijver. Vertaald door Charlotte Pothuizen. (Jan Kloeze)

     

     



    Vertel me alles
    is het vijfde boek van Elizabeth Strout over de schrijver Lucy Barton. Lucy is erin geslaagd haar armoedige afkomst achter zich te laten en toch draagt ze die altijd bij zich. Fictie is verzonnen, maar die van Strout voelt waar. Ze heeft een geweldig gevoel voor sfeer en intermenselijke verhoudingen.
    Vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen.

     

     

     

     

    In Koud genoeg voor sneeuw (2022) van Jessica Au reist een dochter met haar moeder naar Tokyo. Ze lopen, eten in restaurant, bekijken kunst in musea en praten over onderwerpen die er ogenschijnlijk niets of juist alles toedoen. Dat dochter en moeder van elkaar houden is voelbaar, al blijft er veel onuitgesproken. Kunnen ze elkaar werkelijk bereiken? Vertaald door Marion Hardoar. (Juno Blaauw)

     

     


    Frank Nellen weet in De onzichtbaren in een zorgvuldige stijl de sfeer op te roepen van Oekraïne aan het eind van de Sovjettijd. Hij treft het karakter van de twee totaal verschillende hoofdpersonen – de ik-figuur (Dani) en zijn vriend Pavel -, buitengewoon raak. Er zitten sombere en naargeestige scènes in het boek, die tegelijk op een komische manier worden verteld. Daardoor blijven ze je des te meer bij. En de surrealistische verhalen, allemaal samen vormen ze een mozaïekroman. Groots verteld.

     

     

     

    Marjoleine de Vos schrijft in Zo hevig in leven over kanker die haar trof. Bijna een half jaar lang, van oktober 2022 tot en met maart een jaar later. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Associatief lopen herinneringen aan momenten die ze met haar overleden man, Tom van Deel beleefde, en het hier en nu in elkaar over. Haar toon is zachtmoedig en zoekend, raak en nuchter, intiem en intens. Troostrijk ook. (Els van Swol)

     

     


     

    Alkibiades (1923) van Ilja Leonard Pfeijffer heeft iets van een omgevallen boekenkast en lijkt geschreven door een auteur die van het weggeblazen dak van het Parthenon wil schreeuwen wat hij allemaal weet van het oude Griekenland. Maar het is ook een geweldige onderdompeling in wat ooit was en de bodem legde voor onze Westerse samenleving. Het was het eerste boek dat ik in januari uitlas dat meteen de lat voor 2024 torenhoog legde.

     

     

     

    Op vakantie in Sardinië ontdekte ik een vergeten schrijfster en Nobelprijswinnares Grazia Deledda (1871- 1936), geboren en gevormd in de ruige gebergten rondom Nouro. Terwijl ik vlak bij haar geboorteplaats verbleef las ik drie boeken van haar hand. Ze maakten allen een diepe indruk en verdiepten mijn verblijf. Vooral Elias Portolu (1901) greep me, over een verdoemde liefde en over de kerk als toevluchtsoord, waar de ziel misschien wel, of misschien geen, rust zal vinden. (Martin Lok)

     


    Het xoanon van Jan van Aken is een breed uitwaaierende roman over het Constantinopel van na WOI, met onvoorziene plotwendingen, dubbel-ingewikkelde intriges en een bijzonder sfeervolle inkleuring van de historische achtergrond. Geschiedenisboek, spionagethriller en avonturenroman in één.

     

     

     

     

    In De onzichtbaren van Frank Nellen wordt een zeer geloofwaardige, hoewel groteske weergave van de aftakeling van het Sovjetrijk beschreven, aan de hand van personages bij wie allemaal wel een stukje loszit. Spannend, vermakelijk, schokkend en overtuigend. (René Leverink)

     

     

     


    Vijf dagen trok ik op met Rut en Gorm uit Mijn iemand van de Noorse schrijverer Herbjørg Wassmo. Vroeger waren Rut en Gorm vage vrienden, maar ze verloren elkaar steeds weer uit het oog. Tot, gepokt en gemazeld door het leven, ze elkaar opnieuw ontmoeten en dit keer echt voor elkaar kiezen. Ze zijn elkaars iemand. Een verhaal over liefde en onafhankelijkheid, zielsverwantschap, egocentrisme en kunstenaarschap. Vertaald door Paula Stevens.

     

     

     

    Het kleedje voor Hitler van Bas von Benda-Beckmannis de gedegen onderzochte en zeer toegankelijk geschreven familiegeschiedenis van Bas von Benda-Beckmann. Aan de hand van ongelooflijk veel brieven en dagboeken beschrijft de historicus zijn Duitse familie, de generatie van zijn grootouders in de vorige eeuw. Zijn tante Luise was getrouwd met de vertrouweling van Hitler, Alfred Jodl. Hoe loyaal waren zijn oudtantes en oudooms aan het Nazi-regiem, keken ze weg of wisten ze het echt niet?  (Marjet Maks)

     

     


    In Woestijnpassages (2023) van Emmelien Kramer kiest de Catalaanse dichter Àngel Or voor blindheid om de wereld anders te zien. Na zijn arrestatie door de Guardia Civil en zijn daaropvolgende verdwijning probeert de journalist Rodrigo Torres het mysterie rond Ors’ leven te ontrafelen. Kramer verweeft thema’s als vrijheid, identiteit en tijd met historische Spaanse trauma’s. Haar elegante, zintuiglijke stijl en filosofische aanpak maken deze roman tot een unieke leeservaring die uitnodigt tot herlezing en reflectie.

     

     

     

    In zijn debuutroman De maat van alle dingen verweeft Johannes Westendorp een ingenieus netwerk van personages en verhaallijnen rond een aanslag in winkelcentrum Hoog Catharijne. Via rapteksten, nieuwsberichten, innerlijke monologen en sociale media onderzoekt hij thema’s als verlies, miscommunicatie en maatschappelijke spanningen. Westendorp breekt met literaire conventies en daagt de lezer uit om zelf verbanden te leggen. Deze gedurfde en strak geconstrueerde roman biedt een unieke, complexe leeservaring die blijft verrassen. (Anna Husson)

     

     


     

    Verhalen van Toergenjev (1818-1883) verscheen dit jaar in een nieuwe vertaling bij van Van Oorschot, 1024 pagina’s dundruk. Het bevat Notities van een jager en de novelle Eerste Liefde. Verhalen die 400 bladzijden beslaan met vlotte  dialogen en mooie natuurbeschrijvingen. ‘Een van de voornaamste voordelen van het jagen, beste lezer, is dat je dwingt voortdurend van de ene naar de andere plek te reizen, wat voor een man met weinig te doen bijzonder aangenaam is.’  Je maakt kennis met mensen uit het oude Rusland, adel, boeren, dienstmeisjes en bakkersdochters. Sjoukje Slofstra tekende voor de vertaling.

     

     

    Moeder na vader (2023) is het derde boek van Gerbrand Bakker in de reeks Privé-domein. Bakker beschrijft met veel oog voor detail een jaar uit het leven van zijn moeder nadat zijn vader is overleden. Ontroerend boek met liefdevolle observaties over dagelijkse dingen. De 87-jarige moeder is hulpbehoevend, Bakker belt haar vaak en gaat geregeld bij haar langs. ‘Toen we naar de auto liepen, zei ik tegen M. dat ik dit altijd het ergste moment vond. Gewoon weggaan, zo aan het einde van de middag; juist omdat we geweest waren, ineens extra leeg en stil.’ (Evert Woutersen)

     


     

    A rather haunted life (2017) door Ruth Franklin is de biografie van Shirley Jackson (1916-1965). Jackson schreef verhalen vol psychologische spanning in de traditie van the American Gothic, zoals ‘The haunting of Hill House’.  Franklin laat zien hoe groot haar betekenis was in het naoorlogse Amerika toen het niet gebruikelijk was dat een vrouw een literaire carriere had naast haar gezin. Maar naarmate haar carrière vorderde, werd haar huwelijk zwakker en nam haar angst toe. Deze biografie vertelt waarom Jackson thuishoort in de hoogste regionen van de Amerikaanse literatuur. 

     

     

    Mary Gauthier is een Amerikaanse singer-songwriter, te vondeling gelegd, geadopteerd, weggelopen, verslaafd aan alcohol en drugs en gered door folkmuziek. Saved by a song (2021) bestaat uit memoires, gedachten over kunst, hoe haar liederen tot stand kwamen en haar streven om met muziek mensen te inspireren en samen te brengen. Eenvoudig en oprecht vertelt ze hoe muziek en woorden voor haar heling en verlossing brachten en haar leerden dat empathie met alle wezens de enige manier is om te verbinden. (Hettie Marzak)

     


    Frank Nellen maakt in De onzichtbaren via de hoofdpersonen Dani en Pavel invoelbaar hoe het is (geweest) op te groeien in het oude Oostblok. Indoctrinatie, naïef maar niet minder oprecht strijden voor de socialistische heilstaat, leugens en bedrog, ontgoocheling en een trieste en troosteloze werkelijkheid die alleen te verdragen is door heel veel wodka te drinken tekenen hun wereld. Prachtig geschreven en aangrijpend interessant.

     

     

     

    Bep Rietveld heeft haar hele leven tegen de klippen op geschilderd en getekend. Tineke Hendriks schreef met Waar kleur is, is leven een roman over haar veelbewogen leven als dochter van de beroemde vader Gerrit, in haar strijd te mogen (leren) schilderen, over haar lessen bij Charley Toorop, haar overleven in een Jappenkamp in toenmalig Nederlands-Indië en over haar werk. Deze roman is alleen al belangrijk doordat hij een krachtige en belangwekkende 20e-eeuwse kunstenares een podium geeft. (Joke Aartsen)

     

     


     

    Mijn begin-van-de-vakantie-beloning is een dikke pannenkoek met kaas en stroop. Een zalige combinatie van vet, zoet en zout. Fout! Precies die drie ingrediënten. Teun van de Keuken schrijft in De mens is een plofkip over de verleidende, verslavende en ziekmakende voedingsindustrie. Waarom zijn er wel reclames voor ongezonde producten, maar amper voor gezonde? Hoe ambachtelijk is die ‘echte Italiaanse’ tomatensaus eigenlijk? En eten we onszelf bewust obees of treft de fabrikant ook nog blaam? Inzichtelijk en confronterend leesvoer.

     

     

     

    Een brug naar Terabithia (2007) van Katherine Paterson. Waar ligt Terabithia? Het is het geheime koninkrijk van Jess en Leslie die een ongebruikelijke vriendschap sluiten. Een zachtaardige jongen en een vrijgevochten ‘jongensmeisje’, gesitueerd op het Amerikaanse platteland van de jaren ’70. Herlezen is waardevol: lees je nieuwe dingen? Word je nog meegenomen in het verhaal, staat de taal nog overeind? Raakt de tragische gebeurtenis je nog steeds? Ja! Oorspronkelijk uit 1977, bekroond en verfilmd, maar verlies jezelf liever lezend in deze tijdloze vertelling. (Saskia M. Toussaint)

     


     

    Ik was verrast door de intrige waarin aantrekkingskracht en schuldgevoel in Raam, sleutel (2021) van Robbert Welagen om voorrang strijden. Schrijfster Karlijn raakt in de ban van haar gevoelens voor een vrouw die zij onverwacht ontmoet. Kort tevoren heeft ze haar vriend bij een ongeluk verloren. Welagen weet heel knap de gevoelens van rouw gelijk op te laten gaan met de verliefdheid voor de nieuwe vriendin. Dat spanningsveld zorgt ervoor dat je wil doorlezen. 

     

     

     

    Michail Sjisjkin is een Russische schrijver die in Zwitserland woont. Hij kent Rusland van binnenuit. In Mijn Rusland geeft hij een goede inkijk in het ontstaan van het dictatoriale politieke systeem door de eeuwen heen. De wijze waarop de bevolking in de greep wordt gehouden, is van alle tijden.  Het zal heel moeilijk zijn om deze eeuwenlange onderdrukking om te buigen naar een meer democratische richting. Dat biedt geen uitzicht op een betere toekomst in Rusland na Poetin. Vertaald door Jan Sietsma. (Johan Reijmerink)

     

     


     

    De leugenaar (1950) van Martin Hansen is een scherp psychologisch portret dat tegelijkertijd doortrokken is van een Scandinavische treurigheid van de landelijke en afgelegen omgeving waar het speelt. Met weinig woorden wordt enorm veel sfeer en karakter neergezet in een klein drama over verhoudingen op scherp en de last van het verleden, en over vogel spotten. Vertaald uit het Deens in 1984 door Gerard Cruys.
    Een doodgewoon leven (2017) van Karel Capek begint in alle opzichten als een doorsnee verhaal over een stationschef en zijn kabbelende leventje en ontvouwt zich tot een ware kakofonie van stemmen. Het innerlijk orkest van de hoofdpersoon komt al twistend met elkaar met volle kracht naar voren als hij terugkijkt op zijn leven en zijn motieven. Welke afslag was de ware en wat betekende zijn leven nu echt? Vertaald door Irma Pieper. (Ben Koops)

     

    In Drie zakken dameskleding, twee cakes Kyiv en een sniper beschrijft Jaap Scholten – die direct na het begin van de oorlog in Oekraïne het initiatief nam er hulpgoederen naar toe te brengen – wat hem bewoog en hoe het er was. Hij schakelde daarvoor o.a. zijn rugbymaten in, waaronder ook Tommy Wieringa. Een deel van de opbrengst van beide boeken wordt gebruikt om meer hulp te kunnen bieden.

     

     

     

     

    Tommy Wieringa beschrijft in Konvooi van binnenuit de ellende in Oekraïne, maar ook het optimisme en de heldenmoed van veel mensen. Het is niet altijd even prettig om te lezen wat de Russen daar allemaal uithalen; het bevestigt wat velen al vrezen. Beide boeken zijn ook te lezen als aanklacht tegen het wegkijken van veel westerse overheden en meer nog tegen de verdomming van met name radicaal rechtse partijen en/of regeringen. (Martenjan Poortinga)

     

     


     

    Het Internaat (2022) van Serhi Zjadan is een meeslepende Oekraïense roman die jaren voor de Russische inval is geschreven en tijdens de oorlog in de Donbas. In drie dagen maakt leraar Pasja een levensgevaarlijke tocht om zijn neefje uit een internaat in een onbenoemde stad op te halen. Hij reist door dorpen in een apocalyptisch landschap met militairen  legervoortuigen, bombardementen en ontheemden. Met zijn neefje op de onvoorstelbaar helse terugweg denkt Pasja: ‘Geen mens zou zoveel angst en nijd in z’ geheugen moeten meetorsen.’ Vertaald door Tobias Wals en Roman Nesterenco.

     

     

     

    In Vinvis der Vergetelheid (2022) van Tanja Maljartsjoek vertelt de vrouwelijke Oekraïense hoofdpersoon over teringleider en kluizenaar Vjatsjeslav Lypynski (1882-1931). Hij was historicus, conservatief politiek activist en Oekraïens gezant in Wenen. De vinvis staat voor de tijd die de hoofdpersoon met haar ‘gedachten, ervaringen en herinneringen’ opslokt. De hoofdstukken spelen begin deze eeuw, waarin de ik op drie blauwogige relaties terugkijkt, en begin vorige eeuw waarin zij het leven van Lypynski in verhalende vorm beschrijft – met veel politieke ontwikkelingen in Oekraïne. Op het eind schuiven de twee verhaallijnen in elkaar en de ‘blauwe vinvis sloot zijn bek en zwom verder.’ Vertaald door Marina Snoek en Tobias Wals.  (Ronald Bos)

     



    De tweelingen trilogie bevat Het dikke schrift (1986), Het bewijs (1988) en De derde leugen (1991) van Agota Kristóf (Hongarije 1935 – 2011), dit jaar opnieuw uitgeven door DasMag.
     Tijdens WO2 in Hongarije worden de tienjarige tweelingbroers Lucas en Klaus bij hun grootmoeder ondergebracht. In een schrift schrijven ze heel precies en objectief wat ze beleven: ‘Wij moeten opschrijven wat er is, wat wij zien, wat wij horen, wat wij doen’. Alles zonder emoties. De karakters van Kristóf bezigen een logica die onbeschoft lijkt, maar (precies) is wat het is. Verrassende en intrigerende trilogie. Vertaald door Henne van der Kooy.  

     

     

     

    De openingszin van Café Dorian (2023) van Gilles van der Loo zet je direct op scherp. ‘Het is ochtend in de stad die ik je geef. Je trekt de voordeur dicht en kijkt naar de plaat met de verlichte bellen, het bordje met de naam die ik je gaf omdat ik over je wil schrijven.’ Die je is Guillaume, eigenaar van café Dorian. Een verhaal over mensen die elkaar niet kunnen bereiken. Twee tijdlijnen die af en toe op een wonderlijke manier in elkaar overlopen. Een verhaal van troost over mensen die elkaar niet kunnen bereiken, zo goed geschreven dat het je verleidt er opnieuw in te duiken. (Ingrid van der Graaf)





    Goudjakhals
     van Julien Ignacio is v
    erschillend in stijl en opzet. Zes verhalen die ogenschijnlijk los van elkaar staan, maar die met elkaar verbonden zijn door de thematiek. Het gaat over mensen die buiten hun eigen land, tegen de klippen op, een bestaan moeten opbouwen. Goudjakhals is een verpletterend goed boek. Een boek dat ertoe doet. Het maakt van de onbekende, ongeliefde vreemde een mens met een verhaal, een gezicht en een stem. Waarom ligt dit boek niet in grote stapels in de boekhandels?

     

     

    In Onderburen van Juli Zeh verhuist hoofdpersoon Dora in coronatijd van de stad Berlijn naar het platteland. Is ze op zoek naar afstand tot haar activistische vriend of juist naar meer rust en ruimte om zich heen? Niet alleen haar omgeving begrijpt haar vertrek en vooral haar bestemming niet, ze vraagt zichzelf ook af wat ze moet in die AfD-omgeving. Onderburen is geestig, goed geschreven en bevat rake dialogen. Vertaald door Annemarie Vlaming. (Carolien Lohmeijer)

     

     



    Je zou denken dat het niet kan, maar 
    Carolina Trujillo beschrijft in De instructies met hilariteit en humor hoe dierenactivisten hun soms vergaande acties voorbereiden en uitvoeren. Ook laat ze gedetailleerd weten hoe het er in slachthuizen en met het transport van de ter dood veroordeelde dieren aan toegaat. Niet altijd fijn om te lezen, wel goed voor mensen die het nog niet weten, al lezen die dit boek misschien niet. Ik-personage Mol vertelt met terugblikken het verhaal van de uit de hand gelopen brandstichting in een slachthuis. Trujillo weet voor alle personages sympathie op te wekken, al is het alleen al omdat deze de consequenties van hun actie – gevangenisstraf – zonder morren accepteren.

     

     

    Het Xoanon is een heerlijk avonturenverhaal van Jan van Aken tegen een nauwgezet weergegeven historische achtergrond en speelt in 1920 in Constantinopel. Het Ottomaanse rijk is verslagen, grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië bezetten de stad en Russische vluchtelingen zijn overal. Tegelijkertijd beginnen in de betere wijken de vrolijke jaren twintig en doemt in het oosten een nieuwe oorlog op. Verteller en vrijbuiter Beaujon raakt betrokken bij de jacht op een xoanon, een antiek houten beeldje dat in dit geval het palladium zou zijn dat Pallas Athene voorstelt. In een uitmuntende couleur locale vol geheimzinnigheid bevolken kleurrijke figuren de woelige straten van de stad waar de politieke situatie voelbaar is. (Anky Mulders)

     



    En dit vonden de recensenten van Literair Nederland de beste boeken (gelezen) in 2023.

  • De waarheid volgens Werner Herzog

    De waarheid volgens Werner Herzog

    In De Toekomst van de Waarheid waarschuwt de Duitse filmmaker en schrijver Werner Herzog (1942) tegen de ‘overweldigende opmars van nepnieuws’. Hij illustreert zijn zoektocht naar de waarheid met verwijzingen naar een groot aantal van zijn films en zegt dat de vraag naar de waarheid hem tijdens zijn loopbaan altijd heeft bezig gehouden. Herzog ziet die vraag als een ‘zoektocht die ons onderscheidt van de koeien in de wei’. Hij reflecteert op observaties en persoonlijke ervaring in zijn eigen praktische werk en zijn ‘artistieke ervaring van de wereld’. Daarmee wil hij zich buiten de filosofische debatten over het begrip waarheid houden.

    De vraag naar de waarheid achter een ‘zwak gloeiende bestemming in de verte’ drijft hem altijd, zoals hij het poëtisch uitdrukt.  Hij vraagt zich af of er waarheid bestaat in de kunst. Ook vraagt hij zich af of we onze oriëntatie niet kwijtraken door de wijdverspreide digitale vervalsingen en de leugenachtige propaganda in de politiek. Hij noemt de uiterst realistische video-imitaties van mensen. Als voorbeeld geeft hij een non-stop door AI nagebootst online gesprek van zichzelf met een Sloveense filosoof (Slavoj Žižek). Een gesprek dat ‘niets anders is dan mimicry’. 

    Het verborgene en het verhulde

    Volgens Herzog is een interview met een gevirtualiseerde Darwin over een mogelijk leven op Mars een vorm van ‘collectief zelfbedrog’, omdat zulke plannen ‘onzinnig en onuitvoerbaar’ zijn. Hij vindt het bovendien een obsceniteit om een onbewoonbare planeet bewoonbaar te maken ‘in plaats van ervoor te zorgen dat onze eigen planeet bewoonbaar blijft.’ Herzog ziet dan ook het idee van Elon Musk om miljoenen aardbewoners als kolonisten op Mars te vestigen als een reclame om zijn auto’s te verkopen en zichzelf als een visionair neer te zetten.

    De Toekomst van de Waarheid is geschreven in 2023, nog voor Elon Musk zich als aanhanger van Trump met halve waarheden en miljoenen een plek kocht in de nieuwe regering van de Verenigde Staten. Herzog vroeg zich toen nog af of de overname van Twitter wel zo’n goed plan was. Maar het plan om Mars te koloniseren ziet hij als zelfbedrog dat door Musk behandeld wordt als een waarheid, vegelijkbaar met een ‘sektarische geloofsovertuiging’.

    In zijn zoektocht naar de waarheid waaiert Herzog vele kanten uit. Hij zegt onder de indruk te zijn van het onderscheid dat de oude Grieken maakten tussen het verborgene, het verhulde en zijn tegenovergestelde, het onthulde dat vanuit het verborgene aan het licht wordt gebracht. Herzog ziet daarin een analogie met het fotografisch proces, met film, met beelden op celluloid. Hij ziet in dat proces de zoektocht ‘die ons dichterbij de niet onthulde waarheid brengt’, en ons, wat cryptisch geformuleerd, ‘een soort deelname aan iets onbereikbaars, aan de waarheid geeft.’ 

    Nepnieuws was nog nooit zo zichtbaar

    Nepnieuws is volgens Herzog van alle tijden, het is nu alleen zichtbaarder. Hij geeft een aantal voorbeelden van ‘historisch nepnieuws’: Ramses II, Numa Pompilius, Nero, Constantijn de Grote, en wat recenter de Potemkindorpen uit 1787 en nog recenter uit de jaren zeventig de Centraal Afrikaanse dictator Jean-Bedel Bokassa. Tegenover de dwaalleer ‘dat feiten identiek zijn aan waarheid’ stelt Herzog het begrip ‘extatische waarheid’, een ervaring voorbij het feitelijke (zie ook de recensie over Herzog’s Ieder voor zich en God tegen allen ). Volgens hem kunnen alleen stilering, fictie, poëzie en fantasie ‘een diepere laag van waarheid’ blootleggen. Hij heeft zich daarom ook verzet tegen de ‘cinema vérité’, een vorm van documentaire maken die hij een reactie noemt op de chaotische realiteit in de jaren zestig. 

    In zijn zoektocht naar de extatische waarheid geeft Herzog een aantal sprekende voorbeelden uit zijn eigen bekende en minder bekende films. Het eind van zijn film Cave of Forgotten Dreams, over rotstekeningen in Zuid Frankrijk, noemt hij voor het publiek onvergetelijk omdat er ‘zoiets bestaat als een collectieve bereidheid om rechtstreeks te worden getransporteerd naar het rijk van de poëzie, de waanzin en de pure vertelvreugde.’ Het gaat kort gezegd om ensceneringen en verzonnen teksten, die in zijn films open en bloot als extatische uitvindingen te zien of te horen zijn.  Herzog gebruikt de woorden ‘overdreven realiteit’ voor verzonnen elementen in de boeken van Daniel Defoe, Ryszard Kapuscinski en Bruce Chatwin, die daarmee volgens hem ‘levendiger en geloofwaardiger’ zijn. 

    In een van de laatste hoofdstukken ‘Postwaarheidstijdperk’ laat Herzog de tegenwoordige technische mogelijkheden zien om fictieve waarheden te produceren. Photoshop, chirurgische ingrepen, deepfakes, ChatGPT. Kunstmatige intelligentie is volgens hem tot veel in staat, tot veel meer dan de meeste mensen. Gedichten en teksten schrijven, foto’s en films maken. Maar het is nep. 

    Script geschreven door AI

    Tijdens het recente IDFA festival draaide de openingsfilm About a Hero,  de verfilming van een script geschreven door een AI die werd getraind op Herzogs oeuvre. Herzog had daar zes jaar geleden toestemming voor gegeven; nadat hij About a Hero heeft gezien, noemt hij het eindresultaat ‘alarmerend’. De film heeft hem gewaarschuwd en wellicht geïnspireerd tot dit boek. Wat te doen? In de met aan Lenin ontleende titel van het voorlaatste hoofdstuk vraagt Herzog zich af hoe we nepnieuws kunnen herkennen. Hij vindt dat we het kritisch denken moet herijken. Bij radio en fotografie hebben we door de jaren heen geleerd nepnieuws en vervalsingen te herkennen. Nu moeten we dat leren voor internet en mobiele telefoons. We moeten er een gewoonte van maken verschilllende bronnen te raadplegen. Door ‘schuldpresumptie’, wantrouwen, de veronderstellling van manipulatie, propaganda en leugens.

    Meer lezen en lopen

    En we moeten, aldus Herzog, meer lezen. Een boek kan een bewustzijn van ‘grotere processen’, van ‘conceptuele lijnen in onze werkelijkheid’ geven. De ontlezing is al jaren aan de gang, wie leest nog of is in staat een een eenvoudige gedachte op papier te zetten?  En we moeten meer lopen, ‘reizen te voet met bijna geen bagage, elementair, door diepe noodzaak gedicteerd.’ Volgens Herzog is dat de meest intense ervaring van de werkelijkheid. Uit een van zijn eerdere boeken citeert hij: ‘De wereld ontsluit zich voor wie te voet onderweg is.’ 

    De vaak wat megalomane filmmaker kan de vraag naar waarheid uiteindelijk niet beantwoorden en hij stelt vast, op basis van gesprekken met hersenonderzoekers, dat het menselijk brein geen waarheid kent. Aan het slot van zijn inspirerende, essayistische stukken schrijft Herzog dat we ‘de zoektocht naar de waarheid […] niet opgeven.’   

     

     

  • Onverwerkte tragedie van Babi Jar

    Onverwerkte tragedie van Babi Jar

    Ruim een half jaar voor de Russische inval in Oekraïne namen schrijver Jonathan Littell en Antoine d’Agata in Kiev de metro naar Babi Jar, de plek waar in de Tweede Wereldoorlog rond de honderdduizend slachtoffers door de nazi’s zijn vermoord. Zij deden onderzoek voor een boek, geïllustreerd met zwart-wit foto’s. Als de Russen  Oekraïne binnenvallen is het manuscript af, maar door de gruwelijke werkelijkheid achterhaald. Littell begint opnieuw, vanuit ‘een heel ander perspectief’. Het vorig jaar verschenen boek is onlangs uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek, die meerdere boeken van Littell heeft vertaald.
    Jonathan Littell schreef eerder een boek over de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa. De roman Les Bienveillantes (De Welwillenden) (2008) kreeg onder meer de Prix Goncourt. Een ongemakkelijke plek is geen roman, maar een duizelingwekkend boek samengesteld uit 222 genummerde, caleidoscopische prozateksten en zo’n tachtig indrukwekkende zwart-wit foto’s.

    Plattegrond van slachtingen

    Jonathan Littell ging met fotograaf Antoine d’Agata op zoek naar de overblijfselen van Babi Jar. Kort na het bloedbad in september 1941, toen in twee dagen tijd meer dan 33.000 joden werden gefusilleerd, lieten de nazi’s de lijken met zand bedekken door Sovjet gevangenen. In het boek staat een foto die er indertijd van is gemaakt. En twee jaar later, vlak voor de komst van het Rode Leger, werden gevangenen uit het nabijgelegen concentratiekamp Syrets gedwongen de overblijfselen van de slachtoffers op te graven en te verbranden. ‘De Sovjetmacht zette het karwei voort en bracht het tot een einde. In 1950 besloot een commissie tot een volledige nivellering van Babi Jar.’ Daarna ging het dichtgooien van de ravijnen door. ‘De herinnering aan Babi Jar ligt ondergronds, net als de resten van de lichamen.’

    Littell somt een lijst van monumenten op die tegenwoordig op de plek van Babi Yar staan. Daterend van 1976 tot 2022, daarna is de bouw van nieuwe monumenten stilgelegd door de inval van Rusland. ‘Een warboel van monumenten’, noemt Littell het. ‘De herinnering aan Babi Jar (blijkt) volledig gefragmenteerd, als een caleidoscoop waarin iedereen zijn of haar eigen doden waarneemt.’ Littell beschrijft hoe ze door de omgeving wandelen, ze bezoeken de pope van een kerk, ontmoeten wat pubers in een bos en bezoeken een psychiatrisch ziekenhuis met bijbehorend mortuarium en kerk. De teksten vormen geen doorlopend verhaal, maar springen heen en weer.
    Littell en D’Agata bezoeken Boetsja aan de hand van een plattegrond van de slachtingen uit de New York Times van 11 april 2022. Het resultaat is zo’n vijftig pagina’s van hun eigen onderzoek op die plekken, gesprekken van ooggetuigen als een soort ‘evidence-based journalism’ of ‘oral history’. De gruwelijke verhalen zijn per huisnummer in de Vokzalna- en Iabloenskastraat opgeschreven. De slachtoffers zijn maar een deel van de ruim 600 vermoorde inwoners. Het verschil tussen Babi Jar en Boetsja is volgens Littell dat in Boetsja ‘de hele stad was getransformeerd tot lijkenhuis.’

    Systeem van strategisch geweld

    Na Boetsja ‘zoomen ze uit’ en bezoeken het dorpje Motyzjyn, waar dominee Oleh Bondarenko de leiding had over een centrum voor alcohol- en drugsverslaafden. Hij werd gemarteld door Russische troepen omdat ze door een misverstand bij de Russische militaire inlichtingendienst dachten dat hij wist waar Oekraïense commando’s zich verborgen hielden. Een actie die  deel uitmaakt van het systeem van strategisch geweld om tegenstanders uit te schakelen. De Russische soldaten kregen opdracht ‘niemand gevangen te nemen maar ze meteen neer te schieten’ en ‘het maakt niet uit of het burgers zijn of niet, schiet iedereen dood.’ Het geweld door de Russen in de bevrijde Oekraïense steden was volgens Littell gebaseerd op deze logica.

    De inwoners van Boetsja geven de schuld van deze wreedheden aan de Boerjaten, een berooide Siberische bevolkingsgroepen die zijn gerekruteerd voor de brigade in de Kiev regio en uit klassenrancune hun woede zouden uiten. Een Russische soldaat vertelt aan zijn moeder in een telefoongesprek: ‘Niet te geloven! Ze hebben hier warm water, wc-potten van porselein.’
    Op een muur in de buurt van Kiev staat een Russische grafitto: ‘Wie heeft jullie toestemming gegeven het er zo goed van te nemen?’ Duizenden computers, televisies, fietsen en huishoudelijke apparaten werden in vrachtwagens van het leger getransporteerd naar Belarus en vervolgens naar Rusland. Bij de plunderingen en andere wreedheden wordt Littell bevangen door een ‘een zwart gat in zijn denken’, maar ook weet hij, ‘het zijn normale mensen die dit hebben gedaan.’ Om te kunnen bevatten wat er is gebeurd, leest en citeert hij John Steinbeck en Paul Celan die over de Tweede Wereldoorlog schreven.

    In het fragment ‘Geschiedenisles’ laat Littell zien dat eind 19e eeuw iedere Oekraïenstalige publicatie in het Russische rijk al was verboden. En Poetin hield drie dagen voor de inval een tv-toespraak waarin hij beweerde: ‘Oekraïne is niet gewoon een aangrenzend land, het is een onvervreemdbaar deel van onze eigen geschiedenis, cultuur en spirituele ruimte.’ Ook noemde hij ‘denazificering’ als doel van zijn ‘speciale operatie’. Littell haalt hier de woorden aan van historicus Timothy Snyder: ‘In het denken van Poetin  en zijn regime is een nazi een Oekraïener die weigert toe te geven dat hij een Rus is.’

    Tweede Wereldoorlog en de huidige oorlog

    Bij ‘Nr 134’ staat weer een korte tekst:’We waren nog niet klaar met Babi Jar, we moesten opnieuw. Niet alles kan in één dag.’ In 2002 was Littell hier al geweest voor een ander boek en hij ontmoette Roevin Sjteyn, een overlevende van Babi Jar. Sjteyn is intussen overleden, maar zijn verhaal is te zien in een film in het Spielberg Project van de Shoah Foundation. Als vijftienjarige wist hij te ontsnappen aan zijn groep door een buis in te glippen die onder de weg doorgaat. Door dat verhaal komen Littell en D’Agata terecht bij een restant van een Joodse begraafplaats en Mortuarium nr 1, de hoofdvestiging voor gerechtelijke-geneeskundige expertise van de stad Kiev. Na de inval van Rusland zat de kelder vol mensen met langs de muren opgestapelde lijken. Na een lijkenruil met Rusland kwamen er 120 lijken binnen van de Azovstalfabriek die geïdentificeerd moesten worden. Hier lopen de verhalen van de Tweede wereldoorlog en de huidige weer door elkaar.

    In de laatste prozastukken veel verhalen over bijvoorbeeld Russisch en Oekraïens antisemitisme. Over de OOeN (Organisatie van Oekraïense Nationalisten), een ‘racistische, antisemitische en weldra fascistoïde groep’ schrijft Littel. De OOeN wilde weliswaar een onafhankelijk Oekraïne, maar voerden pogroms uit tegen de Joden waarbij zo’n twintigduizend slachtoffers vielen. Verhalen over Olena Teliha, een bekende dichteres die een vurig bewonderaar van Mussolini en Hitler was, over een andere nationalistengroep, de Oekrajinska Povstanska Armia (OePA) die in Volhynië tussen de veertig- en zestigduizend Polen heeft vermoord en in Galicië nog eens vijfentwintigduizend. Over Stepan Bandera, één van de leiders van de OePA (Oekraïense Opstandelingenleger 1942-1956), wordt in Oekraïne nog steeds een cultus gewijd. Veel Oekraïeners kennen de geschiedenis van Bandera en zijn organisatie slecht. Littell ontmoette voormalig ultra-nationalist Dmytro Reznitsjenko voor de Russische inval. Reznitsjenko vertelt over zijn bizarre ervaringen vanaf de Oranje revolutie (2004) met nationalistische groeperingen, maar heeft uiteindelijk ‘de progressieve waarden erkend’.

    Littell sprak ook met een priester van een buurtkerk die hem vertelde dat het zelfmoordcijfer in de wijk het hoogste in de stad is. Hij denkt dat het komt doordat de tragedie van Babi Jar niet is verwerkt. ‘We dachten niet dat er een oorlog zou komen… de landen van de Sovjet-Unie zijn niet door een fase van berouw gegaan. En dus moest het vroeg of laat tot een uitbarsting komen.’ Op het laatst geeft Littell aan de hand van wandelingen in de omgeving een beeld van het ravijnengebied van Babi Jar en schrijft als een variant op een de werken van Heraclites, over de betonnen afvoerbuizen die door de gemeente zijn geplaatst om het water onder controle te houden: ‘De afvoerbuizen bestaan nog steeds, de beek van Babi Jar stroomt nog steeds: het is nooit hetzelfde water , maar nog altijd dezelfde beek’.