• Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    De zomer is voorbij maar de zomereditie van literair tijdschrift Tirade is er nog. Een editie met veel ruimte voor poëzie, verschillende essays en verhalen. In deze tijd heeft de geest nood aan een breed palet van kleuren en smaken om te beseffen dat het leven niet eenduidig te verklaren is. Toepasselijk is dan ook dat Lodewijk Verduin het in zijn inleidende ‘Redactioneel’ heeft over het verspreiden van literaire ‘spaanders die terechtkomen in humus, andere planten weer doen groeien, of bloeien’. En ‘viert Tirade […] de literatuur met wildgroei van teksten uit alle genrehoeken, geschreven door auteurs van uiteenlopend, veelkleurig pluimage.’

    Het essay, ‘Het demasqué der standpunten’ van Mathijs Sanders komt uit de letterkundige hoek en heeft als uitgangspunt een ontmoeting tussen de twee tijdgenoten Menno ter Braak en F. Bordewijk. Hoe beide schrijvers tezelfdertijd op een bijeenkomst waren om het honderdjarig bestaan van hun uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te vieren. Of ze toen werkelijk kennis met elkaar maakten, is niet zeker. ‘Spraken de twee schrijvers elkaar die middag? Ik probeer het mij voor te stellen.’ Naar zo blijkt was de ontmoeting, ‘tussen twee van de belangrijkste prozaschrijvers van het interbellum [..] vooral een ontmoeting op papier’.

    Leessporen

    Via leessporen in de boeken die Ter Braak en Bordewijk van elkaar lazen en die zich in hun huisbibliotheek bevonden – welke sinds enkele jaren ‘gebroederlijk’ naast elkaar in de kelder van de Leidse universiteitsbibliotheek staan – volgt Sanders de aard van de onderzoekingen die beiden in elkaars boeken ondernamen. Een prachtige speurtocht waar de lezer in meegenomen wordt om als een detective de aantekeningen en onderstrepingen in beider boeken te volgen. En de herkenbare twijfels over zijn eigen interpretatie, ‘Lees ik in Ter Braaks potloodaantekeningen iets wat er niet staat? Zie ik bijna een eeuw na dato iets wat de criticus zelf destijds niet onder woorden kon of wilde brengen? Ben ik bevangen door de hoogmoed van de hermeneut, over wie de filosoof Schleiermacher begin negentiende eeuw schreef dat het diens opdracht is om de auteur beter te begrijpen dan hij zichzelf begreep?’ Dit fijne essay is een bewerking van een lezing gehouden door Mathijs Sanders in de Universiteitsbibliotheek van Leiden op 24 nov. ‘22.

    Anja Sicking geeft in ‘Wachten op de clou’, een mooie lezing van de dystopische roman Onder het asfalt (2022) van Maarten van der Graaff. Ze merkt op dat Van der Graaffs ‘fascinatie voor het wegvallen van de bestaande ordening van het landschap’ niet nieuw is in zijn oeuvre, en heeft het onder meer over schrijvers en hun rijbewijs halen, over wat zoal tijdens het rijden wordt waargenomen. Van een rijleraar hoorde zij datvan alle beroepsgroepen, schrijvers het langst erover doen hun rijbewijs te halen. ‘Dat is omdat ze geen onderscheid maken ‘tussen hoofd- en bijzaken, hun aandacht blijft vaak aan iets onbenulligs hangen.’ Zelf slaagde ze na tachtig rijlessen voor haar rijbewijs, op een zaterdagochtend, toen de wegen bijkans leeg waren, ‘op een verdwaald konijn na’. Weet dat een onbenullig detail voor een schrijver van groot belang is.

    Samen zwaluwstaarten

    Van Tomas Lieske drie gedichten met een adelijke Charlotte De Bourbon in de hoofdrol. Het gedicht, ‘Charlotte De Bourbon leest poëzie’, opent meesterlijk met: ‘Vivat Astrid Lampe, vivat Piet Gerbrandy, vivat. // Kunnen die twee niet samen zwaluwstaarten daar moet letterlijk / gesproken iets moois uit groeien van het hardste hout’ / (…) En over de wantsen in het bed van de kasteelvrouw, ‘als kleine letters die zich rennend verbergen’. In het woord ‘zwalustaarten’ ontstaat zonder meer een beeld van bovengenoemde dichters samen, dat daar iets goeds uit voortkomt.

    In vijf gedichten van Lies Gallez gaat het over verlangen, ‘aanraakpunten’ die verbinden en het belang van het benoemen van de dingen. Waaronder het veelzeggende gedicht, ‘Pogingen om een moeder gelukkig te maken’. 

    ‘je moet dit leren: de miserie van je moeder kun je niet oplossen. zelfs niet door
    een eeuwige glimlach met je mee te smokkelen, zelfs niet door voetstappen zo
    licht als het licht zelf op zondagochtend, zelfs niet met koppen koffie’

    Goed verhaal en essaydebuut

    In het goed geschreven verhaal ‘The Timekeepers’ van Jonathan van der Horst gaat het over de tijd. ‘Hoe alles wat vandaag van belang lijkt, morgen alweer verdwenen kan zijn. Opgeslokt door de tijd.’ Over vriendschap waar een uiterste houdbaarheidsdatum op zit. Als twee van de drie oude vrienden elkaar na lange tijd weer ontmoeten, zegt de een, ‘ We gaan het niet over Pepijn hebben. Dat is voorbij. Afgelopen. We zijn hier niet om oude koeien uit de sloot te halen.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Een oude vriend. Dat is iets anders. Een oude koe sterft een langzame dood. Een oude vriend verwaarloos je alleen maar.’ 

    Verder in deze Tirade het essaydebuut ‘Ik geloof dat mensen planten zijn’, van Marijke Vos. Van Sander Kollaard werd de reactie die hij in januari van dit jaar voorlas tijdens een avond in Spui25 over ecokritiek in zijn roman Uit het leven van een hond en in de Nederlandstalige literatuur, opgenomen. Van Kyrke Otto de zeer ritmisch lezende gedichten, ‘Drie gedichten voor Sophia’. Van Rodante van der Waal het gedicht ‘Krijg een kind met mij’ in zes afleveringen. Van Yasmin Namavar drie gedichten. Twee gedichten van Piet Gerbrandy en Lilian van Ooyen met ook twee gedichten. Van Rozalie Hirs staat er met een serie van vijf gedichten, ‘Als je aanwezigheid’ in, en van Pieter Franciscus M. vier gedichten onder de titel, ‘Merlin’. Werner Valk schreef het verhaal ‘Vogelbot’. Kortom een Tirade met niets dan mooie bijdragen die met genoegen gelezen werden.

    De illustraties zijn van Rein Klomp.

     

    Tirade verschijnt vijf keer per jaar.

     

  • Shortlist Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    De shortlist van de Ida Gerhardt Poëzieprijs werd deze week bekend gemaakt door Stichting Zutphen Literair. Er werden honderdveertig bundels ingezonden waaruit de volgende vijf kans maken de prijs te winnen.

    • Erik Bindervoet, De droom van eb inkt diervoer / Uitgeverij De Harmonie.
    • Charlotte Van den Broeck, Aarduitwrijvingen / Uitgeverij De Arbeiderspers.
    • Maarten van der Graaff, Nederland in stukken / Uitgeverij Pluim.
    • Sasja Janssen, Virgula / Uitgeverij Querido
    • Anne Vegter, Big data / Uitgeverij Querido

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    De winnende bundel wordt 15 februari bekend gemaakt. Zaterdag 2 april zal de prijs feestelijk worden uitgereikt in Zutphen, de stad die dichteres Ida Gerhardt de laatste jaren van haar leven regelmatig bezocht. De jury bestond uit Maria Barnas en Onno Kosters.

    Ida Gerhardt leefde sinds 1967 in het nabijgelegen Eefde en haar laatste vijf jaren in een verzorgingstehuis te Warnsveld, waar ze vijfentwintig jaar geleden overleed. Een van haar beroemdste gedichten, ‘Dolen en dromen’, is gesitueerd in Zutphen.

    De prijs werd voor het eerst in 2000 toegekend aan Kees ‘t Hart voor zijn bundel Kinderen die leren lezen, de laatste keer won Marieke Lucas Rijneveld de prijs met haar bundel Fantoommerrie (2020).

    Kijk hier voor meer informatie.

     

  • Gevoelens van verlangen en onbehagen

    Gevoelens van verlangen en onbehagen

    Maarten van der Graaff (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs ontving. In 2015  volgde Dood werk die bekroond werd met de J.C. Bloem poëzieprijs en in 2018 werd zijn debuutroman Wormen en Engelen genomineerd voor de Anton Wachterprijs. Van der Graaff is tevens medeoprichter van het online literaire tijdschrift Samplekanon dat in 2018 De Lokienprijs van de Sybren Polet Stichting mocht ontvangen.
    Het idee voor zijn derde bundel, Nederland in stukken, ontstond toen een linkse boekhandel in het centrum van Utrecht, De rooie rat genaamd, moest sluiten. Van der Graaff kocht op het nippertje een aantal oude pamfletten, tweedehands boeken en anarchistische blaadjes. Deze aankopen vormen de ‘stukken’ van Nederland, in de betekenis van juridische documenten, waarin de dichter zocht naar uitspraken die ook vandaag nog zouden kunnen gelden. Gedeelten uit deze aangekochte lectuur zijn door de dichter letterlijk geciteerd in de bundel, met inbegrip van verouderde spelling. 

    Opgelapte menselijkheid

    De titel zou kunnen betekenen dat Nederland in stukken uiteen is gevallen, zoals een sculptuur aan stukken kan vallen. In een interview met Van der Graaff onlangs in het NRC, wordt gerefereerd aan het monster van Frankenstein, dat uit verschillende stukken werd samengesteld als een opgelapte menselijke patchworkdeken.
    In de gedichten spreekt Van der Graaff over een Deltametropool, een begrip uit een beleidsdocument van twintig jaar geleden, dat zich tussen de aangekochte stukken van De rooie rat bevond. Het idee was om de gehele Randstad te verenigen tot één grote wereldstad: de ‘stukken’ van Nederland zouden samengevoegd worden.

    Gebaseerd op deze archiefstukken schrijft Van der Graaff zijn gedichten, alsof deze fictieve metropool daadwerkelijk tot stand gekomen is en zich als een levend organisme gedraagt; het doet denken aan Gotham City uit de Batmanfilms en levert poëzie op die zich laat lezen als science fiction. De dichter spreekt de Deltametropool rechtstreeks toe in de afdeling Word-document Nederland, waarin in negen ‘documenten’ in korte, in stukken gehakte en afgebeten zinnen een beeld wordt gegeven van een samenleving die op zijn zachtst gezegd vervreemd is van het individu en de leefomgeving en waar de groei van de economie het hoogste goed is. De verzakelijking heeft gezegevierd en het geld regeert. Het leven is niet meer dan een Word-document, waarin zoveel geknipt en geplakt is dat het overzicht verloren is geraakt.

    Onleefbare maatschappij

    Deze kille, dystopische maatschappij zou onleefbaar zijn als niet steeds menselijke gevoelens en gedachten overal doorheen probeerden te sijpelen: 

    ‘Soms voelen die mensen zoiets als verdrietige strijdbaarheid.
    Ik zeg dit zonder ze te kennen. Dit is fictie.
    Zij voelen iets in hun maag, onder aan
    hun nek. Jij onderschat ze. En ook jij bent fictie
    en ficties kunnen het elkaar moeilijk maken. Daar hoop ik op.’

    In de afdeling Index wordt het leven van het lyrische ik verweven met dat van de Deltametropool. Onder aan de bladzijde van elk gedicht staan een paar regels van het daaropvolgende, waardoor ze met elkaar verbonden worden. Veelvuldig komt het Latijnse woord ‘dolor’, consument, terug in de gedichten: de consumptiemaatschappij is de enige werkelijkheid geworden en: ‘Het individuele leven is de grootste leugen.’
    Maar het individu laat zich niet onderdrukken: er is sprake van gevoelens, seksuele verlangens, liefde en ongelukkig zijn. 

    Gehersenspoeld tot robots

    De gevoelens van verlangen en onbehagen zetten zich versterkt door in de volgende afdeling, De Nederlandse commune, nu gevoed door informatie uit het verleden. 

    ‘Er zijn vrienden. Ze vormen een commune voor een dag,
    dezelfde historische dag als gisteren, waarop ze ontzet
    en van elkaar bevrijd werden.
    Ze kregen nog een leven, neologismen voor iets anders.
    Ze hebben geen werk, maar toch vergaderen ze.’

    In de laatste afdeling, Residuen, zijn alle regels van één lang gedicht genummerd, van 1 tot en met 555. Het zijn disruptieve fragmenten die ogenschijnlijk weinig samenhang vertonen, alsof verschillende stemmen proberen een gesprek aan te gaan, maar desondanks langs elkaar heen blijven praten. De verwarring is compleet en normaal menselijk leven lijkt onmogelijk geworden: de dreiging van de Deltametropool heeft toegeslagen en mensen zijn gehersenspoeld tot robots.
    Er zijn veel verborgen verwijzingen en citaten uit literatuur en politieke toespraken aan te wijzen, zoals alles in deze bundel een grote politieke en geëngageerde lading bevat. 

    Rechtvaardigheid op alle fronten

    Een ander thema is de ontluikende biseksualiteit, waarvan de lyrische ik zich langzaam bewust wordt, tegelijk met zijn besef van ‘wokeness’, een politieke term van Afro-Amerikaanse oorsprong met betrekking op sociale en raciale rechtvaardigheid. Seksualiteit en rechtvaardigheid worden ingezet als ‘rage against the machine’, de machine waartoe de maatschappij verworden is. Het eerste gedicht van de bundel liep daarop al vooruit: Contract tussen man en jongen legt in kille zakelijke termen de overeenkomst tot aanranding vast, waarmee een jongen zich verplicht zich te laten betasten door een man: ‘de jongen verbindt zich gezond te worden / met uitzondering van wat hij schrijft’.
    Aanranding en geweld, verzakelijking en onmenselijkheid zijn ondanks alles niet in staat gevoel, liefde en individualiteit te onderdrukken.

     

  • Nacht van de Poëzie wederom met vele hoogtepunten

    In de door blauwe en roze lampen verlichte zaal van Tivoli/Vredenburg, opende Maarten van der Graaff, die vorig jaar de nacht afsloot, de Nacht van de Poëzie met een stevige aftrap en meer als een Angry Youg Man die blijkbaar ook in hem huist. Waarna presentator Piet Piryns: ‘de romaticus van het abattoir’, Luuk Gruwez aankondigde die voordroeg uit zijn bundel Moeders. En hier begon het dat men het applaudisseren tussen de gedichten door, al niet laten kon. Was het bewondering of waren de dichterlijke gemoederen al te hoog opgelopen?

    Voorafgaande aan de Nacht vond er in een van de ruimten in de catacomben van Tivoli/Vredenburg de tv-opnamen plaats voor het VPRO programma Brands met Poëzie. Zo’n twintig plaatsen voor wie het wel eens wilden meemaken en hoe Wim Brands (hoorde ik naast me) in het echt is. Nu, hij was niet veel anders dan voor of tijdens de opnamen, luidde het oordeel. Wat klonk als een compliment. Er was een format: eerst leest de dichter iets voor uit zijn werk, dat ene gedicht zal de spil van het gesprek zijn. In afwachting van de opnamen, vraagt Brands of er iemand in het publiek een gedicht uit zijn hoofd kent. Een echte Brandsvraag, die de werking van geheugen en herinneringen in het schrijfproces, mateloos intrigeert: wat gaat er om in dat hoofd? Er werd voorzichtig wat geschoven op stoelen en evenzo gelachen. Ellen Deckwitz was er wel goed in, zowel uit eigen werk als uit het werk van anderen declameerde zij uit het hoofd. Vier mooie interviews met Pieter Boksma, Ellen Deckwitz, Hester Knibbe en K. Schippers.

    Verhalen en anekdotes

    De Nacht was vol verhalen en anekdotes, met dank aan de presentatoren Esther Naomi Perquin en Piet Piryns. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd, bij elke toiletdeur die zij opentrok, de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem gezocht had en haar groeiende angst hem op de vloer 12027525_992788844076975_5632214561750089309_naan te treffen terwijl ze deur van het toilet opentrok. En de dichter, die aandachtig luisterde, vroeg: ‘En, lag hij daar?’ Met deze tekst werd K. Schippers aangekondigd die met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien, uit zijn nieuwste bundel Fijn dat u luistert.

     

    ‘Thuis wil ik zijn, al is het maar een nacht.’

    Een dichtregel van Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) waarop de Nacht van de Poëzie werd gedragen. Thuis was men zeker in deze Nacht, misschien wat al teveel. Het publiek was vlot en overweldigend met applaus, joelen en fluiten dat menig dialoog, dat eventueel had kunnen ontstaan tussen zaal en podium, in de kiem werd gesmoord. Nog voor de fragiel ogende Juliette Gréco één noot had gezongen, werd de zaal haast afgebroken  met stampen, roffelende handen op houten relingen en een overweldigend applaus. Haar zang en intonatie waren zeer beheerst en soms haast krampachtig, zoals bij ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel. Het doorlopend fladderen van haar handen leek teveel een maniertje en bewogen steeds net een fractie van een seconde achter de tekst aan. Misschien was het bij een wat minder overweldigend onthaal wel tot een dialoog tussen haar en het publiek gekomen. 12032127_993690873986772_8240695244972306113_nDe ontdekking van dit jaar is Benjamin Clementine met zijn theatrale zangkunsten en intrigerende teksten. In zijn donkergrijze lange coat, stond hij min of meer achter de vleugel die hij merendeels bespeelde met één hand. De rechterhand bewoog mee op de tekst van zijn songs: ‘It does’nt matter any more. En het beroemd geworden Condolence, ‘I swear, you’ve seen me/You’ve seen me here before/before.’

     

     

    Tussen de golven van applaus en performance in, was het een verademing te luisteren naar Hester Knibbe, ‘liefde, liefde, het zit altijd vast aan iemand’ en Anneke Brassinga, één met haar gedichten in haar voordracht. Zij kregen ieder op hun wijze de zaal stil, aandachtig luisterend. Waarna het lachen was met de verzen van Ivo de Wijs, en de wat cynischer, maar daarom des te komischer poëzie van  Lévi Weemoed.

     

    11987199_992793087409884_8579969130201574497_nPeter Verhelst maakte indruk met zijn gedicht over de foto van de Syrische peuter op het strand. Afhankelijk van wat we zien hoelang dit op ons netvlies blijft: ‘Zelfs toen we niet meer keken bleef het liggen op het strand/zelfs toen het weggehaald was bleven we het zien liggen’.
    Na de dip van de Nacht, en zoals Piryns het zo treffend verwoordde dat ‘je het niet kon maken nu thuis aan te komen’,  blies Ilja Leonard Pfeiffer ( ‘Zij hadden mij de nacht beloofd’), de Nacht nieuw leven in met zijn verschijning en voordracht. Ook Pieter Boksma, maakte indruk. Hij  vond het tijd worden voor een revolutie en dan een dichtertje op de troon ‘zodat men weer genieten kan van dansende zonnevlekken op een bospad’.

    Ode aan dode dichters

    Deze Nacht waren drie dode dichters aanwezig. Mike Boddé bracht een ode aan Drs. P (1919-2015) door op aanstekelijke wijze over hem te spreken en zijn liederen te zingen. Dat deed hij op zo’n zelfde wijze, dat het leek of Drs. P himself aanwezig was. Ester Naomi Perquin las het gedicht God te zijn van Joost Zwagerman voor. En vertelde dat Rogi Wieg eindeloos kon bellen. De laatste keer dat zij met hem sprak zei ze na vier uur bellen: Rogi, ik heb ook nog wat te doen.’ Waarop Rogi zei: ‘Ja, naar mij luisteren.’ Indrukwekkend was de video waarvan hij en wij in de zaal ook, wisten dat hij op het moment van uitzending er niet meer zou zijn, en waarin hij hij licht geëmotioneerd zegt: ‘Ik ga nooit meer een gedicht schrijven.’

    Terwijl voor het podium op de vloer het publiek op kussens de laatste uurtjes van de Nacht doorbrengt, de geur van zweetvoeten zijn hoogtepunt bereikt, maakt Typhoon er 12049638_992786484077211_4116692214999661065_neen feestje van met een swingend einde. Waarna Charlotte Van den Broeck met een ongelofelijke woordkracht de zaal bezwoer en de Nacht waardig afsloot. Zoals Van den Broeck haar gedichten declameerde, zo zou je het willen. Eindelijk eens een gedicht uit het hoofd leren zodat, als bijvoorbeeld Brands erom vraag, je het zo op kunt zeggen. Van den Broeck verliet het podium met een mondig ‘Goedenacht’, waarin een glimlach hoorbaar was. Mooi was het.

     

     

    Foto’s: Charlotte Van den Broeck / Peter Verhelst / K. Schippers : Annemarie Sint Jago
    Foto’s: Zaal / Benjamin Clementine: Michael Kooren

     

  • Tussen engagement en lamlendigheid

    Tussen engagement en lamlendigheid

    Maarten van der Graaff debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs voor beste poëziedebuut kreeg. Die prijs verdiende hij, hoe wisselvallig de bundel soms ook overkwam. Op de beste momenten liet Van der Graaff  zien dat wilde uitspattingen te combineren zijn met een grote taalbeheersing; op de mindere momenten kwam hij nogal moedwillig fragmentarisch, ontoegankelijk en excentriek over. Dat debuut maakte bovendien erg nieuwsgierig naar hoe Van der Graaff zich verder zou ontwikkelen. Toen Dood werk aangekondigd werd, gebeurde dat echter met een weinig enthousiasmerend citaat:

    Nederland, ik schrijf dit niet zomaar,
    ik zoek naar je dood en gemeenschap.
    Ik zoek naar je waarheid en haat.
    Ik schrijf gedichten, ik ben in de war.
    Ik zoek naar je lichaam,
    ik ben oppervlakkig.

    Een passage die gespeend is van elke vorm van esthetische fraaiheid. Het is een warrig stukje waarin een aantal dito gedachten naast elkaar staan; het roept meer vragen op dan dat echt iets te zeggen. Ook bij aandachtige lezing blijft onduidelijk wat Van der Graaff hier precies wil zeggen. Maar vergeleken met dat fragment valt Dood werk uiteindelijk hard mee, en is bij vlagen vrij sterk. Voor ‘mooie’, beeldrijke poëzie hoef je de bundel niet te lezen, maar de gedichten blijken heel andere kwaliteiten te hebben.

    De ‘ik’ in Dood werk lijkt  erg op Van der Graaff zelf: opgegroeid op het eiland Goeree-Overflakkee, binnen een christelijk milieu, nu ongelovig en woonachtig in Utrecht, geëngageerd, dezelfde vrienden (o.a. Frank Keizer en Hannah van Binsbergen), en zo te zien ook dezelfde boekenkast: onder meer Jack Spicer, Chris Kraus en Kirill Medvedev. Wie Van der Graaff op facebook heeft, zal de auteurs herkennen uit berichtwisselingen tussen zijn vrienden en hem. De bundel is in twee delen opgedeeld: lijstgedichten en geklokte gedichten. Wat opvalt is dat Van der Graaff minder wild is geworden, en er  een wat prozaïschere stijl op nahoudt die anekdotische elementen vertoont. De gedichten hebben vaak iets weg van de praterige ‘“I do this, I do that” poems’ van Frank O’Hara. Maar vooral de lijstgedichten doen aan Kirill Medvedev denken (de Russische dichter die vorig jaar nog een grote sensatie was in de scene rond Van der Graaff en Frank Keizer). Ook Van der Graaff zoekt het nu in vaak langgerekte lijsten van observaties, ideeën, geregeld (een deel van) een anekdote tussendoor. Er lijkt geen hiërarchie of samenhang te zijn.

    Na die eerste helft met lijstgedichten volgt de reeks ‘Geklokte gedichten’, die qua opzet en indeling aan de tweede helft van Vluchtautogedichten doet denken, de reeks ‘Vrije encylopedie’. Beide reeksen laten zich lezen als één lang gedicht en zijn ook duidelijk opgezet als een geheel. De gedichten volgen elkaar direct op en beginnen niet op een nieuwe pagina. De geklokte gedichten verschillen vaak niet zo van de lijstgedichten, op de tijdsaanduidingen na. Van der Graaff beschrijft zelf het procedé in een van de gedichten:

    Hoe maak je een geklokt gedicht? / Kijk op de klok. Noteer de tijd. // Schrijf een gedicht. / Wanneer je stopt met schrijven en even zit te lummelen / moet je daarna, wanneer je verdergaat, de tijd noteren.

    Daarna volgen verdere stappen om zo’n geklokt gedicht te schrijven en de opmerking: ‘Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend.’ Het slot van deze instructie doet denken aan Tristan Tzara’s beroemde ‘Hoe maak je een Dada-gedicht?’, dat eindigt met het sarcastische ‘En u zult zien, u bent een ongelooflijk origineel schrijver met feeling, hoewel miskend door het volk’ (vertaling door Sjoerd Kuyper en Peter Nijmeier). Die spot zit er ook bij Van der Graaff in, die poëzie schrijven tot een aan te leren trucje herleidt.

    Maar zo gemakkelijk ligt het uiteraard niet: Van der Graaff is een serieus dichter. Tegelijkertijd geeft hij ook toe dat hij helemaal niet zo’n verheven figuur is. De grootste charme van Dood werk schuilt mijns inziens in de kloof tussen zeer geëngageerd willen zijn en dat vervolgens niet zijn. Tussen interesses als de Hoge Cultuurvorm Poëzie en ‘[i]n wasbakken plassen.’ De verteller komt geregeld nogal lamlendig over, klaagt dat hij te veel drinkt, zich niet om zijn lichaam bekommert en al moe is als hij net wakker is geworden. Er is vast een lezing mogelijk waarin die persoonlijke problemen symptomen zijn van wat er mis is de samenleving, maar het engagement is  minder interessant dan de discrepantie tussen engagement en lamlendigheid.

    Dat engagement blijft toch wat flets, omdat er nergens echt stellingen worden ingenomen. De gedichten zijn daar te gefragmenteerd voor; het zijn gedachtenflarden, geen afgeronde standpunten en roepen vaker vragen op dan ze antwoord geven. Dat zal enerzijds niet ieders smaak zijn, maar je zou die opzet als een uitdaging kunnen zien. Het prima Dood werk zal daarom voor uiteenlopende meningen, lezingen en beoordelingen zorgen, maar laten we wel zijn, dat is spannender dan een bundel waar iedereen het over eens is.


    Dood werk
    Maarten van der Graaff
    64 blz.
    Prijs: € 19,99
    Uitgever, Atlas Contact

    Zie ook:
    Maarten van der Graaff – Vluchtautogedichten
    Kirill Medvedev – Alles is slecht

  • Oogst week 25

    Oogst week 25

    Door Ingrid van der Graaf

    Philibert Schogt (1960) debuteerde in 1998 bij De Arbeiderspers met De wilde getallen, wat internationaal een succes werd. End of Story – Einde verhaal, is zijn vijfde roman. Het is een tweetalige roman die als twee op zichzelf staande verhalen gelezen kan worden, het ene in het Nederlands, het andere in het Engels. Schogt heeft de verhalen zo gecomponeerd, dat ze tezamen een groter geheel vormen. End of story gaat over een literair vertaler in ruste die zijn memoires gaat schrijven, met zijn tweetalige achtergrond als rode draad. Van jongs af aan heeft hij het gevoel twee verschillende persoonlijkheden in zich te bergen, een Engelstalige en een Nederlandstalige. De ene persoonlijkheid neemt het op tegen de andere. Een boeiend gegeven van een auteur die zelf opgroeide in de VS en Canada en tegenwoordig in Amsterdam woont. Uitgegeven bij De Arbeiderspers, prijs € 19,99, 344 pagina’s.

    De jury van de C. Buddingh’-prijs 2014 noemde hem ‘Een uiterst beweeglijk en vindingrijk dichter.’ Maarten van der Graaff  (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten die werd bekroond met bovengenoemde prijs.

    Dood werk/Maarten van der graaff
    Dood werk/Maarten van der graaff

    Dood werk is zijn tweede bundel die Van der Graaff als volgt samenvat: Nederland, ik schrijf dit niet zomaar, / ik zoek naar je dood en gemeenschap. / Ik zoek naar je waarheid en haat. / Ik schrijf gedichten. / Ik ben in de war. / Ik zoek naar je lichaam. Ik ben oppervlakkig.
    Een oproep om grondig te lezen, deze bundel. Dood werk blijkt naast tegenstrijdigheden, vooral vol leven te zitten. Uitgegeven bij Atlas/Contact, Prijs € 19,99.

     

    9200000043452647A.L. Snijders (1937) maakt mee wat iedereen meemaakt maar in tegenstelling tot velen, schrijft hij het op. Op een schetsmatige wijze beschrijft hij wat hij ziet/hoort/leest. De libelleman is een bundeling verhalen. Het titelverhaal gaat over een man die libellen fotografeert. Hij staat een halve nacht tot zijn nek in een inktzwarte bosvijver met de camera in zijn ene hand en een felle lamp in zijn andere. Die man zou Snijders kunnen zijn: een waarnemer en ooggetuige zonder oordeel. ‘De libelleman vertelde me dat hij ooit als goudsmid voor een weddenschap een zeer klein doosje met een scharnierende deksel had gemaakt, een kubus van een millimeter. Ik kon mijn oren niet geloven, maar ik had het goed verstaan, hij zou het bij zijn volgende bezoek meenemen.’
    De illustraties in dit boek zijn gekozen door Y. Sweering. Het is materiaal uit haar eigen verzameling werk: beelden die zij vond passen bij het werk van haar man. Prijs € 34,50, pagina’s 324, bij AFdH Uitgevers.

     

     

  • In memoriam H.H. ter Balkt 1938 – 2015

    In de nacht van 8 op 9 maart is schrijver en dichter H.H. ter Balkt in zijn slaap te Nijmegen overleden. Ter Balkt is 76 jaar geworden.

    Dat hij een teruggetrokken en sober leven leidde was van hem bekend. In 2013 was H.H. ter Balkt uitgenodigd voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. De reis van Nijmegen naar Utrecht was hem echter teveel. Bij hem thuis werd een opname gemaakt waarmee Ter Balkt, na het online optreden van Leo Vroman, die 31ste Nacht afsloot. Zijn laatste woorden waren toen: ‘Droom niet lelijk over de poëzie.’

    Zijn verzameld werk werd vorig jaar uitgegeven door De Bezige Bij. Een dundrukeditie van 1800 pagina’s onder de titel, Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens. Ter Balkt was bekend geworden als dichter van het boerenland. Zijn eerste versje schreef hij op zijn negende; zijn eerste gedicht op zijn vijftiende. In de tijd dat hij onderwijzer was in Drenthe, debuteerde hij in 1969 met Boerengedichten. Hij publiceerde meerdere bundels onder het pseudoniem Habakuk II de Balker. Hij koos voor een pseudoniem omdat hij vond dat een onderwijzer geen dichter kon zijn. Het was of het een of het ander.

    Karakteristiek aan zijn verschijning was zijn sonore stemgeluid waarmee hij zijn gedichten als broeiend brallende stromingen voortbracht en zijn haardracht, dat als een toupetje over zijn schedel leek te zijn gelegd. De haren naar voren, altijd half voor zijn ogen alsof hij daarachter beschutting zocht.
    Over zijn woordkeus is gezegd dat de woorden “stampen, knoerpen, toeteren, wringen en walsen”. Hij gebruikte eigenzinnige woorden als ‘hemelzweep’ en’aardappelmeelschuim’ en lardeerde zijn gedichten met uitroepen: (‘O’) en uitroeptekens. Uit zijn gedichten sprak een sterke kracht als gevolg van woorden en soms hele regels te herhalen. Hij allitereerde naar hartenlust en rijmde zo het hem uitkwam.
    ‘Ik bezing het vertrapte’, schreef hij eens en hij publiceerde als een van de weinige Nederlandse dichters protestverzen: tegen de vervuiling van de zee en tegen kerncentrales. Op de vraag of hij Dichter des Vaderlands zou willen worden, antwoordde Ter Balkt in een interview: ‘Ik heb een moederland, geen vaderland’.

    Van Ter Balkt verschenen meer dan dertig boeken. Eén van de hoogtepunten uit zijn werk zijn de Laaglandse hymnen, bestaande uit meer dan 200 veelstemmige sonnetten waarin Ter Balkt de Nederlandse geschiedenis vanaf de steentijd tot aan het heden bezingt. Van de klokbekervolken tot Rembrandt, van Erasmus tot veldslagen, zeereizen en aardappeleters, van de Bloedraad tot de Vrede van Nijmegen. Met een rauwe maar ook tedere blik op de geschiedenis toonde Ter Balkt zich een meester van de taal en de verbeeldingskracht. Ter Balkt won sinds 1973 verschillend literaire prijzen voor zijn werk, waaronder de Jan Campertprijs, Karel de Grote prijs, Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs. In 2014 ontving hij de erepenning van de gemeente Nijmegen.

    Hierbij een gedicht van Maarten van der Graaff dat zowel in stijl als onderwerp een eerbetoon aan de dichter Ter Balkt is. Het werd geschreven ter ere van het verschijnen van Ter Balkts verzameld werk vorig jaar.

    Voor H.H. ter Balkt

    Een tor.
    Het weerstandsbeleid
    van de tor.
    Zijn onzichtbare woede.

    Ik wacht op de stoptrein
    die verschijnt en aan alles voldoet.
    De tor is de waarheid trouw
    en mijn vader was maagd.

    De veranda.
    Zieltogende lampen.
    Ik hoor geroezemoes uit het slachthuis
    klimmen.

    De tor zweert de waarheid
    te spreken en duikt op bij de deur.
    Over gorzen en slikken
    is hij tot ons gekomen.
    De tor deelt een broodje ei
    met een zwerver.

    Het zwembad. Een tombe.
    De showroom. Een auto.
    De kooi is groter
    dan de belemmeringen
    die wij betreuren.

    Ik wil geen ruïneuze gedichten schrijven,
    maar ingesloten door ontspannen verschijningen
    op een terras zitten.

    Een tor. De tor van zojuist.
    Onze meesters aan zet.

    Ineengedoken op een terras
    aan de wilde dieren denken.
    De wilde dieren der woestijnen.
    De wilde dieren der eilanden.

    Ik wil niet meer,
    maar het leven heeft zijn vormen.
    Recreatieve vormen. Parasietvormen
    en de afmattende vormen
    waarin wij vertroeteld worden.

    Er is geen stem in de wind
    die voor zich uit praat.

    Geen ruïneuze gedichten nu.
    Belangrijk is dat de tor
    blijft staan.
    Dat de tor op zijn pootjes blijft
    in het licht van een fruitautomaat.
    Er is een tor in de wind.
    Hij nadert.

    Dit gedicht werd eerder op de website van De Gids gepubliceerd.

     

    Bron: Wikipedia, De Bezige Bij en de Koninklijke Bibliotheek

     

  • Prijs voor Nederlands beste poeziedebuut naar Maarten van der Graaff

    Poëzie nieuws

    Maarten van der Graaff (1987) heeft de C.Buddingh’-Prijs 2014 gekregen voor zijn bundel Vluchtautogedichten (Atlas/Contact). Zijn bundel werd hiermee verkozen tot het beste Nederlandse poëziedebuut van het afgelopen jaar. Van der Graaff heeft de prijs 12 juni in ontvangst genomen tijdens de 45e editie van het Poetry International Festival in Rotterdam.

    De jury omschreef  zijn debuut als volgt: ‘Een dichter met zulke ambities vraagt niet nederig om te worden toegelaten in het huis van de poëzie, die morrelt niet zachtjes aan de poort, maar valt met het nodige misbaar en laweit binnen, die overrompelt het dienstdoende orkestje en zet het zelf op een toeteren.’ En sprak verder van een bundel vol bluf, branie en bravoure en werd unaniem verkozen tot beste bundel van 2013. 

    Hieronder een proeve van zijn dichtkunst:

    (uit: ‘De vrije encyclopedie’)
    
6.

    Hoe lang duurt de 21ste eeuw?
    Deze scène is opgetekend in Istanbul, op een hard bed
    waarin ik een stadsgedicht wil schrijven
    maar bedenk dat niets truttiger is dan de regels van de nukkige
    toeristen die zich dichters noemen:
    die welbespraakte weemoed, dat toefje ironie.
    Zij zijn bang voor hartstocht.
    Deze angst maakt het hun onmogelijk een stadsgedicht te schrijven.
    Ik deel hun angst.
    Bloemlees dit:

          Het Istanbul dat u nooit zag

    Ze wil hem verlaten, maar is schandalig lui.
    Het park is bejaard en onverschillig; zij verlangt naar hem.
    Onder de douche doet ze het twee keer met zichzelf.
    De volgende dag loopt ze langs de Blauwe Moskee,
    die werd gebouwd door een leerling van Sinan.

    Blondie geeft mij de gedichten van Nazim Hikmet.
    Hikmet heeft een volk, een lul, een politiek.

    Ik ben jaloers op de twintigste eeuw.
    Ik ben jaloers op Hikmets gevangenschap.
    Wie niet gevangenzit, is een cipier.

    Aan de prijs is een bedrag van €1.200 verbonden. De C. Buddingh’-prijs wordt sinds 1988 uitgereikt aan de schrijver van het beste poëziedebuut. Vorig jaar was Henk Ester de winnaar.

    Overige genomineerden waren Hannah van Wieringen met Hier kijken we naar, Josse Kok met Ik heb geslacht en Hanneke van Eijken met Papieren veulens.