• Liesbeth Lagemaat wint De Grote Poezieprijs 2021

    Liesbeth Lagemaat wint De Grote Poezieprijs 2021

    In het radioprogramma Opium op NPO Radio 4 werd vanavond bekendgemaakt dat Liesbeth Lagemaat met haar bundel Vissenschild de derde editie van De Grote Poëzieprijs heeft gewonnen. De jury vond haar bundel, ‘een adembenemend werk waarin een zinderend poëtisch spel wordt gespeeld. Met deze poëzie toont de dichter grote ambitie en lef, maar ook het vermogen om een grote belezenheid te koppelen aan de huidige tijdsgeest.’ Liesbeth Lagemaat (1962) debuuteerde met Een grimwoud in mijn keel dat in 2005 werd bekroond met de C.Buddingh’-prijs. Vissenschild is haar zevende bundel en verscheen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

    Poëzierecensent Hettie Marzak was lovend over Vissenschild, ze schreef: ‘Het is de dromerige, fantasierijke taal, vol mooie vondsten en een dwingend ritme, die deze bundel tot een genoegen maken om te lezen. Alsof je met open mond luistert naar een oud verhaal, gezeten bij het haardvuur, terwijl wind en duisternis om het huis waren.’ Lees hier de hele recensie.

    Uit 107 dichtbundels koos de jury van De Grote Poezieprijs, Lagemaats bundel Vissenschild als beste gedichtenbundel van 2020. De auteur ontvangt een geldbedrag van € 25.000, waarvan € 5.000 bestemd is voor een project ter stimulering van de Nederlandstalige poëzie naar keuze van de winnende auteur.

    De Grote Poëzieprijs is sinds 2019 de opvolger van de VSB Poëzieprijs en wordt gezien als dé prijs voor de Nederlandstalige poëziebundel. Aan de prijs zijn inspirerende publieksprogramma’s en educatieve trajecten verbonden die een beeld geven van de actuele stand van zaken van poëzie in het Nederlands taalgebied.

    Wie benieuwd is naar de andere deelnemers, vindt hier een overzicht van alle deelnemende bundels.

     

     

  • Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

    Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

    De zevende bundel van Liesbeth Lagemaat, Vissenschild, laat zich lezen als een grimmig sprookje. In gedichten die bestaan uit louter distichons (twee regels), ontvouwt zich doorlopend het lange, epische verhaal over Elpis, een ouderloos meisje dat opgevoed wordt door haar tante en in de herberg moet helpen bij het bedienen van de gasten. Dagelijks loopt zij de afstand ‘tussen herberg en hoeve’, waarbij ze op een avond aangerand wordt door Allesman/Nietsman, die haar verkracht en vermoord. Haar lichaam zinkt naar de bodem van de rivier en wordt gedragen door een ‘vissenschild’, haar geest wordt ‘een molecuul van licht’ en gaat hemelen. 

    Dit verhaal is vrijwel gelijk aan de Vlaamse legende van de Fiere Margriet, ofwel Margaretha van Leuven, die rond 1207 geboren werd. Omdat zij zich hevig verzette tegen haar verkrachter, kreeg ze de bijnaam ‘de fiere’ of ‘de trotse’. Haar lichaam zou volgens de legende door vissen stroomopwaarts gedragen zijn door de rivier de Dijle in de richting van de vismarkt van Leuven, met een wijnkruik nog in haar hand. Ze werd een echte volksheilige aan wie mirakels werden toegeschreven en in 1902 werd ze zalig verklaard. In 1982 werd er een standbeeld van haar in Leuven geplaatst, drijvend in het water, naakt, met de kruik in haar hand.

    Een oud verhaal

    Lagemaat kiest ervoor om haar verhaal te laten verwoorden door ‘de kalligrafist’, die zich gedwongen voelt om het verhaal van Elpis te vertellen (‘Tegen wil en dank dient zij zich aan’) en die zoekt naar vormen om haar te laten ontstaan. Hij verzint een begin, waarin de twaalfjarige Elpis een voorspellende droom heeft, een donker visioen waarin ze op het water drijft. 

    De taal die de dichter de kalligrafist in de mond legt, is die van orakels, een droomtaal met een sterk, dwingend ritme en met verzonnen woorden. Deze woorden, zoals ‘zweemschirrezusje’ en ‘flikkerse vlinderslagvrouw’ kunnen in geen enkel woordenboek worden opgezocht, maar bepalen in sterke mate de muziek en de droomsfeer van de bundel, die zich goed leent om voorgelezen te worden. De woorden van de kalligrafist staan in romein; als de verhaalpersonen zelf aan het woord zijn, is de tekst cursief gedrukt. Zoals wanneer de tante van Elpis haar verhaal doet:

    DE DAALDERSE VROUW,
    HARDNEKKIG IN WROK EN HUNKERING

    ‘ Spreek ik als een moeder van nep en gort en ik weet het,
      jazeker, ze heeft haar ogen overal dat kind,

     […]

     […] Daar loopt ze. Daar. En wat is dat
     voor een naam, Elpis. Niemand die zo heet.’

    Elpis’ naam betekent ‘hoop’ in de Griekse mythologie, de hoop die achterbleef in de doos met onheil, die Pandora ondanks alle waarschuwingen toch opende. De ‘daalderse’ vrouw, de ‘vrouw met het duitenhoofd’, misschien zo genoemd omdat ze over het geld gaat in de herberg, heeft zelf nooit kinderen kunnen krijgen en staat zichzelf daarom niet toe om van Elpis te houden:

    ‘Te wrokken over een houten schoot, en de duurmalige
     verdamping van wat ik ben in kop en lijf, zouden mijn vingers

     geen daalders tikken dan wou geen mens nog raken aan
     mijn huid. Een zeemleren lap is mijn woonst. En toch. Soms

     leg ik mijn hand op de kan die zij net naar binnen bracht, Elpis.
     Lijkt het steen van de kruik warm als klei. […]’

    Stiefmoeder en schaduwzusje

    Net als in de sprookjes van Grimm is ook hier de boze stiefmoeder aanwezig. De kalligrafist noemt haar ‘die moeder van stief / en waan’, die jaloers is op het ontluikende meisje dat inmiddels zestien jaar is. Uit eenzaamheid heeft Elpis een ‘schaduwzusje’, gefantaseerd, een ‘nevelkind’. Datzelfde ‘schirrezusje’ probeert Elpis te behoeden als ze van de herberg naar huis loopt:

    ‘[…] Van achter pakt het schirrezusje haar bij de kladden.
     aan de oever ligt drijfzand vandaag, weg bij die beek.’[…]’

    Maar ze kan niet voorkomen dat de kruik van Elpis gebroken wordt door Nietsman, die verandert in Allesman als hij Elpis naar huis begeleidt. De kalligrafist zoekt uitvluchten om niet te hoeven optekenen hoe het verder gaat. Hij is bang dat hij medeschuldig zal worden aan wat komen zal en wat niet te veranderen is: de verkrachting en de moord op Elpis. Maar Elpis weet dat hem geen schuld treft:

    ‘[…] Kan ik hem beschermen

     tegen de schending, hem zacht naar het breekpunt geleiden.
     Mijn lichaam was nooit van mij, ben ik weggeglipt in een scheur

     van het weilanddecor. Wat blijft, en later zich toont in schittering –
     kon ik hem geven dit respijt: een soelaas om mijn lot dat niet

     door hem ontwonden. Hij is de tekenzetter, dat is al. Hij verdient
     compassie. Voorlopig kan ik niets doen dan zijn handen warmen,

     zijn pols, de muis van zijn duim.’

    Een verhaal van alle tijden

    De kalligrafist probeert een ander einde voor haar te bedenken, maar moet zich neerleggen bij het feit dat hij de gebeurtenissen slechts kan boekstaven, niet beïnvloeden. Hij moet Elpis laten gaan en schrijft een eerbetoon voor haar waarin zij rust op haar vissenschild. Het is een verhaal van alle tijden, maar Lagemaat heeft het opnieuw verteld in deze prachtige bundel. De afbeelding op de voorkant brengt in eerste instantie een epos uit de oudheid in herinnering, maar door kleine dingen zoals een horloge een rol laten spelen, plaatst de dichter het dichterbij in de tijd. Het is de dromerige, fantasierijke taal, vol mooie vondsten en een dwingend ritme, die deze bundel tot een genoegen maken om te lezen. Alsof je met open mond luistert naar een oud verhaal, gezeten bij het haardvuur, terwijl wind en duisternis om het huis waren. 

    Op 12 december zal Liesbeth Lagemaat in Amsterdam een gesproken opera op basis van haar bundel laten horen in het theater van Stichting Perdu in Amsterdam.

     

     

  • Poëzie met verhalend karakter

    Poëzie met verhalend karakter

    Liesbeth Lagemaat had meteen succes met haar debuutbundel Een grimwoud in mijn keel uit 2005, waarvoor ze de C. Budding’-prijs kreeg. Ook met haar volgende werk bleef ze de aandacht trekken. Ze geldt als een dichteres van weerbarstige poëzie die de  lezer moet veroveren. In haar zesde bundel Abri gaat Lagemaat opnieuw haar volstrekt eigen weg.

    Gedachtestromen

    De bundel bestaat uit vier afdelingen. De gedichten zijn één lange gedachtestroom die zich over de tweeregelige strofen en de meerdere delen waaruit de gedichten vaak bestaan, uitstort. Dit gebeurt afwisselend in ultrakorte en lange gekoppelde zinnen. Deze lopen soms tussen de delen door of beginnen bij de titel. Als lezer raak je regelmatig buiten adem om de draad die gesponnen wordt, bij te houden. In de eerste helft van de bundel is er enige houvast aan de context die bij de gedichten geboden wordt. Zo zijn gedichten opgehangen aan kunstenaars of kunstobjecten zoals schilderijen of kleitabletten. Soms is de inspiratiebron overbekend, zoals De schreeuw van Munch, maar een andere keer moet er eerst nog even op internet gezocht worden. De naam Marius Bauer zal niet iedereen paraat hebben. Pyke Koch kennen we weer wel, maar wie is toch die Bertha aan wie de schilder denkt? Lagemaat veronderstelt veel als bekend.

    Gat in het behang

    Het is Lagemaat  niet te doen om het beschrijven van de kunstwerken maar om de verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid. Zo leeft ze zich in in de onmacht die Pyke Koch op zijn oude dag bevangt om zijn rijke verbeelding nog in kunst wil omzetten. Ze beschrijft hiermee indirect de worsteling die ze bij het dichten voelt. Met haar gedichten poogt Lagemaat zo precies mogelijk te beschrijven hoe zij de werkelijkheid ziet. Dat is lastig, ook omdat de werkelijkheid vol hiaten zit, die zelf ingevuld moeten worden. Zoals het gat in het Chinese behang dat de wanden van landhuis Oud-Amelisweerd siert:

    […] Een gat zo groot als een hand onderbreekt de stroom. Hier. Dat wak
    in het behang. Een plek, eenvoudig af te dekken met de vingers van een hand.

    Wit is de plek en wij staan in een zaal onze ogen tegen de muur geplakt
    zoeken naar jouw witte keel. In zaal in huis in bos bestaan we. Trekt vannacht

    een scheur onze monden tot wak? Horen we een woord, een zin in een taal
    die we niet kennen. Was het een regel uit een van de Negen Liederen.’                                   

    Taal zijn

    Haar gedichten hebben vaak een sterk verhalend karakter. Bijvoorbeeld over een mijnwerker in een Engelse leisteengroeve in 1900 of het verhaal van een soldatenvrouw die in vijf liederen haar verdwenen man bezingt. Je bestaat pas als taal, als verhaal, als lied: ‘er is alleen een hoe. Het klinkt. Je was van taal voor je iets wist’. Aan de andere kant moeten we onze eigen verhalen maken. Want wat kunnen de verhalen op oude kleitabletten ons nog zeggen? ‘alles draait zich stoned, kraait naar de maan als een bloedsinaasappel,/ alles wil. Dooft. Gromt zich dyslectisch kapot.’

    Volgens Lagemaat is de werkelijkheid talig en onachterhaalbaar. Ze richt zich soms rechtstreeks tot de lezer, zoals in deze terzijde: ‘(Heeft het zin u hier en nu te laten beleven hoe de muur zich gedroeg als hemels zwerk, de vergelijking – met een op drift rakend schip, of een cascade van golven in alle toonaarden van azuur – elk beeld zou kapotslaan op zichzelf. Men moet zich tevreden stellen. Schoonheid/ in pure vorm is onherhaalbaar.)’

    Verplaatsen in de ander

    Door voor wisselende perspectieven te kiezen laat Lagemaat  zien dat de werkelijkheid betrekkelijk is. Ze probeert zich voor te stellen wat er in het hoofd van de man van De Schreeuw omgaat, of vraagt zich af hoe de werkelijkheid van een blinde eruitziet, wat je als niet-blinde enkel kunt vermoeden. Een andere keer gebruikt ze het perspectief van een pijlstormvogel, die letterlijk en figuurlijk op de toeristen neerkijkt: ‘Ik ben/ de stem van dit land en ik wantrouw dat volk onder mij, al zullen er meer/mensen komen, steeds meer van hun soort, ze zullen zich koninkjes wanen/ en stulpjes bouwen op de schil van vulkaansteen […] Ze raken de weg kwijt. En toch komen er meer van dat slag […]’.

    Stilistisch palet

    Om de werkelijkheid zo goed mogelijk te kunnen beschrijven, haalt Lagemaat stilistisch alles uit de kast. De taal wordt binnenstebuiten gekeerd en er wordt veel gebruik gemaakt van   tegenstellingen. Alle registers worden benut: verheven en platte taal en vreemde talen. Ze refereert net zo makkelijk aan de Libelle als aan Hadewych. Ze zit de werkelijkheid op de huid met gedetailleerde, plastische en realistische beschrijvingen.

    ‘Het was inmiddels al zo oud dat het steeds meer was gaan lijken
    op wat het uitbeeldde. Overal krassen. Reparaties. Een afgeschaafd vlies

    dat juist op de dunste plekken ogen trok. Men wilde weten
    wat onder de vacht – Het was inmiddels al zo oud dat het – Wij waren al

    zo. Wilden weten achter de botten. In de banen. Van bloed. Synapsen.
    Hoe het merg of juist niet. Welke gedachte waar trilde. Trilde er een gedachte?’

    Abri weet voor een groot deel te overtuigen. Toch vraagt de lezer zich geregeld af hoe zich tot de gedichten te moeten verhouden. Het is erg talige en afstandelijke poëzie. Pas in de vierde afdeling (‘Lijf me in’) worden de gedichten persoonlijker. Daar begint de poëzie werkelijk te leven.

     

  • Oogst week 21

    Door Carolien Lohmeijer

    … Het vliegtuig zat tjokvol, ze zaten op de vierde rij. De twee politiemannen brachten haar voor de tweede keer in drie maanden naar Roemenië. Misschien dat ze nu een spoor zouden vinden van de gestolen schilderijen. Tascha was hun enige hoop om de doeken terug te vinden, begreep ze inmiddels. Maar had ze de vorige keer niet al de plek laten zien waar ze samen met de moeder van haar vriendje de doeken had begraven?…’

    De roman Tascha gaat over ‘de kunstroof van de eeuw’, de diefstal van zeven topwerken uit de Rotterdamse Kunsthal in 2012, maar ook over Tascha, de vriendin van de hoofdverdachte, die in Nederland haar lichaam verkoopt.
    Schrijfster Mira Feticu, Roemeense van geboorte heeft voor het schrijven van Tascha een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds ontvangen.

    Tascha. De roof uit de Kunsthal, Mira Feticu, Uitgeverij Jurgen Maas, presentatie 26 mei 19.00 uur, Paagman, Frederik Hendriklaan 217, Den Haag, 192 pagina’s, € 17,95

     

    LizzyEen bijzondere samenwerking tussen regisseur, schrijver en vertaler Martin Michael Driessen en dichteres Liesbeth Lagemaat, beiden auteur bij uitgeverij Wereldbibliotheek. Onder het pseudoniem Eva Wanjek hebben zij samen een roman geschreven over een kunstenaar en zijn muze die zich afspeelt in het bruisende Londen van de 19de eeuw, met zijn culturele elite, zijn bohémiens en zijn zelfkant. Lizzie ‘biedt zowel kostuumdrama en ‘Gothic horror’ als erotische en indringende psychologische scènes.’

    Lizzie, Eva WanjekUitgeverij Wereldbibliotheek, 464 pagina’s, € 24,95

     

    ZupheulHet nieuwe boek van Mike Boddé is er één voor de liefhebber. Het is voor Boddé zelf een reactie op zijn vorige boek Pil waarin hij schreef over de zwarte periode in zijn leven waarin hij depressief was. Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan heeft hij geschreven om zichzelf aan het lachen te maken. Of zoals hij het zelf schrijft: ‘Hij werd lijfsgewijs omvangrijk, huwde een rondborstige joopdraagster, plantte zich genoegzaamlijk voort, en tekende een kroniek op met betrekking tot zijn zwartgalligheid: Pil. Dit foliant ging vijftigduizend malen over de kooptoog.
    Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan is het tweede gewrocht van zijn hand.’
    Lachen, gieren, brullen? Dat is aan u. In ieder geval een aanstekelijk omslag!

    Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan, Mike Boddé, Uitgeverij Brandt, 196 pagina’s, € 15,-

  • Water als corridor naar een andere werkelijkheid

    Water als corridor naar een andere werkelijkheid

    Recensie door Librije

    Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962) studeerde Nederlands en Taal- en Literatuurwetenschap. Zij was onder andere werkzaam als journalist, reclametekstschrijver, actrice en docent Nederlands. In het tijdschrift De Tweede Ronde publiceerde zij in 1999 haar eerste gedichten en vervolgens verschenen haar gedichten ook in andere literaire tijdschriften.
    Haar debuutbundel Een grimwoud in mijn keel verscheen in 2005. Hiervoor ontving zij de C. Buddingh-prijs 2005. Er volgde al snel een tweede druk. In 2007 verscheen haar tweede bundel Een koorts van glas. Daarnaast trad zij geregeld op tijdens poëziefestivals. Deze optredens geven een extra dimensie aan haar poëzie. Voor wie (nog) niet in de gelegenheid was is er een bij te wonen: bij VPRO-boeken (http://boeken.vpro.nl/personen/22956314/)
    is een audio-opname van haar optreden in de Nacht van de poëzie 2006 te beluisteren waarin zij op haar zeer eigen, heel bijzondere manier, drie gedichten voordraagt.

    En nu, na weer 2 jaar, is haar derde poëziebundel een feit. Op 14 mei 2009 presenteerde zij (op de haar kenmerkende uitbundige wijze) de bundel Handlanger Het witte kind in het Schillertheater in Utrecht. Wie al eerder kennis maakte met de poëzie van Liesbeth Lagemaat, via een eerdere bundel of via een optreden zal ongetwijfeld enthousiast zijn over haar nieuwe bundel. Wie echter onvoorbereid en argeloos haar poëziebundel openslaat, zou danig in verwarring kunnen raken. Maar de lezer die open wil staan voor haar poëzie en de moeite neemt zich erin te verdiepen, staat een bijzondere belevenis te wachten.

    In een interview stelde Liesbeth Lagemaat: “Poëzie biedt geen troost, poëzie biedt poëzie”. En daarmee is meteen aangegeven wat zij tot nog toe in haar dichtbundels probeert te doen: zich te uiten in een vorm van kunst die poëzie heet. Een die een zekere verwantschap heeft met de expressionistische schilderskunst. Een poëzie die geen troostende mooischrijverij is, maar een bikkelhard gevecht om zuiverheid. Deze poëzie is de taal van de verbeelding die de werkelijkheid voorbij is, die de deur opent naar “een andere scherf van de tijd”.
    Naar aanleiding van haar tweede bundel vertelde de dichteres dat de eerste bundel min of meer bestaat uit losse gedichten die in kleine hoeveelheden verspreid over jaren geschreven zijn. Haar tweede bundel beschouwt zij wel als een echte eenheid: de gedichten zijn speciaal voor die bundel geschreven, hebben hetzelfde thema en ook de indeling binnen de bundel hoort bij het beoogde concept.

    Het is duidelijk dat ook deze derde bundel als een geheel gezien moet worden. De inleiding over wat de lezer te wachten staat, wordt gevormd door Vlugschrift. “Maar vandaag zeg ik u, is het tijd om uzelf uit te trekken en taal kapot te slaan tegen de muur. Er is geen woord dat klopt en bloedt hier aanwezig.” Om de zuivere taal van de verbeelding tot uitdrukking te kunnen brengen, moet de oude taal gezuiverd en wat vals is vernietigd worden. Daarvoor moeten we van niets af opnieuw beginnen en worden zoals Het witte kind: “Zoals het witkind, hand aan het gordijn, en het is nog niet eens ochtend, het moet nog allemaal alles beginnen ? Zo.” En dan ten slotte: “In een witte, wijde schedel wandelt, kalm en ernstig, een melodie.”

    Daarna volgt: Een triptiek in wit ? een visioen en de bundel eindigt ook met een driedelig gedicht: Opnieuw een leegte ? een visioen. Tussen de beide visioenen bevinden zich vier delen met elk een eigen titel en er binnen steeds zeven gedichten met een afrondend slotgedicht. Uit de titels van de hoofdstukken blijkt dat er strijd geleverd gaat worden: Het kamp ligt nog open, geen hoef is gestruikeld, geen bloed in het zand (deel 1).
    De visioenen tonen ons waar de dichteres op uit is: Ze herkent Het witte kind in de natuur om zich heen en ziet waartoe het in staat is en ze wil haar Handlanger zijn.
    “Noem ik mij: handlanger. Leg ik mij in de afdruk van het kind. De witte contouren mijn queeste. Staat het kind uit de vijver op en loopt, zal ik elke voetstap volgen.
    Vannacht nam het mij mee. De vijver een gang, corridor. Naar een andere scherf van de tijd.”

    Water speelt een belangrijke rol in deze bundel. De vijver is een corridor naar een andere werkelijkheid (zoals Alice in Wonderland via het konijnenhol) waar je spelend als een kind de wereld kan veranderen en de werkelijkheid los kunt laten. Zoals in:

    Botanisch uur:

    Aderen vertakken zich, als nerven. Kijk, je vingers nog
    in knoppen, handzaam spoor krioelt. De groene krullen

    op het laken, barokke stroom van bladgroen sop,
    in al je vaten stuwt en bruist het: jij? Gevuld met plantenvocht?
    ……

    Deze gedichten komen slechts tot hun recht in hun context. Meer voorbeelden geven heeft daarom niet alleen weinig zin, het zou zelfs de fascinerende werking die van de gedichten uitgaat teniet kunnen doen. Daarom alleen nog enkele zinsneden uit een gedicht dat naar mijn idee een sleutelfunctie vervult:

    Op dit onbewaakte moment

    Ik begin met niets. Misschien is er een korrel zand,
    de afstand tot de parel ? als er een parel groeit, ooit ?
    onzeker. Van onschatbare waarde? Misschien.
    …..
    De klanken weven een kleed om mij heen. Ik ben de schelp en ik rust.
    Ik open noch sluit. In mij is ruimte. Gevuld. Met niets.
    Ik ben een stulp voor het niets dat zich zingt en groeit en
    langzaam vermeerdert in mij.

    Er valt zoveel te ontdekken in deze bundel. Wie eenmaal de consequenties van haar ideeën begint te proeven, zal steeds meer ontdekken. Al laten niet alle gedichten zich even gemakkelijk doorgronden. Maar deze queeste is zo fascinerend, dat wie erdoor aangeraakt wordt door blijft zoeken en zo ook Handlanger van Het witte kind wordt.
    Uit het afsluitende visioen:

    Opnieuw een leegte

    ……En daar was het, het kind.
    Haar lichte vingers hadden een muur van stof,
    van dagen en nachten losgewoeld,
    ze had op de stenen getekend. Een woordeloze taal.
    In haar handen brak de tijd.