• Geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing en meer willen lezen

    Geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing en meer willen lezen

    De laatste editie van literair tijdschrift Terras #21 met als thema ‘Jungle’, nodigt uit tot het toetreden van de jungle die in stad, land, eigen huis, alsook door een wildgroei aan beelden die het dagelijkse leven overwoekeren kan ontstaan. Er is onvertaald werk van (veelal) onbekende schrijvers (niet vertaald, niet gezien), alsook nieuw werk van Nederlandstalige auteurs. De vertalers, die een groot deel van het speurwerk verrichtten, trakteren op teksten die gretig gelezen worden, ongekend wordt soms liefde op het eerste gezicht. Zoals de teksten van de Portugese Mário-Henrique Leiria (1923-1980), schrijver van surrealistische (micro)verhalen. Portugees vertaalster Anne Lopes Michielsen schreef een introductie op deze schrijver, waarbij ze ook de ingrediënten en bereidingswijze voor een gin-tonic meegaf, hoewel Leiria liefhebber was van gin-tonic zonder tonic. Zoals er ook Bacalhau com natas sem Bacalhau (kabeljauw in roomsaus zonder kabeljauw) bestaat voor vegetariërs.

    Alles kan, bij Leiria in ieder geval wel. Zijn teksten, waarin absurde dingen gebeuren, worden rechtgetrokken met zinnetjes als, ‘Dus ik deed wat ik moest doen.’ Of, ‘Zo ging het.’ Begin jaren zeventig verschenen van hem twee bundels, Contos do Gin-Tonic, en later, Novos Contos do Gin-Tonic. Lopes Michielsen vertaalde daaruit het korte verhaal, ‘Tropicalia’ over verschijningen en verdwijningen in de tropen, zo is er een olifant op het balkon van een hotel, en zo is deze verdwenen. ‘Zo gaat dat.’ eindigt het verhaal. En nog drie microverhalen, waaronder deze:
    ‘Huwelijk

    “In rijkdom en armoede, in goede en slechte tijden, tot de dood ons scheidt.”
    Uitstekend.
    Ik kom mijn beloftes altijd na.
    Daarom heb ik haar gewurgd en ben vertrokken.’

    Verhalen uit Rwanda

    Vicky Franken vertaalde een fragment van de Rwandese schrijfster Scholastique Mukasonga (1956). Op vierjarige leeftijd werd ze met haar familie gedwongen te vertrekken naar een oostelijke provincie van Rwanda, waar de grond vrijwel onvruchtbaar was en weinig water. Later vluchtte ze naar Burundi en op zesendertigjarige leeftijd vestigde zij zich in Frankrijk. Twaalf jaar later debuteerde ze met Inyenzi ou les Cafards (Inyenzi of de Kakkerlakken), bij Gallimard, een ‘papieren graftombe’ voor de Tutsi-slachtoffers, zelf verloor ze vele familieleden. 

    Het vertaalde fragment gaat over een nieuw leven opbouwen in dat deel van Rwanda waar ze als kind met haar familie terecht kwam. Mukasonga schrijft, ‘De families die als een meute Robinsons aanspoelden midden in de savanne, moesten de muren van de huizen optrekken, het dichte doornbos ontginnen om een lapje grond in te zaaien en zien te overleven in afwachting van de eerste oogst.’ In afwachting van die oogst gingen de vrouwen met de kleinste kinderen werken bij gezinnen voor een tros bananen of wat zoete aardappelen. Een verhaal van nooit weten wat de dag van morgen brengt. Toen ze de grond hadden bewerkt, de oogst wat opbracht en er enige zekerheid ontstond, eisten landbouwkundigen dat haar familie koffie ging verbouwen. ‘We moesten alles wat we tot dan toe hadden verbouwd uit de grond trekken en, erger nog, ook een groot deel van onze bananenplantage die net vruchten begon af te werpen.’  Uit oude koloniale overwegingen kwamen ze onder toezicht van landbouwkundigen, ‘Wij, op onze blote voeten, waren vooral gefascineerd door het glanzende van hun laarzen.’  Mukasonga schreef drie non-fictie boeken en verscheiden romans en een verhalenbundel. Stille verwondering bij het lezen van haar geschiedenis, die niet zichtbaar genoeg kan worden gemaakt. Tijd dat haar werk vertaald wordt.

    Jonge Franse arbeiders, schrijvers

    Van Tommy van Avermaete een stuk over de Franse dichter Thierry Metz (1956–1997). Waarover hij voor het eerst hoorde toen hij de vertaalde roman van Joseph Ponthus (1978-2021) las, waarin deze over Het dagboek van de bouwvakker van Thierry Metz schrijft:
    ‘is een dagboek dat je gelezen moet hebben
    Het is een meesterwerk
    […]
    Die taal
    Zo puur zo subtiel
    Ideaal dat ik nastreef
    Die woorden
    Die stilte na het werk’

    Beide schrijvers stierven jong, Ponthus door kanker, Metz door zelfdoding nadat hij door de dood van zijn achtjarige kind aan depressies leed. Ook hadden ze gemeen dat ze hun arbeidersbestaan combineerden met schrijven. Van Avermaete, geïnspireerd door deze regels, ging op zoek naar Thierry Metz, ontdekt dat de inzet van het werk van hem, ‘inderdaad niet [is] om op realistische wijze een verhaal te vertellen “over” arbeid, het is hen er eerder om te doen de ervaring van de bouwvakker in taal te vatten – en eigenlijk moet ik niet van “de” bouwvakker spreken, maar over deze ene bouwvakker (Metz) (…) Het gaat hem erom, en misschien gaat het daar in literatuur wel altijd om, een ruimte te scheppen waarin de individuele ervaring in al zijn complexiteit en uniciteit getoond kan worden.’ Ruimte maken voor stilte bijvoorbeeld, zo doet Metz dat. ‘Het is zaterdag. Mijn handen doen niets. je hoort kinderen die in het zand spelen en auto’s die passeren…’. En dan over ‘Binnenshuis leuteren de stoelen. Je weet niet waarover. (…) Het zijn enkel woorden die opklinken, gemurmel van oude besjes… Tussen twee maaltijden, twee afwassen.’ Veelbetekenend met weinig tekst.

    Verdrietplaatjes en Cambrische thee

    Vier nieuwe gedichten  van Marieke Lucas Rijneveld, waarvan enkele regels uit, ‘I love you like I love myself’.
    Lang geleden dat de zondag spinnend naast mij lag,
    dat ik geen verdrietplaatjes draaide, het levenslied een keer
    niet uit mijn borstkas knalde, gewoon een trage wals met

    de stilte. Ik heb de schaar in mijn haar gezet en waterpas een
    jongetje uit me geknipt, (…)’

    Dat de zondag spinnen kan, er een zondag is die naast je ligt, er ‘verdrietplaatjes’ bestaan en er ‘waterpas een jongetje uit iemand geknipt’ kan worden. Het kan bij Rijneveld, daarmee zet hij een wereld van droom en daad open voor wie toegang zoekt.

    Indringende poëzie van de Canadese dichter Gary Geddes, over het verlies van zijn moeder op jonge leeftijd. ‘Jij was haar dood, deelt / oma mee, terwijl ze heet water / in een beker melk giet. / Cambrische thee noemt ze het.’ Regels uit de cyclus Doodtij,  in vertaling van H.C. Ten Berge en onderdeel van de bundel The Resumption of Play (‘De hervatting van het spel’).
    De bundel bevat vijf afdeling, waaronder ‘Doodtij’. De langste afdeling, de titelreeks, gaat over over het onlangs naar buiten gekomen misbruik op kostscholen van Inuit en Indiaanse kinderen in Canada. Onder de titel ‘Empathie en verbeelding’, licht Ten Berge het indrukwekkende werk en de dichter zelf toe.
    ‘Zoals dikwijls in zijn poëzie gebeurt, verplaatst de dichter zich in de wederwaardigheden en het lot van zijn personages, in dit geval een kostschoolkind dat – net als als vele van zijn medescholieren – ontvoerd is door overheidsbeambten en onder dwang in een religieus (her)opvoedingsinstituut is geplaatst.’ Wie het overleefde was ‘getekend voor het leven’. Dat is wat Geddes doet, met empathie en verbeelding gruwelijke misstanden voor het voetlicht brengen. 

    Een schrijver en zijn land

    Verhalen komen overal vandaan, verhalen die tonen hoe het geweest moet zijn, verhalen die treffen, gelezen moeten worden. Dan is er nog niets gezegd over de bijdrage van Mariolein Sabarte Belacortu, vertaalster Spaans-Nederlands, winnaar van de vertalersprijs van het Letterenfonds (2010). Zij opent met haar stuk ‘De erfenis van José María Arguedas’, een weg naar het werk van deze Peruaanse schrijver die zichzelf van het leven beroofde. Zijn zesde boek verscheen postuum in 1971. ’Het is niet gewaagd te zeggen dat hij zich het lot van zijn land en met name dat van de oorspronkelijke bewoners, zo sterk heeft aangetrokken, dat hij eronder is bezweken.’ Aan deze editie werkten vijfenveertig schrijvers/ vertalers/dichters mee, het is een geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing, voor op de plank en ter hand nemend als informatiebron voor schrijvers die (nog) niet gekend worden in Nederland, (waar in de toekomst meer van gehoord zal worden). Er is veel in de wereldliteratuur dat nog naar boven gehaald moet worden, de redactie van Terras doet dat met verve.

     

    Lees meer op Terras.nl.
    En klik hier voor de webshop.

     

  • Verstaat u vertaals?

    Verstaat u vertaals?

    Stel dat een vertaler zou doen wat de meeste mensen denken dat een vertaler doet… Stel dat een vertaler altijd letterlijk zou vertalen wat er staat… De literatuur zou er een stuk minder leesbaar door worden. Wie te dicht bij de bron blijft, loopt het risico een vertaling vol kreupele zinnen af te leveren die waarschijnlijk ook nog eens wemelt van de woorden die hun herkomst verraden en niet naadloos passen in de taal waarin ze beland zijn.
    Volgens Paul Claes zijn het vooral beginnelingen die (te) krampachtig vasthouden aan het origineel, maar hij geeft in Gouden vertaalregels: tips voor beginnende [en andere] vertalers grif toe dat het onbewust ook de beste vertalers overkomt: het nauwgezet kopiëren van woordenschat, woordvolgorde en zinsbouw uit de brontaal. ‘Vertaals’, zo noemt Claes de taal tussen bron en doel.

    Hoewel het de lezer misschien vreemd in de oren klinkt: vertalen wat er staat is zelden de bedoeling. Echte vertalers weten dat. Die weten dat ze soms alles op alles moeten zetten om een Nederlandse tekst af te leveren die net zo klinkt als het Braziliaans-Portugees van Raduan Nassar of Clarice Lispector of het Russisch van Aleksandr Poesjkin. Die durven die eerbiedwaardige teksten los te laten, maken er iets anders van en doen een schrijver met hun vertaling toch recht. Als het goed is, weten zij precies wat een schrijver te vertellen heeft en hoe ze dat in het Nederlands moeten zeggen.

    Verzinnen wat er staat, dat is volgens Harrie Lemmens de kern van het werk dat hij inmiddels al een jaar of dertig doet. Sommige schrijvers kent hij inmiddels zo goed dat hij tijdens het lezen al precies hoe de zin die komt, gaat lopen. In het hoofd van een schrijver kunnen kruipen helpt, maar het eigen gevoel laten spreken ook. Meer dan het beheersen van (een) techniek is vertalen volgens Harrie Lemmens namelijk een kwestie van gevoel.
    Collega-vertaler Hans Boland houdt het op instinct, en een strategie heeft hij niet. Wel een manier van werken. Voordat Hans Boland een tekst vertaalt, maakt hij omtrekkende bewegingen. Hij verkent een tekst – de vorm en de inhoud – uitputtend. Dan pas begint hij te vertalen: ‘Als je alles wat er niet staat eenmaal hebt, ben je er al bijna’.

    Hans Boland, Harrie Lemmens, Paul Claes  en vele collega’s met hen weten dat de schrijvers die zij vertalen alleen tot de verbeelding van lezers zullen spreken als het Nederlands van hun vertalers onberispelijk is.
    Om te voorkomen dat er ‘vertaals’ in hun translaties sluipt, moeten zij het origineel af en toe laten voor wat het is. Dat voelt niet altijd goed. Mariolein Sabarte Belacortu – ook haar hoorde ik recent vertellen over haar vak – kwam in gewetensnood toen ze tijdens het vertalen van een tekst van de Mexicaanse dichter Dolores Dorantes geen gehoor kon geven aan een voorschrift van de dichter. Met enige schaamte gaf ze toe Dolores Dorantes niet op de hoogte te hebben gesteld van de uiteindelijk door haar gekozen oplossing.
    Vertalen is en blijft een kwestie van meerzijdige partijdigheid.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Eenzaamheid als je enige bezit in de wereld

    Eenzaamheid als je enige bezit in de wereld

    Je gaat naar bed zoals alle andere dagen. Misschien slaap je in met de prettige gedachte dat je morgen een afspraak hebt met je liefje. Dan word je wakker, niet in je bed, maar op de harde grond in een donkere kamer, op een plek waar je nog nooit bent geweest. Op de tast vind je een deur, die je opent waarna je opnieuw in een duistere kamer belandt, met weer een deur die ook weer leidt naar een kamer…

    Zoiets als doodgaan zonder echt dood te gaan. Belanden in die veronderstelde tussentijd tussen zijn en niet zijn, op het snijvlak van bewustzijn en diepe slaap. Op een plek in ieder geval waar wat jij wil er niet toe doet, iets of iemand anders bepaalt de gang van zaken.

    Het is een oersterk begin van de roman De plaats van de Uruguayaanse schrijver Mario Levrero (1940-2004). Het is het eerste boek van de auteur dat in het Nederlands verschijnt. In eigen land een naam van betekenis, maar hier nog niet en uitgeverij Bananafish probeert daar verandering in te brengen.

    Kafka
    Lees je De plaats, dan gaan je gedachten naar het werk van andere auteurs. Franz Kafka bijvoorbeeld. In De gedaanteverwisseling legt zich een man te slapen en ook hij ontwaakt in een volstrekt andere situatie: hij is een insect geworden. Alles in De plaats zou je Kafkaiaans kunnen noemen: personages hebben geen invloed op de gebeurtenissen, een hogere macht lijkt alles te regisseren en wat normaal lijkt, is abnormaal. Denk ook aan Sartre’s verhaal over het lot, De teerling is geworpen, waarin zielen ronddolen in de natijd, of aan Kevin Brockmeier’s De kleine geschiedenis van de doden dat zich ook in een soort van hiernamaals afspeelt.

    Een mens die zich realiseert dat hij volledig wordt teruggeworpen op zichzelf, die bij niemand te rade kan gaan, die zich over moet geven aan de grillen van een macht buiten hem om, die ontmoet zichzelf. Zo gebeurt het bij de ik-figuur in De plaats. Dolend van kamer naar kamer, nog steeds zonder ramen, maar waar op een gegeven moment wel lampen gaan branden, zijn het aanvankelijk voor de hand liggende emoties die zijn humeur bepalen: woede en angst.  Maar dan volgt gelatenheid, de berusting in zijn lot: hij kan het toch niet veranderen. Een fase waarin hij zich gaat afvragen: wie ben ik eigenlijk? En: hoe ga ik in ‘de normale wereld’ om met problemen? Los ik ze op rationele wijze op of laat ik me meer door mijn emoties leiden? Hij trekt een belangrijke conclusie: de onmacht in de bijzondere situatie waarin hij zich bevindt, wijkt niet veel af van de onmacht in het dagelijkse leven. Ook al kan hij in het dagelijks leven allerlei keuzes maken en staan er allerlei middelen tot zijn beschikking, hij is er even machteloos. Alleen slaagt hij er daar beter in die onmacht te verhullen.

    Een simpele vaststelling die een ontnuchterend mensbeeld openbaart: de mens is nietig en machteloos.

    Eenzaamheid
    Verderop laat Levrero zijn hoofdpersoon concluderen dat eenzaamheid misschien wel zijn enige bezit is in de wereld. Nou, dan heeft zijn protagonist het dieptepunt van zijn dal wel bereikt. Tegelijkertijd bereikt de lezer van Levrero’s roman daar zo’n beetje het  hoogtepunt. Waar je in het eerste deel van de roman nog wordt meegenomen in een duizelingwekkende achtbaan, vind je je in het tweede deel terug in een kalm drijvend bootje op een kabbelende stroom. Jammer. De spanning is er vanaf, wat de hoofdpersoon dan nog meemaakt zijn verzinsels die er niet toe doen, waarbij de diepgang ontbreekt. Hij ontmoet er andere mensen. En wie weet, heeft de schrijver het zo wel bedoeld. Dat de kracht van het mens-zijn niet in zijn verhouding tot anderen schuilt, maar in zichzelf.