• Collectief de afgrond in met Ana Paula Maia

    Collectief de afgrond in met Ana Paula Maia

    Recensie door Klaas Zandstra

    Van een beroep als slachter gruwen de meeste mensen. Het is niet iedereen gegeven om een dier te doden maar het is juist dat waar je als slachter niet omheen kunt. Er is simpelweg geen methode waarbij het dier na de slacht zal teruglopen naar de stal. Je bent dan ook als slachter verantwoordelijk voor de omwenteling van dier tot karkas. De ziel in het bloed van Ana Paula Maia (1977) neemt je mee naar de wereld van de eigenzinnige slachter Edgar Wilson.

    Voor het Braziliaanse publiek is Edgar Wilson een bekende verschijning. In de boeken van de Braziliaanse schrijfster keert hij met zekere regelmaat terug. Het is niet zo dat het boek onderdeel is van een bepaalde reeks, maar de verhalen spelen zich wel allemaal af in hetzelfde universum, zoals Maia zelf ook zegt. In De ziel in het bloed duikt dus zo nu en dan een naam op die bij een fervent lezer van Maia een belletje zal doen rinkelen. Aan de Nederlandse lezer zal dit voorbijgaan. De ziel in het bloed is namelijk pas het eerste boek van Maia dat in het Nederlands wordt uitgegeven. Voor het verder herkennen en verkennen van namen zal de lezer dus moeten overschakelen op het Portugees of moeten wachten op een volgende vertaling van een van haar boeken

    Het gegeven van een gedeeld universum is niet nieuw. Het voorbeeld bij uitstek is natuurlijk het omvangrijke La comédie humaine van de Franse schrijver Honoré de Balzac (1799-1850). Het tot nu toe geschapen universum van Maia is beduidend minder lijvig maar het maakt de nieuwsgierigheid er niet minder om. Maia schrijft met De ziel in het bloed namelijk een ruwe, harde wereld uit. In het zogenaamde Runderdal, inmiddels het thuis van menig slachthuis en vleeswerkingsfabrieken, kleurt de rivier rood van bloed en slachtafval, breken welhaast apocalyptische stormen uit en waart een heus rariteitenkabinet aan figuren vrij rond.

    Vakman

    Edgar Wilson is wat je noemt een mannetjesputter: koel, sterk en uiterst bekwaam in wat hij doet. Zo weet hij met slechts één rake klap van de dolhamer te bewerkstelligen dat het vee buiten westen raakt waarna het verbloeden kan beginnen. Het is deze vakbekwaamheid die hij uit mededogen aanwendt en het lijden voor het dier zo kort mogelijk maakt. Eenzelfde mededogen kent Wilson niet of ironisch genoeg juist wel voor degenen die een dergelijke kundigheid niet aan de dag leggen. Het is duidelijk dat hij een gemankeerde man is.

    Niet zijn naam, een samentrekking van Edgar Allan Poe (1809-1849) en een hoofdpersoon uit een van zijn kortverhalen, maar het talent om een dier goed aan te voelen stellen Wilson als eerste in staat te ruiken dat er onraad is binnen een nieuw aangeleverde kudde. Niet veel later stort de kudde zich van een klif. Collega’s van Wilson menen dat er een roofdier de kraal is binnengeslopen en het vee heeft opgejaagd. Wilson meent iets anders. Zijn vermoeden blijkt niet veel later te kloppen als hij en een aantal andere werknemers ooggetuige zijn van de collectieve zelfmoord.

    Wie in De ziel in het bloed een pamflet voor vegetarisme wil lezen komt bedrogen uit. Het verhaal is te grotesk om als aanklacht serieus te nemen. Het abattoir is bij Maia een meer abstracte plaats waar leven binnenkomt en dood weggaat en zeker geen nauwe studie naar wat een echt slachthuis daadwerkelijk is. Er wordt daarom ook maar zeer beperkt ingegaan op de gedachten en gevoelens van Edgar Wilson.

    Braziliaanse praktijken

    De groteske van Maia is beter geslaagd zodra je een stap terugneemt en het geheel nog eens overziet. Op die manier zie je al gauw een op Braziliaanse leest geschoeide western. Het bekende beeld van een kraal met vee, de verlaten ranches of wat te denken van het continu aanwezige gevoel dat er iets op het punt staat mis te gaan. Een knipoog naar de bekende Amerikaanse outlaw Bronco Bill maakt het dan alleen maar af.

    Maia weet ook een ander element uit de Amerikaanse western om te zetten naar de Braziliaanse omgeving, namelijk de ongemakkelijke relatie van de cowboys en de ranchers, in dit geval de arbeiders van het slachthuis met de inheemse bevolking. Maia maakt er weinig woorden aan vuil, – überhaupt maakt ze aan weinig zaken veel woorden vuil-, dat de inheemse bevolking van het Runderdal in verpauperde omstandigheden leeft en het landschap waarin zij wonen te gronde wordt gericht door de nieuwe bevolking. In die zin lijkt de collectieve zelfmoord van de dieren welhaast een door de inheemse bevolking uitgesproken vloek.

    De kritiek op het Braziliaanse landbouwbeleid komt daarin duidelijk naar voren. Realiteit is namelijk dat er wanstaltig veel regenwoud in Brazilië wordt gekapt uit naam van de bos- en landbouwautoriteiten, de inheemse bevolking wordt verdreven en milieubeschermers hun leven niet zeker zijn. Bij Maia zijn we dat stadium al voorbij en kleuren de rivieren rood van bloed. Niet alleen het vee gaat bij Maia de afgrond in. Iedereen gaat de afgrond in.

    De ziel in het bloed is geenszins een boek dat je bij de hand neemt. Uitleg geven doet het boek evenmin. Maia is haar personages vooral aan het observeren. Ze leeft zich niet in hen in en probeert hun handelen niet tot nauwelijks inzichtelijk te maken. Het karikaturale blijft daardoor maar al te vaak karikaturaal. Je hoeft het boek evenmin voor de prachtige volzinnen open te slaan. Van onnodige opsmuk bedient Maia zich immers niet. Toch is deze rechtoe-rechtaanstijl bedrieglijk. Voor wie er in wil duiken is De ziel in het bloed namelijk een erg rijk boek dat meer prijsgeeft dan je aanvankelijk door de stijl verwacht.

     

     

  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Goede wegwijzer

    Goede wegwijzer

    De meesten van ons weten weinig tot niets van Marcel Proust en zijn grote roman À la recherche du temps perdu. We hebben er wel van gehoord en kennen het verhaal over dat koekje dat de verteller in de thee doopt waarna een stroom van herinneringen op gang komt. Sommigen hebben voornamelijk een vóóroordeel: Proust was een geparfumeerde estheet die oeverloos kon zeuren in ellenlange zinnen.
    Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep is begonnen met de uitgave van een nieuwe vertaling. Deel 1, Swanns kant op, ligt in de winkel. Een zomer met Proust is een korte en degelijke introductie tot de geheimen, de genietingen en de moeilijkheden die Op zoek naar de verloren tijd te bieden heeft.

    Het is een klein boekje, zoals het een gids betaamt. Het wijst de weg maar gaat niet in de weg staan. Het is bijzonder rijk aan uitleg en achtergronden.
    Het bestaat uit acht delen, geschreven door acht verschillende auteurs. Elk deel (op één na) bestaat uit vijf hoofdstukjes. Die zijn allemaal op dezelfde manier opgebouwd: titel, een kort citaat van Proust, een gecursiveerde inleiding, de centrale tekst waarin het door de titel aangekondigde onderwerp wordt besproken en tot slot een substantiële passage uit de roman. De centrale tekst is telkens het langst en alle hoofdstukjes zijn bescheiden van omvang, steeds zo’n vijf of zes bladzijden.

    In eerste instantie ben je geneigd hoofdstukken netjes op volgorde te lezen. Maar in Een zomer met Proust is dat niet per se noodzakelijk. Je kunt ook ‘hinkelend’ door het boek gaan, elk hoofdstukje laat zich zelfs ook van achteren naar voren lezen, althans wat de laatste twee onderdelen betreft, dus eerst het lange fragment van Proust en daarna pas de beschouwing. Op die manier loop je als lezer wat minder aan de hand van de schoolmeester. En óók laat het zich bij stukjes en beetjes lezen als begeleidende tekst bij de roman, dus niet als voorafje maar terwijl je Proust zelf leest. De samensteller heet niet voor niets Compagnon.

    Waarom zou je een inleiding tot een roman lezen? Wat is er met Prousts romancyclus dat ons zou kunnen afschrikken of dat het lezen zou bemoeilijken? De samensteller zelf waarschuwt ons: ‘(…) slechts de helft van de kopers van Swanns kant op koopt het tweede deel, In de schaduw van de bloeiende meisjes, en slechts de helft van de kopers van In de schaduw van de bloeiende meisjes koopt De kant van Guermantes, het derde deel. Maar hierna haken lezers niet meer af: (de volgende vier delen) worden allemaal uitgelezen’.
    Hoe zou dat komen? Compagnon geeft drie verklaringen: de lange zinnen, de mondaine avondjes die uitentreuren worden beschreven én het feit dat mensen ‘bang zijn voor boeken die de lezer veranderen’. Elders in het boek wordt gewag gemaakt van rond de vijfhonderd personages. Drieduizend bladzijden. Vermelding in het Guinness Book of Records.
    Al met al zou deze poging om lezers te winnen dus gemakkelijk een averechts effect kunnen hebben, want als een boek zozeer een onneembare vesting lijkt, wordt een mens al gauw achterdochtig.

    Waar schrijven de inleiders over? Over de personages, Prousts wereld, de kunsten, Proust en de filosofen. Concrete onderwerpen. We krijgen veel interessants te horen. Ook lezen we over de liefde, het denkbeeldige en de tijd, veel abstractere onderwerpen dus.
    Uit alle bijdragen blijkt wel dat de tijd een centraal onderwerp is, zoals de titel van de roman al aangeeft. De tijd, dat wil zeggen: het verlangen en de herinnering; de werkelijke tijd en de beleefde tijd; de onverbiddelijke tijd en de tijd die als bij toeval wordt teruggevonden; de berusting en de opstand.
    We leren ingewikkelde begrippen kennen, zoals ‘het intermitterende hart’, ‘de essentie van de temporaliteit’, ‘het pluriforme ik’ en ‘het onwillekeurige geheugen’ (daar heeft dat koekje bij de thee mee te maken, wie heeft nìet slechts de klok horen luiden; op bladzijde 117 vindt u de ware toedracht).

    De beschouwingen zijn doorwrocht en niet steeds gemakkelijk te volgen. De schrijvers zijn liefhebbers, kenners én geleerden. Mogelijk zijn ze trots op het feit dat zij behoren tot degenen die het boek de baas zijn geworden? Bestaat er een Proust-elite? In Frankrijk denkelijk wel.
    Hoe het ook zij, hun inleiding tot deze twintigste-eeuwse klassieker geeft stof tot nadenken én maakt nieuwsgierig.

    Wat heeft Proust bewogen tot het construeren van deze ‘kathedraal’, zoals hijzelf het boek karakteriseerde? Ook daarover komen we veel te weten. De kiem lag in een gesprek met zijn moeder en bijna was het een filosofisch betoog geworden, in reactie op zijn lectuur van Bergson, de filosoof die veel over de tijd heeft geschreven. Onvoorstelbaar: Prousts roman was bedoeld als vehikel voor ideeën!

    Dat was trouwens een verrassing: Proust was veel méér dan een decadente dandy, hij was een erudiet en een denker. Hij bewonderde en vertaalde Ruskin, hij bestudeerde de filosofie en de sociologie van zijn tijd en was bijzonder goed thuis in de beeldende kunst.

    Op zoek naar de verloren tijd is geen vakantieboek. Een maximum aan introspectie en zinnen waarin je gemakkelijk halverwege verdwaalt: een hedendaagse lezer zal zijn ‘leeshouding’ moeten aanpassen, gewend als hij is aan snelheid en oppervlakte. Waarschijnlijk heeft Een zomer met Proust op dit ene punt dus ongelijk: Op zoek naar de verloren tijd is geen boek voor één zomer. Het lijkt eerder een boek voor een heel leven. Een boek om je langdurig en ‘intermitterend’ mee af te zonderen. Misschien moeten meer mensen er toch eens aan beginnen.


    Een zomer met Proust

    Auteur: Antoine Compagnon e.a.
    Vertaald door: Maartje de Kort
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 216
    Prijs: € 15,00

  • Meesterlijke volksroman

    Meesterlijke volksroman

    Nieuwe tijden breken aan in Ilhéus. Het is 1925 en de stad groeit doordat de cacao-plant er goed gedijt. Door de cacao-plant is er een rijke bovenklasse van zogenaamde kolonels ontstaan, en later ontstaat ook een middenklasse die gesteund wordt door rijke zakenlieden afkomstig van buiten het stadje. De op geweld en traditie gebouwde macht van de oude kolonels is tanende. Het begint er steeds meer op te lijken dat de komende verkiezingen door de middenklasse zullen worden gewonnen. Maar de tijden dat conflicten werden beslecht met geweld zijn nog niet helemaal voorbij. Deze ontwikkeling maakt de roman Gabriela van Jorge Amado vergelijkbaar met De tijgerkat van Di Lampedusa, waarin ook de overgang van een feodale naar een moderne samenleving wordt beschreven. Amado’s toon is echter veel vrolijker en zijn roman is rijker aan personages en geuren. Gabriela is kort gezegd meer een meesterlijke volksroman dan een meesterwerk.

    Jorge Amado (1912-2001) wordt beschouwd als een van de grootste Braziliaanse schrijvers. Hij bracht zijn jeugd door in Ilhéus en de stad speelt in veel van zijn romans een rol. Al op jonge leeftijd was hij zich bewust van het lot van mensen aan de onderkant van de samenleving en hij bekeerde zich tot het communisme. Deze politieke overtuiging komt ook tot uiting in zijn romans. Later schreef Amado romans die minder op sociale thema’s en meer op vrouwen en avonturen gericht zijn. Maar de politieke thema’s zijn nooit helemaal verdwenen uit zijn boeken.

    Gabriela is een roman uit Amado’s tweede periode. Zelfs tragische gebeurtenissen worden met een soort vrolijke luchtigheid gebracht en de sensualiteit van Gabriela en andere vrouwen wordt meermaals beschreven. Ook sociale verandering is een belangrijk thema in het boek. Naast de ontwikkeling naar een meer beschaafde samenleving in het algemeen wordt de ontwikkeling van de rol van vrouwen door Amado tot centraal thema gemaakt. Vrouwen hebben een traditionele rol in het oude Ilhéus. Eenmaal getrouwd komen ze nauwelijks het huis uit en dienen ze te zorgen voor de thuisbasis van de man. Er zijn ook andere manieren voor de vrouw om zich te gedragen, elk hoofdstuk van Gabriela is opgedragen aan een van die vormen. Er is de kwijnende vrouw die verlangt naar de man die buiten haar bereik is; er is de onderhouden vrouw; er is de vrouw die verlangt naar studie en onafhankelijkheid; en er is Gabriela die met haar onschuld, kookkunsten en schoonheid de verhouding tussen man en vrouw in Ilhéus volkomen op zijn kop zet. Haar naïeve verlangen naar vrijheid leidt uiteindelijk tot meer vrijheid voor alle vrouwen in het nieuwe Ilhéus.

    Ilhéus is een kustplaats in Brazilië en een prachtig, maar relatief onbekend decor voor veel lezers. Brazilië voert binnen Latijns-Amerika een geheel eigen literaire koers. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het taalverschil met de omringende landen. Ilhéus en de rol van de kolonels in Gabriela doen zeker denken aan Macondo en de boeken van Marquez, maar het magisch-realisme ontbreekt volkomen. Amado beschrijft een historische en sociale ontwikkeling en is daarbij meer begaan met de onderklasse. Bovendien zijn de romans volkser en vrolijker, er heerst een soort argeloosheid in Gabriela. De roman dompelt je onder in beelden, geluiden en geuren van een voorbije tijd in een exotisch land. De lezer moet in het begin misschien wennen aan de vele figuren, maar daarna wordt hij meegesleept door de vele anekdotes en (bij)figuren die de roman bevolken. De inwoners van het dorp, de politieke strijd, de affaires en de schandalen worden allemaal beschreven op een bijna nonchalante manier. Dat maakt het boek zeer vermakelijk en onderhoudend, een spetterende roman die met veel plezier te lezen is.

    Overigens veel complimenten voor de fantastische vertaling van Maartje de Kort. Haar liefde voor het boek en de taal is af te lezen aan de vertaling. Bovendien voegde ze een verklarende woordenlijst en een kort essay over Amado aan het boek toe. Er is natuurlijk al het nodige uit het Braziliaans vertaald door August Willemsen: Drummond de Andrade, Guimares Rosa, Ramos en natuurlijk De binnenlanden van Euclides da Cunha. Voor dat laatste boek wordt tegenwoordig op internet voor tweedehands exemplaren soms meer dan 200 euro gevraagd. Misschien is het tijd voor een herdruk? Er zijn echter nog veel meer literaire schatten te vinden in dit enorme en prachtig diverse land. Hopelijk zal Maartje de Kort zich daarmee nog veel gaan bezighouden.