• Het dunne ik

    Het dunne ik

    In A Quiet Passion, een film over de negentiende-eeuwse Amerikaanse dichteres Emily Dickinson – zij van de streepjes – komt een kitscherige scène voor waarin zij zich tot een baby richt met het volgende gedicht:

    I’m Nobody! Who are you?
    Are you – Nobody – too?
    Then there’s a pair of us!
    Don’t tell! They’d banish us – you know!

    How dreary – to be – Somebody!
    How public – like a Frog –
    To tell one’s name – the livelong June –
    To an admiring Bog!

    Peter Verstegen gaat in zijn omvangrijke vertaling van haar gedichten uit van een variant met ‘advertise’ in plaats van ‘banish us’:

    ‘k Ben Niemand! Wie ben jij?
    Ben jij – ook – Niemand? Wel –
    Dan zijn we een stel! Maar hou
    het stil! Of het wordt doorverteld!

    Iemand – te zijn – hoe akelig!
    Een junilang – gekwaak –
    Als openbare Kikvors – met
    De hele Poel als claque!

    Ik las de ondertitels mee en er viel me iets op aan de slotregel, ik ben vergeten wat, waardoor opeens tot me doordrong dat ‘admiring’ het woord ‘mire’ bevat, dat ‘moeras’ kan betekenen en ook ‘wegzinken in de modder’ en ‘besmeuren’. Allemaal zeer ter zake.

    Emily Dickinson was domweg niet in staat ‘iemand’ te zijn. Althans, dat is het gangbare beeld van de dichteres dat ook deze film laat zien. Enerzijds waren er de beperkingen van samenleving, godsdienst en ouderlijk huis, anderzijds was ze nu eenmaal zo gebakken: veel te afwijkend, veel te eigenzinnig, veel te schuw ook. Amper in staat tot compromissen. Ze kon niet anders. Ontmoetingen met vreemden beperkte ze graag tot brieven en briefjes, ook wanneer de ander zich in het belendende vertrek of huis bevond. Tijdens haar leven publiceerde ze vrijwel niets.

    Inmiddels is ze een reuzin in de Amerikaanse literaire canon, een ‘Iemand’ als geen tweede, maar wel op eigen voorwaarden, naar eigen maatstaven. Haar gedichten ogen nog altijd modern, om niet te zeggen vreemd (met al die streepjes en hoofdletters en dat ongebruikelijke vocabulaire) en zijn vaak niet gemakkelijk te doorgronden.

    Zou iemand in onze tijd zich er op willen laten voorstaan ‘Niemand’ te zijn? Let wel, Dickinson noemt zich niet ‘a nobody’; dat is een aanduiding van maatschappelijke onbeduidendheid, van gebrek aan status. Nee, kortweg ‘Niemand’, en onmiskenbaar in gunstige zin.

    Wij leven in het tijdperk van wat filosoof Harry Kunneman in 2005 het ‘dikke ik’ heeft gedoopt: het autonome individu dat zich de kaas niet van het brood laat eten en meer wil, altijd meer, koste wat het kost. In Dickinsons beeldspraak: een kikker die onophoudelijk ‘ikke-ikke-ikke’ roept en zich onsterfelijk waant terwijl zijn leven toch heus slechts een zomer duurt.

    Toevallig (nou ja, ‘toevallig’, een pensionado moet ook z’n tijd maar zien te vullen) zag ik kort daarop een andere film waarin de hoofdpersoon ook al beweert ‘niemand’ te zijn. Het Joods Historisch Museum vertoonde Zelig van Woody Allen, een mengeling van diepzinnigheid, humor en parodie, een meesterlijke mockumentary uit 1983. De hoofdpersoon gaat door het leven als ‘menselijke kameleon’. In gezelschap van mannen verandert hij, zowel geestelijk als lichamelijk, in ieder opzicht in de ander. Hij wordt een Chinees, een rabbi, een psychiater, een Spanjaard, een nazi, een afro-amerikaan – compleet met passende kleding, motoriek, taalgebruik, alles. In het echt – maar wat is ‘echt’  in dit geval? – is hij een joodse man van eenvoudige komaf.

    Hij valt in handen van de massamedia en van de medische stand. Zijn psychiater brengt hem onder hypnose en Zelig biecht op wat hem scheelt: ‘I want to be liked.’ En hij voegt er aan toe: ‘I am nobody. I am nothing.’

    Het verschil met Dickinson kan niet groter zijn. Bij haar gaat het om het afwijzen van een confectie-identiteit teneinde de eigenheid te beschermen; bij Zelig om het zich radeloos conformeren aan zijn omgeving, als een tweede natuur, teneinde geaccepteerd te worden. ‘Innere Emigration’ in de meest radicale vorm; een allegorie van hét Joodse vraagstuk van de diaspora: wel of niet assimileren.

    ‘Niemand zijn’ is een oud motief in de literatuur. Odysseus is de cycloop Polyphemus te slim af door hem wijs te maken dat hij ‘Niemand’ heet. Hij steekt hem zijn enige oog uit en de domme reus roept tegen zijn vrienden dat niemand hem z’n oog heeft uitgestoken. Dat zal destijds, rond 800 voor het begin van onze jaartelling, een lachsucces van jewelste hebben opgeleverd. Of neem My Name is Nobody, de spaghettiwestern van Sergio Leone uit 1973.

    Blijft de vraag of Dickinsons advies aan de boreling verstandig is. ‘Niemand’ zijn is een onmenselijk zwaar lot. Alleen de mystici, die verlangen ernaar. Meester Eckhart, in zijn preek naar aanleiding van ‘Zalig zijn de armen’: ‘wil de mens waarlijk arm zijn, dan moet hij zo leeg van geschapen wil zijn als hij was toen hij er nog niet was.

    Aan de andere kant, het ‘dikke ik’ willen we evenmin. Ik moet er nog eens over nadenken: waar plaats ik mezelf op een schaal van 1 tot 10?

     

     

  • Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    In het derde hoofdstuk van Max Havelaar vertelt de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, hoe zijn zoon Frits uit het pak van Sjaalman een lang gedicht van Heinrich Heine had opgevist. Het gebeurde tijdens een avondje bij de familie Rosemeyer.  De zoon had het voorgedragen en zou dat kunststukje, op dringend verzoek van de andere gasten, herhalen:

    ‘Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee ’t hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was — waarin ze groot gelijk had, vind ik — dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling.’

    Ik moest aan deze Havelaar-passage denken bij het lezen van De schennis van Lucretia van Shakespeare. Dit lange gedicht verhaalt van de beeldschone Lucretia, echtgenote van een Romeinse vorst, die zozeer wordt begeerd door een edelman, dat deze haar  ’s nachts overrompelt en verkracht. Vervuld van schaamte en weerzin pleegt Lucretia, nadat ze haar man gesmeekt had haar te wreken, zelfmoord.

    Reuzensprongen door de tijd

    Deze samenvatting doet geen recht aan Shakespeare’s rijmende vertelling van 265 strofen van elk zeven regels. Toch komt het verhaal hier op neer. Shakespeare wijdt uit, vergelijkt en herhaalt. Hij schrijft, kortom, poëzie. Het is een serieus, soms schokkend gedicht dat ons met reuzensprongen door de tijd voert. De gebeurtenis zelf voltrekt zich ca. 500 jaar vóór onze jaartelling tegen de achtergrond van het ontstaan van de Romeinse republiek. Shakespeare ontleende zijn motief aan teksten van Livius en Ovidius van ruim een half millenium later. Shakespeare zelf  publiceerde dit gedicht in 1594. Het is een uitdaging dit lange en vormvast opgebouwde gedicht te lezen en de bekoring ervan te ondergaan. Hoewel een verkrachting zich moeilijk leent voor een poëtische behandeling, wordt het gedicht zeker spannend en dramatisch wanneer de lezer weet wat de sluwe verkrachter Tarquinus van plan is.​

    De werkelijke betekenis van deze publicatie zit in de toegang die tot de tekst wordt verschaft. Uitgever en vertaler – het moet gezegd – reiken de lezer hierbij optimaal de hand. Op de linkerbladzijde lezen we de Engelse tekst, rechts de metrisch parallelle en dus gelijkvormige vertaling van de hand van Peter Verstegen. De bonus van deze publicatie is verborgen in de noten en het commentaar. Per couplet wordt daar namelijk een letterlijke vertaling van de tekst gegeven, zonder het keurslijf van metrum en rijm. Dat zijn dus drie versies van Shakespeares tekst: het origineel, de dichterlijke omzetting in het Nederlands en de letterlijke vertaling.

    Engels van vierhonderd jaar geleden

    Shakespeare lees je het best in het Engels. Maar het Engels van vierhonderd jaar geleden begrijpen, is niet voor iedereen weggelegd. Waar vertaler Peter Verstegen zich aan de vormvastheid onderwerpt, is de vertaling teleurstellend. Je merkt hoe de vertaler zich in bochten wringt  om het Nederlands metrisch en qua betekenis gelijk op te laten gaan met het Engels, en daar lijdt het resultaat onder. Terwijl de vrije, letterlijke vertaling van  de tekst, (die ‘verstopt’ zit in het verklaringen- en notenapparaat), wel de noodzakelijke verduidelijking biedt:

    ‘This said, his guilty hand plucked up the latch,
    And with his knee the door he opens wide;
    The dove sleeps fast that this night owl will catch.
    Thus treason works ere traitors be espied;
    Who sees the lurking serpent steps aside;
    But she, sound sleeping, fearing no such thing,
    Lies at the mercy of his mortal sting.’

    De Nederlandse metrisch-poëtische vertaling luidt:

    ‘Hij zwijgt, waarna hij stil de klink oplicht,
    De deur wijd openduwend met zijn knie;
    De duif slaapt waar die nachtuil zich op richt.
    Zo werkt verraad eer ’t wordt bespeurd; al wie
    Een slang ziet, stapt meteen opzij, maar zie
    Hoe zij daar in haar onschuld ligt te slapen,
    Reeds prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen.’

    De letterlijke vertaling in het notenapparaat is als volgt:

    ‘Na deze woorden lichtte zijn schuldige hand de klink,
    En met zijn knie opent hij de deur wijd.
    De duif slaapt diep die deze nachtuil wil vangen.
    Zo werkt verraad nog eer verraders bespeurd zijn;
    Wie de slang op de loer ziet liggen, stapt opzij,
    Maar zij, vast in slaap, niet vrezend voor zoiets,
    Ligt overgeleverd aan de genade van zijn dodelijke steek.’

    De lezer kan zelf vaststellen hoezeer in deze strofe de poëtische omzetting afwijkt van de originele tekst, en hoe weinig poëtisch de letterlijke vertaling is. Waar de schone Lucretia in het Engels is overgeleverd aan ‘the mercy of his mortal sting’ is dat in het dichterlijk Nederlands geworden dat zij ‘Reeds [is] prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen’, terwijl Lucretia hier echter nog springlevend is. De Engelse ‘mercy’ is wel in de letterlijke vertaling te vinden.

    Vertaling te prozaïsch

    Kortom, de poëtische vertaling schiet zijn doel voorbij omdat die niet duidelijk genoeg is en vaak gewrongen en te vrij. De letterlijke vertaling is te prozaïsch om voor poëtisch te kunnen doorgaan. Op zijn best poëtisch proza, dus. Maar zo heeft de vertaler het vast niet bedoeld en zo presenteert de uitgever het ook niet.

    In strofe één, meteen al een omineus voorteken, staat: ‘Collatium begroet zijn duistere gloed, / Die niemand ziet […]’ Hoe kan dat nu? Iets begroeten wat ‘niemand ziet’? Shakespeare zelf dichtte over ‘lightless fire’, op zich vernuftig vertaald met ‘duistere gloed’, maar bij Shakespeare is dit ‘fire’ ‘in pale embers hid’ wat zich, met Verstegens letterlijke vertaling bij de hand, laat begrijpen als ‘het lichtloze vuur […] in bleke as verscholen’. Geen sprake dus van een begroeting van iets dat onzichtbaar is.

    Deze publicatie is een goede aanleiding  weer eens met deze poëtische en dramatische tekst van Shakespeare bezig te zijn. Het is voor het betere begrip van de Engelse taal jammer dat de poëtische vertaling tegenover het Engels is afgedrukt en dat de letterlijke vertaling in het notenapparaat is ondergebracht. Dat had beter andersom gekund, omdat het voortdurend bladeren tussen het Engels en het Nederlands dan niet nodig is. Tot troost kan strekken dat Frits Droogstoppel na zijn herhaalde voordracht van Heine’s gedicht bij het avondje van de Rosemeyers weliswaar niet de goedkeuring kreeg van zijn vader:  ‘… maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was.’

     

     

  • Een kooltje-vuur uit een plas bloed

    Een kooltje-vuur uit een plas bloed

    Op een verlaten treinperron staat een mooi meisje, met haar rug naar de muur, tegenover een knappe jongen. Haar middel sterk naar hem toe gebogen haalt ze hem aan, smachtend naar een zoen. Maar hij staat er ongemakkelijk bij, preuts, met de handen in zijn zakken en zonder enige neiging in haar richting. 
De foto van het tafereel op het omslag van Venus en Adonis is een prachtige verbeelding van de zindering in dit lange verhalende gedicht van William Shakespeare.

    Het thema stamt al uit de Griekse mythologie, maar is het meest bekend door de versie die de Romein Ovidius er van gaf in zijn Metamorphosen. Diens werk was in Shakespeare’s tijd zeer populair. Bij Ovidius is de beeldschone Adonis bezeten van de jacht op wilde zwijnen, zeer tot verdriet van liefdesgodin Venus. Zij is doodsbang dat de jongen, op wie ze heimelijk verliefd is, iets zal overkomen. Dat gebeurt inderdaad. Hij raakt dodelijk gewond door een zwijn en Venus rest niets dan bij zijn lijk neer te knielen. Daar ziet ze hoe uit zijn lichaamsbloed een rode bloem opbloeit.

    Shakespeare zet het verhaal naar zijn hand. Bij hem is Venus niet afwachtend. Ze verleidt Adonis, die haar echter steeds afweert, vervuld als hij is van zijn verlangen om achter de zwijnen aan te gaan. Al haar kussen en vermaningen ketsen op hem af en haar liefdesspel is nutteloos, want uiteindelijk worstelt Adonis zich los van haar om op jacht te gaan. Met gelijke afloop als bij Ovidius. Hij sterft, verwond door een zwijn, zonder de liefde van Venus te hebben gesmaakt. En zonder zijn schoonheid aan nageslacht te hebben doorgegeven. Uit zijn bloed ‘daar op de grond verspild, / ontluikt een bloem van purper, wit gevlamd, / gelijkend op zijn bleke lichaam dat / met ronde, rode druppels was bespat.’ De bloem is een ‘adonis’, een ranonkelachtige, in het Nederlands wel aangeduid als ‘kooltje-vuur’, legt Peter Verstegen uit. Hij is de vertaler en commentator van deze nieuwe uitgave.

    Shakespeare is verreweg het meest bekend door zijn nog altijd gespeelde stukken. Maar in zijn eigen tijd oogstte hij veel meer roem om zijn twee lange verhalende gedichten Venus and Adonis en The Rape of Lucrece, over de eveneens aan de mythologie ontleende aanranding van de schone Lucretia.
 Uitgeverij Van Oorschot grijpt de geboorte van Shakespeare, 450 jaar geleden, aan om in 2014 met een vertaling van het eerste gedicht te komen; in 2016, als het 400 jaar geleden is dat hij stierf, komt de vertaling van Lucretia.

    Het is niet de eerste keer dat Venus en Adonis in het Nederlands verschijnt. In 1880 was er al een vertaling van A.S. Kok, maar die van L.A.J. Burgersdijk uit 1888 hield stand tot diep in de 20ste eeuw. Hij verscheen in het kader van het Verzameld Werk van Shakespeare en vanaf 1960 opnieuw in een bewerking door C. Buddingh’ voor de pockets van de Zwarte Beertjes.
 Nu is er de vertaling van de veelgeprezen (al in 1973 gelauwerd met de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertaling van Nabokov’s Pale Fire) Peter Verstegen. Bij Van Oorschot verschenen al eerder tweetalige edities van gedichten van Baudelaire, Verlaine, Emily Dickinson, Shakespeare (de Sonnetten) en Rilke, steeds in het Nederlands uit de pen van Verstegen. Die tweetaligheid verleent meteen al een aanzienlijke meerwaarde aan de nieuwste versie van Venus en Adonis, maar dat geldt zeker ook voor de uitvoerige annotaties van de vertaler die veel verduidelijken over verschillende interpretaties in de loop der eeuwen. Verstegen verhult daarin niet zijn eigen vertaalproblemen en licht zijn keuzes waar nodig toe. 
Maar bovenal is er zijn verfrissende, moderne taalgebruik, zonder dat hij populair wil doen. Zijn vertaling heeft een sensualiteit en, voor de aandachtige lezer, een humor, die de eerder edities van Kok en Burgersdijk / Buddingh’ niet bereikten. Verstegen houdt ritme en rijm (ababcc) van de oorspronkelijke tekst aan, maar blijft ook erg dicht bij de sfeer en kernachtigheid van het origineel. Vaak weet hij daarnaast nog een fraaie klankovereenkomst te bereiken, zoals in de laatste regels van strofe 194, met de i in het Nederlands waar Shakespeare een o heeft:

    Sith in his prime Death doth my love destroy,
    They that love best their loves shall not enjoy.

    wordt bij Verstegen

    De dood deed mijn ontluikend lief teniet,

    Dus zorg ik dat wie liefheeft niet geniet

    En mocht de lezer al ergens de kriebels krijgen van gesmokkel met rijm (Verstegen laat in strofe 199 bijvoorbeeld ‘zwingen’ – de vleugels van duiven – en ‘brengen’ op elkaar rijmen), dan is zelfs dat een te rechtvaardigen keuze omdat hij er al veel eerder op heeft gewezen dat Shakespeare evenmin star was (die laat in strofe 73 ‘move’ rijmen op ‘love’ en in strofe 90 ‘you’ op ‘adieu’).

    Bij Verstegen krijgt het 1200 regels omvattende gedicht bovendien een kader. Volgens hem schreef Shakespeare het voor Henry Wriothesley, graaf van Southhampton, die zijn beschermheer was. Diens voogd had voor Henry een bruid gearrangeerd, maar die wees hij af. Verstegen: ‘Het lijkt erop dat hier schertsenderwijze een parallel werd getrokken met zijn jonge weldoener die niet wenste te trouwen en niet taalde naar vrouwen.’

    De beste manier om duidelijk te maken wat de verschillen zijn tussen de versie van Verstegen en datgene waarmee we het tot nu moesten doen, is de vertalingen van Burgersdijk en hem vergelijken. 
Shakespeare schrijft in strofe 4:

    And yet not cloy thy lips with loathed satiety,

    But rather famish them amid their plenty,

    Making them red and pale with fresh variety,

    Ten kisses short as one, one long as twenty:

       A summer’s day will seem an hour but short,

       Being wasted in such time-beguiling sport.’

    Bij Burgersdijk werd dat:
    Maar ducht toch geen verzadiging, veeleer
    Zijt ge in ’t genot om de’ eeuw’gen dorst verwonderd;
    Gij gloeit, ik blusch, en daad’lijk gloeit gij weer;
    Tien kussen zijn als éen, éen lang als honderd;
    Een zomerdag schijnt u een korte stond,
       Bij zulk een spel en kortswijl mond aan mond.”

    Verstegen vertaalt, uiteraard moderner, maar ook veel speelser en sensueler:

    Zó dat je lippen nooit verzadigd raken
    En gretigheid nog groeit bij overvloed,
    Die ze afwisselend rood en bleek zal maken,
    Tien kussen snel; één traag, tien maal zo zoet:
    Een zomerdag lijkt tot een uur bekort,
    Want je vergeet de tijd bij deze sport’
    .

    Dan gaat het bij Verstegen toch een stuk meer kriebelen en herinner je je eigen eerste verliefdheid. Met je eerste verlegenheid of eerste hartstocht.

     

  • Oogst van de week 18

    Door Carolien Lohmeijer

    Er zijn mensen die niet van reizen houden, maar wel van lezen over reizen en het volgen op de kaart van andermans reizen. De reizen die Judith Schalansky beschrijft in De atlas van afgelegen eilanden zijn stuk voor stuk ‘grenzeloos absurde verhalen’. Het zijn verhalen over zeldzame dieren en zonderlinge mensen – over gestrande slaven en eenzame natuuronderzoekers, verdwaalde ontdekkers en verwarde vuurtorenwachters, vergeten schipbreukelingen en muitende matrozen.
    Judith Schalansky neemt je mee naar vijftig afgelegen oorden – van Tristan da Cunha tot het atol Clipperton, van Christmaseiland tot Paaseiland.

    De atlas van afgelegen eilanden/Judith Schalansky/Vertaald door Goverdien Hauth-Grubben/ Uitgeverij Signatuur/ 144 pagina’s/ € 39,95

    Zelfportret in brieven – Willem Wilnink

    9789038898285Willem Wilmink (1936 – 2003) schreef verhalen en gedichten voor kinderen en volwassenen, teksten voor cabaret en liedjes, vertalingen en essays.

    Hij was ook een fervent brievenschrijver. Uit de brieven aan zijn ouders, vrienden en vriendinnen, collega-auteurs en uitgevers, bewonderaars en personen met wie hij iets uit te vechten had, hebben Wobke Wilmink-Klein en Vic van de Reijt een chronologisch geordend boek samengesteld. In zijn brieven had Wilmink het hart op de tong, ze gáán altijd ergens over. Het boek is de ideale opmaat voor de biografie van Wilmink, waarvoor Elsbeth Etty de opdracht gekregen heeft.

    Zelfportret in brieven/Willem Wilmink/Samenstelling: Wobke Wilmink-Klein en Vic van de Reijt/ Uitgeverij Nijgh&Van Ditmar/304 pagina’s/€ 34,95

    Lichtjaren James Salter

    LichtjarenJames Salter wordt alom om zijn stilistische capaciteiten geprezen. Onlangs is Lichtjaren verschenen, Salter’s roman uit 1975. Volgens uitgeverij De Bezige Bij  ‘een moderne klassieker; een verleidelijke, geestige, tedere en tot de verbeelding sprekende roman over een generatie mensen die de grenzen van hun geluk ontdekken.’

    Het leven van het echtpaar Nedra en Viri bestaat uit luxueuze etentjes met hun benijdenswaardige vrienden, ingenieuze spelletjes met hun kinderen en tot in de puntjes georganiseerde dagen die ze doorbrengen met schaatsen of zonnen op het strand. Maar er zitten barstjes in het ogenschijnlijk perfecte oppervlak, tekortkomingen die onherroepelijk tot het verval van hun relatie zullen leiden. Lichtjaren/ James Salter/vertaald door Peter Verstegen/304 pagina’s/ € 19,90

    Een Weense romance

    vdi9789025303518Michaël Rost wierp een blik door het raam naar de nachtelijke oever die doorvlochten was met dunne herfstige regendraden. Hij bromde ‘hmm’ en liep de kamer uit. Het was ongeveer tien uur. Een bruine roodachtige hemel lag op de daken, het trottoir blonk vochtig en nattig.’

    Uit: Een Weense romance, de in 2010 in Tel Aviv gevonden roman van David Vogel (1891-1944). Vogel werd in Nederland vooral bekend van Huwelijksleven.
    Een Weense romance/David Vogel/vertaald door Kees Meijling/Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep/ € 21,99

     

  • Oogst van de week 13

    door Menno Hartman

    De oogst van deze week staat in het teken van vertalingen en bij uitbreiding in het teken van de nominaties voor de Filter Vertaalprijs. Want wat zou de Nederlandse lezer zijn zonder de bemiddeling van al die goede vertalers? Elk van deze boeken is door decennia lezers gewaardeerd, je kunt ze dus rustig kopen, want ze zijn uitermate goed en volgens de jury bovendien goed vertaald…

    De Filter Vertaalprijs is door een aantal uitgevers – zo werd zojuist bekendgemaakt – vertienvoudigd omdat ze vonden dat er meer geld moest komen voor uitzonderlijke vertaalprestaties. Hierdoor ontvangt de laureaat een beduidend hoger prijzengeld: geen € 1.000,- maar € 10.000,- .

    Om welke boeken gaat het eigenlijk?

     

    9789028424371

    Mari Alföldy, vermoedelijk de eminentste vertaalster uit het Hongaars, vertaalde Satanstango van László Krasznahorkai (Wereldbibliotheek).In een vervallen gehucht ergens inHongarije wacht een handjevol achtergebleven mensen op de komst van de man die hen moet verlossen: Irimiás, een duister figuur met het charisma van een profeet. De bewoners kunnen zich niet onttrekken aan de suggestieve kracht van zijn belofte, al vermoeden ze wel dat ze, zoals altijd, met hem hun ongeluk tegemoet gaan. Er zijn aanbevelingen die niet gering zijn: ‘Satanstango stijgt ver uit boven het gekeuvel in veel hedendaagse literatuur.’ schrijft  W.G. Sebald bijvoorbeeld en ‘Krasznahorkai is te vergelijken met Gogol en Melville.’ – meende  Susan Sontag. Hier lees je wat fragmenten. 

    De cirkel

    Gerda Baardman, Lidwien Biekmann, Brenda Mudde en Elles Tukker vertaalden De cirkel van Dave Eggers (Lebowski). Egger behoeft nauwelijks nog betoog. Na A Heartbreaking Work of Staggering Genius is de schrijver niet meer weggeweest. De cirkel gaat over de toenemende privacyloosheid door het internet.

     

    Don JuanIke Cialona, bekend van onder veel meer de vertaling van Dantes De goddelijke komedie samen met Peter Verstegen en de zeer opmerkelijke Hypnerotomachia Poliphili, vertaalde Don Juan van Lord Byron (Athenaeum – Polak & Van Gennep) het meesterwerk van Byron waarin de verleider verleid wordt. De inhoud van het boek werd als immoreel beschouwd, en misschien juist daarom werd het gedicht ongekend populair.

     

    De nieuwkomers lll

    Roel Schuyt (Russisch, Zuid-Slavische talen en Albanees meldt zijn website) vertaalde De nieuwkomers III van Lojze Kovačič (Van Gennep). Hier een fraai fragment en een inleiding op het tweede deel van het autobiografische drieluik dat een echte Sloveense klassieker is.

     

    De rode ruiterij

    Froukje Slofstra is genomineerd voor haar mooie vertaling van Verhalen van Isaak Babel (Van Oorschot) hier schreef Literair Nederland al een  juichende recensie over.

     

     

    Het verhaal van Genji

    En tenslotte de magistrale vertaling van Jos Vos van Het verhaal van Genji van Murasaki Shikibu (Athenaeum – Polak & Van Gennep) waarmee deze uitgeverij ook zijn nek uitsteekt. Het is in drie prachtuitgaven voor verschillende portemonnees gemaakt. De oudste tekst van deze zes genoemde boeken, stammend uit de elfde eeuw fris nieuw in fonkelend Nederlands.

     

    De Filter Vertaalprijs wordt dit jaar opgebracht door 11 vooraanstaande uitgevers, inclusief Vantilt, die de prijs tot nu toe alleen droeg, zijn dat: De Arbeiderspers, Athenaeum – Polak & Van Gennep, De Bezige Bij, Cossee, De Geus, Lebowski, Meulenhoff Boekerij, Van Oorschot, Podium en Wereldbibliotheek. Gehoopt wordt dat fondsen, particuliere begunstigers en andere uitgevers zich bij dit initiatief aansluiten.

    Welk van deze zes vertalingen kan rekenen op de vertienvoudigde Filter Vertaalprijs? Op 8 april 2014 wordt tijdens City2Cities: Internationale Literatuurdagen Utrecht de winnaar live bekendgemaakt.

    Voor die tijd kan je er minstens een lezen, daarna de andere vijf.