• Overleven dankzij religie, vriendschap en hoop

    Overleven dankzij religie, vriendschap en hoop

    In april 2017 is er bij Van Oorschot een nieuwe vertaling verschenen van Mijn gevangenissen van Silvio Pellico, een Italiaanse klassieker uit 1832.

    Tien jaar gevangen
    Tussen 1800-1860 werden de Italiaanse gebieden overheerst door het Frankrijk van Napoleon Bonaparte en de Oostenrijkse Habsburgers. Silvio Pellico (1789-1854) is al een bekende dichter en schrijver van toneelstukken (o.a. Francesca da Rimini uit 1818) als hij op 13 oktober 1820 wordt gearresteerd op last van de Oostenrijkse machthebbers. Hij wordt opgesloten in de Santa Margherita-gevangenis in Milaan. Als een medegevangene hem vraagt waarom hij vastzit, antwoordt hij dat hij van ‘carbonarisme’ wordt beschuldigd. ‘Wat zijn dat eigenlijk, carbonari?’ Pellico: ‘Ik ben er zo slecht mee bekend dat ik het u niet zou kunnen zeggen.’

    Tijdens zijn ruim twee jaar durende voorarrest wordt Pellico overgeplaatst van Milaan naar de ‘Piombi’, de staatsgevangenis in Venetië. Daar wacht hij zijn vonnis af. In eerste instantie wordt hij ‘ter dood veroordeeld’, maar dat wordt veranderd in vijftien jaar ‘streng arrest.’ De Keizer van Oostenrijk halveert later het aantal strafdagen van vierentwintig naar twaalf uur. Dat betekent dat Pellico na zijn voorarrest nog zeven en een half jaar gevangen zal zitten in een kerker van kasteel Spielberg in Brünn, het tegenwoordige Brno. Dat is de strengste gevangenis van de Oostenrijkse monarchie. Staatsgevangenen zijn veroordeeld tot streng arrest: ‘ze moeten werken, een ketting aan de voeten dragen en slapen op kale planken. Het voedsel is ‘abominabel.’ Na ruim tien jaar krijgt Pellico gratie. In 1832 publiceert hij Le mie prigioni; in 1833 in het Nederlands vertaald als Tien jaren gevangenis, of Gedenkschriften. De laatste vertaling, uit 1906, is van Frans Erens en heeft als titel Mijne gevangenissen. 

    De nieuwe vertaling heeft op de omslag een foto van kasteel Spielberg. Mijn gevangenissen is het autobiografische verslag van Pellico’s ontberingen in meerdere gevangenissen.

    Geen politiek
    Pellico laat zich niet uit over de politieke achtergronden van zijn gevangenschap. Over zijn detentie in Milaan schrijft hij dat hij werd verhoord, maar daarover zal zwijgen: ‘Net als een geliefde die slecht is behandeld door zijn beminde en het plechtige besluit heeft genomen haar de rug toe te keren, laat ik de politiek voor wat ze is en zal ik het over andere zaken hebben. /…./’

    Andere zaken, dat zijn vooral filosofie en geloof: ‘Wees christen! Erger je niet langer aan de misstanden! Geef niet langer af op een enkel lastig punt in de kerkdoctrine, want het voornaamste punt is glashelder: heb God en je naaste lief. In de gevangenis besloot ik eindelijk die stap te zetten en die conclusie te aanvaarden. Ik aarzelde een weinig bij de gedachte dat mensen zich, als ze erachter kwamen dat ik geloviger was dan voorheen, genoopt zouden voelen me voor schijnheilig te houden, voor iemand die was ontmoedigd door tegenslag. Maar omdat ik voelde dat ik schijnheilig noch ontmoedigd was, nam ik me voor geen enkele aandacht te schenken aan mogelijke onverdiende blaam, en besloot ik vanaf dat moment christen te zijn, en daar ook voor uit te komen.’

    Dit komt overeen met wat Pellico in zijn voorwoord schrijft: ‘Ik wilde trachten een enkele ongelukkige een hart onder de riem te steken door uiteen te zetten welk leed ik heb ondervonden en uit welke vormen van vertroosting ik bij de grootste tegenslagen bleek te kunnen putten.’

    De vraag of Pellico een ‘carbonaro’ was, blijft onbeantwoord. Hij schrijft dat zijn politieke beginselen van zijn jonge jaren nooit ‘ontaardden in demagogie of minachting voor de oude wetten./…./ Mijn vurige vaderlandsliefde ging niet zover dat ik verlangde naar een nationale regering en naar het verjagen van de vreemdeling die hier de baas speelt.’

    Pellico overlijdt in 1854, zeven jaar voor de Italiaanse eenwording in maart 1861.

    Vriendschap verzacht het lijden
    Pellico’s tijd in de gevangenis is enorm zwaar. ‘Ach voor iemand die beschuldigd wordt van staatsvijandigheid brengt een strafproces afschuwelijke zorgen met zich mee! De vrees om anderen te schaden!’ Pellico houdt zich aan zijn voornemen het niet over politiek te hebben en laat alles weg wat betrekking heeft op zijn proces. Hij schrijft over zijn erbarmelijke omstandigheden, de kou, het slechte eten, de eenzaamheid en de vertroosting die hij vindt in de spaarzame contacten met anderen – zijn bewakers (‘secondini’), zijn medegevangen (waaronder Piero Maroncelli), aalmoezeniers en paters. Over de paters die hem al die jaren bezoeken in Spielberg, schrijft hij altijd in positieve bewoordingen. Pater Battista is een ‘engel van barmhartigheid’. Pellico noteert verder over hem: ‘Na de biecht bleef hij altijd lang met ons praten en in al zijn woorden klonk een rechtschapen, waardige ziel door, vervuld van liefde voor de grootsheid en de heiligheid van de mens.’

    Pellico schrijft daarnaast met veel mededogen over een doofstomme jongen die hij vanuit zijn cel kan zien, over het meisje Zanze dat hem koffie brengt en over de zingende Maddalena (‘Wie schenkt de arme deerne / Opnieuw een sprank geluk?’). Hij noteert: ‘Vriendschap verzacht het lijden’. Ook de liefdevolle gedachten aan zijn ouders, twee broers en twee zusters houden hem op de been, al weet hij niet of hij hen ooit zal terugzien.

    Historische context
    De lezer van nu is minder goed bekend met de historische achtergronden van het boek dan de lezer van bijna tweehonderd jaar geleden. Daarom is het goed dat in het boek een verhelderend nawoord van Maarten Asscher is opgenomen.

    Asscher legt uit dat Pellico zijn gevangenismemoires hoogstwaarschijnlijk opzettelijk heeft ingekleed als een ‘bekeringsgeschiedenis’ om het boek langs de politieke en kerkelijke censuur van die tijd te kunnen loodsen.

    Hij legt uit dat Pellico niet te expliciet kon zijn, anders zou zijn boek op de Index librorum prohibitorum terechtkomen.  Op deze lijst met verboden boeken stonden werken die de rooms-katholieke kerk als verwerpelijk beschouwde. Vandaar ook dat Pellico alleen maar lovend is over het gevangenispastoraat. Asscher: ‘De corrupte rol van de gevangenispriesters in de Spielberg /../ die zich kennelijk hadden geleend voor controle en spionage als het ging om de gedragingen en uitingen van Pellico en de tientallen andere politieke gevangenen, was niet iets waarover in de door de Oostenrijkers beheerste noordelijke staten van Italië gepubliceerd kon worden.’

    Asscher schrijft dat het boek toch nog op de verboden lijst komt als Pellico’s medegevangene Piero Maroncelli in 1835 een serie ‘Aanvullingen en historische aantekeningen bij Mijn gevangenissen’ publiceert. In Alle mie prigioni di Silvio Pellico, addizioni beschrijft Maroncelli de ‘misdragingen van het katholieke gevangenispastoraat’ in de Spielberggevangenis.

    Pellico’s boek was nationaal en international een groot succes. Italiaanse vrijheidsstrijders beschouwden hem als een held. Zijn boek sloot aan bij het verlangen naar vrijheid en staatkundige eenheid dat in veel landen uit die tijd bestond. In de Italiaanse literatuur behoort zijn boek tot de klassiekers. Asscher schrijft dat Primo Levi een groot bewonderaar was van Pellico’s boek. Hij acht het aannemelijk dat Levi de openingszin van zijn boek over zijn ervaringen in vernietigingskamp Auschwitz Is dit een mens? (‘Op 13 december 1943 werd ik door de fascistische militie opgepakt’) naar de openingszin van Mijn gevangenissen (‘Op vrijdag 13 oktober 1820 werd ik gearresteerd in Milaan’) modelleerde.

    De religieuze en politieke situatie in Italië aan het begin van de negentiende eeuw blijkt complex. Asscher geeft daar een goed beeld van, hoewel meer informatie over nationalistische verzetsgroepen zoals de carbonari welkom was geweest.

    Het boek van Pellico staat vol namen van bekende en minder bekende schrijvers en tijdgenoten. Het is jammer dat een personenregister ontbreekt.

    Eigentijdse vertaling
    Het is terecht dat Maarten Asscher Mijn gevangenissen een boek noemt dat een ‘eigentijdse vertaling’  verdient. Yond Boeke en Patty Krone leverden samen een mooie vertaling af met eigentijdse uitdrukkingen zoals ‘kommer en kwel’ (Marten Toonder): ‘Wat een heerlijk moment was het voor mijn vriend en mij om elkaar na een scheiding van een jaar en drie maanden en na zoveel kommer en kwel weer terug te zien!’

    Mijn gevangenissen laat zien dat de wilskracht van de mens om te overleven enorm groot is, hoe erbarmelijk de omstandigheden ook zijn. Vriendschap en het geloof in God houden hem op de been. Niet voor niets heeft het boek als motto een regel uit het bijbelboek Job (14.1): ‘Een mens, kind van een vrouw, beperkt van dagen, overstelpt met zorgen.’ Na de zorgen de verlossing.

    Mijn gevangenissen is een indrukwekkend boek over ontberingen en lijden tijdens gevangenschap. En over overleven dankzij religie, vriendschap en hoop. Deze nieuwe vertaling van deze Italiaanse klassieker verdient een groot lezerspubliek.

     

     

  • Op sterven na dood

    Als je niet oplet drijft het verleden ongemerkt uit beeld tot er niets van over blijft en neemt het heden het volledig van je over. Tot je door iets dat je ziet of hoort met dat verleden geconfronteerd wordt. Gistermorgen viel mijn oog op een kopje boven een kort bericht op de voorpagina van de Volkskrant. Ik las: ‘Vrij Nederland op sterven na dood.’ In werkelijkheid stond er: ‘Vrij Nederland gaat verder als maandblad.’ Door de schok had ik het bericht misvormd. Door de crue berichtgeving werd ik enkele decennia teruggeworpen in de tijd.

    In bed met een stapel kranten in een historisch pand in de binnenstad van Deventer waarvan mijn Lief en ik de verbouwing nooit helemaal voltooid kregen. Wanneer het cementstof was neergedaald en de kou door iets te enthousiast gesloopte tussenmuurtjes door het pand kroop en mijn Lief de kroeg om de hoek indook, was Vrij Nederland mijn baken.

    Met Bibeb, Dichters & Denkers, Boek van de maand, Nederlands proza, de stukjes van Rinus Ferdinandusse (die ik nooit helemaal begreep of gewoon geen geduld voor had), essays en veel, veel ruimte voor recensies. En op de achterkant het feuilleton Agnes, beslommeringen van een alleenstaande bijstandsmoeder met opgroeiende zoon, door Peter van Straaten. In mijn herinnering stonden er geen nieuws of opiniestukken in. Wat natuurlijk wel het geval was en ik zal er voor de vorm ook wel met mijn ogen overheen zijn gegaan, al staat me daar niets meer van bij.

    Boven in mijn werkkamer, die dit weekend als logeerkamer was gebruikt en er nogal aangedaan uitzag, trok ik een grote zwarte koffer onder mijn tafel vandaan en klikte de twee sloten open. Gravend door bergen correspondentie van vrienden en geliefden vond ik op de bodem twee dikke mappen met knipsels en vergeelde VN krantenbladen. Ik vond een recensie van Carel Peeters van De vriendschap, de tweede roman van Connie Palmen, 4 maart 1995. Peeters vond het boek een genadeloos filosofisch meisjesboek dat met niets te vergelijken was: ‘De roman ontwikkelt zich van meisjesboek tot filosofisch essay.’

    In de rubriek Ter zake, uit dezelfde editie een stuk over de taak van de openbare bibliotheken bij de verspreiding van literatuur. Het geval wilde dat de spraakmakende bundel De gevelreiniger en anderen van Arjen Duinker veel lovende recensies had ontvangen maar van de elfhonderd bibliotheken die Nederland toen rijk was, bestelden er maar elf een bundel! Het was een schande. De uitgever van Duinker, Maarten Asscher schreef een boze brief naar de directie van de NBD (Nederlandse Bibliothekendienst) waarin hij klaagde over het feit dat er van de meer commerciële literatuur altijd veel meer werd aangekocht. Een regelrechte schande voor de poëzie was het.

    Er stonden namen in waar ik toen nog nooit van gehoord had en ook later nooit meer iets van vernomen heb. Eendagsvliegen zoals Sammi Landweer die met de verhalenbundel Woestijn debuteerde. En op 3 februari 1990 besprak Frans de Rover De psychologie van de zwavel van Atte Jongstra, waarin feit en fictie een belangrijke rol spelen. In de serie Privé-domein was net Mijn leven door Alma Mahler-Werfel uitgekomen. Beide boeken staan nog steeds in mijn boekenkast en mijn heimwee naar de dagen dat literatuur er nog toe deed in de media, wordt meer en meer aangewakkerd.

    Maar hoe moet dat nu met de literatuur en zijn besprekingen nu VN, na een feestelijk gevierd 75 jarig bestaan op het punt staat te verdwijnen? Want maandelijks verschijnen nadat je decennia lang een wekelijkse gast was, wil zeggen dat je langzaam uit beeld verdwijnt.

     

     

     

  • Oogst week 42

    Oogst week 42

     

    Schuld
    …schuldig bin ich
    Anders als Ihr denkt.
    Ich musste früher meine Pflicht erkennen;
    Ich musste schärfer Unheil Unheil nennen;
    Mein Urteil habe ich zu lang gelenkt…
    Ich habe gewarnt,
    Aber nicht genug, und klar;
    Und heute weiß ich, was ich schuldig war.

    Dit is een gedicht uit de Moabiter Sonette die Albrecht Haushofer schreef tijdens zijn gevangenschap in Nazi-Duitsland.

    ‘Wat schrijven mensen in het uur van de waarheid? Hoe verhoudt zich dat tot andere literatuur die in volkomen afzondering is geschreven?’ vraagt Maarten Asscher zich af in een interview in De Volkskrant van 16 februari 2013.
    Het is onderwerp van de dissertatie waarop hij eind oktober hoopt te promoveren. Aan de hand van de autobiografische getuigenissen van Silvio Pellico, Oscar Wilde en Albrecht Haushofer gaat Asscher op deze vragen in.
    Tegenover deze drie schrijvers plaatst hij drie schrijvers die de gevangeniservaring als onderwerp kozen voor hun literaire verbeelding: Stendhal, Charles Dickens en Jan Campert. Welke categorie boeken – de getuigenis of de verbeelding – draagt de benauwenis van de gevangeniservaring het sterkst op de lezer over?

    Het uur der waarheid, over de gevangenschap als literaire ervaring, Maarten Asscher, Atlas/Contact, 408 pagina’s, € 24,99

     

    In datzelfde interview vertelt Asscher dat hij zo’n hekel heeft aan het woord ‘leesschuld’. Het is inderdaad een vreselijk begrip, maar wel één dat iedere lezer meteen begrijpt. Gelukkig gaat hij verder: ‘Ik heb sterk het gevoel dat je op een gegeven moment aan die boeken wel toekomt, over een maand, een jaar of over twintig jaar.’
    Dat moment is nu misschien aangebroken voor al die lezers die nooit De vreemdeling van Camus lazen. In zijn wereldberoemde roman over moordenaar Meursault gaat alle aandacht uit naar deze hoofdpersoon. Aan de vermoorde man wordt enkel gerefereerd met de woorden ‘de Arabier’.

    Algerijn Kamel Daoud geeft deze man een naam in zijn debuutroman Moussa, of de dood van een Arabier. Hierin probeert MoussaHaroen de moord op zijn broer te verwerken.
    Maar het is veel meer dan een verwerkingsroman. Het is een roman die kritisch is op De vreemdeling, kritisch op godsdienst, kritisch op geweld en kritisch op het kolonialisme van het Westen. Tegelijkertijd zijn er veel raakvlakken met het werk van Camus dat van directe invloed is geweest op het leven van Daoud. Als jongen raakte hij in de ban van islamistische groeperingen. Het lezen van o.a. De mens in opstand en De mythe van Sisyphus veranderden zijn kijk op het leven.
    Kamel Daoud won met deze roman Prix Goncourt voor Debutanten.

    Moussa, of de dood van een Arabier, Kamel Daoud, vertaald door Manik Sarkar, Ambo Anthos, 114 pagina’s, € 18,99

     

    Winter in Gloster HuisIn Winter in Gloster Huis van Vonne van der Meer gaat het over kiezen. Kiezen tussen dood en leven. Deze keuze wordt gesymboliseerd door twee hotels elk aan de andere kant van de oever van een meer. Aan de ene kant een hotel waar je waardig en omringd door aandacht kunt sterven, aan de andere kant Gloster Huis waar je terecht kunt als je op het laatste moment toch twijfelt aan je doodswens. Het ene hotel is van Richard, het andere van zijn broer Arthur. Arthur zegt: ‘Zijn kracht ligt in het willen, de mijne in wachten.’
    Het is een roman die de discussie over het vrijwillig levenseinde weer zal doen aanwakkeren.

    Winter in Gloster Huis, Vonne van der Meer, 
Atlas Contact
, 144 pagina’s, € 17,99

  • Longlist AKO Literatuurprijs 2014

    Wat schreef Literair Nederland over zes van de vijfentwintig titels die de longlist haalden?

    Onlangs werd de longlist van de AKO Literatuurprijs, waarop maximaal 25 titels, bekend gemaakt. Uit deze longlist worden zes boeken gekozen die op de shortlist terechtkomen. Die lijst wordt vrijdag 26 september bekend gemaakt. Wie uiteindelijk de winnaar wordt van de AKO Literatuurprijs moet wachten tot donderdag 13 november. Dan zal de prijs worden uitgereikt in Den Haag in een bijzondere samenwerking met het festival Crossing Border. Het wordt een speciale Crossing Border avond waarin de genomineerde auteurs geïnterviewd zullen worden door  Wim Brands. De avond zal worden afgesloten met de bekendmaking van de winnaar van de AKO Literatuurprijs 2014.

    Zes van de vijfentwintig titels zijn door Literair Nederland besproken.

    indexMachiel Jansen over Appels en peren van Maarten Asscher: 
    De creativiteit zit ‘m erin dat je nieuwsgierig wordt gemaakt naar wat Asscher nu zo belangrijk vindt in een goeie roman. Want behalve over Het fregatschip gaat dit essay (kort gezegd) over de opvatting dat goede romans ideeën behoren te bevatten.

     

    thumb.phpIngrid van der graaf over De nacht van Merijn de Boer:
    Het blijkt dat Marcel de gewoonte heeft  op een willekeurige plek van zijn stadsplattegrond een konijn te tekenen, als uitdaging om delen van de stad te doorkruisen. Langs niet gekende wegen, waarbij hij zich niet mag laten afleiden door zaken die zijn aandacht trekken, moet hij het traject lopen dat correspondeert met het op de kaart getekende konijn. En dat is exact wat De Boer met zijn roman doet: hij daagt zijn lezers uit door de complexe verhaallijnen het spoor van Marcel te blijven volgen. De andere personages zijn in wezen van geen enkel belang maar tegelijk zijn ze onmisbaar om Marcel te kunnen laten stralen in zijn rol van klunzige buitenstaander.

    thumb.phpMenno Hartman over Vis in bad van Tijs Goldschmidt:
    Vis in bad
    is een gevarieerde essaybundel van hoge kwaliteit die aanzet tot denken en lezen. En vergelijken: het register van Vis in bad is alleen maar wat minder streng opgesteld dan dat van de eerste twee bundels. Zodat je moet constateren dat Goldschmidt in dit boek wel over ‘zee’ en ‘actrice’ heeft geschreven, en in de vorige twee niet. Of toch?

     

    thumb.phpAstrid van Wijngaarden over Zeer helder licht Wessel te Gussinklo:
    Te Gussinklo dwingt je mee te spartelen in gepijnigde zielekrochten, megalomane opvlammingen, tedere droomgedachten, hysterische razernij, obsessief verlangen en uitvergrote schrikgezichten. Soms – hoe aangenaam – mogen we ook even deinen op het gladde oppervlak maar ja, je zou als schrijver geen Te Gussinklo heten als je uiteindelijk niet toch weer kopje onder gaat. Of erger nog, door koude golven genadeloos wordt uitgespuwd.

    thumb.phpHelle Kuipers over De laatste ontsnapping Jan van Mersbergen:
    Terwijl het verhaalheden gaat over een tripje van het viertal naar Zuid-Frankrijk, is De laatste ontsnapping voor een groot deel een kaleidoscopische terugblik op de kroegbelevenissen en de wording van Ivan als vader.

     

    thumb.phpMartin Lok over Voor jou van K. Schippers:
    Voor wie nu denkt dat Voor jou louter een melancholische blik is van een verdrietig man; dat is geenszins het geval. Voor jou is ondanks de alomtegenwoordige Dood vooral een ode aan het volle leven. Het is een parade van herinneringen aan jazz, film en kunst. Billy Eckstine, Balthus, Rudy Kousenbroek, John Cage, René Margritte, Johnny Mercer, Édouard Manet en Geer van Velde. Allemaal komen ze bij Schippers langs, steevast in gezelschap van zijn vrienden.

    I. v/d Graaf

     

  • Prikkelende, bijna voorbeeldige essaybundel

    Prikkelende, bijna voorbeeldige essaybundel

    Wanneer het over historische vergelijkingen gaat moet ik onwillekeurig denken aan de voormalig hoteleigenaar Basil Fawlty uit het Engelse Torquay. Hij had het weer eens gehad met zijn klanten die niets anders deden dan wat rondhangen en klagen, vooral veel klagen. De houding van zijn gasten deed hem denken aan een bepaalde episode uit de geschiedenis en Fawlty was nu niet iemand die zijn frustraties lang voor zich kon houden. Zijn verzamelde gasten kregen van hem te horen hoe lamlendig ze wel niet waren en waaraan hun houding hem deed denken: ‘Well let me tell you something – this is exactly how nazi Germany started.’

    Fawlty’s vergelijking is een hilarische parodie op het gebruik van vergelijkingen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. In alle redelijkheid kun je je afvragen of het wel zin heeft om de oorlog te betrekken wanneer je een actuele kwestie wilt duiden. Toch gebeurt het nog regelmatig. Job Cohen zei ja op de vraag of moslims tegenwoordig net zo worden buiten gesloten als Nederlandse Joden in 1940, Rob Riemen zag opmerkelijke overeenkomsten tussen de PVV en de NSB, en Coen Teulings ziet een parallel tussen de crisis in Zuid Europa en die in Duitsland in de jaren twintig.

    Wie het om wat voor reden niet eens is met dergelijke vergelijkingen kan altijd de gemeenplaats aanvoeren dat je geen appels met peren moet vergelijken. Appels en peren, Lof van de vergelijking is de titel van de laatste essaybundel van Maarten Asscher die in het openingsstuk overtuigend beweert dat het maken van vergelijkingen tussen twee geheel verschillende zaken heel interessant kan zijn. Wie bijvoorbeeld een historische vergelijking maakt, interpreteert een verschijnsel dat nog volop aan de gang is aan de hand van een afgesloten periode waarvan we het begin en einde kennen. Dat kan aardige inzichten opleveren. Bovendien geeft een historische vergelijking inzicht in het standpunt van degene die de vergelijking maakt en het bevordert de discussie.

    Asscher ziet natuurlijk ook wel in dat historische vergelijkingen beladen kunnen zijn, maar het argument dat je zaken die (veel) van elkaar verschillen niet kunt vergelijken, verwerpt hij. Het geeft geen zin om appels met appels te vergelijken.

    Het is een prikkelend begin van een bijna voorbeeldige essaybundel waarin de vergelijking min of meer centraal staat. Asscher vergelijkt in dit boek vooral literaire appels en culturele peren: o.a. Hamlet met Telemachus, de vader van de archeologie Heinrich Schliemann met de vader van de psychiatrie Sigmund Freud, Asscher zelf met Napoleon, de mogelijke zelfmoord van Primo Levi met Japanse kamikaze en de jurist R. P. Cleveringa met nazi-rechter Roland Freisler.

    Die laatste vergelijking is een opmerkelijke want Cleveringa en Freisler verschillen van elkaar als zwart en wit, of beter gezegd, goed en fout. R.P. Cleveringa weigerde tijdens de bezettingsjaren niet alleen een niet-jood verklaring te tekenen, waardoor hij in de gevangenis belandde, hij nam het na de oorlog ook op voor studenten die naar zijn oordeel al te hard werden gestraft voor hun buigzame houding tijdens de bezetting. Asscher voert hem dan ook op als een toonbeeld van een integer jurist. Over Roland Freisler is daarentegen niets goeds te zeggen. Freisler was de schreeuwende en tierende rechter tijdens Hitlers nazi regime die altijd probeerde de verdachte die voor hem stond te vernederen. In meestal goed voorbereide showprocessen sprak hij voorgekookte doodvonnissen uit. Bij Freisler was de rechtbank een toneel waar hij zijn loyaliteit aan het nazisme schreeuwend kon laten zien.

    Asscher gebruikt deze twee, schijnbaar onvergelijkbare juristen om te komen tot een morele thermometer voor juridische zaken, de zogenaamde schaal van Cleveringa. Freisler geeft op die schaal het absolute nulpunt aan en Cleveringa het bijna niet te halen maximum van 100. Op deze manier komen uitersten mooi samen, al is het dan niet in een poging ze te verenigen.

    Asscher weet hoe hij essays moet schrijven. Regelmatig snijdt hij onderwerpen aan die hij bewust beperkt en klein houdt. Het essay over Cleveringa gaat eigenlijk over niets anders dan over het meten van goed en kwaad, maar Asscher beperkt zich bewust tot de twee juristen en weet op die manier de zaken hanteerbaar te houden. Iets dergelijks doet hij ook in het openingsstuk. Door zich te beperken tot de historische vergelijking voorkomt Asscher dat hij een filosofie van de vergelijking moet gaan schrijven. Nu is het een prettig, dwars stuk dat tegelijkertijd kraakhelder is. Want dit ‘klein houden’ heeft als bijkomend voordeel dat Asscher nergens grote woorden nodig heeft, of zich verliest in vage opvattingen; het is allemaal plezierig concreet, begrijpelijk en bij vlagen prikkelend.

    Iets anders wat Asscher goed doet is het strooien met wetenswaardigheden over met name literatuur. Wie zijn achtergrond kent – Asscher is directeur van Athenaeum Boekhandel, voormalig redacteur van de Gids en werkte o.a. bij uitgeverij Meulenhoff –  begrijpt al gauw dat hij uiterst belezen moet zijn en Appels en peren bevestigt dat vermoeden. Maar Asschers eruditie leidt gelukkig niet tot het nodeloos noemen van namen en titels. Wie de titels en namen kent of herkent krijgt het idee dat hij of zij niet van de straat is, wat de meeste lezers als prettig zullen ervaren. En wie moet toegeven dat hij even niet precies weet over wie of wat het gaat, krijgt het idee er iets van te kunnen opsteken.

    Ook zet Asscher af en toe nadrukkelijk aan tot het lezen van andermans werk, bijvoorbeeld het werk van Delmore Schwartz of de Cahiers van Paul Valéry. Een van de opmerkelijkste en sterkste essays in Appels en peren gaat over Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit 1930. Volgens Asscher is deze roman een prachtig voorbeeld van een ideeënroman. Dat is een uiterst aanvechtbare uitspraak, maar daar kom je pas achter wanneer je de roman gelezen hebt. Je kunt dit essay opvatten als een creatieve aansporing om dit min of meer vergeten meesterwerk van Van Schendel eens te gaan lezen. De creativiteit zit ‘m erin dat je nieuwsgierig wordt gemaakt naar wat Asscher nu zo belangrijk vindt in een goeie roman. Want behalve over Het fregatschip gaat dit essay (kort gezegd) over de opvatting dat goede romans ideeën behoren te bevatten. Dit is dan ook weer een voorbeeld van de manier waarop Asscher zijn essays klein houdt. Bijna spelenderwijs en bijna achteloos wordt een controversiële opvatting over literatuur vermomd in de bespreking van een vergeten roman. Knap gedaan.

    Maar Asscher is soms wat minder subtiel. In ‘Het grote en het kleine verhaal’ neemt hij stelling tegen de opvattingen van Henk van Os over specialisten in de kunstgeschiedenis. Van Os heeft het niet op specialisten en bepleit een meer brede kijk op het vak. Asscher is het niet met Van Os eens en neemt het nu juist op voor de specialist in de wetenschap. Dit betoog rammelt wat, vooral wie bedenkt dat de huidige wetenschap steeds vaker gebaat is bij multidisciplinair onderzoek, waarbij generalisten even hard nodig zijn als specialisten. Maar belangrijker dan dit inhoudelijke argument is misschien dat Asscher er dit keer eens niet in slaagt het onderwerp klein te houden; hij beperkt zich niet tot de kunstgeschiedenis. Dit geeft kritische lezers aanknopingspunten om het nu eens flink met Asscher oneens te zijn. Nu is dit op zich niet erg maar dit essay maakt in vergelijking met de rest van de stukken daardoor wel een ietwat onevenwichtige indruk.

    Asscher zondigt één keer echt tegen het idee dat hij zo goed verdedigde in het titelstuk; namelijk dat je appels met peren moet vergelijken en dat het weinig zin heeft om die vergelijking te bekritiseren door te wijzen op verschillen. Natuurlijk verschillen appels van peren, maar appels met appels vergelijken heeft geen zin. In ‘Niet de tralies, maar de deur’ gaat het over de vergelijking tussen de werkplekken van schrijvers en gevangenissen. Dat is een leuke vergelijking en er zijn tal van schrijvers die zichzelf min of meer vrijwillig hebben opgesloten om te kunnen schrijven. Asscher citeert in dit verband een aardig stuk van Tony Perottet in de NYTimes, Why writers belong behind bars waarin de vergelijking tussen gevangenissen en schrijfplekken eens flink wordt aangezet. Asscher gaat een eind mee met Perottet maar heeft uiteindelijk toch kritiek:

    ‘Toch gaat deze auteur (…) de mist in met zijn verheerlijking van de gevangeniscel als de ideale werkplek voor een schrijver. (…)Hij ziet mijns inziens één kardinaal aspect over het hoofd: hij heeft onvoldoende oog voor het feit dat de schrijver in gevangenschap door de van buitenaf afgesloten celdeur is beroofd van de zeggenschap over zijn isolement.’

    Deze kritiek van Asscher komt in feite neer op de uitspraak dat Perottet appels met peren vergelijkt: schrijvers zijn geen gevangenen, want ze sluiten zichzelf vrijwillig op en gevangenen doen dat onvrijwillig. Appels en peren. Dat is vreemde kritiek uit Asschers pen, vooral na het lezen van de voorafgaande essays. Natuurlijk weet ook Perottet heus wel dat de twee zaken niet hetzelfde zijn, maar de lol van de vergelijking ligt in dit geval nu eenmaal in het zoeken naar overeenkomsten, niet naar verschillen.

    Asscher weet er nog wel een leuk citaat van Stendhal achteraan te plakken, namelijk dat het grootste ongeluk van de gevangenis is dat je je deur niet op slot kunt doen. Maar helemaal consequent is Asscher hier niet, al is het een kleinigheid in een bundel die niet alleen plezierig leest, maar ook nog eens tot lezen, nadenken en discussie aanzet. Bovendien is het knap essays bij elkaar te brengen die elkaar versterken en ook nog een zekere eenheid vormen. Asscher laat goed zien dat de vergelijking een prachtig stijlmiddel is. …Zolang we nazi-Duitsland maar achterwege laten.

     

    Appels en peren
    Lof van de vergelijking

    Auteur: Maarten Asscher
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: 19,95

     

  • Rudy Kousbroek – schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen

    Rudy Kousbroek – schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen

    In het derde nummer van De Gids aandacht voor de – op 4 april 2010 – overleden essayist, polemist en dichter Rudy Kousbroek. Annet Mooij in het inleidende stuk Bij dit nummer: ‘Het essay vormt  samen met de poezie en het verhalend proza het hart van De Gids’. Maar een van Nederlands grootste en scherpste essayisten leverde slechts eenmaal een bijdrage. Niet omdat de redactie geen vinger aan de pols hield bij de betreffende schrijver. Graag had de redactie meerdere stukken van hem opgenomen maar het bleef bij die ene keer in 1984, toen hij enkel korte stukjes leverde als bijdrage voor het  ‘Het pak van Sjaalman’. Tot iets groters voor De Gids is het nooit gekomen. 

    Kousbroek schreef liever voor kranten. De redactie pakt nu haar kans door dit nummer geheel aan Kousbroek te wijden. Niet uitsluitend gaan de stukken over hem maar is het vooral een nummer geworden in de geest van Kousbroek. Waarvoor onder andere Tijs Goldschmidt, Jaap van Heerden, Daniel Rovers, Xandra Schutte, Arjan Mulder, Maarten Asscher, Roel Bentz van den Berg, Bas van Putten, Dirk van Weelden en Joost de Vries een bijdrage leverden.                                                                               Sarah Hart – zijn tweede vrouw – verzorgde  Seven Photos of Rudie Kousbroek. Foto’s van Kousbroek die ze voorzag  van tekst, in de geest van Kousbroeks fotosynthese boeken.

    Tilly Hermans memoreert Kousbroek als: Schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen.  Als toegewijd redacteur en later uitgever van Kousbroek, maakte zij van dichtbij de problemen mee die Kousbroek ondervond bij het schrijven. Een tekst op commando produceren ging hem niet goed af. Een tekst van zichzelf kon Kousbroek tot grote vertwijfeling brengen: schrijven was voor hem een moeizaam proces. De ideeën die in zijn hoofd ontstonden, kosten hem veel moeite ze zo opgeschreven te krijgen zoals hij het zich voorstelde. Tilly Hermans bezocht hem verschillende malen in Parijs met het doel hem tot schrijven te brengen aan Het Oostindisch kampsyndroom. Er wordt  gewandeld tijdens die bezoeken, over katten gesproken, musea bezocht maar tot schrijven van de gewenste stukken komt het niet. Dan beklimt Tilly Hermans op een zondagmorgen de trappen naar zijn Parijse woning. Van ver hoort ze het droge tikken van een schrijfmachine. Even gelooft ze dat de schrijver schrijft.  Om dan te ontdekken dat Kousbroek de inhoudsopgave van het boek nog maar eens uittypte. Het Oostindisch kampsyndroom dat in de aanbiedingsfolder van Meulenhoff in 1986 werd aangekondigd, verscheen pas in1992. Toen CPNB aankondigde dat het boekenweekthema van 1992 Nederlands-Indie zou zijn schreef  Kousbroek opeens in enkele maanden 500 paginas. Tilly noemt het in vergelijk met Multatuli, Kousbroeks ‘pak van Sjaalman’.  Ook Medereizigers – over hoe de liefde van de mens voor het dier is ontstaan – kwam pas tot een compositie toen Dieren het thema werd van Boekenweek 2009. Tilly Hermans: “(…) wanhopig en kwaad kon ik zijn omdat hij maar niet leek te willen geloven dat we zijn boeken heel graag wilden uitgeven, dat ik echt niet zijn enige lezer zou zijn.”

    De tekst van de eerste Rudy Kousbroek-lezing, gehouden door K. Schipper staat in dit nummer. Het Rudy Kousbroekplein bevat onverhuld een pleidooi om een bestaand plein in het Rudy Kousbroekplein om te dopen. Want het Sarphatipark heette eerst Bollandpark en het Jan Willem Brouwersplein is nu Concertgebouwplein. En waarom niet een “(…) Rudy Kousbroekplein, (..) aan de zijkant van de muziektempel (…) In de naam klinkt van alles door (..) compleet met Jan Willem Brouwers, een verhaal dat ontploft tussen al die trampassagiers, wachtend op de halte.” Denkend aan Kousbroek komen toch vooral de knetterende polemieken boven die hij met schrijf-collega Jeroen Brouwers voerde. Schippers schreef een forensische schets over Kousbroek, die als zestienjarige met het troepentransportschip Noordam vanuit Sumatra, Nederland binnenvoer. Over de wegen die hij in het Amsterdam van de jaren 50 bewandelde of per tram beslechtte op weg naar school of theater. Daar zou nog wel eens een Rudy Kousbroek-route uit kunnen ontstaan die uitkomt op het Rudy Kousbroekplein.

    Maarten Asscher interviewde Rudy Kousbroek in het Academisch-Cultureel centrum Spui 25 te Amsterdam op 17 april 2007. Het gesprek begint als volgt: “MA: Wil je een glaasje water om mee te beginnen? RK: Wat ik eigenlijk het liefst zou willen is de gordijnen dicht. We zitten hier zo te koop. MA: Voor schrijvers is dat toch niet zo ongepast? RK: Voor een schrijver als ik wel, hoor. Ik werk in het donker.”  Waarna het interview onder het motto de ‘fotosynthese’ wordt afgenomen. Een formule van foto’s waarbij een tekst geschreven. Kousbroek heeft verschillende fotosyntheseboeken gepubliceerd. In dit gesprek noemt Kousbroek zichzelf een  mislukt romancier. “Het is mij nooit gelukt om een roman, een echte roman, te schrijven zoals ik denk dat dat gedaan moet worden, en die ook werkelijk af te maken.”

    Uit alles blijkt dat Rudy Kousbroek leed aan een gebrek aan zelfvertrouwen waardoor veel ideeën het niet tot een publicatie brachten. Kortom, een Gids  voor de liefhebber van Rudy Kousbroek, een collecters nummer!

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Toen ik voor het eerst de titel van de ‘nieuwe Pessoa’ zag, las ik aanvankelijk  ‘Heimwee naar vervreemding’. Nadat echter gebleken was dat de werkelijke titel Heimwee naar vereeuwiging luidde, maakte een lichte teleurstelling zich van mij meester. Zou de inmiddels o zo vertrouwd  geworden vervreemding van Pessoa zomaar ingeruild zijn voor een hoogdravend streven naar vereeuwiging?
    De Engelse gedichten, luidde de ondertitel. En Engels was de taal waarin Pessoa (1888 ? 1935) zijn eerste schreden op het dichterspad zette, schoolgegaan als hij was op Engelstalige instituten in Zuid Afrika, waar hij van 1896 tot 1905 met zijn moeder en haar tweede echtgenoot woonde. Tijdens zijn Zuid Afrikaanse studiejaren won hij al eens een prijs voor het beste Engelstalige essay, maar niettemin oordeelden zijn stiefvader en moeder dat zijn toekomst in zijn vaderland, Portugal, moest liggen. In de zomer van 1905 keerde hij in zijn eentje terug naar zijn geboortestad Lissabon, waar hij als zeventienjarige opgenomen werd in het huishouden van twee tantes en een voor krankzinnig versleten grootmoeder. Maar juist in Portugal ontkiemde de wens zich als Engelstalige dichter te manifesteren. Tot 1908 schreef hij zelfs uitsluitend Engelstalige gedichten en pas vanaf 1908 ondernam hij daarnaast ook pogingen in het Portugees te dichten.

    Na een korte letterenstudie aan de universiteit van Lissabon, vestigde Pessoa zich als handelscorrespondent. Zijn kennis van het Engels, Portugees en ook Frans kwam hem hierin van pas. Overdag een kantoorleven, en ’s avonds aan de schrijverij of in benevelde staat zwerven door Lissabon. Het volhouden van een dergelijk opgedeeld leven vraagt om opgedeelde persoonlijkheden. En daarin voorzagen de diverse dichterlijke heteroniemen waarmee Pessoa zich vanaf 1914 begon te bedienen. En dat er ook een paar Engelse heteroniemen tussen zaten, bewijst wel dat hij zijn Engelstalige poëzie serieus nam. Zo kwamen de heteroniemen Alexander Search en Charles Robert Anon in de wereld. Ze werden ook aangewend voor het ondertekenen van ingezonden brieven naar Engelse kranten. Voor iemand die van zichzelf zocht te vervreemden is het misschien ook niet zo verwonderlijk dat hij zich zoekt te uiten in een andere dan zijn eigen taal. Van het twaalf delen tellend Verzameld Werk vult het Engelstalige maar liefst drie delen. Kwantitatief legt het dus zeker gewicht in de schaal, maar het is Pessoa echter niet gelukt om zijn Engelstalige gedichten in boekvorm gedrukt te krijgen, anders dan bij een marginale uitgever voor eigen kosten.

    Na 1920 geeft hij dan ook de brui aan zijn pogingen Engelstalige poëzie te schrijven. Inmiddels had hij zich als dichter in het Portugees gemanifesteerd en daarin liet hij zijn legertje heteroniemen zich verder uiten. Maar… helemaal werd de Engelse taal niet afgezworen, want uit zijn sterfjaar, 1935, niet lang voor zijn dood aan alcoholvergiftiging, dateert het vers D.T. Dat zo inzet:

    ‘In de afgelopen dagen

    Heb ik een duizendpoot

    Met mijn schoen kapotgeslagen.

    Hij was er niet, toch is hij dood.

    Hoe ik dat doe?

    Daar zit ik echt niet mee ?

    Zo begint gewoon D.T.’

    Wanneer men bedenkt dat D.T. staat voor Delirium Tremens, dan leest het als een soort light verse, waarin Pessoa zijn eigen alcoholverslaving op de korrel neemt.

    Maar dit gedicht, waarmee de bundel ? die zich op dit ene, later tot stand gekomen gedicht na  ook laat lezen als een poëziebloemlezing van de jonge Pessoa ? afsluit, is zeker niet typerend voor de rest van de opgenomen gedichten.

    Zijn streven als Engelstalige dichter naam te maken, zette met zeer traditionele vormgegeven sonnetten in. Geen wonder voor iemand die zich ten doel stelde Pope, Milton, Shakespeare naar de kroon te steken. Hij koos dan ook voor het Elizabethaanse sonnet, dat sterk afwijkt van het Italiaanse prototype van Petrarca. Dit laatste bestaat uit een octaaf (8 regels) waarin het thema wordt gepresenteerd, gevolgd door een sextet (6 regels) waarin het thema zijn climax bereikt en tot afronding komt. De zeventiende-eeuwse Elizabethaanse variant telt drie kwatrijnen (4 regels) elk met eigen rijm. Om in de laatste twee regels, het distichon, op pregnante wijze de inhoud samen te ballen, vaak ook met een zekere pointe. De vorm mag dus ouderwets ogen, Pessoa gaat er wel tegenaan met zijn eigen(tijdse) problematiek van vervreemding van de ik ten opzichte van de werkelijkheid, de ontoereikendheid van het menselijke streven naar wezenlijk contact tussen het ik en de ander en zo meer. Een mooi voorbeeld is:

    Sonnet XXVIII

    ‘Het randje van de groene gold sist wit.

    Op ’t natte zand. Ik droom, terwijl ik kijk.

    Voorwaar, de werkelijkheid is toch niet dit!

    Hoe het ook zij, dit is niet wat het lijkt!

    De lucht, de zee, het onbeperkt verbreide

    Van vreugd, de wereldmassa waar wij naar

    Kijken, is niet iets, maar iets tussenbeide.

    Slechts wat hierin iets anders is, is waar.

    Als dit iets voorstelt, als ik in mijn waken

    Die helderheid, de slaap der dingen zie,

    Laat mij dan maar mijn eigen dromen smaken

    En waarheid putten uit mijn eigen fantasie,

                Die al te bitter droomt, vol schoon verwensen

                Heelal, o dagelijkse slaap der mensen.’

    Omdat het Engelse origineel ernaast staat afgedrukt, kan men zien hoe mooi Asscher erin geslaagd is om de zin ‘Only what in this is not this is real.’ om te zetten in: ‘Slechts wat hierin iets anders is, is waar.’

    De Engelstalige gedichten zijn van vorm traditioneler dan de Portugese poëzie van Pessoa. Ze kenmerken zich vooral door de compacte, lapidaire zinsconstructies met hun samengebalde zeggingskracht. Alles strak geregisseerd en de woorden hypergestileerd en vernuftig tegen elkaar uitgespeeld. Neem bijvoorbeeld het distichon uit Sonnet VIII:

    ‘And, when as thought would unmask our soul’s maskings,/ Itself goes unmasked to the unmasking.’ Dit wordt in vertaling: ‘En de gedachte die de ziel ontmaskert / Gaat daarbij zelf nooit anders dan gemaskerd.’ Naar de geest goed weergegeven, al laat het Engelse origineel het nog meer vonken op woordniveau. Maar ja, soms is dat woordspel een beetje overdone en dan is de schier onvermijdelijke afvlakking in het Nederlands niet eens onwelkom. Maar een zin als ‘A port is near the more from port we part’ (vertaald als: ‘Vertrek brengt steeds een haven naderbij’) toont aan dat Pessoa zich ook om welluidendheid bekommerde.

    De 35 sonnetten die in deze bloemlezing integraal gepresenteerd worden dateren van 1912 ? 1914,  maar de bundel vangt aan met het uit 1913 daterende langere gedicht Epithalamium (Bruiloftsdicht), een uiterst zinnelijk vers dat geschreven is vanuit de focus van de bruid op haar trouwdag met voorafschaduwing van de consummatie in de daaropvolgende bruiloftsnacht. Gevolgd door het in 1915 geschreven Antinoüs, een klaaglied voor keizer Hadrianus bij de dood van zijn lievelingsknaap. Deze twee verzen van langere adem zijn nog van de hand van August Willemsen, de vaste Pessoavertaler die in november 2007 overleed. Ze zijn tevens buitenbeentjes in het oeuvre van Pessoa vanwege de openlijke verbeelding van zinnelijke lusten. Gelukkig staan in het oeuvre van Pessoa dergelijke op lustbevrediging gerichte strevingen garant voor evenzovele teleurstellingen, zodat de sluier van vergeefsheid en weemoed oververhitting bij de poëzieminnende lezer voorkomt.

    Wellicht dat de direct in het oog springende traditionelere vorm van deze Engelstalige poëzie in eerste instantie de vertrouwde Pessoastem wat lijkt te hebben weggemoffeld, maar tussen de regels door ontwaart men wel degelijk de stem om wie het de Pessoalezer te doen is.

    Ook in de afdeling Inscripties, die teruggaat op de traditie van de epigrammen, vindt men het vertrouwde:

    Inscriptie nummer VI:

    ‘Bemind als minnaars of als buit verdiend.

    Een echte vrouw voor een doorvoede man

    Was ik van wie ik diende ook gediend.

    Ik liep, sliep, baarde en stierf alsof dat zomaar kan.’

    En nummer VII:

    ‘Genot ging als een vreemde nap aan mij voorbij.

    Aan goden placht ik mij ? streng, eigen ? te vergapen.

    De schaduw naderde gewoonweg achter mij.

    Dromend dat ik niet sliep, heb ik mijn droom geslapen.’

    De drie kloeke Engelse delen uit het Verzameld Werk integraal vertalen zou wellicht wat veel van het goede zijn, maar de kwaliteit van de hier gepresenteerde selectie rechtvaardigt de verschijning ervan in de prestigieuze Pessoareeks van de Arbeiderspers.

    Tot besluit nog een kleinigheid: de achterflap meldt dat ‘niets van deze Engelstalige poëzie’ eerder in het Nederlands uitgegeven zou zijn. Dat moge zo zijn voor de hierin gepresenteerde vertalingen. Maar vier van de 35 sonnetten had August Willemsen zelf al in eigen vertaling opgenomen in zijn vele malen herdrukte en alom geprezen bloemlezing van de Gedichten van Fernando Pessoa uit 1978, waarmee hij vele Nederlanders voor het eerst liet kennismaken met dit poëtisch genie uit Lissabon. Sindsdien was de naam Pessoa voor de Nederlandse poëzieliefhebber zozeer verankerd met die van Willemsen, dat velen vreesden dat met de dood van de laatste ook de eerste een tweede dood gestorven was. Maar gelukkig toont Asscher dat er nog Pessoa na Willemsen is. Al blijft het eeuwig jammer dat Willemsen zelf niet meer van zijn ‘eigen’ Pessoa kan genieten.

    Heimwee naar vereeuwiging

    De Engelse gedichten
    Auteur: Fernando Pessoa
    Vertaald door: Maarten Asscher en August Willemsen
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Prijs  € 27,50