• Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Oogst week 28 – 2025

    Oogst week 28 – 2025

    Valentino & De moeder

    De novelle Valentino van de Italiaanse Natalia Ginzburg (1916-1991) verscheen in 1957. Caterina vertelt het verhaal van haar broer, Valentino. Zijn ouders verwennen hem en hij groeit op in de wetenschap bijzonder te zijn. Zijn zussen daarentegen zien hem zoals hij werkelijk is: lui, apathisch, egocentrisch. Valentino is vooral geïnteresseerd in feesten, waar zijn studie aan de medische faculteit onder lijdt. Wanneer Valentino, uit het niets, zich verlooft met de rijke maar opvallend lelijke Maddalena is de familie geschokt, ze vertrouwen hem voor geen cent. Ginzburg, een van de grootste Italiaanse schrijfsters van de vorige eeuw, zet in dit korte verhaal een hele wereld uiteen van gecompliceerde familierelaties.

    In het korte verhaal De moeder dat in 1948 verscheen observeren twee jonge broers hun moeder. Een verhaal over een opvoeding in eenzaamheid, angst en hulpeloosheid, waarin de moeder zich niet kan conformeren aan de heersende, starre sociale normen. Een intiem en tragisch portret van een vrouw die weigert te accepteren dat moederliefde haar enige lotsbestemming vormt.

    Valentino & De moeder
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De man die achteromkeek

    De bundel De man die achteromkeek van de Palestijnse schrijver Amer Almassri ontstond dankzij het project Stemmen uit Gaza, dat in de zomer van 2023 werd opgezet om Palestijnse schrijvers een stem te geven in tijden van escalatie en repressie. In acht verhalen laat Almassri de alledaagse complexiteit van leven onder bezetting zien.

    Amer Almassri combineert tragiek en humor, waarmee hij bewijst dat een lichtvoetige en absurdistische toon krachtig werkt bij zware thematiek. Hij geeft meer inzicht in de Gazaanse samenleving, waarin de schrijnende situatie van de Palestijnen weliswaar altijd op de achtergrond sluimert. Maar de enorme veerkracht en menselijkheid van de personages staat centraal.

    Almassri werpt ook een kritische blik op de sociale conventies waarmee hij de lezer verrast en raakt. Zoals in het verhaal van Zainab. Ze is ongelukkig in haar huwelijk, haar moeder geeft advies, maar steeds zijn er redenen waardoor ze niet kan vertrekken.

    Eén staat niet gelijk aan één gaat over de ongelijkheid tussen meisjes en jongens. Tweelingbroer en zus, Safwaan en Asiel groeien zeer ongelijk op. De broer krijgt vrijheid, onderwijs en liefde, terwijl Asiel wordt opgesloten in tradities en schaamte.

    Amer Almassri schrijft over verlies, ontheemding, familiebanden, genderongelijkheid, religie, herinnering, ontmenselijking en veerkracht. Verhalen met een brede thematiek. Hij publiceerde reeds drie verhalenbundels en een roman. Hij is in 1995 geboren in Khan Younis, Palestina, en studeerde civiele techniek. Momenteel woont hij in Turkije. Over zijn werk zegt hij: ‘Ik ben er altijd op gebrand menselijke gevoelens op een literaire manier over te brengen.’

    De man die achteromkeek
    Auteur: Amer Almassri
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De verkavelingen

    De verkavelingen is het debuut van Arthur Goemans, een Vlaamse dorpsroman.
    In de lente van 2020 wordt een fiets uit de Wildaalse Vaart gevist. Hoe die daar terechtkwam, is een verhaal dat twintig jaar eerder begint, bij het ontstaan van de woelige drievuldigheid Robert, Wes en Jenny – drie vrienden die elk op hun manier een weg zoeken uit een ingeslapen plattelandsdorpje. Drie vrienden die gewapend met poëzie, alcohol en elektrische gitaren de strijd aanbinden met al wat te klein is. Drie vrienden die, terwijl hun dorp langzaam verkaveld wordt tot hippe randgemeente, architect worden van hun eigen tragedie.

    De Vlaamse Arthur Goemans (1995) is onderzoeker bij Google DeepMind, waar hij zich bezighoudt met de veiligheid van artificiële intelligentie. Hij voltooide de opleiding Creatief Schrijven aan de Schrijvers Academie in Antwerpen en woont en werkt in Londen.

    De verkavelingen
    Auteur: Arthur Goemans
    Uitgeverij: Horizon
  • Wie is Anselm Kiefer?

    Wie is Anselm Kiefer?

    De Duitse kunstenaar Anselm Kiefer groeide op tussen de rivier en het bos in het Zwarte Woud. Dat vond de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård een fascinerende gedachte en hij koos Het bos en de rivier als titel van zijn boek over Kiefer. Het boek verscheen naar aanleiding van een artikel dat hij over de kunstenaar schreef. Knausgård, wereldberoemd geworden met de zesdelige autobiografische romanserie Mijn strijd, stelde eerder een expositie samen met minder bekend werk van de kunstenaar Edvard Munch, over wie hij het boek Zoveel verlangen op zo’n klein oppervlak schreef.

    Anselm Kiefer was voor Knausgård een naam van een hedendaagse kunstenaar die hem intrigeerde omdat zijn kunstwerken ‘zo monumentaal zijn, zo beladen door de tijd, zo bezwaard door de geschiedenis, en omdat het private, het kleine en persoonlijke, er geheel in ontbreekt.’ Anselm Kiefer, een actieve zeventiger, is allang gecanoniseerd en mag de grootste nog levende kunstenaar ter wereld worden genoemd. ‘Zijn naam is een soort merk geworden, en als kunstenaar vertegenwoordigt hij niet langer het nieuwe en subversieve, maar maakt hij deel uit van het establishment.’ Kiefer heeft de gave om toeschouwers zijn schilderijen in te laten zuigen, zo oordeelt Knausgård. ‘Ik keek niet zomaar naar een schilderij, het was alsof het schilderij me omsloot en me vervulde met zijn stemming, waartegen ik geen verweer had.’

    Mislukkingen

    Naar aanleiding van diverse ontmoetingen wil Knausgård een artikel schrijven over de kunstenaar en zijn werk. Hij ontmoet hem in Kiefers atelier nabij Parijs en in La Ribaute, in het Zuid-Franse Barjac, waar de kunstenaar op een verlaten industrieterrein een enorm atelier heeft. Knausgård is aanwezig tijdens een lezing van Kiefer in Freiburg waar hij ooit studeerde; hij ontmoet hem in Londen bij een grote expositie en samen bezoeken ze zijn geboorteplaats Donaueschingen in het Zwarte Woud, waar ze ook de bevriende adellijke familie zu Fürstenberg bezoeken.

    Tijdens die ontmoetingen raakt Knausgård steeds meer in Kiefers ban. Hij probeert hem te doorgronden, wat hem eigenlijk nooit echt lukt en waardoor het hem veel moeite kost om het artikel te schrijven. Hij communiceert met Waltraud Forelli, Kiefers persoonlijk assistente, die zeer loyaal en betrokken alles voor de kunstenaar organiseert en regelt. Zij vangt Knausgård op, leidt hem rond in het atelier en is altijd aanwezig bij de gesprekken. Knausgård is getuige van de constructie van de enorme schilderijen die Kiefer maakt met behulp van een paar ambachtslieden en beschrijft het intrigerende proces van het lood afgieten op een paar megagrote kunstwerken. Het lood stolt en wordt er weer afgetrokken. Helaas, Kiefer is niet tevreden, maar er echt mee zitten lijkt hij niet te doen, de mislukkingen zijn deel van het proces.

    Waar was Kiefer in zijn kunst?

    Waar Kiefer in zijn kunst was, is de vraag die Knausgård beantwoord wil hebben. Hij wil de echte Kiefer, de persoon, de mens, ontmoeten in zijn werk, wat niet meevalt omdat het zo veelzijdig en verschillend is. En hoe beter hij hem leert kennen, hoe minder hij hem kan duiden. Kiefer is sociaal, maakt graag grapjes en giechelt erop los, geniet van aandacht, doet hartelijk mee aan smalltalk, zoals het koffietafelgesprek bij de bevriende adellijke familie zu Fürstenberg laat zien, maar hij is ook een loner en een keiharde werker. Zo op het eerste gezicht lijkt Kiefer een doorsnee man, maar schijn bedriegt. Het liefst is hij aan het werk en dat is een volgende vraag die Knausgård stelt. ‘Waar kwamen al die kunstwerken vandaan?’ En ‘Wat was kunst überhaupt?’

    In een aantekenboekje dat Kiefer uitgaf, las Knausgård een zin die hem bijbleef. Wanneer hij die zin, ‘Een manier om iets te verbergen door de innerlijke ruimte uit te breiden’, aan Kiefer voorlegt reageert de kunstenaar verbaasd: ‘”Heb ik dat geschreven? Of hebt u dat geschreven” vroeg Kiefer. “U hebt het geschreven. Ik heb het geciteerd. Het komt uit uw boek.” “Hahahaha!” “Kunt u het nog eens voorlezen?” vroeg Forelli. “Het is een paradox,” zei Kiefer. “Ik hou van paradoxen.” (…) “Soms ben ik verrast door de dingen die ik geschreven heb,” zei hij. “Soms denk ik, o, ben ik dat?”’ Het zijn deze letterlijke transcripties van de gesprekken die het boek zo leesbaar maken en een mooi beeld geven van Kiefers associatieve geest en luchtigheid, waarmee hij tegelijkertijd een haast mystiek waas over zijn persoonlijkheid legt.

    Paus of jurist?

    Hij praat graag over zijn jeugd, waar volgens Knausgård toch de basis van zijn thematiek ligt. Geboren in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog is Kiefer geobsedeerd door de oorlog. Als jongetje wilde hij paus worden, hij ging rechten studeren, maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Hij was een kunstenaar in de dop, zijn leermeesters herkenden zijn talent al vroeg.

    Zijn persoonlijke worsteling met het schrijven van het artikel weeft Knausgård mooi door zijn zoektocht heen, waarmee we in Het bos en de rivier ook de schrijver Karl Ove aanschouwen. Daarom is dit boek zo’n mooi portret van eigenlijk twee kunstenaars die min of meer noodgedwongen met elkaar optrekken: Knausgårds frustratie als Kiefer niet de antwoorden geeft die hij verwachtte, zijn ongemak en bescheiden wegduiken als hij dreigt herkend te worden, of wanneer Kiefer hem en plein public omhelst met twee kussen op beide wangen. Of tijdens de laatste ontmoeting zijn lichte wrevel als Kiefer hem niet lijkt te herkennen, omdat zijn haar wat langer is.

    Nadat het artikel eindelijk in 2020 in The New York Times Magazine is gepubliceerd, schrijft Kiefer hem een briefje: ‘Ik vond uw tekst goed. Wanneer zien we elkaar nog eens terug? Laat uw haar niet knippen, Anselm.’ Waarmee Kiefer aangeeft hem de laatste keer wel herkend te hebben. Of was het toch Forelli die hem had ingefluisterd dat het Knausgård was met wie hij sprak? We zullen het nooit weten.

    Aquarellen

    Naast de zware bos- en landwerken, zijn oorlogsstukken, installaties en constructies, de talloze loodboeken die Kiefer maakte, is hij ook een begenadigd aquarellist die met ijle, transparante zonnige kleuren schildert. De afbeeldingen mocht Knausgård gebruiken in dit prachtig uitgegeven boek, waarin de vraag wie Kiefer nu eigenlijk is en waar hij in zijn werk te vinden is niet echt wordt beantwoord. Maar dat geeft niet als je te maken hebt met zo’n bijzondere persoonlijkheid, die aanleiding geeft tot een aantal uren boeiend leesvertier.

     

  • Na de verdoving

    Na de verdoving

    Waarom lezen we? Onder andere om te verdwijnen, te leren, te begrijpen, te verplaatsen en om te herkennen… Herkenning in een boek is een kwaliteit, een besef dat je niet alleen staat, dat je niet uniek bent en in het geval van de memoir Beladen huis van Christien Brinkgreve legt deze herkenning zaken bloot die ontegenzeggelijk in veel relaties spelen, verschillen tussen mannen en vrouwen die soms onoverbrugbaar zijn.

    In Beladen huis beschrijft Brinkgreve het verhaal van haar huwelijk met Arend Jan Heerma van Voss, die in februari 2022 na een lang ziekbed stierf. Ze gebruikt hun huis, dat langzaam dichtslibde met zijn spullen en ‘beladen’ is geraakt, als een metafoor voor de tragiek van hun relatie en de vervreemding van elkaar. ‘De staat van verwaarlozing van het huis drong in de tijd daarna pas goed tot me door. Ik zag de scheuren in de muren, de afgebladderde muren in de wc, de uitpuilende boekenkasten in de gang die slechts een klein looppad toelieten. De stapels oude kranten en tijdschriften, de dozen met spullen waarop jarenlang niemand meer een blik had geworpen.’

    Overgeleverd

    Brinkgreve’s memoir begint met de herinnering aan de begrafenis van A zoals ze haar man Arend Jan door het hele boek heen noemt. Dat werkt goed en geeft haar enige afstand tot het onderwerp. Langzaam ontwaakt ze uit haar verdoving en begint met hulp het huis een beetje op te ruimen, leefbaarder en weer eigen te maken. Daarmee komen de herinneringen aan en anekdotes over een gelukkig huwelijk dat gaandeweg steeds moeizamer wordt, bovendrijven.

    Ze ontmoetten elkaar eind jaren zeventig, toen Brinkgreve met de socioloog Bram de Swaan samenwerkte en A voor de Haagse Post schreef, voordat hij daar hoofdredacteur werd. Het was liefde op het eerste gezicht, al merkte Brinkgreve er bij hem weinig van, schrijft ze. Ze bewonderde hem, zijn scherpe geest en humor. Later begreep ze dat hun ontmoeting een trigger was ‘om zijn in zijn ogen vastgelopen huwelijk achter zich te laten.’

    Ze gingen samenwonen in haar huis in de Noorderstraat in Amsterdam, dat ze tot haar grote spijt heeft verkocht. ‘Ik gaf uiteindelijk toe: na twee jaar verzet zwichtte ik voor zijn druk om het huis te verkopen. Ik veronachtzaamde daarmee, in de taal van later, mijn eigen grenzen. Dat was ik gewend, overgeleverd als ik me als kind voelde aan de wanhoop van mijn bij vlagen angstige en depressieve moeder.’

    Het huis als metafoor

    De ervaren socioloog Brinkgreve las veel boeken (gezien de lijst achterin) over rouw en relaties en citeert daar soms uit, woorden die haar onderzoek ondersteunden. Ze komt tot inzichten en zoekt naar antwoorden die raken aan haar verhaal van onvermogen om haar man te bereiken. Waarom was ze als geëmancipeerde vrouw, hoogleraar vrouwenstudies, een intellectueel en één van de eerste moeders met een veeleisende baan, niet in staat om haar man, die er toch ook moderne denkbeelden op nahield, te weerstaan? Waarom keerde hij zo naar binnen op het depressieve af, vooral na zijn pensioen? In hoeverre werkten de patronen van hun jeugd door in hun volwassen leven? En de hamvraag: Waarom ging ze niet bij hem weg? ‘Er was veel wat me bond. Maar het was ook angst die me weerhield om weg te gaan. Het opbreken van vertrouwde paden vroeg om een onverschrokkenheid die ik toen niet had.’

    Het huis als metafoor van de tanende relatie komt wel het best tot uiting in de kelder die jarenlang ondergelopen staat. Spullen verweren en vallen uit elkaar. A kan het niet opbrengen om er iets aan te doen en onbegrijpelijkerwijs laat ook Brinkgreve het gebeuren. Het zegt alles over de moedeloosheid waarin de relatie zich bevond.

    Ze beschrijft de laatste maanden van zijn ziekbed indringend, de zware sfeer, het onvermogen om elkaar te bereiken is schrijnend. Toch blijkt, als ze de moed vindt om tijdens het opruimen hun emailuitwisseling van jaren geleden te herlezen – zij zit boven in haar werkkamer, hij beneden achter zijn laptop in zijn kamer – dat er wel degelijk een vorm van contact was. Ze herkent zijn heldere argumentatie en betrokkenheid in zijn schrijven. Het is tragisch dat ze het gesprek nooit konden voeren terwijl ze elkaar in de ogen zagen.

    Een boos boek is ongepast

    Ze kon niet tegen hem op, verzucht ze op twee-derde van het boek. ‘Hij was zo bepalend, door zijn stemmingen, de scherpte van zijn woorden, zijn oordelen.’ Uiteindelijk was hij ook slachtoffer van zijn opvoeding. Of zoals Brinkgreve het zo mooi verwoordt: ‘Ik zie ook de karrensporen oplichten die A ondergronds hebben getekend. Het spoor van zijn angst overweldigd te worden door het massieve verdriet van zijn moeder, en zijn angst verlaten te worden.’ Hun band was belast met A’s angst verlaten te worden. Zelfs als ze thuis was en boven in haar werkkamer zat, voelde ze zijn verwijtende blik. Een trauma dat in zijn jeugd ontstond toen zijn vijf jaar oudere zusje Dokie, aan wie hij erg gehecht was, stierf aan de gevolgen van een ongeluk. Dit psychologisch besef komt pas op het einde van het boek aan bod. Brinkgreve ziet de dood van zijn zusje als de oorzaak van veel onverwerkt zeer.

    Tijdens het schrijven van Beladen huis vraagt Brinkgreve zich vaak af wat voor soort boek het moet worden. Geen boos boek, dat is ongepast en oninteressant. ‘Het is ook niet mijn overheersende gevoel: de verwondering heeft het inmiddels gewonnen van het verwijt, de compassie overstemt de woede.’ Het is een persoonlijk boek geworden over rouwverwerking en inzichten vergaren. ‘Dat het een boek over rouw was werd voor mij steeds voelbaarder. Over rouw die bemoeilijkt werd door het ontbreken van een afscheid.’

    Brinkgreve meandert door de tijd van haar huwelijk, werk, ouders, kinderen, vakanties, vrienden en het huis. Onvermijdelijk werkt dat hier en daar wat herhaling in de hand. Bovendien blijft A’s karakter soms wat algemeen. Hij is het dode paard waaraan het moeizaam sjorren is, zegt een vriendin. Meermalen vertelt Brinkgreve dat A scherp is in zijn argumentatie, dat ze houdt van zijn humor. Daarvan had ze best wat meer voorbeelden kunnen geven. ‘Dat kan dus, die sterke afwisseling in één persoon van lichtheid en humor en aan de andere kant zwaarmoedigheid. Ik ben blij dat ik ook deze lichte momenten weer terugkrijg: (…) Ik mis zijn humor, zijn onverwachte en vaak rake opmerkingen. Het valt me moeilijk er één persoon van te maken, zo verschillend als zijn kanten konden zijn. En zo abrupt de omslag.’

    Als ervaren schrijfster, sociologe en feministe weet Brinkgreve de problematiek van haar huwelijk breed te trekken. Ze raakt veel zijdelingse onderwerpen aan, waardoor het ook een universeel verhaal wordt, wat diepgang en leesplezier ten goede komt.

     

  • Oogst week 23 – 2025

    De weg

    In de serie Kritische Klassieken publiceert Uitgeverij Schokland na De Slag nu De weg van de Spaanse journalist, radiomaker en schrijver Arturo Barea (1897 –1957), in een vertaling van Mia Buursma. Tijdens zijn dienstplicht in Ceuta en Marokko was Barea ooggetuige van de verschrikkingen in De Spaanse oorlog in Marokko.

    Vlak na de Eerste Wereldoorlog had Spanje het protectoraat over Spaans Marokko, een brede strook rond het Rifgebergte en een smalle strook in het Zuiden van het huidige Marokko. Voor Spanje was het van levensbelang om daar de regie te behouden en jonge dienstplichtige mannen werden erheen gestuurd om te vechten tegen het in opstand gekomen Riffijnse rebellenleger onder leiding van de legendarische Abd El-krim. Tussen hen bevond zich de jonge Spanjaard Arturo Barea die van 1920 tot 1923 in Marokko verbleef.

    Barea wordt al snel bevorderd tot sergeant, waardoor hij niet meer tot de gewone dienstplichtige soldaten behoort, maar ook niet tot de geprivilegieerde klasse van hoge officieren. Dankzij deze positie is hij wel getuige van het door en door corrupte Spaanse leger waar onrecht, omkoping, geweld en machtsmisbruik aan de orde van de dag zijn. Het slecht georganiseerde leger lijdt bloedige en verpletterende nederlagen in de Slag bij Annual en bij Melilla, waarbij honderdduizenden soldaten omkomen. Al snel rijst bij hem het besef dat hij meevecht in een volstrekt zinloze koloniale oorlog en krijgt hij voorgoed zijn bekomst van het leger en het kolonialisme.

    Ondertussen is er op het Spaanse vasteland ook al jaren sprake van politieke chaos, met onmachtige regeringen die elkaar voortdurend opvolgen. Als Barea in 1923 afzwaait, pleegt generaal Primo de Rivera een succesvolle staatsgreep, terwijl ook elders in Europa duistere machten hun schaduw vooruitwerpen.

    Barea neemt geen blad voor de mond en net als in De slag toont hij zich in De weg een vlijmscherp waarnemer van het leven van de gewone soldaten en de officieren. Francisco Franco, de latere Spaanse dictator, is één van hen. Hij zal deze koloniale ervaring later gebruiken om in 1936 in opstand te komen tegen de Spaanse Republiek. De militaire exercitie in Marokko is daarmee niets meer en niets minder dan de opmaat tot de Spaanse Burgeroorlog en de tot 1975 durende dictatuur van Franco.

     

    De weg
    Auteur: Arturo Barea Ogazón
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland, Kritische Klassieken 24

    Sjees en paella

    De roman Sjees en Paella van de Spaanse veelschrijver Vicente Blasco Ibañez  (1867 – 1928) verscheen in 1894 in het Spaans als Arroz y tartana en is nu door Nobelman opnieuw uitgegeven in de vertaling van Frans Oosterholt. Het is een realistische roman over het booming Valencia van de tweede helft van de negentiende eeuw.

    Het hart van de roman wordt gevormd door een stoffenzaak die in 1832 wordt opgericht door een arme immigrant uit Aragon, Don Eugenio. De lezer wordt meegenomen naar het begin, vervolgens de glorietijd, en ten slotte de ondergang van deze winkel doordat de laatste eigenaar zijn hand overspeelt op de beurs.

    De weduwe Manuela Peña trouwt met haar jeugdliefde, de charlatan Rafael Pajares, die weldra het fortuin van haar eerste echtgenoot erdoor jaagt. Als ook hij overlijdt, na een leven vol uitspattingen, blijft Manuela alleen achter met haar twee zonen en twee dochters. Wanneer de laatsten de huwbare leeftijd bereiken, zet hun moeder alles op alles om de high society van Valencia ervan te overtuigen dat ze de begeerlijkste prijsdieren op de huwelijksmarkt zijn.
    Maar dan slaat het noodlot toe. Brillante, het dappere paard dat de sjees van de familie trekt, gaat plotseling dood. Geld voor een nieuw paard heeft Manuela niet, maar haar dochters kunnen zich niet in hoge kringen van Valencia vertonen zonder rijtuig. Wat nu?

    Vicente Blasco Ibáñez kwam uit een arm immigrantenfamilie uit Aragon. Hij werkte zich uit het milieu van kleine middenstanders in Valencia op tot een populaire en wereldvermaarde veelschrijver en invloedrijk politicus. Deze veelschrijver publiceerde verhalenbundels, historische romans, sociale, psychologische en avonturenromans en reisverhalen.

    Sjees en paella
    Auteur: Vicente Blasco Ibañez
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    De kwetsbare tijd

    Donatella Di Pietrantonio won met L’età fragile de belangrijkste Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega 2024. Nu is de Nederlandse vertaling van Hilda Schraa, De kwetsbare tijd verschenen. Lucia’s dochter Amanda keert terug uit Milaan, waar ze studeert. Lucia is verontrust, want het lijkt alsof Amanda alleen maar wil verdwijnen: ze sluit zich op in haar kamer en wil met niemand praten. Lucia heeft haar dochter altijd voor alles willen behoeden, maar nu kijkt ze hulpeloos toe. Er moet in Milaan iets afschuwelijks zijn voorgevallen, want het licht is uit Amanda’s ogen verdwenen.

    Tegelijkertijd ruziet Lucia met haar oude vader over de verkoop van hun verlaten familiecamping in de bergen. Dertig jaar geleden heeft daar een tragedie plaatsgevonden waardoor de camping is gesloten, en Lucia voorgoed naar de kust is verhuisd. Klemgezet tussen haar koppige vader en haar zwijgzame dochter moet Lucia onder ogen komen dat dit de onherstelbare wonden zijn die je oploopt in het leven.

    Donatella Di Pietrantonio (1962) werd in Arsita in Italië geboren. Ze schreef eerder de zeer goed ontvangen romans Teruggeworpen en Mijn zusje en de zee. Romans voor liefhebbers van Elena Ferrante.

    De kwetsbare tijd
    Auteur: Donatella Di Pietrantonio
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Literaire vertolking van het triviale

    Literaire vertolking van het triviale

    De roman Poel van de Ierse Claire-Louise Bennett, is geen verhaal met een kop, middenstuk en staart. Toch sleurt de auteur de lezer haar gedachtewereld binnen en houdt hem vast dankzij onder andere haar oog voor detail. Pond, Bennetts debuut, verscheen in 2015 en kwam op de shortlist van de Dylan Thomas Prize terecht. Acht jaar later is Poel verschenen bij Koppernik in een uitstekend lezende vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer.

    Bennett beschrijft een zelfverkozen periode, een soort niemandsland, tussen twee liefdes in. De ene liaison is verbroken, want stond in een slecht gesternte, de volgende dient zich aan met een pril aftasten. In deze periode onderzoekt ze haar eenzaamheid, ze woont alleen in een cottage in the middle of nowhere en beschrijft haar allenigheid. Tragiek loert om de hoek, maar haar zelfspot is komisch en hilarisch, waardoor het nooit zwaar wordt.

    De titel verwijst naar een poel op het terrein bij de cottage. Ze ergert zich aan het lullige stukje vochtig triplex er vlak naast waar het woord poel op staat gekrabbeld, om vervolgens in te gaan op de vraag of het wel of niet erg is als kinderen erin vallen.

    Oog voor detail

    De naamloze vertelster leren we kennen via haar eindeloze gedachtestroom die associatief ingaat op de triviale details uit haar dagelijks leven. – ‘Soms is een banaan bij de koffie lekker. (…) Haverkoeken erbij kunnen ook lekker zijn, het grove soort. (…) Peren mengen niet goed.’

    Ze schrijft over de post van de buren, die vochtig wordt in de brievenbus. ‘(…) ze lijken geen van allen even vaak in de brievenbus te kijken als ik wat nogal ongebruikelijk is als je in aanmerking neemt dat ze allemaal vrij geregeld best interessante dingen lijken te krijgen.’ Soms haalt ze de brieven van de buren uit de bus, droogt ze op de radiator, waar ze rustig een week kunnen blijven liggen, of ze vergeet ze helemaal.

    De knoppen van haar oude fornuis zijn gespleten en gebroken. Bennett wijdt er een heel hoofdstuk aan, wat prachtig proza oplevert. ‘Ik ben al een hele tijd bij de laatste knop aangeland, een paar maanden denk ik zo en pas de laatste tijd ben ik gaan inzien dat dit bedrieglijk triviale defect in feite niet iets kleins is.’ Ze denkt aan de laatste vrouw op aarde, die nog duizend lucifers heeft die staan voor de duizend dagen dat ze nog leeft. En ze schrijft de fabrikant in Zuid-Afrika een aandoenlijke brief, alsof hij god is. Uiteindelijk kan ze met een tang de knoppen van haar fornuis toch nog gebruiken.
    Haar vulpennen en de kleur inkt waarmee ze schrijft zijn voer voor overpeinzing. Ze schrijft met verschillende vulpennen, die allemaal een andere kleur inkt hebben, iedere kleur heeft een eigen functie. Groen stond voor haar geheimen, tot ze begreep dat daar een stigma aankleefde. Maar het was geen reden om niet meer met groen te schrijven, juist als het stigma ongeluk betekende, tartte ze liever het lot.

    Diepgang in de lichtheid

    Maar ze meandert evenzogoed langs diepgevoelde gevoelens om tot zelfinzicht te komen. ‘Inderdaad hoe verheffend het vanbinnen ook voelt, alcohol versterkt niet bepaald het charmantste aspect van je publieke arsenaal – dus, ter verheldering tijdens deze levendige en gewiekste drinkgelagen worden niet louter zelfvertrouwen en vrolijkheid nagestreefd, maar ook het stimuleren van een verfijndere techniek.’

    Of ze houdt zich bezig met natuurverschijnselen, zoals de maan. Als ze uit de supermarkt komt, staat deze recht voor haar ‘wanneer de automatische deuren wegschuiven. De hemel is nog niet zwart dus de maan heeft een soevereiniteit die ze niet vaak bezit.’ Ze praat tegen de maan, vindt dat hij een babyface heeft, waarop de maan zijn ogen devoot neerslaat. Althans, dat gevoel heeft ze. Het is een manier om te personifiëren, wat Bennett graag doet, dingen tot leven brengen.

    Er zijn vrienden en mannen, maar vanuit haar beschrijvende denkwereld lijkt ze nauwelijks met ze in contact te zijn, behalve in beschonken toestand. Ze heeft het gevoel ‘dat de omgang met de man in kwestie over het geheel genomen beduidend beter verliep wanneer ik wat alcohol had ingenomen.’

    De rake observaties vanuit een licht lethargische staat maken het boek zo goed, en haar associatieve geest is boeiend en nooit saai, daarbij is haar taalgebruik in lange heldere zinnen weergaloos. Dat ze zich richt op de details van het kleine leven om zich heen door de dingen vaak treffend te personifiëren, schept herkenning. Het kan niet anders dan dat triviale zaken beschreven met de pen van Claire-Louise Bennett ineens literatuur worden.

     

  • Gedachten die in het hoofd ronddwalen

    Gedachten die in het hoofd ronddwalen

    Kopwolven is een bijzondere uitgave van kunstenaars Martin Knaapen en Marcel Herms, beiden geboren in 1964. Knaapen is veelzijdig als dichter, cultureel manusje-van-alles en stadsdichter van Deventer. Herms schildert, tekent en maakt (boek)objecten en audiokunst. Zijn werk verscheen in vele publicaties in samenwerking met verschillende beeldend kunstenaars en audiokunstenaars over de hele wereld.

    Dankzij de handgebonden koptische binding met neutraal karton als voor- en achterkaft valt het boek plat open. Waardoor de schilderingen en de bladzijden met tekst goed tot hun recht komen. Het gaat om een doorlopend prozagedicht dat zonder interpunctie in korte strofen op de rechter pagina is gedrukt, op de linker bladzijde staan de titels, zoals: ‘Neem mijn kopwolven lief’, ‘Ruis’, ‘Beklaterd’, ‘Lafbek’, ‘Loser’ et cetera.

    De tekst wordt steeds onderbroken door anderhalve pagina met ruige, duistere, levendige schilderingen waarin sporen van een wolf zijn te ontdekken. Witte tanden in een opengesperde bek, gespitste oren, loensende ogen, springende poten, het is een wervelwind van vlakken en vegen opgezet met inkt, verf, krijt, houtskool en collagetechnieken, in zwart-wit of met ondersteunende kleuren, vaak rood.

    Het prozagedicht is vanuit het ik-perspectief geschreven en leest als een lange monoloog. Na een proloog volgen vier delen met de titels: ‘grom’, ‘groei’, ‘besef’ en ‘zijn’, die weer zijn ingedeeld in afzonderlijke hoofdstukjes, los van het grote geheel te lezen. Samengevat is dit boek een zoektocht naar wie je eigenlijk bent. Het hele gedicht is zo verwoord dat iedereen zichzelf kan herkennen in de boosheid en de onmacht, de berusting en de opgeworpen vragen. Dat maakt Kopwolven boeiend en soms ook verontrustend.

    Ferlinghetti

    Het hoofdstuk met de titel ik heb Ferlinghetti gelezen, zegt veel over auteur Knaapen zelf. Ferlinghetti (1919-2021) was een Amerikaanse schrijver en dichter en een exponent van de Beatgeneration, antikapitalistisch en tegen de Vietnamoorlog. ‘Ik ben geboren nog voor de mensen mij kenden – nog voor mijn vader mij meenam – en mijn moeder mij troostte – ik ben een zeiler voor wie het land te groot is – en de zee te ver – ik heb de schoonheid gezien van het donker en van het licht dat mij waste […] ik ben aardiger geworden na mijn dood – ik ben vader en partner en vriend – en neef en oom en collega en buurman – ik heb daarvoor betaald […] ik heb meer geroken dan ik aankon en kan – en meer gelezen dat ik niet begrijp dan wel – ik heb veel gezeten maar nooit gedwongen – ik ben ruim 1 meter 70 en soms niet – ik weeg rond de 70 kilo – mijn gelukscijfer ben ik vergeten – het werkte niet’

    Het totale gedicht is een aanklacht tegen de maatschappij. De polemiek rond het herinvoeren van de wolf in Nederland is een mooie aanleiding om met een titel als Kopwolven polarisatie, foute beslissingen in de politiek, klimaatverandering, misstanden in het algemeen te duiden als oorzaken voor angst en verwarring. Daarnaast zijn er veel persoonlijke herinneringen aan een jeugd, ouders, moeder en het zusje dat te jong stierf: ‘dat je mijn zusje mens liet zijn toen de dood zich versneld bij haar manifesteerde en ook jij langzaam aftakelde.’ Een liefde die verdween of kwam, eigenliefde, zelfhaat of de sluimering van een mentale depressie. Het zijn allemaal zogenaamde kopwolven, die veelvuldig worden benoemd en bedoeld zijn als de gedachten die in het hoofd ronddwalen en angsten voeden; woede en onmacht, cynisme, onvermogen, onverschilligheid, verlangen naar de mooie herinneringen in tijden dat het leven tegenzit. Het zijn de universele zorgen die ons allemaal najagen en waar we mee moeten leren leven.

    Berusting en acceptatie

    Kopwolven is een oproep om te luisteren, een aanklacht tegen onze generatie en die van onze ouders en grootouders die wel hoorden maar niet luisterden. Maar ook is dit gedicht een ode aan moeder aarde. De ik zit soms op een boot en vaart zeilend door het leven op zoek naar ruimte en bevrijding van de kopwolven. ‘en zo – zeil ik laverend langs mijn grenzen – strijdend met weerwil – tegen het grauw – ik raak de horizon maar blijf er weg – de weg naar – is altijd om – of onvindbaar – maar ik leer te leren – en te ademen – op de juiste momenten – ik probeer niet te luisteren – naar het gehijg van de kopwolven’

    Het gedicht sluit met berusting en acceptatie om te kunnen leven met woede en angst, en onzekerheden.
    ‘zwijg nu – je bent te lang aan het woord geweest – ik ben er moe van en doof – en heb niets geleerd – dan dat afstand – niet meer dan jouw vrees is – neem mijn hand – voel de aarde – kijk in mijn ogen – zie de zee – hoor mijn woorden – het is de wind […] het geluk – is teder en broos – en kent grenzen – noch einder’

    Kopwolven is een ‘hebbeboek’, dat steeds binnen handbereik mag liggen om geregeld open te slaan en uitnodigt om zomaar ergens te beginnen met lezen. Of peinzend naar de schilderingen te staren waarin zoveel te zien is en ruimte geeft aan eigen zorgen, angsten en herinneringen. Het gaat erom deze een plaats te geven in het moeizame bestaan.

     

     

  • Een autobiografisch beeldverhaal

    Een autobiografisch beeldverhaal

    ‘Een nieuw woord voor liefde, dat is wat ik nodig heb’, dacht Marieke van Ditshuizen toen zij en de vader van haar kinderen uit elkaar gingen. Als illustrator van vooral kinderboeken begon ze haar pijn en ervaringen te verwerken met tekeningen. Een nieuw woord voor liefde, een graphic memoir over vallen en opstaan na een scheiding, is een krachtig en openhartig egodocument. Gescheiden vrouwen en mannen zullen veel herkennen in dit boek, maar eigenlijk geldt dat voor iedereen, omdat het zo’n universeel verhaal is.

    Een nieuw woord voor liefde begint met een groot getekende IK. Marieke stelt zichzelf voor en geeft de lezer inzicht in haar leven aan de hand van korte, met potlood geschreven zinnetjes en losse schetsmatige illustraties, krabbels zonder opsmuk, maar altijd herkenbaar en door het hele boek heen consistent. Soms maakt ze gebruik van roze als steunkleur, wat heftig of verzachtend werkt.

    De roze droom

    Twee jong geliefden beginnen met hoog gespannen verwachtingen aan kinderen. Beiden zijn kunstenaar, Marieke is al doorgebroken als illustratrice, P., zoals ze haar vriend noemt, nog niet. Het leeuwendeel van het inkomen is haar verantwoordelijkheid. Gaandeweg gaat P. meer zijn eigen gang, het wordt moeilijker om afspraken te maken en haast automatisch trekt zij de zorgtaken naar zich toe, terwijl ze toch allebei geëmancipeerd zijn opgevoed, schrijft Marieke. Hoeveel vrouwen herkennen dit patroon niet: naast een volle baan de zorg voor het huishouden en ook ’s nachts is zij degene die opstaat als er een kind jengelt of ziek is. Op dat moment zag ze het niet, er was nauwelijks tijd voor reflectie. Achteraf, terwijl ze haar situatie tekent, ziet ze het feilloos en vraagt ze zich af waarom ze zich onderwierp aan het traditionele rollenpatroon.

    Met de komst van het tweede kind ging de relatie bergafwaarts. Ze zagen het gebeuren, maar konden of wisten niet hoe ze het patroon moesten veranderen. Van Ditshuizen analyseert P.’s. karakter en beseft dat er aan zijn mooie aantrekkelijke kanten een keerzijde zit. De compromisloze kunstenaar waar ze voor viel, heeft nooit geld. Of is zijn volstrekte autonomie ook als egoïsme op te vatten. Kan ze nog met de roze bril naar hem kijken? Hij neemt het steeds makkelijker, gaat vreemd en de eerste barstjes van irritatie ontstaan. Ze besluiten tijdelijk uit elkaar te gaan. Met trefzekere tekeningetjes beschrijft Van Ditshuizen haar situatie: een alleenstaande moeder met twee kleine kinderen.

    Lusten zonder lasten

    P. heeft al snel een nieuwe liefde, met wie hij zelfs trouwt, terwijl hij dat met de moeder van zijn kinderen nooit wilde. Dat doet pijn. Ze moet accepteren dat ze nu met co-ouderschap haar kinderen deels moet afstaan, de vader heeft ook zijn rechten en dat valt haar soms zwaar. Ze vinden het ook leuk bij hem met de kinderen van zijn nieuwe partner.

    Voor Marieke volgt een periode van verdriet, woede en verwarring. P. heeft de lusten en niet zozeer de lasten van de kinderen als ze in de weekenden bij hem zijn. Van Ditshuizen geeft beelden en woorden aan de omgang met haar ex, de gevoelens die ze heeft jegens zijn nieuwe partner en hoe de kinderen daarop reageren. Ze moet het allemaal leren accepteren. Maar er is een lichtpuntje. Hoewel ze vele avonden alleen is, levert dat ook veel tijd op.

    Fuckingbuddybingo

    Ze gaat weer uit met vrienden en installeert een dating app op haar telefoon. Ze houdt zich voor dat dit niet zozeer is om een nieuwe liefde op te duikelen, maar voor de seks. Echter, steeds weer komt ze van de koude kermis thuis, ze wordt ervaringsdeskundige op het gebied van dating met een heel scala van mannen. Ze tekent een ‘Fuckingbuddybingo’, een juryrapport voor mannen. Voor hen ongetwijfeld confronterend om te zien hoe er over ze gedacht wordt. Naast verdriet komt de aanvaarding, het rouwen om wat was verdwijnt naar de achtergrond. Marieke leert opnieuw te ‘kijken naar wat er wél is’.

    Het knappe van dit boek is dat Marieke van Ditshuizen de clichés van haar situatie dankzij de ijzersterke tekeningen zo goed hanteert. Door haar gevoelens te tekenen kijkt de schrijfster en illustrator vanaf een afstand naar zichzelf en weet daardoor de toon luchtig te houden. Haar relaas wordt nergens sentimenteel gezeur, of larmoyant geklaag. Integendeel. Het is een eerlijk, openhartig en herkenbaar maatschappelijk geëngageerd verhaal.

     

     

  • Na het begrip kwam de bevrijding

    Na het begrip kwam de bevrijding

    In De Stalenburg onderzoekt auteur Paulien Bom (1954) haar antroposofische jeugd, die werd bepaald door haar ouders, beiden strikte aanhangers van de antroposofie. Wie waren zij eigenlijk? Wat heeft de antroposofie haar als kind gebracht – en wat betekent het nu voor haar als volwassene?

    De Stalenburg, haar ouderlijk huis in Den Dolder, fungeerde als een vesting waar het leven van Paulien en haar broers zich grotendeels binnen de vier muren afspeelde. In de nalatenschap van haar ouders vond ze een plattegrond van het huis uit 1953. Het wordt de aanleiding voor haar onderzoek. Samen met haar broers keert ze na vijftig jaar terug naar De Stalenburg waar ze gastvrij worden ontvangen door de huidige bewoners, die het huis ingrijpend hebben verbouwd.

    Streven naar het goede

    Het huis werd bewoond door vier gezinnen en op de plattegrond is te zien hoe de ruimtes in elkaar grijpen. Tijdens de dwaaltocht door het huis komen de herinneringen terug. Herinneringen aan de adventskalender, voorgelezen worden door moeder met haar fijne voorleesstem, spelletjes doen met vader of het medicijnkastje met die ‘heel speciale geur, met de mufheid van verschaalde olie, doortrokken van een vleugje lavendel en iets medicinaals. Het is een geur die zich in alle huizen nestelt als de antroposofie er vaste voet aan de grond heeft gekregen.’

    In het teken van de antroposofie leeft men sober en anti-materialistisch en dat was met Bom’s ouders niet anders. Haar vader was antroposofie en duldde geen enkele kritiek op Rudolf Steiner of zijn filosofie. Meditatie, zelfstudie, lezingen en de eindeloze zoektocht naar zelfbewustzijn en verdieping stonden altijd voorop, herinnert Paulien zich. Terugkerende elementen in antroposofische verhalen en boeken zijn Ahriman en Lucifer, twee figuren die volgens Steiner staan voor het kwaad, het bekrompene en materialistische. Ahriman werkt via de angst, terwijl Lucifer meer staat voor de verleiding en de illusie. Ze speelden een belangrijke rol in het leven van Bom’s vader, die altijd streefde naar het goede midden en de goede maat. Omdat hij vond dat hij vanuit zichzelf mateloos was en moeite had het goede midden te vinden.

    De kinderen gingen naar de Vrije School in Zeist, waar de bijbehorende pedagogische disciplines een grote rol speelden: nat-in-nat schilderen, euritmie – een vorm van ballet maar vrijer uitgevoerd – en veel muziek. Ondanks haar huidige bezwaren bewaart Paulien Bom ook vooral goede herinneringen aan deze elementen. Het was misschien niet zozeer de opvoeding zelf, maar het anders-zijn, het niet tot de “gewone” kinderen behoren, dat haar het meest heeft beïnvloed. Dit wij/zij-gevoel, dat haar zich superieur liet voelen ten opzichte van anderen, ervaart ze later als een van de grootste lasten uit haar jeugd.

    Antroposofisch lot

    Haar vader adoreerde Rudolf Steiner. In zijn werkkamer hingen twee foto’s van hem, die diepe indruk maakten op de jonge Paulien. ‘(…) in De Stalenburg ging het daar nooit over, maar die twee foto’s leken te suggereren dat alleen hij ertoe deed.’ Wat antroposofie precies inhoudt, is lastig uit te leggen, vindt Bom. Het is geen geloof, eerder een complex en idealistisch gedachtegoed met invloed op opvoeding, heilpedagogie, geneeskunde, biologisch-dynamische voeding, kleurenleer, muziek en zelfs architectuur.

    Hoewel Bom een lichte toon hanteert en beeldend schrijft, begint het boek wat taai. Ondanks de afgebeelde plattegrond is het huis voor de lezer lastig voor te stellen, maar voldoende afwisseling in haar verhaal houdt de aandacht vast. Hierdoor blijft het boek ook voor buitenstaanders – mensen zonder antroposofische achtergrond – boeiend.

    Gaandeweg wordt Pauliens beeld van haar ouders steeds helderder. Ze ziet hun eenzaamheid in het aanvaarden van hun zelfgekozen lot. ‘Ze vroegen niet om hulp bij moeilijke beslissingen, maar hielden hun pijn en emoties binnenskamers. Dus er kwam geen hulp.’ Dergelijke observaties maken het boek niet alleen menselijk, maar leggen ook Bom’s eigen gevoelens bloot. Was ze zelf niet net zo eenzaam? Zagen haar ouders hun kinderen eigenlijk wel echt?

    Wanneer Paulien en haar broers De Stalenburg achter zich laten, breidt ze haar onderzoek uit, wat het verhaal interessanter maakt. Haar vader krijgt daarin de meeste aandacht. In het dankwoord verklaart ze waarom haar moeder minder prominent aanwezig is: zij was geen schrijver en kwam uit een eenvoudige Zeeuwse familie, waar weinig brieven of dagboeken geschreven werden. Haar vader, Lex Bos, daarentegen, was een man van het woord. Hij schreef brieven, hield dagboeken bij en publiceerde talloze antroposofische studies.

    Dankzij deze overlevering van teksten kon Bom dieper in de geschiedenis duiken, niet alleen van haar ouders, maar ook van haar grootouders en zelfs haar betovergrootvader, Allard Pierson – predikant, kunsthistoricus en kritisch denker. Er zijn ook verbanden met de socialistische predikant Domela Nieuwenhuis en met Menno ter Braak, een vriend van haar grootmoeder, die levensbeschouwelijke filosofieën niet schuwde. Haar vader werd in zijn tienertijd voor de oorlog een devote aanhanger van de antroposofie, hoewel hij in zijn studententijd kortstondig lid was van het corps en even een decadent leven leidde, voordat hij zich volledig onderdompelde in het strenge regime van zelfstudie en verdieping.

    Nieuwe inzichten

    Na een val op haar hoofd, ze is al lang volwassen, raakt Paulien Bom lange tijd uit de running – waarover ze Op de kop getikt (2009) schrijft. Ze balanceert op de rand van een depressie en worstelt met de vraag wat ze met de antroposofie aan moet. Ze voelt zich verzadigd, overvoerd door het dogmatische aspect. Uiteindelijk besluit ze haar lidmaatschap op te zeggen, ze blijft in Zeist wonen en haar losmaken-van voelt niet als een echte bevrijding, het wij/zij-denken zit te diep geworteld.

    Haar zoektocht is geen afrekening met haar jeugd, maar eerder een poging om te begrijpen. Door gesprekken te voeren met haar oma van vaders zijde, met mensen die haar vader goed hebben gekend en met degenen voor wie hij veel betekende, komt ze tot nieuwe inzichten. Ze leest zijn boeken en onderzoekt de geschiedenis achter de antroposofie.

    De laatste maanden van haar vaders leven beschrijft Bom ontroerend. Ze kan met mildheid naar hem kijken. Wanneer zij en haar broers na zijn overlijden zijn dagboeken vinden in de kelder, opent dat nog een nieuw luik naar zijn persoonlijkheid. Een belangrijk besef dringt tot haar door: juist dankzij zijn volharding, die zij van hem heeft geërfd, kon ze dit onderzoek doen en dit boek schrijven. Een reis naar Australië en gesprekken met familie daar, leert haar het kleine te zien en anders te kijken naar de wereld om haar heen. Pas dan is het proces van de echte bevrijding begonnen.

     

     

     

  • Zoektocht naar identiteit

    Zoektocht naar identiteit

    Bijna vijftig jaar geleden verscheen En dan is er koffie van Hannes Meinkema (1944-2022), pseudoniem van Hannemieke Stamperius. Het boek deed nogal wat stof opwaaien vanwege de vele seksscènes, het roken van stickies en de losse levenswijze van personage Rosa. Voor jonge vrouwen die het lazen ging er een wereld open. Een wereld van feministische gedachten die nog nooit zo luid uitgesproken waren, hoewel de woorden emancipatie of feminisme nergens genoemd worden. In dit boek denkt iedereen, behalve protagoniste Rosa, juist stereotype en conservatief en precies dat is de spiegel die laat zien hoe bekrompen de denkwereld in die tijd was ten opzichte van seks en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. En dan is er koffie is opnieuw uitgegeven en het nu te herlezen is een verrassende herkenning. Het is niet gedateerd, maar ook niet meer van deze tijd, hoewel de liefdesperikelen van adolescenten, hun zoektocht naar eigen identiteit, rolpatronen, eenzaamheid en onbegrip, van alle tijden zijn.

    Vijftig jaar geleden brak Meinkema door met deze ‘familieroman Koffie’, zoals ze het boek noemde, aldus haar dochter Vita Stamperius in het voorwoord. Deze nieuwe uitgave bij Prometheus kreeg als ondertitel ‘De oerroman van het feminisme’ mee. Een belangrijke feministische roman is het zeker, net als De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt, dat in hetzelfde jaar verscheen.

    Familierelaties

    En dan is er Koffie is in een opmerkelijke vorm gegoten. Van maandag tot en met zondag lezen we over de gedachten en bezigheden van de verschillende familieleden. Iedereen leeft toe naar zondag, de dag waarop vader Jacques jarig is. Korte stukjes vanuit steeds een ander perspectief met een cliffhanger aan het einde, of het stukje stopt in media res, zonder dat daar echt op teruggekomen wordt.

    We volgen vooral oudste dochter Rosa, zij heeft de meeste perspectieven. Maar ook haar broer Jaap, zijn vriendin Josien, haar zus Arja, haar vader Jacques en moeder Cora en haar vriendje Douwe komen aan het woord vanuit de derde persoon. Dat is even wennen, maar nergens onduidelijk, het is zelfs verfrissend om hun onzekere gedachten en vooroordelen over seks, hun leugens en angsten dat ze er niet bij horen te volgen. De mannen denken patriarchaal en dominant, zoals vader Jacques. ‘Andere vrouwen staan op tijd op om het ontbijt voor hun man te maken, maar Cora niet, hoor. Cora wil verwend worden. In een zwak moment is-ie ermee begonnen en zo is Cora: voor je ‘t weet heeft ze je zover gebracht dat je er een gewoonte van maakt.’

    De vrouwen denken onderwerpend en verzoenend, zoals een van de vriendinnen van Douwe, die in het midden laat of ze aan de pil is. ‘(…) hij denkt dat ze ‘m slikt. (…) “heb je wel eens eerder een vriendje gehad?” “Natuurlijk.” Wat een vraag. Alsof er een vrouw bestond die nee zou zeggen. “En wat deed je eraan?” “Ik slikte de pil.” “Mooi dan is dat dus oké.”’

    Branie en zachtheid

    Rosa is 26 en docente Nederlands en maatschappijleer op een middelbare school. Ze is vrijgevochten, bloedmooi, kleedt zich wulps, drinkt oude jenever als een kerel, blowt en heeft seks met wie maar wil. Rosa denkt na en laat zich niet temmen, ze is de feministe avant la lettre en shockeert graag: haar collega’s, haar ouders, haar vrienden. Ze heeft een vage relatie met Douwe, die ze op afstand houdt omdat ze niet in een keurslijf wil zitten en geen verwachtingen bij hem wil wekken. Toch is hij de enige die haar begrijpt. Het mooie en sterke van Rosa’s personage is dat ze ondanks haar branie ook verlangt naar aandacht van haar ouders, erbij willen horen, warmte en begrip, terwijl ze die tegelijkertijd afwijst. ‘Ze kan zichzelf niet uitstaan. Die hele rotfamilie zou haar niets moeten kunnen schelen, geen moer. En toch doet het pijn.’

    Er zijn vage toespelingen op de vader-dochter relatie. Rosa haat haar vader, een ouderwetse huisarts, die liefst zo min mogelijk gestoord wordt door zijn gezin. Hij is niet Rosa’s biologische vader. Haar moeder was eerder getrouwd, een onthulling die op de laatste bladzijde nog een verassing in petto heeft. Met haar moeder heeft ze een verdraagzame relatie. Mooi beschrijft Meinkema hoe de moeder heel andere verwachtingen koestert over haar dochter, wanneer ze samen voor Rosa een jurk gaan kopen die tenminste decent genoeg is om zondag aan te trekken. ‘Het plastic tasje staat naast de stoel. Cora kijkt er even in, voelt aan de stof. Misschien toch niet zo’n slechte keus, bij nader inzien. “Keurige jurk,” zegt Rosa ervan. “Doe je ‘m zondag aan?” vraagt ze, ze hoopt een beetje achteloos. “Als je dat graag wilt.”’ Natuurlijk doet Rosa de jurk zondag niet aan.

    Heerlijk herkenbare cliché’s 

    Zus Arja is dol op haar vader, maar ook zij wordt door hem niet echt gezien. Zonder dat het uitgesproken wordt, worstelt Arja met lesbische gevoelens voor een lerares. Broer Jaap stapt in de voetsporen van zijn vader, hij studeert medicijnen en is corpsbal. Hij woont stiekem samen met Josien, hun relatie druipt van de geheimen en wederzijds onbegrip. Josien verlangt naar het huwelijk en een gezin, zonder echt te beseffen wat dat betekent voor haar eigen vrijheid. Jaap wil een vrouw die hem gehoorzaamt en waarmee hij voor de dag kan komen. De stereotype relatie die gedoemd is te mislukken als hij begrijpt dat hij niet haar eerste vriend was. ‘Hoelang woonde ze al niet bij ‘m, en geen woord al die tijd. Hem laten geloven dat-ie de eerste was.’

    In het laatste hoofdstuk vindt vaders verjaardag plaats, iedereen is aanwezig. De verwachtingen zijn hoog gespannen en de cliché’s die horen bij zo’n verplicht feestje zijn heerlijk herkenbaar geschreven.

    Niemand lijkt echt sympathiek in En dan is er koffie, maar door hun gedachten te kennen worden de personages zo ontzettend menselijk dat sympathie er niet meer toe doet. Met haar sterke, toegankelijke stijl loodst Hannes Meinkema de lezer vlot door het leven van verschillende vrouwen. Ze haalt seksualiteit uit de taboesfeer en beschrijft hun gevoelens op een manier die vijftig jaar geleden nog niet gewoon was. Dit boek opnieuw uitgeven was een goed idee. Oudere generaties, feministen uit de jaren zeventig, zien dat vrouwen een stuk vrijer en geëmancipeerder zijn geworden. Hun kinderen, dochters, zullen waarschijnlijk denken: ‘Goh, er is nog heel wat te doen.’

     

     

  • Verontrustend en toch lichtvoetig

    Verontrustend en toch lichtvoetig

    Waarom het kind in de polenta kookt van Aglaja Veteranyi is een roman uit 1999 en nu in het Nederlands vertaald. Het is het verhaal van een Roemeense circusfamilie op de vlucht voor het regiem van dictator Ceaușescu. Het begint met de stem van een kind, haar vragen en fantasieën. ‘Ik stel me de hemel voor. Die is zo groot dat ik meteen in slaap val om mezelf gerust te stellen. Bij het wakker worden weet ik dat God iets kleiner is dan de hemel. Anders zouden we bij het bidden voortdurend in slaap vallen van schrik.’

    De vertelster is een jaar of tien en groeit gaandeweg het verhaal uit tot een puber. Met haar moeder, stiefvader en zijn dochter zijn ze de armoede en onderdrukking in Roemenië ontvlucht en proberen met circusacts in het westen hun geld te verdienen. Moeder hangt aan haar haren in de trapeze. Stiefvader is clown, hij is een drinkebroer en voortdurend bezig met een camera om zijn vrouw en dochters te filmen. Dankzij deze rolletjes denkt het meisje dat ze is voorbestemd om later actrice te worden.

    Onveilige jeugd

    Het is geen gezellige boel in dit zigeunerachtige bestaan. De moeder doet haar best om haar dochter te beschermen, maar een veilige omgeving voor kinderen is het circus niet. De familie hoopt dat het leven beter wordt, de stiefvader schildert het westen af als het paradijs, maar keer op keer zijn de teleurstellingen groot. De man is ook gewelddadig en heeft een incestueuze relatie met zijn genetische dochter: ‘Mijn zus is ook gek, zegt mijn moeder, omdat mijn vader van haar houdt als van een vrouw.’ Dat hij de vertelster nog niet misbruikt blijkt uit de volgende zin: ‘Ik moet uitkijken dat ik niet ook gek word, daarom neemt mijn moeder mij overal mee naartoe.’ Duidelijker worden deze zaken niet belicht, maar de insinuaties vanuit het kind-perspectief liegen er niet om. Later, in deel drie verhuurt de moeder haar dochter, ze is dan twaalf, maar zegt dat ze dertien is, aan een variété-show waar ze naakt moet dansen. ‘Maar omdat ik daar te jong voor ben plak ik een behaarde driehoek tussen mijn benen. Dat idee was van mijn moeder. (…) Ik ben nog nooit door een man op de juiste plek aangeraakt. Ik denk nergens anders aan. Ik wil door twee mannen tegelijk worden verkracht.’ Heftige gedachten van een kind dat dingen hoort maar niet echt de betekenis ervan begrijpt.

    Mengeling van fantasie en realiteit

    De fantasie van het kind vermengt zich met elementen van de orthodoxe religie van de familie van haar moeder en de sprookjes die ze hoort. Tamelijk stoïcijns probeert ze de wereld te begrijpen zonder het verschil te kennen tussen realiteit en fantasie, en dat werkt betoverend, verontrustend en soms hilarisch. Zoals de traditie dat een geslachte kip moet uitbloeden voor hij in de soep mag. De familie huist in een krappe woonwagen of in een hotel met zijn allen in een kamer. Moeder slacht de kip in de badkuip. Dat is uiteraard verboden en dus zetten ze de radio hard aan. Voor meer nadruk schrijft Veteranyi soms in hoofdletters. ‘BIJ HET SLACHTEN KRIJSEN DE KIPPEN INTERNATIONAAL. WE VERSTAAN ZE OVERAL.’

    Het beeld van de moeder die hoog in de nok aan haar haren in de trapeze hangt en er jongleert met ballen, ringen en brandende fakkels is beangstigend voor haar dochter. Hoe de moeder zich voorbereidt en de onzekerheid en angst die daarmee gepaard gaan, roept een verwachtingsvolle spanning op. ‘MIJN MOEDER IS DE VROUW MET HET HAAR VAN STAAL.’

    Om hun angsten te verbloemen vertellen de zusjes elkaar verhalen over het levende kind dat in de polenta kookt, de rode draad in het boek. De vertelster, die zich identificeert met dit kind, wil weten waarom het in de polenta belandde. Was het haar eigen schuld? Door in een zak mais te kruipen en in slaap te vallen? Heeft God het kind nadat ze gestorven was in de polenta gekookt? ‘God is kok, hij woont in de aarde en eet de doden op, met zijn grote tanden kan hij alle doodskisten kapotbijten.’ Naarmate de roman vordert, onderbreekt ze het verhaal over het polentakind steeds vaker en voegt nieuwe details toe.

    Wanneer de stiefvader verdwijnt worden de zussen verbannen naar een kostschool in Zwitserland. Hier gaan de angst en ellende op een andere manier gewoon door en het verhaal van het kind dat in de polenta kookt wordt steeds gruwelijker. De zussen mogen nergens heen zonder elkaar, dat eist de moeder en als de iets oudere zus van school gaat, komt de vertelster weer bij haar moeder terug, die haar vervolgens aan de variété-show verhuurt.

    Korte zinnen en aforismen

    De zinnen zijn kort en associatief en vaak vangt een zin op een nieuwe regel aan. Tussen de tekst staan aforismen in kapitalen. Zoals: ‘IS ER ECHT EEN CIRCUS IN DE HEMEL’ of ‘DE MENSEN ZIJN GOED OMDAT ZE BANG ZIJN VOOR DE DUIVEL’. Soms staan zinnen zelfs alleen op een bladzijde: ‘MIJN FAMILIE IS IN HET BUITENLAND GEBROKEN ALS GLAS.’ Of zoals een van de veelvuldig terugkerende gedachten aan God: ‘HOE RUIKT GOD?’

    Aanvankelijk lijken deze korte statements op een trucje, maar dat is het geenszins. Het verhaal is deels autobiografisch en deze zinnen verhullen juist de treurigheid die de schrijfster als kind ervoer. Veteranyi maakte zelf deel uit van een circusfamilie die uit Roemenië ontsnapte en ze was tot haar zeventiende analfabete. Hoewel ze redelijk succesvol was in het theater en prijzen won voor deze roman pleegde ze uiteindelijk zelfmoord toen ze veertig was.

    Waarom het kind in de polenta kookt is een bijzonder gecomponeerd en authentiek verhaal dat niet in een keer volledig te bevatten valt, ondanks of misschien juist door de lichtvoetigheid. Een verhaal van een schrijnende jeugd dat een diepe indruk achterlaat.