De introverte, twijfelende Julia, tegen de veertig, is met haar man vanuit de stad verhuisd naar een dorp aan het Noord-Oostzeekanaal, waar het leven minder duur en hectisch is. Ook hoopt zij dat hun kinderwens alsnog wordt vervuld.
Julia heeft in het dorp een keramiekwinkel met onlineshop en is een van de twee personages vanuit welk perspectief Bij de buren wordt verteld. Het andere is Astrid, een 60-jarige huisarts die een opvolger voor haar praktijk zoekt en zich zorgen maakt over haar oude tante met verschijnselen van dementie.
Om de beurt doen Julia en Astrid verslag van hun levens en gevoelens, tegen de achtergrond van een leegstaand huis waaruit een gezin plotseling spoorloos is verdwenen. Het leegstaande huis wordt het middelpunt van de buren. De personages zijn vreemden voor elkaar, ze cirkelen om elkaar heen op zoek naar geborgenheid en intimiteit maar trekken zich toch weer terug in hun eigen innerlijk. De hele dorpsgemeenschap heeft geheimen en verlangens en wordt voortdurend geconfronteerd met angst, die nog wordt gevoed als in de tuin van het leegstaande huis een mysterieus kind verschijnt. Ook met afbrokkelende huizen, ontmoetingen met doden, mysterieuze observaties en anonieme brieven en boodschappen brengt Bilkau een griezelig aspect in het verhaal.
Kristine Bilkau werkt als journalist voor verschillende bladen. In 2015 debuteerde ze met de roman De gelukkigen. Begin 2019 verscheen Een liefde, in gedachten en nu is daar Bij de buren.
Auteur: Kristine Bilkau
Uitgeverij: Uitgeverij Cossee 2023
Geheugen, geschiedenis, beschaving – Lofzang op de bibliotheek
Mira Feticu (1973) is een Roemeens-Nederlandse schrijfster. Ze studeerde in Boekarest Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap. Al jong schreef ze gedichten en later proza. Aan de universiteit leerde ze haar Nederlandse man kennen, voor wie ze in 2003 naar Nederland kwam, waar ze de taal opnieuw moest leren. Ze liep een taalstage bij de Openbare Bibliotheek in Den Haag.
Haar liefde voor boeken en literatuur komt tot uiting in Geheugen, geschiedenis, beschaving – Lofzang op de bibliotheek. Een bibliotheek is voor Feticu een verheven oord van kennis en inzicht, waar lezers boeken en hun schrijvers treffen, en schrijvers hun lezers vinden. ‘Er is geen betere plek in een land van adoptie voor iemand die zijn boeken achterliet dan de bibliotheek,’ schrijft ze.
In Roemenië werkte Feticu als radiomaker en publicist, net als in Nederland. Zij bespreekt vooral culturele en sociale onderwerpen. Sinds 2008 publiceerde ze zes boeken in het Nederlands, waaronder het goed ontvangen Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal. Feticu is ook producent bij de Haagse literaire show Literatuur Late Night. Voor de Roemeense Academie van Wetenschappen verricht ze literair onderzoek en ze zit in de redactie van het Algemene Woordenboek van de Roemeense Literatuur. Nederlandse media nodigen Feticu geregeld uit bij onderwerpen op het gebied van Roemenië en Oost-Europa.
Tijdens het schrijven van Geheugen, geschiedenis, beschaving overleed haar man en is ze ‘veranderd van iemand die Medea wilde schrijven, in iemand die een boek over Orpheus schrijft.’ Daarmee werd het boek behalve voor de bibliotheek ook ‘een klein requiem’ voor hem.
Auteur: Mira Feticu
Uitgeverij: Uitgeverij De Geus 2023
Shotgun wedding
Op 18 september 2019 werd stafrechtadvocaat Derk Wiersum voor zijn huis in Amsterdam doodgeschoten. Wiersum was de advocaat van een kroongetuige in een groot proces tegen een criminele organisatie. De daders voerden de moord in opdracht uit en met voorbedachten rade. Wiersums beste vriend Lucas Hirsch, die in de nacht voor de moord nog met hem appte, schrijft in de roman Shotgun wedding zijn gevoelens van rouw en verdriet van zich af.
Dichter Lucas Hirsch zoekt in Shotgun wedding naar de taal die weer kan geven wat er precies met zijn vriend is gebeurd en welk effect dat op hem heeft. Wat vriendschap en liefde betekenen. Zijn stijl is poëtisch, zijn klaagzang niet minder rauw. ‘September is sinds vorig jaar voor altijd van jou, en dus een dode maand,’ schrijft hij. Hirsch probeert woorden te vinden om zijn emoties weer te geven, maakt een lijstje met pijn- en angstmetaforen. ‘Maar de woorden dekken na een jaar nog steeds de lading niet. (…) Ik ben stuk. Wat ik ook probeer, een gedicht zit er niet in.’ Uiteindelijk berust hij in het feit dat zijn beste vriend er nooit meer zal zijn.
Hirsch studeerde Amerikanistiek en werkte in het bedrijfsleven. Onderwijl dichtte hij en publiceerde een aantal bundels. Hij was huisdichter van Museum De Hallen in Haarlem, draagt voor op literaire festivals in binnen- en buitenland en verbleef een aantal maanden in onder andere New York voor het schrijven van de dichtbundel Wu wei eet een ei. Hirsch geeft ook workshops over dichten. Shotgun wedding is na De weinigen (2019) zijn tweede roman.
Het zou een moment op een feestelijke bijeenkomst kunnen zijn, maar dat is het niet. Op de foto staan mannen in een vrijetijds-outfit van lichte overhemden en korte broeken. Er staan twee glazen op tafel en liefst twee obers zijn onderweg naar ze toe. Ze zijn, gezien hun kleding, deel van de groep. De mannen achter de bar staan in gelid voor de fotograaf. Aan tafel kijkt één man in de lens; de twee anderen staren naar iets onbestemds. Het is stil. Er wordt gezwegen tot het fototoestel heeft geklikt. De foto is duidelijk in scène gezet.
Ik stuitte er op toen ik op zoek ging naar de achtergronden van The Spark Papers, een keurig verzorgd boekje – hardcover, stofomslag – van nog geen veertig pagina’s, dat ik lang geleden op een boekenmarkt vond. Het bevat onder andere drie spreekbeurten van Nederlandse geleerden tijdens de Willem Spark-herdenking op 24 juni 1943. De teksten gaan over William Horace Lawrence Spark (1801-1843), een Nederlandse componist. De enigszins cabareteske formuleringen en de vermelding dat de Amsterdamse Willemsparkstraat naar hem is genoemd, maken duidelijk dat het om een grap gaat.
Gegijzelden met veel vrijheid
Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat sommigen op de foto toehoorders waren van die spreekbeurten. Ze waren gijzelaars in seminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. De Duitse bezetter hield er vanaf 1942 prominente Nederlanders gevangen die het gevaar liepen te worden geëxecuteerd als elders in het land verzetsacties zouden worden gepleegd waarvan geen daders konden worden gevonden. Onder de prominenten waren hoogleraren, directeuren van bedrijven, Kamerleden enzovoort, zoals Simon Vestdijk, Anton van Duinkerken, Johan Huizinga, Frits Philips, Jan De Quay en Wim Schermerhorn. Ze hadden ongewoon veel vrijheid zolang ze maar geen Duitsvijandige acties ondernamen.
Er werd muziek gemaakt, film gekeken, geschilderd en gediscussieerd in de bar ‘De dorstige gijzelaar’ waar de foto is gemaakt. Maar vooral: er was door de gegijzelden een druk programma opgezet met tal van cursussen en lezingen, gegeven door deskundigen in hun vakgebied. Er was zelfs sprake van bijzondere tolerantie van de Duitsers. De filmcommissie mocht rolprenten laten zien die door de censuur kwamen, maar omgekeerd kwamen er geen represailles toen die commissie weigerde de Duitse aanbeveling op te volgen om Olympia van Leni van Riefensthal te programmeren. Er bestaan tal van voorbeelden van boeken die zijn geschreven in gevangenschap: Mein Kampf van Hitler, Pilgrim’s Progress van John Bunyan, Don Quichot van Cervantes en De Profundis van Oscar Wilde, De 120 dagen van Sodom van De Sade en vele meer. Hoe streng het regime ook kon zijn, er was ruimte om aan schrijfgerei te komen en er was vaak bezoek mogelijk. Geen van deze genoemde boeken zijn ontstaan in situaties waarin zoveel geesteskracht moest worden aangesproken als in krijgsgevangenschap, in een concentratiekamp of in Siberië.
Beekvliet was een behoorlijk humaan kamp. De gegijzelden beschikten over boeken en andere media, kregen pakketten toegestuurd en hadden erg veel bewegingsvrijheid binnen het terrein. Hitlers Herrengefängnis noemde de latere diplomaat Max Kohnstamm Beekvliet in het gelijknamige brievenboek over zijn verblijf daar. Toch was er de angst: zeven gijzelaars werden daadwerkelijk afgevoerd en geëxecuteerd.
Activiteiten in communistisch gevangenschap
Ik was echter verbaasd over de voorbeelden die ik uit mijn leesmemorie kon opgraven over studieactiviteiten in veel rigidere kampen. Mira Feticu bijvoorbeeld schrijft in haar Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal: ‘In de Roemeense politieke gevangenissen zaten veel schrijvers die het niet eens waren met de lijn van de enige Partij. Schrijvers, theologen, filosofen, hoogleraren. Er werden daar, in de communistische hel waar je zero vrijheid, zero eten, zero van alles had, taalcolleges gegeven. Gedetineerden onder elkaar, tussen de martelingen door onderwezen ze elkaar, er werden gedichten in hun geheugen geschreven, conferenties gehouden van een niveau dat de ‘“vrije” communistische academische wereld in Roemenië niet kende’.
Vertaler (onder andere van Berlin Alexanderplatz) en verzetsman Nico Rost, die in Dachau terecht kwam wist daar een clandestiene leesclub te organiseren. Hij kon door zijn baantje in de ziekenbarak bij de vele boeken, Duitse en Franse literatuur, die hij verslond en met anderen besprak. Wat hij daar las is allemaal te lezen in zijn Goethe in Dachau. Dagboek 1944-1945. De Franse filosoof Paul Ricoeur werd in 1939 opgroepen voor het Franse leger, maar zat al vanaf het begin van de oorlog als krijgsgevangene in Offlag II-D in Pommeren. Met enkele andere intellectuelen in dat kamp slaagde hij er in daar lezingen te organiseren en lessen te verzorgen. Hij begon er bovendien aan een vertaling van Ideeën van zijn Duitse vakgenoot Edmund Husserl.
En dan vind ik in De verdwenen piano’s van Siberië van Sophy Roberts nog dit over de dekabristen, de opstandelingen tegen de autocratie van de tsaar in Rusland in 1825, waarvan de leiders werden opgehangen of naar Siberië verbannen: ze ‘stichtten gezamenlijk een kleine academie in ballingschap. Ze richtten werkplaatsen op om te timmeren, te smeden en boeken te binden. Ze gaven colleges (…). Ze begonnen een bibliotheek, die ze vulden met duizenden boeken die hun verwanten stuurden (…) De gevangen verzonnen verhalen over denkbeeldige landen en verre zeereizen’. In al die gevallen werd de dorst gelest door een bijna niet te vatten geesteskracht.
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.
De dichtbundel Voor ’t liefste kind is geschreven naar aanleiding van de vondst van een pasgeboren baby in een ondergrondse afvalcontainer. Dit gebeurde in Amsterdam in februari 2021. Het meisje kon gelukkig levend uit de container gehaald worden. Heel Nederland was geschokt en geschrokken. Pieter Stroop van Renen reageerde met een gedichtje, dat door journalist Margriet Vroomans werd voorgelezen in haar ochtendprogramma op Radio 4:
‘t Liefste Kind
Je bent vandaag geboren
Uit een roestige, stalen trommel
Je zwom heel even in ’t verdriet
Van menselijke rommel
Heden is je leven
Daadwerkelijk begonnen
De stad heeft uit een Jumbo-tas
’t liefste kind gewonnen
Goed ontvangen
Dit werd zo goed ontvangen, dat Stroop van Renen en Vroomans samen een bundeltje wilden uitgeven met gedichten die bedoeld zijn om ieder kind een warm welkom te heten. Hiervoor vonden ze twaalf dichters bereid om geheel belangeloos een nieuw gedicht te schrijven en ook de uitgever, de drukkers en anderen werkten gratis mee. Als kers op de taart werden er via een QR-code twaalf slaapliedjes van over de hele wereld bijgevoegd, gespeeld door leden van het Koninklijk Concertgebouworkest. Niet iedereen heeft echter een smartphone; na enig zoeken op internet blijkt een kort intro van de muziek ook te beluisteren via deze link van het Concertgebouworkest en in zijn geheel op Spotify. Ook deze gedichten worden voorgelezen door Margriet Vroomans.
De opbrengst van de verkoop van de bundel gaat naar Stichting Beschermde Wieg, een stichting die zorg biedt aan zwangere en pas bevallen vrouwen en hun baby’s. De stichting heeft in tien ziekenhuizen zogeheten vondelingenkamers, waar ouders die niet zelf voor hun kind kunnen of willen zorgen hun baby beschermd kunnen achterlaten.
De opdracht aan de dichters was aan alle pasgeborenen een warm welkom te geven. De ondertitel van de bundel, Poëzie en muziek voor welkome baby’s, komt dan een beetje wrang en ongelukkig over: het is waarschijnlijk verbindend bedoeld, maar werkt juist onderscheidend: niet alle baby’s zijn welkom, dat is met de aanleiding tot deze bundel wel gebleken. Bedoeld wordt waarschijnlijk dat àlle baby’s welkom zijn, is het niet bij biologische ouders dan wel bij pleegouders, maar de ondertitel blijft vreemd aandoen. Alsof deze bundel alleen voor baby’s is die welkom zijn en niet voor de kinderen die niet gewenst waren, zoals het kind dat juist de aanleiding tot de bundel vormde.
Verscheidenheid van insteek
Dertien gedichten is niet veel. Toch is er verscheidenheid van insteek te lezen: de meeste dichters hebben ervoor gekozen om te benadrukken dat het kind bij andere ouders wèl welkom is en recht op leven heeft. De bevrijding van de baby uit de vuilcontainer wordt gezien als een tweede geboorte. Abdelkader Benali noemt het kind ‘een lege Wikipedia pagina’, de eilanddichter van Texel, Roop, geeft zijn gedicht de titel voor een blanco kindje. Goed bedoeld, maar geen enkel kind komt als een blanco bladzijde ter wereld, laat staan dit vondelingetje dat al zoveel geschiedenis met zich meedraagt voor een leven lang.
Hannah van Binsbergen en Hagar Peeters vertolken daarentegen hun begrip voor de moeder van het kind: Van Binsbergen laat de moeder aan het woord in haar gedicht Eerst, waarin zij het leven schetst dat zij haar kind toewenst:
en later misschien
op bezoek bij de buren
een dier aaien
een plan maken
Het Eerst waarvan de titel gewaagt, wordt niet nader benoemd, maar staat in schrille tegenstelling tot het ‘en later’ waarmee diverse strofen beginnen. Eerst moet de moeder haar keuze voor de toekomst van het kind ten uitvoer brengen. In het midden van het gedicht wordt de vraag gesteld ‘aan wie zal ik je geven?’ Hoe mooi zij de toekomst van haar kind ook voor zich ziet, in de laatste strofe is ze niet zeker van dat die ook werkelijk mooi gaat worden:
[…] opnieuw
zie je vormen, wat zie je
in alles hetzelfde
begin blijf je dat zien
en later misschien
Hagar Peeters richt zich tot het pasgeboren kind in het lange gedicht Voor een voldragene om te vertellen dat de moeder niet alleen verantwoordelijk is: ‘Wij maken met ons allen deze aarde, / waarvan de baarmoeder de kleinste maat is. Het is een bitter gedicht in de wetenschap dat wij als mensen tot nu toe gefaald hebben in het verbeteren van de wereld: ‘waarom wachten / we altijd pas tot je bent verschenen / met onze beloftes en goede voornemens’.
Sasja Janssen dicht over een bevalling in haar mooie gedicht Boreling: ‘Als de zwaartekracht zijn zinnen op je zet in de kamer / die ruikt naar stal, kijken de dingen ons aan’.
Volgens haar maakt een geboorte ons allen gelijk, of je een vondeling wordt of niet: ‘[…] en schreeuwt / dat je weet dat je bestaat en eenzaam bent, net als wij.’
Herhaalde woordspel
Een heel eenvoudig, maar misschien wel juist daardoor aangrijpend gedicht voor het gevonden kindje is van Merel Morre, met het herhaalde woordspel ‘iemand kwam voor jou voorbij / niemand gaat aan je voorbij’.
Burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb is de enige die iets van morele verontwaardiging heeft laten blijken in zijn gedicht Duizend vragen:
In wat voor wereld wonen wij
waar jonge vrouwen, kinderen nog,
zo de weg naar zichzelf,
hun familie en ons vertrouwen
kwijt zijn?
In wat voor stad wonen wij
waar jonge ouders, kinderen nog,
ongemerkt het leven geven
aan een kind
waar zij niet mee kunnen leven?
In wat voor buurt wonen wij
waar een wildvreemde vrouw
voor het eerst jouw stem hoort, de politie belt
en vertelt dat je geen kat bent
maar een pasgeboren kind?
De agenten bakeren je in hun warme jassen,
je vondst roept duizend vragen op.
Heeft je moeder je voetjes niet gevoeld?
Hebben je ouders je teentjes nog geteld,
voordat je in de kribbe van de vuilcontainer
werd gelegd?
Andere dichters die een bijdragen hebben geleverd zijn Frédérique Spigt, Jibbe Willems, Tjitske Jansen, Mira Feticu en Jesse Laport. Femke Halsema, burgemeester van Amsterdam, vat in het haar nawoord mooi samen: in het begin wordt er na de vondst van een pasgeboren kind door iedereen hartverscheurend verdriet gevoeld en afschuw en verontwaardiging. Daarna gaan die emoties over in verwondering, blijdschap en hoop dat ook dit kind ‘een kans heeft gekregen om het leven lief te hebben.’
De dichters in deze kleine bundel hebben dat ieder op hun beurt onderstreept.
Schrijfster Mira Feticu (1973) groeide op in Roemenië tijdens de dictatuur van Ceaușescu (1967-1989). Als jong meisje schreef ze al gedichten, in 1993 debuteerde ze met een dichtbundel. Ze studeerde Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap in Boekarest, waar ze later werkte als radiomaker. In 2001 werd ze met haar verhalenbundel Femei cu veverite (Vrouwen met eekhoorntjes) genomineerd voor de prijs van de Unie van Schrijvers uit Roemenië en voor de speciale Laurențiu Ulici-prijs. Aan de universiteit in Boekarest leert ze ook haar Nederlandse man kennen waarmee ze in 2003 naar Nederland komt.
Na vijf jaar in Nederland ging Mira Feticu in het Nederlands te schrijven, in 2012 debuteerde ze met Lief kind van mij bij De Geus, een jaar later volgde De ziekte van Kortjakje. In 2019verscheen haar grote roman Al mijn vaders bij uitgeverij Jurgen Maas en dit jaar kwam het non-fictie boek Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal uit bij De Geus.
Voor Literair Nederland sprak ik de schrijfster via Zoom. We spraken over wat je achterlaat en wat je niet geworden bent. Over de boeken die ze hier schreef. Welke kansen een schrijver geboden worden in een nieuwe taal en de heftigheid in haar proza. Over haar worstelingen met de taal, heimwee dat nooit voorbij gaat, en is schrijven therapie of moet het meer zijn?
Hoe was het voor jou om de Nederlandse taal te leren?
‘Toen we naar Nederland kwamen was mijn dochter twee jaar. Ik vond het heel moeilijk te accepteren dat ze een taal zou gaan spreken die ik niet zou kennen. Dat ik de nuances van wat mijn dochter zegt, niet zou begrijpen. Dat was een verschrikkelijke gedachte. Mijn man sprak Nederlands met haar, ze leerde snel. Maar ik was tweeëndertig toen ik hier kwam, voor mij ging het moeilijker. Ik raakte geobsedeerd, was alleen maar met taal bezig. Ik moest Nederlands praten zodat mijn dochter zich niet hoefde te schamen voor mij. En via de Nederlandse taal kon ik weer literatuur schrijven. Het was voor mij de sleutel naar het leven, dat ik weer mee kon doen.’
In Roemenië had je al enige erkenning verworven, hoe zag je het leven als schrijver in Nederland?
‘In Roemenië besefte ik niet hoe verwend ik was te kunnen schrijven in mijn moedertaal. Hier probeerde ik te schrijven wat ik niet kon zeggen, het echte werk. Ik leefde met woordenboeken, met vragen en steeds opnieuw schrijven, herschrijven. Mijn eerste boeken hadden drie versies.Van Joseph Conrad die van oorsprong Pools is, weet ik dat het bij hem automatisch ging. Bij mij was dat niet zo, bij mij was het een beslissing. Ik wist dat als ik wacht, ik te oud zou zijn om het te leren. Dus ik moest de sprong wagen, wat wel typerend is voor mijn leven. Sommige mensen zeggen, “Jij durft”. Maar ik zeg, “Niemand heeft mij geleerd daarover na te denken.” Ik ging gewoon voor de dingen. Zo heb ik dat ook met de Picasso gedaan, (over de teruggevonden (nep-)Picasso schrijft ze in Picasso’s keerzijde Iv/dG), met de emigratie. Ik ging gewoon. Ik volgde mijn man zonder te weten wat dit voor mij zou betekenen. Dat is mijn karakter, ik volg mijn hart, mijn instinct. Dat is niet altijd goed, ik betaal daar een rekening voor die ik mijn hele leven moet afbetalen.’
Wat bedoel je met, ik betaal daar een rekening voor?
‘Als je emigreert leef je een tweede leven en laat je een onvoltooid leven achter. Het emigreren heeft mij veel goeds gebracht, ik heb veel kansen gekregen, maar er zijn ook veel dingen weggevallen. Ik ben totaal veranderd door de nieuwe taal, door de geografie. En het is moeilijk iemand anders te worden in hetzelfde leven. Af en toe spreekt de Roemeense geest in mij. Als mijn vader dan met Pasen belt, of ik zie op Facebook hoe vrienden Pasen vieren, dan denk ik aan mijn vorige leven dat zich daar afspeelde. Ik voel daardoor een pijn die ik mijn hele leven met mij mee zal dragen.’
In je romans schrijf je over die pijn. Het is heel heftig. Zo nu en dan moest ik het boek even wegleggen.
‘Dat heb ik van anderen vaak gehoord: “Mira, probeer minder heftige verhalen te vertellen want je laat de lezer schrikken.” Maar bij het schrijven gebeurt er iets in mij. Woorden en betekenissen komen vanuit mijn hoofd en mijn hart. Het personage Myra, (in Al mijn vaders Iv/dG) kan geen softe verhalen gebruiken. Ik heb een moeilijke jeugd gehad in Roemenië, wat ik pas besefte toen ik in Nederland kwam. Ik werd als kind weggerukt uit mijn dorp. Op het internaat waar ik werd geplaatst leek het huis van mijn ouders een paradijs, wat het helemaal niet was. Dat meisje dat heimwee heeft naar het paradijs, dat zit nog steeds in mij.’
Is je derde roman, Al mijn vaders een afsluiting van deze periode?
‘Ik zal hier nooit meer over schrijven. Het is mijn meest pijnlijke boek geweest om te schrijven. Ik werkte in een schuur bij ons vorige huis. Drie jaar lang bleef ik in die schuur, het was heel moeilijk voor mijn gezin. Bijzonder is dat ik door de nieuwe taal en geografie, toegang kreeg tot wat er toen speelde. Als kind probeerde ik me te redden zo goed als het ging, zonder te beseffen wat me allemaal overkwam. Ik had in mezelf iets uitgeschakeld om te kunnen overleven. Het was verschrikkelijk, ook pijnlijk, maar ik kon er opeens over schrijven. Niet dat ik mijn verleden door mijn boeken een plek kon geven. Maar toch, tijdens het spelen van Al mijn vaders (er is een toneelvoorstelling van gemaakt Iv/dG), met Hans Dagelet, gebeurde er iets. Ik werd mij bewust van het kind in mij. Op het podium stonden twee foto’s van mij als kind. Voor ik op ging zei ik tegen die foto’s, “Nu gaan we weer vertellen.” Tijdens het spelen word ik weer het meisje dat ik was. Het meisje is daar, en we kunnen vertellen, zonder schaamte. En door dat spelen, ik ben geen actrice, het was allemaal nieuw voor mij, doet de wond minder pijn. Het krijgt een gezicht, dat je dan kunt zien dat het niet zo verschrikkelijk is.’
Aan het eind van het boek schrijf je een lange brief aan de vader, een vergevingsgezinde brief.
‘Ik hou veel van mijn vader, elke dochter houdt van zijn vader. Omdat ik dat wist, en om mijn kind een vader te geven, heb ik mijn leven in Roemenië achter gelaten. Zodat mijn dochter niet op de verkeerde knieën zou gaan zitten zoals ik gedaan had. Daarom ben ik mijn man gevolgd, om mijn kind dat te besparen. Ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Ik deed het vanuit een obsessie, vanuit mijn trauma’s.
Je vader had ook willen studeren, hij hield van boeken maar kreeg niet de gelegenheid.
‘Mijn vader is een slimme man, maar ook een zwakke man. Als kind heeft hij veel geweld meegemaakt. Wij hebben allebei veel geweld meegemaakt (zucht diep). Ik kan hem nu begrijpen, ik ben nu oud genoeg om niet meer boos te zijn, niet meer zo gekwetst. Eigenlijk heb ik voor een deel de droom van mijn vader waargemaakt. Ik moest hard studeren. Gelukkig vond ik studeren leuk. Nog steeds moet ik tijd maken om te lezen, anders heb ik het gevoel dat ik niet mezelf ben. Zonder lezen en studeren heb ik het gevoel dat ik mijn tijd verdoe. Ik moet bezig zijn, iets nieuws maken, ideeën uitwerken.’
Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal bestaat uit drieënveertig essayistische stukjes waarin Feticu schrijft over haar worsteling met de taal, de ontdekkingen en valkuilen, haar overwinningen daarin. Het laat zien wat het betekent als je een nieuwe taal moet leren, dat daarmee ook een nieuwe identiteit ontstaat. Sprankelende stukjes, die vertellen hoe het is om die nieuwe taal te gebruiken, gecorrigeerd, niet begrepen te worden. Deels is het boek ook een pleidooi voor het anders omgaan met nieuwkomers en het leren van een nieuwe taal. Ze pleit voor meer taalprogramma’s op radio en tv, voor zowel Nederlanders als nieuwe Nederlanders, om ze meer kansen te geven de taal op en top te kunnen gebruiken.
Hoelang heb je aan Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal gewerkt?
‘Ik heb dit boek in verschillende landen geschreven. In Italië, Zuid-Afrika en Roemenië. Maar ik kon alleen thuis in afzondering de juiste toon vinden. Afgezonderd van mijn gezin, dag en nacht alleen met mijzelf. Een column kan ik overal schrijven, maar met een boek is het alsof ik in een soort trance raak. Dat was met Liefdesverklaring ook zo.
In Italië was ik in residentie en deelde een huisje met een andere schrijfster. Zij schreef op onregelmatige tijden en ik moest van mijzelf om 9 uur beginnen, om 14.00 uur een pauze en weer verder. Dan deed ik de deur van het huisje op slot omdat ik niet gestoord kon worden. Je moet mij met rust laten als ik schrijf, niet binnenlopen omdat je even iets wilt pakken, dat vind ik erg moeilijk.’
Gaat het schrijven van non-fictie makkelijker dan een roman schrijven?
‘Bij een roman werk ik meer als een architect, ik denk in constructies, de verschillende onderdelen, de puzzel. Ik denk aan alle details die soms belangrijker zijn dan het personage zelf. Het is een metafoor, groter dan mezelf, eensisyfus werk, alles van die roman draag ik als een berg op mijn rug. Als ik non-fictie schrijf, is het alsof ik ergens ga zitten en begin te vertellen.’
In Lief kind van mij zegt een oom, ‘Schrijven is eerst therapie en dan de American Dream’. Wat bedoel je hiermee?
‘Schrijven is creëren, is therapie om meer redenen. Het houdt je actief. Als ik drie pagina’s heb geschreven ben ik gelukkig, als ik vijf pagina’s heb geschreven, mag ik leven. Al schrijvende geef je een plek aan wat je hebt meegemaakt, maar om een trauma echt te verwerken moet je naar een therapeut. En misschien gaat de ‘American Dream’ over iets in jezelf, dat je weet dat je iets hebt opgebouwd. Maar schrijven moet meer dan therapie zijn. Het moet groter zijn, het moet de lezer boeien, het moet iets doen met de lezer.’
Hebben jouw ouders een beeld van jou als schrijfster in Nederland?
‘Nee, dat beseffen ze niet. Als we bellen hoor ik wel eens dat ze iets via Facebook hebben gezien over mij. We leven in parallelle werelden, zij weten niets over mij. Het heeft geen zin om hen, dertig jaar later, iets over mijzelf te vertellen. Soms is het moeilijk te beseffen dat ze er over misschien tien, twintig jaar niet meer zullen zijn. Ik weet hoe mijn vader en moeder reageren, hoe ze denken, zich bewegen. Maar ik kan niet zeggen dat ik een vader en een moeder heb gehad.’
Zou je deze boeken hebben geschreven als je in Roemenië was gebleven?
‘Sommige dingen kan ik alleen in het Nederlands schrijven. Alleen in het Nederlands kon ik zeggen, “Hij heeft mij naar zijn kamer gebracht”. Ik heb geprobeerd deze zin in het Roemeens te zeggen, maar dat is moeilijk. Het krijgt ook een andere betekenis in het Roemeens, ik moet mezelf verstoppen na zo’n zin. Ik leun op deze nieuwe taal, zij heeft mij kracht gegeven deze zin te zeggen. Het is heel interessant wat een vreemde taal met je doet. Ik dacht ook aan Nabokov, die eerst in het Russisch schreef, in de jaren dertig schreef hij in het Frans, en daarna, toen hij naar Amerika verhuisde, ging hij in het Engels schrijven. Pas op zijn vijftigste schreef hij Lolita. Dan vraag ik me af, wat was Nabokov zonder de Engelse taal. Dat vind ik ongelofelijk interessant.’
Wat betekende literatuur voor jou?
‘Het leven was hard waar ik opgroeide. Alle dieren die we hadden aten we op, de kip, het varken. Eerst aaide je het varken op zijn buik en het volgende moment werd er een mes in zijn rug gestoken. Dat was hard voor een kind, er was geen medelijden. Dat vond ik wel in de literatuur. Homerus is ontzettend menselijk, over iedereen heeft hij iets moois te zeggen. Iets waardoor je begrijpt hoe die persoon was. Hij heeft medelijden met iedereen. Op mijn twaalfde kreeg ik Het verhaal van St Michele, van de Zweedse schrijver Axel Munthe. Dat boek heeft mijn leven veranderd, dat boek heeft mij geleerd dat ik niet de enige ben die niet tegen het doden van een varken kan. Schrijvers die ik in mijn kindertijd belangrijk vond, waren schrijvers die menselijkheid en zachtheid toonden.’
Welke boeken blijven altijd bij je?
‘Ik vind houvast bij de klassiekers, Homerus, Cervantes en Dante. Hoewel Dante hard lijkt, toont hij ook medelijden. In de Divina commedia smeekt hij om woorden. Hij zegt, “Geef mij het juiste woord om dat te kunnen beschrijven.” Dante die smeekte om het juiste woord, wie ben ik om niet te smeken voor het juiste woord in het Nederlands? De grootste dichter van de Europese literatuur heeft dat gedaan, dan kan ik dat ook doen in een andere taal.’
Hoe belangrijk is het deze klassiekers te lezen?
‘T.S. Elliot heeft eens gezegd dat wij niets zijn zonder onze voorouders, wij bestaan omdat onze voorouders hebben bestaan. Zo bestaat poëzie al vele eeuwen en schrijven we al 4000 jaar. Dit is belangrijk te weten. Je kunt geloven dat je door gewoon aan tafel te gaan zitten kunt beginnen met schrijven, dat alles uit je hoofd komt. Maar dat is niet zo, het komt uit je ervaring met lezen, uit boeken. En het feit dat je iets doorgeeft, je moet iets doorgeven.’
Schrijven is lezen?
‘Je moet de grote literatuur kennen. Als je Homerus niet gelezen hebt, is je bagage te licht. Dan heb je iets wat belangrijk is, niet meegenomen. Ik zie de literatuur als een tuin waarin grote bomen staan, maar ook sneeuwklokjes en gras. Ik wil graag in die tuin zijn. Niet als grote sequoia of baobab, maar belangrijk is dat je weet wat er allemaal in die tuin staat, dat je weet wat literatuur is. Zonder lezen kun je niet schrijven.’
Taal is een getuige schrijf je in Liefdesverklaring. Waar wil jij van getuigen?
‘Weet je, ik zal je iets vertellen wat ik nog nooit in een interview heb gezegd. Ik kom uit de armoede, voorbestemd geen kansen te krijgen, maar ik heb er veel gekregen. Daarvoor heb ik betaald met mijn gezondheid, ik doe alles om te schrijven, om te getuigen dat mensen zoals ik… Ik heb nog nooit verteld dat ik wil schrijven voor degenen die geen kans krijgen. Voor degenen die denken dat het niet lukt. Ik wil laten zien, dat hoe ik in Roemenië, uit de armoede kwam. Dat ik een fantastische baan bij de radio achterliet, hier opnieuw begon. Hier ben ik een buitenlander, ik zal de taal nooit perfect leren spreken. Toch wil ik laten zien dat het kan. Dat mensen zoals ik iets te zeggen hebben. Dat mensen zoals ik ook een rijkdom bezitten.’
In Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal schrijft Mira Feticu: ‘De Nederlandse taal is voor mij wat voor de bouwvakker het hout, de stenen of het cement is. Ik ben een bouwvakker in de Nederlandse taal en af en toe, midden in mijn boeken, bij vlagen, een ingenieur. Ooit zal ik volleerd ingenieur worden. Misschien ook architect.’
‘Als je me een minuut voor je overlijden had gebeld en had gezegd dat je me miste, dat je van me hield, was ik naar je toe gevlogen, papa. We hebben elkaar een leven lang niet gezien, míjn leven lang.’
In deze hartenkreet ligt de kern van het boek Al mijn vaders besloten. De hoofdpersoon, Myra Ionescu, heeft haar jeugd doorgebracht in een Roemeens dorpje ten tijde van de communistische dictator Ceaucesku. Het intellectueel begaafde meisje, soms geplaagd door aanvallen van epilepsie, begraaft zich in de boeken.
Zij voldoet volstrekt niet aan de verwachtingen van haar ouders, die hoopten op een tweede Nadia Comãneci, de atlete die vijf gouden medailles had gehaald op de Olympische Spelen van 1976 en symbool van nationale trots. Ten einde raad consulteren zij een Armeense psychiater in de verwachting dat deze zal verklaren dat Myra ‘ziek in haar hoofd’ is en zij haar dus kunnen opsluiten in een psychiatrische inrichting. Als de psychiater hier echter niet in blijkt mee te gaan en verklaart dat zij niets mankeert, maar daarentegen een buitengewoon begaafd meisje is en dat hij wilde dat hij zelf zo’n dochter had, besluiten haar ouders haar te dumpen op een internaat. Eenzaam en onbegrepen, vervuld van een diep verlangen naar liefde en aandacht geeft zij zich over aan de literatuur: ‘Literatuur is menselijker dan de mensen. […] De literatuur opent haar deuren en laat me Anna Karenina zien. Ze zit gewoon op bed en glimlacht, ze maakt het naar omstandigheden goed. […] ‘
Dante
Kwetsbaar in haar verlangens, is zij een gemakkelijke prooi voor beschermheren die zich opwerpen als begripvolle ‘vaders’, die een schouder bieden om op uit te huilen, maar toch vooral uit zijn op bevrediging van hun eigen, vaak seksuele behoeften. Tijdens de vreselijke jaren op het internaat, waar zij heeft leren vechten om haar eigen plaatsje in een vijandige wereld veilig te stellen, heeft zij zich nooit begrepen, laat staan gesteund gevoeld door haar ouders. Haar enige echte vriend in die jaren was de Armeense psychiater. Hij begreep haar en leerde haar opnieuw de waarde kennen van de literatuur, vooral van het werk van de Argentijnse schrijver Borges. Na zijn overlijden resteerde er niemand meer om op terug te vallen. ‘Ik stelde mij regelmatig voor dat er voor mij een auto zou stoppen, waarvan de chauffeur de dood was.’ Ontroostbaar verdriet leidt bij Myra tot heftige gevoelens van obstinaatheid en wraak. Vooral in het werk van de middeleeuwse, Florentijnse schrijver Dante vindt zij vertroosting. In zijn werk gaat zij zich specialiseren. Dante maakt in zijn boek Divina Commedia tijdens een rondwandeling door de hel korte metten met al het schoelje uit de geschiedenis dat hij op zijn wandeling tegenkomt. Zo wil Myra Ionescu ook schrijven. Dat probeert Mira Feticu in dit boek dan ook door haar boek te structureren volgens van het model van de Divina Commedia, een rondleiding door de negen kringen van de hel.
De grote Myra en de kleine Myra
Na haar studietijd verlaat Myra het land van haar ouders en vestigt zich in Nederland waar zij een baan krijgt aangeboden als medewerker aan de UvA. Daar hoopt zij een nieuw leven te kunnen beginnen. ‘Maar hoe raak je een verleden kwijt? Hoe kun je leven in een heden zonder verleden?’ Het leven in het Westen blijkt niet datgene te bieden wat zij zich ervan voorstelde in haar dromen in Roemenië. Met haar ouders heeft Myra gebroken. Van haar moeder zegt zij niets te hebben geleerd, maar haar vader blijft zij zoeken al weet zij dat het tevergeefs is. ‘Ik wacht mijn hele leven op jou, papa, want een meisje heeft, ook al is zij getrouwd, een vader nodig’.
Naast het lezen wordt het schrijven haar leven. Geschreven pijn doet minder pijn. Met het dorp van haar kinderjaren heeft zij niet gebroken. Maar wie is geïnteresseerd in die verhalen? In Nederland wordt zij geconfronteerd met alle vooroordelen over Oost-Europa en meer speciaal over Oost-Europese vrouwen, die williger in bed zouden zijn. Zij stuit op botte arrogantie als zij tijdens een college een hoogleraar hoort verkondigen dat er in Europa al zeventig jaar vrede heerst. Zij springt op uit haar bankje en roept: ‘Ik ben Europa. Ik ben Joegoslavië, Bosnië, Oekraïne, de Krim. Ben ik onzichtbaar voor u, West-Europa?’ Teleurgesteld keert zij steeds meer terug naar de gewoontes uit haar land van herkomst. Zij voelt zich het gelukkigst in de schuur waarin zij schrijft, waar een schamel bed staat en een tafel, net zoals in haar dorp. Eigenlijk is zij volkomen ontworteld. Zij schrijft: ‘Roemeens zijn. Een Roemeens-Nederlandse schrijfster. Wat zou dat precies betekenen? Ergens op een weg zijn die nergens heen leidt.’ Tenslotte besluit de grote Myra een brief te schrijven aan zichzelf, aan de kleine Myra, waarin plaats is voor haar verleden in het dorp. Heel ontroerend.
Autobiografisch
Al mijn vaders is sterk autobiografisch. De thematiek sluit nauw aan bij haar eerdere werk. Het blijft verbazingwekkend dat zij zich de Nederlandse taal in zo korte tijd en zo diepgaand heeft eigengemaakt. Zij heeft ontegenzeggelijk een eigen stijl ontwikkeld, die uitblinkt in heldere beschrijvingen, een kort en bondig taalgebruik en een mooi gevoel voor beelden. Hoewel het een prachtig, ontroerend boek is, heeft het ook iets onevenwichtigs. Het autobiografische karakter laat geen ruimte voor andere, goed ingekleurde karakters. Zij lijkt te schrijven om te verwerken, terwijl grote literatuur pas ontstaat na verwerking. De kracht van het boek schuilt in de grote literaire kwaliteit waarmee Mira Feticu de benauwende pijn van Myra’s ontwortelde bestaan in taal boetseert. In die zin is het boek een echte aanrader.
Het klinkt als een scène uit een spannende film: zeven schilderijen gestolen uit de Kunsthal van Rotterdam, de waarde van de werken ligt boven een miljoen euro. Lang zijn ze zoek, tot het spoor naar Roemenië leidt. Daar zou de moeder van één van de vermeende daders de kunstwerken in het vuur geworpen hebben. Maar of de schilderijen daadwerkelijk tot as zijn vergaan, nog ergens begraven liggen of aan iemands muur pronken – het is nog steeds een raadsel.
Mira Feticu (Breaza, Roemenië, 1973) hoort het nieuws vol verwondering en volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Ze is vooral geraakt door de vriendin van hoofdverdachte, Natascha, in de roman afgekort tot ‘Tascha’: door de Kunstroof kwam haar leven in een stroomversnelling. In zekere zin was het haar redding uit de prostitutie, het moment dat haar de ogen opende. Tascha legt een verborgen en pijnlijke wereld bloot. Maar voor Feticu is het duidelijk: dit verhaal moest verteld worden.
Feticu debuteerde in 1993 als dichter, maar legde zich daarna toe op het schrijven van proza. In Roemenië werkte ze als programmamaker bij de nationale radio en verrichtte literair onderzoek aan de Roemeense Academie van Wetenschappen. Na haar verhuizing naar Nederland, tien jaar geleden, verscheen in 2012 een eerste Nederlandse verhalenbundel, Lief kind van mij, en in 2013 de roman De ziekte van Kortjakje.
‘De werkbeurs die ik voor Tascha gekregen heb, heeft mijn leven veranderd. Ik, een Roemeense, heb erkenning gekregen. Het Letterenfonds ziet mij, ik ben niet zomaar een stem die niemand hoort. De beurs heeft me iets van mijn identiteit teruggegeven. Niet alleen ik wil Nederland, maar Nederland wil mij ook!’
En dat is een beloning waar Feticu hard voor heeft moeten werken. Want het was zwaar om een nieuwe taal te leren maar vooral om haar eigen taal achter zich te laten.
‘Het was zelfmoord,’ legt ze uit, ‘maar tegelijkertijd was er geen andere mogelijkheid. Ik kon niet met één been in mijn verleden blijven staan, ik moest schrijven in de taal waarin ik voortaan ook communiceerde. De Roemeense filosoof Emil Cioran, die ook veel in het Frans schreef, drukte het heel treffend uit: “ik liet een gebed achter, en kreeg er een contract voor terug.” Zo is dat voor mij ook precies. Ik heb met mezelf een contract dat ik in het Nederlands schrijf. Ik ben een andere Mira geworden, ik ben anders naar dingen gaan kijken. Ik begrijp ook niet alles in meer in Roemenië.’
Dat gevoel van versplintering lijken meerdere schrijvers, die in een andere taal zijn gaan schrijven, te ervaren. Al snel komt het gesprek op Herta Müller, die tussen het Roemeens en het Duits laveert. In Roemenië interviewde Feticu haar voor de radio toen vrijwel niemand nog interesse in haar had.
‘Ik bewonder Herta Müller niet alleen om haar schrijverschap, maar om haar hele persoon. Zij is een van de weinigen die tegen het systeem, tegen de Securitate [de Roemeense geheime staatsveiligheidspolitie t.t.v. het communistisch regime], durfde te vechten. Zij heeft me geïnspireerd, zij heeft benadrukt hoe belangrijk karakter is. Zij durfde de waarheid te spreken op een moment dat vrijwel niemand dat deed. Ik heb een zwak voor mensen die naar zichzelf durven te luisteren, en anders durven te zijn.’
In Tascha gaat het ook over iemand die zich aan de rand van de maatschappij bevindt. Op de vraag of ze een idee heeft waar die voorkeur voor zulke ‘outcasts’ vandaan komt, hoeft Feticu niet lang na te denken.
‘Ik houd niet van clichés. Je moet altijd naar je eigen stem luisteren. Ook ik heb me afgevraagd waar die obsessie met de waarheid vandaan komt, want ik doe er anderen pijn mee. Maar het heeft er mee te maken dat ik ben opgegroeid in een internaat, en daar verschrikkelijke dingen heb meegemaakt. Misbruik. De waarheid spreken, voor jezelf opkomen, was de eerste stap naar genezing. Je komt nergens als je alles onder het tapijt schuift. De geschiedenis heeft mij geleerd dat waarheid het allerbelangrijkste is. Daarom speelt het ook zo’n belangrijke rol in dit boek; Tascha moet voor zichzelf de waarheid boven tafel krijgen om haar leven op de rit te krijgen. Zoals Ortega y Gasset over Don Quichote zei: “de schellen moesten hem nog van de ogen vallen”. Zo is het met Tascha ook.’
Wanneer Tascha met haar vriend Radu naar Nederland komt, is ze behoorlijk naïef. Ze gelooft Radu wanneer hij zegt dat ze zullen leven als koningen, dat zij – met haar mooie lichaam – gemakkelijk snel geld kan verdienen.
‘Of ik Tascha sympathiek vind? Dat weet ik niet. Maar ik heb een zwak voor slachtoffers, ik vind het belangrijk om in hun naam te spreken. Ik weet niet eens of Tascha doorhad dat ze een slachtoffer was, ze was zo arrogant en zo dom om te zeggen dat ‘de school van het leven’ haar leerschool was. Naar mijn gevoel heeft zij de roof nodig gehad om tot inzicht te komen. Ze was een meisje dat het leven niet begreep en dacht dat schoonheid de sleutel tot geluk was. Ik voelde me verplicht in haar naam te spreken. Om mij heen, op Facebook, zie ik nichtjes en andere vrouwen uit Roemenië die constant met hun uiterlijk bezig zijn. Ze zijn afhankelijk van anderen voor hun geluk. Dat vind ik zo jammer!’
Op de vraag of ze denkt dat ze zelf ook in dezelfde valkuil had kunnen vallen, is Feticu stellig.
‘Eerlijk gezegd, nee. Ik weet dat de grens tussen iets van je leven maken en afhankelijk blijven in Roemenië erg dun is. Maar ik ben iemand die heeft geleerd om te overleven en te vechten. Gelukkig was mijn vader erop gebrand dat ik ging studeren, dat zorgde ervoor dat ik niet in allerlei rare situaties belandde. Ik ben trouw gebleven aan wie ik ben. Maar daarnaast heb ik ook kansen gekregen, heb ik geboft met de mensen op mijn pad. Ik kreeg de kans voor de radio te gaan werken. Ik bofte met mijn docent aan de universiteit van Boekarest, die bij me langskwam toen ik ziek was en mijn verwarming voor het hele jaar heeft betaald. En hier in Nederland net zo, de bibliotheek in Den Haag redde mij. Mijn Nederlands was nog niet zo goed, maar zij namen me aan. Ik was weer thuis, tussen de boeken. De literatuur gaf mij een nieuwe kans. Literatuur is troost, is redding, fantastisch, het is hoop, de toekomst, bijna een religie.’
Literatuur is de grote constante in het leven van Feticu, schrijvers staan op een voetstuk. Hoe kijkt zij aan tegen haar eigen schrijverschap en de verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt?
‘Ik ben vooral heel dankbaar dat ik mensen kan helpen door mijn verhaal te vertellen. Dat ze er troost uit putten. Ik geloof in mijn woorden, ik geloof dat ze een doel hebben. Mijn verhaal zoekt het woord in jou.’ Ze denkt even na, en zegt dan: ‘Ik kon Tascha’s verhaal niet onbesproken laten. Dan zou ik over alles moeten zwijgen: over Ceauşescu, over de honger, misbruik, alles! In Roemenië heerst eigenlijk zo’n zelfde drang om overal open over te spreken. Het verhaal van de Kunstroof werd in de Roemeense kranten breed uitgemeten. Compleet met namen en toenamen. De daders werden scherp veroordeeld, hun daad werd bestempeld als gebrek aan beschaving. In Nederland hield men zich meer op de vlakte, werd er minder een oordeel uitgesproken. Maar misschien zijn ze in Roemenië ook gewoon doorgeslagen in vrijheid na de Revolutie.’
Dat het niet allemaal beter werd voor de generatie van na de Revolutie, in 1989, blijkt wel uit Tascha. Geen gouden bergen, maar een leven vol strijd. Is Tascha inderdaad een product van een tijdperk?
‘Dat heeft nog niemand aan me gevraagd, maar ik denk het wel. In het boek zegt de vader van Tascha tegen haar dat alles goed zou komen, omdat ze na de Revolutie geboren is. Want na de Revolutie heb je opeens vrijheid, je kunt vrij praten, hebt mogelijkheden. Maar zo was het niet, want revolutie is niet alleen vrijheid, maar ook chaos. Uit zo’n hausse komt Tascha voort – geen waarden meer, geen normen. Haar dorp was verlaten, de helft van de huizen stond leeg. Iedereen kwam er alleen maar om weer weg te gaan. Tascha komt niet uit een normaal gezin, ze is een erfgenaam van het communisme. En dat weegt in een mensenleven.’
Dat het in het derde boek van Feticu over veel meer dan de Kunstroof gaat, moge duidelijk zijn. Toch wordt daar in de presentatie van het boek juist flink de nadruk op gelegd, in plaats van op mensenhandel, prostitutie. Is die ondertitel (‘De roof uit de Kunsthal’) een marketingstrategie?
‘Nee hoor. Ik heb mijn boek nu eenmaal geschreven met een staart in de werkelijkheid, waarom zou ik die ongenoemd laten? Die roof brengt het leven van Tascha aan het licht. Maar het is wel waar dat die ondertitel ervoor zorgde dat mijn boek veel aandacht kreeg, iedereen herinnert het zich nog. Ik heb er wel kritiek op gekregen – het boek zou te weinig over de Kunstroof gaan. Dan denk ik: misschien heb je de essentie niet begrepen.’
Wat raadt Mira Feticu – behalve haar eigen boek natuurlijk – voor deze zomer aan?
‘Allereerst een paar klassiekers, die altijd met me meegaan: Marguerite Yourcenar, Jorge Luis Borges, Witold Gombrowicz. Van die laatste moet je vooral zijn dagboek lezen, prachtig! Ook heb ik Teju Cole ontdekt: een Amerikaan met Nigeriaanse ouders, die het helemaal gaat maken. En wat betreft Nederlandse literatuur? Ik lees heel veel vrouwen, Rascha Peper, Connie Palmen, Marja Pruis – de manier waarop zij biografieën schrijft! Daar kan ik nog veel van leren. De Nederlandse literatuur vind ik zo stoer, alleen al het feit dat de eerste briefroman werd geschreven door twee vrouwen in 1782, door Betje Wolff en Aagje Deken. Mooi dat ik daar nu ook deel van uitmaak.’
Tascha. De roof uit de Kunsthal.
Mira Feticu
Uitgeverij Jurgen Maas
pagina’s: 192
Prijs: € 17,95
‘… Het vliegtuig zat tjokvol, ze zaten op de vierde rij. De twee politiemannen brachten haar voor de tweede keer in drie maanden naar Roemenië. Misschien dat ze nu een spoor zouden vinden van de gestolen schilderijen. Tascha was hun enige hoop om de doeken terug te vinden, begreep ze inmiddels. Maar had ze de vorige keer niet al de plek laten zien waar ze samen met de moeder van haar vriendje de doeken had begraven?…’
De roman Tascha gaat over ‘de kunstroof van de eeuw’, de diefstal van zeven topwerken uit de Rotterdamse Kunsthal in 2012, maar ook over Tascha, de vriendin van de hoofdverdachte, die in Nederland haar lichaam verkoopt.
Schrijfster Mira Feticu, Roemeense van geboorte heeft voor het schrijven van Tascha een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds ontvangen.
Tascha. De roof uit de Kunsthal, Mira Feticu, Uitgeverij Jurgen Maas, presentatie 26 mei 19.00 uur, Paagman, Frederik Hendriklaan 217, Den Haag, 192 pagina’s, € 17,95
Een bijzondere samenwerking tussen regisseur, schrijver en vertaler Martin Michael Driessen en dichteres Liesbeth Lagemaat, beiden auteur bij uitgeverij Wereldbibliotheek. Onder het pseudoniem Eva Wanjek hebben zij samen een roman geschreven over een kunstenaar en zijn muze die zich afspeelt in het bruisende Londen van de 19de eeuw, met zijn culturele elite, zijn bohémiens en zijn zelfkant. Lizzie ‘biedt zowel kostuumdrama en ‘Gothic horror’ als erotische en indringende psychologische scènes.’
Lizzie, Eva Wanjek, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 464 pagina’s, € 24,95
Het nieuwe boek van Mike Boddé is er één voor de liefhebber. Het is voor Boddé zelf een reactie op zijn vorige boek Pil waarin hij schreef over de zwarte periode in zijn leven waarin hij depressief was. Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan heeft hij geschreven om zichzelf aan het lachen te maken. Of zoals hij het zelf schrijft: ‘Hij werd lijfsgewijs omvangrijk, huwde een rondborstige joopdraagster, plantte zich genoegzaamlijk voort, en tekende een kroniek op met betrekking tot zijn zwartgalligheid: Pil. Dit foliant ging vijftigduizend malen over de kooptoog. Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan is het tweede gewrocht van zijn hand.’ Lachen, gieren, brullen? Dat is aan u. In ieder geval een aanstekelijk omslag!
Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan, Mike Boddé, Uitgeverij Brandt, 196 pagina’s, € 15,-