• Hoe weten we wat een rivier wil?

    Hoe weten we wat een rivier wil?

    Heeft een rivier recht op een eigen, onbekommerd en gezond leven? Dat is de centrale vraag in het boek Leeft een rivier? van Robert Macfarlane. Om antwoorden te vinden doorkruist hij nevelige wouden in Ecuador, een dichtbevolkte rivierdelta in India en de uitgestrekte Saint Lawrence-baai in Canada. Hij dompelt zich onder in de geschiedenis en de verhalen van drie rivieren. En in een idee dat naar zijn mening de wereld verandert: het idee dat een rivier leeft.

    Tijdens drie expedities ziet Macfarlane hoe Rio Los Cedros, Chennai en Magpie River alle drie worden ingedamd, vervuild, weggemoffeld en gemolesteerd, ter meerdere eer en glorie van de menselijke of beter gezegd, economische ontwikkeling. ‘De rivier moest worden gedood zodat de stad kon leven,’ zegt Yuvan Aves, leraar, schrijver en wateractivist in India. Wat uiteindelijk een te hoge prijs is als je die stad gezond wil houden. ‘Steden groeien op de oevers van rivieren, […] en vergeten langzaam hun ecologische, hydrologische oorsprong. Later bezwijken ze langzaam onder hun eigen gewicht, tenzij datgene waaruit ze zijn ontstaan met kracht nieuw leven wordt ingeblazen: een rivier.’

    Het lijkt een eerste antwoord op de titelvraag: een rivier kan alleen gedood worden als ze leeft. Wat hij aantreft in India is geen beeld om blij van te worden: een zwaar gemartelde Chennai, verstikt door industrie en verstedelijking. Een lot dat veel andere rivieren in India treft. Tot de dood er volgens sommigen op volgt. Van de moord op de rivier de Yamuna werd zelfs aangifte gedaan.

    Wat gij niet wilt dat u geschiedt

    Twee dagen voor de aangifte van deze moord hadden rechters van het Indiase Hooggerechtshof de Ganges en Yamuna erkend als ‘levende entiteiten’ met bijbehorende rechten. Een besluit dat niet op zichzelf staat maar past binnen een wereldwijde trend om de natuur ook rechten toe te kennen, net als mensen, bedrijven en organisaties. Met als doel om de natuur beter te kunnen beschermen. Immers, als de natuur net als organisaties een rechtspersoon kan zijn, kunnen rechten en plichten beter worden onderscheiden: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. 

    De natuurrechtenbeweging vindt zijn oorsprong in de vraag die Christopher Stone, een jonge academicus, zijn studenten in 1971 stelde: wat zou er gebeuren als de natuur over rechten zou beschikken? Een vraag die in 2017, ruim veertig jaar nadat Stone zijn vraag had gesteld, in Nieuw-Zeeland leidde tot het toekennen van rechten aan de Whanganui rivier. Een wereldwijde primeur die navolging zou vinden. In 2008 werd water in de Ecuadoriaanse Grondwet 2008, erkent als collectief goed, ‘onoverdraagbaar, onvervreemdbaar, onbevattelijk en essentieel voor het leven’. Privatisering van water werd verboden, natuurrechten werden vastgelegd. Vanaf dat moment staan mensen in Ecuador niet meer los van de natuur maar zijn ze – ook in juridische zin – een onlosmakelijk deel van de natuur. En heeft de natuur omgekeerd dezelfde rechten als de mens. Of als bedrijven. Een benadering die de machtsverhoudingen tussen bedrijven en de natuur begint te beïnvloeden: in 2021 oordeelde het Constitutionele Hof van Ecuador op grond van de nieuwe grondwet dat mijnbouw de rechten van de rivier Los Cedros schond. 

    Een rivier leeft… in de harten van mensen

    De natuurrechtenbeweging krijgt volop aandacht van MacFarlane. In zekere zin is Leeft een rivier? dan ook meer een verhaal over de rechten van rivieren dan van het levend zijn van die rivieren. Maar toch is ook dat uiteindelijk niet het hart van het boek. Dat is veel meer de liefde van mensen voor rivieren en voor de natuur. Inderdaad, rivieren leven bij Marcfarlane zeker. In de harten van mensen.

    De liefde voor rivieren druipt van de pagina’s af. Bijvoorbeeld bij Giuliana Furci, die MacFarlane vergezelt bij zijn trip in de nevelwouden. Furci is schimmeldeskundige en valt keer op keer in extase op haar knieën als ze in het stroomgebied van Los Cedros opnieuw een zeldzame slijmzwam ontwaart, waarvan ze zegt dat die tot een ander ‘kindom’ behoren (geen kingdom), ‘een geheel van verwanten, een bos, een rivier’. Of Rita Mestokosho, een Canadese dichteres en natuuractiviste, die zegt altijd al geweten te hebben dat de rivier leeft. De rivier zit diep in haar: ‘Allemaal hebben we een rivier die tot ons spreekt’.

    Het is vooral deze liefde van mensen voor rivieren die Leeft een rivier? een lezenswaardig boek maakt. Al moet je er wel heel wat pagina’s voor doorploegen. Zonder een antwoord op de vraag te krijgen of de rivier leeft. Of op de vraag wat een rivier wil (handig te weten als je haar rechten wil beschermen). Maar zeker deze laatste vraag is misschien ook niet te beantwoorden. Dat lijkt althans aan het einde van het boek (spoiler alert) Macfarlane’s eigen conclusie: ‘Hoe weten we wat een rivier wil? De rivier wil… de zee bereiken. […] Het is alsof dat antwoord tekortschiet.’ 

     

  • ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ‘t verkeer’

    ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ‘t verkeer’

    Een verdwaalde bioloog, verstrikt in cultuur en verloren in het leven, hervindt zichzelf in gesprekken en diepe vriendschappen met bomen. Dat is de korte samenvatting van De vriendschap van bomen. Heropvoeding van een bioloog van Arjen Mulder. Maar die samenvatting is te kort door de bocht en miskent de dwalingen die je als lezer krijgt te verstouwen en die je geregeld zullen doen afvragen wat zin en wat onzin is, en of je het boek het beste terzijde kunt leggen of toch maar moet verder lezen.

    Mulders zoektocht naar een betere band met zichzelf ontrolt zich ogenschijnlijk natuurlijk. Als hij zich tot bomen wendt en met ze begint te praten reageren ze meteen. Ze vertellen hem hoe ze heten (Perel, De Amsterdammer, Filibert) en adviseren hem welke stappen hij zou kunnen zetten. Vaker en vaker trekt hij er alleen op uit. Weg van zijn vrouw. Weg van de samenleving. Naar het bos om zichzelf te vinden.

    Wat bomen vermogen

    De bomen helpen hem zijn innerlijke onrust te verdrijven. ‘Wat de bomen met me uithaalden en wat ik ze liet doen, zonder me daar erg bewust van te zijn, was het kanaal zuiveren waardoor ik met hen en mijzelf contact kon maken. Ze schrobden mijn ziel schoon, al kostte het maanden voordat ik begreep welk vul ze op welk moment hadden weggespoeld.’

    Mulder ontmoet een druïde, een ‘bomendeskundige’, die hem wegwijs maakt in de leefwereld van bomen. Hij bemachtigt een ‘krachthoutje’, een takje van een zomereik, waarmee hij zijn contact met bomen verder verdiept, zodat hij zich nog vollediger en op haast sektarische wijze kan overgeven aan de kracht van bomen. ‘Alles wat onecht en negatief aan me was heeft het krachthoutje uitgedreven. […] Jarenlang was ik verdwaasd en verdwaald. Nu hoor ik weer bij degenen die het weten. Ik zal het nooit meer vergeten.’ 

    Over zin en onzin

    Is Mulders relaas over zijn groeiende vriendschap met bomen een getuigenis van hoe de auteur zichzelf hervindt of van hoe hij de weg kwijtraakt? Dat is de vraag die aan de orde komt in een duo-interview bij Vroege Vogels (BNN Vara, 18 augustus 2024), waarbij Mulder en zijn bomenlerares en druïde Maja Kooistra worden bevraagd over de zin en onzin van het communiceren met bomen. ‘Als bioloog’, zo zegt Mulder, ‘heb je een biologische manier van denken. Je maakt iets mee en daar probeer je dan een verklaring voor te vinden. In het begin heb ik de beslissing genomen om geen verklaringen te zoeken, maar het gewoon mee te maken.’ Een meemaken dat je, zo stelt Kooistra, dichter bij de kern van het leven brengt, waardoor je zelf ook meer gaat leven.

    In het interview wordt ook bosecoloog Jan den Ouden van de Universiteit Wageningen aangehaald. Volgens hem hoeft de subjectieve (niet wetenschappelijke) aanpak die Mulder en Kooistra volgen geen probleem te zijn. Zolang de communicatie met bomen maar niet verder gaat dan hoe iemand zich persoonlijk tot bomen verhoudt, en bijvoorbeeld niet leidt tot ander bosbeheer. Want dat baseert hij liever op wetenschappelijk bewijs dan op subjectieve waarneming. En wetenschappelijk bewijs voor wat Mulder en Kooistra beweren heeft Den Ouden niet gezien.

    Wereldbeeld van de verteller

    Geen wetenschappelijk bewijs. Is dat een probleem als je een boek leest? Als dat boek non-fictie is? Nee natuurlijk. Non-fictie hoeft niet wetenschappelijk verantwoord te zijn. Wel ‘subjectief verantwoord’, dat wil zeggen dat het vertelde consistent is met het wereldbeeld van de verteller. Want anders zou het alsnog fictie worden. 

    En subjectief verantwoord is Vriendschap van bomen zeker. Maar het verslag van hoe Mulders communicatie met bomen groeit en zich verdiept is integer. Ook al zullen veel lezers misschien moeite hebben alles te geloven wat hij boekstaaft. Hij had het zeker beknopter kunnen doen. In puntiger taal. Mulder is de eerste om toe te geven dat woorden hier misschien altijd te kort zullen schieten. ‘Ik weet dat ik nooit zal kunnen beschrijven wat hier gebeurde. Mensentaal is niet geschikt om boomgevoelens te verwoorden.’

    Hij weet dat bomen en mensen zich – ondanks de communicatie tussen hen – in een andere dimensie bewegen. Wat uiteindelijk het sterkst naar voren komt uit dat overbekende lied, waaruit Mulder tot tweemaal toe een zin citeert. Dat lied over doodgewone mensen, die aan de Amsterdamse grachten hun leven leiden ver van de natuur. Dat lied met die ene zin die volgens Mulder de kern van het lied is. En van het leven. ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ’t verkeer.’

     

     

  • Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • De zonde bestaat erin de daad in eigen hand te nemen

    De zonde bestaat erin de daad in eigen hand te nemen

    Het is het voorrecht van de kunstenaar om te bepalen dat zijn werk klaar is. Iemand die dit adagium tot in de finesse beheerste was Auguste Rodin. Als geen ander wist hij dat je in goede kunst moet focussen op wat er echt toe doet. En dat het af is als je die focus gevonden hebt. In veel van zijn beelden liet hij de rest van de steen dan ook vrijwel onaangeraakt, zoals bijvoorbeeld het beeld Gedachte, waar een perfect gebeeldhouwd vrouwenhoofd oprijst uit een ruw stuk marmer.

    Ook in de roman De zee van de Spaanse dichter en romancier Blai Bonet – (1e druk in 1958) eerste Nederlandse vertaling in 2024 – ligt de nadruk op wat ertoe doet. Maar in tegenstelling tot Rodin’s Gedachte, werd die focus pas gevonden toen het overtollige werd weggesneden. De eerste versie van De Zee besloeg meer dan zevenhonderd pagina’s en uit het uiteindelijke manuscript werden voor publicatie nog verschillende hoofdstukken geschrapt. Niet door de censuur, die ten tijde van dictator Franco fors kon zijn, maar door de redacteur van de roman, Joan Sales. Dit is althans de mening van Frans Oosterholt, die de Nederlandse vertaling maakte en het nawoord bij de roman verzorgde. Volgens hem is het waarschijnlijk dat Sales de schrijver ervan overtuigde dat het beter was om negen hoofdstukken niet op te nemen, om zo te voorkomen dat het verhaal zou uitwaaieren en de aandacht zou worden afgeleid van de hoofdpersonen. Hoofdstukken die overigens in de Nederlandse vertaling als annex zijn opgenomen. Waardoor je je als lezer er ook zelf van kan vergewissen dat less in dit geval inderdaad echt more is en focus loont.

    Sanatorium als tegenvoeter van verveling

    Het resultaat van Sales’ ingrepen is een intens geconcentreerde roman over twee adolescenten: Andreu Romallo en Manuel Tur. Zij zijn beiden met tuberculose in een sanatorium opgenomen en afwisselend aan het woord. Ze vertellen over de armoede en onzekerheid van hun jeugd, over het geweld en de wreedheden van de Spaans burgeroorlog, over hun ontluikende homoseksualiteit, over zonde, schuld, en het bestaan van tuberculoselijders in het sanatorium.

    Priester Gabriel Caldentey, één van de weinige anderen die aan het woord komen in de roman, duidt het sanatorium treffend als de tegenvoeter van verveling. ‘Hier zondigt men subtiel, men zondigt en bespreekt de zonde, zoals in hogere kringen. In dit sanatorium wordt vurig gezondigd, niet ondergronds, zoals in de plattelandsparochies.’ 

    Zonde en schuldbesef 

    De roman is doordesemd van zonde en schuldbesef, waarbij het vooral de homoseksuele gevoelens en de dood zijn die deze gevoelens opwekken. Zowel Andreu als Manuel gaan hieronder gebukt en er uiteindelijk ook aan onderdoor. Als Manuel tegen het einde van het boek zijn naakte lichaam in de spiegel bekijkt is hij zich bewust van die zonde en van de kwetsbaarheid die ermee gepaard gaat. ‘Ik ben helemaal bloot. Nooit was ik er zo van doordrongen dat het lichaam van een mens vleesgeworden stilte is.’

    Ook Andreu gaat gebukt onder zonde en schuld. Hij weet dat hij alleen zal achterblijven in de vreselijke daad die hij zal begaan. En dat ze hem dan zullen vinden. Dat de zonde een hondenstraf is die erin bestaat de daad in eigen hand te nemen. Maar hij meent ook dat de zonde een tempel is ‘waarin een man binnengaat, op onverklaarbare wijze, omdat hij weet dat zijn onschuld hem zal laten huilen…’

    De dood als kloosterregel

    Naast zondebesef en schuld is de dood het tweede grote thema in De zee. De dood is alomtegenwoordig, in de vorm van jeugdige doden als gevolg van de gebrekkige gezondheid van de arme Spaanse plattelandsbevolking, van moord in een verscheurd land in en na de burgeroorlog, van fusillades, van uitgeteerde tuberculosepatiënten die het niet redden, en zo meer. 

    Als Andreu naar het dorp loopt komt hij en oude vriend tegen die het leger in gaat. Ze raken in gesprek over militaire dienst, vechten, en doden, en de militair in spé legt Andreu uit waarom doodgaan iets is dat je uiteindelijk alleen zou moeten doen. ‘Een man is nooit meer man dan wanneer hij moet sterven. Zeggen ze. Omdat hij helemaal alleen is. Zonder iets te geven. Zonder iets te krijgen. Er zit alles in: de weg, het land, angst, tederheid, het leven. Zonder het te gebruiken. Er eenvoudig over beschikken. Zonder het vast te houden. De dood is een kloosterregel die volledig doorleefd wordt in twee uur tijd.’ 

    Doordat in De Zee het perspectief per hoofdstuk verandert is het lezen ervan topsport. Je kunt je aandacht geen moment laten verslappen en moet het net zo intens lezen als het is opgeschreven. Al gunt Bonet je af en toe ook een bezinningsmoment, wanneer zijn pen de omgeving van het sanatorium beschrijft, waarin de geuren en warmte van Mallorca zinderen. ‘De stoep die, immer grijs, om het paviljoen heen loopt, kraakt, gloeiend en geblakerd, onder de zon van drie uur, de zon van de distels, van de stoppels, waar de klaprozen, de witte en roze akkerwinde, het bisschopskruid voor de bruid, hun nuances laten opzuigen door de nobele en brute zon van het land.’

    Het Mallorcaanse landschap en leven als decor

    Zondebesef, schuld, de dood, het Mallorcaanse landschap en plattelandsleven. Het zijn vaste thema’s in het oeuvre van Bonet. Hij werd in 1926 geboren in Santanyí op Mallorca en stierf er in 1997. Als jongeling ging hij het seminarium in maar moest die opleiding afbreken vanwege tuberculose. Hij zou in het sanatorium waar hij verbleef het idee opdoen voor De zee, zijn eerste roman. Daarnaast putte hij veel inspiratie uit het eiland waar hij woonde, zijn moeizame relatie met zijn vader en zijn worsteling met homoseksualiteit. Allemaal thema’s die worden aangestipt in De zee. Na zijn debuutroman zouden er nog vier volgen. Daarnaast schreef hij vooral en veel poëzie. Zijn verzamelde dichtwerk, in 2014 uitgebracht, beslaat maar liefst 1374 pagina’s. En dat was nog niet alles. Bonet was ook een begenadigd dramaturg, dagboekschrijver, kustcriticus en journalist.

    Zijn kritische inborst als kunstcriticus en journalist toont zich duidelijk in De Zee. Alhoewel Bonet net als Andreu Romallo en Manuel Tur in een sanatorium verbleef, heeft de schrijver altijd benadrukt dat De zee niet autobiografisch is. Hij wilde, zoals hij in 1981 in een interview had gezegd, niet zozeer de realiteit van een sanatorium schetsen, maar de verstikkende atmosfeer van het franquistische Spanje. Het verdriet van Spanje.

     

  • Ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem

    Ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem

    Als Pippa met haar moeder Oddný en haar ‘zoveelste’ vader naar haar nieuwe huis rijdt in een uithoek van IJsland heeft ze het idee dat ze de bewoonde wereld verlaat. Ze krijgt buikpijn en weet niet of dat is omdat ze een blaas vol plas heeft of omdat ze in een jeep zit die de wereld uitrijdt. Haar hoofd is zo leeg als de leegte om haar heen. Als haar nieuwste vader, Snorri, zegt dat ze er zijn, schrikt ze. ‘Want we zijn nergens’.

    Zo begint Magnetisch middernacht, de derde roman van Laura Broekhuysen (1983), schrijver en violist. Een roman als een zoektocht in niemandsland, waar de lezer uiteindelijk net zo weinig houvast heeft als bewoners van IJsland, die leven op voortdurend over elkaar heen schuivende aardschollen.

    Broer, zus of zoer

    Pippa maakt kennis met Loke, zoon van Snorri. Ze vraagt zich af of hij echt een jongen is, of een meisje in een jurk. Is hij haar nieuwe broer, zus of zoer? Ze maakt ook kennis met haar nieuwe huis in niemandsland, ‘een paar honderd kubieke meter niet-wit’. Het is een bevreemdende ervaring. Alhoewel Pippa net is gearriveerd lijkt veel vertrouwd. ‘Ik heb een rare smaak in mijn mond, lijk de kamer te proeven: de lampenkap, de halfvergane franje, het gehaakte tafelkleedje, de mat onder mijn sokken, de zoom van het gordijn, de roestvlekken op de kraan.’ En ze herkent tot haar verbazing de akoestiek van het huisje. Alsof ze er eerder is geweest.

    Heden en verleden gaan voortdurend in elkaar over, waardoor maar moeilijk duidelijk wordt of nieuw echt nieuw is of een herhaling. Als haar moeder haar vraagt wat ze van Snorri vindt zegt Pippa dat ze hem goed vindt ruiken. ‘Het is niet direct een lekkere lucht, maar wel een betrouwbare. (…) Hij ruikt naar dit huis. Naar vochtige planken. Naar oude verhalen verschoten behang. Naar stoffige dozen, naar vis, naar aardappelen. Hij ruikt huiselijk.’ In haar herinnering begint haar eigen vader, die ze niet kent, steeds meer op Snorri te lijken.

    Een schim met takkige haren

    Zo huiselijk als Snorri voor Pippa is, zo vreemd zijn de omgeving en de mensen om hem heen voor haar. Vooral op Iðunn krijgt ze maar moeilijk vat. De familie van dit meisje is enkele jaren geleden bij een aardverschuiving met huis en haard in zee geschoven. Volgens velen is Iðunn daarbij met haar moeder omgekomen. Maar wie is dan die schim, bijna doorzichtig, nachtkleurig, met takkige haren, die in een gescheurde, besmeurde jurk rond het huis doolt? Als Pippa haar blik vangt lijkt het of ze wordt aangekeken door een schichtig dier.

    Ook Herdís, de vrouw van Snorri en moeder van Loke, is ongrijpbaar. Als de lente komt staat ze opeens voor het huis, ‘als een verzinsel, schutkleurig in de drek’. Maar ze is wel degelijk echt en treedt meteen binnen om de leiding over het huishouden over te nemen. En over Snorri, Loke, Oddný en Pippa. Alsof dat altijd zo is geweest. Haar komst schudt Pippa’s wereld opnieuw door elkaar en zet een raderwerk in beweging dat haar uiteindelijk haar oude grondvesten terug zal geven alvorens ze weer ongenaakbaar door elkaar te schudden.

    Glijdende aardschollen

    Magnetisch middernacht is de tijd waarop het poollicht op zijn felst is. Het is ook de tijd dat de IJslanders elkaar opzoeken, kerstbomen verbranden, hossen en elkaar verhalen vertellen. Pippa gaat met Loke mee en voelt voor het eerst hoe het is om een broer te hebben. Of een zus of een zoer. Ze voelt zich onderdeel van een groter geheel zonder er veel van te begrijpen. Waarschijnlijk is dat laatste iets waar de meeste lezers zich in zullen herkennen. Want Broekhuysen maakt het hen niet makkelijk. Magnetisch middernacht heeft geen eenvoudig plot en is eigenlijk net zo schimmig als Iðunn. Net zo ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem. Verhaallijnen glijden als aardschollen over elkaar heen, hier en daar een schok veroorzakend, om daarna weer weg te glijden in het niets, waarbij Broekhuysen haar verhaal kruidt met prozaïsch taalgebruik en Noordse mythen. 

    Het proza in Magnetisch middernacht is rijk en beeldend. Wat je leest zie je zo voor je. ‘Het stormt, van slapen is geen sprake. De zee raast, het ijswater wordt door de wind omhoog gezogen, tegen de ruiten gesmeten. De balken kraken.’ Alsof je midden in een IJslandse storm zit. Broekhuysen is vindingrijk en legt de mooiste verbanden. ‘In het hout van de vloer zijn de noesten zo rond als muzieknoten, als ik me een kwartslag draai zijn de planken vol nerven mijn notenbalken. In elke kamer zijn liedjes te vinden.’

    Met de mythologie komt ook de verwarring. Moeders veranderen in zeehonden en wolven bijten handen af. Loke is niet alleen Pippa’s broer, maar in de Noordse mythologie ook de god van chaos en leugens. Wat de vraag oproept waar de vertrouwde steun die Pippa in hem vindt op is gebaseerd. En Iðunn is in de oude verhalen de bewaarster van de appels der jeugd, die de goden de eeuwige jeugd gaven. Terwijl het maar zeer de vraag is hoe eeuwig die jeugd in Magnetisch middernacht is.

  • Als een lichtflits op het water

    Als een lichtflits op het water

    Walvistij, de debuutroman van de Engelse auteur Elizabeth O’Conner, speelt zich af in 1938. Manod is een slimme, jonge vrouw die met haar vader en zusje op een eilandje voor de kust van Zuid-Wales woont. Ze heeft op school meer opgestoken dan de meeste andere eilanders. Als één van de weinigen spreekt ze Engels en fantaseert ze over een studie op het vasteland. Een droom waarin weinigen haar steunen. Zelfs haar vader niet.
    Manod is achttien jaar en net van school af als ze er alleen voorstaat en niet zo goed weet hoe het verder moet. ‘Ik wist dat de meeste meisjes aan hun moeder vroegen wat ze moesten gaan doen als ze van school af waren, wat ze met mannen moesten doen, maar ik had geen moeder om dat aan te vragen. Bij elke beslissing die ik nam had ik het gevoel dat ik een vis probeerde te vangen die pas bestond als ik hem gevangen had.’

    Als twee antropologen van het vasteland het eiland aandoen om de plaatselijke gebruiken te onderzoeken, lijkt het tij te keren. Manod gaat voor ze werken. Ze vertaalt liedjes, tolkt bij gesprekken en geeft uitleg over de gebruiken en legendes van het eiland. Als de vriendschap tussen Manod en Joan en Edward lijkt te groeien, denkt en praat ze er steeds openlijker over om het eiland te verlaten en te gaan studeren. Maar net als de walvissen uit een oude eilandlegende lijkt ook haar hoop op een ander leven sneller dan snel uit beeld te verdwijnen. 

    Walvislegendes en botsende waarden

    In de oude eilandlegendes verbeelden walvissen verdronken dochters die voor even zijn teruggekeerd, verloren dochters ‘die soms aan de oppervlakte kwamen, maar altijd weer in de diepte verdwenen’. Dus toen er een walvis aanspoelde op het eiland was dat tegelijkertijd de thuiskomst van een vertrouwd familielid én een nakend verlies. Een verlies dat de walvis ook Manod zou laten voelen, alhoewel het bij haar niet het verlies van een dochter betrof, maar van haar moeder.

    Voordat dat verlies zich echter aandient schetst O’Conner een schril contrast tussen botsende waarden. Een contrast dat teruggaat op de werkelijkheid. Want alhoewel Walvistij zich op een fictief eiland afspeelt, zijn de gebeurtenissen die O’Conner beschrijft gebaseerd op de recente geschiedenis van kleine Brits-Ierse eilanden, waar leegloop regel was en waar vastelanders veelal karikaturaal over dachten.

    Zo ook Joan en Edward. Ondanks hun gewichtig aandoend onderzoek, vinden zij het eiland vooral amusant en charmant. Het gaat hun niet zozeer om hoe het echte eilandleven is, maar om hun eigen idee erover. Zo vragen ze een visser bijvoorbeeld om het water in te gaan terwijl geen eilander dat ooit zou doen. Niemand op het eiland kan immers zwemmen. Het is één van de vele beelden die verraden dat de antropologen en bewoners een totaal verschillende blik op het leven op het eiland hebben. Manod realiseert zich dat ook ‘met een steek in haar borst’ als ze de studie-aantekeningen leest. Ze herkent de eilanders niet waarover Joan schrijft.  

    Gestrande walvis

    Het verschil tussen het Engelse en het eiland-denken komt het meest pregnant naar voren in de omgang met de gestrande walvis. Waar eilanders de walvis bij de eerste tekenen van verrotting als een overleden familielid met bloemen sieren en vereren, hebben vastelanders het vooral over de gebruikswaarde. En terwijl de Engelsen olie en blubber van de rottende walvis als brandstof afvoeren, en organen en huid als hondenvoer en kunstmest, ontfermen de eilanders zich liefdevol over het achtergelaten skelet. Die stoffelijke resten van de walvis bieden de eilanders troost. Zo ook Manod, die terwijl haar hart bloedt, in de schedel van de walvis een herinnering aan vroeger vindt. En er vertrouwen uit put voor de toekomst.

    Walvistij is een knap gestileerd boek over een zoekende maar zelfbewuste jonge vrouw. De beknopte stijl verraadt O’Conner’s ervaring met het korte verhaal, waar ze er al vele van schreef. Ze won er in 2020 de White Review Short Story Prize mee. Walvistij is haar debuutroman, waarmee ze laat zien ook het langere verhaal aan te kunnen. Een verhaal waarin Manod weliswaar de hoofdpersoon is, maar de hoofdrol is voorbehouden aan het eiland zelf. Een eiland dat, als alle mensen als walvissen in de diepte zijn verdwenen, pas volledig zichzelf zal zijn, ‘als een lichtflits op het water’.

     

     

  • Schoolreisje en missie ineen

    Schoolreisje en missie ineen

    Tussen de regels door is het klip en klaar: ‘De vrijheid van Oekraïne is nog niet gestorven.’ In deze eerste regel van het Oekraïense volkslied, en dan vooral in het woordje ‘nog’, schuilt volgens Jelle Brandt Corstius ‘een berg doden, drama, verdriet. Opnieuw vechten Oekraïners voor hun voortbestaan, in wat een lange oorlog lijkt te worden, met ongewisse uitkomst.’
    De oorlog verscheurt Brandt Corstius. Tweeëntwintig jaar geleden bezocht hij Lviv voor het eerst en viel als een blok voor Oekraïne en voor de cultuur – en de absurditeiten – van het oosten. Hij leerde Russisch en zou als correspondent voor  dagblad Trouw van 2005 tot 2010 in Moskou wonen. Hij voelde zich er als een vis in het water en noemt Rusland ‘de liefde van zijn leven’. Een liefde waar hij mee moet breken nu Rusland Oekraïne is binnengevallen. ‘We kunnen niet neutraal toekijken, de vrijheid en veiligheid van Europa is in het geding. Ook wij zijn in oorlog met Rusland.’ 

    Hij sluit zich aan bij Jaap Scholten, schrijver en oprichter van ‘Protect Ukraine’. Zijn stichting levert spullen die Oekraïense soldaten in leven moeten houden, zoals terreinauto’s, maar ook kogelvrije vesten, helmen en tourniquets. Brandt Corstius twijfel geen moment en gaat met een groep van veertien mannen op weg naar het Oosten. ‘Het is oorlog, en wij komen de spullen brengen voor de goeden zodat die van de kwaden kunnen winnen.’ Het is voor hem een persoonlijke afrekening met zijn oude liefde Rusland waar hij naar smacht. 

    Jongensachtige branie

    Spullen brengen is het relaas van deze tocht. ‘Een bont reisverslag en een afscheid van een oude liefde ineen’, aldus het omslag. Schoolreisje en missie ineen had er ook kunnen staan, want als iets het boek karakteriseert is het wel de bonte mengeling van kwajongensachtige branie zo kenmerkend voor schoolreisjes maar dan met de ernst van het slagveld.

    Bij vertrek uit Bloemendaal wordt de toon meteen gezet. ‘Af en toe geeft de correspondent zonder enige reden anders dan kinderlijk plezier een flinke dot gas en dan gillen we het uit van de pret. Over snelheidsboetes hoeven we ons niet veel zorgen te maken, over een paar dagen wordt de nummerplaat – een Zweedse – er in Oekraïne afgehaald en rijdt hij zonder plaat met soldaten aan het front.’ De reis gaat via Drenthe naar Lientzen in de Duitse deelstaat Brandenburg, waar ze overnachten bij een bevriende graaf van Scholten. Deze graaf Carl-Han Graf von Hardenberg blijkt af te stammen van een van de weinige militairen die zich tegen Hitler keerde, en draagt in deze nieuwe oorlog graag zijn steentje bij met een uitgebreid banket voor de groep (met bijpassende dranken). Brandt Corstius en zijn kompanen laten het zich met plezier welgevallen.

    Maar als het konvooi de grens met Oekraïne bereikt wordt de sfeer vanzelfsprekend meer gespannen. Het is duidelijk dat het nu serieus wordt. ‘Veertien Nederlandse simkaarten bij elkaar kan een juicy target zijn.’ Ze verwijderen ze voor de zekerheid, omdat ze toch een oorlogsgebied binnenrijden. Ver van het front, maar overal kan een raket inslaan.

    Toch verdwijnt de kwajongenssfeer niet helemaal. En Brandt Corstius houdt ook gedurende de laatste etappes de humor vanuit overtuiging overeind. Ook in zijn wekelijke podcasts, zo schrijft hij, probeert hij altijd iets raars te stoppen. ‘Want wat heeft het leven nou voor zin zonder humor?’ En het zijn toch vooral ook de absurditeiten van zijn geliefde Rusland die hem tijdens deze wrange oorlog op de been houden. Zoals de militaire salades die Russen altijd blijken te eten op 9 mei, om de overwinning op de Nazi’s te vieren. Of het schaap dat ouders uit de arme regio Boerjatië van de Russische staat krijgen als compensatie voor hun gesneuvelde zoon. 

    Van schoolreisje naar missie

    Naast de lichtvoetige Brandt Corstius, is er ook de didactische. Hij deelt zijn kennis over Rusland en de Russische ziel met graagte, waardoor je als lezer het een en ander opsteekt. Over dat niet Poetin het probleem is, maar het in Rusland diepgeworteld imperialisme. En over waarom Oekraïners zich in de Tweede Wereldoorlog in groten getale bij nazi’s aansloten, en tegen de Russen vochten, waardoor Poetin ze nu nazi’s noemt.

    Maar verwacht geen uitgebreide introductie in het hoe en waarom van de oorlog. Daarvoor blijft de luchtigheid waarmee Brandt Corstius de missie en het conflict beschrijft te groot. Altijd met een knipoog, zo lijkt het. Een knipoog die alomtegenwoordig lijkt, zo blijkt uit de waarschuwingen die hij via zijn telefoon over luchtaanvallen krijgt. Als het gevaar is geweken klinkt steevast de vertrouwde stem van Mark Hamill, Luke Skywalker uit Star Wars. ‘The air alert is over. May the force be with you.’ 

    Ondanks de lichtvoetigheid is het duidelijk dat wat voor sommigen begon als een schoolreisje is uitgegroeid tot een missie. Alsof hij daar nog over twijfelt, vraagt Brandt Corstius aan Mychajlo, die in Kyiv een auto komt ophalen, naar de romantiek van oorlog, naar de verbroedering en de intensiteit van het leven aan het front. Mychajlo is vrijwilliger en chauffeur van een ambulance die gewonden en doden vervoert. Voor hem geen schoolreisjes. Geen kwajongens branie. Als Brandt Corstius vraagt of er ook mooie momenten in de oorlog zijn, maakt zijn dofheid plaats voor felheid. ‘Er is helemaal niets moois aan man. Domme oorlogsromantiek. Ik wil dat deze kutoorlog voorbij is en weer iets leuks doen.’

     

     

  • Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    In 1937 tekende Salvador Dali L’arc hystériqye, de Hysterische boog. Een gedetailleerde pentekening van een vrouw in een ongemakkelijk positie, steunend op handen en voeten met haar buik hoog in de lucht. Ze is strak ingebakerd in doeken, die haar nauw omsluiten. Bij Dali en andere surrealisten was hysterie een terugkerend thema. Voor hen was het een verheven middel van expressie. Dat deze voorliefde van de culturele elite in de jaren dertig geen gemeengoed was, blijkt duidelijk uit Het luik van sneeuw, de eerste en enige roman van Emily Holmes Coleman (1899-1974, geboren in Californië). In deze roman beschrijft Coleman hoe Marthe Gail in het Gorestown State Hospital, een psychiatrische kliniek voor vrouwen, wordt behandeld aan de gevolgen van kraamkoorts. Een behandeling die door de ogen van tegenwoordig bezien, ontluisterend wreed is.

    Coleman beschrijft op indringende wijze hoe bij Marthe alle houvast wordt weggenomen. Net als de andere patiënten wordt Marthe gestaag ontmenselijkt. Als ze in bad gaan worden de patiënten strak ingezwachteld in stroken stof, van elke bewegingsvrijheid beroofd. En als ze gaan slapen worden ze vastgebonden onder een strakgespannen canvaslaken, beroofd van elke identiteit. Voor Marthe is het alsof ze in een ‘spiraalkist’ in bad moet. Maar ze is er de vrouw niet naar zich te laten kisten en bevrijdt zich als het strakke windsel haar onder water te warm wordt. Als de verpleegster terugkomt vertelt ze dat ze zich bevrijd heeft. ‘Het is hemels zonder dat ding.’ De verpleegster snapt er niets van. Geen van de patiënten had zich ooit los weten te maken.

    Onmondig zieke vrouw

    Het is Marte te voeten uit. Van het begin af aan probeert ze zich te bevrijden. Ze kan niet accepteren dat ze behandeld wordt als onmondige zieke vrouw. Door de verpleegsters, de artsen, maar uiteindelijk ook door haar man. Alhoewel die zijn best doet om het haar wat aangenamer te maken. Bijvoorbeeld door haar potlood en papier te bezorgen, zodat ze haar ervaringen kan boekstaven. Coleman’s beschrijving van hoe Marte dat doet is kenmerkend voor haar schrijfstijl. Rijke zinnen, vol beeldend taalgebruik, die om elkaar heen dansen als de losgetrokken windsels in een warm bad.
    ‘De woorden ontvouwden zich en ontstonden op het papier. Ze gleden omhoog en zweefden en landden en stonden op een rij. Zij vormde ze, ze zei dingen met een potlood op een klein vel geel papier. Het was een brief aan haar vader en daar waren de woorden, woorden die ze uit het rode licht plukte en vastprikte onder haar potlood als wriemelende motten. De motten hadden gele staarten en probeerden wanhopig aan het potlood te ontkomen.’

    Het luik van sneeuw is geen plezierig boek om te lezen. Daarvoor is de situatie waarin Marthe zich bevindt te triest, te onmenselijk. Maar het is wel een goed geschreven boek, dat in zijn grillig proza het denken van een psychotische vrouw perfect weergeeft. Coleman kon zich daar ook als geen ander in inleven. Zelf was zij gedurende twee maanden, kort na de geboorte van haar zoontje ook op vergelijkbare, choquerende wijze behandeld. Het luik van sneeuw is dan ook een autobiografische roman te noemen en het schrijven ervan was voor Coleman naar alle waarschijnlijkheid een therapeutische daad. En een aanklacht.

    Niet menswaardige behandelingen

    Alhoewel Marthe deels duidelijk psychotisch is (zo denkt ze dat ze God is), probeert ze zich voortdurend te onttrekken aan de behandelingen die volgens haar niet menswaardig zijn. ‘Dr. Brainerd’ zei Marthe ernstig, ‘dat ik toevallig een toxische uitputtingspsychose heb is dat de enige reden om me als een hond te behandelen?’ Het is een discussie met haar behandelaren (of haar man) die ze niet wint. Ze realiseert zich dat. ‘Vanavond zal er sneeuw op mijn glazige vingers liggen … en een luik van sneeuw op mijn graf’, zegt ze tegen haar man, terwijl ze met haar neus tegen de ruit gedrukt naar buiten kijkt. 

    Coleman zelf zou uiteindelijk het ziekenhuis verlaten en met haar man en zoon naar Parijs vertrekken. Ze zou er een succesvolle carrière als editor opbouwen, met een rijk sociaal leven, onder andere in de kringen van de anarchiste Emma Goldman en kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. Ze zou nog vele artikelen, gedichten en korte verhalen schrijven. Maar nooit meer een roman. Dat luik was blijkbaar echt dicht.



  • Escapades

    Escapades

    Nu de hedendaagse goden zijn teruggekeerd van de Olympus is de tijd rijp voor een klassiek literaire terugblik op één van de meest memorabele momenten van de Spelen: de escapades van godenzoon Yuri.

    Hoe kunnen we zijn avonturen beter herbeleven dan door ze terug te lezen in Ovidius’ Metamorphosen? Wat leent zich daar beter voor dan die prachtige aaneenschakeling van verhalen over levens van klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren? Zoals de in een laurierboom veranderende Daphne, de altijd napratende Echo en de op zichzelf verliefde Narcissus. Nee, niets is leuker dan deze klassieke verhalen te gebruiken als spiegel voor de beproevingen van de hedendaagse mens. Zoals die van Yuri.

    Zijn escapades brengen die van Bacchus in herinnering, uit het achtste boek van de Metamorphosen. Een verhaal dat door Titiaan in opdracht van Alfonso d’Este onvergetelijk is uitgebeeld. Voor wie het wil zien; het hangt in de National Gallery van London. We zien een overblije jeugdige Bacchus die met zijn gevolg van feestvierders op een wat verdrietige Ariadne stuit, de dochter van koning Minos. Zij is net verlaten door Theseus, die haar had meegenomen naar Naxos, maar daar alleen achterliet. Terwijl ze nog in tranen is dient de wijngod zich bij haar aan. Ze schrikt maar wordt snel door Bacchus getroost. Hij pakt haar diadeem af, slingert het de hemel in en schenkt haar zo haar eigen sterrenbeeld, de Corona Borealis. Waarna ze trouwen en geloof ik, nog lang en gelukkig leefden.

    Dit doek van Titiaan lijkt Yuri op het lijf geschilderd. Al zijn er dan wel meerdere interpretaties mogelijk, maar dat is bij een klassiek mythologisch schilderij wel vaker het geval. Volgens de eerste interpretatie is Ariadne net met de boot in Brazilië aangekomen en stuit ze op het strand op Yuri met zijn gezelschap van schaarsgeklede en dronken Braziliaanse feestbeesten. Yuri is zo blij haar te zien dat hij uit jolijt haar diadeem de hemel in slingert, waarmee hij zijn kansen op Olympische goud vergooit.
    Een tweede interpretatie is dat Yuri’s gezelschap bestaat uit dronken collega-Olympiërs, waaronder de door slangen gevangen god Mauritshendrikos. Hij stuit dan niet op Ariadne maar op de godin Olympia, die op zijn zachts gezegd not amused is als ze ziet hoe haar gedroomde winnaar hier door de in bier gedrenkte Olympiadengroep wordt opgejut. Ze wendt zich van hem af en ontneemt hem zijn podiumkansen. Al lijkt ze door met haar rechterhand naar de sterren aan de hemel te wijzen te suggereren dat het goud voor Yuri in de toekomst misschien nog wel bereikbaar is.

    U ziet, Ovidius en Titiaan zijn van alle tijden, al zullen we nooit weten welke interpretatie de juiste is. Maar ik hoop dat ooit één van de lezers van deze column in de National Gallery voor het schilderij van Titiaan staat en dan fluistert: ‘Hee, dat is Yuri, hoe zat dat ook al weer?’

     

     

  • Verhalen vertellen

    Verhalen vertellen

    Je zou het bijna vergeten als je in een goed boek bent ondergedompeld, maar het geschreven woord is niet altijd de ultieme verhalenverteller geweest. Lange tijd was het stenen beeld veel belangrijker. En dat was echt niet minder krachtig. Je hoeft maar voor een kathedraal te gaan staan om je dat te realiseren.

    Neem nou de Notre-Dame in Parijs. Die betreed je door de meest prachtige, gebeeldhouwde portalen die verhalen vertellen waarbij menig boek verbleekt. Bijvoorbeeld over hoe de eerste vrouw werd gemaakt uit een rib, een appel at, haar man ook een hapje aanbood en zo de mensheid in zonde dompelde.  Natuurlijk weet ik dat dit verhaal al eeuwen op schrift stond, maar in de Middeleeuwen, toen vrijwel niemand kon lezen , bleek de Notre-Dame een waardige vervangster. Het Mariaportaal was  dan ook voor veel Parijzenaars hun eerste kennismaking met dit verhaal.

    LN20160424 Adam_Eve_NDParis (Pinterest)Voor Victor Hugo (1802-1885) was dat niet meer dan logisch. Want, zo schreef hij in de Klokkenluider van de Notre-Dame, “wie in die tijd als dichter geboren werd, wijdde zich aan de bouwkunst”. In de middeleeuwen was architectuur immers de kunst der kunsten en producent van grote ‘stenen boeken’, die de grotendeels ongeletterde mensheid van een basale levensbehoefte voorzag, namelijk goede verhalen. Totdat de boekdrukkunst zich aandiende, volgens Hugo de “moeder aller revoluties”. Het boek onttroonde de architectuur met zijn rijke sculpturale traditie en nam de rol van meesterverhalenverteller over.

    Vandaag de dag lijkt het soms dat de rolverdeling opnieuw schuift. De ‘rijke’ hedendaagse beeldcultuur eist een steeds grotere hoofdrol op, ten koste van het geschreven woord. Waar het boek tegenwoordig wegkwijnt in stoffige, steeds minder betreden bibliotheken is het beeld overal en doorlopend aanwezig. Ditmaal niet gehakt uit kalkzandsteen, maar opgebouwd uit bits & bytes. Betekent dit dat Hugo opnieuw gelijk krijgt? Zal opnieuw “de ene kunst de andere onttronen”? Het heeft er soms alle schijn van. Maar dat is geen reden tot droeftoeterij. Want kwaliteit verloochent zich nooit. Goede verhalen kun je in vele media vertellen. Wie daaraan twijfelt hoeft alleen maar voor de Notre-Dame te gaan staan.

    Citaten uit: De klokkenluider van de Notre-Dame – Victor Hugo
    Foto is sculptuur van Adam, Eva en de Appel, detail van het Mariaportaal van de Notre-Dame in Parijs.

     

  • Zomerrubriek 2015 – Martin Lok

    In het hoofd van de kunstenaar kruipen

    Vakanties zijn altijd mooie momenten van afstand én toenadering. Afstand van het dagelijkse gedoe en werk, toenadering tot rust en al die andere zaken die het leven waardevol maken. Toenadering ook tot schoonheid. De schoonheid van de natuur, en de schoonheid van wat sommige mensen met hun handen kunnen maken. Tot de schoonheid van beeldende kunst.

    De relatie tussen schoonheid van beeldende kunst en literatuur is een lastige. Het is de strijd tussen beeld en woord, twee ongelijkheden die in de vergelijking altijd al wat ongemakkelijk langs elkaar heen schuren. Al lijkt het beeld daar in zekere zin als winnaar uit te komen: a picture paints – immers a thousand words. Wat niet wil zeggen dat woorden het altijd afleggen. Soms verdiepen woorden wat je met het oog in musea ziet. Een pleidooi dus om je soms in de woorden van kunstenaars te verdiepen.

    Misschien lukt dat nog wel het beste met autobiografieën, of met getuigenissen van vrienden of tijdgenoten van kunstenaar. Dan kom je de kunstenaars het meest nabij. Het is een vorm van literatuur die iedereen die van kunst houdt er soms eens op na zou moeten slaan. Al loopt de liefhebber daarbij wel tegen een taalprobleem op: veel van die autobiografieën of getuigenissen zijn niet in het Nederlands vertaald. Maar dat hoeft de pret natuurlijk niet te drukken. Een paar voorbeelden ter inspiratie.

    Van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840 – 1917) is geen autobiografie bekend. Wel een paar interessante getuigenissen. De meest literaire daarvan is geschreven door Rainer Maria Rilke en draagt als titel simpelweg de naam van de kunstenaar: Auguste Rodin (1913, Nederlandse vertaling bij SUN 1990). Een boekje bestaande uit een voordracht, drie beeldbeschrijvingen en brieven aan Rodin zelf. Van alles druipt de bewondering van Rilke voor Rodin af. Zijn voorbeeld in de beeldende kunst, die geen kunst ‘maakt’ maar ‘schept’.

    $(KGrHqJHJFUFDyp0qUHYBRC96b!Z(g~~60_35Twee jaar eerder was er in Frankrijk een ander boek verschenen: Auguste Rodin – L’art. Entre-tiens réunies par Paul Gsell. Een verslag van tien ontmoetingen tussen kunstenaar en journalist. Dit boekje, verkrijgbaar in verschillende vertalingen in bibliotheken of bij antiquariaten geeft een ongekend inkijkje in Rodins denkwereld. En in zijn werkwijze. Het verslag bevat een prachtige passage waar Rodin met een hompje klei in zijn handen eerst razendsnel een puur Grieks beeldje maakt, en daarna dit beeldje verandert in een beeldje dat zo uit Michelangelo’s hand had kunnen komen. Om het verschil tussen beiden te laten zien. Gsell was perplex over zoveel vakmanschap en snelheid. Terwijl volgens Rodin vakmanschap niet hetgeen is waar het over moet gaan. Niet dat dat onbelangrijk is, maar uiteindelijk is het voor hem toch gevoel en inspiratie dat bepalend is voor kwaliteit van een kunstwerk, zo leert het verslag van Gsell ons.

    Zo’n tweeënhalve eeuw eerder is er in Frankrijk een vergelijkbaar boekje verschenen: Journal du cavalier Bernin en France, geschreven door Paul Fréart de Chantelou, tijdens Bernini’s bezoek aan Parijs. Bernini was daar om een portret te maken van de Zonnekoning. En De Chantelou, kunstverzamelaar, begeleidde hem daarbij. Het leverde een mooi dagboek op dat de worsteli5584620-Mng toont van Bernini bij de creatie van een echt statelijk portret van de Zonnekoning (niet de meest indrukwekkende persoon zo blijkt uit het dagboek). En een mooi inkijkje in de moeilijkheden waar een beeldhouwer voor staat als hij een portret in marmer maakt. ‘Stel je maar eens voor’, zo zei Bernini tegen De Chantelou, ‘dat een man al zijn haren bleekt en zijn gehele gelaat wit bepoedert… Niemand zou hem nog herkennen.’

     

    Naast deze getuigenissen zijn er ook verschillende interessante autobiografieën van beeldhouwers. Een zeer vermakelijke is die van Benvenuto Cellini, in 2000 in het Nederlands verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep: Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld, vertaald en ingeleid door Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt. 1Deze autobiografie leest als een ware schelmenroman, waarbij Cellini als held natuurlijk allerlei gevaarlijke rovers van zich af weet te houden. En met als pluspunt een inkijkje in leven en werk van één van de grootste beeldhouwers van de late Renaissance. Bijvoorbeeld in het maakproces van zijn beroemde bronzen beeld op het Piazza della Signoria in Florence, Perseus met het hoofd van Medusa. Wie wil weten hoe lastig het is om zo’n groot bronzen beeld te maken kan niets beters doen dan deze autobiografie te lezen.

    En dan is er natuurlijk ook nog de autobiografie die Michelangelo liet optekenen door zijn leerling Ascanio Condivi (zie bijvoorbeeld Michelangelo, Life, letters, and poetry. Oxford World’s Classics).
    21JVSD8XRJL._SX220_ Het werd in 1553 voor het eerst gepubliceerd, drie jaar nadat Vasari zijn Levens van de grootste kunstenaars had gepubliceerd. Dat was geen toeval, want alhoewel Vasari Michelangelo als culminatie van het Florentijnse kunnen had neergezet was de ijdele Michelangelo het niet eens met Vasari’s weergave van zijn leven. Wat hij dus poogde recht te zetten met zijn eigen versie. Een versie die een prachtig inkijkje geeft in de relatie van Michelangelo met de Medici en opeenvolgende pausen. Maar minder in zijn werkproces. Een mooie en onovertroffen bron daarvoor zijn de gedichten die Michelangelo schreef. Sommigen daarvan zijn in 1986 vertaald door Frans van Dooren en verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep (Sonnetten). Sonnetten die stuk voor stuk duidelijk maken dat – Goddelijke inspiratie of niet – beeldhouwen voor Michelangelo uiteindelijk een proces is van de steen zijn wil opleggen:

    Wanneer mijn hamer uit de ruwe rots
    vormen van mensen houwt, beweegt hij daar
    niet ongebreideld als een woeste knots
    maar krachtens ’t willen van de kunstenaar’

    Een beter pleidooi om je soms te verdiepen in het woord van de beeldende kunstenaar kan ik niet geven.

     

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

  • Onvervuld verlangen 

    Onvervuld verlangen 

    Te veel is zelden goed. Te veel slaat dood. Zo ook in Godin, held, het boek dat Gustaaf Peek schreef over de liefde tussen Tessa en Marius. Verboden liefde, want beiden hadden officieel een andere relatie, maar werden steeds weer naar elkaar toegetrokken, als vliegen op honing. Hunkerend naar seks en naar elkaar. Seks die overvloedig en expliciet van de pagina’s afspat, maar uiteindelijk niet kan verhullen dat het werkelijke thema van Peek gemis en onbereikbaarheid is.

    Tessa en Marius kennen elkaar sinds hun middelbare schooltijd, waarin ze samen hun eerste voorzichtige seksuele ervaringen opdeden. Als ze elkaar later op een reünie weer tegenkomen blijkt de aantrekkingskracht niet verdwenen. De eerste toenadering is weer net zo schuchter, maar maakt snel plaats voor een volledige wederzijdse overgave.

    Peek vertelt hun liefdesgeschiedenis achterstevoren. Beginnend op de begrafenis van Tessa, 24 jaar nadat Marius was overleden. Om in vijftig hoofdstukken te eindigen bij daar waar het begon: bij het ongeduldig smachten van Tessa naar liefde. ‘De tijd ging haar te traag. Ze wilde ouder worden, een vrouw zijn en eindelijk de wereld betreden waar hij op haar zou wachten.’ ‘Hij mocht meer ervaring hebben, maar het belangrijkste zouden ze samen ontdekken.’

    Dat ontdekken kwam wel goed. Peek beschrijft dat in talloze passages, die niet smakeloos zijn, maar wel uiterst expliciet en voor de lezer onontkoombaar: ‘Alleen mijn held mag in m’n mond spuiten, niemand anders. Niemand anders? Alleen mijn held. Kom maar, lieverd. Spuit maar, ik wil je proeven.’ Of: ‘Hij voelde Tessa’s voeten op zijn billen, zijn uitzicht op haar dreigde hem te ontroeren, hij wilde nog zo veel dichter bij haar zijn, haar geile praat kwam als een opluchting en hij hervond zich en antwoordde haar, ja hij zou haar neuken, hij was nog lang niet klaar met haar, hij had haar ook gemist, hij zou het haar laten  voelen, zijn pik was hard voor haar, was ze zijn vrouw, wilde ze zijn zaad in haar hete kut?’

    Godin, held staat vol met dit soort passages. Je kunt er niet omheen. Als bezegeling van de onontkoombaarheid van de liefde tussen Tessa en Marius, waar ook Paul en Corinne (hun ‘officiële’ partners) niet tussen komen. Een liefde die is, maar tegelijkertijd ook niet. Ze beleven hem in een soort van gedroomde tijd. Ze consumeren voortdurend de liefde zonder elkaar echt te bezitten. Waardoor uiteindelijk niet de veelheid aan seks maar gemis en onbereikbaarheid het centrale thema van Godin, held blijkt te zijn.

    Marius lijkt dat terdege te beseffen en spiegelt dit ook aan de onbereikbaarheid van zijn eigen gestalte vroeger in de spiegel. Het lijkt wel of hij zijn meest intense seksuele ervaringen niet heeft als Tessa bij hem is, maar als hij over haar denkt, droomt of fantaseert. Als hij zich aftrekt op een foto van haar, of in haar meisjeskamer waar hij heeft ingebroken. Of als hij later aan haar denkt en zich kwelt en tegelijkertijd opgeilt met een fantasie over haar onderwerping en vernedering, waarbij meerdere mannen seks met haar hebben: ‘ … in zijn dromen kon ze weer kinderen krijgen en elke man maakte haar zwanger, liet met elke stoot haar buik en borsten zwellen tot hijzelf, schreeuwend, huilend, klaarkwam achter zijn bureau, of in het bed waar hij haar ooit had vastgehouden tot hij sliep.’

    Dat een kind van hen samen een onbereikbaarheid is, is iets dat ook Tessa zich realiseert. Een realiteit die ze tot in het spel doortrekt. Een spel dat ze maar wat te graag speelt. ‘Ze wil het spel doen, zij is een vrouw alleen, vruchtbaar; hij een vreemde die haar verrast. Hij wil dat ze het zegt. “Niet in me. Niet in me spuiten, niet doen. Maak me geen kind.”‘ Een spel dat Marius jaren later zal herhalen, als hij in Padua één dag voor zijn dood een escort-dame naar zijn hotelkamer laat komen. Hij wil dat ze zich Tessa noemt, en dat ze vlak voor dat hij klaarkomt ‘maak me een kind’ tegen hem zou zeggen. Een wens die tijdens de daad zou omslaan. ‘Hij schokte leeg in haar, terwijl zijn hand haar mond bedwong. Niets wilde hij meer horen van zijn verzoek, zijn vergissing, de vuile uitlopers van zijn oude, dode droom.’

    Wat jammer is is dat bij Godin, held alle aandacht voor de vleselijke liefde de andere kanten van menselijke relaties ondersneeuwt. Het gemis en de onbereikbaarheid worden wel aangestipt, maar niet uitgediept. Peek laat ontzettend veel te raden over. Over Marius’ kinderwens. Over Tessa’s verdriet om haar zoon Onno, die om onduidelijke redenen zelfmoord pleegt. Over Corinne en Paul. Over de scheiding van Marius en Corinne; over de scheiding van Tessa en Paul, en over de schijnbare onverbrekelijkheid van Tessa’s en Marius’ officiële relaties. Wat op zich natuurlijk niet erg is; iets van eigen inkleuring mag altijd van een lezer worden verwacht. Maar Godin, held verwacht in dit opzicht wel erg veel. Te veel.

    Om diezelfde lezer aan het einde net als Tessa met een onvervuld gevoel achter te laten. Ze baalt ervan dat ze voor haar laatste dag in dit leven geen uitspatting met een jongen had geregeld. Een jongen een uur lang helemaal voor haar. ‘Voor het laatste een pik, de zachte huid en onrust, al dat leven.’ Maar ook die vervulling was haar niet gegeven. Op 7 september – de dag waarop ook Marius was overleden – stopte haar hart. Ze was ouder geworden en betrad als vrouw een andere wereld waar hij op haar zou wachten.