• Pleidooi voor een sterk en verenigd Europa

    Pleidooi voor een sterk en verenigd Europa

    Zijn we in de woorden van Johan de Witt: radeloos (de regering), redeloos (het volk) en reddeloos (het land)? De kwalificaties van De Witt sloegen natuurlijk op het Rampjaar 1672. Het pamflet van cultuurhistoricus René van Stipriaan Afscheid van het oude Nederland gaat over het gevaar van populistische ontwikkelingen in de (Nederlandse) democratie in de 21e eeuw. Bij veel Nederlanders is het nog niet doorgedrongen dat onze democratie en onze individuele vrijheden in groot gevaar verkeren. Van Stipriaan wil de ‘redelijke en optimistische mensen die menen dat het vanzelf wel weer goed komt’ wakker schudden en vraagt zich af of we onze democratie nog kunnen redden.

    Van Stipriaan geeft een kort overzicht van de politieke ontwikkelingen in ons land. In kort bestek beschrijft hij het naoorlogse optimisme, de recessie van de jaren tachtig van de 20e eeuw, de vastlopende verzorgingsstaat en de werkloosheid. Als reactie stuurt het neoliberalisme op een kleinere overheid, lagere belastingen en minder overheidsuitgaven. Het politieke midden wordt kleiner en het aantal partijen aan de flanken neemt toe. Burgers krijgen een vooral op zichzelf gerichte mentaliteit.

    Eind aan de verzuilde samenleving

    Er is in de 20e eeuw een einde gekomen aan de overzichtelijke tijd van verzuiling waarin de mensen zich thuis voelden in een kerkgenootschap, een politieke partij of een vakbond. Ze keken binnen hun zuil naar dezelfde omroep, lazen dezelfde krant, stemden op dezelfde partij en de kinderen gingen naar de bij de zuil horende school. De verzuilde samenleving bood daardoor een zekere geborgenheid en dat gevoel is in de 21e eeuw verloren gegaan. De verzuilde samenleving is een geglobaliseerde en snel veranderende samenleving geworden: angst jezelf of je cultuur te verliezen beheerst daardoor voor veel mensen hun leven.

    Het populistische gevaar

    Van Stipriaan beschouwt het populisme als een gevaarlijke tendens; de kenmerken vat hij samen in zeven vinkjes: Het aanwijzen van een zondebok in specifieke bevolkingsgroepen, het angst zaaien, het schermen met de wil van het volk, het wegzetten van politieke tegenstanders als een vileine elite, het verdacht maken van de rechtsstaat en de rechterlijke macht, het diskwalificeren van de serieuze nieuwsmedia, en het beloven van een nostalgisch nirwana.

    Van Stipriaan heeft dan ook weinig op met de PVV, volgens hem een ondemocratische, openlijk racistische en haatzaaiende partij.  De verkiezingen in november 2023 waarin de PVV de grootste partij is geworden, markeert in zijn ogen ‘een scherpe breuk in de Nederlandse geschiedenis, waarin verdraagzaamheid en het zoeken naar consensus bijna altijd als vanzelfsprekend om de kern van grote politieke families besloten leek te liggen.’

    Migratie

    Mark Rutte had er een handje van als hij lastenverlichting wilde voor het bedrijfsleven: luid roepen dat er Nederlandse banen op het spel staan. De noodzaak naar schatting een miljoen (goedkope) arbeidsmigranten aan te trekken staat haaks op die stelling: er is geen tekort aan banen, maar juist aan werknemers die het werk kunnen verrichten. Het zijn die arbeidsmigranten die een grote druk leggen op de zorg en op de beschikbare huizen. Alleen al in Den Haag bewonen zij 64.000 huizen. Wanneer jonge Nederlanders geen huis kunnen vinden, is de kans klein dat dat komt door asielzoekers, en groot dat het komt omdat er een stuk of tien arbeidsmigranten in wonen, omdat de asielmigranten slechts 10 à 15 procent uitmaken van de stroom aan migranten die naar Nederland komt. De PVV hamert desondanks uitsluitend op het terugdringen van de instroom van asielzoekers die de schuld krijgen van alle problemen, ook als die door arbeidsmigranten veroorzaakt worden.

    Europese Unie

    Populisten geven de schuld van alle problemen niet alleen aan asielzoekers, maar ook aan de Europese Unie. Van Stipriaan pleit juist voor een sterk en verenigd Europa: we hebben elkaar immers hard nodig. De dreiging door het agressieve landjepik van Poetin in Rusland en de onvoorspelbaarheid van president Trump in de Verenigde Staten maken het alleen maar belangrijker dat we als Europa in staat moeten zijn één front te vormen. Van Stipriaan pleit daarom voor verdere Europese eenwording op politiek, economisch, militair en technologisch terrein. Helaas is dat in de huidige werkelijkheid allerminst logisch omdat de lidstaten van de Europese Unie op veel fronten allerminst op één lijn zitten.

    Zouden mensen die de afgelopen verkiezingen op de PVV hebben gestemd, het pamflet van Van Stipriaan lezen of preekt hij alleen voor eigen parochie? Te vrezen valt dat in de bubbel waarin PVV-stemmers zich bevinden, het boek weggezet wordt als linkse prietpraat en dat ze populisten blijven geloven die – ten onrechte – de schuld van alle problemen leggen bij de Europese Unie en bij de asielzoekers.

     

     

  • Verhalen om van te gruwen, maar ook om te smullen

    Verhalen om van te gruwen, maar ook om te smullen

    We mogen ons gelukkig prijzen met schrijvers als Luc Panhuysen, René van Stipriaan en Frits van Oostrom. Zij slagen erin historisch complexe zaken op basis van gedegen onderzoek voor de geïnteresseerde leek niet alleen inzichtelijk, maar ook spannend te maken. Van Oostrom toonde dit onlangs aan met zijn boek Nobel streven, waarin hij de middeleeuwse ridder Jan van Brederode uit de as van de archieven laat oprijzen en tot leven wekt. Terwijl René van Stipriaan de 17e eeuwse dichter/schrijver Bredero op basis van een gedegen analyse van diens werk aan de vergetelheid ontrukt. Luc Panhuysen heeft inmiddels een zekere faam opgebouwd als meest vooraanstaande schrijver over de Nederlandse 17e eeuwse geschiedenis. Met boeken over het rampjaar 1672, de moord op de gebroeders De Witt en de strijd tussen stadhouder Willem III en de Zonnekoning.
    Met Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog zijn Panhuysen en Van Stipriaan er opnieuw in geslaagd een boek te publiceren dat de lezer meezuigt in de historische overlevering van de Tachtigjarige Oorlog. Het is samengesteld uit meer dan 120 fragmenten uit brieven, verslagen en dagboeken van ooggetuigen. Elk fragment wordt ingeleid en geplaatst in zijn historische context. Ook de positie die de briefschrijver zelf inneemt in de samenleving wordt geduid, zodat de lezer zelf de waarde van de bron kan bepalen.

    Drieluik
    Het boek is opgebouwd als een drieluik: het voorspel van 1558 tot de slag bij Heiligerlee in 1568, de escalatie naar opstand en chaos tot 1600 en tenslotte de oorlog als uitputtings- en slijtageslag tot de vrede van Münster in 1848. De schrijvers zijn erin geslaagd een mooie balans te creëren tussen het grote verhaal van het verloop van de Tachtigjarige Oorlog en de individuele beleving van de mensen die het zelf hebben meegemaakt. Het geheel geeft een indringend beeld van de moeilijkheden waarmee de mensen hier te lande te kampen hebben gehad als gevolg van de oorlog.
    Hierin ligt dan ook het doel dat de samenstellers van dit boek voor ogen hebben: de mensen van nu de mogelijkheid te bieden zich optimaal in te leven in de mensen van toen. In die opzet past geen beschrijving van de internationale context waarin de Tachtigjarige Oorlog zich afspeelt, hooguit een minimale duiding indien het niet anders kan. Vanuit dat oogpunt bezien is het dan ook begrijpelijk dat zij hebben gekozen voor het gebruik van de benaming Tachtigjarige Oorlog in plaats van de in kringen van historici meer gebruikelijke naam Nederlandse Opstand.

    Schorem en godsdienstfanaten
    Alle gebeurtenissen waarvan de schoolboeken gewag maken en die in ons collectieve geheugen een plaatsje hebben gekregen, passeren de revue, al schuilt juist hierin ook een tekortkoming. Weliswaar geeft Lambrecht van den Heuvel, klerk van de secretarie van Oisterwijk, een indringend verslag van de ellende die inwoners in betwist gebied ondervonden van de gevechten, slechts een enkele bron geeft inzage in het leed dat in het katholieke zuiden van ons land is aangericht door de troepen van de opstandelingen. Dat in situaties van oorlog en opstand niet altijd de moreel meest hoogstaande figuren komen bovendrijven, is natuurlijk van alle tijden.
    Zo blijken figuren als ‘de grote Geus’, Hendrik van Brederode, en Lumey volstrekt eigenmachtig op te treden. Eigenlijk zijn zij niet veel meer dan roverhoofdmannen, die, in tijden van het ontbreken van een effectief centraal gezag als opstandelingenleiders hun kans grijpen. Voor Willem van Oranje c.s. was het moeilijk greep te houden op dit soort ongeleide projectielen. Van de andere kant zien we het misdadige optreden van Alva en zijn zoon Don Frederik tegen de bevolking van Naarden en Haarlem. In beide gevallen kan je gerust spreken van terroristen onder wier optreden gewone boeren en burgers ernstig te lijden hadden. Het ooggetuigenverslag van Lambertus Hortensius van de moordpartij aangericht in Naarden laat zich niet met droge ogen lezen en doorstaat met gemak de vergelijking met het optreden van Isis bij de inname van steden in Syrië.

    De Spaanse legers bestonden vooral uit slecht betaalde Duitse huursoldaten, avonturiers en criminelen, die gewoon waren hun karig loon aan te vullen met de opbrengst uit plunderingen zoals de Spaanse Furie in Antwerpen waarvan de Engelse dichter en avonturier George Gascoigne een ijzingwekkend beeld schetst. Het behoeft geen betoog dat daarbij niets en niemand ontzien werd en vooral vrouwen en kinderen de weerloze slachtoffers waren. Ook wat dit betreft is er weinig veranderd. Datzelfde geldt voor godsdienstig fanatisme. Zoals wij telkens weer geschokt zijn door het optreden van zelfmoordcommando’s, die zich, omgord met een bomgordel, opblazen in het openbaar vervoer onder het roepen van ‘Allah Akbar!’, zo geeft ook Balthasar Gerards, de huurmoordenaar van Willem van Oranje, blijk van eenzelfde godsdienstig fanatisme als hij, tijdens zijn verhoor, wordt onderworpen aan de vreselijkste martelingen. De destijds gehanteerde verhoortechnieken en uiteindelijke bestraffing zijn voor ons volstrekt onacceptabel geworden. Zij roepen hetzelfde gevoel van afschuw op als waterboarding in Guantanamo Bay en de onthoofdingen door Isis.

    De macht te kijk gezet
    Maar het boek vergast ons niet alleen op gruwelen als gevolg van de (burger)oorlog, maar trakteert ons ook op aardige anekdotes over de prinsen van Oranje. Zo blijkt, volgens een verslag van zijn neef, de grote ‘Stedendwinger’, Frederik Hendrik, aan het eind van zijn leven het spoor volledig bijster te zijn geweest, waarschijnlijk als gevolg van dementie, toen hij in het openbaar over zijn eigen schoenen stond te plassen. En uit het dagboek van de Friese stadhouder Willem Frederik komen wij te weten dat de beoogde opvolger van Frederik Hendrik, diens zoon Willem II, te boek stond als een seksueel roofdier:

    Die dag probeerde de prins voor het eerst iets bij de koninklijke prinses Mary, hetgeen bijna lukte, ware het niet dat net de hertogin van Orsmael binnenkwam. Maar hij was al zo ver gevorderd dat er een hoed aan te pas kwam die er vlug voor werd gehouden. [….]’

    Het boek van Panhuizen en Van Stipriaan leest als een trein en geeft een mooi inzicht in de actualiteit van de geschiedenis waarin duidelijk wordt dat beschaving, een op rede gebaseerd wereldbeeld, slechts als een flinterdun laagje vernis over onze wereld hangt. Er is weinig voor nodig om de barbarij opnieuw de kop te laten opsteken. In die zin lijkt dit boek met al zijn prachtige bronnen een must voor elke geschiedenisdocent in Nederland.

     

  • Bredero, een schrijver die schildert met woorden

    Bredero, een schrijver die schildert met woorden

    ‘Gerbrandt Adriaensz. Bredero is nog altijd beroemd, maar ook pijnlijk onbekend’, verzucht Van Stipriaan in zijn inleiding op De hartenjager, zijn dit jaar in het kader van de herdenking van Bredero’s vierhonderdste sterfdag verschenen biografie.

    Over het leven van deze 17e eeuwse toneelschrijver en dichter is vrijwel niets met zekerheid bekend. Van zijn werk moeten we het hebben, en dat werk is bepaald bijzonder te noemen zowel qua omvang als kwaliteit. Gedurende zijn korte leven schreef hij dertien toneelstukken en honderden liederen en gedichten, waarvan sommige stukken in de loop der tijd een legendarische klank hebben gekregen. Wie heeft er nooit gehoord van de ‘Spaansche Brabander’ en de ‘Klucht van de koe’?

    Geen schrijver in de zeventiende eeuw was zo goed in staat zich in te leven in de hartstochten en beweegredenen van gewone mensen als Bredero. Dit wordt vooral zichtbaar in zijn enorme rijkdom aan woorden en uitdrukkingen, die nog steeds gangbaar zijn in onze taal, bijvoorbeeld samenstellingen als ‘stil-swijghent’, ‘gront-leggher’ en ‘neus-wys’. Hij schildert als het ware met woorden.

    Bredero en Shakespeare in woelige tijden
    Van Stipriaan tracht, naar eigen zeggen, via een intensieve bestudering van zijn werk zo dicht mogelijk bij de figuur Bredero te komen, niet zozeer bij de mens Bredero als wel bij de schrijver. Bij lezing van het boek lijkt dit overigens een nogal kunstmatig onderscheid. Hij vergelijkt het leven en werk van Bredero met dat van Shakespeare zonder daarbij de superieure kwaliteit van het werk van Shakespeare te betwisten. Beiden zijn van betrekkelijk eenvoudige komaf en dus sociale stijgers en beiden schreven in een tijd van hoog oplopende religieuze en politieke spanningen.

    Het heeft er alle schijn van dat Van Stipriaan zich in zijn studie laat inspireren door de veel geprezen Shakespearebiografie van Stephen Greenblatt. Net als Greenblatt vult hij gaten in de overgeleverde informatie over Bredero in met uitweidingen over veronderstellingen op basis van gegevens uit zijn toneelstukken en gedichten. Zo gaat hij uitvoerig in op diens niet beantwoorde gevoelens ten aanzien van Magdalena Stockmans.
    In zijn zoektocht naar Bredero toetst Van Stipriaan, als een goed historicus, diens werk aan de gangbare mores van zijn tijd. Als geen ander kan Bredero een rake schets geven van het kroegleven in de grote stad of de grove boerenlol op een plattelandskermis. Hij drijft voortdurend de spot met opgeblazen windbuilen, botte lomperikken en domme gansjes en kinkels. Zijn stukken zijn dan ook in zijn tijd razend populair.

    Tegelijkertijd schrijft Bredero in een politiek gevaarlijke tijd, namelijk de tijd van het twaalfjarig bestand tijdens de Nederlandse Opstand (1609-1621). Spanningen die gedurende de oorlog nog onderhuids konden blijven, kregen nu de vrije ruimte te exploderen, culminerend in een heuse godsdienststrijd tussen rekkelijken en preciezen (ten aanzien van de interpretatie van de Bijbel), een strijd die uitmondde in een machtsstrijd tussen de aanhangers van Maurits en Van Oldenbarnevelt en uiteindelijk in 1618 in een politieke moord. In Amsterdam was de macht in handen van de precieze burgemeester Reynier Pauw, een humorloze scherpslijper. Voor kunstenaars als Bredero was het dus zaak zich op deze terreinen gedeisd te houden. Nu was Bredero geen uitgesproken religieus of politiek schrijver, maar wel ontegenzeggelijk een aanhanger van het humanistische gedachtegoed van Erasmus ten aanzien van verdraagzaamheid en individueel beleefd geloof in Christus.

    Voor iedereen onverwachts komt Gerbrandt Adriaensz. Bredero op 23 augustus 1618 plotseling te overlijden, op het hoogtepunt van zijn schrijverscarrière. Over de oorzaak van zijn dood tasten wij in het duister. Van Stipriaan maakt duidelijk dat suïcide niet uitgesloten moet worden.

    De Spaansche Brabander, opnieuw op de planken?
    Net als Shakespeare breekt Bredero met de gangbare aristotelische theateropvatting van eenheid van plaats, tijd en handeling, bijvoorbeeld in zijn meesterwerk de ‘Spaansche Brabander’. Dit zeer gelaagde stuk, dat zich op velerlei wijze laat interpreteren, verschijnt in het roerige jaar 1617, maar speelt zich veertig jaar eerder af in Amsterdam dat toen nog katholiek was. Van Stipriaan maakt duidelijk dat dit gegeven wel eens heel belangrijk zou kunnen zijn voor het duiden van de achterliggende bedoeling van het stuk en dus van de schrijver. Wordt het verleden hier gebruikt om het heden te becommentariëren? Niemand die het precies weet.

    Van Stipriaan laat zien hoe het werk van Bredero in de loop der tijd door de mensen is beoordeeld en hoe het ‘sinds het eind van de negentiende eeuw meedeint op de geoliede herdenkingscultuur in Nederland’. Bredero is in sociaal-cultureel opzicht een controversieel schrijver, die zich een waar taalkunstenaar betoont in zijn beschrijving van het alledaagse leven in de kroeg, op de kermis en op straat. Daardoor is hij een perfect ijkpunt om, door de eeuwen heen, de gevoelens van de verschillende maatschappelijke lagen ten aanzien van zijn werk te toetsen. Dit zegt natuurlijk niets over de persoon Bredero, maar wel over de tijdloze kwaliteit van zijn werk en vooral over de tijd zelf. Zo zou het, gezien het tegenwoordig welig tierende populisme met zijn kenmerkende vreemdelingenfobie, een uitdaging moeten zijn voor een geëngageerd theatergezelschap om de ‘Spaansche Brabander’ weer op de rol te zetten. Om recht te doen aan Bredero is het dan wel zaak voor de regisseur zich eerst eens goed te verdiepen in het boek van René van Stipriaan, een meeslepend, maar ook professioneel uitstekend boek, dat de komende tijd zeker als standaard gaat gelden voor Brederovorsers.

     

  • Oogst week 37 – 2018

    De hartenjager

    De vierhonderdste sterfdag van Gerbrandt Adriaensz. Bredero is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Op 23 augustus werd zijn laatste rustplaats – tussen Kalverstraat en Rokin – met een plaquette gemarkeerd; Brechtje van Dijk (muziek), Lisanne van Aert (libretto) en Warre Simons (regie) maakten Niet de klucht van koe, ‘een absurde prog-rock opera’ op basis van teksten van Bredero en van René van Stipriaan verscheen De hartenjager: leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Het is maar een kleine greep uit dat waarmee de Amsterdamse schilder/dichter herdacht wordt.

    Over het leven van Bredero is weinig bekend. Een traditionele biografie is De hartenjager van Van Stipriaan niet. Niet alleen. Want het eerste deel bevat wel degelijk een reconstructie van het leven van Bredero. Dat Van Stipriaan bij gebrek aan feitelijke informatie niet anders kon dan dat leven zien in het licht van werk en thematiek en tegen de achtergrond van een welvarende stad waar ook het culturele leven bloeit, betekent niet dat hij aan het hineininterpretieren slaat. Hoewel met het nodige voorbehoud – veel is niet absoluut zeker, maar dan kiest Van Stipriaan voor het meest waarschijnlijke – ontstaat daardoor een levendig portret van een naar kennis hongerende Bredero, die als geen ander de veranderlijkheid van mens en maatschappij vastlegde.

    In het tweede deel van De hartenjager vat René van Stipriaan de ontvangst en interpretatie van het werk van Bredero in de loop der eeuwen samen om daar daarna in het derde deel zijn eigen conclusies aan toe te voegen. Hij beschouwt hij de komische, de amoureuze en de religieuze Bredero en betrekt ook leven en werk van diens tijdgenoten bij zijn analyse.
    Dat de belangstelling voor het werk van Bredero al vrij snel na zijn dood wegebde had volgens Van Stipriaan niets te maken met de kwaliteit. Bredero’s beste werk doorstaat volgens hem de vergelijking met dat van Shakespeare. Bredero kreeg echter te maken met wat hij zelf tot motto en leidraad van zijn leven en werk maakte: ’het kan verkeeren’. De samenleving veranderde en opvattingen over taal en literatuur veranderden mee.

    Als er een ding duidelijk wordt uit De hartenjager dan is het de voortreffelijkheid van de uiterst productieve dichter/toneelschrijver Gerbrandt Adriaensz. Bredero, vertegenwoordiger van het neostoïsche gedachtegoed, die zijn klassieken kende en onderdeel uitmaakte van een netwerk van vakbroeders. Hij raakte de kern van het (klein)burgerlijke. Zijn stukken lenen zich zeker thematisch voor heropvoering. Bredero schrok er niet voor terug om heikele thema’s aan te kaarten die nu opnieuw actueel zijn.

    De hartenjager
    Auteur: René van Stipriaan
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Vloedlijnen

    ‘In Vloedlijnen zit een man op het strand. Als hij goed luistert, hoort hij fluisterende, zingende en orerende stemmen die verwoede pogingen doen om greep te krijgen op een ontsnappend leven. Ergerlijk genoeg worden die verhalen stelselmatig onderbroken door stoorzenders die uit een andere wereld lijken te komen. Het dieptepunt van de bundel wordt gevormd door een operalibretto waarin een activist zich tegen beklemmende structuren verzet.’

    Bovenstaande tekst is geen citaat uit de recensie van een tot wanhoop gedreven criticus. Met dit citaat opent de flaptekst van Vloedlijnen, de nieuwe gedichtenbundel van Piet Gerbrandy. Ook dit keer maakt Gerbrandy het zijn lezers niet makkelijk, maar de door de uitgever verstrekte tekst nodigt uit om de zes cycli en dat ene libretto argwanend tegemoet te treden, om vervolgens de teugels van de weerzin gaandeweg te laten vieren en tot de conclusie te komen dat er veel gezegd en ontregeld wordt in Vloedlijnen.
    Een andere vaststelling zou kunnen zijn dat als Piet Gerbrandy in zijn verantwoording niet geschreven had dat een aanzienlijk deel van zijn gedichten al eerder verscheen, dit alleen degenen die de dichter op de voet volgen opgevallen zou zijn. Wie niet zo thuis is in zijn werk zullen vanwege vorm, toon en een consequent suggestief refereren aan vooral samenhang en eenheid opvallen.

    Vloedlijnen
    Auteur: Piet Gerbrandy
    Uitgeverij: Uitgeverij AtlasContact (2018)

    Neem de titel serieus

    Terwijl Rodaan Al Galidi de beminnelijkheid zelve lijkt als hij anderen tegemoet treedt, haalt hij in zijn werk regelmatig hard uit als hij het heeft over de wereld waarin hij beland is. Door de charmante wijze waarop hij het Nederlands hanteert en zijn ongebruikelijke beelden, valt dat niet altijd meteen op.
    Doordat de dichter de zinsnede ‘psychisch ziek’ vaak laat vallen en er ook regelmatig in inrichtingen verbleven wordt, lijkt Neem de titel serieus over geesteszieken te gaan, maar eigenlijk is de rode draad in de bundel ‘lijden onder de druk van de omstandigheden’. Niemand is gevrijwaard van relatiestress, vervreemding en stigmatisering.

    Mijn bestaan

    Soms word ik bang wakker
    dat ik echt besta.
    Angstig tast ik de muren af,
    het bed, mijn nek
    en zoek mijn gezicht,
    maar ik kan het niet vinden.

    Trillend sta ik op.
    Ik doe het licht aan,
    trek mij onrust aan
    en loop alleen
    op de sneeuw die mijn hart bedekt.

    Alles buiten
    is nog steeds zoals het ooit gestapeld is.
    Maar de wereld die mij koesterde,
    tot ik haar geworden ben,
    is verdwenen.

    Meer dan de vorm hebben de gedichten in Neem de titel serieus hun oorsprong gemeen. Die ligt in het waarnemen, in het voelen en vinden.

    De bundel is opgedragen aan Begoña, en omdat het eerste gedicht gaat over een liefde die voorbij lijkt te zijn en Begoña met name genoemd wordt, is de verleiding groot in Begoña een vrouw te zien. Maar ‘zij’ zou ook zomaar iedere buitenstaander kunnen zijn. Dan leest Neem de titel serieus anders.

    Neem de titel serieus
    Auteur: Rodaan Al Galidi
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2018)

    Het epos van sjeik Bedredinn

    Het epos van sjeik Bedreddin een van de klassieke titels uit de Turkse literatuur. Nâzim Hikmet schreef het  toen hij in 1936 in de gevangenis zat vanwege zijn revolutionaire, want communistische, ideeën. De raamvertelling – die begint met een gevangen gezette dichter die het epos van sjeik Bedreddin ligt te lezen en vervolgens door een derwisj meegevoerd wordt de geschiedenis in, waardoor hij een ooggetuige wordt van de door de sjeik aangevoerde boerenopstand in de veertiende eeuw, waar hij vervolgens verslag van doet – weerspiegelt Nâzim Hikmets eigen verhaal. Sjeik Bedreddin voert gewapend strijd tegen de Osmaanse sultan, de schrijver/dichter Himket neemt het met zijn pen op tegen het autocratische regime van de Turkse Republiek. Hikmets verhaal in een verhaal is deels proza en deels poëzie.

    Sytske Sötemann voorzag haar vertaling van een inleiding waardoor duidelijk wordt hoe uit de uit een kosmopolitische en aristocratische familie stammende Nâzim Hikmet een revolutionair groeide die de eerste avant-gardistische dichter van Turkije werd.

     

    Het epos van sjeik Bedredinn
    Auteur: Nâzim Hikmet
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2018)

    Straks komt het

    Hij wijdde al eens een boek aan Marcel Duchamp en in zijn vorige roman verbond hij een verhaal over zijn moeder met de levens van Giorgio de Chirico en Alberto Giacometti. In Straks komt het reist K. Schippers in de voetsporen van Kurt Schwitters, maar gaat het ook over de oorlog en over jazz.

    In Straks komt het ontspint het verhaal zich niet langs de lijnen der geleidelijkheid: K. Schippers associeert er vrolijk edoch vakkundig op los. Dat is inmiddels zijn handelsmerk. In navolging van Kurt Schwitters raapt, verzamelt en assembleert hij. En aan het eind blijkt hij toch een samenhangend verhaal verteld te hebben, waarin  beleefd en verzonnen in elkaar overlopen.

    Straks komt het
    Auteur: K. Schippers
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)