• Wat niet kan is nog nooit gebeurd

    Wat niet kan is nog nooit gebeurd

    En tóch gebeurt het. In Tomas Lieskes nieuwste roman Wij van de Ripetta ontmoeten de Engelse dichter Shakespeare en de Italiaanse schilder Michelangelo Merisi da Caravaggio elkaar in het 16e eeuwse Rome en trekken ze kort samen op. Zij zijn twee belangrijke personages in de roman. De ‘Wij’ van de Ripetta zijn de stamgasten van het wijnlokaal Ripetta waar de meeste ontmoetingen plaatsvinden. Zij zijn de ‘toeschouwers’, de ‘beschouwers van de lijnen van het lot’, de plukkers van de dag, de vinophilen, wankelmoedigen, dromers, de gasten die achterblijven. Het verhaal wordt met name verteld door een alwetende verteller, maar in de meeste van de zeven hoofdstukken ook deels door deze stamgasten en vanuit hun perspectief leert de lezer de hoofdpersonages vooral kennen. Als een rode draad lopen de kroegscènes door de roman, scènes die een feest om te lezen zijn voor de lezer, die aanschuift bij de gasten in de stamkroeg, denkbeeldig meedrinkt en toehoort, vertrouwd raakt met het meer of minder gezellige gezelschap en mét hen hoopt op een goede afloop.

    In het begin van het boek trekt Caravaggio te voet door de Maremma, een kuststreek ten noorden van Rome. De schilder wil weer terug naar Rome, want hij heeft ‘genoeg gezien en in zijn herinnering opgeslagen om alles wat hij aan Bijbelse voorstellingen zou schilderen een landschap te geven (…)’. De ontmoeting met de twaalfjarige onbevangen en vrolijke kwebbelkous Francesco, ‘Cecco’, is een bonus. ‘Ik heb je in het licht gevonden’, zegt Caravaggio en de twee trekken vanaf dat moment gezamenlijk verder. Stiekem zijn hiermee Carvaggio’s belangrijkste handelsmerken uit de doeken gedaan. Al in de Maremma ziet de schilder voor zich hoe hij ‘de hele Bijbel tot geschilderde werkelijkheid van nu en hier wil maken’. Hij hanteert in zijn werk een voor die tijd vernieuwende naturalistische stijl en gebruikt claire-obscureffecten, zoals duidelijk op de omslag van het boek, waarop een afbeelding van Caravaggio’s ‘De roeping van Matteüs’ uit 1599 prijkt – een beeld dat overigens ook een associatie met een stamtafel in de kroeg oproept.

    De schrijver en de schilder

    De relatie tussen de weerbarstige kunstenaar en zijn jonge vriend is warm en herkenbaar beschreven. ‘Alles kan, als je maar gelooft’, beweert de jonge Cecco. Dat vrolijke optimisme is aanstekelijk, maar een grotemensenwerkelijkheid blijkt toch wat weerbarstiger. Bij aankomst in Rome zijn ze getuige van een nare gewelddadige vechtpartij die Caravaggio later in nachtmerries blijft achtervolgen. De schilder en zijn jonge vriend wonen samen in Rome. Cecco verleent in huis en bij Caravaggio’s werk de nodige hand- en spandiensten. Ook staat hij model voor een schilderij van Johannes de Doper dat Caravaggio maakt in opdracht van de Ciriaco Mattei, een broer van de kardinaal. Er wordt gefluisterd over een intiemer relatie tussen beiden, maar in deze roman is Cecco geen ‘bardassa’, schandknaap.

    Will, William, ‘Shaksbird’ doet zijn indrukwekkende intrede in de Ripetta op een middag van een van de allereerste jaren van de zeventiende eeuw. De stamgasten reageren verrast maar vooral geïmponeerd, schilder en schrijver herkennen in elkaar iemand om serieus te nemen. De schrijver en zijn werk en afkomst roepen veel vragen op en dat brengt nieuwe vaart en vrolijkheid in de roman. Will spreekt een ‘zwalkend Italiaans’, hij heeft het bijvoorbeeld over een ‘afluistervink’ of iemand die een ‘beenblok’ is en er zijn grappige verwijzingen naar werk van Shakespeare zoals ‘mijn koninkrijk voor een jas’ en de midzomernacht die meerdere keren langskomt. De stamgasten zijn vooral argwanend over zijn protestants-Britse achtergrond, maar katholiek of protestant is voor Will niet zo relevant: ‘Toneel is mijn geloof’, stelt hij. Hij legt overeenkomsten uit tussen het toneel in zijn thuisland en de paus in de Italiaanse kerk en betoogt dat het in zijn stukken, die veelal in een ver verleden spelen, net als bij Caravaggio’s werk in feite gaat over ‘de politiek van vandaag’ en ‘de keuze tussen goed en kwaad’. In de apotheose van de roman wordt een gelegenheidsstuk van de toneelschrijver opgevoerd door en voor de stamgasten. Vreemdeling Will, die weer terug naar het Britse moet, helpt hiermee zijn kunstbroeder Caravaggio bedoeld of onbedoeld tegen zijn nachtmerries. Hij geeft hem op de valreep ook nog een belangrijk advies voor zijn nieuwste Johannes de Doperopdracht.

    Tomas Lieske heeft in 2024 de Constantijn Huygensprijs ontvangen voor zijn hele oeuvre. De jury spreekt onder andere van een fascinatie in zijn werk voor grensgebieden tussen verleden en heden en goed en kwaad. ‘De romans en gedichten van Lieske roepen (…) werelden op waarin wat bestaat niet belangrijker is dan wat niet bestaat.’ Wie werk van Lieske wel eens (te) absurd of surrealistisch vindt, zoals bij de bekroonde titels Franklin (2000, Inktaapprijs) of Niets dat hier hemelt (2023, Bordewijkprijs en nominatie Libris), kan zich zonder zorgen aan deze laatste Ripettaroman wagen. Lieske beschrijft hierin namelijk weliswaar een gebeurtenis die ‘niet kan’, althans onwaarschijnlijk is, en die  nooit gebeurd is (voor zover we weten hebben Shakespeare en Caravaggio elkaar nooit ontmoet) maar hij doet dat geloofwaardig en heel realistisch. Wij van de Ripetta is een mooi geschreven, interessant en grappig boek met een vertelling waar je als lezer op een prettige manier in meegenomen wordt.

     

     

  • Wat doen we met moeder?

    Wat doen we met moeder?

    Het waait wat af in Damian, de nieuwste roman van Edzard Mik. Wasgoed wappert, afval roetsjt langs, een omgewaaide boom verspert de weg, bladeren schieten ‘als afgevuurd’ door de straat en zelfs in jeugdherinneringen van hoofdpersoon Damian en zijn zus Tess stormt het. Damian associeert zijn moeder Charlotte met een harde, gure wind die nooit luwt en voor altijd door hem heen giert. De roman gaat over de herfst van haar leven, vandaar de dwarrelende bruine bladeren op de omslag, vooral beschreven vanuit het perspectief van haar zoon. Wie hij zelf is, weet hij niet zo goed, misschien slechts ‘een blad in de wind’. In het kielzog van zijn privéreflectie gaat de roman over relativering van het mens-zijn, over moraliteit en goed-doen.

    Er is ‘weinig grote wereld in de Nederlandse roman van 2024’ stelt het redactioneel commentaar in de NRC van dinsdag 11 maart jongstleden na de bekendmaking van de shortlist van de Librisliteratuurprijs: introspectie overheerst in de huidige ‘autofictie’, met onder andere ‘veel zelfreflectie’. Dit geldt in zekere zin ook voor Miks Damian, maar diens blik naar binnen nodigt tegelijkertijd toch uit tot een blik naar buiten, bijvoorbeeld door reflectie op egoïsme en altruïsme. De roman beschrijft twijfels en weifels van de hoofdpersoon die zijn al dan niet dementerende moeder in huis krijgt en goed wil doen. Hij lijkt een nogal besluiteloze lamme goedzak die niet voor zichzelf opkomt en meent dat hij in zijn moeders ogen ‘nooit een man heeft willen worden die de volle verantwoordelijkheid voor zijn leven op zich neemt’. Wil hij zich om die reden nu zo hardnekkig van zijn goede kant laten zien, vraagt hij zich af, en de volledige zorg voor haar op zich nemen? Hoe oprecht is zijn sociale inborst en empathie eigenlijk?

    Sterke vrouw geknakt

    Damian woont samen met zijn partner Bianca in een flat en werkt als jongerenwerker bij een jeugdcentrum op het Viooltjesplein in de stad. Hij doet dat graag en geeft om zijn cliënten, maar ziet zijn werk ook door de ogen van zijn moeder: het is er een oude troep, een uitzichtloze bende met probleemjongeren waar weinig eer aan te behalen is. Zijn moeder is altijd een sterke vrouw geweest die nog zelfstandig woont in het huis waar de kinderen zijn opgegroeid. Thuis was toen een gruwel voor haar, ze stond altijd onder hoogspanning, moest zich overeind zien te houden als werkende moeder met een partner die zijn juristenwerk boven alles stelde en letterlijk en figuurlijk de man was die op zondag het vlees sneed. De scènes waarin Damian zijn moeder beschrijft zijn hilarisch en herkenbaar: hij geneert zich als ze met Jan en Alleman geanimeerde gesprekken aanknoopt en beschrijft spottend haar heilige mantra’s. Zo moeten er elke dag tienduizend stappen gemaakt, is binnenblijven als de zon schijnt een doodzonde en is de oude minister-president voor haar de man wiens naam ze niet hardop uit wil spreken.

    Damian beschrijft haar sterke geest en haar vitaliteit, maar zijn zus Tess ziet moeder aftakelen. Volgens haar is het niet meer verantwoord dat moeder alleen woont omdat ze vergeetachtig wordt, black-outs en woede-uitbarstingen heeft en soms ronddoolt. Damian betwijfelt dit alles, maar hij staat wel toe dat zijn doortastende zus moeder om die redenen bij hem thuis aflevert – zelf heeft ze het te druk met haar werk. Moeder is wisselvallig in haar reacties. Ze protesteert in het begin, maar er zijn ook momenten waarop ze instemt met bijvoorbeeld verhuizing naar een zorgcentrum of aangeeft dat ze zich niet goed voelt. ‘Ik snap steeds minder wat alles met elkaar te maken heeft (…) ik heb het gevoel dat ik uit elkaar val’. Of moeder wel of niet een ouderdomsgeestesziekte heeft blijft in het midden. Net als in Bernlefs Hersenschimmen worden verwarrende gebeurtenissen beschreven; in die roman vooral vanuit de dementerende, in Damian meer vanuit het perspectief van de naaste omgeving. Mik weet eenzelfde beklemmende onzekerheid en hetzelfde mededogen op te roepen.

    Zoekende zoon

    Zijn familie is ‘misschien geen ideaalplaatje’, maar dat ongelukkige of gelukkige families juist wel of niet allemaal op elkaar lijken vindt Damian flauwekul. Hij durft niet te bepalen wat geluk is en zelfs niet dát het in het leven om geluk draait. Bovendien denkt hij niet per se in oplossingen. ‘(…) we zouden beter uit kunnen gaan van onoplosbaarheid.’ Hij kan zich niet voorstellen dat de normen en waarden van dit moment en deze tijd een absoluut gegeven zijn. Genderidentiteit, een humane dood, vleesconsumptie en veel andere zaken zijn in enkele decennia in een ander licht komen te staan en hij is benieuwd welke van onze vaste gewoontes en overtuigingen van nu over enige tijd ‘verkeerd’ blijken. Dit is Damian ten voeten uit en maakt hem interessant als romanpersonage dat zichzelf en de wereld beschouwt. ‘Vergis je niet, op hun eigen kleine microschaal zijn mijn jongens met niets anders bezig dan de mensen uit jouw kringen’, verdedigt hij zijn cliënten tegenover zijn geslaagde zakenzus Tess. Hij is gefascineerd door ‘zijn’ jongens die overal lak aan hebben, realiseert zich hardop dat een achterstand niet alleen maar een achterstand is en zou soms zelf wel zo’n jongen willen zijn.

    Meegaan in Damians denkwereld is boeiend. Als een Rutger Hauer op de fiets freewheelend door het verkeer weet Damian zeker dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn moeder die liever autonoom dan afhankelijk is. Ondertussen sluit hij zijn ogen voor de realiteit. Hij ziet weliswaar de overeenkomst tussen moeders getekende gezicht en de vervallen voordeur van het slecht onderhouden ouderlijk huis waar de verf afbladdert en het hout rot, maar bagatelliseert haar geestelijke aftakeling. De vraag is of hij zijn moeder met zijn irreële en onverbeterlijke optimisme over haar gezondheid niet juist tekortdoet en ook of zijn schijnbaar onbaatzuchtige acceptatie van moeder bij hem in huis niet vooral is ingegeven door de behoefte aan waardering van haar voor het onzekere moederskindje dat hij is en dat goed wil doen. De waardering die Damian bij zijn moeder zoekt blijkt er uiteindelijk wel degelijk te zijn. De wind gaat liggen en de wolken trekken weg. De hemel is ‘overdonderend blauw’, de zon walst de kamer binnen.

    Miks Damian is verzorgd en toegankelijk geschreven. Het is wel wennen dat de ‘werkwoorden van zeggen’ regelmatig ontbreken. Mik gebruikt dus weinig zogenoemde verba dicendi en sentiendi als ‘zegt’ en ‘meent’, wat origineel is maar soms verwarrend kan zijn. De roman beschrijft een overzichtelijke en herkenbare ‘kleine’ wereld, die je als lezer zo groot kunt maken als je wilt.

     

     

  • Ontroerende en intelligente roman over euthanasie

    Ontroerende en intelligente roman over euthanasie

    Er is heel wat afgeschreven over euthanasie, maar behalve een obscure dystopie (Tijd om te gaan), een mislukte roman die de De goede dood heet maar daar niet over gaat en een sleutelroman over de vervolgde huisarts uit Tuitjehorn (De jacht op de klaproos), heeft de Nederlandse literatuur zich bij mijn weten niet aan het onderwerp gewaagd. Paradijs van slapen van Joost Oomen is een goede aanvulling op het beperkte aanbod.
    Joost Oomen (1990) debuteerde als dichter: na zijn studie Nederlands was hij een tijd stadsdichter van Groningen en publiceerde hij een aantal dichtbundels. Hoewel hij zich al eerder aan proza had gewaagd (Het perenlied uit 2020), vreesde ik toch een typische dichtersroman: plotloze, gefragmenteerde mooischrijverij, maar dit bleek niet het geval: het plot is evenwichtig, hecht en elegant.

    Paradijs van het slapen bestaat uit twee verhaallijnen. De ene gaat over de alleenstaande, uitgebluste huisarts Theo Engel die zich heeft laten omscholen tot euthanasiearts voor het Expertisecentrum Euthanasie. We volgen hem op zijn tochten door Friesland langs weilanden met vers gemaaid gras en veel schapen, op weg naar de adressen waar hij zijn macabere diensten verleent. Geroutineerd vervult hij zijn taak, terwijl hij tegelijkertijd niet kan wennen aan zijn rol als engel des doods. Hij kan nergens meer van genieten, wat gesymboliseerd wordt door zijn verdwenen reuk die hem belet het geurende gras te ruiken.

    Terugblik op een leven

    De andere verhaallijn wordt geïntroduceerd door de gevonden-manuscript-techniek. Engel krijgt een pakket in de bus dat het levensverhaal bevat van Gerrit Blauw, een voormalig theatermaker die is teruggekeerd naar Friesland. Gerrit groeide op in Sneek en werd na het eindexamen, net als zijn beste vriend Douwe, verliefd op Saartje Schaap (er komen veel schapen in het boek voor), een meisje dat al op kamers woont omdat ze van Terschelling komt en die een paar klassen lager zit. Douwe krijgt haar, maar Saartje zal altijd de belangrijkste persoon in Gerrits leven blijven. Het is de melancholie van de terugblik op een leven, het verlies dat daarbij hoort en de romantiek van de ene ware liefde die we kennen van Plato, Petrarca en Tim Krabbé. 

    Natuurlijk komen de verhaallijnen bij elkaar zodat het perspectief van de arts en van de patiënt allebei aan bod komen. Op het eerste gezicht lijkt Oomen dit te doen om ook twee visies op euthanasie tegenover elkaar te stellen: de huidige praktijk versus een liberaler alternatief, maar bij nadere beschouwing lijkt hij vooral een ander punt te willen maken, over schoonheid.

    Wat euthanasie betekent voor de arts die de euthanasie moet uitvoeren wordt heel overtuigend beschreven in het verhaal van Engel waarvoor Oomen heeft geput uit de ervaringen van zijn vader die ook euthanasiearts was. Met name de opsommingen van geanonimiseerde fragmenten uit het artsendossier, ‘78-jarige man met levercarcinoom. “Ik heb mijn vrouw ontmoet in het spookhuis. Nu ben ik het spook.”’, zijn hartverscheurend, zonder sentimenteel te worden vanwege de droge opsomming en omdat het de bewijsvoering is die de arts tijdens zijn consult heeft verzameld. 

    Scénes die beangstigen

    Een ander procedé dat heel goed werkt om het leven van de arts invoelbaar te maken zijn de tegenstellingen die worden gecreëerd. Oomen laat de zon schijnen en het landschap naar gemaaid gras geuren terwijl hij de euthanasiescènes zakelijk beschrijft: de opeenvolgende handelingen die procedureel zijn voorgeschreven, de aanwezigen, het toestemming geven. Zonder melodrama of sentiment. Maar juist dat zorgt ervoor dat het heel hard binnenkomt. 

    De zomerse omstandigheden, de alledaagse kneuterigheid. ‘“Koffie”, vraagt de zoon terwijl we onze natte jassen over de eettafelstoelen in de hal te drogen hangen’, en de routinematige handelingen van Engel vormen een adembenemend contrast met de enormiteit en onbevattelijkheid van de toegediende dood die daardoor nog meer aan angstaanjagendheid wint. Het zijn scènes die ontroeren en beangstigen tegelijk, zonder dat daaruit een oordeel blijkt of gemakkelijk effectbejag. 

    Zo ziet de lezer wat je anders -gelukkig- nauwelijks meemaakt en doet dat bovendien als buitenstaander, een weekje op pad met de dokter. Wat dat voor die dokter zelf betekent om dat jaar in jaar uit te doen, wordt later uit de doeken gedaan wanneer Theo Engel en Monique -de Officier van Justitie die hem moet beoordelen- samen dronken worden in haar kantoor. In deze prachtige scène vertelt hij voor het eerst wat hem zo dwars zit aan het werk. Dat de intervisie die hij jaarlijks met collega’s doet gevuld wordt met een spervuur aan harde grappen, maar dat niemand in staat is om er echt over praten, om te delen wat er zo erg aan is. Volgens Engel is dat de eenzaamheid van de patiënten, niet omdat niemand hen meer bezoekt, maar omdat hun ervaring van de werkelijkheid zo fundamenteel is veranderd dat die niet meer gedeeld kan worden. Over zijn eigen eenzaamheid die hij -uit solidariteit?- lijkt te hebben overgenomen van zijn patiënten, zwijgt hij echter. Die conclusie, die de onmenselijkheid van zijn werk benadrukt, mag de lezer zelf trekken. Sterk en ontroerend.

    Schoonheid als rode draad

    Schoonheid is het andere thema dat in het boek centraal staat, schoonheid die de arts Engel niet meer kan ervaren maar de rode draad vormt in het levensverhaal van Gerrit, dat doet denken aan een hoofse ridderroman. Gerrit die als een moderne Lancelot Saartje Schaap wil redden van de duistere machten van de bekrompen burgerlijkheid door wie zij ontvoerd is (haar familie in Terschelling), en die het zwaard heeft ingeruild voor de kracht van de verbeelding om haar terug te winnen. Het verhaal is een beetje zoet, maar het clichématige, nogal bedacht aandoende plot weet je toch te raken door de fraai beschreven setting die het verhaal een exotisch-romantisch tintje geeft (Het Friese platteland, Terschelling, jaren 60) en een paar goede vondsten. 

    Wanneer Engel tegen het eind van het boek bij Gerrit op bezoek gaat met als inzet de kloof tussen hen te dichten, vertelt Gerrit in een geraffineerd betoog hoe het verlangen naar schoonheid Saartje, Douwe en hem bij elkaar bracht, hoe schoonheid het belangrijkste doel in zijn leven werd en hoe schoonheid gevonden kan worden. En nu wil Gerrit bewijzen dat een leven ook in schoonheid kan eindigen. Hierin klinkt duidelijk de stem van Joost Oomen door die zich in zijn theatervoorstellingen presenteert als een profeet van de schoonheid.

    Lelijkheid en storende elementen

    Terwijl de lezer door de opgeroepen contrasten op een waarachtige, onsentimentele manier wordt geraakt wanneer hij meerijdt met Engel, geldt dit volgens Oomen kennelijk niet voor de perceptie van de personagers zelf: doordat de arts te veel met ellende wordt geconfronteerd kan hij geen schoonheid meer ervaren. En theatermaker Gerrit toont aan dat schoonheid zichzelf kan tonen zonder lelijkheid nodig te hebben. In het geval van de arts is dit te begrijpen: hij voelt helemaal niks meer, maar Gerrit is duidelijk de spreekbuis van de profeet Oomen die met zijn roman eerder een punt over kunst en schoonheid dan over euthanasie wil maken. Dat schoonheid de wereld kan redden van lelijkheid, mits er offers worden gebracht. Het personage Gerrit is om die reden eerder allegorisch dan overtuigend.

    Het taalgebruik is niet altijd even sterk. Zo slaagt Oomen er niet in om de stem van Gerrit een andere taal te geven dan die van Engel. R0nduit storend zijn de vele vergelijkingen die nergens op slaan. ‘Tiemersma arriveert, een grijze man die een beetje op een boos potlood lijkt.’ Prima als hij op een potlood lijkt, maar een boos potlood zegt mij niets. Of, ‘Ze heeft een beweeglijk soort mond die het ene moment volks chic staat als de mond van de verwende dochter van een gerenommeerd [sic!] pandjesbaas in Manchester, dan weer daadwerkelijk chic maar verarmd, als de mond van een Franse zangeres met hoogtevrees en een drankprobleem.’  Onbegrijpelijk en lelijk bovendien.

    Hopelijk wordt er voor een nieuwe herdruk nog wat eindredactie gedaan op dit soort schoonheidsfoutjes van deze sterke en ontroerende roman die het tegendeel bleek van wat de verwachting was. Geen gefragmenteerde mooischrijverij, maar een hechte roman die zowel ontroerend is als intelligent.

     

     

  • Oogst week 9 – 2025

    Oogst week 9 – 2025

    Vier de teugels

    Vier de teugels van de Amerikaanse schrijfster Kathryn Scanlan (1980) toont indringend hoe het er achter de schermen van paardenraces aan toe gaat. De zestigjarige paardentrainster Sonia die het verhaal vertelt, houdt onvoorwaardelijk van paarden, en die liefde gaat ver. De elitaire races zijn vooral evenementen met een schone schijn. Daarachter heerst de wereld van het geld. Paardeneigenaren in dure kleding met dure drankjes en hapjes zien in paarden alleen economische waarde. Liefde of zorg voor het dier zijn afwezig. Paarden bezwijken op de baan, ze bloeden uit hun longen tijdens de races en stikken soms in hun bloed. Ze worden gebruikt om geld mee te verdienen.

    Sonia’s leven staat in het teken van alledaagse situaties naast de buitengewone belevenissen op het werk. Twaalf uur werken is geen uitzondering, eerder zijn het er zestien. De paardentrainster weet alles van voeding, verzorging, de fokkerij en het paardenlijf. Aan de uitwerpselen kan ze zien hoe het met het paard gaat. Haar liefde voor deze dieren gaat ver. Ze heeft bewust gekozen voor dit leven en offert het op voor de paarden.
    In korte zinnen en hoofdstukken laat Scanlan Sonia haar verhaal vertellen. Zij hield daarvoor interviews met haar en bewerkte deze tot dit boek.

    Vier de teugels
    Auteur: Kathryn Scanlan
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Het persoonlijke is politiek

    Het persoonlijke is politiek van Hedy d’Ancona (1937) is een heruitgave van 2003, met een nieuw voorwoord. D’Ancona staat vooral bekend als oud-PvdA-politicus en feministe. Ze is ook socioloog en sociaal geografe. Ze deed universitair- en beleidsonderzoek, werkte bij de Vara, richtte de feministische organisatie Man-Vrouw-Maatschappij op en was medeoprichter en hoofdredactrice van Opzij. Ze zat in de Eerste Kamer, was staatssecretaris emancipatie en minister van Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur, en bracht enkele jaren door in het Europees Parlement. De onderwerpen van deze scherpzinnige vrouw zijn vrouwenrechten, seksisme, strijd tegen seksueel geweld, het recht op zelfbeschikking en op een waardig levenseinde.

    In het boek vertelt ze over haar eigen ontwikkeling en die van de vrouwenbeweging, richting politiek. Iemands geschiedenis kan doorslaggevend zijn voor diens politieke ideeën, zegt D’Ancona. Haar ouders maakten een dramatische geschiedenis mee in de Tweede Wereldoorlog waardoor ook hun dochter getekend werd. Het tastte D’Ancona’s gevoel voor humor niet aan en ook haar haast stoïcijnse levenshouding is terug te vinden in Het persoonlijke is politiek. In 2022 is een documentaire over D’Ancona gemaakt met dezelfde titel.

     

    Het persoonlijke is politiek
    Auteur: Hedy d'Ancona
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2025

    Damian

    De hoofdpersoon Damian in Damian van Edzard Mik is jongerenwerker bij het jeugdhonk Viooltjesplein. Als hulpverlener gewend te helpen laat hij zijn moeder binnen die door zijn zus Tess na een app van haar wordt afgeleverd. Zelf moet ze voor haar werk weer eens naar het buitenland en moeder zou dementerend zijn en een gevaar voor zichzelf. Damian had nog teruggebeld om nee te zeggen, maar Tess nam niet meer op, stond korte tijd later al met moeder voor de deur.

    Zijn moeder bekritiseert hem aan een stuk door, vindt Damians werk ver beneden zijn niveau. ‘Ze zag aan hem hoe hij erdoor was veranderd, er was iets onbehouwens in zijn manier van bewegen geslopen, iets vulgairs, alsof het hem niet meer uitmaakte wat hij deed en hoe hij zich aan anderen presenteerde,’. Ze ziet zijn werk en gedrag ook nog als verzet tegen haar, het slachtoffer van haar kinderen die ‘blij zullen zijn’ als ze in haar kist ligt. Van zijn broer Tom, ploeterend kunstenaar, hoeft Damian ook niets te verwachten.

    Hij zit klem tussen zijn dominante en manipulatieve moeder, zijn broer en zus en zijn half criminele cliënten. Zijn relatie met vriendin Bianca, die ook tegen moeders komst was, wordt er niet beter op. Damian vraagt zich af waarom hij zo meegaand is, hoe altruïstisch iemand kan zijn. Wat betekent dat goeddoen eigenlijk?

    Damian
    Auteur: Edzard Mik
    Uitgeverij: Querido 2025
  • Al dwalende het spoor vinden

    Al dwalende het spoor vinden

    In IJsvogel, de debuutroman van beeldend kunstenares Lotta Blokker, raken drie verhaallijnen langzaam maar zeker met elkaar verweven. De eerste verhaallijn volgt Lieke en Vincent. Lieke wordt overweldigd door een bijna obsessieve liefde voor Vincent, terwijl hij zijn gevoelens voor haar probeert te plaatsen als een zijweg naast zijn huwelijk. De tweede verhaallijn volgt Erik, een vader die diep rouwt om zijn zoon en door een mysterieuze ontdekking herinneringen aan het verleden ophaalt. In de laatste verhaallijn volgen we Max, die een jonge vrouw en haar dochtertje vanuit zijn raam bespiedt en filmt—gevangen in een wereld van voyeurisme en geheimen.

    De verhalen raken elkaar zijdelings door enkele ogenschijnlijk toevallige gebeurtenissen. Zo vindt vader Erik een boek dat een belangrijke rol speelde in de relatie tussen Lieke en Vincent, en ontdekt Max al snel dat de vrouw die hij observeert niemand minder dan Lieke is. Gaandeweg wordt duidelijk dat de roman vooral om Lieke draait en dat haar innerlijk leven sterk in het verhaal doorklinkt. Ze beschrijft hoe ze mannen aantrekt, hoe ze sociale media verafschuwt en waarom ze zo bezig is met hoe ze op anderen overkomt. Blokker schetst dit alles op een beeldende manier, met lange zinnen die als een ononderbroken stroom voortdenderen: ‘Wat zou ze graag die hond willen zijn, zodat ze op elk gewenst moment onder het bureau van Vincent kan kruipen, om schaamteloos naar zijn aantrekkelijke gezicht te loeren, naar zijn prettige stem te luisteren en likjes te geven aan zijn ruige werkershanden aan die sterke, behaarde onderarmen.’

    Wankelende verhaallijnen

    Terwijl Liekes verhaal goed is uitgewerkt, blijven de andere verhaallijnen achter in ontwikkeling. Vincents perspectief is minder beeldend, wat de indruk wekt dat Blokker er minder nadruk op heeft gelegd. Bovendien vervalt het verhaal in verschillende clichés: een getrouwde man die verliefd wordt op een ander maar zich op het moment dat hij de sprong wil wagen toch terugtrekt, biedt weinig nieuws. Ook de manier waarop zijn vrouw, Emma, wordt neergezet, is stereotiep. Ze is ontrouw, maar het wordt niet duidelijk waarom ze vreemdgaat. Zonder nuance of diepgang wordt zij neergezet als de ‘boosdoener’ terwijl Vincent, die zich in weet te houden, de ‘goede’ man blijft. Dit is een te simplistische en weinig geloofwaardige weergave.

    Die ongeloofwaardigheid zet zich voort in de verhaallijnen van vader Erik en Max. Beiden krijgen te weinig ruimte om echt tot leven te komen. De complexe relatie tussen vader en zoon wordt pas op de laatste pagina’s aangestipt, wanneer blijkt dat de afwezige moeder hierin een grote rol speelde. Net op het moment dat je begint te begrijpen wat er met de zoon is gebeurd, eindigt de verhaallijn abrupt. Max’ verhaallijn blijft even oppervlakkig: hoewel we weten dat hij een voormalig alcoholist is, wordt er verder weinig over hem onthuld. Zijn verhaal lijkt vooral een middel om Liekes lot te verklaren, zodat zijn karakter onderbelicht blijft.

    Raakvlakken in thematiek

    De verhalen zijn wél met elkaar verbonden door de thematiek: ze draaien allemaal om mensen die door moeilijke tijden gaan. Blokker maakt hiervoor gebruik van een citaat van Vincent van Gogh: ‘Wat de rui is voor de vogels, de tijd waarin ze hun veren verliezen, dat zijn de tegenslag of het ongeluk, de moeilijke tijden voor ons mensen.’ In elk verhaal speelt rouw een belangrijke rol, en de personages gaan daar ieder op hun manier mee om. Voor Lieke uit rouw zich in obsessiviteit, zowel in haar werk als in de liefde. Vincent verwerkt zijn rouw door uiteindelijk voor de ‘juiste’ keuze te gaan. Vader Erik worstelt met zijn verlies door vast te blijven zitten in oude denkbeelden over zijn zoon.

    Toch vinden alle personages, al dwalende, uiteindelijk hun spoor. Blokker laat hiermee zien dat zelfs in de meest penibele situaties iets goeds op je pad kan komen. Ondanks de zwaarte van het thema is de toon van de roman niet somber. Met kleine details belicht Blokker ook de schoonheid van het leven, zoals in de scène van een kind dat speelt met haar moeder, in Max’ verhaal. Niet alleen worden de kleine details in de schoenen van het kind beschreven — om het speelse van het leven te benadrukken —, maar ook hoe de herhaling van dagelijkse speelse momenten tussen moeder en dochter juist betekenis geeft aan het leven.

    De ijsvogel als symbool

    De titel IJsvogel verwijst naar een vogel die in de literatuur vaak symbool staat voor geluk en voorspoed die onverwachts op je pad kunnen komen. Hoewel de ijsvogel slechts één keer expliciet in de roman voorkomt — op een verrassend onbeduidend moment — is hij toch een krachtig symbool. Zoals de vogel na de rui een nieuw verendek krijgt, zo krijgen ook de personages in het boek een nieuwe kans. Hun tegenslagen maken hen kwetsbaar en openen de deur naar verandering en hoop.

     IJsvogel is een roman over verlies, rouw en de zoektocht naar betekenis. Blokker verweeft verschillende verhaallijnen en schetst op een beeldende manier de innerlijke wereld van haar personages. Hoewel sommige verhaallijnen sterker uit de verf komen dan andere, biedt het boek een blik op hoe mensen omgaan met tegenslagen. De ijsvogel, als symbool van onverwachte voorspoed en nieuwe kansen, vormt een verbindend element in deze verhalen over verandering en veerkracht.

     

  • Ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem

    Ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem

    Als Pippa met haar moeder Oddný en haar ‘zoveelste’ vader naar haar nieuwe huis rijdt in een uithoek van IJsland heeft ze het idee dat ze de bewoonde wereld verlaat. Ze krijgt buikpijn en weet niet of dat is omdat ze een blaas vol plas heeft of omdat ze in een jeep zit die de wereld uitrijdt. Haar hoofd is zo leeg als de leegte om haar heen. Als haar nieuwste vader, Snorri, zegt dat ze er zijn, schrikt ze. ‘Want we zijn nergens’.

    Zo begint Magnetisch middernacht, de derde roman van Laura Broekhuysen (1983), schrijver en violist. Een roman als een zoektocht in niemandsland, waar de lezer uiteindelijk net zo weinig houvast heeft als bewoners van IJsland, die leven op voortdurend over elkaar heen schuivende aardschollen.

    Broer, zus of zoer

    Pippa maakt kennis met Loke, zoon van Snorri. Ze vraagt zich af of hij echt een jongen is, of een meisje in een jurk. Is hij haar nieuwe broer, zus of zoer? Ze maakt ook kennis met haar nieuwe huis in niemandsland, ‘een paar honderd kubieke meter niet-wit’. Het is een bevreemdende ervaring. Alhoewel Pippa net is gearriveerd lijkt veel vertrouwd. ‘Ik heb een rare smaak in mijn mond, lijk de kamer te proeven: de lampenkap, de halfvergane franje, het gehaakte tafelkleedje, de mat onder mijn sokken, de zoom van het gordijn, de roestvlekken op de kraan.’ En ze herkent tot haar verbazing de akoestiek van het huisje. Alsof ze er eerder is geweest.

    Heden en verleden gaan voortdurend in elkaar over, waardoor maar moeilijk duidelijk wordt of nieuw echt nieuw is of een herhaling. Als haar moeder haar vraagt wat ze van Snorri vindt zegt Pippa dat ze hem goed vindt ruiken. ‘Het is niet direct een lekkere lucht, maar wel een betrouwbare. (…) Hij ruikt naar dit huis. Naar vochtige planken. Naar oude verhalen verschoten behang. Naar stoffige dozen, naar vis, naar aardappelen. Hij ruikt huiselijk.’ In haar herinnering begint haar eigen vader, die ze niet kent, steeds meer op Snorri te lijken.

    Een schim met takkige haren

    Zo huiselijk als Snorri voor Pippa is, zo vreemd zijn de omgeving en de mensen om hem heen voor haar. Vooral op Iðunn krijgt ze maar moeilijk vat. De familie van dit meisje is enkele jaren geleden bij een aardverschuiving met huis en haard in zee geschoven. Volgens velen is Iðunn daarbij met haar moeder omgekomen. Maar wie is dan die schim, bijna doorzichtig, nachtkleurig, met takkige haren, die in een gescheurde, besmeurde jurk rond het huis doolt? Als Pippa haar blik vangt lijkt het of ze wordt aangekeken door een schichtig dier.

    Ook Herdís, de vrouw van Snorri en moeder van Loke, is ongrijpbaar. Als de lente komt staat ze opeens voor het huis, ‘als een verzinsel, schutkleurig in de drek’. Maar ze is wel degelijk echt en treedt meteen binnen om de leiding over het huishouden over te nemen. En over Snorri, Loke, Oddný en Pippa. Alsof dat altijd zo is geweest. Haar komst schudt Pippa’s wereld opnieuw door elkaar en zet een raderwerk in beweging dat haar uiteindelijk haar oude grondvesten terug zal geven alvorens ze weer ongenaakbaar door elkaar te schudden.

    Glijdende aardschollen

    Magnetisch middernacht is de tijd waarop het poollicht op zijn felst is. Het is ook de tijd dat de IJslanders elkaar opzoeken, kerstbomen verbranden, hossen en elkaar verhalen vertellen. Pippa gaat met Loke mee en voelt voor het eerst hoe het is om een broer te hebben. Of een zus of een zoer. Ze voelt zich onderdeel van een groter geheel zonder er veel van te begrijpen. Waarschijnlijk is dat laatste iets waar de meeste lezers zich in zullen herkennen. Want Broekhuysen maakt het hen niet makkelijk. Magnetisch middernacht heeft geen eenvoudig plot en is eigenlijk net zo schimmig als Iðunn. Net zo ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem. Verhaallijnen glijden als aardschollen over elkaar heen, hier en daar een schok veroorzakend, om daarna weer weg te glijden in het niets, waarbij Broekhuysen haar verhaal kruidt met prozaïsch taalgebruik en Noordse mythen. 

    Het proza in Magnetisch middernacht is rijk en beeldend. Wat je leest zie je zo voor je. ‘Het stormt, van slapen is geen sprake. De zee raast, het ijswater wordt door de wind omhoog gezogen, tegen de ruiten gesmeten. De balken kraken.’ Alsof je midden in een IJslandse storm zit. Broekhuysen is vindingrijk en legt de mooiste verbanden. ‘In het hout van de vloer zijn de noesten zo rond als muzieknoten, als ik me een kwartslag draai zijn de planken vol nerven mijn notenbalken. In elke kamer zijn liedjes te vinden.’

    Met de mythologie komt ook de verwarring. Moeders veranderen in zeehonden en wolven bijten handen af. Loke is niet alleen Pippa’s broer, maar in de Noordse mythologie ook de god van chaos en leugens. Wat de vraag oproept waar de vertrouwde steun die Pippa in hem vindt op is gebaseerd. En Iðunn is in de oude verhalen de bewaarster van de appels der jeugd, die de goden de eeuwige jeugd gaven. Terwijl het maar zeer de vraag is hoe eeuwig die jeugd in Magnetisch middernacht is.

  • Oogst week 51 -2024

    Oogst week 51 -2024

    Hafni zegt

    De Deense schrijfster Helle Helle heeft een heel eigen stem in de literatuur. Met haar laatste roman Hafni zegt heeft ze weer voor een bijzondere vorm gekozen. Hafni belt met een vriendin en zegt dat ze gaat scheiden. De vriendin, aan de andere kant van de lijn, is de verteller; ze luistert en geeft spaarzaam commentaar. Hafni viert haar scheiding met een ‘smørrebrødreis’, zoals ze het noemt, een reis die langs tal van Deense plaatsen gaat. De geplande reis zou een week zijn, maar beslaat al een maand. Hafni hangt rond op campings, ze praat over de ontbijtbuffetten, korte ontmoetingen en haar belevenissen, over haar huwelijk krijgen we echter nauwelijks informatie, maar tussen de regels wordt haar verdriet pijnlijk duidelijk.

    Helle Helle schrijft komisch en tragisch. De troosteloze situatie van Hafni wordt pijnlijk duidelijk in korte terloopse zinnetjes. Een roman over het bestaan: vervreemding, vrijheid, schuld en schaamte, en over de zware druk van verwachtingen.

    Hafni zegt
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Querido

    Memoires van een kip – Een Palestijnse fabel

    De Memoires van een kip van de Palestijnse auteur Ishaq Musa al-Husseini is een Palestijnse fabel, die al verscheen in 1943. Een filosofisch ingestelde kip verwondert zich over haar nieuwe ren en observeert haar medekippen, ze denkt na over de zin van het leven, over de echtgenoot (die ze liefdevol deelt met haar ‘zusters’), over nieuwkomers, over leven en dood, rechtvaardigheid, liefde, solidariteit, kortom over een ideale maatschappij. Helaas is er ook dat andere: jaloezie, roddel, haat en nijd en geweld, dat soms dodelijk afloopt. De mooie theorie blijkt in de praktijk van het dagelijks leven in de ren heel anders te werken.

    Sommige critici associeerden de roman (toen al) met het hoogoplopende Palestijns-Joodse conflict en veroordeelden de afloop als te defaitistisch. Anderen interpreteerden het verhaal als een uiting van een algemene utopische toekomstvisie. Toch heeft deze opmerkelijke roman, ondanks het maatschappelijke thema, volgens de auteur niets met politiek te maken. ‘Mijn roman gaat niet over Palestijnen en Joden, maar over kippen.’

    In het nawoord van Richard van Leeuwen zegt deze: ‘Al met al blijft Memoires van een kip een wonderlijk en intrigerend boek, dat zowel in de tijd van verschijning als in de huidige tijd eenduidige interpretaties weerstaat … Het is aan de lezer om te beoordelen in hoeverre het boek een universele of een politieke boodschap bevat.’

    Ishaq Musa al-Husseini (Jeruzalem 1904 – 1973) is vooral bekend om zijn literair-wetenschappelijk werk en van een aantal politiek-analytische boeken. Hij was een geleerde, criticus, filoloog en vertaler. Hij werd in 1904 geboren in Jeruzalem, in een traditioneel, religieus nationalistisch gezin. Na zijn middelbare schoolopleiding studeerde en werkte hij in Caïro, Londen en Göttingen.

    Memoires van een kip - Een Palestijnse fabel
    Auteur: Ishaq Musa al-Husseini
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Mijn moeder

    De moeder van de tweeling Jana en Broer is dood en zal worden begraven in haar geboortedorp Kukkojärvi in Noord-Zweden. Haar kinderen erven het huis en ontdekken al snel dat het leven daar  heel anders is dan ze hadden verwacht. Hun huis wordt bewoond door huurders die er niet uit willen en leven volgens strikte, religieuze regels. Jana is vanaf het begin wantrouwend, maar Broer voelt zich aangetrokken tot de hechte dorpsgemeenschap, waar de nadruk ligt op gezinswaarden en mannelijke overheersing. Jana moet de strijd aangaan om niet alleen het huis maar ook haar broer terug te winnen, terwijl ze tegelijkertijd probeert haar destructieve relatie te beëindigen. Het tweede deel in de trilogie over Jana Kippo en haar leven in een Zweeds dorp met duistere geheimen.

    De Zweedse auteur Karin Smirnoff (1964) debuteerde in 2018 met de roman Mijn broer, het eerste deel in de succesvolle trilogie over Jana Kippo. In 2021 volgde Smirnoff David Lagercrantz op als nieuwe auteur van de bekende Millennium reeks van Stieg Larsson. Haar verhalen spelen zich af in het noorden van Zweden, de Västerbotten-regio waar ook Stieg Larsson vandaan komt en waar Karin Smirnoff woont en werkt en toevallig is haar meisjesnaam ook Larsson.

    Mijn moeder
    Auteur: Karin Smirnoff
    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 48 – 2024

    Oogst week 48 – 2024

    Augustusblauw

    De wereldberoemde pianist Elsa M. Anderson stopt midden in een uitvoering van het Tweede Pianoconcert van Rachmaninov met spelen. Ze staat op en loopt van het podium af. Het orkest en de dirigent, het publiek in de zaal en daarbuiten: ze blijven in verwarring achter. Wat betekent het dat Elsa M. Anderson in een winkel in Athene een vrouw ziet die precies die beeldjes koopt die zijzelf had willen kopen? Dat ze zichzelf in die vrouw herkent is het begin van een reis door Europa. Ze zoekt haar dubbelganger op straat, achtervolgt haar en ontloopt haar. Augustusblauw van Deborah Levy gaat over dubbelgangers, verandering en toeval.

    Deborah Levy (1959) is een Britse schrijver van romans, toneelstukken en gedichten. Haar toneelstukken werden opgevoerd door de Royal Shakespeare Company. Haar romans Swimming Home (2011) en Hot Milk (2016) stonden beide op de shortlist voor de Booker Prize, en The Man Who Saw Everything (2019) stond op de longlist voor diezelfde prijs. Levy’s meest belangrijke dichtwerk is An Amorous Discourse in the Suburbs of Hell (1990), een gesprek tussen een engel en een accountant over spontaniteit, ambitie, logica en tevredenheid.

    Augustusblauw
    Auteur: Deborah Levy
    Uitgeverij: De Geus

    Deze brieven eindigen in tranen

    In Deze brieven eindigen in tranen van Musih Tedji Xaviere ontmoeten Bessem en Fatima elkaar op het voetbalveld. Het is liefde op het eerste gezicht, maar wel een liefde met grote hindernissen. In Kameroen zijn relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht verboden, het is gevaarlijk om queer te zijn. Bij een inval van de politie in een homobar wordt Fatima opgepakt. Ze verdwijnt spoorloos, Bessem blijft alleen achter. Dertien jaar later, als Bessem hoogleraar is aan een universiteit, komt ze een oude vriendin tegen. Is zij de laatste persoon die Fatima heeft gezien? Bessem gaat op zoek naar haar geliefde. 

    Musih Tedji Xaviere is geboren in Njinikom in Kameroen en woont sinds een aantal jaar in Groot-Brittannië. Ze wist al vroeg dat ze schrijver wilde worden, als elfjarige, na het lezen van Charles Dickens’ Oliver Twist (1838). Als twintiger publiceerde ze zelf een young adult roman omdat er voor haar in Kameroen geen mogelijkheden waren bij traditionele uitgeverijen. Met haar debuutroman, Deze brieven eindigen in tranen, die de Pontas Prize en de JJ Bola Emerging Writers Prize won, kwam haar droom uit.

    Deze brieven eindigen in tranen
    Auteur: Musih Tedji Xaviere
    Uitgeverij: Orlando en Oxfam Novib

    Magnetisch middernacht

    Een lawine sleurt het huis van Iðunn, Lokes buurmeisje, met bewoners en al de zee in. Lokes moeder kan niet van de schok bekomen. Ze blijft Iðunn zien, gelooft dat het meisje nog leeft en blijft haar zoeken. Omdat ze weigert die zoektocht op te geven, brengt haar man haar naar een psychiatrische kliniek. Na niet al te lange tijd krijgt Loke een nieuwe moeder en een stiefzusje, Pippa. Met zijn vieren vormen ze een nieuw gezin. Op een dag zien Loke en Pippa een meisje op de helling. Is het Iðunn? Ze heeft takkenharen en lijkt op een dier. 

    Laura Broekhuysen (1983) studeerde niet alleen viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar ook Writing for performance aan de theaterfaculteit in Utrecht. Haar debuutroman Twee linkerlaarzen (2008) werd genomineerd voor de Selexyz Debuutprijs en de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. Winter-IJsland, mijn eerste jaar in een verlaten fjord (2016) en Flessenpost uit Reykjavik (Querido, 2019) werden beiden genomineerd voor de Confituur Boekhandelsprijs. Ook stond Winter-IJsland op de shortlist voor de Bob den Uyl Prijs. Haar eerste dichtbundel, Wij capabelen verscheen in 2022.

    Magnetisch middernacht
    Auteur: Laura Broekhuysen
    Uitgeverij: Querido
  • Kampioen van het gelukkige leven op aarde

    Kampioen van het gelukkige leven op aarde

    Herman Schönfeld Wichers, de schrijver Belcampo, leefde bijna de hele 20e eeuw en heeft het merendeel van die jaren verhalen geschreven. Met Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo is nu een welverdiende biografie over hem uitgegeven. Voor Herman Schönfeld Wichers was schrijven tot het eind toe een plezier. Van belangstelling voor zijn persoon was hij wars, hij wilde om die reden bijvoorbeeld geen herkenbare portretfoto op zijn werk. Biograaf Nico Keuning laat de lezer nu toch uitgebreid kennismaken met de schrijver én mens Belcampo/Schönfeld Wichers: de notariszoon, levensgenieter, zwerver, echtgenoot, vader, arts en pleitbezorger van een ‘ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde.’

    Een korte proloog nodigt direct uit tot doorlezen. Keuning neemt de lezer in een prettige, toegankelijke schrijfstijl bijna letterlijk mee in de trein naar Rijssen, waar Belcampo’s wortels liggen. In oktober 2021 ontmoet hij daar Belcampo’s inmiddels bejaarde dochter Maartje om te onderzoeken of hij haar vaders biograaf zal worden. ’s Avonds brengt een taxi hem terug naar het station. Hij neemt plaats op de achterbank met naast zich zijn rugzak. Symbolischer kan haast niet. De teerling is geworpen; Keuning wordt biograaf van de man die het liefst vanuit de rugzak leefde, de wereldwandelaar en schrijver Belcampo.

    Groots en onbekommerd leven en schrijven

    De biografie leest bij tijden als een spannende roman. Herman Pieter Schönfeld Wichers lijkt in eerste instantie in de wieg gelegd voor burgerman met een respectabel beroep. Het gezin vestigt zich als Herman vier jaar oud is in het stadje Rijssen in Overijssel waar vader een notarispraktijk overneemt. Herman en zijn broer Karel groeien daar op en gaan in vaders voetsporen beiden rechten studeren. Maar het zijn andere voetsporen van vader die Herman volgt. Vader Jaap geeft meer om vrije tijd dan om geld, hij is bijzonder sportief, actief en handig en leeft zijn zoons een ‘vrijbuitersleven’ voor. Al vóór Herman aan de studie rechten begint blijkt dat zijn prioriteit niet bij studeren en een maatschappelijke carrière ligt, maar bij reizen en daarover schrijven. Doordat hij als tiener tbc krijgt verblijft hij als middelbare scholier en in aanloop naar zijn universitaire studie jaren in sanatoria, eerst in 1919 in het dan vrij nieuwe sanatorium in Renkum, later vanaf 1920 in Davos. Daar kan hij steeds meer wandelen en in de oneindige zeeën van tijd die hij heeft brieven schrijven. Hij blijkt een open blik te hebben en een grote opmerkingsgave, vindt schrijven een ‘prettig tijdverdrijf’ en beschrijft in vele brieven uitgebreid wat hij ziet, meemaakt en beschouwt. In een tussenjaar waarin hij zich voorbereidt op zijn staatsexamens Grieks en Latijn trekt hij met zijn rugzak door Nederland, Zwitserland en Italië en schoolt hij zich autodidactisch in talen, tekenen kunst en literatuur. De studie rechten wordt langzaam maar zeker afgerond maar een laatste examen notarieel recht haalt hij keer op keer niet. Als zijn vader hem jaren later in 1933 min of meer de wacht aanzegt, breekt Herman. Hij wil niet ‘terug in het hok’. In het vrij rondreizen in een ‘zee van belevenissen’ leeft hij ‘groots en onbekommerd’ en dat is wat hij wil. Het enige wat hij mist, is de zegen van zijn vader. En die krijgt hij dan.

    Belcampo’s schrijverschap is in vele opzichten bijzonder. In de eerste plaats omdat hij naar eigen zeggen nooit de ambitie heeft gehad om schrijver te worden of daar geld mee te verdienen, sterker nog, dat is volgens hem zelfs onwenselijk want kan het schrijfplezier in de weg staan. Keuning laat in de biografie regelmatig zien hoe Belcampo’s ‘fantastische verhalen’ ontstaan, namelijk door wat hij als sensitieve reiziger opmerkt in de werkelijkheid om zich heen en hoe hij dat vervolgens vormgeeft in originele, creatieve, grappige, soms ver doorgevoerde bizarre en absurde verhalen. Deze door Keuning beschreven herkomst en achtergrond van sommige verhalen is interessant en verhelderend. Daarnaast is Belcampo’s werk een unieke, bijzondere eend in de bijt van het Nederlandse literaire landschap. Toenmalige recensenten als Vestdijk en Ter Braak typeren de verhalen onder andere als ‘komische grotesken’ en ‘sprookjesparodieën’. Zijn werk ‘raakt de sciencefiction’ en er worden wel overeenkomsten tussen het werk van Belcampo en de stijl en inhoud van Bordewijks Fantastische vertellingen genoemd of verwantschap met de fantasie in Maarten Biesheuvels verhalen. Keuning noemt een overeenkomst met de realistische beschrijvingen van een surrealistische werkelijkheid uit het werk van Rob van Essens ’absurdistische en geestige romans’. Dat Van Essen net als Belcampo uit Rijssen komt en in zijn werk soms naar hem en zijn werk verwijst, zoals met het geheimzinnige boshuisje in Ik kom hier nog op terug, is vermeldenswaard maar de veronderstelde verwantschap in het werk van beide schrijvers lijkt wat gezocht.

    Ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde

    Een heikel punt is de beschrijving van Belcampo’s privéleven als echtgenoot en vader. Na bijna twintig jaar huwelijk scheiden Belcampo en zijn vrouw Joke in 1959. Joke vertrekt met de twee zoons naar Amsterdam. Zij willen daarna alle drie geen contact meer met hun man en vader en ook niet met dochter en zus Maartje die zelfstandig in Amsterdam woont maar wel contact met haar vader blijft houden. ‘Man en vrouw zijn van nature ‘omnigaam’ ‘, zegt Belcampo in zijn De filosofie van het Belcampisme, ‘misschien moeten alle huwelijken na vijf jaar van rechtswege worden ontbonden.’ Hier spreekt de vrije jongen, die weer kan ‘doen en laten wat hij wil’ en enige tijd later een relatie aangaat met de meer dan dertig jaar jongere Doite. De biograaf doet zijn best zich in te leven in Joke. ‘Het thuisblijven eiste een zware tol’ en Joke ‘mist het enerverende leven in haar vertrouwde stad’, maar wat hij erover zegt blijft speculatief of alleen gebaseerd op de veronderstellingen van dochter Maartje en hemzelf. Dat de zoons niet mee wilden werken valt de biograaf niet euvel te duiden, maar de eenzijdige beschrijving wringt en maakt nieuwsgierig naar hun versie.

    Het grootste deel van zijn leven heeft Belcampo in de stad Groningen gewoond, namelijk van 1954 tot zijn dood in 1990. Hij vestigt zich daar met zijn gezin als parttime studentenarts, nadat hij op late leeftijd in twaalf jaar (!) tijd een geneeskundestudie heeft doorlopen. Het was een luizenbaantje, precies wat hij wilde, want ‘van werken wordt niemand heel gelukkig’. In deze jaren groeit zijn plezier in openbare optredens en blijkt ook meer en meer zijn maatschappelijke betrokkenheid. Volgens Keuning is deze al aanwezig in Belcampo’s eerste verhalen in een levensbeschouwing ‘tegen dogmatisch geloof en maatschappelijke dwang’. In 1923 zegt Belcampo te deserteren als hij het leger in zou moeten. Op jonge leeftijd heeft hij een abonnement op het communistische tijdschrift De Tribune (‘zedelijk vergif voor een jongmens’ volgens zijn moeder) en ook in Groningen blijkt zijn engagement. Het is mede dankzij Belcampo’s publieke inzet in de jaren ‘70 dat de negentiende-eeuwse Groninger stadsschouwburg behouden blijft. Belcampo en buren voeren (tevergeefs) actie tegen een groot casino bij hen om de hoek en hij strijdt eind jaren ’70 tegen de beoogde locatie van het nieuwe Groninger Museum tegenover het hoofdstation, een strijd die hij – met de kennis van nu – gelukkig verloor. In 1985 verschijnt een stuk tegen de plaatsing van kruisraketten in de Volkskrant ondertekend door H. Schönfeld Wichers en zijn vriend Arend Rutgers.

    Groningen is voor velen ver weg. Het is wellicht daardoor dat er enkele foutjes in het Groningse deel van de biografie geslopen zijn, zoals de vermelding van café De Kale Jonker (gestart 1982) in de jaren ’50 en het feit dat NoordWoord (sic) de jaarlijkse Belcampolezing ter stede organiseert (dat doet de plaatselijke Rotaryclub JA). Een kniesoor die hierop let. Keuning heeft met Groots en onbekommerd een boeiende biografie geschreven over de ‘gulzige genieter’ Belcampo.

     

     

  • Oogst week 43 – 2024

    De Zieners

    Hannah, een dakloze Eritrese vluchtelinge moet in London zien te overleven. Eerst woont ze op een opvangadres in Kilburn, maar al snel slaapt ze onder een boom in een parkje in Bloomsbury. Van haar leven in Eritrea is niets anders over dan het dagboek van haar moeder, die jong gestorven is. Het verhaal dat erin staat, over de levensgeschiedenis van haar ouders, is niet makkelijk te verteren. In De zieners, een roman die uit een enkele alinea bestaat, belicht Sulaiman Addonia wat het betekent om een vluchteling te zijn in een stad als Londen, waarbij hij de hoogstpersoonlijke aspecten van het psychologische en seksuele leven van Hannah niet schuwt.

    Sulaiman Addonia (1974) woont in London. Eerder verschenen al twee romans van zijn hand, Als gevolg van de liefde, waarin een twintigjarige vluchteling verliefd wordt op een jonge vrouw die een burqa draagt, en Silence Is My Mother Tongue, een boek over een broer en zus die zich staande proberen te houden in de chaos van een vluchtelingenkamp. Addonia werd geboren in Eritrea en vluchtte in 1976 met zijn familie naar Soedan, waar hij zag hoe zijn vader vermoord werd. Samen met zijn moeder en jonger broertje leefde hij in Jedda tot hij in 1990 asiel aanvroeg en kreeg in Groot-Britannië. Meerdere van zijn boeken zijn genomineerd voor prijzen, waaronder de Lambda Literary Award for Bisexual Fiction en de Orwell Prize voor politieke fictie.

    De Zieners
    Auteur: Sulaiman Addonia
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Na de zon

    Het is niet makkelijk te zeggen waar Na de zon van Jonas Eika over gaat. Het boek omvat vier korte verhalen, waarvan er een in twee delen is gesplitst. Ogenschijnlijk zijn de verhalen heel verschillend. In Cancún verlenen jonge jongens hun diensten aan rijke strandbezoekers. Een IT-consultant in Kopenhagen komt, na het missen van een werkafspraak, terecht in wereld die hij niet kent: de handel in derivaten. Een drietal dat als een gezin probeert te leven gaat gebukt onder verslaving, geldgebrek en de stress van de verwachte komst van een baby. En wat is er aan de hand met de rouwende oude man die geobsedeerd raakt met een vreemd voorwerp dat hij in de woestijn vindt? De vraag moet misschien niet zozeer zijn waar het boek over gaat, maar waar het óm gaat. Wat wil Eika ons vertellen met deze set verhalen?

    Jonas Eika (1991) is een Deense schrijver. Met hun fictie sleepte hen al een aantal prijzen in de wacht. Zo ontving hen de Bodil & Jørgen Munch-Christensen Prijs voor hun debuut, Lageret Huset Marie. En ook Na de zon werd bekroond, met de Michael Strunge Prijs en de Blixenprijs. Een van de verhalen eruit werd voorgepubliceerd in The New Yorker.

    Na de zon
    Auteur: Jonas Eika
    Uitgeverij: Koppernik

    Alle tijden zijn onzeker

    Het is 1783 en wetenschappelijke vernieuwingen en technologische ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Een luchtballon stijgt op, met mensen aan boord, de verschillen tussen arm en rijk zijn gigantisch en dat er ineens vaccinaties bestaan ziet niet iedereen als een zegen. Wie is er voor vernieuwing, wie is ertegen en hoe ziet dat eruit? In Alle tijden zijn onzeker brengt Joke van Leeuwen dat in beeld. Ze volgt Marie, een nuchter type en Vince, die veel speelser is, die hun eerste schreden zetten als stel. En dan is er nog Pierre, die zich verliest in zijn strijd tegen wat hij als het kwaad ziet. De paralellen met vandaag zijn niet toevallig.

    Joke van Leeuwen (1952) schrijft boeken voor kinderen en volwassenen. Ook is ze dichter en illustrator, maakt ze theaterprogramma’s en treedt ze op als performer. Eerder ontving ze onder andere de Theo Thijssenprijs voor haar kinderboeken, de C. Buddingh’-prijs voor haar dichtbundel Laatste lezers en de AKO Literatuurprijs voor het boek Feest van het begin.

    Alle tijden zijn onzeker
    Auteur: Joke van Leeuwen
    Uitgeverij: Querido
  • Poëzie om de wereld te kunnen aanzien

    Poëzie om de wereld te kunnen aanzien

    Wie tegen de vijftig loopt en daarmee statistisch gezien de helft van zijn leven achter zich heeft, gaat zichzelf onwillekeurig vragen stellen over de eerste helft: Wie was ik vroeger? Ben ik geworden wie ik altijd al wilde zijn? Wat doe ik met de rest van de mij toegemeten jaren?

    Ook Bernard Wesseling stelt die vragen in zijn nieuwe bundel Ontkrachtingen en Affirmaties. Maar bovendien vraagt hij zich af hoe hij zich nu verhoudt tot de wereld, vergeleken met vroeger. De titel van de bundel geeft dat al aan: wat kan ik behouden van vroeger, wat is vals gebleken? Wat neem ik mee, wat wijs ik af? Wat is waan, wat zijn zekerheden? In de gedichten kijkt Wesseling met een kritisch oog naar de wereld en naar zichzelf. De afbeelding op de voorkant speelt met vroeger en nu door de woorden van klein naar groot en andersom te laten gaan, alsof daarmee vertrek- en eindpunt steeds gewisseld worden, van verleden naar toekomst.

    De bundel bestaat uit twee naamloze afdelingen, die vooraf gegaan worden door een inleidend gedicht, waarin het jongere zelf van de dichter zich in een brief, een ‘memo’, richt tot het oudere zelf en verantwoording aflegt: ‘Als ik de aanjager was van je ongeluk, dan ook de vonk van je levenslust.’ Met andere woorden: aanvaard wie je was, want het is de kern van wie je nu bent.

    Verzoening

    In de eerste afdeling wil de dichter de wereld doorgronden waarin hij is opgegroeid en die hij nu om zich heen ervaart. Maar vooral is het een poging tot verzoening van de staat van de wereld zoals die is met de mate waarin de dichter die kan bevatten. De wereld dringt zich in de poëzie naar binnen. Dat blijkt al uit het eerste gedicht, ‘Heenkomen’, dat in drie delen vertelt over de geboorte van een kind dat verwekt werd tijdens de vlucht van zijn ouders, die hun thuisland hebben verlaten omdat het er niet veilig was:

    ‘pijnlijk aanwezig, nerveus door omstanders bekeken bij het inschepen
    voor de overtocht naar het Avondland om in die nacht van onbekend
    op onbekend, boven het onpeilbaar diep,
    met de schreeuw waarmee het tijdelijke voor het eeuwige wordt verwisseld,
    buiten territoriale wateren te worden geboren […]’

    Ook wordt er een tolk aan het woord gelaten in het gedicht ‘Een tolk spreekt zich uit’, die een nieuwkomer probeert uit te leggen hoe we hier in Nederland leven. Het is een gematigd kritische zelfbeschouwing: ‘Het moet gezegd: hier hangt de vlag uit van verdraagzaamheid,/ maar het is de handelsgeest die erdoor waait.’

    Wesseling beziet de hem omringende wereld met een milde blik als hij dicht over Jehova’s getuigen, over anarchisten in de trein, een achterneef in een inrichting, of met een aaneengesloten prozagedicht een pagina lang de zaterdagmarkt beschrijft. Het zijn alledaagse dingen en alledaagse mensen die hij beschrijft, maar de buitenwereld en de eigen beleving kunnen moeilijk van elkaar gescheiden worden in een gedicht als ‘Ontwijding’ of ‘Bekentenisgedicht’, waarbij in het eerste sprake is van kindermisbruik en in het tweede van een vroegere relatie met een man.

    Meerdere keren lezen

    Deze gedichten vormen de verbinding naar de tweede afdeling, waarvan de gedichten veel persoonlijker zijn en de altijd aanwezige invloed van de maatschappij minder sterk naar voren komt. Zoals in de eerste afdeling de wereld in de poëzie doordringt, zo kan het andersom ook: poëzie kan een manier zijn om de wereld toe te laten in je persoonlijke leven, een gewaarwording die beide elementen verbindt. In deze afdeling gaat het over de toevalligheid van het bestaan, over ‘Ongerijmdheden’, over de onlogische hoop dat het toch wel in orde zal komen met de wereld. Over het doorgronden van waar je vandaan komt en hoe dat je heeft beïnvloed in je verdere leven.

    Hoewel Wesseling altijd de stijlfiguur ironie hanteert, zijn de gedichten in deze afdeling overtuigender, alsof hij de onderwerpen dichter op de huid zit en niet alleen maar toeschouwer is, maar ook medespeler. Zoals in het lange gedicht ‘Het meesterwerk. Een vertelling met verbeterd einde’, waarin een kunstenaar na het scheppen van zijn beste werk het gevoel krijgt dat er geen ruimte is voor hen beiden: hij moet het kunstwerk vernietigen of de hand aan zichzelf slaan. De laatste versregels luiden: ‘Nee, dacht hij in een pijnlijk helder moment, dat werd afgedwongen door de nabijheid / van het meesterwerk, ik zou het niet verdragen als het genegeerd werd zoals ik een / van hen ben, zo is het van iedereen.’
    De solitaire liefde voor het kunstwerk moet het afleggen tegen het gevoel bij de anderen te willen horen.

    Het taalgebruik van Wesseling is zorgvuldig en overdacht, zijn beeldspraak verrassend en origineel. Zo zegt hij in het gedicht ‘Regen’ dat je aan de regen kunt zien ‘dat de hand van de schepper die van een striptekenaar is’, omdat regen de wereld lijkt te arceren.

    Het al eerder genoemde gedicht ‘Lofzang op de zaterdagmarkt’ beslaat een hele pagina zonder dat er een komma in te bespeuren valt en met slechts één punt achter het allerlaatste woord, een kunstgreep die de opsomming van wat er te zien is ademloos omhoogstuwt in een sneltreintempo. En in het gedicht ‘Kunstenaars zijn despoten’ beweert de dichter: ‘De muze, mensen, / is een dominatrix. Koudbloedig, in spiegeld latex, rijzweep ter hand, / door hen, zinnelijke beesten, het is waar, zelf aangereikt.’

    De gedichten zijn lang en de zinnen hebben de hele bladspiegel nodig. Hoewel het taalgebruik van Wesseling niet moeilijk is, moet je toch vaak meerdere keren lezen waar het eigenlijk over gaat. Ook gebruikt de dichter veel adjectieven en houdt hij van opsommingen, waarbij je in de gaten moet houden wat het uitgangspunt is. Zo spreekt hij in het gedicht ‘In de trein zit een jonge anarchist’ in de tweede strofe over wat poëzie niet is:

    ‘Poëzie, denk je, is toch vooral veel dingen niet: de agitprop van het pamflet,
    je intelligentie in quotiënten, wenskaartsentimenten, sussende sofismen,
    de santenkraam van naam en faam, de sekse strijd, meteorologische huzarenstukjes,
    intertekstuele hoogstandjes, de tijdgeest gebotteld, de toekomst ontkurkt,
    de viering van vulgariteit, en al helemaal niet De Waarheid in kapitalen…’

    Wat poëzie dan wel is? In een interview met Frits Spits in ‘De Taalstaat’ verklaart Wesseling dat ‘poëzie het middel bij uitstek is om de wereld te kunnen aanzien zonder te verstarren, een manier van leven, een religie voor ongelovigen, een manier van vertrouwen in wie je bent en de vorm waarin je jezelf wilt gieten.’ Met deze affirmaties kan de dichter met een gerust hart aan de tweede helft van zijn leven beginnen.

     

  • Een invuloefening

    Een invuloefening

    De liefdesgeschiedenis Dora doet een beetje denken aan de voorstelling The Second Woman van Nat Randall en Anna Breckon die dit jaar in het Holland Festival staat. Georgina Verbaan zal in een theatermarathon honderd keer, met verschillende, voor haar onbekende tegenspelers, steeds dezelfde scène spelen. The Second Woman gaat over een vrouw en een man die dan weer menen van elkaar te houden en dan ook weer niet. De man vertrekt. Een enorme rommel achterlatend.

    In het boek van Toon Tellegen gebeurt iets soortgelijks. Tweeënvijftig keer in het totaal, iets meer dan de helft van The Second Woman. In het boek draait het ook om een man (Vink) en een vrouw (Dora). Hier is het de vrouw die telkens weer naar – in dit geval – het strand vertrekt. Ze laat haar man achter. De rommel die door een buitenstaander of door Vink zelf wordt veroorzaakt, wordt elke keer weer door Vink opgeruimd en opgebouwd voor het nieuwe hoofdstuk.

    Een scène die telkens wordt herhaald

    De scène is in wezen telkens hetzelfde. Vink wordt op een morgen wakker, neemt de kamer in ogenschouw en denkt aan Dora. Hij wil haar eigenlijk meenemen naar het strand, maar kan de woorden niet over zijn lippen krijgen, gelijk Cordelia in King Lear van Shakespeare haar ‘hart niet naar de lippen kan tillen’. Vink ziet een vaas met bloemen staan en aan de muur hangt ‘een klein schilderijtje’. Een volgende keer wordt het tafereel ingevuld: het gaat om ‘een paardenrace in Engeland’. De bloemen blijken rode gladiolen te zijn. Naast Dora komt als personage de heer Leenderts voor, die de gewoonte heeft alles kort en klein te slaan. De vaas met bloemen, het schilderijtje van de muur. Waarom? Hij komt elke ochtend opdagen en waarschuwt Vink, maar waarvoor?

    Dora komt binnen en nu is zij het die naar het strand wil. Ze heeft een picknickmand bij zich. Uiteindelijk gaat ze alleen. Twee jongens staan voor het raam. De een gaat op de schouders van de ander staan, kijkt naar binnen en rapporteert aan de andere jongen wat hij ziet. ‘Gladiatoren,’ bijvoorbeeld. Daarna gaat er een of gaan ze allebei voetballen. Er zijn nog andere constanten: een motorfiets die langsrijdt, een liedje dat op het gazon voor de deur wordt gezongen door een koor onder leiding van een moedeloze dirigent: Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar onze liefde, onze liefde blijft altijd bestaan. Boven elk hoofdstuk staat een trefwoord, variërend van aardig, gezellig, tot hartverwarmend enzovoort. In een register achter in het boek zijn ze allemaal nog een keer alfabetisch gerangschikt, als gaat het om een wetenschappelijke verhandeling. Het zijn allemaal emoties en stemmingen.

    Een stuk repetitieve muziek

    Deze opzet doet niet alleen denken aan het toneelstuk The Second Woman, waarvan Tellegen misschien de filmversie uit 1950 kent, maar ook aan een stuk repetitieve muziek uit het Amerika van zo’n tien jaar later (Terry Riley, Steve Reich en anderen): een motief dat telkens wordt herhaald, met aldoor minieme veranderingen, verschuivingen en aanvullingen. Verder gebeurt er niet of nauwelijks iets. Niet in de muziek en ook niet in het oorspronkelijk in 1998 verschenen boek.

    Misschien ga je bij het luisteren naar een stuk repetitieve muziek op het puntje van je stoel zitten en kun je soms zelfs in een bepaalde vorm van trance raken, bij het lezen van een boek als dit moet je doorzetten. Of je legt het boek weg, of je bent nieuwsgierig (het woord komt in het register voor…) en leest door. Ondanks een gebrek aan spanning, die de aandacht soms doet verslappen, wil je weten hoe het afloopt. Als het al afloopt.

    Opeens zit er een ontwikkeling in de karakters. Vonk laat Leenderts’ gedrag en dagelijkse waarschuwing niet zomaar lijdzaam over zich heenkomen. Hij wordt boos (staat in het register), zegt stampvoetend en met zijn vuisten zwaaiend, dat Leenderts stinkt. En het koor zingt opeens een andere tekst, waarin geen bloemen vergaan, maar liefde vergaat. Leenderts wil de schade ten gevolge van Vinks uitval opeens vergoeden. De koordirigent ziet het niet meer zitten en loopt weg, Vinks vrouw blijft thuis en vraagt of haar man Anna Karenina al eens heeft gelezen. Is dat ook als waarschuwing bedoeld? Een roman over een vrouw die verliefd wordt op een ander?
    Het is allemaal eenmalig en de gewone, dagelijkse gang neemt tot op zekere hoogte weer zijn loop. Elk hoofdstuk wordt weer op dezelfde manier opgebouwd. Heeft de verteller, Vink, houvast nodig, vraag je je als lezer af. Is hij misschien aan het dementeren? Er zijn signalen die in die richting wijzen; hij verwart Dora met zijn moeder (Dora? Nora?) en met Leenderts, wordt opeens boos en flapt er iets uit.

    Grotere veranderingen

    De grootste veranderingen liggen in het feit dat het koor opeens binnen staat te zingen, en de twee buurjongens niet langer buiten voor het raam staan, maar ook binnen zijn. Alles lijkt intern te zijn geworden. Geïnternaliseerd als het ware. Ook Dora komt van buiten, wanneer ze Vink komt opzoeken, wat een andere wending aan het geheel geeft. De picknickmand lijkt zo opeens meer op een mand fruit die je aan een bedlegerige in een tehuis komt brengen. Zoals een koor daar soms met hoogtijdagen in de gang staat te zingen. Bedlegerig is Vink steeds meer. Hij kan niet of nauwelijks meer opstaan. Koortsdromen houden hem in de greep en roepen een surrealistische sfeer op.
    Uiteindelijk gaan Dora en Vink toch samen naar het strand. Op de motorfiets. Als lezer mag je invullen wat daar gebeurt. Had Leenderts met zijn waarschuwingen iets voorzien? Of hebben de scherven van de vaas met gladiolen uiteindelijk toch geluk gebracht? Die twee mogelijke eindes geeft Tellegen niet weg. Dat hoeft ook niet. De lezer mag ook wel wat doen. Meer misschien dan je in eerste instantie verwacht bij zulke repetitieve scènes die uit hetzelfde stuk hout zijn gesneden.