• Via kunst naar de wereld kijken

    Via kunst naar de wereld kijken

    Dit voorjaar werd Paul Demets gelauwerd met de Grote Poëzieprijs voor zijn bundel De schaamsoort, Briefgedichten aan Guido Gezelle. Hij had niet verwacht dat deze bundel, omdat het toch wel een echt Vlaamse bundel was geworden, in Nederland zou opvallen. ‘Toen hij de longlist bereikte dacht ik, wauw, ze hebben hem gezien. En dan komt de shortlist, en je denkt, geweldig. Ja, en dan viel ik echt van mijn stoel.’

    Paul Demets (1966) debuteerde in 1999 met de bundel De papegaaienziekte, maar zijn eigenlijke debuut, Het web van omtrek, waar hij aan schreef tussen 1988 en 1993, verscheen in 2021. Uitgangspunt van deze bundel was het werk van kunstenaar  Roger Raveel (1921– 2013). Als ongepubliceerd werk kreeg het in 1993 een eervolle vermelding van de Prijs voor Letterkunde van Oost-Vlaanderen. Dat er wel meer werk in de la blijft liggen leek voor lange tijd een gewoonte van de dichter. Wel publiceerde hij geregeld in literaire bladen zoals Het Liegend Konijn, maar van een bundel samenstellen kwam het vaak niet.

    Op donderdag 2 juli, een van de warmste dagen van deze zomer, bezocht ik dichter Paul Demets in het monumentale pand waarin de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) gevestigd is en waar hij lector is.

    Het KASK-café, waar we hadden afgesproken, is vanwege vakantie gesloten. We zullen uitwijken naar zijn werkkamer, maar eerst een ijsje. Kom, zegt Demets, dan trakteer ik op ijs. We gaan naar de achterzijde van de academie waar buiten een ijscowagen staat om kandidaat-studenten die deze dagen toelatingsgesprekken hebben, enige verkoeling te bieden. We passeren collega’s die hij enthousiast kond doet van de uit Nederland gekomen interviewer voor Literair Nederland. Als we door de monumentale gangen naar zijn werkkamer lopen, onze voetstappen ruisend over de oude vloeren, onderbroken door het openduwen van klapdeuren, vertelt Demets, vaderlijk glunderend, dat zijn jongste dochter net aan deze academie haar master grafisch ontwerp-illustratie heeft behaald.

    In zijn werkkamer op de eerste verdieping nemen we plaats aan een tafel. Stapels papieren waar je kijkt, twee computerschermen, posters aan de muur, (waaronder een van filmmaker Chantal Akerman, waarover later meer), volgepakte boekenplanken, waartussen, zo wijst Demets me, het volledige werk van de Vlaamse dichter Guido Gezelle staat.

    We spreken over het ontstaan van De schaamsoort, over de cesuur in zijn leven en over het benaderen van de werkelijkheid via de kunst of via de werkelijkheid zelf. En dan zijn er nog al die bundels die uit een la komen, of er in blijven liggen, het maken van poëziefilms en dat de politiek er tussendoor schemert.


    Hoe was het om deze prijs te winnen?

    Lachend: 
‘Gelukkig had ik die dag daarop al terug les, ik had niet veel tijd om naast mijn schoenen te lopen. Dat zit misschien ook niet zo in mijn aard.’ Dan, ernstiger, ‘Het geeft wel een diep gevoel van geluk en vooral een soort vertrouwen om door te gaan.’

    Op het moment dat Demets de prijs ontving, had hij ongeveer op de dag af tien jaar geleden een hartstilstand gekregen. Die ochtend was Demets benauwd op de borst en had pijn in zijn arm en bij zijn hals. In plaats van naar de KASK te gaan, reed hij naar het ziekenhuis waar hij met spoed geholpen werd. ’Die prijs had voor mij dus ook iets heel symbolisch. ’ Zijn oudste dochter werd geboren met een hartafwijking en onderging open hartoperaties. In bedekte termen schreef hij daarover in zijn bundel De landsheer van de Lethe


    De woorden van Remco Campert, ‘Poëzie is een daad van bevestiging, de bevestiging dat ik leef’ krijgen hier hun eigen betekenis?

    ‘Absoluut, en ook dat ik niet alleen leef. Die twee aspecten zijn heel belangrijk. Dat ik niet alleen leef, was in mijn dagelijkse bezigheden al belangrijk voor mij. Ik heb altijd lesgegeven, dan leef je niet alleen, dan geef je dingen door, probeer je te enthousiasmeren, te ondersteunen. Na mijn hartoperatie is dat nog belangrijker voor me geworden.’


    Is er daarna ook iets veranderd in je poëzie, in hoe je schrijft?

    ‘De poëzie die ik tot dan toe schreef en publiceerde, kwam vooral uit het hoofd. Maar het lichamelijke aspect is voor mij veel belangrijker geworden. En ook de maatschappelijke betrokkenheid.’


    Hoe bedoel je dat precies?

    ‘Voor mij is het heel gewoon om te kijken naar de werkelijkheid via kunst. De kunst als een soort vlies dat tussen mij en de werkelijkheid staat. Ook via film bijvoorbeeld. Dat speelt nog altijd een rol, maar in sommige bundels kijk ik niet meer via kunst, maar rechtstreeks naar de werkelijkheid. En dat is een nieuw aspect.’

    Enkele maanden na zijn operatie, werd Demets door het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen gevraagd als plattelandsdichter. Aanvankelijk voelde hij zich er niet klaar voor om in opdracht te gaan schrijven, maar toen bleek dat hij de vrije hand kreeg in de invulling daarvan, stemde hij toe. ‘Dat vond ik eigenlijk wel fijn. Want om terug te keren naar het citaat van Remco Campert, dat ik niet alleen leef, dat was voor mij ook een heel belangrijk aspect om het te accepteren.’

    ‘Ik dacht dat dit nu misschien wel de gelegenheid was om even letterlijk uit te zwermen over het platteland. Om te praten over wat de mensen op het platteland bezighoudt, wat hen drijft en ontgoochelt. Aan verkiezingsresultaten in heel Europa is te zien dat er veel breuklijnen in de samenleving komen bloot te liggen, één van die breuklijnen is tussen stad en platteland. Het klimaat gaat mij al ruim twintig jaar ter harte en ik zat dan ook met die achtergrond aan de keukentafel bij landbouwers. Sommige gezinnen zitten al jaren in de problemen. Dan heeft zo’n veevoederbedrijf gezegd, weet je, we sluiten een deal. Wij bouwen twee stallen voor je. Stop met gemengde landbouw, alleen nog varkens. En in plaats van 30 varkens, 300 of meer. Plots blijken die landbouwers werknemers van het veevoederbedrijf op hun eigen boerderij te zijn. Ze zeiden mij ook wel dat ik anders denk dan zij. En dat is natuurlijk ook zo.’


    Wat kan de betekenis van kunst en poëzie in deze tijd zijn?

    ‘Kunst en poëzie zullen de wereld niet kunnen redden vrees ik, maar bieden wel andere perspectieven vanuit de meerduidigheid. Dat is iets waar ik zelf van hou in literatuur, poëzie en kunst. Dat het mij aan het denken zet en zich niet in zijn onmiddellijkheid aan me meedeelt. Ik heb graag dat ik uitgedaagd word. Dus dat vind ik wel belangrijk voor mijn eigen werk, dat iemand ernaar teruggrijpt en nog eens leest en misschien andere dingen ziet. Die openheid van interpretatie vind ik wel belangrijk.’


    Wat betekent Gezelle voor jou?

    ‘Hij heeft mij gevormd en heeft grote indruk op mij gemaakt. Want zijn stem is zo uniek dat je dat onmogelijk kunt proberen na te bootsen.’

    ‘In 2010 vroeg Gwy Mandelinck ((1937-2024), oprichter poëziefestival Watou Iv/dG ) aan dichters, onder wie aan mij, om een gedicht te schrijven gebaseerd op het leven en werk van Gezelle. Ik vond het een boeiende uitdaging want ik kende het werk van Gezelle, waarmee ik niet durf te beweren dat ik het toen al volledig gelezen had. Zijn poëzie kende ik, maar die andere kant, de bijna krijgshaftige voor het katholicisme strijdende polemist Gezelle kende ik niet. Dat was wel interessant. Maar ook zijn ecologisch bewustzijn, al was dat bij hem ook ideologisch gekleurd. Zijn allereerste gedicht ‘De Mandelbeke’, daar zit iets heel kritisch in over de oprukkende industrialisering. Dat, en zijn bekommernis om de natuur hebben mij opnieuw voor zijn werk gewonnen en zorgde veertien jaar geleden voor het begin van De schaamsoort.’


    Heb je je weleens een voorstelling gemaakt hoe Gezelle zou kunnen reageren?

    ‘Ja, absoluut. Ik heb hem, een man uit de negentiende eeuw, zeker niet willen bekritiseren want dat zou wel heel oneerlijk zijn. Maar ik had hem weleens willen horen over bijvoorbeeld de educatieve context. Die had hij in Roeselare, in zijn school waar hij lesgaf.  Dat blijkt uit de briefwisseling. Hij verzamelde een groepje jongeren rond zich en zette die aan om poëzie te schrijven. Wat ik ook doe, maar bij hem had dat een ideologische reden. Want hij schreef letterlijk in een brief:  gebruik Vlaamse woorden, want dat is belangrijk. We moeten het Vlaams emanciperen. Dat soort emancipatie is mij totaal vreemd. Ik geef geen les om op ideologisch vlak invloed uit te oefenen en al zeker niet om Vlaanderen groter te maken. Dat zou niet werken, want mijn studenten komen uit alle windstreken. En dat vind ik alleen maar fijn.’

    In zijn bundel is er volgens Demets één facet van Gezelle onbelicht gebleven, ook omdat in een bundel nu eenmaal niet alles past, en dat is de openheid van geest die Gezelle ook had. Daarom maakte hij samen met oud-filmstudent Hooman Jeddy de poëziefilm Zie, zie, zie. Het werd een hommage aan Gezelle, aan wie hij was en hoe hij schreef.
    ‘Daarin hebben we een ontmoeting tussen de westerse katholieke cultuur en de oosterse Perzische cultuur filmisch gerealiseerd. Gezelle kende de Perzische poëzie die hij via een bisschop leerde kennen in een Engelse vertaling. Dat wijst op zijn intellectuele nieuwsgierigheid.’


    De bundel bestaat uit zeven afdelingen met elk als titel een van de zeven hoofdzonden. In de afdeling Gula (woede) schrijf je over de fatale ontgroening van Sanda Dia in 2016.

    ‘Ja, dat heeft mij heel erg beziggehouden. En die studentenclub Reuzegom uit Leuven, waar ik zelf gestudeerd heb. In het begin van de cyclus schets ik mijzelf en het studentenleven. Omdat ik mij niet superieur wilde opstellen, zo van: wat hebben die jongens toch gedaan en ik was beter en anders.’

    ‘Het is een verhaal waarin alleen maar verliezers zijn. Op de eerste plaats omdat die jongen er niet meer is. Maar ook die jongens die erbij betrokken zijn in de vorm van ongeremd groepsgedrag. Hoe ze verder en verder zijn gegaan tot het fout moest lopen. Ik heb het proces intens gevolgd en heb ook de verslagen gelezen. Wat heel dubbelzinnig is zoals je het ervaart. Ik bekijk het ook van twee kanten. Het zal je zoon maar zijn die daarbij betrokken was geraakt. En anderzijds de ouders van die jongen en dan het hele advocatengedoe natuurlijk. Hoe ze zoveel mogelijk die jongens die erbij betrokken waren, probeerden te beschermen.’

    ‘Wat mij ook wel raakte, is de juridische taal die gebruikt wordt en die bijna ontmenselijkt. Ik denk dat juristen zullen zeggen, dat is nu eenmaal eigen aan juridische taal, maar dat heb ik toch ook wel een plaats willen geven in die cyclus gedichten. Ik wou laten zien hoe identitair denken tot tribalisme kan leiden.’


    Ben je al met iets nieuws bezig?

    ‘Ja, en dat heeft ook met dat catharsismoment uit 2015 te maken. De jaren daaraan voorafgaand was ik niet zo bezig met publiceren in bundelvorm. Ik publiceerde zo nu en dan in tijdschriften zoals Het Liegend Konijn. Verder recenseerde ik vooral poëzie, theater en beeldende kunst, wat ik nog altijd graag doe. Mathematisch gezien zijn er vanaf het begin in 1989, toen ik echt aan een bundel begon te werken, ruim 23 jaar waarin ik niets gepubliceerd heb, maar wel in stilte verder heb geschreven.’

    ‘Na mijn operaties waren er gesprekken met een psychologe. Ze vroeg wat ik tot nu toe in mijn leven had gedaan en wat ik anders zou willen doen. Er waren oudere patiënten die met werken wilden stoppen of een grote reis wilden maken. Maar ik dacht, ik ga gewoon verder met waar ik mee bezig ben: lesgeven, schrijven en recenseren. Op één kwam nog meer aandacht aan mijn gezin besteden. En als tweede dacht ik dat ik misschien wel iets meer wilde nalaten dan hier en daar wat verspreide gedichten.’

    Sindsdien is Demets  werk uit de lade aan het halen. Er zijn al meerdere bundels verschenen, al is het niet zo dat die afgewerkt klaar lagen.
    ‘Dat zou wel heel erg romantisch zijn, dat ik maar een lade open hoef te trekken en er rolt een bundel uit. Niet alles blijkt bij hernieuwde kennismaking geschikt om mee verder te gaan. Ik moet mij kunnen terugvinden in wat ik eerder geschreven heb, of ik laat het voorgoed in de lade.’

    ‘Mijn nieuwe bundel, Moederkoren die in oktober zal verschijnen, zit wat in de lijn van via kunst naar de wereld kijken. Ik ben er jaren mee bezig geweest. Maar hij is tegelijk ook heel lichamelijk en persoonlijk. Deze bundel is uit het werk van Chantal Akerman ontstaan. Ik gebruik haar werk als een soort canvas waarop ik dan mijn eigen wereld projecteer.’

    Paul Demets is op 31 oktober een van de eregasten tijdens het Nederlands Poëziefilm Festival 2025 te Zutphen. Tijdens het festival zal er een ruime selectie van films, gebaseerd op zijn gedichten, vertoond worden.


    De schaamsoort / Paul Demets / 88 blz. / Poeziecentrum Vzw (2024)

    Foto: Hilde Lauwers

  • Vrouw met woordhonger

    Vrouw met woordhonger

    Je moest ergens heen, er was een afspraak , dan toch treuzel je. Hoezo? De man wachtte al in de auto. Je was uitgehongerd (ontbijt was erbij ingeschoten). Maar je hebt het over woordhonger, dat bestaat, net als huidhonger. Je was dus begonnen aan De Parelduiker, die je stukje bij beetje verorberde en de man wachtte. Je begon aan ‘Een schielijke oplichter? – Over de betekenis van Bertus Swaanswijks oorlogsbrieven, (de latere Lucebert) door Graa Boomsma. Lucebert die eens zulke mooie brieven wisselde met Frieda Koch, de vrouw van Bert Schierbeek. Maar in zijn jonge jaren geloofde (en liet dat weten in zijn brieven) in de Duitse bezetters. Boomsma vraagt zich af of het bijvoorbeeld werkelijk zo was dat de latere kunstenaar en dichter in de zomer van 1942 met vrienden een bijeenkomst van het Nationaalsocialistisch Studentenfront bezocht. En waarom schreef hij in een bief aan een vriendin zo neerbuigend over Joden, omdat de vriendin pro Duits was?  Er is sprake van ‘knielzuchtige momenten’, als zijnde onderdanig, met alle winden meewaaiend. Er is sprake van een labiel karakter. Boomsma onderzoekt de omgeving waarin Swaanswijk opgroeide, de vrienden, alles wat invloed heeft op een labiele jongeman. Hoe de beweegredenen van een 16/17-jarige jongeman te begrijpen? Lees het, en je ontdekt dat het niet zo eenduidig is, of toch weer wel.

    Toen moest je echt gaan, de man in de auto enzo. Snel bladerde je nog door, naar de rubriek ‘In gesprek met de vorigen’ waarin jonge schrijvers vertellen over welke schrijvers hen zijn voorgegaan, wie zij bewonderden, door wie zij het lezen lief kregen. Je leest als een hongerige veelvraat. Weten hoe schrijvers aan het schrijven raakten, wie ze op een spoor zette. Deze keer is het Luuk Imhann (Thomas Heerma van Voss, Julie Ignacio – hè, het is toch Julien? – Alma Mathijssen en Merijn de Boer gingen hem voor in deze rubriek) die over zijn voorgangers schrijft. ‘De wereld was al oud toen ik geboren werd, in de herfst van 1986, in het bed van mijn ouders in een klein dorp in het Westland. Ik wist natuurlijk niet hoe oud de wereld was en ik ontdekte alles voor het eerst.’, begint Imhann.

    En daar ga je, het tijdschrift mee de auto in. Er is haast (kans op te laat komen door vrouw met onbedwingbare woordhonger). Maar dat interesseert je niet. Imhanns leren aan literatuur wel. Hoe Vestdijk, Haasse, de grote drie, De avonden van Reve hem niet konden bekoren (gewoon toegeven), en dan eindelijk via Campert en Slauerhoff het te pakken krijgt. ‘Campert was mijn startschot.’ En later Slauerhoff, die hem verder hielp de vaderlandse literatuur te ontdekken. Hoe hij zich een weg zocht door de Nederlandse literatuur, die lijn van voorgaande schrijvers  ontdekte. Hij schrijft, ‘Zie je, je kunt schrijvers in twee categorieën opdelen: zij die zich bewust zijn van de schrijvers die hen voorgingen of zij die denken uniek te zijn, alsof de (literaire) geschiedenis begon met hun geboorte. En daar maakt hij een prachtige vergelijking met de zalm, die al millennia met duizenden de rivier opzwemmen. ‘Ze volgen hun blinde intuïtie om terecht te komen op een plek waar hun ouders al waren. Een reis naar de plek waar ze vandaan kwamen.’

    En lees dan ook ‘Stichter Luc Coorevits blikt terug op veertig jaar literair ondernemen’, een interview met Coorevits door Martine Cuyt. Samen met zijn vrouw Marianne Janssen stichtte Coorevits in 1984 ‘Behoud de Begeerte’, kunstencentrum voor literatuur. Vraag: ‘Waar en wanneer viel u voor literatuur op het podium?”
    Antwoord: ‘De coup de foudre was in 1983, Nacht van de Poëzie, Utrecht. Hugo Claus las zijn “Jan de Lichte” zo majestueus en bezwerend dat ik voorgoed in de ban kwam van schrijvers die uit eigen werk lezen.’ Prachtige verhalen uit veertig jaar aan schrijvers een podium bieden.
    Neem het in memoriam ‘Nergens bang voor geweest’ aan Lisette Lewin (1939-2024) door Vic van de Reijt nog even mee. Hoe Lewin ooit bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar kwam. Over haar oeuvre en haar overlijden in het Sarphatihuis, waar ze op een ‘verborgen’ kamertje lag, ‘met de stukgelezen exemplaren van Tsjechov en Carmiggelt naast haar bed’.
    En er is meer. De Parelduiker heeft altijd meer te bieden dan je denkt aan te kunnen. Voor een woordhongerige zijn dat beslist geen parels  voor de zwijnen. Lees De Parelduiker!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Het lezen van een bundel van Martijn den Ouden is altijd een avontuur. Je wordt als lezer heen en weer geschud alsof je in een achtbaan zit. Den Ouden experimenteert graag met vorm en inhoud in zijn gedichten, heeft maling aan gevestigde opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn en schept een geheel eigen universum naar zijn wil, waar alles mogelijk is en wetmatigheden niet bestaan. Hij zet daarbij de logica naar zijn hand, spreekt zichzelf tegen, schept verwarring en gaat vrolijk zijn eigen gang. De gedichten stralen brutaliteit en lef uit en wekken de indruk dat ze met veel plezier geschreven zijn. Dat gold voor zijn voorlaatste bundel Ruimtedagen, maar zeker ook voor de nieuwe bundel Visioenen.

    Deze bundel is één lang gedicht, dat de lezer het best in één keer uitleest om de draad niet kwijt te raken. Alsof het een scenario van een toneelstuk is, wordt het verhaal verteld door meerdere stemmen, die aangeduid worden door hun naam boven de tekst. Alleen de ik-figuur, de belangrijkste rol, wordt niet speciaal aangegeven. Soms is ‘de dichter’ aan het woord, die een innerlijke monoloog houdt, maar het wordt niet duidelijk of dat dezelfde is als het lyrisch ik. Beurtelings spreken Jimi Hendrix, God, de dichter, een landschap en diverse andere kleine rollen. Er is zelfs een echte rei, een klassiek koor, dat als in een Griekse tragedie interrumpeert, waarschuwt, commentaar levert of alleen maar als echo fungeert.

    Vreselijke dromen

    De dichter wordt bezocht door vreselijke dromen. Jimi Hendrix, die na een ongeluk ‘de spreekbuis van God’ is geworden, komt hem vertellen dat deze dromen waarschuwingen zijn: ‘het wordt tijd dat jij je visioenen serieus neemt/ je bent een profeet/ dat je weet’. De dichter verzet zich hiertegen: ‘wanneer is het een visioen/ wanneer is het een onschuldige droom’. Jimi leert hem dat hij op vlinders moet letten: ‘de verschijning van een vlinder is altijd een visioen’. Er dwarrelen dan ook op verschillende bladzijden voldoende vlinders rond. De dichter moet, zeer tegen zijn zin, een profeet worden die de mensen moet waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dit doet denken aan de profeet Jona uit het Oude Testament, die de opdracht krijgt van God om de inwoners van Nineve te waarschuwen wegens hun slechte gedrag. Ze moeten hun levensstijl beteren, anders zal de stad verwoest worden. Jona weigert om God te gehoorzamen en vlucht weg met een schip, de andere kant op. Net als Jona wil de dichter de opdracht niet aanvaarden: in een droom gaat hij naar de haven om weg te varen. Maar het schip dat aanmeert is niet voor hem bestemd:

    op het dek staat een man
    die schittert in een rood gewaad

    in de flanken radslagen
    mannen en vrouwen
    in hysterisch gekleurde kostuums
    met zwartgeschilderde
    gezichten

    koor
    dus het is feest

    Bijbelse citaten

    De bundel wemelt van Bijbelse verwijzingen en letterlijke citaten. De religieuze symboliek is niet zo vreemd als je bedenkt dat Den Ouden de zoon van een predikant is. Zijn taalgebruik is doorspekt met plechtige en archaïsche uitdrukkingen die contrasteren met de gewone spreektaal: zinsneden als ‘mij is groot onrecht aangedaan’ worden gecombineerd met ‘er geen sjoege van hebben’. Er wordt niet alleen geciteerd uit de Bijbel: het gedicht ‘engelen schilderen met oorverdovend gekrijs de lucht in de kleur van bunkers’ is geschreven met deels woorden en regels uit de poëzie van Campert in opdracht voor een bijdrage aan een nummer van De Revisor. Maar ook andere dichters zijn ruimschoots vertegenwoordigd in veel intertekstuele verwijzingen. Er zijn dichtregels opgenomen die doen denken aan het werk van andere dichters, zoals Hugo Claus en Willem Hussem. Ze wekken niet de indruk dat ze noodzakelijk zijn, maar ze komen mooi in het gedicht van pas. Het kan bedoeld zijn als eerbetoon aan de betreffende dichters, maar het zou ook een grap van Den Ouden kunnen zijn om de lezer bij de les te houden.

    De dichter vlucht een bar in en treft daar het gedicht/de vrouw/de god aan, naast wie hij plaats
    neemt. Zij vertelt hem dat er weer een pandemie aankomt. Over een vaccin is zij niet enthousiast, want ‘het is juist de bedoeling dat er mensen doodgaan/ vanwege de overbevolking’. De dichter moet deze boodschap overbrengen en de mensen waarschuwen, maar hij heeft daar geen zin in. Dan laat het gedicht/de vrouw/de god een dreigend staaltje zien van haar goddelijke macht:

    de vrouw
    de god
    dit gedicht

    beweert dat ze de zon
    in haar hond kan laten verdwijnen

    hoewel zij misschien wel
    de mooiste vrouw op aarde is
    maakt ze zich volkomen belachelijk
    met haar uitspraak

    we lachen om wat ze beweert

    de zon in haar hond

    het is een kleine hond
    daar past geen zon in

    om zeven voor vijf
    staat ze op het plein
    en propt
    met grof geweld
    de zon in haar hond

    terstond is het nacht
    de hond gloeit

    straalt licht
    uit de bek
    wanneer hij blaft

    koor

    jullie zijn gewaarschuwd

    Het is de opmaat voor een wereldslachting. De vlinders en de zee, die eerst zo veelvuldig en uitbundig werden bezongen en die symbool stonden voor visioenen en zuiverheid, worden vervangen door bloedige geraamtes, vreemde beesten uit de zee, schroeiend vlees, brandende trommels. ‘nog even een bokje doodslaan/ om de wangen te sieren met / bloed’. De wereld wordt een pandemonium dat zijn weerga niet kent, als op ‘Het laatste oordeel’ van Jeroen Bosch. Er is geen ontkomen aan: het laatste gedicht in de bundel luidt:

    met de fiets naar de Lada
    met de Lada naar de toendra
    van de toendra naar de zee

    koor
    zo zuiver is de zee

    het water ingelopen
    om van het gedonder af te zijn

    en te worden gered
    door een boot vol vluchtelingen

    Wrange humor

    De humor van Den Ouden is vaak wrang, zoals in de laatste strofe van bovenstaand gedicht. Hij houdt ervan om op die manier tegen heilige huisjes aan te trappen. Maar soms lijkt hij alleen maar om zich heen te trappen uit baldadigheid, uit branie, en wordt zijn humor flauw en melig. Zoals wanneer de dichter aan het gedicht/ de vrouw/ de god vraagt of Thierry de profeet niet kan worden. Hij krijgt als antwoord: ‘Thierry is – sorry dat ik het zeg – niet goed bij zijn hoofd/ hij begrijpt de boodschap niet of is mentaal te gemankeerd om/ die goed over te brengen’. Den Ouden wekt de indruk dat het hier om Thierry Baudet gaat, maar zonder diens naam voluit te noemen.

    Sommige gedichten zijn hoogdravend, andere weer in alledaagse taal. Een aantal ervan lijkt buiten de bundel te staan, omdat ze weinig toevoegen aan het geheel, maar net zoals in een toneelstuk als ‘terzijdes’ beschouwd kunnen worden. Ook kunnen ze een intermezzo zijn in de lange tekst, waarna de aandacht weer gericht wordt op de hoofdzaak. Maar er zit vaart in de bundel die boordevol zit met vindingrijke, originele, verrassende beeldspraak, die zijn komisch effect niet mist. Jongehondenpoëzie kortom: enthousiast, meeslepend en plezierig.

     

     

  • Kelderspoken

    Kelderspoken

    Oktober betekent herfst en Halloween. Nu de schaduwen steeds vroeger in de avond in de hoeken van het huis kruipen, is het tijd mijn geliefde griezelverhalen weer terug in de kast te zetten. Want deze klassieke spookverhalen lees ik bij voorkeur in augustus, op het midden van de dag, als de zon hoog en fel aan de hemel staat. Ik voel er niets voor om in dit schemerige jaargetijde ’s avonds op zolder te komen en dan het ‘gefluister in de duisternis’ te horen, of om ’s nachts getik tegen het raam te horen waarvan ik overdag best weet dat het de takken van de kastanjeboom zijn. Het is bovendien geen kunst om iemand de stuipen op het lijf te jagen met een verhaal als je ’s avonds in je eentje zit te lezen, terwijl het in huis donker is en alles piept en kraakt in de kamer en de wind om het huis giert. Maar als een verhaal je koude rillingen bezorgt in de hete augustus zon en je schichtig over je schouder doet kijken, dan heb je iets goeds gelezen. Van bijvoorbeeld de Engelse M.R. James, Algernon Blackwood, Cynthia Asquith. 

    Niet van de relatieve nieuwkomers uit Amerika, zoals Stephen King – hoewel zijn verhaal ‘Het aapje’ me dagenlang achtervolgd heeft – , want dat is horror waar het bloed en de gruweldaden vanaf druipen. Horror is een heel ander genre, waar ik niet van hou. Maar de sfeer van echte ouderwetse Engelse ghost of gothic stories, waar ruïnes bevolkt worden door geesten, waar onverklaarbare gebeurtenissen de toon zetten en waar gouvernantes flauwvallen op de trap bij het horen van ijle kinderstemmetjes in de kelder, daar hou ik van. 

    Gothic novels ontstonden in de 18e eeuw in Engeland en gaven vooral vrouwelijke auteurs de kans om de beperkingen te doorbreken die de samenleving hen oplegde op emotioneel en psychologisch gebied en om hun verzet tegen het verlammende sociale decorum te verwoorden. Het bovennatuurlijke werd op subtiele wijze ingezet om het onderbewuste naar boven te halen, om geheimen bloot te leggen, met een dosis erotiek erbij. Voorbeelden zijn The yellow wallpaper van Charlotte Perkins Gilman en Frankenstein van Mary Shelley, maar zeker ook Dracula van Bram Stoker. 

    Gedichten uit het griezelige genre zijn er ook: Der Erlkönig van Goethe, door Schubert zo geraffineerd op muziek gezet, en natuurlijk The Raven van E.A. Poe behoren tot de mooiste die ik ken. En het onderstaande van Remco Campert, omdat daarin zo mooi wordt aangegeven waarom griezelverhalen geschreven en gelezen worden: wat je meent te zien is de confrontatie met de gestalten die je eigen innerlijke angsten aannemen. Nee, niet de mijne, die van Campert. Die van mij blijven in de kelder spoken tot het weer zomer wordt. 

    ‘In het donker

     Soms zie ik spoken
     ’s avonds laat op straat
     in een vuilwitte jurk
     jij die niet bestaat
     of mager in een pak
     van vooroorlogse snit
     mijn vaders gelaat
    of tot mijn schrik
     in een spiegelruit
     mezelf die verdergaat.’

     Uit: ‘Dichter’, 1995

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • In memoriam Remco Campert 1929 – 2022


    Terwijl de kranten openen met paginalange artikelen over het leven en werk van Remco Campert – stukken die al jaren klaarliggen – bekijk ik opnieuw de documentaire Verloop van jaren uit 2016. De dan 86-jarige dichter vertoont zich in alle openbaarheid, de broosheid van zijn gestel is aandoenlijk en soms haast dramatisch om te zien. Het meest opvallend is de vanzelfsprekendheid waarmee hij, ook in deze hoedanigheid, zijn levenslust uitdraagt en daarmee ook de overtuiging van zijn schrijverschap. De film begint met beelden van een ochtendritueel en de wat aarzelende stem van de dichter daaroverheen.
    ‘Ik kan in bed blijven liggen en denken ik sta nóóit meer op. Maar dat heeft natuurlijk geen zin dus stap ik er moedig uit. Sleep me met enorme tegenzin naar de schrijfmachine en typ een paar woorden. En dan ben ik overeind.’

    Campert was een kunstenaar die zich verstopte in zijn werk. Die eigenlijk niets te melden had. ‘Hij zegt heel weinig, hij heeft nooit een verhaal’, zegt zijn levenspartner Deborah in de film, ‘alles zit in zijn schrijven’. Tegen zijn puberende dochter schijnt hij ooit gezegd te hebben: ‘Als je me wil leren kennen, lees je mijn gedichten maar’. Een man gevangen in woorden, maar dan vooral in zijn eigen geschreven woorden. Erover praten vond hij lastig, interviews deed hij het liefst niet. Hij noemde zichzelf ‘egocentrisch’, volledig gefocust op het schrijfwerk. De onstuitbare drang om letters op papier te krijgen is zowel zijn levensadem als ‘gewoon’ zijn dagelijks werk.

    ‘Wie bouwt aan zijn kunst
     vernietigt zijn huis
     vindt geen slaapplaats meer
     geen veiligheid geen wekker
     geen lamp om bij te lezen.’

    De Vijftigers

    Als 20-jarige wist Remco Wouter Campert aansluiting te vinden bij de dichters van het moment. Met Vijftigers als Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Lucebert voelde hij zich verwant en hij stortte zich in het bruisende culturele leven rondom het Leidseplein in Amsterdam. Als jongste lid was hij de minst experimentele van de groep, hij keek op tegen de grote mannen, maar in zijn poëzie is hij helderder en meer uitgesproken dan de anderen van de groep. Begin jaren zestig publiceerde Campert zijn eerste romans, zoals Het leven is vurrukkulluk en verhalenbundels als Alle dagen feest. Het zijn deze pennevruchten waarmee hij een groot publiek bereikte, net zoals met zijn latere columns, maar de dichter in hem heeft altijd de bovenhand gevoerd.

    Net zoals bij zijn schrijvende tijdgenoten is de jazzmuziek van grote invloed op Camperts dichterschap geweest. Hij zwolg in de opzwepende klanken van Charlie Parker en de fluisterzoete stem van Chet Baker. Het is onmogelijk om zijn poëzie los te zien van die invloeden. De impulsieve ritmes, de onnavolgbare melodieën, alles staat in het teken van een unieke uitdrukkingskracht.

    ‘Deze vreemde ontroering
     die poëzie is
     wantrouw ik niet meer
     dat hebben mij geleerd
     de jazzmusici
     de wereld swingt als de pest
     de rest
     is gemompel van bedelaars.’

    En dan is er de vader-kwestie. Dichter en journalist Jan Campert verlaat zijn vrouw en kind als Remco drie jaar is. In 1943 verdwijnt hij voor de tweede keer, voorgoed. Hij sterft in concentratiekamp Neuengamme, zijn zoon heeft hem amper gekend. Die schaduw lijkt de dichter zijn hele leven te achtervolgen, het vormt zijn persoonlijkheid en vooral zijn schrijverschap. Weggaan, afscheid nemen, op zoek zijn, de overgebleven eenling die geen andere mogelijkheid ziet dan zijn leven in woorden te vatten.

    ‘Altijd verdween ik
     dat stak ik van mijn vader op
     volgde harteloos mijn hart
     verliet vrouw kinderen huizen steden
     onbesuisd op zoek naar een onbegaand pad’

    Vergankelijkheid en eindigheid

    Bijna als vanzelf is ook de dood een terugkerende verschijning in zijn gedichten. Vergankelijkheid en de eindigheid van het leven zijn onderwerpen die telkens opduiken in of tussen de regels. Nergens dramatisch, meestal ironisch en een enkele keer met een vlijmscherp cynisme. 

    ‘ha die dood
     die me mijn hele leven vergezelde
     trouwe vriend
     van wie ik nu afscheid neem’

    Terug naar de documentaire Verloop van jaren. De oude dichter scharrelt rond in zijn werkkamer, grijpt naar beschreven vellen papier en drukt onvast met een enkele vinger op de toetsen van zijn schrijfmachine. Sigaret in de mondhoek. Weer een dag. Eerst een uurtje schrijven en vanmiddag aan de scrabble met Deborah. Met een glaasje rood. Tegen de camera verzucht hij: ’Schrijven is leven, als ik daarmee ophou ben ik er niet meer.’

     

     

  • Remco Campert

    Remco Campert

    Je wist natuurlijk dat het einde naderde. Daarom nam je, als om de dood te bezweren, geregeld een boek van hem uit de kast. Zolang je zijn boeken las, zou je met hem de dood voorblijven. Bleef zijn werk te lang onberoerd, dacht je, hé, Remco Campert, hoe is het? Pakte een boek van hem, las hoe een zwerver zijn romanpersonage Veranneman, met gebarsten stem toeroept, ‘Hé, Veranneman, schrijf je nog altijd?’ Hoe Veranneman glimlachend knikt en beschaamd verder loopt. ‘Hij heeft het gevoel dat hij tekortschiet. Zover heeft hij het met schrijven gebracht, dat hij herkend wordt op straat. Maar dit was toch nooit de bedoeling? Verlossing, daar ging het om.’ Daar zie je de schrijver in zijn verhaal lopen, zijn kenmerkende bescheidenheid, verwondering en onwereldsheid. Zo houd je hem van het sterven af, tot de dag dat het niet langer gaat. Die dag kwam gisteren. 

    Je was drukdoende allerhande zaken te regelen, af te ronden voor de vakantie begint. Je vulde kaartjes met namen, met die en die, en dat en dat, stelde mails op, verstuurde die. Tussendoor, alsof je bang was iets te missen, klikte je op social media. Het was maandag, je weet nooit of de derde wereldoorlog dan eindelijk begonnen was. Of iemand je zoekt, je nodig heeft. Daar werd, schokkender toch dan elk andersoortig nieuws, het bericht van zijn overlijden geserveerd. Het bleek een ticket voor een collectief rouwmoment. Er kwam een vloedgolf aan persoonlijke herinneringen, (er werden wedstrijden gehouden wie de mooiste dichtregels wist, foto’s van gesigneerde boeken) los. Je klikte het weg. Je dacht, wacht even, hou nog even vast, dat moment van weten, blijf stil, zeg niets, laat het loslaten beginnen, maar slinger hem niet al te hard het hiernamaals in. Dat dacht je. 

    Je wilde hem nog niet weg hebben van dat plekje, dat hij ongetwijfeld ook in zijn nieuwe huis vond, waar hij peinzend en omdat hij niet anders kon, aan een tafeltje gezeten woorden aan het papier toevertrouwde. Zo stelde je het je voor. Ook als niemand het zou lezen, moest er geschreven worden. Al was het schrijven voor zichzelf nooit vervullend is op te maken uit zijn werk. In het verhaal ‘Luchtdichter’ staat, ‘Ik zal nooit een dagboek dat alleen voor mij bestemd is kunnen bijhouden. Altijd ligt de wens om nog bij leven gedrukt te worden en de reacties op wat ik geschreven heb mee te maken, op de loer. (…) Een zin in elkaar zetten doe ik niet alleen voor mezelf, maar ook voor de nog onbekende, liefst ideale lezer (een onbevooroordeelde, verbeterde versie van mezelf), zelfs al dient die zich pas na mijn dood aan.’

    Roos van Rijswijk schreef eens dat ze Campert uit de boekenkast van haar oma en moeder kende, en uit het Amsterdamse straatbeeld. Er was sprake van een ‘Campert-radar’ met haar moeder. Wie de dichter signaleerde, stuurde een berichtje naar de ander: ‘Ik zag Campert op Het Leidseplein.’ De geruststelling te weten dat hij er is, dat is des lezers geluk. Van Rijswijk schreef ook over de dichter: ‘Je kunt een standbeeld neerzetten voor zo’n kerel, maar mooier is dit: een boek waarin je, al naar gelang wie je zelf bent, hem leert kennen of terugvindt. Stilte is een mooie vorm om de dode schrijver te herdenken. Want ‘dood is een ontroering’, die ten beste alleen verdragen wordt. Je zag een overvloedige stilte voor je, waarop Remco Campert gedragen werd in een lange stilstaande stoet van eerbetoon.

     

     

    Citaten uit: Om vijf uur in de middag, (verhalen) / Remco Campert / De Bezige Bij


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en al wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Laat het sneeuwen!

    Laat het sneeuwen!

    De zomer komt eraan, ik ruik het in de lucht. Al gauw zal de zon branden en de snelwegen zullen vol staan met auto’s die in de file wachten om stapvoets naar de kust te gaan, met de halve bevolking erin, die een lange en saaie reis onderneemt alleen maar om de hele dag zwetend op het strand te kunnen liggen. De buren zullen barbecuefeesten organiseren en de stank van verkoold vlees zal bezit nemen van mijn achtertuin, net als de schrille stemmen van hun kinderen die mogen opblijven tot ze moe en vervelend worden. In de stad zullen, als het weer mag, alle terrassen van de cafés volgepakt zijn met mensen in korte broeken en rare petjes op. Iedereen is overal, om te zwemmen, te fietsen, te wandelen en tegen wildvreemde passanten te roepen dat het zo’n heerlijk weer is. 

    Maar ik haat de zomer. Tijdens de hondsdagen kan ik alleen maar de titel van een gedicht van Ben van Eysselsteijn prevelen als een ononderbroken mantra: ‘O, laat het sneeuwen, Heer!’ Geef mij de herfst, de winter, de lange donkere avonden. Ik hou van stilte, ik kan niet tegen de hitte, word nooit bruin, eet geen vlees. Een barbecue is aan mij niet besteed. Laat mij Yeats lezen, rustig en geconcentreerd genieten van zijn poëzie die ik pas laat ontdekt heb en nu een groot deel van mijn dagen vult. Net als met zijn biografie The man and his masks van Richard Ellmann, die ook over Oscar Wilde schreef. Het is koel in huis, de radio laat zachtjes Bach horen, de katten liggen te spinnen en ik ben gelukkig.

    Maar de zomer zal dat voor me bederven. Als ik niet oppas zal ik door goedbedoelende vrienden worden meegetrokken naar bos of strand, naar terrassen en festijnen van zon en zand. Ze vinden dat ik er ‘nodig eens uit moet’ en zullen me niet geloven als ik zeg daar geen behoefte aan te hebben. Dat ik al op stap ben geweest met Yeats, naar Ierland en het elfenrijk. En als ze beweren dat ik de enige ben die de zomer haat, zal ik Remco Campert voor me laten spreken.

    Tegen de zomer

     Niets is vernielender dan de warmte
    De kou houdt in stand, is statisch;
    de warmte beweegt met de vernieling mee
    en wekt een valse schijn
    van zon, gezondheid, zinvolle zonde
    De warmte vleit, paait, belooft,
    maakt stofgoud van stof
    liefde van begeerte,
    poëzie van leugens
    Ik hou niet van warmte,
    broedplaats van muggen en maden
    poel van limonade en andere slopende dranken
    Schenk mij liever klare
    kou en koffie,
    destructie bevroren, duidelijk zichtbaar
    en aanvaardbaar
    Wie in de kou zit schept geen illusies,
    Maar schept sneeuw, vrij ongenaakbaar,
    in de menselijke
    soms bovenmenselijke winter

    Als zelfs dat niet helpt, zit er niets anders op dan een van Yeats’ maskers op te zetten, mee te gaan en gelaten te wachten tot de eerste sneeuw wil vallen.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Bijproducten

    Bijproducten

    Een stukje schrijven kan opeens a hell of a job zijn. Ik heb niet te klagen, maar schrijvers die wekelijks meerdere stukjes schrijven, met een deadline, zullen dit beamen. De kronkels in je hoofd, de beelden op je netvlies omzetten in woorden die het moeten doen. Hoe dichter de deadline nadert, hoe minder de schrijver zichzelf is. De blik vertroebelt, er wordt naar buiten gekeken maar niets gezien, de geest is traag, verworden tot een marshmallow-achtige substantie waarin wordt gedregd naar iets zinnigs. De onrust dwingt tot lopen, van beneden naar boven, raam open, raam dicht. Er worden boeken uit de kast getrokken, naar een passende pen gezocht die dit stukje kan helpen schrijven. Deuren worden open en dicht gedaan op zoek naar bruikbare gedachten. Voor ik het weet sta ik stapels was te vouwen, of het gasfornuis te poetsen.

    Remco Campert schreef tot zijn achtentachtigste wekelijks stukjes voor de krant, toen stopte hij daarmee. Deze week werd hij negentig en bleek het schrijven niet te kunnen laten. In een interview met de schrijver door Mirjam van Hengel, zijn biografe, merkte Van Hengel op dat hij veel zwijgt in interviews. Er bestaan interviews waarin hij niets zegt, enkel kucht of zijn typische Campert lachje grinnikt. Toch waagde zij het erop, interviewde hem. De reactie van Campert was: ‘Jij weet alles al’. Twee jaar lang had ze hem gesproken over zijn leven, alles staat in de biografie Een knipperend ogenblik.
    De dag na zijn verjaardag stond er een verse CaMu-column op de voorpagina van de Volkskrant, (een traktatie als was het een stukje taart). Campert schrijft in amper 220 woorden over het ouder worden, hoe je de negentig haalt. Zijn remedie is eenvoudig: gewoon doorgaan met leven. Als ik het lees besef ik hoe deze stukje gemist worden. Ik trek de bundeling  CaMu-column 2001, Het jaaroverzicht uit de kast en lees een CaMu over een deadline. Hoe de schrijver zich verliest in niet ter zake doende handelingen:

    ‘Ik sta op en zet koffie. Dat doe ik vele malen. Omdat ik van mezelf niet naar buiten mag, kijk ik naar buiten, maar zie eigenlijk niets. Ik blader de krant door zonder hem te lezen. Ik voel me een kind dat voor straf naar zijn kamertje is gestuurd.
    Soms levert het verhaal waar ik zo zenuwachtig aan werk bijproducten op. Daar ontsnap ik dan even in. Ik maak aantekeningen voor een film, voor en toneelstuk, producten die in de toekomst nieuwe deadlines zullen veroorzaken. Of er doemt een gedichtje in me op. Dat is nog het meest bevrijdende, want poëzie heeft geen deadline.
    Gericht op mijn gezicht / priemen bundeltjes licht / zich heen door de blaadjes / van de boom / waaronder ik / ongelofelijk lichtzinnig / tijd door te brengen lig.’
    Het mag duidelijk zijn dat Camperts afleidende bezigheden meer opleveren dan een stapel was wegvouwen of het fornuis poetsen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze leest de godganse dag en heeft een NS-kortingskaart.

     

     

  • Iets toevoegen aan de wereld hoe klein ook – Remco Campert

    Twaalf jaar geleden, Remco Campert draagt in zijn werkkamer het gedicht Lamento voor, op muziek van Benjamin Herman.

  • Gelaagde ideeënroman van Eva Meijer

    Gelaagde ideeënroman van Eva Meijer

    Op het pand van de Bezige Bij in Amsterdam staat een gedicht van Remco Campert te lezen: ‘Verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden (…) jezelf een vraag stellen / daarmee begint verzet / en dan die vraag aan een ander stellen’. De lezer die toevallig tegelijkertijd in de nieuwe roman Voorwaarts van Eva Meijer bezig is, zal geen moeite hebben dat gedicht met dat boek te verbinden. Ook verandering, zo suggereert filosofe Meijer, begint niet met grote woorden, maar eerder met iets kleins, iets concreets. Je zou misschien zelfs kunnen zeggen: je kunt het leven wel proberen zin te geven met één of ander -isme, maar dat is zinloos.

    In deze roman beschrijft Meijer in, op het eerste oog, twee losstaande verhalen twee groepen twintigers die met een beroep op abstracte en ook wat romantische idealen besluiten om zich terug te trekken op het platteland. Beide groepen willen daar zelfvoorzienend leven zonder dierlijke producten te eten.

    Het verhaal van de ene groep speelt zich af in de jaren 20 op het platteland van Frankrijk, dat van de andere in het heden in Friesland. De meeste communes zijn helaas gedoemd in de (plantaardige) soep te lopen merkt één van de hoofdpersonen met vooruitziende blik op. Er wordt inderdaad kwistig gekibbeld en de spanningen lopen van tijd tot tijd hoog op. Het leven in een commune blijkt dus bepaald geen pretje en lezer wordt niet uitgedaagd om het zelf eens te proberen.

    Beide groepen hebben genoeg van de status quo: de ene, anarchistische, groep uit de jaren 20 strijdt tegen het heersende kapitalisme, waarin volgens hen het bezit de mens heeft gecorrumpeerd. Het doel van hun bestaan ‘is om in harmonie met de natuur te leven. Daar hoort (…) een geweldloze houding ten opzichte van alle levende wezens [bij] (…) Gezag van bovenaf tast onze vrijheid aan, daarom zijn we anarchist.’ De andere, die we nu progressieve hipsters zouden noemen, lijkt zich meer te verzetten tegen het consumentisme van steeds méér: voedsel, spullen, geld. Interessant is daarbij dat de millennials zich in eerste instantie willen gaan onderhouden met het (betaald) organiseren van retraites en ‘troostcursussen’ (het type mens dat op dat soort cursussen afkomt, beschrijft Meijer geestig). Maar toch: een bedrijf om geld te verdienen dus – kunnen ze (of bedoelt Meijer misschien wel ons, de moderne mens?) soms niet ontsnappen aan een vorm van kapitalisme?

    Meijer slaagt erin een toch vrij ernstige ideeënroman zodanig licht en stijlvol op te schrijven dat de inhoud ervan niet te zwaar op de maag ligt, al is een verhaallijn over een overleden familielid van de hedendaagse hoofdpersoon niet zo relevant voor het verhaal dat Meijer vertelt. Dat komt voor de lezer wat plompverloren over: alsof dat er óók nog in moest op het laatste moment. De mooie, gelaagde manier waarop het verhaal is vormgegeven zorgt er gelukkig voor dat dit niet te zeer afleidt.

    De hoofdpersoon van het deel in de jaren twintig (Sophie) schreef namelijk een dagboek dat de hoofdpersoon van nu (Sam) leest. De twee lijken in veel opzichten op elkaar, ze koesteren beiden gevoelens voor andere vrouwen en zijn ook beiden scribent van de groep: de één schrijft blogs en de andere ronkende anarchistische opiniestukken in de toenmalige linkse kranten.

    Uiteindelijk weet Sam -alleen- met een in eerste instantie heel kleine, sympathieke daad iets teweeg te brengen wat als kibbelende groep wellicht wel nooit was gelukt. Ze stelt zichzelf een vraag en stelt die vervolgens, via Facebook, aan een hele hoop andere mensen.

     

  • Campert-nummer

    Campert-nummer

    Volgend jaar wordt de dichter negentig. Een gedenkwaardige leeftijd die dit jaar met het verschijnen van zijn biografie gevierd wordt als een voorschot op de dood. Die biografie had ik als Campertadept al in huis moeten hebben. Maar dat heb ik niet. Ik behoed mezelf voor ontluistering door me de inzage in het leven van een dichter die we op een voetstuk hebben geplaatst, vooralsnog te ontzeggen. Afstand is een mooi ding in de literatuur, verhalen en gedichten zijn de ontmoetingsruimte voor lezer en auteur. Pas als de dichter niet meer leeft, wil ik (denk ik) misschien wel, in de loop van de tijd, alles van hem weten. Ik geloof wel dat Mirjam van Hengel een liefdevol boek heeft geschreven, gezien haar boek over het leven van de dichter Leo Vroman. Daar ligt het niet aan. Struisvogelpolitiek mijnerzijds, dat is het. Een biografie omvat een afgesloten leven; Campert is nog niet klaar met leven. Er kan nog wat komen. Je weet het nooit met Campert.

    Voor nu stel ik me tevreden met het literaire tijdschrift Revisor, Het Campert-nummer. Een mooi nummer met vele knipoogjes naar Campert. Astrid Lampe maakte een ‘Campert sample’ die geheel bestaat uit regels uit Dichter, Remco Camperts verzamelde gedichten uit 2015. Dean Bowen maakte een gedicht dat bestaat uit de laatste regels van diezelfde verzamelbundel. Ze konden met zijn regels doen wat ze wilden (ze naast elkaar zetten, achter elkaar, onder of door elkaar) het blijven Camperts regels.
    Het personage Boelie (Het leven is vurrukkulluk) is gerecycled tot een dj, door Daan Heerma van Voss neergezet in een treffend verhaal over een rondleiding door de stad van de dichter. De bijdrage van Camperts vertaler Donald Gardner gaat over zijn kennismaking met de dichter en zijn vrouw. Hij haalt fragmenten aan die volgens hem, (en daar sluit ik mij geheel bij aan): de kern des dichters dichterschap bevatten: Op straat lopen lezen / dat zie je niet zo vaak meer. / Als ik het nog eens doe / loop ik in het verleden…

    Hoe de jongere generatie zich tot de dichter verhoudt, daar schrijft Roos van Rijswijk over. Na het lezen van (het ongecorrigeerde manuscript) Een knipperend ogenblik heeft ook zij last van het ontmythologiseren van de dichter: ‘Dat ik dan weet welke leeftijd hij had toen zijn moeder zakdoekjes rond zijn bed vond,…’. Ze kent de dichter uit de boekenkast van haar oma, moeder en eigen boekenkast en uit het straatbeeld van Amsterdam. Er is sprake van een ‘Campert-radar’ met haar moeder. Wie de dichter signaleert, stuurt een berichtje naar de ander: ‘Ik zag Campert op Het Leidseplein.’ Hoe geruststellend dat is, te weten dàt hij er is, de constante in het stadsbeeld. Van Rijswijk schrijft: ‘Je kunt een standbeeld neerzetten voor zo’n kerel, maar mooier is dit: een boek waarin je, al naar gelang wie je zelf bent, hem leert kennen of terugvindt.
    Ja, die biografie wil ik beslist wel eens lezen. Maar eerst op naar de negentig. Dan zien we wel weer.

     

    Bestel Revisor, Het Campert-nummer hier.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over wat er fladderend beweegt in de kantlijn van de literatuur.