• Wortels en bewustwording

    Wortels en bewustwording

    Op de voorkant van deze omvangrijke bundel, Handleiding voor ontheemden van Robin Block staat een waringinboom afgebeeld die een warrig net van dikke wortels over de grond heeft uitgespreid. In dat vlechtwerk van wortels onderscheidt zich één bloedrode tak. Een goedgekozen symbool van de inhoud van de bundel, waarin hij op zoek is naar zijn wortels in het Nederlands-Indië van weleer als afstammeling van een Nederlandse voorvader en een Indonesische oermoeder. Block debuteerde in 2005 met de bundel Bestialen bij uitgeverij Holland. Zijn tweede bundel bevat dertien afdelingen, een epiloog en een verklarende woordenlijst van woorden uit het Indonesisch. Meteen in het eerste gedicht al legt de dichter het thema van de hele bundel, de zoektocht naar zijn afkomst.

    Mijn bloed

    ik draag de stank van tabak, mijn aderen
    vertakken zich langs oude plantages, mijn spieren
    mengen kalmte met geweld – de stem
    van een voorvader buldert door mijn keel

    ik heb zoveel te bewijzen

    in mijn mond strijden verschillende tongen,
    de ruggengraat van een nyai draag ik,
    de kinderen die zij baarde zijn kinderen
    die haar niet meer toebehoren

    haar handen, mijn polsen, zoveel kwijtgeraakt

    in mijn bloed galmt het gezang van gevangenen,
    de dreun van een geweerkolf – een rode stip
    spat op wit katoen, grootmoeder hurkend
    in de kokendhete middagzon
    door mijn hoofd loopt een verbogen rails,
    een dwaalspoor ingehamerd
    bij de volgende generaties:

    aanpassen! aanpassen!

    herinner je de winter, de eerste
    die ons allemaal bevroor

    jouw voeten, mijn voeten
    bloot en koud op vreemde grond

    opa verstopt zijn oorlog
    in elk oog een dolk
    in zijn glimlach een verloren jongetje

    en ik heb vlaggen
    te verhangen,

    kransen waarvan ik niet meer weet waar ik ze leggen moet

    Toerist en verloren zoon

    Zoals dichters en schrijvers als Eddy du Perron en Dewi de Nijs Bik zoekt Block naar het land van herkomst. Letterlijk, als hij als toerist naar Indonesië gaat en probeert zich een weg te banen naar het verleden als kind van twee culturen. Maar ook als hij in diverse gedichten de stemmen laat klinken van zijn voorvader Tabak en zijn oermoeder, die zonder naam in de herinnering bleef, al baarde zij de kinderen van de plantagehouder. Ze staan vaak lijnrecht tegenover elkaar in hun uitspraken: de nuchtere Hollander, die wars is van emoties en de inheemse vrouw. Ze verhalen van gebeurtenissen van lang geleden en waken vanuit de geestenwereld over de dichter, die hun afstammeling is. Ze proberen contact met hem te leggen om hem te helpen in zijn zoektocht naar zijn wortels, als hij als toerist naar Indonesië gaat en zijn familie aldaar opzoekt.

    Heden en verleden staan naast elkaar in zijn gedichten. Het leven in het moderne Indonesië wordt afgewisseld met het koloniale tijdperk van de plantagehouders. De natuur wordt bezongen, de gebruiken en gewoontes in ere gehouden. Personen van vroeger en nu worden opgevoerd om een indruk te geven van Indonesië vandaag en uit het verleden. Block schildert een betoverend, sprookjesachtig Indië, dat doet denken aan de Stille kracht van Couperus en De scheepsjongens van Bontekoe van Johan Fabricius, maar daarnaast eert hij het Indonesië van vandaag, dat van de clichématige opvattingen over het land af wil.

    Block beschrijft ook de andere kant van het verhaal, de repatriëring van de Indische Nederlanders naar Nederland en de aanpassingen die er van hen verlangd werden. Ook al trachtten zij aan te sluiten bij de Nederlanders, zij bleven een aparte groep vormen. Block citeert het boekje met richtlijnen dat de repatrianten meekregen om de overgang zonder al te veel problemen te laten verlopen: Uitgave van de Afdeeling Pers en Publiciteit van den Dienst der Repatrieering uit 1946. Het is nu beschamend om te lezen hoe dit boekje, Djangan Loepah getiteld (wat ‘Niet vergeten’ betekent), voorschrijft hoe mensen zich dienden te gedragen als zij in Nederland waren aangekomen. Zo mochten koffers niet in de woonkamer staan: ‘wij hebben dan altijd het gevoel/ dat wij bezig zijn op reis te gaan en dat bevordert de huiselijkheid niet’. Het betuttelende toontje met het minzame ‘wij’ in de aanspraak voelt nog steeds kwetsend aan.

    Ontknoping

    Block wisselt zijn onderwerpen af in de gedichten. Af en toe is het moeilijk de rode draad vast te houden, vooral omdat ook de versvormen gevarieerd zijn. Van prozagedichten naar dialogen, van gedichten met toneelachtige aanwijzingen en terzijdes naar citaten van Indonesische dichters: het vergt aandacht van de lezer om te weten waar het over gaat, in welk tijdperk we ons bevinden en wie er aan het woord is in het gedicht. Misschien kenmerkt die veelzijdigheid de versplinterde identiteit van de dichter zelf: een wirwar van gevoelens, een chaos van gebeurtenissen die hem overviel bij het zoeken naar zijn eigen identiteit. Nogmaals komt het beeld van de wortels van de waringinboom in gedachten, nauwelijks te ontwarren. Maar Block weet de verwarring te weerstaan met humor, zelfspot en hier en daar een vleugje sarcasme:

    Wisselkind

    Zie mij eens mijn best doen om hier thuis te zijn. Ik zing de dankjewels
    met mijn kopstem. Kijk niemand in de ogen als ik groet. Ik heb een batikshirt
    dat schouderklopjes krijgt. Ik ben jullie Insta-mascotte, twee koppen groter. Ik eet
    op straat met de locals mee. Lepel voldoende sambal op mijn bord en spoel

    mijn reet af met het flesje. De witte rijst kleur ik bij
    met kecap. Mijn genen bakken mee met de zon. Ik ben best stoer
    op die scooter. Ik ben hier lang genoeg.

    Zie mij eens mijn best doen om hier thuis te zijn. Ik spreek de hoezo’s
    ritmisch uit. Kijk je strak in de ogen als ik groet. Grinnik met mijn mond dicht.
    Ik heb een wintertrui die schouderklopjes krijgt. Ik ben jullie voetbalvriendje,
    twee koppen kleiner. Eet andijvie met de buren. Schep voldoende
    jus in het kuiltje. Mijn genen bleken mee in de sneeuw. Ik prak aardappels
    door de groente heen, veeg zittend mijn reet af. Eenlaags schuurpapier.
    Ik ben best stoer op die racefiets. Ik ben hier lang genoeg.

    Wat uit dit gedicht blijkt, komt ook naar voren in het slotgedicht van de bundel: de dichter lijkt vrede te hebben gevonden met zijn gemengde afkomst, ondanks het feit dat hij niet duidelijk een keuze heeft weten te maken tussen Nederland en Indonesië. Dat was ook niet nodig: beide landen en culturen zijn in hem vertegenwoordigd en daar zal hij het mee moeten doen.

    Zijn zoektocht heeft een bundel opgeleverd die betoverend en nuchter tegelijk is, de uitkomst van de erfenis van twee culturen. Block oordeelt niet over het koloniale verleden, maar aanvaardt zowel de Nederlandse als de Indonesische kant van zijn afstamming. Hij heeft met deze bundel een monument geschreven voor zijn voorvaderen, maar minstens zo belangrijk is het feit dat hij zijn verre, anonieme oermoeder haar naam heeft weten terug te geven.

     

     

  • Salamander

    Salamander

    En voor het eerst waardeerde hij. Een zin in cursief. Het is de laatste regel van Metamorfoze (1897) van Louis Couperus. Een boek dat ik kocht bij de plaatselijke V&D. Mijn allereerste Couperus, een pocket uit de Salamanderreeks. Waarom Couperus, waarom Metamorfoze dat toen al bijna een eeuw oud was? Ik had geruchten vernomen, over dandyisme, maskerade en roze zomerpakken. Ook de flaptekst en het nawoord van F.L. Bastet maakte nieuwsgierig: hoofdpersoon Hugo Aylva zou een zelfportret van de schrijver zijn. Bijna dertig jaar geleden gaf ik mijn Salamanderpocket cadeau aan een jongen met groenblauwe ogen, krulhaar en bloswangen. De gladde huid van een zeehond. Nu ik dit schrijf herinner ik me vooral de tongzoen die hij me gaf nog voordat we elkaar echt leerden kennen. Omdat ik toentertijd uitsluitend Couperus las, woorden als ‘spleen’ in mijn dagelijkse taalgebruik introduceerde en in mijn dagboek ‘weer’ schreef als ‘weêr’ en ‘zou’ als ‘zoû’, ontwikkelde ik in lijn van zijn werk een hypergevoeligheid voor wat ik hier gemakshalve de rafelranden van wetenschap zal noemen.

    Ik raakte zo verstrikt in het spiegelpaleis van theosofie, zielsverhuizing en tafeldansen dat ik na deze droomzoen, die ik als een betekenisvol voorteken van wat dan ook zag, besloot voor het eerst verliefdheid in mijn leven toe te laten. Hij schreef me kaartjes in een priegelig apothekershandschrift. Toen ik hem mijn exemplaar van Metamorfoze gaf, zei ik dat hij daarmee niet alleen één van de grootste schrijvers van Nederland persoonlijk leerde kennen, maar ook mij. Hoogdravende woorden, onechte woorden die me in de loop van mijn leven meer hebben achtervolgd dan de bontgekleurde vlinders die toen in mijn lijf dansten. Zo werkt schaamte. Want de jongen in kwestie wilde me best wel beter leren kennen, heel graag zelfs –  ‘ik heb ’t zweet op je koppie in de zomer lief, maar meestal nog meer de inhoud van het koppie’, schreef hij poëtisch aan mij als antwoord – maar niet op de manier, zo bleek na te lang en te moeizaam aftasten, waarnaar ik zo verlangde. 

    Ik weet eigenlijk niet of hij het boek heeft gelezen. Het kost wel wat inspanning om je door de meanderende zinnen van Couperus te laten vangen. Ze proeven soms als suikerspin, je hapt in leegte. Om vervolgens betoverd te raken, door het ritme, door de wereld die je achter de woorden raadt. Ik was er verslaafd aan, dacht ook dit is de enige manier waarop literatuur met hoofdletter L geschreven wordt. Een leven lang lezen, een leven lang aannames schrappen.
    Terug naar de weggegeven Salamander. Het bijzondere omslag is van Anjo Mutsaars. Zij heeft zich zonder twijfel laten inspireren door de meest iconische foto die van Couperus bestaat, want in die eenzame boom herken je zijn silhouet, mantel en hoed. Er schuilt een jongeman in het bladerdek, half verborgen, maar zeker ook zichtbaar. Zijn blik is onzeker, lijkt verlangend. Waar hij is, zijn bladeren nagenoeg verdwenen, is de dekmantel weggevallen. Hij staat op de drempel van coming-out. Hij mag er zijn. En voor het eerst waardeerde hij.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • ‘Hertalen die handel!’

    ‘Hertalen die handel!’

    Lang was Marita Mathijsen faliekant tegen het hertalen van boeken die kunnen bogen op een canonieke status in de Nederlandse literatuur. Ze zag niets in het inwisselen van door een schrijver weloverwogen gekozen woorden voor hedendaagse equivalenten. Hertalen deed in haar ogen geen recht aan het origineel. En het inkorten van een verhaal ook niet. Inmiddels is Marita Mathijsen om. ‘Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid’, liet ze zich vorige maand in een interview ontvallen.

    Ik snap haar oorspronkelijke bedenkingen. Waar Marita Mathijsen bang voor was, is dat literaire meesterwerken teruggebracht worden tot simpele verhaaltjes. Als literatuur staat of valt met de stem en de stijl van de schrijver wordt met het hertalen en/of inkorten van een tekst iets wezenlijks geamputeerd. Ik snap ook waarom ze terugkwam op wat ze vond. Ze wil dat Vondel, Multatuli, Couperus en al die andere voortreffelijke schrijvers uit het verleden gelezen en gewaardeerd worden door nieuwe generaties lezers. Taal mag wat ze te vertellen hebben niet in de weg staan.

    Het belang en de zeggingskracht van letterkundige werken van voor negentienhonderdnogwat wordt in Nederland onderschat. Of het ontbreken van een hertaaltraditie daar de oorzaak of een gevolg van is, laat ik in het midden. Maar betreurenswaardig is het ontbreken van die traditie wel.

    Een tekst die stevig in zijn schoenen staat, kan heel wat hebben. Neem nou Hamlet. Ik hou van Hamlet en die liefde werd tijdens mijn meeste recente verblijf in Londen bekroond met vier versies voor mijn verzameling die inmiddels meer dan honderd exemplaren telt. In lang niet al die exemplaren wordt het toneelstuk van William Shakespeare op de voet gevolgd. Sommige ver- en hertalers veroorloven zich heel veel vrijheden. Maar Hamlet blijft Hamlet. Als Hamlet het kan hebben dat hij grondig onder handen genomen wordt, waarom zouden Gijsbrecht van Aemstel, Max Havelaar en Eline Vere dat dan niet verdragen?

    Nederland is het bewerken van haar eigen klassiekers niet gewend, maar helemaal onbekend is het fenomeen hier ook weer niet.
    Eerstegraads docente Nederlands en schrijver van de roman Darko’s lessen Michelle van Dijk pakte de door Marita Mathijsen én Ronald Giphart – ‘hertalen die handel!’ is zijn motto – toegeworpen handschoen op en treedt daarmee in de voetsporen van onder andere Ivo de Wijs, Daniël Mok en Gijsbert van Es, die zich ontfermden over De geschiedenis van Woutertje Pieterse, De kleine Johannes en Max Havelaar. Michelle van Dijk maakt zich sterk voor Louis Couperus’ Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Haar hertaling die het origineel uit 1906 trouw volgt, is werk in uitvoering en verschijnt als feuilleton op haar blog.

    PS. Anders dan Marita Mathijsen suggereert is hertalen niet de enige manier om klassieke literatuur nieuw leven in te blazen. Verstrippen is ook een optie. Kijk maar naar Dick Matena en Viktor Hachmang. Hachmang werkte ruim drie jaar aan de graphic novel Blokken: de mislukking van een heilstaat en gebruikte daarbij gewoon de woorden van F. Bordewijk.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Op 11 april 1947 scheepte mijn moeder in Amsterdam in op het MS Oranje voor haar passage naar Indië. Van die reis deed zij verslag. Ze maakte er een verhaal van in de vorm van een dagboek. Dat verhaal zit keurig uitgetypt in een plakboek, verlucht met onderweg gemaakte foto’s, menukaarten en nog wat parafernalia die helpen bij het koesteren van eerste indrukken.
    Dat verhaal over haar eerste zeereis schreef ze vooral voor zichzelf. Slechts weinigen zullen er weet van gehad hebben. Misschien liet ze het haar collega’s lezen: de andere Marva’s aan boord die net als zij onderweg waren naar Batavia dat twee jaar lang hun standplaats zou zijn. Of het thuisfront ooit kennis nam van haar wederwaardigheden aan boord en tijdens het passagieren…

    Wanneer ik haar verhaal voor het eerst mocht lezen, weet ik niet meer. Ik weet nu wel dat ik toen nog niet oud, wijs en belezen genoeg was om te doorgronden wat er tussen de regels stond. Ik was me er ook nog niet van bewust hoe veel er van mijn moeder in dat verhaal zit. Ik weet alleen nog dat ik af en toe schrok van haar nogal boude uitspraken en ongenuanceerde opvattingen.
    In plaats van mijn moeder vragen te stellen – in eerste instantie kwam dat niet in me op, daarna was het te laat om er nog op terug te komen – las ik me haar verleden in. Probeerde ik via de literatuur vat op mijn moeder te krijgen. Ook op de avontuurlijke moeder die ik nooit gekend heb.
    Ik dacht dat de sleutel in Indië lag. Het Indië van Louis Couperus, Maria Dermoût en Hella Haasse, maar De stille kracht, Oeroeg en De tienduizend dingen brachten mij niet nader tot mijn moeder. Hun band met dat land was inniger. Zij waren er geworteld, mijn moeder was maar een passant.

    Toen mijn moeder op 1 mei 1947 voet aan wal zette in Batavia was van een idyllisch Indië geen sprake meer. Tempo doeloe was voorgoed voorbij. Er braken andere tijden aan. Die geschiedenis werd bij ons thuis niet opgerakeld. Wat mijn moeder – en de man die mijn vader werd: ze ontmoette hem daar en trouwde ter plekke – in Indië moest, is een vraag die ik mezelf met enige regelmaat stel.
    Ik kan het haar niet meer vragen, en troost mezelf met de gedachte dat zij hoe dan ook een ontwijkend antwoord zou hebben gegeven.

    Indië is voor mij altijd het land van anderen gebleven. Ik ben er niet geboren en ook niet gemaakt, maar mijn ouders voelden zich er ooit thuis. Dat rechtvaardigt dat ik me via de literatuur nog altijd een pad naar hun verleden probeer te banen. En dat ik plaatjes kijk in Een passage naar Indië van Rudy Kousbroek in de hoop dat die over de woorden van mijn moeder schuiven.
    Dat ik me tijdens al dat gelees af en toe het kleine zusje waan van Nathan Sid is een milde vorm van culturele toe-eigening die volgens mij geen kwaad kan.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Couperus op pad

    Couperus op pad

    Er zijn maar weinig Nederlandse schrijvers van het begin van de 20ste eeuw of  langer geleden die nog gelezen worden door het hedendaagse literaire publiek. En nog minder schrijvers hebben een Genootschap dat hun werk onder de aandacht probeert te brengen. Het Multatuli genootschap, is er één, ook du Perron heeft zo’n bewonderaarsgroep. En Louis Couperus natuurlijk. Zijn genootschap organiseert sinds 21 mei 2017 in het Louis Couperus Museum de tentoonstelling ‘De Oriënt verkend. Op reis met Louis Couperus en Marius Bauer’. En bij gelegenheid van die tentoonstelling bracht uitgeverij Bas Lubberhuizen het boek Couperus in de Oriënt uit, een bewerking van het in 2009 verschenen en door José Buschman geschreven Een dandy in de Oriënt. Louis Couperus in Afrika.

    Reizen in stijl
    We kunnen ons nu geen voorstelling meer maken van de wijze waarop vroeger gereisd werd door de beter gesitueerden van die tijd. Het dienstverlenende personeel werkte voor een schijntje en het was heel normaal dat reizigers hun bedienden meenamen. En de huidige beperking van kilo’s bagage was toen ook een stuk royaler: 160 kilo mocht mee in de trein. Couperus – die met zijn vrouw reisde, geen bedienden meenam, maar zich liever in luxe hotels  liet verwennen – vond dat wat weinig, maar het belette hem niet om heel wat reizen te ondernemen in West-Europa.

    Een bezoek aan de Oriënt viel nogal buiten dat stramien. Dat hij daar in 1920 toch voor een half jaar heen reisde was op verzoek van S.F. Van Oss, oprichter en hoofdredacteur van de Haagsche Post. De teruglopende verkoop van zijn boeken bracht Couperus in 1909 tot het besef dat hij zich moest toeleggen op het in kranten en bladen publiceren van feuilletons, schetsen en korte verhalen. Zijn reizen door Europa en zijn jarenlang verblijf in Italië en Frankrijk gaven voldoende stof voor anekdotische stukjes en de ik-vorm waarin ze geschreven werden maakte ze voor de lezer extra leesbaar.
    Ze verschenen in het dagblad Het Vaderland en het weekblad Haagsche Post.

    In 1920 wilde Van Oss zijn lezers trakteren op een reisverslag-in-feuilleton-vorm van zijn ster-medewerker en stelde voor dat Couperus naar Noord-Afrika zou gaan. Met een royale onkostenvergoeding en een – voor die tijd vorstelijk – honorarium van 400 gulden per aflevering.
    In oktober 1920 gingen Couperus en zijn echtgenote op reis en in de daarop volgende 6 maanden zond hij 20 reisverslagen naar Nederland.

    José Buschman, mede-samensteller van de tentoonstelling in het Couperus Museum, vat in Couperus in de Oriënt elk van die 20 reisverslagen samen in één of twee boekpagina’s.
    Dat maakt een wat vreemde indruk, want het lezen van Couperus eigen proza wordt daardoor eigenlijk overbodig gemaakt.

    Lichte kost
    Maar het past wel in de opzet van Buschman, die in haar boek vooral wil duiden wat Couperus met zijn stukken wilde bereiken. En dat was goedbeschouwd eigenlijk niet zo heel veel. De reis door Algerije en Tunesië  gaf hem de mogelijkheid met zijn pen te beschrijven wat hij zag en dat was vooral de schoonheid van de landschappen en steden en mensen van de Oriënt.

    Hoofdredacteur-eigenaar van Oss van de Haagsche Post wilde een serie lekker leesbare stukken over de Oriënt en daarin ook graag wat praktische reistips. En Couperus voldeed daar in ruil voor het royale honorarium graag aan. Kritische literaire tijdgenoten vonden wat hij in het blad schreef (en in boekvorm publiceerde)  nogal babbelig en overdreven enthousiast, maar het was wel precies wat van Oss de lezers van zijn blad wilde bieden. Om die reden – betoogt José Buschman – meed Couperus ook om zware onderwerpen aan te snijden. Het leven van de vrouw in dit islamitische land ging aan hem voorbij, al viel het hem wel op dat hij weinig vrouwen op straat zag. De islam zag hij vooral als een melancholieke godsdienst van mensen die het lot accepteerden zoals het kwam. En dat had iets verhevens in de ogen van deze verwende dandy en poseur. Ook de nogal hardhandige koloniale stijl van de Fransen zag hij niet, evenmin als de armoede van het grootste deel van de bevolking. Buschman draagt talloze voorbeelden aan van andere reizigers die zich beter hadden voorbereid dan Couperus, ook minder luxueus reisden en daardoor meer contact met de bevolking hadden. Ze spaart Couperus haar kritiek niet, maar reikt wel enkele excuses aan: Couperus kwam zelf uit een voornaam koloniaal nest en vond sommige zaken normaal waar anderen over vielen.

    Couperus-liefhebbers kunnen natuurlijk niet genoeg details lezen over wat hun favoriete schrijver allemaal beleefde en José Buschman heeft haar uiterste best gedaan hen te plezieren. Elk hotel dat Couperus bezocht wordt belicht, inclusief de andere groten die daar verbleven hebben. Elke kunstenaar die hij noemt in zijn 20 reisverslagen krijgt een biografie. Voor de gemiddelde lezer zal dit wat véél van het goede zijn en de neiging af en toe een paar pagina’s over te slaan is soms moeilijk te weerstaan. Maar toch, al snel wekt een afbeelding weer belangstelling voor de bijbehorende tekst in het relaas. Couperus in de Oriënt is een grondige, gedetailleerde en goed geschreven studie van wat eigenlijk géén hoogtepunt was in het oeuvre van Couperus. Maar dankzij de sympathiserende en toch kritische betrokkenheid van de schrijfster lees je haar zoektocht naar Couperus toch met genoegen. Dat deze uitgave een groot aantal illustraties bevat en zeer verzorgd oogt, draagt daar ook toe bij.

     

  • Oogst week 19

    Alles voor het moederland

    De schrijvers Isaak Babel en Vasili Grossman fascineerden Michiel Krielaars. Bewondering, verbazing en nieuwsgierigheid waren voor hem de aanleiding om Alles voor het moederland te schrijven. Beide schrijvers waren in eerste instantie wel gecharmeerd van Stalins ‘nieuwe’ Rusland, totdat ze doorkregen dat ze niet meer konden schrijven wat ze wilden en ze inzagen hoe wreed de communistische werkelijkheid was -en zo weinig in overeenstemming met hun eigen idealen.
    In het eerste hoofdstuk schrijft Krielaars: ‘Aan de hand van het leven en het werk van zowel Babel als Grossman wil ik reconstrueren hoe het bestaan van een succesvol Sovjetschrijver er in een van de wreedste periodes uit de Russische geschiedenis uitzag. Wat mocht je publiceren en wat niet, hoe streng was de censuur, hoe verhield het regime zich tot je als je succes had, in welke kringen verkeerde je vanaf dat moment, wat moest je doen om niet gearresteerd te worden, en wat gebeurde er met je als je toch in ongenade viel?’

    Michiel Krielaars is jarenlang correspondent geweest in Rusland. Hij is nu chef Boeken bij het NRC. In 2015 won hij met Het brilletje van Tjechov de Bob den Uyl prijs.

    Alles voor het moederland
    Auteur: Michel Krielaars
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Couperus in de Oriënt

    De Oriënt verkend. Op reis met Louis Couperus en Marius Bauer, dat is de titel van de tentoonstelling die vanaf 21 mei a.s. te zien is in het Louis Couperus Museum te Den Haag. Historica José Buschman heeft ter gelegenheid daarvan haar eerder verschenen  onderzoek Een dandy in de Oriënt. Louis Couperus in Afrika hernieuwd.

    De schilder Marius Bauer (1867-1932) en Couperus (1863-1923) waren tijdgenoten en hebben beiden door o.a. Algerije gereisd. Net als Bauer zag Couperus in Algerije veel van zijn oosterse dromen terug. Maar hij bezag ook de Franse overheersing, de islam en de armoede.

    José Buschman heeft haar boek herzien door middel van onbekende foto’s, recente vondsten en opmerkelijke citaten, en reconstrueert de lange tocht van Couperus door de woestijn. Zij trekt verrassende conclusies over zijn schrijverschap en pleit voor een nieuwe, moderne kijk op zijn Afrikaanse reisverslag.

    verschijnt 20 mei 2017

    Couperus in de Oriënt
    Auteur: José Buschman
    Uitgeverij: Uitgeverij Bas Lubberhuizen

    De wereld waar ik buiten sta

    Donderdag 1 januari ’42
    ± half 12 ’s avonds

    Ik zit in bed te schrijven. De koffers staan al gepakt en wel, ik heb alles zelf gedaan, een heerlijk zelfstandig gevoel. Mijn kamer ziet er nu helemaal ontredderd uit, de boekenplank eraf en alle boeken weg. Zoëven teder afscheid genomen van pappie en mammie, de laatste nacht hier, het was werkelijk roerend.
    In weerwil van de wanorde om me heen, van de weemoedige toespelingen van pappie en mammie en het besef, dat alles bittere ernst is, constateer ik een totale afwezigheid van sentimentele, melancholieke afscheidsgevoelens. Zelfs het feit, dat ik vanavond voor het laatst in mijn eigen bed, in mijn eigen kamertje lig, vervult me niet met de sombere gedachten, die ik heb gevreesd voor de laatste avond. Het afscheidswee schijnt een week geleden veel heviger te zijn geweest dan de laatste paar dagen.

    Uit: De wereld waar ik buiten sta, het tweede deel van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis (1922–2007).

    De wereld waar ik buiten sta gaat over haar onderduikperiode bij verschillende orthodox-protestantse gezinnen: een cultuurschok van jewelste. In 1943 worden haar ouders gedeporteerd. Over hun lot blijft ze jarenlang in onzekerheid. Zij ziet haar jonge jaren voorbijgaan in angst, ongerustheid en emotionele stilstand. Haar belangrijkste troost vindt ze in het schrijven; in de gedichten die ze maakt, maar vooral in haar dagboek, dat haar enige serieuze gesprekspartner is.

    Na haar dood zijn haar dagboeken gevonden. Nop Maas heeft ze bezorgd. Ze zijn nu als Lenteloos voorjaar en De wereld waar ik buiten sta gepubliceerd.

    De wereld waar ik buiten sta
    Auteur: Hanny Michaelis
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Interculturele dialoog

    Interculturele dialoog

    We schrijven augustus 1977. Ik zat op de eerste rij bij een recital in de St. Annakerk in Brugge. Eén van de musici was de Spaans-Catalaanse viola da gamba-speler Jordi Savall. Het leek wel of hij alleen voor mij speelde, want hij keek mij veelvuldig aan. Ik voelde me vereerd, maar ook steeds meer opgelaten. Toch volg ik vanaf dat moment de carrière van deze grote musicus – die in 1991 doorbrak met de film Tous les matins du monde – met steeds meer bewondering. Zeker de laatste tijd, waarin hij bruggen bouwt tussen muziek uit oost en west, noord en zuid, joden, christenen en islamieten. Niet voor niets werd hij in 2008 door de Europese Unie benoemd tot ambassadeur van de interculturele dialoog.

    Eén van Savalls aandachtspunten is de Mozarabische kunst uit Spanje. Ook Louis Couperus heeft er stil bij gestaan en een roman geschreven over het Granada uit de 15de eeuw: De ongelukkige. Daarin staat een prachtige passage over wat het symbool van een veelal gelukkig samenleven tussen joden, christenen en moslims in Andalusië is: de Leeuwenhof in het Alhambra. Dat gaat zo: ‘De zuilen, de slanke, bloemgestengelde zuilen, zoo tenger en teêr en bros en broos, bloeiden naast elkaar op tot kelkachtige kapiteelen; de bogen zwollen breed en spitsten dan puntiglijk uit; de teedere architectuur, onwaarschijnlijk van tooverachtigheid, zelfs in het helle licht van dit zonnemorgenuur, lijnde en boogde tot het paleis van een peri; in het midden van het hofverschiet spuwden de betooverde leeuwen de stralen, spoot de hoogste straal òp uit het groote bekken en viel neêr tusschen de droomende bloemen, goudblank op zwanehalssteelen, de arums, die tusschen de fonteinewateren met hare langwerpige bladeren zich hieven of neêr vielen als bezielde wezens bloemwezens, smachtend en sierlijk, onder het azuur boven den hof.’

    Een paradijselijk tafereel, en dat wilde de Leeuwenhof ook uitstralen. Romantisch? Deels, wellicht. Net als het feit dat Alfonso el Sabio, die vanaf 1252 koning was van Castilië en Léon, behalve vrouwen ook moslims en joden als hofmusici in dienst had. Volgens de een was dit omdat de koning hun spel hoog achtte, volgens de ander niet meer dan een soort wapenstilstand omdat haat tegen joden en islamieten gewoon doorging. Net als nu.

    Gelukkig zijn er meer ensembles die net als El Sabio en Jordi Savall ‘altijd op zoek zijn naar intrigerende samenwerkingen met musici uit andere culturen’, zoals in het programma 2016-2017 van het Nederlands Blazers Ensemble viel te lezen. Een voorbeeld uit dat concertseizoen was het programma Stemmen uit het Oosten met Moshen Namjoo, de ‘Bob Dylan uit Iran’ en de Iraans-Nederlandse verhalenverteller Sahand Sahebdivani. Van de leider van het ensemble, hoboïst Bart Schneemann, hangt terecht in de Eregalerij van de eenentwintigste eeuw in de Amsterdamse Hermitage, een prachtig portret van Mariecke van der Linde. Ere wie ere toekomt! Jordi Savall, Alfonso el Sabio én Bart Schneemann.

     

     

  • Een bronzen schone

    Steden zijn net boekenkasten: ze staan vaak vol vergeten parels. Bijzondere parels, die we zonder aandacht passeren, opgaand in de drukte van het dagelijkse bestaan en de altijd aanwezige zucht naar het andere en het nieuwe. Waardoor we het hier en nu voor lief nemen en er onnadenkend aan voorbij razen.

    Langs mijn vaste fietsroute in Den Haag staat zo’n parel. Een beeld uit 1956, van de Nederlandse beeldhouwer en tekenaar Theo van der Nahmer (1917-1989). Een bronzen beeld van de grande dame uit de Haagse literatuur, Eline Vere. Een prachtig beeld. Statig leunt ze op haar parasol, getooid met cape en sjieke hoed. Rank en rijzig tuurt ze over de Groot Hertoginnelaan, als een trotse en verbronste versie van Couperus’ woorden aan het begin van het derde hoofdstuk van zijn roman:

    Eline Vere was de jongste der beide zusters, donkerder van haar en ogen, slanker, minder rijk van vormen. Haar schaduwvolle, zwartbruine blik, bij de geämberde bleekheid van haar tint en het kwijnende van sommige van haar gebaren, gaven haar iets van een lome odaliske, die droomde.

    Het is een beeld waar ik in een vreemde stad naar toe zou trekken. Dat ik bij mijn voorbereidingen zou spotten in de één of andere kunst- of reisgids. Een beeld waar ik een stadswandeling aan zou weiden om me te laven aan haar prachtige contouren. Maar zo niet in mijn thuisstad Den Haag. Daar gaat Van der Nahmer’s Eline tijdens mijn dagelijkse fietstocht op in het behang waar ik langs fiets. Onnadenkend en zonder aandacht.

    Net zoals ik mezelf er vaak op betrap dat ik onnadenkend en zonder aandacht langs mijn eigen boekenkast loop. Of die in een boekhandel. Vol vuur voor de nieuwste hype en smachtend naar het onbekende. Terwijl er zoveel bekende maar vergeten parels in staan. Zoals Eline Vere van Louis Couperus. In mijn kast staat deel I van een pocket-uitgave van tien van zijn ‘grootste werken’, samengesteld in opdracht van Company of Books. Een simpele, compacte uitgave van één van de grootste romans uit de Nederlandse literaire geschiedenis. Het staat in mijn kast, maar ik ben eerlijk gezegd vergeten of ik het ooit gelezen heb. Wat waarschijnlijk betekent dat dat niet zo is. Onbegrijpelijk natuurlijk, voor iemand die in Den Haag woont, er weliswaar niet geboren is, maar zich toch zo Haags voelt dat hij zonder te liegen Couperus beroemde woorden kan herhalen: ‘Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar.’

    Maar wel een Hagenaar die in de dagelijkse hectiek net zo langs de Eline Vere in zijn boekenkast raast als langs haar bronzen evenbeeld aan de Groot Hertoginnelaan. Wat natuurlijk niet kan. Gelukkig staat de zomer voor de deur. Het perfecte moment voor wat geluier aan het Haagse strand. Misschien wel in zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Opgaand in die vergeten parel die ik als Hagenaar natuurlijk lezen moet.

     

     

  • Vakantierubriek – een persoonlijke top 3

    Oude mensen

    door Vic Veldheer

    Een top 3 uit de Nederlandse literatuur over oude mensen.

    1. Louis Couperus, Van oude menschen de dingen die voorbijgaan (1906)
    Deze prachtige, rijke familieroman over een moord in een Haagse familie, wordt verteld op een moment dat de moordenares 97 jaar is. Zij heeft 60 jaar eerder haar man vermoord in Nederlands-Indië. Binnen de familie is deze moord  een goed bewaard geheim. Een van de vele thema’s in het boek is de angst voor ouderdom in de wetenschap dat de tijd voortschrijdt. Een klassieker!

    2. Jeroen Brouwers, Bittere Bloemen (2011)
    Bittere bloemenDit prozaïsch hoogstandje gaat over een 81 jarige man die terugkijkt op zijn leven in het aangezicht van de dood. Hoewel hij met veel voldoening op zijn succesvolle leven zou kunnen terugkijken, overheersen cynisme over en gekanker op de eenzaamheid waarin hij geleidelijk is komen te verkeren. Stilistisch weer een prachtig boek van wat ik beschouw als een van de beste schrijvers in het Nederlandse taalgebied.

     

    Ex aequo: 3.Remco Campert, Het satijnen hart (2006)
    Het satijnen hartMooie, sensibele roman over een bejaarde, somberende schilder wiens ouderdom nieuw leven wordt ingeblazen na het overlijdensbericht van zijn vroegere vriendin. Een pareltje!

     

     

    Anton Korteweg, Ouderen zijn het gelukkigst (2009) (gedichten)
    Ouderen zijn het gelukkigstDeze bundel verscheen toen de dichter 65 werd; het staat in het het teken van de opvatting van Prof. dr. H.C. Rümke dat met ingang van het praesenium, de leeftijd volgend op de viriliteit en voorafgaand aan de ouderdom, het leven vredig geleefd kan worden. Kortweg schrijft vrolijke, vredige gedichten over het geluk van oud zijn.

     

  • Persoonlijk noodlot en een vallende granaatappel

    Persoonlijk noodlot en een vallende granaatappel

    Als je het Alhambra in Granada bezoekt kan je in het winkeltje vlakbij de hoofdingang het boek Tales of the Alhambra van Washington Irving aanschaffen. Het ligt er zelfs in Nederlandse vertaling (met de foutieve titel Vertalingen van het Alhambra op het omslag). Enkele van de verhalen gaan over de lotgevallen van Boabdil, de laatste Moorse vorst in Spanje tijdens de Reconquista, die eindigde in 1492.

    Het is prikkelend om je voor te stellen dat Louis Couperus precies 100 jaar geleden net als jij zelf in de lentezon op de opstapjes voor het winkeltje zat, bladerend in hetzelfde boek van Irving. Het is zelfs waarschijnlijk dat het zo was, want in het Nawoord bij de heruitgave van Couperus’ De Ongelukkige verhaalt literatuurcriticus Mark Cloostermans dat de schrijver in 1913 een Spanjereis maakte waar hij geen plezier aan beleefde. Tot hij in Andalusië belandde en daar in aanraking kwam met de overblijfselen uit de Moorse tijd. Hij las in Granada het boek van Irving en bereisde de plaatsen waar het leven van Boabdil zich had afgespeeld. Het wakkerde zijn schrijverschap weer aan, dat hij net had losgelaten: zijn romans verkochten nauwelijks nog en hij verdiende er amper nog wat aan. Bovendien twijfelde hij of hij voldoende historische kennis bezat om een nieuw project aan te durven. In december van dat jaar kwam hij niettemin al met een voorpublicatie. De roman zelf kwam in 1915 op de markt (vertraagd vanwege de Eerste Wereldoorlog), maar het werd geen bestseller. In december 1915 kwam bovendien nog een kort verhaal uit, De dood van den Dappere, een staartje aan De Ongelukkige.

    In het Couperusjaar 2013, waarin wordt herdacht dat de auteur 150 jaar geleden werd geboren, heeft L.J. Veen, ook destijds al uitgever van het meeste werk van de Hagenaar, De Ongelukkige opnieuw uitgegeven. Dezelfde Veen, die Couperus in 1913 niet het gevraagde honorarium wilde betalen waardoor de schrijver naar een andere uitgever liep.

    Honderd jaar later zet Veen op het omslag: ‘De herontdekking van Couperus’ betoverende avonturenroman’. Daar valt wel wat op af te dingen. Eerder lijkt het eeuwfeest van het ontstaan van de roman de invalshoek om hem in het Couperusjaar nog eens uit te brengen. Dat de sympathie van de schrijver bij de verliezer lijkt te liggen en dat De Ongelukkige dus geen anti-moslimroman is, zoals Cloostermans schrijft, lijkt een wat mager argument om te spreken van de herontdekking van een eigenzinnige kijk op de clash van katholicisme en islam. Er straalt zelfs enige gemakzucht af van deze heruitgave. Het is gewoon een reprint van de editie uit 1994 op goedkoop papier, zonder (op het Nawoord na) annotaties. Die hadden de herdruk een meerwaarde kunnen geven, want je kunt je tevens afvragen wat voor hoger doel wordt gediend met het op zo’n sobere manier uitgeven van een roman die toch al digitaal op internet te vinden is (www.dbnl.org).

    Het betekent allemaal niet dat een (hernieuwde) kennismaking met de roman (in de spelling van 1913) verloren tijd is. Couperus vertelt de geschiedenis van Boabdil (de Spaanse naam voor Aboe-Abdallah) als een sprookje in een taalgebruik en stijl die we van zijn beroemdste romans zoals Eline Vere, De stille kracht, en Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan niet gewend zijn. Het sprookjesachtige wordt meteen duidelijk. In de eerste 12 regels duiken al vier samenstellingen met het woorddeel ‘toover’ op. Ook het taalgebruik draagt daaraan bij. Couperus is in deze roman bijna een dichter, die zwelgt in poëtische zinsconstructies, binnenrijmen, alliteraties en andere klankverwantschappen. Je moet er 100 jaar later misschien maar net van houden, maar, toegegeven, er zitten fraaie voorbeelden tussen. Zoals in de beschrijving van de ongeruste breekbare vrouw van Boabdil in haar sluier: ‘Hare teedere leden vertengerden nog in de getrokkene doorzichtigheid van het dunne gaas, dat spinneweefde om hare lichte gestalte’. Of deze over de strijdlustige pubers in het Spaanse leger: ‘Hunne spieren smachtten zich te ontspannen, terwijl nauwelijks hun snorretjes donsden’. Maar soms weet Couperus geen maat te houden, zoals in ‘…de drie witte Wijzen, die wandelden langs de wallen, waren de onwezenlijkheid ervan…’.

    Af en toe lijkt het zelfs of Homerus een gevecht aan het beschrijven is:

    Hij zag in de zon het wapengeflits, dat naderde langs den heuvelenden weg. En hij herkende de lange lansen, die schoten de gouden bliksems, de ronde schilden, die schoten de gouden sterren. Hij herkende de ronde helmen; zij straalden de flapperschaduwen door, die neêr sloegen de wappere vanen. De flikkerende maliënruiten der rustingen omgordden de ruiters en verforschten hunne fiere, rechte torsen, die torsten de aantrappelende rossen, wie de roode hoezen omhuifden; roode pluimebossen wuifden. Kromme klingen kletterden met, de van email en gesteente schitterende, kromme scheeden, hangende met koorden en kwasten om de nekken der ridders, die naderden; de ruiterij volgde machtig en zwaar. En er was geklater van koperen trompetten en schel geschetter van fel schitterende fluiten en dwars door àl bommende trommen, die daverende rommelden.

    Je hoort er met wat goede wil zelfs de homerische hexameters in.

    Er klinkt inderdaad nogal wat wapengekletter in de roman, niet alleen tussen Spanjolen en Moren, maar ook binnen die partijen. Boabdil, die zelf aan de macht is gekomen door zijn vader aan de kant te zetten, betwist op zijn beurt later weer de macht met zijn oom El Zagal, de broer van zijn vader. Als zij hun strijd uitvechten in de straten van Granada – El Zagal bewoont op dat moment het Alhambra en Boabdil zit met de laatste getrouwen, opgesloten in het Alcazar – grijpen ineens de Drie Wijzen in die op meer beslissende momenten in de roman opduiken. Ze overtuigen beiden ervan dat ze samen moeten staan voor een islamitische toekomst en gezamenlijk dienen op te treden tegen de katholieke Spanjaarden. De onderlinge machtsstrijd was overigens door diezelfde katholieken aangewakkerd. Zij hadden Boabdil verslagen in een gevecht bij Loxa, maar hem goed behandeld en vrijheid en steun beloofd als hij hun vazal wilde worden. Ze stelden hem het koningschap in het vooruitzicht over alle gebieden die Spanje op El Zagal zou veroveren.

    Maar ook in het katholieke kamp is er verdeeldheid tussen de fanatiekelingen die de Moren het liefst zo snel mogelijk afslachten en het koninklijke paar Ferdinand II van Aragón en Isabella I van Castilië. Vooral de laatste ziet liever dat de Moren worden bekeerd dan dat er bloed vloeit.

    De Ongelukkige uit de titel is Boabdil. De drie Wijzen hebben zijn ouders bij zijn geboorte al voorspeld dat hij tijdens het leven van zijn vader zal regeren, dat hij ongelukkig zal zijn en dat hij de Granaatappel zal verliezen en anderen de pitten zullen plukken. De roman draait vooral om die tweede voorspelling, die mede leidt tot vervulling van de derde.

    Boabdil is een weifelmoedige koning, die steeds tussen twee vuren zit. Enerzijds heeft hij zijn macht te danken aan het Spaanse koningspaar waarvan hij de vazal is en dat zijn enige zoon in Córdoba gegijzeld houdt. Anderzijds komt hij voortdurend in conflict met zijn geloofsgenoten die hem verwijten dat hij zijn hoogste opdracht, het verslaan van de Ongelovige (de niet-moslim), verzaakt. Zijn positie loopt enkele keren gevaar als de Moorse bevolking lijkt te kiezen voor El Zagal, die wel driest ten strijde trekt en de ander als Koning laat regeren in Granada. Boabdil ziet zich voortdurend als speelbal van het Noodlot, als de Ongelukkige.

    Dat wordt hij in zijn ogen des te meer als hij zijn vrouw onterecht beschuldigt van overspel, een trauma dat hij de rest van zijn leven mee zal dragen. Couperus is in de beschrijving van deze persoonlijke geschiedenis tussen de twee echtelieden op zijn best. Hij wendt hierin zijn rijke scala aan schilderingen van noodlottigheden, angsten en wantrouwen aan in een opbouw die het boek – ondanks zijn voor ons wat bombastische taalgebruik – bijna tot een thriller maakt.

    De derde profetie van de Wijzen gaat onontkoombaar in vervulling als aan het eind van de strijd de stad Granada (de Granaatappel) in handen van de Spaanse vorsten valt. Ongelukkiger kon Boabdil niet meer worden. Hem rest nog slechts een aftocht onder een vrijgeleide van Isabella van wie hij zijn gegijzelde zoon terugkrijgt.

    En hoe verging het El Zagal verder? Ook hij overleefde de strijd, maar daar blijft het bij in de roman. Couperus had voor de beschrijving van diens tragische oude dag en levenseinde het toetje nodig dat in deze uitgave is opgenomen: De dood van den Dappere. Wie is er nu gelukkiger geweest, lijkt Couperus in deze appendix op te werpen: Boabdil of El Zagal?