• Uitreiking P.C. Hooft-prijs voor indrukwekkende oeuvre van Maarten ’t Hart

    De Nederlandse Letteren eert zijn schrijvers, al is het soms aan de late kant. Gistermiddag ontving Maarten ’t Hart (1944) bij hem thuis de P.C. Hooft-prijs 2025 voor verhalend proza. Evenals Marga Minco (1920 – 2023), die ook pas op laat in haar schrijverscarrière de P.C. Hooft-prijs voor verhalend proza ontving, en deze ook bij haar thuisgebracht kreeg. Dat dit alles te maken heeft met leeftijd. ’t Harts haalde tijdens de uitreiking zijn vriend Maarten Biesheuvel aan: ‘Dit is een heel bijzondere dag. Vandaag is bovendien de verjaardag van Maarten Biesheuvel. Hij zei altijd “ik heb hem al, maar jij nog niet”’. Nou Maarten, ik heb hem nu ook!’

    In december 2024 werd bekend gemaakt dat de jury de oeuvreprijs aan Maarten ’t Hart toegekende. Zijn omvangrijke en kwalitatief indrukwekkende oeuvre werd als kritisch, schrijnend, liefdevol,  spannend, kwetsbaar en geestig omschreven.

    Mensje van Keulen schreef een woord van lof voor de schrijver, voorgelezen door juryvoorzitter Lieneke Frerichs. Hierin schreef zij onder andere het volgende: ‘Je bent een verteller die menigeen veel leesgenoegen heeft geschonken en nog altijd schenkt. Niet alleen weet je met mededogen, ergernis, woede, kritiek,  bewondering, venijn, plezier, kennis, wijsheid en je onnavolgbare humor personages tot leven te wekken, je doet het met iets wat je liefde moet noemen. Of het nu om een arbeider, dominee, doodgraver, leraar, verpleger, reder, orgelbouwer, vader, moeder, meisje of meester gaat, je beschrijft en koestert ze zonder aanziens des persoons.’

    De P.C. Hooft-prijs (sinds 1946) is een oeuvreprijs en wordt jaarlijks toegekend aan Nederlandse schrijvers voor een telkens wisselend genre: verhalend proza, beschouwend proza en poëzie. Recente eerdere laureaten in de categorie verhalend proza zijn: Arnon Grunberg (2022), Marga Minco (2019), Astrid Roemer (2016), A.F.Th. van der Heijden (2013) en Charlotte Mutsaers (2010). Aan de prijs is naast een beeldje van P.C. Hooft een bedrag verbonden van € 60.000.

    Later dit jaar  viert het Literatuurmuseum het leven en werk van Maarten ’t Hart alsnog op grootse wijze met de  lancering van een uitgebreide online expositie in het LiteratuurLab.

     

     

     

  • Maarten ’t Hart krijgt P.C. Hooftprijs 2025

    Maarten ’t Hart krijgt P.C. Hooftprijs 2025

    Een mooi bericht om het nieuwe jaar mee in te gaan is dat aan Maarten ’t Hart (1944) de P.C. Hooft-prijs 2025 werd toegekend. De schrijver schrok er zelf van, hij had het niet meer verwacht, maar is ontzettend blij met deze erkenning voor zijn oeuvre. ‘Dit is de mooiste prijs die je in Nederland kunt krijgen. (…) Ik sta nu in hetzelfde rijtje als Simon Vestdijk, wat wil je nog meer?’

    De P.C. Hooft-prijs 2025 werd aan Maarten ’t Hart toegekend op voordracht van een jury bestaande uit Yasmine Allas, Simone Atangana Bekono, Lieneke Frerichs (voorzitter), Arnon Grunberg en Lidewijde Paris. Ze roemen in het juryrapport zijn rol van ‘verteller’. ‘Zijn meesterschap blijkt met name uit zijn dialogen, hij heeft een uitstekend oor voor hoe mensen met elkaar praten en hij weet als geen ander dat spreektaal gestileerd moet worden wil die dialoog in een roman tot leven komen.’

    Populair bij breed publiek

    Maarten ’t Hart was allang populair bij een breed publiek, maar de literaire critici waren niet altijd even positief over zijn werk. Hij zou zichzelf teveel herhalen om de onderwerpen, waaronder het gereformeerde geloof, die in zijn romans steeds terugkomen. Maar zijn lezerspubliek was groot. Van zijn bekendste boek, Een vlucht regenwulpen (1978) werden in het jaar van verschijnen ruim 100.000 exemplaren verkocht. Het boek werd vaak herdrukt en is ook verfilmd.

    ’t Hart debuteerde in 1971 onder het pseudoniem Martin Hart met de roman Stenen voor een ransuil. Geschreven in de periode dat hij in 1970 zijn uitgestelde dienstplicht vervulde. Zijn debuut ontving prompt een eervolle vermelding van de jury van de Reina Prinsen Geerligs-prijs.

    ‘Sinds zijn debuut (…) heeft ’t Hart een omvangrijk en kwalitatief indrukwekkend oeuvre opgebouwd, dat kritisch, schrijnend, liefdevol, spannend, kwetsbaar en geestig is,’ aldus de jury. ‘Maarten ’t Hart is een erudiete romancier. Zijn boeken waarin wellust, politiek en het gereformeerde geloof om voorrang strijden, hebben vele lezers geboeid en zullen ook de hedendaagse lezer niet onberoerd laten.’

    In een echt goed boek ga je helemaal in op

    Dat is voor ’t Hart van belang, als schrijver mensen even te laten ontsnappen aan de werkelijkheid. ‘Als je echt goed in een boek zit, dan ga je er helemaal in op. Je vergeet de wereld om je heen. Dat is iets ongelofelijks. Het voelt bijzonder dat ik dat voor mijn lezers kan bereiken.’

    Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 60.000. Het Literatuurmuseum organiseert de toekenning en uitreiking van de P.C. Hooft-prijs.

    Het Literatuurmuseum organiseert in mei de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs.

     

     

  • Een roman zoals enkel Maarten ’t Hart die schrijven kan

    Een roman zoals enkel Maarten ’t Hart die schrijven kan

    Het kan als aanmatigend worden beschouwd om Maarten ’t Hart een ras-ouwehoer te noemen, maar het is hier wel degelijk als compliment bedoeld. In De nachtstemmer doet ’t Hart deze naam eer aan. Zijn verhaal mag niet geïnterrumpeerd worden, moet doorgelezen worden tot het volgende hoofdstuk, pas dan mag er even gepauzeerd worden. En je weet: vroeg of laat, soms na vele omzwervingen keert de verteller terug naar het verhaal waar het uiteindelijk om gaat. Die manier van vertellen, met vele (vermakelijke, leerzame, stichtende) terzijdes maar tegelijk ook het in detail volgen van  elke stap van de hoofdpersoon waarbij onderweg elke vogel, vis of kruid op zijn pad vermeld moet worden, is zijn handelsmerk. Dat is even wennen, maar al snel voert
    ’t Hart de lezer mee in zijn bijzondere wereld.

    De kerkorgelstemmer

    In De nachtstemmer gaat het om Gabriel (roepnaam Gabe) Pottjewijd die kerkorgels stemt en wel – om precies te zijn – Schnitger en Garrelsorgels. Hij is vijftig jaar, was eens getrouwd met een Duits meisje dat omkwam bij een treinongeluk en leeft sindsdien voor zijn beroep. Meestal werkt hij in Duitsland maar in dit verhaal is hij ingehuurd om een orgel te stemmen in een klein Zuid-Hollands havenplaatsje waarin Maassluis valt te herkennen, de plaats waar’t Hart opgroeide. Na een lange treinreis vanuit zijn woonplaats Heiligerlee (Groningen) komt Pottjewijd er aan en ziet dat iedereen die uit de trein stapt zich hollenderwijs uit de voeten maakt. Het blijkt één van de vele eigenaardigheden van deze plek en zijn inwoners.

    Waar hij in Duitsland gewend is voorkomend behandeld te worden, heeft men in het Calvinistisch georiënteerde plaatsje een rechttoe-rechtaan aanpak die grenst aan het onbeschofte. Hotels kent men niet, hij komt na een zoektocht door straten met vreemde namen als Het Wijde Slop – ‘Zoiets noemde men toch deftig een contradictio in terminis, per definitie was een slop nauw, dus een wijd slop, dat kon helemaal niet, en het was een zijstraat van normale breedte. Dus wat nou, Wijd Slop?’ – terecht in het Zeemanshuis. Een café met enkele huurkamers en een stuurse waard die Boetekees heet en een grote bril zonder glazen draagt. Daar maakt hij meteen kennis met leden van de mannenvereniging Schrift en Belijdenis. Zij vergaderen over het waarheidsgehalte van het verhaal in Numeri 21 over de ezelin die, nadat zij driemaal door Bileam geslagen was, had gezegd: ‘Wat heb ik u gedaan dat gij mij driemaal geslagen hebt?’

    Kenner van de Schrift

    Maarten ‘t Hart zou Maarten ’t Hart niet zijn als hij zijn kerkorgelstemmer niet had voorzien van een zeer degelijke kennis van de Schrift. En in de kortste keren legt Pottjewijd dan ook aan de belijders uit waarom dit verhaal onzin is. Een dier dat niet alleen kan tellen maar ook praten, dat is toch niet geloofwaardig?
    ‘Ik keek naar al die ernstige mannenbroeders, ik dacht: hoe is het toch mogelijk dat al deze kerels die zotte, onwaarschijnlijke bijbelsprookjes zo moeiteloos accepteren als waargebeurd, hoe kan dat nou, pratende slangen, muren van water, drijvende bijlen, sprekende ezels, klokken die opeens achteruitlopen, Jona drie dagen in de buik van een vis, raven die je ontbijt aandragen, ja, het hele heelal plotseling stilgezet alsof het maar niks is, wonderbare spijziging, wandelen op water, opstanding uit de doden, mensenlief, zo’n hele Bijbel zotternij en apekool, en toch wordt het klakkeloos geloofd.’
    De aanwezigheid van deze ongelovige bijbelkenner deert de mannenbroeders niet, want voor zo’n discussie zijn ze bijeen en hij weet kennelijk waar hij het over heeft.
    ’t Hart trakteert de lezer ruimhartig op psalmen en bijbelteksten en ook is het hoofd van Gabe Pottjewijd gevuld met talloze muzikale herinneringen, van Bach tot Vivaldi, die hij royaal in het verhaal rondstrooit.

    De Braziliaanse weduwe

    Bij het stemmen krijgt Pottjewijd hulp van Lanna, de dochter van de bloedmooie Braziliaanse weduwe van een scheepskapitein. Het meisje wordt beschouwd als achterlijk, maar blijkt van onschatbare waarde voor de orgelstemmer. Toch gaat er al snel iets ernstig mis: ‘Want toen ik op woensdag echt aanstalten wilde maken om de stemming van het hoofdwerk af te ronden, en het meisje had gevraagd eerst eens even achter elkaar alle toetsen van het middenklavier in te drukken om een indruk te krijgen van de klankverhoudingen en de staat van die Dulciaan 16 voet, was er, terwijl ze nog maar drie toetsen had ingedrukt, en nadat de klok van de kerk plechtig negen slagen had laten horen, een verbijsterend lawaai losgebarsten – gerinkel van ankerkettingen, het gierend geluid van pneumatische boren, en nog allerhande andere daverdreunen – tot aan klinkhamers toe die zo te horen neerkwamen op ijzeren scheepsrompen.’

    Het orgelstemmen blijkt overdag onmogelijk te zijn door het lawaai van de nabijgelegen scheepswerf. Pottjewijd moet uitwijken naar de vroege ochtend, de avond en het weekend om aan het orgel te werken. De Braziliaanse 45-jarige weduwe neemt hem onder haar hoede. Over haar gaat het verhaal dat zij ‘(…) op een stralende zomerdag poedelnaakt midden in de Vliet, voorbij de Weverskade, door agent Kippenek werd aangetroffen en op de bon werd geslingerd. Met een speer in haar hand.’
    Niet dat de dominee  die Gabe dit verhaal vertelt het echt gelooft. Maar toch. De weduwe heet Gracinha en omdat zij ziet dat Gabe haar dochter serieus neemt en niet als achterlijk beschouwt, mag hij elke dag bij haar eten in plaats van een VGA-tje (vlees, groente, aardappels) te nuttigen in het Zeemanshuis.
    In ruil daarvoor leert hij haar beter Nederlands te spreken en stort zich daar met overgave op. De weduwe heeft moeite met het woordje ‘er’ en zegt zinnetjes als ‘heb nu wel vrede mee.’ 

    Een zeer ’t Hartiaans slot

    Waar de lezer van De nachtstemmer wel genoeg van kan krijgen, is het onophoudelijke corrigeren van de weduwe van haar Nederlands door Gabe in de tweede helft van de roman. Maar die ergernis wordt ruimschoots gecompenseerd door de steeds terugkerende herinneringen van Gabe aan Drieke, een reusachtige witte geit die in zijn kinderjaren verliefd op hem was en die telkens wegliep van de boerderij waar de geit woonde om bij hem te zijn. Toen Gabe als kind eens onaangekondigd de geit opzocht, zag hij hoe boer Ai Stront de geit bereed op een manier die Wim Kan ooit beschreef als ‘dat ene hondje heeft zand in z’n oogjes gekregen en dat andere duwt hem nou naar huis.’
    Deze herinnering is een van de vele zijsporen in de roman die breeduit worden uitgeschreven. Maar uiteindelijk draait het verhaal om de relatie tussen Gabe Pottjewijd en Gracinha die in het kleine plaatsje niet onopgemerkt blijft en de woede oproept bij een anonieme bewonderaar van de weduwe. Gabe ontvangt een dreigbrief en wordt achtervolgd en zelfs aangevallen. Hij maakt zich ernstig ongerust en wie zou dat niet zijn in zijn geval? De afloop van dit alles kan hier niet verraden worden. Maar het is een zeer ’t Hartiaans slot van dit fraaie en met kennelijk plezier geschreven ouwehoerverhaal.

     

  • Mijmerweer

    Mijmerweer

    Lezen doe je in stilte. Het is een ideale bezigheid voor mensen die de eenzaamheid verkiezen. Het cliché luidt overigens dat je bij het lezen nooit alleen bent: je bent immers in gesprek met de schrijver. Het fijnste is om op een mooie zomerdag buiten te lezen. Onder de parasol of – beter nog – onder een boom, als je die in je tuin hebt staan. Het is iets om je op te verheugen: de badwaterwarmte van de atmosfeer, een zacht zomerbriesje dat af en toe een beetje koelte aanwaait, de dromerigheid van zo’n zomerdag die zich vermengt met woorden.

    Enthousiast installeer ik mij op zo’n dag in een oude tuinstoel met het zorgvuldig uitgekozen boek en dan weet ik opeens weer hoe het werkelijk is. Buren krijgen bezoek waarbij er om het hardst moet worden gepraat en gelachen. Het zwembadje wordt opgepompt en de lucht even daarna gevuld met uitzinnig kindergekrijs. Het springkussen is een standaard bron van onrust. De opdringerige geur van de barbecue kringelt algauw mijn neusgaten binnen. Het gezinsleven is meer dan ooit een kermis.
    Al die tijd probeer ik me te concentreren op mijn roman. Er komt niets terecht van het gesprek met de schrijver: flarden geleuter komen tussen zijn goed geplaatste woorden terecht. Ik zou willen dat er geluidswallen om mijn tuin stonden in plaats van houten schuttingen.

    Dan besluit ik er iets van te zeggen, weer later toch maar niet. Het is per slot niet altijd zomer. Hoewel, met de zomers van tegenwoordig? De dag daarop is het weer raak. Urenlang. Ik krop mijn woede op. Val ik hén soms lastig? Mijn verbeelding wordt nu alleen nog maar aangewakkerd door de buren en neemt steeds onfrissere vormen aan. Het begint met de tuinslang om de overlast weg te vegen met dikke waterstralen. De meurende barbecue te blussen.
    Maar natuurlijk ga ik op een gegeven moment gewoon naar binnen. Het is er koel. De boeken uit mijn boekenkast staren me onbewogen en verstandig aan. Er gaat een enorme rust van uit. Voordat ik mij ongestoord in mijn boek verdiep, denk ik nog even aan Maarten ’t Hart, die het meest van de maand november houdt. Dan kun je ongestoord lezen. Buiten valt druilerige regen of hangt een kille mist waarin niemand zich waagt. Ook dat is mijmerweer.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers en dichters uit het verleden.

     

  • ‘Bach is het enige excuus voor het christendom.’

    ‘Bach is het enige excuus voor het christendom.’

    Een schot in de roos blijkt de Kruidvateditie van het boek Johann Sebastian Bach van Maarten ’t Hart uit 2000 te zijn geweest. 120.000 exemplaren gingen in een mum van tijd over de toonbank. Heel Nederland leek van Kruidvat, Bach en zijn profeet te houden. ’t Hart ontving honderden brieven van volgelingen van Bach, waaronder ook critici van de interpretatie van Maarten ’t Hart. Nu dus een herziene uitgave, waarin Maarten ’t Hart ingaat op de vragen van zijn criticasters, en zijn boek inhoudelijk actualiseert. Zo heeft hij hoofdstukken toegevoegd over de Goldbergvariaties en Die Kunst der Fuge, een klein compendium waarin alle cantates worden besproken, en de Bach-literatuur sedert het jaar 2000 bijgewerkt. 

    Wie is dit genie?
    Duidelijk wordt dat er over het leven van Bach buitengewoon weinig bekend is, terwijl iedereen er naarstig naar op zoek is. Dit leidt tot speculaties over de persoon Johann Sebastian Bach. Als een echte historicus ontrafelt ’t Hart allerlei mythes die er over Bach de ronde doen. Hier heeft hij duidelijk plezier in. Was Bach een onhebbelijke bruut, opvliegend van aard of juist een aardige man? Betoonde Bach zich een hielenlikker tegenover zijn broodheren? Was Bach een buitengewoon godsdienstig man, die dagelijks leefde in de vreze Gods of bood de Kerk hem slechts een broodwinning? 

    ’t Hart en Bach
    Een boek lezen over Bach kan niet zonder te luisteren naar Bach. ’t Hart zal daar waarschijnlijk aan toevoegen -zonder Bach te spelen. Helaas is niet iedereen die kunst machtig en zullen de meesten het moeten doen met luisteren naar. ’t Hart is er in geslaagd door het schrijven over Bach meer diepgang te geven aan het luisteren naar Bach en dat is een grote verdienste. De Matthäus Passion mag zich verheugen in een enorme populariteit in een geseculariseerd Nederland. Kennelijk kun je dus van Bach houden zonder een gelovige Christen te zijn. ’t Hart zelf noemt zich ‘ongelovig als een steen’. In het hoofdstuk ‘De vijfde evangelist’ gaat hij omstandig in op de vraag naar de relatie tussen Bach en het evangelie en komt uiteindelijk tot de conclusie dat je op grond van de bronnen en zijn muziek niet tot de conclusie kunt komen dat Bach zelf een bijzonder godsdienstige intentie had met zijn muziek. Het is, aldus ’t Hart, zelfs zo dat diepgelovigheid wel eens een sta-in-de-weg kan zijn voor een goed begrip van de muziek van Bach. Hoewel het een feest is te mogen delen in de kennis van ’t Hart over Bach en hij er, middels een goede pen, zeker in slaagt mensen te enthousiasmeren voor de muziek, komt er gaandeweg het lezen toch ook een zeker gevoel van onbehagen naar boven. 

    ’t Hart of Bach?
    Waar gaat het boek nou eigenlijk over, over Bach of over Maarten ’t Hart? ’t Hart blijkt een gelovige, niet in god, maar in Bach. En zoals met alle boeken geschreven door gelovigen over hun idool, het gaat op een gegeven moment storen, bijvoorbeeld in het verhaal dat hij vertelt aan het begin van het hoofdstuk over ‘De Concerten’. Hij geeft daar een beschrijving van een scène waarin hij tijdens zijn studiejaren op bezoek is bij een jaargenoot die in een winkel woont. 

    Met nog een derde jaargenoot zaten zij in de etalage, buiten stortregende het. Er staat muziek aan. De jonge Maarten herkende meteen wat het was. onmiskenbaar, dat was Bach! Hij raakte in vervoering. De vrienden zagen het en staakten hun gesprek. Tranen biggelden inmiddels gestaag over Maartens wangen. Hij verzucht: ‘Waar vind ik woorden om te beschrijven wat ik destijds onderging?’

    Het betreft hier natuurlijk een prachtig, haast Bijbels beeld: drie jongens in een etalage, regen buiten, tranen binnen, de vervoering van de één en de herkenning van de anderen. Deze haast religieuze ervaring zou je ook kunnen afdoen als dweperij, maar dat is toch te kort door de bocht. In ieder geval zegt het veel over Maarten ’t Hart. Je zou het ook heel openhartig kunnen noemen. Daarin ligt ook het bijzondere karakter van het boek. Het is sterk autobiografisch. Het boek maakt duidelijk dat je ’t Hart niet kunt kennen zonder je te verdiepen in Bach, maar het is de vraag of de lezer daar naar op zoek is en niet veel meer naar Bach alleen. ’t Hart lijkt soms een beetje in de weg te zitten. Maar goed, hoe het ook zij, het luisteren naar de cantates aan de hand van het toegevoegde compendium brengt de lezer zowel dichter bij Bach als bij Maarten ’t Hart.

     

     (‘) (Dorinde van Oort, M. ’t Hart, Johann Sebastiaan Bach blz. 103)

     

  • Oogst week 11

    Henriëtte van Eyk

    Stof genoeg over Henriëtte van Eyk (1897), de inmiddels bijna vergeten schrijfster van o.a. De kleine parade, een serie verhalen waarin ze op satirische wijzen de ‘hogere stand’ op de korrel neemt. Ze kent die wereld oorspronkelijk van binnenuit, maar groeit uiteindelijk op in armoede.
    Vóór de Tweede Wereldoorlog trouwt ze met journalist, schrijver en verzetsheld Jean de Nève. Een huwelijk dat na de oorlog ontbonden wordt.
    Zelf gaat ze ook in het verzet. Haar contacten uit het verzet liggen o.a. ten grondslag aan haar latere betrokkenheid bij de oprichting en het bestuur van uitgeverij De Bezige Bij.

    De mannen uit de titel Henriëtte van Eyk; vrouw tussen vier mannen zijn haar vader die na het faillissement van zijn bank voorgoed uit haar leven verdwijnt, haar ziekelijke broer Bert die ze verzorgt, haar eerste man Jean de Nève en ten slotte Simon Vestdijk met wie ze een vrolijke spannende verhouding krijgt. Ze zet uiteindelijk een punt achter die relatie omdat ze vindt dat hij haar aan het lijntje houdt.

    Aukje Holtrop schreef haar biografie.

     

     

    Henriëtte van Eyk
    Auteur: Aukje Holtrop
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Hugo Claus. Familiealbum

    In 2015 verscheen van Georges Wildemeersch (1947, tot 2013 gewoon hoogleraar Nederlandstalige letteren aan de Universiteit Antwerpen) een biografie over de jonge Claus, Hugo Claus. De jonge jaren. Hierin gaat het om de periode 1942-1949.

    In Hugo Claus. Familiealbum gaat het over de familie van Hugo Claus, een familie die de jonge, in kostscholen opgenomen Hugo voor zijn elfde levensjaar niet of nauwelijks heeft gekend. Een groot deel van Claus’ werk handelt over de gemengde gevoelens waarmee hij in het familieleven staat. Maar hij putte ook inspiratie uit de honderden verhalen die de familieleden, onder wie in het bijzonder zijn moeder en zijn broers, hem met grote gretigheid vertelden en die hij zorgvuldig in dagboeken, agenda’s en werkschriften vermeldde.

    Het boek beoogt ook meer licht te werpen op de duistere periode van en na de Tweede Wereldoorlog (Claus was lid van de Nationaal-Socialistische Jeugd) en op de turbulente jaren met Elly Overzier en de experimentele schilders en schrijvers in Parijs en Italië in de eerste helft van de jaren vijftig.

    Auteur: Georges Wildemeersch
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis

    Verdwaaltijd

    De Vlaamse Kathy Mathys (1972) is literair en culinair journaliste. Zij schrijft over Engelstalige literatuur voor De Standaard der Letteren en zat in de jury’s van de AKO Literatuurprijs en de Gouden Uil. Daarnaast schrijft zij over eten.
    In april 2015 verscheen haar eerste boek: Smaak. Een bitterzoete verkenning.

    Haar roman Verdwaaltijd gaat over Marcia die een relatie begint met een Amerikaanse schrijver die aan een memoir werkt over zijn verdwenen ex-vriendin. De man laat weinig los over zijn verleden en Marcia wordt steeds nieuwsgieriger naar de vrouw. Emma, Marcia’s beste vriendin, keert terug naar haar geboortedorp waar ze poseert voor een jonge kunstenaar. Ze heeft de plek niet meer bezocht sinds ze haar ouders en zus verloor en vraagt zich af wat er nog rest van haar oude leven.

    […] ‘Kay en ik groeiden niet op in de buurt van het woud of de oceaan. Zelfs op de dagen dat de wind hard zijn best deed, zaten we te ver weg om de zeelucht te ruiken, of het hars. In de buitenwijk van de middelgrote Californische stad waar we woonden, was de horizon slechts op één plek zichtbaar, bij het hoogste punt van een hellende straat. Daar werd Kay gevonden door haar moeder, Clara, toen ze op haar vierde voor het eerst verdween. Ze zat doodstil op haar driewieler, kijkend in de verte. Ik weet nog hoe Kay lachte toen ze me dit verhaal vertelde. We waren tieners, fietsten naast elkaar naar school. Ze reed als een clown, haar knieën staken aan beide kanten uit en soms liet ze het stuur los, wat me altijd nerveus maakte. Om haar te straffen verstopte Clara de driewieler.’ […]

    Verdwaaltijd
    Auteur: Kathy Mathys
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis

    Johann Sebastian Bach

    Maarten ’t Hart is een groot liefhebber van Bach.

    In zijn voorwoord van Johann Sebastian Bach vertelt ’t Hart dat er zoveel niet bekend is over deze grote componist. In Johann Sebastian Bach bespreekt hij een aantal biografische onduidelijkheden in het leven van Bach, probeert hij aan te tonen dat Bach rond 1730 in een crisis geraakte vanwege zijn huiselijke omstandigheden, geeft hij zijn visie op de cantates, de concerten, het Wohltemperierte Klavier, de andere klaviermuziek, de Matthäuspassion, de kamermuziek, en op de omvangrijke literatuur over het fenomeen Bach.

    Hij eindigt zijn voorwoord met:

    […] ‘Ik kan alleen maar schrijven over Johann Sebastian Bach, die mij als kind met de bewerking van het koraal Wohl mir, dass ich Jesum habe uit cantate 147 onder zijn hoede heeft genomen en van wie ik houd boven alles, met heel mijn hart, heel mijn ziel, heel mijn verstand en al mijn kracht.’

     

    Johann Sebastian Bach
    Auteur: Maarten 't Hart
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Boeiend en niet altijd even waar

    Boeiend en niet altijd even waar

    De wereld van Maarten ’t Hart is een representatieve bloemlezing uit alle essaybundels die Maarten ’t Hart heeft gepubliceerd, en dat zijn er nogal wat. Het begon met De kritische afstand  in 1976; de laatste bundel Mozart en de anderen verscheen in 2006. Tussendoor vulde hij dertien (!) bundels. ’t Hart heeft dan ook overal een mening over en die ventileert hij maar al te graag. Daarbij steekt hij zijn enthousiasme over een groot aantal zaken niet onder stoelen of banken.
    Voor De wereld van Maarten ‘t Hart maakte hij zelf een keuze uit zijn stukken over muziek (Bach, Mozart), (gedrags)biologie (dat is zijn vak), natuur in het algemeen, literatuur en natuurlijk religie. En dan nog wat bijkomende zaken: jeugdherinneringen, reizen, vrouwen, seks en sport.

    Het moet gezegd: de essays zijn over het algemeen erg leesbaar: zijn onderwerpkeuze is aantrekkelijk. ’t Hart is zoals gezegd altijd enthousiast en hij heeft heel veel te vertellen, ook al gaat hij vaak en veel van aannames uit die erg persoonlijk zijn. Het lijkt wel alsof hij zichzelf wil bewijzen dat hij gelijk heeft en wil overtuigen dat zijn mening de enig ware en juiste is. De lezer kan zich afvragen: gaat het hier over een thema of over de schrijver zelf?

    Wat ook opvalt: als Maarten ‘t Hart zich eenmaal verdiept in een bepaald onderwerp leest hij daar alles van en over en beluistert ook nog eens alles: hem hoef je niets wijs te maken over een onderwerp waarin hij zich verdiept. Ook dat dient ter ondersteuning van zijn meningen.

    De mooiste essays in deze bundel komen uit de bundel Wie God verlaat heeft niets te vrezen. De Schrift betwist, waarin overigens in de titel het gebruik van de hoofdletters opvalt. Als je niets te vrezen hebt, waarom dan niet god en schrift? ’t Hart heeft er werkelijk alles voor over de mens van het geloof af te brengen: hij citeert uit de Bijbel, geeft persoonlijke voorbeelden uit zijn jeugd en schroomt niet pijnlijke voorvallen die in familiekring plaatsvonden prijs te geven. Het doel heiligt de middelen.

    Ook de essays waarin hij de lezer kennis laat maken met zijn vakgebied (ethologie) zijn boeiend omdat hij verbanden legt tussen de dierenwereld en de mens: menselijk en dierlijk gedrag worden naast elkaar gelegd. Lees maar eens zijn essay over incestvermijding. Hij verwijst bijvoorbeeld naar Aristoteles die al zei dat de beschrijving van een hereniging van familieleden of geliefden na een lange scheiding zeer indrukwekkend is. Het is fascinerend om te lezen hoe Maarten ‘t Hart duidelijk maakt dat, ondanks alle onderzoek, zelfs hij geen bevredigend antwoord kan geven op een aantal vragen die rond dit pijnlijke onderwerp worden gesteld.

    Gevangene van zijn eigen enthousiasme
    Wat is dat toch met ’t Hart? Hij schrijft zo veel, hij weet zo veel, hij kan zo boeiend vertellen, maar toch blijft de lezer vaak haken aan moeizaam lopende zinnen, cirkelredeneringen, drogredenen en zulke persoonlijke opvattingen over wat kan en niet kan, over wat mooi is en wat niet, dat het vaak gewoon lachwekkend wordt. Jammer, want daardoor neem je hem minder serieus dan hij verdient.

    Een voorbeeld van een aanname van ‘t Hart is: als hij het over klassieke muziek heeft, geeft hij aan dat er geen andere muziek bestaat: hij ontkent het doodeenvoudig. En als hij dan eenmaal losgaat over grote liefde Bach duizelt het de lezer door de vele feiten die hij deelt, maar ook over de invloed die deze componist heeft op de muziekgeschiedenis.

    Nog zo’n aanname en tegelijkertijd een voorbeeld van een prachtige cirkelredenering komt uit een hilarisch essay met als titel Waarom maken vrouwen zich op?…Zelfs de meest terughoudende vrouwen zullen nog weleens wat schaduw op de oogleden aanbrengen: dit is (…) van grote betekenis voor het begrijpen van het verschijnsel make-up. Make-up is kortom, iets dat gezien moet worden, dat lijdt geen twijfel, maar bovendien, daarover is toch ook nauwelijks discussie mogelijk, een supranormale prikkel.’ Dit citaat is tevens een illustratie van de typische stijl van ’t Hart: moeizaam geformuleerd, met te veel bijzinnen, leestekens, tante Betje-stijl.

    En een ander opvallend aspect: Maarten ’t Hart spreekt zichzelf regelmatig tegen. Hij beweert geen televisie te kijken omdat het zonde van de tijd is, maar hij geeft wel zijn mening over de Tour de France. Hij zegt niet in het middelpunt van de belangstelling te willen staan, maar treedt wel regelmatig op in televisieprogramma’s en tijdens bijeenkomsten in het land. Hij blijft het raadsel ’t Hart vergroten door consequent zijn mening te geven over onderwerpen waar hij een hekel aan heeft (sport, reizen).

    Maar ondertussen werkt ’t Harts enthousiasme erg aanstekelijk. In deze bundel is maar een fractie van zijn essays gebundeld: ze smaken naar (veel) meer!

     

     

  • J.M.A. Biesheuvelprijs voor Maarten ’t Hart

    J.M.A. Biesheuvelprijs voor Maarten ’t Hart

    C5GS66RW8AELn97Zondag 19 februari werd voor de derde maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt – de enige literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalen van het voorgaande jaar. Uniek aan deze prijs is dat het geldbedrag geheel en al door middel van donaties bijeen wordt gebracht.

    Uit vijf genomineerden won Maarten ’t Hart (1944) met zijn vorig jaar uitgekomen verhalenbundel De moeder van Ikabod (Arbeiderspers). Het gedoneerde bedrag voor de prijs van dit jaar was € 5105,70, dat in zijn geheel naar de winnaar gaat.

    Volgens de jury getuigt de verhalenbundel van ’t Hart van een ‘grote kennis’, een ‘aanstekelijk schrijfplezier’ verenigd met  een ‘ongeëvenaarde stijl’; ‘een boek dat de lezer voortdurend aanspoort om dóór te lezen’.  ‘
    ‘Om de kleurrijke personages, de subtiele excentriciteit en de onmiskenbare kwaliteit kennen wij de J.M.A. Biesheuvelprijs 2017 met groot plezier toe aan De moeder van Ikabod van Maarten ’t Hart,’ aldus sprak de jury.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs bestond dit jaar uit: Irwan Droog (redacteur), Babs Gons (schrijver, performer), Marieke de Groot (boekverkoper), Theo Hakkert (journalist, recensent) en Sanneke van Hassel (korteverhalen schrijver).

    Het was dit jaar voor het eerst dat de Biesheuvelprijs een shortlist hanteerde. Voorgaande jaren was er enkel sprake van een winnaar. Dit jaar werden naast De moeder van Ikabod Maarten ’t Hart de volgende bundels genomineerd:

    A.H.J. Dautzenberg – De dag dat de gieren buigen (Atlas-Contact)
    Bertram Koeleman – Engels voor leugens (Atlas-Contact)
    A.N. Ryst – De blauwe maanvis  (Querido)
    Kira Wuck – Noodlanding (Podium)

    Alle genomineerden krijgen een schrijfweekend aangeboden op de Buitenwerkplaats. Waarbij je je natuurlijk afvraagt of Maarten ’t Hart hiervan gebruik zal maken.

    www.jmabiesheuvelprijs.nl
    (
    www.buitenwerkplaats.nl).

     

     

  • Secundair lezen

    Secundair lezen

    Tijdens mijn studietijd voorzag mijn moeder me jarenlang van opinietijdschriften. Zij werkte mijn hele jeugd en studententijd in een drogisterij en elke week nam ze Vrij Nederland, Elsevier en HP/De Tijd voor mij mee. Ik las de artikelen, maar vooral de interviews. Sindsdien houd ik van interviews, of beter nog, van interviewbundels. Interviews op tv, ook boeiend, vooral als het een paar uur duurt, zoals bij Zomergasten of de wetenschappelijk-filosofische projecten van Wim Kayzer. Of dagelijks op Radio 1, een uur lang Kunststof. Of vroeger Een prettig gesprek van Theo van Gogh op AT5. Nog meer houd ik van het uitgeschreven gesprek. In tijdschriften, kranten, of nog beter, in boeken. Gebundelde gesprekken met schrijvers, schilders, filosofen, en soms politici.

    Vermaarde interviewers als Bibeb, Ischa Meijer, Frenk van der Linden. Bibeb was voor mijn tijd, interviewster voor Vrij Nederland, maar in het Amsterdamse antiquariaat kwam ik haar bundels vaak tegen. De vox populi vind ik vervelend. De man of vrouw in de winkelstraat hoef ik niet te horen oreren over een onderwerp dat zo groot is als bij voorbeeld de Europese Unie waar ze helemaal geen verstand van hebben. Daarover wil ik van een politicus in een interview over horen. Ik wil kenners aan het woord over hun vak en hun leven. Nu lees ik bijvoorbeeld in Verf, van Hans den Hartog Jager (Athenaeum-Polak & Van Gennep, vijfde druk, 2011). Gesprekken met Nederlandse schilders en kunstenaars als Ger van Elk en Armando over de praktijk van het creeëren. Den Hartog Jager noemt in zijn voorwoord als grote voorbeeld: Interviews with Francis Bacon door David Sylvester. Ik heb dat boek al eens gelezen, want Bacon is een van mijn eerste grote helden van de schilderkunst.

    Zo volgen lezer en schrijver elkaars spoor van fascinatie in het najagen van biografische verhalen, de originele bronnen wat kunst en cultuur betreft. Vaak heb ik meer over het leven van bepaalde schrijvers en hun schrijfproces gelezen dan van hun ‘echte’ werk. Dat secundaire lezen doe ik graag. Het domein van de echte literatuur betrad ik in mijn tiener- en twintigerjaren via de ingang van het essay en de memoires of de biografie. Van de reeksen Privé-domein (autobiografie, memoires) en Open Domein (biografie) van de Arbeiderspers las ik menig deel voordat ik aan de roman of een verhalenbundel begon. Eerst Het roer kan nog zesmaal om van Maarten ’t Hart en daarna pas De jacobsladder. Lezen over een leven dat veraf van het mijne staat, dat heeft me altijd geïntrigeerd. Zo staan me ook nog interviews bij van rechtse politici als Wim van de Camp (CDA), Frits Bolkestein (VVD) of rechtse denkers als Gerry van der List. Lees dus ook van Rob Hartmans Vaarwel dan! Over rechtse intellectuelen. Al was ik links in gedachten, conservatieve, rechtse mensen fascineren mij enorm. Ik las in mijn studententijd alle boeken van Pim Fortuyn! Van linkse politicus tot rechtse populist. Het houdt mijn bevooroordeelde geest zo onbevangen mogelijk.

     

     

  • Avonturen in bos en veld – van onze kleine held

    Avonturen in bos en veld – van onze kleine held

    Schrijvers die bekendheid genieten via de televisie moeten uitkijken als ze in de ik-vorm schrijven. Want elke lezer ziet hen voor zich en kan sommige activiteiten wel en andere juist niet met deze auteur verbinden.
    Zo kan het ene medium het andere dwars zitten.

    Bij Maarten ’t Harts nieuwe verhalenbundel De moeder van Ikabod is dat niet het geval, want de ik-persoon in de gebeurtenissen is geheel en al de Maarten ’t Hart zoals we die kennen van zijn televisie-optredens.
    De laatste tijd vinden die vooral in zijn moestuin plaats, waar hij het materiaal doet groeien dat bruikbaar is voor het bereiden van het soort maaltijd dat hij aanbeveelt. Maarten ’t Hart houdt van logica en de beste manier om mager te blijven is de regel ‘Overal mag ik in bijten, mits ik daar flink van ga schijten. Niet ontberen, maar laxeren.’
    Bij het serveren van dit soort onontkoombare maar onaangename conclusies krijgt de Maarten ’t Hart die we van de televisie kennen een klein, bijna onmerkbaar, glimlachje om de mond. En pretoogjes.
    En dat geldt ook voor de Maarten in alle 18 verhalen die opgenomen zijn in De moeder van Ikabod.
    Hij beschrijft er gebeurtenissen uit zijn bestaan in en maakt waar nodig grif gebruik van zijn publieke bekendheid (ook als hij voor Maarten Biesheuvel wordt gehouden).

    De vertelstijl is soms wat omslachtig en maakt veel gebruik van aan de bijbel ontleende citaten en het spuien van muziekkennis. Maar is daardoor vintage Maarten ’t Hart.
    Veel goede vertellers kent de Nederlandse literatuur niet, want bij ons geldt het adagium dat je van een tekst IETS MOET MEENEMEN. Literatuur moet diepgang hebben en als je een boek na lezing dicht slaat moet er iets in de lezer veranderd zijn. Zijn wereldbeeld een stukje verschoven, zijn houding tegenover de medemens minimaal een fractie gewijzigd. Gebeurt dat niet, dan hoort het boek naar het oordeel van menig literatuurkenner tot de ontspanningslectuur, aangenaam of roerend maar betekenisloos proza. Daarmee wordt het eerstgenoemde deel van de schrijvers overschat want voor nieuwe inzichten kan je eigenlijk beter terecht bij de wetenschap dan bij auteurs die meestal van toeten noch blazen weten, en – blijkens hun biografieën – vaak sukkelig door het leven gaan. En het is een grove onderschatting van de schone kunst van het vertellen, waarbij het doel is dat de lezer zo geboeid wordt door het verhaal dat hij niet meer merkt woorden te lezen.

    Godswonder
    In dat licht bezien is het niet minder dan een godswonder dat Maarten ’t Hart, afkomstig uit het meest serieuze deel van ons volk, de gereformeerden, zich uit dit  keurslijf van de Nederlandse literatuur heeft kunnen bevrijden en ongegeneerd vertellers-verhalen is gaan schrijven. En in De moeder van Ikabod is deze verteller op zijn best.
    Een prachtig verhaal over de jonge Maarten die tijdens een vakantie de – uiteraard gereformeerde – broodbakker Schelvischvanger helpt met een nieuwerwetsigheid: het machinaal snijden van brood. Hij doet dat samen met een stiefdochter van de bakker en diens neef. Als de neef samen met Maarten de dochter ‘een flinke beurt’ wil geven redt Maarten haar eer, maar wordt er later toch van beschuldigd haar bepoteld te hebben. Dat eigen kleine wereldje vol wetten en zekerheden – eigenlijk nog maar zo kort geleden – waarin Gereformeerden, Hervormden, Katholieken en andere sekten apart van elkaar opgroeiden en leefden is één van ’t Harts terugkerende thema’s en hij is een meester in het beschrijven ervan.
    ‘En stipt om één minuut over half drie reed onze bakker Stoof Schelvisvanger, psalmzingend de straat in. Hij was van onze kerk. Bij alle gereformeerden bezorgde hij aan huis brood en banket. In onze straat bediende hij nog één ander gereformeerd gezin. Bij ons belde hij het eerst aan en slofte dan neuriënd terug naar zijn kar en haalde daar een melkwit en een vloerbruin. Wij kregen dat aangereikt (‘zaterdag betalen’) en vervolgens reed hij door naar de familie Marchand. Daar leverde hij acht regeringswit af.’

    Verkikkerd
    Een ander bekend thema in zijn verhalen is dat van de bleue Maarten-ik die in vuur en vlam raakt bij het aanschouwen van vrouwelijk schoon. Maar geen flauw idee heeft wat hij daarmee aan moet en dan bij voorkeur maar niets doet.
    In het titelverhaal ‘De moeder van Ikabod vindt dat plaats als hij gevraagd wordt orgel te spelen bij een kerkdienst. Alhoewel Maarten elk geloof in God verloren heeft is hij niet te beroerd te helpen als er in de zomer (‘vanwege de bouwvak’) schaarste aan organisten is. En trouwens, wie zou de kans aan zich voorbij laten gaan om Bach te spelen op het fraaie Lohman-orgel in Warmond? De predikant-van-dienst blijkt een vrouw, met de naam Ilonka de Priester.
    ’t Hart laat de kans voorbij gaan om zich af te vragen hoe ooit iemand die zich als ‘de Priester’ in de burgerlijke stand heeft laten inschrijven de durf heeft gehad – gezien het celibaat –  zijn nageslacht te erkennen en diezelfde naam mee te geven. Maar goed, Ilonka blijkt een mooie vrouw al doet zij haar best om dat tegen te gaan: ‘Ze zag eruit alsof ze voor de spiegel was gaan staan en toen tegen zichzelf had gezegd: wat kan ik doen om mijn sexappeal zo veel mogelijk in te dammen. In ieder geval zo weinig mogelijk make-up. En mijn haar in een barse knot. En een strenge bril op. ‘
    De kerk blijft die dag leeg (‘vanwege de bouwvak’), maar Ilonka houdt toch haar preek en Maarten wordt uitgenodigd na afloop een kopje koffie te drinken in de consistorie.

    ‘Ik was daar nog net op tijd voor iets wat ik niet graag gemist zou hebben. Op het moment namelijk dat ik de deur opende, greep de transpirerende dominee met beide handen vlak achter haar schouders haar toga op twee plaatsen vast en trok hem toen met één vloeiende beweging over haar hoofd. Ze had het vaker gedaan, dat was duidelijk, want het ging zo snel, zo behendig, ik keek mijn ogen uit. (…) . En toen stond ze daar, die Ilonka de Priester, in een lichtblauw mouwloos hemdje en een zwart kokerrokje, waaronder lange gebruinde, van zweet vochtig glinsterende benen afdaalden naar sandaaltjes die voornamelijk uit dunne riempjes waren opgetrokken.’

    Staat hier iets te gebeuren dat zijn oude Arbeiderspers-redacteur Martin Ros ‘het hele erge’ placht te noemen?
    Kenners van Maarten ’t Hart weten wel beter. Toch slaagt hij erin Ilonka tweemaal te laten schaterlachen en bij het afscheid zegt ze ‘ Daar houd ik je aan’ als hij belooft aanwezig te zullen zijn bij haar volgende kerkdienst in Warmond. Wordt vervolgd!

    Kale kikker
    Zijn zuinige aard komt in ’t Harts verhalen geregeld naar voren en leidt tot een buitengewoon hilarisch verhaal over de keer dat hij – ’s ochtends heel vroeg op weg naar het zwembad – beroofd werd door 4 jongens maar slechts een oeroude portemonnee bij zich had met het vijftig-centstuk dat nodig zou zijn om een kledingkluisje te huren. Er volgt een tocht door Leiden waarbij het viertal Maarten meevoert om – als betrouwbaar ogende burger – voor hen bij een slagerij aan te kloppen en zo de deur te openen voor een roofpartij.  Als hij een politiewagen ziet aankomen en zich losrukt uit het viertal (dat snel verdwijnt) probeert hij vergeefs de agenten zover te krijgen dat ze hem naar een veilige plek vervoeren. Maar hij wordt herkend door de agente: ‘Het is Van ’t Hart,’ zei de agente koppig, ‘die heeft nogal een dikke duim. Vier kerels, ga toch weg, we hebben niks niemendal gezien, we hebben alleen maar een idioot de straat op zien sprinten die met zijn armen begon te zwaaien alsof hij Sinterklaas zag aankomen op een dwergezeltje.’

    Dat Maarten ’t Hart een dikke duim heeft zal ongetwijfeld waar zijn. Schrijvers kunnen niet zonder. Het heeft in elk geval met De moeder van Ikabod een mooie verhalenbundel opgeleverd, die gelukkig je wereldbeeld geen millimeter laat verschuiven. En wie ter stichting toch wil weten wie Ikabod was en wie zijn moeder, kan dat vinden op pagina 138.
    Mocht de schrijver of zijn uitgever dit stuk onder ogen krijgen: ‘Ze droegen allebei een identiek grijs jasje’ (pagina 171) is één woord teveel. Zonde van de inkt.

     

     

  • Oogst week 25

    De goedheid van vreemden

    Van de Argentijnse schrijfster Claudia Piñeiro (1960) zijn in Nederland inmiddels een paar boeken verschenen, maar erg bekend is ze hier nog niet. In eigen land zijn haar boeken populair en won ze er diverse prijzen mee.

    Nu is van haar De goedheid van vreemden verschenen waarin een vrouw na twintig jaar terugkeert naar Buenos Aires. Ze is iemand anders geworden: haar uiterlijk, haar stem, zelfs haar voornaam. Zullen de mensen die haar gekend hebben beseffen wie ze voor zich zien? En zal híj haar herkennen? Mary Lohan oftewel Marilé Lauría oftewel María Elena Pujol keert terug naar de plek waar ze een gezin had – tot ze besloot te vluchten. Waarom keert ze nu terug en waarom vluchtte ze destijds als een dief in de nacht?

    … ‘Nu, vandaag, in dit vliegtuig dat me terugbrengt naar de plek waar ik ben weggegaan, heb ik vier foto’s bij me: die drie en eentje waarop ik met Robert sta, voor ons huis. Maar ik kijk er ook niet naar. Ik heb ze bij me, dat is alles, ik weet niet eens goed waarom eigenlijk.’

    De goedheid van vreemden
    Auteur: Claudia Piñeiro
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas/Contact

    De moeder van Ikabod

    Na Magdalena, waarin ’t Hart over zijn moeder schreef, verschijnt nu De moeder van Ikabod, een bundel met luchtig vertelde, autobiografische verhalen aan de hand van zijn bekende thema’s. De liefhebbers van ’t Hart kunnen hun hart ophalen. Ogenschijnlijk alledaagse gebeurtenissen zoals de verkoop van een huis, een plechtige uitvaart, een kerkdienst, een ontmoeting op een treinstation, een bezoek aan de markt of een casino pakken tragikomisch uit. Of soms juist beklemmend, zoals in ‘De beroving’ of ‘De stiefdochters van Stoof’.

    De moeder van Ikabod
    Auteur: Maarten 't Hart
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    Goudzand

    En dan blijkt er ook nog voor Nederland onbekend werk van Paustovski te zijn! Vertaler Wim Hartog vond het in o.a. het Russisch Verzameld werk en vertaalde het voor Uitgeverij van Oorschot. Zeshonderd pagina’s persoonlijke geschriften waarin Wim Hartog Paustovski de ongelofelijke geschiedenis van diens eeuw laat vertellen.

    Het is voor mij reden om Verre jaren uit de kast te pakken en het eerste hoofdstuk ‘De dood van mijn vader’ te herlezen.

    ’s Nachts hoorden we iemand die aan de overkant van de rivier met een lantaarn stond te zwaaien, met lange uithalen roepen. Ik ging met oom Ilko naar de waterkant toe. De rivier bulderde en bruiste als een ijzige waterval over de dam heen. Het was in het holst van de nacht en pikdonker. Geen ster stond aan de hemel. De prikkelende koelte van het wassende water en van de dooiende aarde streek langs ons gezicht. Aan één stuk door werd er aan de overkant geroepen en met de lantaarn gezwaaid maar de woorden gingen verloren in het donderende lawaai van het woedende water.’ 

    Het is moeilijk om niet de hele middag door te blijven lezen…

    Uitgeverij van Oorschot noemt het verschijnen van Goudzand: ‘Voor de kenner een feest, voor wie nu met Paustovski kennismaakt een uitermate overtuigende inkijk in het werk van deze schrijver van wereldformaat.’

    Ik noem mij geen kenner van Paustovski, maar hem lezen is inderdaad een feest!

     

     

     

    Goudzand
    Auteur: Konstantin Paustovski
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Recensie: Dienstreizen van een thuisblijver

    Recensie door: Machiel Jansen

    Als Maarten ’t Hart geen bekend schrijver zou zijn geweest wie zou hem dan graag willen leren kennen? Zonder zijn schrijverschap is hij een teruggetrokken, ietwat zonderlinge man. De werkdagen brengt hij door met het turen naar een aquarium waarin drie doornige stekelbaarsjes zwemmen. Af en toe maakt hij daar aantekeningen bij. Het is het meest interessante beroep dat hij zich kan voorstellen, althans van alle beroepen die binnen zijn bereik liggen. Eigenlijk was hij het liefst componist geworden, maar dan wel in een andere tijd dan de onze. Tussen het kijken naar stekelbaarzen en het luisteren naar klassieke muziek leest hij. Hij leest veel. Het werk van Anthony Trollope, Charles Dickens en Simon Vestdijk behoort tot zijn favorieten. Af en toe speelt hij een stukje orgel of piano, of zingt hij een cantate van Bach. Hij sport niet en elke avond ligt hij voor negen uur in bed. Op reis gaat hij niet want alleen in zijn eigen bed kan hij slapen. Aan clubs, verenigingen, popmuziek, voetbal en gezelligheid heeft hij een hekel. Hij is het liefst alleen, en enkel een periodieke, allesoverheersende verliefdheid zorgt ervoor dat hij zijn eenzaamheid af en toe opgeeft. Zou u zo’n man willen ontmoeten? Waarschijnlijk niet.

    Maarten ’t Hart is echter wel degelijk een bekend schrijver. Sinds zijn succesroman Een vlucht regenwulpen uit 1978 is hij één van de meest succesvolle Nederlandse auteurs gebleken. Zijn romans, verhalen, columns en interviews bevatten zoveel autobiografische elementen dat we al gauw het idee hebben dat we de auteur kennen. Het lijkt erop dat hij door veel van zijn lezers eerder excentriek dan eigenaardig gevonden wordt. Er zijn behoorlijk wat mensen die de bekende schrijver eens willen ontmoeten. Een aantal van hen belt gewoon bij zijn huis in Warmond aan en weet zelfs binnen te komen. Sommigen komen ongevraagd door de open achterdeur naar binnen. Anderen doen alsof ze journalist zijn en brengen zo een dag met de bekende schrijver door. Die moet hier niets van hebben. Het liefst wil hij met rust gelaten worden. Zo komt hij niet aan schrijven toe.

    Over Maarten ’t Hart is nauwelijks nog iets nieuws te vertellen zou je denken. In 1984 verscheen zijn eerste autobiografie Het roer kan nog zesmaal om in de reeks Privédomein. Vlak voor de boekenweek, dat als thema de autobiografie heeft, verscheen Dienstreizen van een thuisblijver. Opnieuw in de reeks Privé Domein. Het moet even gezegd: samen met de gebonden boeken van Van Oorschot behoort deze reeks tot de mooist uitgegeven boeken in Nederland. Het blijft een feest deze boeken in handen te houden en ze vormen een belangrijk argument tegen de e-reader.

    De vraag is of ’t Harts nieuwste autobiografische boek iets bevat wat we nog niet wisten over de schrijver. Die vraag is makkelijk te beantwoorden: nee. Echt iets nieuws komen we niet te weten, maar wat we te lezen krijgen is wel erg amusant. Dat doet de paradoxale titel Dienstreizen van een thuisblijver ook al vermoeden. Dat ’t Hart helemaal niet van reizen houdt, komt voor zijn lezers niet echt als een verrassing. Hij wil het liefst thuis blijven, maar hij moet soms het huis uit. De verplichtingen van het schrijverschap brengen dat nu eenmaal met zich mee. Als er uit dit boek iets blijkt dat we nog niet wisten, dan is het dat ’t Hart zo slecht ‘Nee’ kan zeggen. Als hij het zegt, klinkt het waarschijnlijk zacht en onzeker want telkens geeft hij toe waar hij eigenlijk voet bij stuk wil houden. Wie iets van hem wil, belt hem op, en zet door totdat de schrijver bezwijkt en toegeeft.

    De tol van de roem is een zwaar leven. Word geen schrijver! jammert ’t Hart dan ook als iemand weer iets van hem wil. Het liefst schreef hij eenzaam, in een achterkamertje het ene meesterwerk na het andere, maar het lijkt erop dat hij voortdurend wordt lastig gevallen door signeersessies, journalisten, fotografen, uitgevers, vertalers, jury’s, hobbyschrijvers en vrouwelijke bewonderaars met aantrekkelijk lange nagels. Dat leidt tot een aantal heel leuke avonturen van de verstokte thuisblijver die er niet onderuit kan af en toe de buitenwereld in te gaan.

    Heel erg geloofwaardig is die wens om vooral thuis te blijven en aan alle aandacht te ontsnappen overigens niet. Soms krijg ik het gevoel dat ’t Hart al die aandacht maar wat leuk vindt. Dat idee werd bevestigd door zijn recente optredens op radio en TV. Hij maakt geen indruk onder zware druk interviews af te leggen. Bij het radioprogramma de Tros Nieuwsshow, waar hij te gast was, vroegen ze hem of hij er toe gedwongen was om in de uitzending te verschijnen. Nee, hij zat er vrijwillig; ‘omdat ik Mieke [de presentatrice MJ] zo leuk vind.’
    En hoe geloofwaardig kan de man nog zijn die eerst een venijnig boekje schrijft met de titel De vrouw bestaat niet, om er later voor uit te komen dat hij af en toe als vrouw door het leven gaat? Van zo’n man ga je gemakkelijk denken dat hij het tegendeel zegt van wat hij echt wil – ook al is dat in het algemeen een gevaarlijke gedachte.

    Het leuke van Dienstreizen van een thuisblijver is dat het een kijkje geeft achter de schermen van het bedrijf van de literatuur. De bekende schrijver moet op reis, bezoekt beurzen, is jurylid en signeert. Hij is nooit te beroerd ongezoute meningen te geven over collega’s, prijswinnaars en christenen. Maarten ’t Hart (25 november 1944) wordt er met de jaren gelukkig niet milder op. Veel van die opmerkingen zijn leuk, al moet je sommigen niet al te vaak horen. Zo had ik de grappen over Connie Palmen tijdens een dienstreis met collega’s naar Göteborg al op de radio gehoord, waardoor de lach tijdens het lezen uitbleef. Het verslag van die reis, waaraan veel bekende Nederlandse schrijvers deelnamen, wordt overigens vooral benut om een samenvatting te geven van het leven van de Tsjechische componist Smetana (1824-1884), die een tijdje in Göteborg gewoond heeft. ’t Hart vraagt zich bijna verontwaardigd af waarom niemand in het reisgezelschap zijn fascinatie met de Tsjech deelt, terwijl iedere lezer nu juist de nabijheid van die auteurs veel spannender vindt dan al die feitjes over een onbekende componist. Dat gegeven weet ’t Hart hilarisch uit te werken en hij duwt ons het leven van Smetana gewoon door de strot.

    Leuk, leerzaam en lachwekkend zijn ook de ervaringen met literaire jury’s. Juryleden leiden aan ‘fictie frictie’; een overdosis aan fictie, teveel boeken die men verplicht is te lezen. Zelfs de veellezer Maarten ’t Hart kan zich voorstellen dat je als jurylid de stapel AKO-nominaties achter de toiletpot smijt. Deze juryleden hoeven overigens niet alles te lezen. De longlist wordt verdeeld en na twee slechte beoordelingen ligt een boek eruit. Het teveel van hetzelfde (fictie) en de mogelijkheden van netwerken doen ’t Hart verzuchten de prijs de komende jaren standaard aan Arnon Grunberg te geven. Want wie ooit een prijs wint, wint er meer. Het geestige betoog vormt meteen een verklaring waarom ’t Hart geen prijzen meer wint: hij netwerkt niet.

    Het hoogtepunt van het boek ligt zoals veel goede dingen in het midden. Daarna dalen we van Nederlandse hoogten af tot zeeniveau waar we twee hoofdstukken tegenkomen die helemaal niet over dienstreizen gaan. In het eerste breekt onze held zijn been, en ligt enkele nachten gedwongen in het Leids Universitair Medisch Centrum. Het verslag, hoe aardig en vlot geschreven het ook is, is helaas geen dienstreis. Het thema van de literaire dienstreis, dat de vorige hoofdstukken bij elkaar hield, wordt hier jammer genoeg niet voortgezet.
    Het hoofdstuk dat er op volgt gaat over ’t Harts bemoeienis met de zaak Lucia de B. Het is een feitelijk, nuchter verslag, nuttig voor wie het weten wil, maar nieuw is het niet en met dienstreizen van een thuisblijver heeft het niet veel te maken. In interviews heeft ’t Hart al uitgebreid verteld over zijn bijdrage aan het herstel van deze gerechtelijke dwaling. Wie dat gemist heeft kan dit hoofdstuk er nog eens op nalezen.

    Leuker zijn de eerdere hoofdstukken over bewonderaarsters bij signeersessies, rondleidingen door Maassluis en een herinnering aan gewelddadige zevendedagsadventisten. Het is de excentrieke, zonderlinge schrijver en veellezer waar we om kunnen lachen en die, in elk geval in boekvorm, erg leuk gezelschap is.
    Dienstreizen van een thuisblijver

    Auteur: Maarten ’t Hart
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers, serie Privé Domein
    Prijs: € 19,95