• Oogst week 3

    Memoires van een ijsbeer

    Vervreemdend, maar een bijzondere leeservaring. Dat zou het werk van de Japanse schrijfster Yoko Tawada zijn, die naar eigen zeggen in hoge mate beïnvloed is door Paul Celan en Franz Kafka.

    Tawada werd in 1960 in Tokyo geboren en verhuisde in 1982 naar Duitsland. Ze schrijft zowel in het Japans als in het Duits. Memoires van een ijsbeer, oorspronkelijk in het Duits geschreven en in 2016 verschenen, gaat over ‘drie generaties van getalenteerde en wereldberoemde circusartiesten en auteurs, die toevallig ijsberen in de mensenwereld zijn.’

    …‘De springveren piepten onder mijn berengewicht. Ik zat op de bank van het hotel en dacht bij mezelf dat het weer eens een oninteressante conferentie was geweest, maar ze had me onverwacht teruggevoerd naar mijn kindertijd. Vandaag was het onderwerp van discussie trouwens: ‘De betekenis van de fiets voor de economie’.
    Iedereen, vooral de kunstenaar, kan ervan uitgaan dat het een valstrik is als hij wordt uitgenodigd voor een conferentie. Als ze niet gedwongen werden, weigerden de meeste deelnemers dus iets te zeggen. Maar ik meldde me vrijwillig. Bewust, elegant, onbevangen en zonder veel omhaal stak ik mijn rechterpoothand omhoog. Alle andere deelnemers in de conferentiezaal keken naar me. Ik was eraan gewend dat ik de aandacht van de toeschouwers trok.’ …

     

     

     

     

     

     

    Memoires van een ijsbeer
    Auteur: Yoko Tawada
    Uitgeverij: Signatuur

    Een muur van water

    Op donderdag 1 februari 2018 herdenken de inwoners van Goeree-Overflakkee dat het 65 jaar geleden is dat de Watersnoodramp plaatsvond. Twee dagen later is in het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk de presentatie van het boek Een muur van water van Teuntje de Haan.

    Teuntje de Haan zat als klein meisje samen met haar moeder en broertje vier dagen op een koude zolder te wachten tot haar vader terugkwam. Hij was vertrokken om anderen te helpen maar ze heeft hem nooit meer gezien.

    Nu, 65 jaar later gaat De Haan op zoek naar wat er gebeurd moet zijn en wie haar vader was. Dat doet ze op basis van verschillende bronnen, haar eigen herinneringen en gesprekken met ooggetuigen.

    Een muur van water
    Auteur: Teuntje de Haan
    Uitgeverij: Querido

    Die nacht zag ik haar

    De Sloveense schrijver Drago Jančar (1948) werd tot de dood van Tito eindeloos tegengewerkt door de Joegoslavische overheid. Pas na 1980 kon hij zijn werk vrij publiceren en is het in verschillende vertalingen uitgekomen.
    Roel Schuyt is de vertaler van Die nacht zag ik haar. Van Jančar vertaalde hij eerder al De galeislaaf en Noorderlicht.

    Die nacht zag ik haar gaat over het verdwijnen van Veronika Zarnik, een eigengereide en vrijgevochten vrouw die in januari 1944 samen met haar man door de partizanen van Tito wordt ontvoerd. Door de ogen van vijf mensen die haar goed gekend hebben krijgt de lezer iets over haar te weten.

    Het boek werd zowel in Slovenië als in Frankrijk en Italië bekroond.

     

     

     

     

    Die nacht zag ik haar
    Auteur: Drago Jančar
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    De laatste getuigen

    Wat de Wit-Russische Nobelprijswinnares Svetlana Alexijevitsj (1948) vooral doet in haar interviews is luisteren. Vervolgens geeft ze het gesproken woord weer. Indringender kan bijna niet.

    Lees de recensies er op na die eerder op Literair Nederland verschenen:
    Voor Zinkjongens sprak ze met soldaten, verpleegsters, artsen, moeders en vrouwen van gesneuvelde of verminkte militairen uit de Afghaanse oorlog van 1979 tot 1989.
    Voor Wij houden van Tsjernobyl sprak ze met voormalige inwoners van het stadje, rampenbestrijders en militairen, nabestaanden, artsen, kinderen, vaders en moeders, geleerden, partijmensen, journalisten.
    En voor De oorlog heeft geen vrouwengezicht met vrouwen, destijds meisjes van 17 tot 20 jaar, die in de Tweede Wereldoorlog vrijwillig naar het front trokken om mee te vechten.

    Nu is van haar hand De laatste getuigen verschenen. Weer is het een weergave van haar gesprekken. Deze keer met de mannen en vrouwen die tijdens de inval van de Duitsers in Wit-Rusland in 1941 nog kinderen waren. Zij vroeg hen naar hun herinneringen.

    … ‘Er naderde een zwerm vliegtuigen boven de stad… Tientallen onbekende vliegtuigen. Met kruisen. Ze verduisterden de hemel en de zon. Vreselijk! Het regende bommen… Je hoorde de ene explosie na de andere. Gedreun. Alles gebeurde als in een droom. Het leek niet echt. Ik was al niet klein meer, ik herinner me die angst, in m’n hele lijf, in alle woorden, alle gedachten. We renden naar buiten, holden over straat ergens heen… De stad leek verdwenen, je zag alleen puinhopen, rook en vuur. Iemand zei dat we naar het kerkhof moesten, want dat werd vast niet gebombardeerd. Waarom zouden ze doden bombarderen? In onze wijk was een grote Joodse begraafplaats, met oude bomen. Iedereen holde erheen, duizenden mensen. Ze omhelsden de zerken, verstopten zich achter de grafstenen.’ …

     

     

     

     

     

     

    De laatste getuigen
    Auteur: Svetlana Alexijevitsj
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Het totemdier van de schrijvers

    Het totemdier van de schrijvers

    Wie het boek achteloos openslaat en begint te lezen zal snel de indruk kunnen krijgen met De vos een nieuwe bundel persoonlijke beschouwingen in handen te hebben van Dubravka Ugrešić, de in Amsterdam woonachtige Kroatische auteur van de verzameling opstellen Europa in sepia uit 2015. Toch staat op het voorplat duidelijk vermeld dat het om een roman gaat. De vos is beiden: een knap in elkaar gestoken verzameling overdenkingen, gebed in fictie, die uiteindelijk componenten zijn van één verhaal over hoe verhalen ontstaan, hoe ze tot ons komen, hoe ze worden opgebouwd en uiteindelijk hoe we er zelf deel van zijn.

    Qua compositie dringt zich de vergelijking op met een zesdelige symfonie. Het thema, ‘Verhaal over hoe verhalen ontstaan’ wordt breed uitgemeten in het eerste deel om daarna in allerlei variaties terug te keren in de volgende vijf. Als verbindende figuur loopt daar in wisselende gedaantes de vos doorheen, waarvan Boris Pilnjak (over wie hierna) schreef: De vos is de belichaming van sluwheid en verraad. Als de geest van de vos zicht vestigt in een mens, is het geslacht van die mens vervloekt. De vos is het totemdier van de schrijvers.

    Maar de delen grijpen in meerdere lagen op elkaar terug. Zoals Deel 4 over de Russische schrijver Dovjber Levin een heel nieuwe lading geeft aan Deel 2, waarin hij nog een mysterieuze achtergrondfiguur is in heel een andere stemming. En zoals Deel 5 weer een contrapunt op dat tweede deel vormt.

    Sproeier
    Dubravka Ugrešić werd in 1949 geboren in Kroatië (toen deel uitmakend van Joegoslavië), maar ontvluchtte het land tijdens de Balkanoorlogen van 1991 tot 1995. Ze ging wonen in Amsterdam, maar bleef in het Kroatisch schrijven. Ze ontwikkelde zich tot een breed gewaardeerde essayist en romancier, die door veel Kroatiërs echter wordt ‘uitgespuugd’.

    In De vos keren twee thema’s uit deze levensloop voortdurend terug, de moeite van de emigrant om zich ergens thuis te voelen en de verhouding tot de gebeurtenissen in de jaren 90 van de vorige eeuw. Ze bepalen voor een belangrijk deel de kleur van De vos en de keuzes die Ugrešić maakt.

    De al genoemde Russische schrijver Boris Pilnjak (1894 – 1938) duikt op verschillende plaatsen in de roman op, maar is in De vos het meest prominent aanwezig in Deel 1. Dat opent al met een prachtig motto: Het echte literaire genoegen begint wanneer het verhaal aan de controle van de verteller ontsnapt, als het zich gaat gedragen als een ronddraaiende sproeier in een gazon en zijn druppels alle kanten op stuurt; en als het gras niet gaat groeien om het water, maar uit verlangen naar een nabije bron van vocht.

    Ugrešić schreef ooit een dissertatie over Pilnjak en voert hem nu op als auteur van Verhaal over hoe verhalen ontstaan uit 1926. Het is een complexe raamvertelling over een fictieve Japanse schrijver Tagaki die de Russische Sofija trouwt en meeneemt naar Japan. Daar schrijft hij zonder dat ze dat weet een succesvolle roman over haar, waarvan ze de inhoud niet kent omdat ze het Japans niet machtig is. Als ze later van een Rus de inhoud hoort laat ze zich scheiden en keert ze terug naar haar geboorteland.

    Wij als lezers krijgen deze geschiedenis te lezen in de bewoordingen van Ugrešić, die haar versie geeft van wat Pilnjak vertelt, die zich op zijn beurt baseert op Sofija’s autobiografie én een vermoeden van de inhoud van Tagaki’s roman. Het verhaal van Pilnjak is terug te vinden in de bundel Moderne Russische verhalen, (2009, Uitgeverij Atlas) en beslaat daarin amper 11 pagina’s.

    Voetnoot
    Volgens Pilnjak deed Sofija met haar terugkeer naar Rusland ‘afstand van de rang van vrouw van een beroemd schrijver’ en dat contrasteert met het tweede deel van De vos. Daarin ontmoet Ugrešić (die we in deze roman, met zijn weliswaar hoge autobiografische gehalte, liever de ‘ik’-figuur noemen) op een congres in Napels over het Europese migratieprobleem de Weduwe (met hoofdletter!) van de Russische avant-gardistische schrijver Dobvjer Levin. Weinig lezers zullen van hem gehoord hebben, maar de Weduwe die nauwelijks een verdienste voor zijn werk lijkt te hebben gehad en niet meer dan een voetnoot was in het leven van de Rus (1904 – 1941 of 1942), blaast zich tot gigantische proporties op. Ze vindt zichzelf een literaire celebrity, die zegt ‘haar plaats te kennen’: Ik diende en bediende gehoorzaam het literaire talent van een man, ik diende een mannelijke geest. Maar in werkelijkheid houdt ze een uit stereotypen opgebouwd imago in stand. Ze zou zichzelf buiten spel zetten als ze dat opgaf. En dan duikt in dit deel weer de vos op als symbool voor illusie en bedrog. De Weduwe creëert haar verhaal en blijft er tegelijk in gevangen zitten: De Weduwe schiep Levin, en niet andersom, hij was haar aanvankelijk verwaarloosbaar kleine kapitaal, dat ze door verstandig te investeren in de loop der jaren wist te vergroten. Ondertussen stemt ze de ‘ik’ tot nadenken over haar eigen plek in de wereld als schrijfster.

    In Deel 5 treffen we weer een andere voetnoot uit de schrijverswereld. Ugrešić haalt daarin Dorothy Leuthold voor het voetlicht. Ze was in het leven van Nabokov niet meer dan een toevallige ontmoeting met de auteur van Lolita en Bleek vuur (dat eveneens is opgebouwd uit voetnoten). Ze chauffeerde Nabokov en zijn vrouw en kind naar de Grand Canyon, maar maakte op die trip een grote indruk op hem. In een passage die tintelt van de sensualiteit beschrijft Ugrešić hoe Nabokov een onbekende vlinder vangt die op haar lichaam is geland. Hij gaf hem de naam waardoor die van Dorothy vereeuwigd werd: Neonympha dorothea.

    Landmijnen
    Wie de Dobvjer Levin uit het leven van de Weduwe was is onderwerp van Deel 4. Ook deze vertegenwoordiger van de Russische avant-garde is in de literatuurgeschiedenis slechts een voetnoot, stelt de ik-figuur (maar: ‘We zijn allemaal voetnoten’, merkt Ugrešić later op). Ze is opnieuw op een congres, deze keer van slavisten, waar ze Irina Ferris (een naam ‘die klonk als een goed bedachte schuilnaam’) ontmoet met wie ze schrijvers uit de avant-garde in Rusland bespreekt. Ook nu duikt de vos weer op als Ferris vertelt hoe hij af en toe haar Londense tuintje aandoet. ‘Vossen zijn erg op zichzelf’, zegt ze.

    Het middendeel van de roman wordt gevormd door Deel 3, waarin een onbekende liefhebber van het werk van de ik-figuur haar een huisje in Kroatië nalaat. Ze besluit er te gaan kijken en vindt het bewoond door de kraker Bojan. Hij voert de vos die de tuin regelmatig bezoekt kippen; ‘Ik probeer hem tam te maken’.

    Bojan was ten tijde van de Balkanoorlogen rechter, maar ruimt nu landmijnen op. Er ontspinnen zich indrukwekkende dialogen tussen haar en hem over hoe iedereen uit de oorlog is gekomen. Duidelijk wordt dat de schoften van toen nu in vredestijd als helden rondlopen terwijl de onschuldigen zijn gestraft. De oorlog is nooit opgehouden. Dat wordt nog eens schrijnend verbeeld op de monumenten, die ooit werden opgericht ter herdenking van de Joegoslaven die vielen tussen 1941 en 1945, maar nu zijn vervangen door patriottische herinneringen aan de Balkanoorlogen van 1991 tot 1945. Op de sokkels zijn de cijfers 4 vervangen door de 9.

    Het zesde en laatste deel zet in met een kinderliedje over de vos die weduwe werd. Het gaat grotendeels over de vraag hoe de ‘ik’ het verhaal van haar door de oorlog getekende leven vertelt aan haar nichtje van zeven jaar. Maar ook over de vraag hoe je oude verhalen vertelt aan een kind dat opgroeit met de moderne vluchtige media. Het eindigt met een mooie gedachte dat de grote verhalen pas ontstaan als de verteller een risico voelt. Zoals Sheherazade wel moest vertellen omdat ze anders de volgende dag niet meer zou leven.

    Ugrešić is in De vos aanwezig als vanouds. Met haar herhaalde gemopper, zoals over lastposten in een vliegtuig: ‘Mopperen is een vorm van mentale fitness’, schrijft ze ter verdediging.

    En Ugrešić is er ook weer met haar ironie, haar scherpte, haar vileine analyses en haar prachtige uitgebalanceerde zinnen. De verleiding is groot om er een aantal te citeren, maar laten we het houden bij één. Hij staat waarschijnlijk niet toevallig op de helft van de roman en vat samen wat we over mensen als voetnoten, over de gedaantes van de vos en onze in verhalen verpakte ervaringen in deze prachtroman te lezen krijgen: Sommige mensen zijn zo teruggetrokken dat ze zelfs hun schaduw in hun graf meenemen, terwijl anderen van hun leven een museum maken waarin zelfs de naald waarmee ze de knopen aan hun kleren zetten, een ereplaats krijgt.

     

  • Droomvlucht zonder rem

    Droomvlucht zonder rem

    Het wemelt in de wereldliteratuur van de dromers. Een van de bekendste is Jozef uit Genesis, die door zijn broers ‘meesterdromer’ werd genoemd. Over zijn levendige dromen raakte hij overdag niet uitgesproken. Jozef bleek de toekomst te kunnen voorspellen door dromen van zichzelf en anderen te verklaren. Deze gave bracht hem in de gunst bij de Farao van Egypte, aldus het eerste Bijbelboek. Tegenover het idee dat dromen influisteringen zijn van de voorzienigheid, stelden Freud en Jung begin 20e eeuw de theorie op van het onderbewuste dat zich roert wanneer het superego slaapt. De droom komt volgens hen niet van buitenaf maar van binnenuit. Mijn vaders dromen hangt een derde opvatting aan, waarin de droom zijn oorsprong vindt in de werkelijkheid. Het is dan een proces waarin de hersenen opgedane ervaringen verwerken. De droomslaap maar ook de dagdroom kunnen op die manier fungeren als een mechanisme dat bescherming biedt tegen een al te gruwelijke realiteit.

    Edvald Flisar (1945) is de meest vertaalde schrijver van Slovenië. Hij ontving diverse literaire prijzen voor zijn werk, dat bestaat uit zowel proza als toneel. Zijn eigen taalgebied beperkt zich tot de ruim twee miljoen mensen die Sloveens spreken. Roel Schuyt verzorgde de Nederlandse vertaling van de roman Mijn vaders dromen (oorspronkelijk uitgegeven in 2001). In dit grimmige, sprookjesachtige boek lopen droom en werkelijkheid bijna onscheidbaar door elkaar heen.

    Een ontsporende verbeelding
    Het perspectief ligt bij de 14-jarige Adam, enig kind uit een liefdeloos huwelijk. Hij bewondert zijn vader, die plattelandsdokter is, en heeft een hekel aan zijn moeder, een boekhoudster zonder fantasie. ‘Vader was het middelpunt waaromheen al mijn vreugde en verwachtingen draaiden. Hij was voor mij even onfeilbaar als een god.’ Adam bespiedt zijn vader wanneer die patiënten behandelt en doolt rond in de kelder van het huis tussen de menselijke preparaten. Met zijn moeder praat hij nauwelijks. Sterker nog, wanneer hij op school een opstel moet schrijven over zijn meest recente droom, beschrijft Adam in geuren en kleuren hoe hij samen met zijn vader een experiment uitvoerde om zijn moeder te laten omkomen. Deze droom wordt gevolgd door andere hallucinante ervaringen, de een nog grotesker dan de ander. Al snel valt het Adam moeilijk om de droomstaat van de wakkere toestand te onderscheiden. ‘Ik hoopte dat ik in slaap zou vallen en weer over de werkelijke wereld zou dromen, althans, over de wereld die voor anderen de werkelijke wereld was.’

    Ook voor de lezer wordt het steeds lastiger om het verschil te zien. Passages die normaal beginnen, krijgen soms ineens een bizar verloop. Zelfs de gebruikelijke trucs die Adam uithaalt om te controleren of hij slaapt, bieden geen garantie: meermaals knijpt hij zichzelf in de wang en eenmaal slaat hij zelfs het hoofd hard tegen een kozijn, maar wat er dan volgt kan niet waar zijn. Langzamerhand beginnen de interpretaties van ik-persoon en lezer uiteen te wijken. De voorvallen waarvan Adam overtuigd is dat hij ze droomt, lijken namelijk verdacht veel op een heel nare realiteit. Droomt hij wel echt, of probeert iemand hem te doen geloven dat hij droomt?

    Gek van fictie?
    De personages uit Mijn vaders dromen hebben zo hun eigen gedachten over de lucide slaaptoestand van Adam. Moeder concludeert al snel dat hij geestesziek is. Ze wijt dit aan de opvoeding van vaderlief en aan een op hol geslagen seksuele ontwikkeling. Vader legt de schuld bij de boeken die Adam op jonge leeftijd heeft gelezen, waaronder meesterwerken uit de romangeschiedenis en allerhande medische vakliteratuur. De hoofdpersoon sluit zich aan bij deze laatste verklaring: ‘mijn problemen waren immers begonnen met alle boeken die ik las en waarvan ik zo weinig begreep’. Dit zou hebben geleid tot een ‘zintuiglijke hypertrofie’. De verwijzing naar Don Quichot, die door het overmatig lezen van ridderverhalen het zicht op de werkelijkheid verloor, is duidelijk. Eén personage schort zijn oordeel op. Dat is Dominik, de meest menselijke en warmbloedige figuur uit Mijn vaders dromen. Dominik is de grootvader van het voorwerp van liefde van Adam, die (hoe kan het ook anders) Eva heet. Bij hem kan Adam gewoon een kind zijn dat zijn verhaal kwijt moet. En wie goed luistert hoort vanzelf de waarheid.

    De meeste dromen zijn bedrog
    Dat de protagonist niet de enige is die een naam draagt met een Bijbelse oorsprong, valt natuurlijk op. Dit blijkt dan ook essentieel te zijn voor het duiden van de roman. Vader heet bijvoorbeeld Jožef, waarmee waarschijnlijk niet wordt verwezen naar de meesterdromer uit Genesis maar eerder naar de timmerman uit Nazareth die met de moeder Gods zou trouwen. Hoewel in deze vorm van naamgeving deels een sfeerelement kan worden herkend, is de symbolische betekenis ervan toch  onmiskenbaar. De plattelandsarts, die door zijn zoon voor onfeilbaar wordt gehouden, representeert God de vader. Adam en Eva staan voor de mensheid. Voor de oplettende lezer valt ook het personage ‘Abortus’ te plaatsen. Gaandeweg doemt uit Mijn vaders dromen zo een buitengewoon cynisch beeld op van de christelijke godheid.

    Flisars roman bevat niet alleen Bijbelse elementen maar verwijst tevens naar de wereld van volkssprookjes en de klassieke mythologie. Het is in dat opzicht een veelkleurig boek. De zinnen barsten bijna uit hun voegen van de natuurmetaforen. Vooral vergelijkingen met dieren duiken voortdurend op. Huizen als roofdieren, verlangens die in aasgieren veranderen, de zee die als een haai z’n muil openspert; het zijn steevast beelden van een vijandelijke buitenwereld. Dit versterkt het sprookjesachtige karakter van het geheel en het resulteert soms in fraai proza: ‘De takken van de bomen hingen zwijgend en zwaar van de regen omlaag en het bos strekte zich om me heen als een gladgekamd en rillend beest, in de diepte van zijn ogen lagen onheilspellende schaduwen op de loer.’

    Het einde van de nachtmerrie
    Adam belandt tenslotte in een psychiatrische instelling, maar pas nadat vader Jožef zijn zoon eerst nog aan diverse onconventionele behandelingen heeft onderworpen. In de kliniek wordt zijn geval door de geleerden becommentarieerd. Dan volgt een van de opmerkelijkste passages van het boek. Een nuchtere psychiater trekt namelijk resoluut een streep door alle Freudiaanse interpretatiemogelijkheden van het verhaal. Het probleem zit niet in het hoofd van de 14-jarige jongen, zijn permanente roes is pure zelfbescherming. Je bent geneigd hierin de schrijver zelf te zien, die zich zo opstelt achter zijn gekwelde hoofdpersoon. Direct na deze analyse valt Adam in een droomloze en verkwikkende slaap.

    Edvald Flisar levert met Mijn vaders dromen een intrigerende, huiveringwekkende vertelling af. Als lezer raak je samen met de ik-persoon al snel het noorden kwijt en wordt je ondergedompeld in de raadselen van het dromende brein. Het is opletten geblazen om de strohalmpjes die de realiteit afperken niet te missen. Net als bij de meest levendige dromen blijven vooral de sfeer en losse beelden hangen. Het zal echter niemand makkelijk vallen om deze vervreemdende roman op klaarlichte dag na te vertellen.

     

     

     

  • Oogst week 16

    De roofkoning

    Op zijn eigen website schrijft auteur Machiel Bosman over De Roofkoning:

    ‘Dit is het boek dat ik altijd heb willen schrijven. In 1688 trekt de Nederlandse prins Willem III van Oranje met een immense legermacht naar Engeland en zet zijn eigen schoonvader af. Hij legt de basis voor twee eeuwen Britse mondiale dominantie. Hier wordt wereldgeschiedenis geschreven.
    En toch wordt zijn missie in de Nederlandse geschiedschrijving meestal als een voetnoot afgedaan. Hoe kan dat? Hoe kan het dat de grootste staatsman die Nederland heeft voortgebracht zo weinig erkenning heeft gekregen in eigen land?
    In dit boek staat de invasie van Engeland door prins Willem III centraal. Het is de laatste van de grote Engelse koningsdrama’s. Als Shakespeare een eeuw later had geleefd, had die er wel raad mee geweten.’

    En:
    ‘Mijn benadering van geschiedenis is tamelijk ouderwets. Ik wil verhalen vertellen: van koningen en prinsen, van dienstmeiden en knechten, van liefde, trouw, dood en verraad – in een veranderende wereld van vooruitgang en verval.’

    Wie wordt hier nou niet nieuwsgierig van?

    De roofkoning
    Auteur: Machiel Bosman
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum

    Mijn vaders dromen

    De schrijver Ewald Flisar (1945) heeft de halve wereld overgereisd. In veel van zijn verhalen, gedichten en romans is daarvan de weerslag te vinden.

    Mijn vaders dromen is de eerste roman die van hem in Nederland verschijnt. In Slovenië is hij een van de meest gelezen en gelauwerde schrijvers van het land.
    Mijn vaders dromen gaat over de verhouding tussen de 14-jarige Adam en zijn vader. Adam is een eenzame jongen die, behalve zijn doodgeboren broertje, niemand heeft om mee te praten. Meer en meer gaat hij op in zijn levendige dagdromen – maar zijn het wel dromen, zoals zijn vader, een gerespecteerde dorpsdokter, hem blijft verzekeren? En waar zijn de grenzen tussen de werkelijkheid en zijn dromen?

    Mijn vaders dromen
    Auteur: Evald Flisar
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Nummer 11

    Een van de grootste hedendaagse Engelse schrijvers, Jonathan Coe is komend weekend te gast op het International Literature Festival Utrecht (22 en 23 april). Coe, vooral bekend van zijn politieke en satirische roman What A Carve Up! (Het moordend testament) uit 1994, wordt op zaterdag 23 april geïnterviewd door Hans Bouman.

    Het moordend testament was een felle aanklacht tegen het ‘Thatcherisme’ waarin de vrije markt ideologie voor alles gaat. Een aantal personages daaruit komt terug in Nummer 11 (inderdaad zijn 11e roman), dat weer een humorvolle en satirische roman schijnt te zijn waarin de afstand tussen de elite en het gewone volk groter is dan ooit.

    De Bezige Bij: ‘Dit is een roman waarin Jonathan Coe doet waar hij zo goed in is: ons laten zien hoe we leven.’

     

    Nummer 11
    Auteur: Jonathan Coe
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    In 1992 viel Joegoslavië uit elkaar in een landschap van onafhankelijke landen, die de jaren erna voortdurend bezig waren grenzen te trekken ten opzichte van elkaar en vooral te bewijzen dat ze een eigen staat waren met een eigen bestaansgrond. Het nationalisme vierde daarbij hoogtij. Eén van de staten was Kroatië, het land van de schrijfster Dubravka Ugrešić. Ook daar richtte het nationalisme zich op uitsluiting van anderen, ontkenning van het verleden in Joegoslavisch verband en verheerlijking van de nieuwe ‘eigenheid’. In tegenstelling tot het gros van de politici en intellectuelen wenste Ugrešić daar niet aan mee te doen. In haar ogen was het nieuwe Kroatië vergeven van de hypocrisie en geschiedvervalsing. Ze zei en schreef dat ook met als gevolg dat ze door haar landgenoten werd uitgekotst. Op de Universiteit van Zagreb, waar ze onderzoekster was, werd ze door collega’s genegeerd en in de pers werd ze (met enkele andere kritische vrouwen) uitgemaakt voor heks en ‘joegonostalgica’. Ugrešić verliet het land en vestigde zich eerst in Berlijn en later in Amsterdam.

    Vóór het uiteenvallen van Joegoslavië was Ugrešić een schrijfster en onderzoekster die nauwelijks aandacht had voor politiek. Na 1992 is die echter prominent aanwezig in haar boeken. Zo ook in het onlangs verschenen Europa in sepia, een verzameling essays die ze schreef in de periode 2010 tot 2013. De bundel bestaat uit tal van kortere stukken die samenhangend zijn gegroepeerd in vier delen. Vooral in het laatste daarvan, ‘Een bedreigde soort’, meet Ugrešić haar verhouding tot de gebeurtenissen in het begin van de jaren 90 breed uit. Het is het meest persoonlijke en felle deel. Persoonlijk is Ugrešić overigens in alles wat ze schrijft omdat het voortdurend waarnemingen in haar eigen kleine kring zijn die aanzetten tot diepere beschouwingen over ontwikkelingen in de maatschappij; Een ontmoeting met iemand in een winkel, een krantenberichtje, een opmerking van haar dochter, een bezoek aan een winkel, een YouTubefilmpje: alles kan aanleiding vormen tot een scherpe analyse van onze tijd.

    In dat laatste stuk, ‘Een bedreigde soort’, komt bij die persoonlijke ervaring ook nog eens een flinke dosis gif, die degenen die haar al langer volgen ook kennen uit eerdere boeken als Nationaliteit: geen en Cultuur van leugens. Ze herhaalt zich dan ook nogal eens, maar ze doet dat niet omdat de emmer nog altijd niet leeggegoten is. Nee, ze scherpt voortdurend aan en probeert nog dieper tot de kern door te dringen. Ze beschrijft bijvoorbeeld hoe ze in 2012 door krantenknipsels uit de jaren 90 bladert alsof het een onverschillige verzameling papier is die niets meer met haar te maken heeft, maar ‘dan valt mijn oog op de datering van die stukken, ja vooral op de datering, en wat ik destijds aanzag voor een spontane uitbarsting van krantenroddels over mijn persoon, wordt nu steeds meer een samenhangend verhaal. Het is alsof ik mijn hoofd tegen een muur stoot als ik me bewust word van een keiharde paradox: hoe meer samenhang het verhaal krijgt, hoe moeilijker het wordt om er iets tegenin te brengen.’ Die nieuwe schok vormt de aanleiding om te analyseren hoe geraffineerd campagnes om iemand buitenspel te zetten eigenlijk in elkaar zaten en hoe zinloos het is te proberen daartegen ten strijde te trekken.

    De status van Ugrešić in Kroatische ogen druppelt ook in de andere essays door. Dat begint al in het eerste deel dat dezelfde titel draagt als de bundel, ‘Europa in sepia’. Daarin legt ze uit wat precies met ‘joegonostalgia’ wordt bedoeld en hoe het mede haar kijk op de westerse wereld heeft gekleurd, zoals je naar oude foto’s in sepia kijkt. Als het over integratie gaat bijvoorbeeld of over de omgang van Nederland met Polen die hier komen werken, krijgt haar blik die kleur van de geschiedenis. Treffend beeld van hoe het met ons is gesteld, is een ervaring die ze opdoet in de hortus botanicus in Dublin waar 17.000 plantensoorten uit de wereld bijeen zijn gebracht. Bij sommige van die planten staan bordjes met de vraag ‘Why is it a problem in Ireland?’ Ze staan bij planten die een bedreiging vormen voor de inheemse Ierse vegetatie en die beter uit het land verbannen zouden kunnen worden. Met een schok lees je vervolgens de parallel die ze trekt met de omgang van West-Europese landen met immigranten: ‘Ja, Europa is net zo ingericht als de hortus botanicus van Dublin, iedereen draagt om zijn hals een bordje waarop al zijn gegevens staan: waar hij vandaan komt, hoe invasief hij is en in hoeverre hij voor de inheemse soorten een bedreiging vormt’.

    Terloops bewijst Ugrešić in dit essay overigens de Nederlandse literatuur eer als ze schrijft: ‘Nostalgie is als een onvoorspelbaar dier dat ons belaagt wanneer het wil, dat ons zonder onaangekondigd en zonder duidelijke reden besluipt en op een verkeerd moment en op een verkeerde plek vanuit een hinderlaag toeslaat’. Zou ze hier bewust Cees Nootebooms Rituelen (‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’) parafraseren? Hoogstwaarschijnlijk wel. Ze las hem in elk geval, want in Ministerie van pijn uit 2005 gaf ze enkele stukken al motto’s van Nooteboom mee.

    Het omvangrijkste deel van de bundel, het derde, is getiteld ‘De karaokecultuur’. Het is eigenlijk één essay in tien paragrafen, waarin de auteur een belangrijke ontwikkeling in de westerse cultuur van het laatste decennium signaleert. De meesten zullen bij karaoke denken aan de uit Japan overgekomen leukigheid om met een orkestband op de achtergrond en met de tekst op een autocue, een eigenwijze versie ten gehore te brengen van het origineel. Maar dat verschijnsel is voor Ugrešić veel breder: ‘Karaoke vertegenwoordigt niet alleen de democratische gedachte dat iedereen kan wat hij wil, maar is ook, en vooral, een bewijs van de democratische realiteit dat iedereen wil wat hij al kan.’ We apen alleen nog na en creativiteit buiten gebaande paden krijgt nauwelijks nog een kans, bedoelt zij. We leven in een ‘cultuur van het narcisme’ en van voldoen aan wat scoort. Daarom verschijnen er zoveel boeken met op het omslag kreten die verwijzen naar bestsellers van anderen, waarmee in feite wordt gezegd dat we met de zoveelste epigoon te maken hebben. En: ‘De media – kranten, televisie, de uitgeversindustrie en internet – bestaan bij de gratie van volkse en populaire popsterren en de populaire popsterren bestaan bij de gratie van de media, en zo scheppen ze samen een populaire cultuur die ze ook gezamenlijk beheersen.’
    Het is heel herkenbaar, maar tegelijk kun je je afvragen of het boekenaanbod inderdaad zo rampzalig is. Er duiken steeds weer schrijvers op die juist wel nieuwe vergezichten weten te openen. Ugrešić’ conclusie is er dan wel weer één om over na te denken: ‘Wat alle vormen van karaokecultuur met elkaar gemeen hebben is de narcistische, exhibitionistische en neurotische behoefte die eruit spreekt om als hulpeloos individu een teken van jezelf op deze onverschillige aarde achter te laten, en het maakt niet uit waarmee of hoe: in de schors van een boom, op je eigen lichaam, op internet, met een foto, met een daad van vandalisme, een moord of een kunstwerk. Aan deze cultuur ligt echter een serieus motief ten grondslag: de angst voor de dood.’

    Laat trouwens door het bovenstaande niet de indruk ontstaan dat Ugrešić louter sombert. Haar stukken zijn hier en daar juist erg humoristisch, bijvoorbeeld als ze schrijft over haar bezoek aan IKEA of over haar opstand tegen de minibar op hotelkamers.

    Europa in sepia

    Auteur: Dubravka Ugrešić
    Vertaald door: Roel Schuyt
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2015)
    Aantal pagina’s: 376
    Prijs: € 24,95

  • Oogst van de week 13

    door Menno Hartman

    De oogst van deze week staat in het teken van vertalingen en bij uitbreiding in het teken van de nominaties voor de Filter Vertaalprijs. Want wat zou de Nederlandse lezer zijn zonder de bemiddeling van al die goede vertalers? Elk van deze boeken is door decennia lezers gewaardeerd, je kunt ze dus rustig kopen, want ze zijn uitermate goed en volgens de jury bovendien goed vertaald…

    De Filter Vertaalprijs is door een aantal uitgevers – zo werd zojuist bekendgemaakt – vertienvoudigd omdat ze vonden dat er meer geld moest komen voor uitzonderlijke vertaalprestaties. Hierdoor ontvangt de laureaat een beduidend hoger prijzengeld: geen € 1.000,- maar € 10.000,- .

    Om welke boeken gaat het eigenlijk?

     

    9789028424371

    Mari Alföldy, vermoedelijk de eminentste vertaalster uit het Hongaars, vertaalde Satanstango van László Krasznahorkai (Wereldbibliotheek).In een vervallen gehucht ergens inHongarije wacht een handjevol achtergebleven mensen op de komst van de man die hen moet verlossen: Irimiás, een duister figuur met het charisma van een profeet. De bewoners kunnen zich niet onttrekken aan de suggestieve kracht van zijn belofte, al vermoeden ze wel dat ze, zoals altijd, met hem hun ongeluk tegemoet gaan. Er zijn aanbevelingen die niet gering zijn: ‘Satanstango stijgt ver uit boven het gekeuvel in veel hedendaagse literatuur.’ schrijft  W.G. Sebald bijvoorbeeld en ‘Krasznahorkai is te vergelijken met Gogol en Melville.’ – meende  Susan Sontag. Hier lees je wat fragmenten. 

    De cirkel

    Gerda Baardman, Lidwien Biekmann, Brenda Mudde en Elles Tukker vertaalden De cirkel van Dave Eggers (Lebowski). Egger behoeft nauwelijks nog betoog. Na A Heartbreaking Work of Staggering Genius is de schrijver niet meer weggeweest. De cirkel gaat over de toenemende privacyloosheid door het internet.

     

    Don JuanIke Cialona, bekend van onder veel meer de vertaling van Dantes De goddelijke komedie samen met Peter Verstegen en de zeer opmerkelijke Hypnerotomachia Poliphili, vertaalde Don Juan van Lord Byron (Athenaeum – Polak & Van Gennep) het meesterwerk van Byron waarin de verleider verleid wordt. De inhoud van het boek werd als immoreel beschouwd, en misschien juist daarom werd het gedicht ongekend populair.

     

    De nieuwkomers lll

    Roel Schuyt (Russisch, Zuid-Slavische talen en Albanees meldt zijn website) vertaalde De nieuwkomers III van Lojze Kovačič (Van Gennep). Hier een fraai fragment en een inleiding op het tweede deel van het autobiografische drieluik dat een echte Sloveense klassieker is.

     

    De rode ruiterij

    Froukje Slofstra is genomineerd voor haar mooie vertaling van Verhalen van Isaak Babel (Van Oorschot) hier schreef Literair Nederland al een  juichende recensie over.

     

     

    Het verhaal van Genji

    En tenslotte de magistrale vertaling van Jos Vos van Het verhaal van Genji van Murasaki Shikibu (Athenaeum – Polak & Van Gennep) waarmee deze uitgeverij ook zijn nek uitsteekt. Het is in drie prachtuitgaven voor verschillende portemonnees gemaakt. De oudste tekst van deze zes genoemde boeken, stammend uit de elfde eeuw fris nieuw in fonkelend Nederlands.

     

    De Filter Vertaalprijs wordt dit jaar opgebracht door 11 vooraanstaande uitgevers, inclusief Vantilt, die de prijs tot nu toe alleen droeg, zijn dat: De Arbeiderspers, Athenaeum – Polak & Van Gennep, De Bezige Bij, Cossee, De Geus, Lebowski, Meulenhoff Boekerij, Van Oorschot, Podium en Wereldbibliotheek. Gehoopt wordt dat fondsen, particuliere begunstigers en andere uitgevers zich bij dit initiatief aansluiten.

    Welk van deze zes vertalingen kan rekenen op de vertienvoudigde Filter Vertaalprijs? Op 8 april 2014 wordt tijdens City2Cities: Internationale Literatuurdagen Utrecht de winnaar live bekendgemaakt.

    Voor die tijd kan je er minstens een lezen, daarna de andere vijf.

     

     

  • Inzicht in de Servische geschiedenis en mentaliteit

    Inzicht in de Servische geschiedenis en mentaliteit

    In het voorwoord merkt de schrijver op dat het proces van het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag tegen Ratko Mladić, de voormalige generaal van het leger van de Servische Republiek in Bosnië, in een kritieke fase is gekomen, ‘doordat er steeds weer wordt verwezen naar historische gebeurtenissen’. Naar deze historische gebeurtenissen is een diepgaand onderzoek ingesteld. Van de uitkomsten van dit onderzoek vinden we het verslag in dit boek, en wel op een zeer aangename manier gepresenteerd: de lezer is aanwezig bij een verhoor van getuigen die op de een of andere wijze betrokken waren bij de historische gebeurtenissen die van belang zijn voor een juist begrip van de meest recente oorlogen op het Balkan-schiereiland en van de mentaliteit van de volkeren aldaar. Wie kan de lezer dat beter uitleggen dan de Serviër Čičovački die, geboren onder het bewind van Tito, bij het uitbreken van de oorlog in 1991 zijn land is ontvlucht?

    Naast de getuigen zijn aanwezig de rechter, de aanklager en de verdediger. Tijdens het getuigenverhoor dat vijftig dagen in beslag neemt (in het boek verwerkt tot tien bedrijven), passeren veertien eeuwen de revue.
    Zoals de subtitel fantasmagorie al aangeeft, worden geesten/schimmen uit het verleden ten tonele gebracht om met hen te communiceren.
    De aanklager en verdediger roepen zowel gemeenschappelijke getuigen op als afzonderlijke getuigen à charge of décharge. Bekende en minder bekende historische figuren treden de rechtszaal binnen: Tiberius (niet de Tiberius onder wiens keizerschap Jezus Christus gekruisigd is) van Byzantium, keizer van het Oost-Romeinse Rijk, die volgens eigen zeggen leefde van 539 tot 602, gevolgd door Friedrich I Barbarossa, koning van Duitsland en keizer van het Heilige Roomse Rijk (12e eeuw), daarna vorst Kulin, die van 1180 tot 1204 over Bosnië regeerde, en nog vele anderen.
    Reeds bij de eerste getuige, Tiberius, wordt duidelijk waarom de Balkan 1500 jaar geteisterd is door oorlog. Tiberius heeft namelijk vlak voor zijn gewelddadige dood een vloek over de Slaven uitgesproken. ‘“Dat het vervloekte Slavische volk nooit vrede zal kennen (…), en dat na het einde van de ene oorlog meteen de volgende zal aanvangen. (…)”’ (pag. 20/21). De weggelaten gedeeltes van het citaat laten zich gemakkelijk raden, wanneer men bedenkt wat er zich in het laatste decennium van de vorige eeuw heeft afgespeeld op de Balkan.

    Werkelijk spannend is het verhoor van de voorlaatste getuige, Tito, enerzijds omdat hij voor velen ongetwijfeld de meest bekende persoon uit de geschiedenis van de Balkanlanden is, anderzijds omdat bij velen het bewind van Tito nog vers in het geheugen ligt, en zo niet, dan toch in elk geval de jongste oorlogen op de Balkan.
    De rij getuigen wordt afgesloten met Rudolph Archibald Reiss, Duitser van geboorte, Zwitser van nationaliteit, die van 1914 tot aan zijn dood in 1929 in Servië woonde. Reiss was hoogleraar aan de universiteit van Lausanne en richtte daar het Instituut voor Forensische Wetenschappen op. De aanklager vermeldt dat hij en de verdediger Reiss als gezamenlijke getuige gekozen hebben omdat (hoewel buitenlander) ‘hij behoort tot degenen die de Serviërs en de situatie op de Balkan het best kennen. (…) Hij schreef enkele studies over het Servische volk, en ook na zijn dood bleef hij de politieke situatie op de Balkan volgen en analyseren.’ (pag. 242/243) Door zulke opmerkingen als de laatste heeft het boek toch een zekere luchtigheid ondanks de zwaarte van het onderwerp. Temeer daar dergelijke opmerkingen in de juiste hoeveelheid en op de juiste plaats gedaan worden.

    Het zal duidelijk zijn dat dit boek niet voor niets zo diep ingaat op en zover teruggaat in de historie van de Balkanlanden. Wat bovenal duidelijk wordt, is dat de vraag of Ratko Mladić schuldig is, niet simpelweg met ja of nee valt te beantwoorden. En daarom lezen we dan ook in de epiloog dat de aanklager Ratko Mladić ‘op alle punten van de aanklacht die betrekking hebben op de genocide en de misdaden tegen de menselijkheid die in de periode tussen 1992 en 1995 werden begaan’ (pag. 262) schuldig acht, terwijl de verdediger Mladić op geen enkel punt van de aanklacht schuldig acht.

    Ongetwijfeld heeft de manier waarop in dit boek de geschiedenis gepresenteerd wordt, er mede voor gezorgd dat je het in één adem uitleest.  Daarbij komt dat je nergens het gevoel hebt een ‘vertaling’ te lezen. Complimenten dus aan de vertaler Roel Schuyt.
    Een verzoek aan de uitgever: voeg bij een herdruk bij elk bedrijf een historische, geografische kaart van de betreffende periode bij.

     

     

     

  • Recensie door: Sunny Jansen

    Recensie door: Sunny Jansen

    Ismail Kadares recent vertaalde roman Een noodlottig diner begint met roddels, heel veel roddels. De bevolking van de Albanese stad Gjirokastër heeft dan ook niet veel nodig om aan het speculeren te slaan. De vermeende rivaliteit tussen de twee plaatselijke artsen Gurameto de Grote en Gurameto de Kleine geeft genoeg stof om de tongen in beweging te houden. ‘Dokter Gurameto de Grote was niet alleen ouder en imposanter dan zijn naamgenoot, maar had ook in Duitsland gestudeerd, wat zonder meer een groter en indrukwekkender land was dan Italië waar dokter Gurameto de Kleine zijn opleiding had genoten’.

    Na de Italiaanse capitulatie tijdens de Tweede Wereldoorlog vallen Duitse troepen Gjirokastër binnen. Verzetsstrijders openen het vuur op de Duitse tanks en als vergelding gijzelen de nazi’s 80  inwoners van het stadje. De Duitse commandant, kolonel Fritz von Schwabe, blijkt een oude studievriend dokter Gurameto de Grote, die hem uitnodigt voor een diner. Tijdens het diner vinden vreemde onderhandelingen plaats: ‘Bij alles wat de twee mannen met elkaar bespraken, speelde op de achtergrond een groot probleem. Wat ze van elkaar verlangden leek dicht onder handbereik en tegelijk zo onbereikbaar.’ Toch worden de gijzelaars één voor één vrijgelaten en zelfs de jood Jakoël krijgt zijn vrijheid terug. Maar het diner zelf blijft met raadselen omgeven.

    De roddels scheppen een beladen atmosfeer in Gjirokastër, maar ook de tijd waarin deze roman speelt draagt bij aan de alom heersende verwarring. Duitsers, partizanen, royalisten, nationalisten en communisten volgen elkaar op en bestrijden elkaar. ‘Blijkbaar hadden de oproepen van de communisten tot de gewapende strijd en die van de nationalisten tot verzoening zich met elkaar vermengd als twee luchtstromen die elkaar vanuit tegenovergestelde richtingen ontmoeten, en was er een situatie ontstaan die men geen oorlog en ook geen vrede kon noemen.’ Machthebbers wisselen, de jaren verstrijken en de bewoners van Gjirokastër gaan over tot de orde van de dag. Hun voornaamste gespreksstof wordt als vanouds weer gevormd door beide artsen en geruchten over het stijgende dan wel dalende aanzien van de een ten opzichte van de ander.

    Maar dan is er in 1953 echt groot nieuws: niemand minder dan Jozef Stalin zou van plan zijn de stenen stad te bezoeken. Vanzelfsprekend draait het roddelcircuit overuren. ‘De koude was even fel als altijd, maar de ijspegels fonkelden aan de daken van de huizen alsof het paasfeest al in aantocht was.’ Maar dan worden, totaal onverwacht, beide dokters opgepakt en afgevoerd naar Shanisha’s kerker, de gruwelijke cel in de stadsgevangenis die speciaal voor deze gelegenheid na 150 jaar weer geopend wordt. ‘Geen mens had Shanisha’s kerker gezien, maar dat was voor niemand een reden om er niet over te praten.’ Na lange verhoren komen de communistische ondervragers eindelijk tot de kern van de zaak: ‘Dokter Gurameto de Grote, wij willen u ondervragen over het diner van 17 september 1943…’

    Wat gebeurde er eigenlijk precies tijdens dat diner? Ook dokter Gurameto de Grote zelf vraagt zich dat wanhopig af. Wat als hij op die noodlottige avond echt een dode aan tafel had zitten, zoals het gerucht gaat? Ook de naam van de Joodse apotheker Jakoël komt weer boven. Het onwaarschijnlijke verhaal van de vrijlating van een Joodse apotheker door een Duitse kolonel is niet anders uit te leggen als een Joods complot tegen het communisme, vinden de ondervragers. En dat maakt de stad Gjirokastër plotseling tot het centrum van een wereldwijd Joods complot tegen het communisme. En dat maakt het diner van 10 jaar geleden een noodlottig diner.

    Op dit punt in het boek maakt Kadare een mooie verbinding met Stalins beruchte ‘dokterscomplot’. De communistische leider kreeg steeds meer last van paranoia en in 1953 geloofde hij dat Joodse artsen van plan waren om hem en zijn medewerkers te vergiftigen. Dit Joodse complot tegen het communisme in het algemeen en de Sovjet-Unie in het bijzonder leidde tot de meest gewelddadige anti-semitische campagne uit de Sovjet-geschiedenis. Een dergelijke historische context is typisch voor Kadares werk. Op een geraffineerde wijze combineert hij in zijn romans historische gebeurtenissen met de legenden en volksverhalen van de Balkan. Ook in andere opzichten is Een noodlottig diner representatief voor Kadares oeuvre. Vaak terugkerende motieven in zijn werk zijn geruchten, afgunst en wraak. Deze motieven en ook de voor Kadare zo kenmerkende winterse, kille setting zijn in Een noodlottig diner terug te vinden. Al deze elementen dragen bij aan de beklemmende verwarring en dreiging die Kadares boeken uitademen. In combinatie met de vaak terugkerende dicatuur geeft het zijn werk iets verontrustends. Er is altijd een dreiging aanwezig, een dreiging die schuil gaat achter een web van roddels. Ondanks dat dictatuur vaak terugkomt in zijn romans, leverde Kadare nooit directe kritiek op het Stalinistische regime in zijn eigen land. Toch werd een aantal van zijn boeken verboden in Albanië, maar zijn bekendheid in het buitenland gaf hem een zekere mate van bescherming, waardoor hij zich net iets meer kon permitteren. Sinds de verschijning van zijn roman De generaal van het dode leger in 1963 was hij immers internationaal de bekendste Albanese schrijver. In 1990 verliet hij Albanië als reactie op het terugdraaien van democratische verworvenheden door Ramiz Alia. Hij kreeg asiel in Frankrijk. Sinds 1999 woont en werkt hij afwisselend in Albanië en Parijs. In 2005 ontving hij de Man Booker Inernational Prize en in 2009 kreeg hij de Spaanse Prins van Asturiëprijs. Om af te sluiten met de woorden van Abdelkader Benali: ‘Kadare zal als schrijver de tand des tijds doorstaan én zou de volgende Nobelprijs moeten winnen.’

     

    Een noodlottig diner

    Auteur: Ismail Kadare
    Vertaler: Roel Schuyt
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s:  240
    Prijs: 18.90