In haar debuutbundel vertelt Bernice Vreedzaam over de geschiedenis van Suriname ter gelegenheid van het bestaan van de vijftigjarige republiek. Ze doet dat door te vertellen over de mensen die onder dwang uit Ghana gehaald werden om te werken op de plantages. Een aantal van deze tot slaaf gemaakten wist te ontsnappen en wisten hun cultuur en taal te bewaren. Vreedzaam begint bij hun leven in Afrika en gaat langs jaartallen en gebeurtenissen naar het heden van Suriname en naar de emigratie van sommigen naar Nederland en de Bijlmer. Zo komen de slavenschepen in zicht, de onmenselijke behandeling die deze mensen moesten ondergaan, maar ook vertelt ze over moed, vrijheidsdrang en verzet.
Het bijzondere van deze bundel is dat de gedichten geschreven zijn vanuit de mensen die het meegemaakt hebben. Bernice Vreedzaam dicht met passie over de geschiedenis van haar eigen volk. Ze laat daarmee zien hoe aannames en feiten die we op school geleerd hebben, kantelen wanneer je hetzelfde verhaal door de ander, die tot dan toe heeft moeten zwijgen, laat vertellen. Zij geeft het woord aan mensen die nooit zelf hun stem mochten laten horen. Daarmee bevestigt zij de identiteit van de Surinamers en hun verleden en tegelijk biedt ze een andere invalshoek aan Nederlanders vanuit een gedeelde geschiedenis.
Halfbroer/halfzus/halfbloed
Uw vrouw, die zelf geen kleur kreeg toegekend
gaf onze vrouwen zwart
gebruikt het vissengif tegen het kind
in de baarkamer van de backyard
Wij, met het uitzicht op de achterverblijven, met de waaiers in de hand
zullen lijdzaam blijven toezien, bij afwezigheid van uw Gertrudis
hoe u zich opdringt aan onze dochters en zusjes tussen al het geplant
waardoor het zou kunnen zijn dat de beige broer een van hen is
Uw vrouw, die nog altijd geen kleur bekent,
wil niet weten dat zij zandkleurige jongens met uw gelijkenis
schatplichtig is, en ging daarom over tot het
verdrinken van het ongewenst
Auteur: Bernice Vreedzaam
Uitgeverij: AtlasContact
Het liegend konijn 2025/2
Het laatste nummer van Het liegend konijn is op 30 oktober 2025 verschenen. Het tijdschrift is jarenlang een begrip en een meetlat geweest voor alle poëzieliefhebbers. Het werd in 2003 opgericht door dichter Jozef Deleu (1932), die als enige redacteur ‘poëzie uit het nest roofde’, wat betekende dat hij een keuze maakte uit het werk van zo’n vijfentwintig dichters dat niet eerder gepubliceerd was. Een helse en een heerlijke arbeid. Twee keer per jaar verscheen dit tijdschrift met gedichten van zowel gerenommeerde dichters als debutanten. Voor beginnende dichters was plaatsing in Hetliegend konijn vaak de springplank om in dieper water te kunnen zwemmen, bekendheid te krijgen en een eigen bundel te laten verschijnen.
De naam van dit poëzietijdschrift doet denken aan een verhaal van Paul van Ostaijen uit Diergaarde voor kinderen vannu (1926), dat begint met: ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht.’ Tijdens een bijeenkomst zou Deleu geroepen hebben: “Jullie liegen allemaal als konijnen”. Het konijn heeft dus niet de lach gevonden, maar wel de leugen. De leugen die Nijhoff misschien bedoelde toen hij dichtte: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Of Bertus Aafjes die zei: ‘Dichters liegen de waarheid.’
Er zijn 172 nieuwe gedichten opgenomen in de laatste onvolprezen uitgave van Het liegend konijn. Wie het tijdschrift gekocht heeft: bewaar het, dit wordt in de toekomst een gewild verzamellaarsobject.
Het volgende, willekeurig gekozen gedicht is van Peter Swanborn:
Draad
Zullen we een rollenspel doen, van plaats
wisselen, jij in bed en ik waar jij nu bent?
Ik wil ook wel eens weten hoe het is om te
worden gemist. Zo’n spel is onzin, natuurlijk,
maar onzin met een zin. Ik wil je terug
en zolang jij praat is er een draad die ons
verbindt. Ik wil, nee móét nu weten of je
mij verstaat, of ik niet zomaar iets verzin.
Auteur: Jozef Deleu (redactie)
Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans
Ik sta in wilde schoonheid
Susan Smit, schrijver en columnist koos voor deze bloemlezing meer dan honderd gedichten uit het Nederlandse taalgebied die geschreven zijn door vrouwen en die het lichaam van een vrouw bezingen. Smit heeft de gedichten verdeeld in drie afdelingen die de drie fasen van een vrouwenleven en vrouwenlichaam weergeven: maagd, moeder en wijze vrouw. De titel is gekozen uit een gedicht van Sasja Janssen.
In de eerste afdeling wordt het lichaam van jonge meisjes bezongen: de prilheid, de eerste menstruatie, het ontdekken van erotiek, maar ook de gevaren die het bekijken worden door anderen met zich meebrengt. In de tweede afdeling staat de moeder centraal met onderwerpen als scheppend vermogen, zwangerschap, kinderloosheid. De laatste fase is die van de ‘crone’, de wijze oude vrouw, die zich mede door haar niet langer vruchtbaar zijn heeft vrijgemaakt van het oordeel van anderen.
De gedichten zijn van bekende en minder bekende vrouwelijke dichters, voornamelijk uit het laatste kwart van de vorige eeuw en uit deze eeuw, maar er staat ook een gedicht in van Hadewijch en van Aagje Deken. ‘Naarmate de bundel recenter en de dichters jonger werden, werd de toon rauwer en directer’, schrijft Smit in het voorwoord. Vrouwen eisen duidelijker dan vroeger hun recht op om gezien en gehoord te worden, ‘om eigenaarschap te herwinnen’.
Zo ook Vrouwkje Tuinman:
Vruchtbaar
Als mijn eitjes een beetje op mij lijken
begrijpen ze dat ik echt niet wil.
Ik zie het niet voor me: zorgen voor
een kleiner iemand met daarin de helft
van mij. Bovendien: statistisch ben ik
gelukkiger wanneer ik deze kans
voorbij laat gaan. En duurt het langer.
Van de mensen ouder dan een eeuw
heeft een derde helemaal geen kinderen.
De rest kreeg er minder dan gemiddeld
en maakte ze laat. Het kan nog,
zeggen de eitjes eens per maand.
Dan antwoord ik niet, en zwaai
een kleine groep voor altijd uit.
De Anton Wachterprijs wordt elke twee jaar uitgereikt aan het beste prozadebuut. Zoals bekend, is de naam van deze prijs geïnspireerd op Simon Vestdijks bekendste romanpersonage. Nog altijd geldt Vestdijk als één van de productiefste schrijvers van Nederland. Gelukkig gaat kwaliteit ook in 2022 boven kwantiteit, en daarom wint Vestdijks naamgenoot Simone Atangana Bekono de Anton Wachterprijs met Confrontaties. Naar aanleiding hiervan interviewt Literair Nederland haar.
Confrontaties is het verhaal van Salomé Atabong. Jarenlang wordt ze op school gepest door Paul en Salvatore, maar dan slaat ze van zich af. Te hard. Daarom zit ze in de jeugdgevangenis. In dit jeugddetentiecentrum krijgt ze therapie van Frits van Gestel, die ooit meedeed aan een programma waarin Nederlanders grappend en grollend Afrikaanse stammen bezochten. Bij hem is zij haar frustratie maar nauwelijks de baas. Wel slaagt haar tante Céleste erin Salomés boosheid te begrijpen. Schrijfster Simone Atangana Bekono maakt van Salomé, ondanks de pesterijen, zo veel meer dan een slachtoffer of een dader. ‘Via Salomé wilde ik onderzoeken hoe slachtofferschap beëindigd kan worden. Daarom vind ik mijn boek meer dan een aanklacht tegen een racistisch systeem. Hoe groot de jou aangedane pijn ook is, daar stopt je menszijn niet.’
Je noemt dit boek expliciet níét autobiografisch.Waarom heeft de hoofdpersoon, Salomé Atabong, dan wel dezelfde initialen als jij?
‘Dat is een manier voor mij geweest om toch het personage dicht bij mezelf te houden. Het is een fictieve coming-of-age, en haar levensloop tot haar zeventiende is enigszins vergelijkbaar met de mijne. Maar de samenstelling van haar familie, de verbintenissen die zij aangaat, het heftige incident, zijn allemaal verzonnen en significant anders. Ik voorkom liefst, dat mijn boek één-op-één naast mijn leven wordt gelegd. Zelfs voor een uitgeverij is zoiets marketingtechnisch namelijk verleidelijk.’
Want het is ‘waargebeurd’?
‘Precies, dan willen lezers weten wat er met die persoon is gebeurd. Interessant, maar door heel stellig het autobiografische karakter te ontkennen, druk ik die verwachting van ‘waargebeurd’ meteen de kop in. Hoewel ik weet dat mensen vrijelijk interpreteren en het desondanks zo kunnen opvatten. Alles wat je schrijft, komt deels uit jou en je belevenissen. Ik geloof dus niet in de Dood van de Auteur. Alleen vervolgens wordt het een kunstwerk, en bepaalde lezingen daarvan staan wél los van je.’
Humor is wat mij betreft een prominente kunstvorm in Confrontaties. Een docent Nederlands weidt op zeker moment uit over intelligente humor, de grenzen ervan, ironie. Wat vind jíj goede humor?
‘Dat varieert. Een goede grap vind ik net zo bijzonder als een goed gedicht. Ik neem humor best wel serieus. Zoiets als Atlanta van Donald Glover vind ik goeie satire, hoewel ik er niet om moet lachen. Mijn familie houdt van leedvermaak. Best pijnlijk om toe te geven. Ik kom uit de internetgeneratie, dus ik lach ook om de domste online-filmpjes. Het laatste boek waar ik om heb gelachen, is Houthakken van Thomas Bernard. Een enorm grappig en zwartgallig verhaal.’
Wat het publieke debat de laatste tijd domineert, is de opvatting dat ironie alles gladstrijkt. Hoe denk jij hierover?
‘Er is een kantelpunt gekomen, waarin de publieke tolerantie voor bepaalde uitingsvormen is veranderd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar cabaretiers en stand-up comedians die het idee hebben dat ze ‘niks meer kunnen zeggen’, dan vraag ik me weleens af: wie houdt je dan actief tegen? Is het echt zo dat je niks meer mag of kan zeggen of is het meer dat je minder wordt geroemd in de mainstream media om wat je zegt en dat je daar niet tegen kunt? Wat mij opvalt: hoe meer men zich vastbijt in de overtuiging álles te moeten kunnen zeggen, hoe minder grappig hun werk wordt. Bitter. Dat bewijst voor mij dat hun ego belangrijker is dan hun werk, humor. Dan verliest het zijn humoristische waarde. Dus ik vind die opmerking een makkelijk argument om jezelf toe te blijven staan alles te zeggen zónder dat je daarbij kritiek wenst te incasseren.’
Tegengas is een soort muilkorf, volgens hen?
‘Ja, terwijl: die macht hebben veel mensen helemaal niet. Bovendien worden veel zaken ironisch genoemd, die potentieel gevaarlijk zijn. Denk aan hoe extreemrechts en andersoortig radicalisme hiermee speelt. Ik kan loyaal zijn aan makers die ik goed vind, dus ik blijf lang nieuwsgierig naar nieuw werk. Maar naar sommigen zit ik niet meer met plezier te kijken, omdat ik een innerlijke verandering bij hen bespeur. Want Ricky Gervais is in The Office geweldig, maar zijn recente stand-up…’
Wie eveneens een flinke verandering doormaakt, is Salomés tante Céleste. Zij zegt op zeker moment tegen Salomé: ‘De structuren zijn tegen je gekeerd.’ Wat wil dat zeggen?
‘Céleste neemt een interessante positie in die familie in. Ze is de jongere vrouw en daarna ex-vrouw van Salomés oom. Zij probeert contact te zoeken met haar nichtjes, Salomé en haar zus. Die zijn daar aanvankelijk overigens niet zo happig op. Céleste is een jonge vrouw, gaat scheiden, verdiept zich in koloniale geschiedenis, genderstudies, intersectionaliteit… probeert haar nichtjes iets te vertellen over concrete zaken die zij in hun leven mee zullen maken: jongens die continu aan hen denken te mogen zitten, geweldsproblematiek. Céleste probeert handvatten mee te geven aan Salomé en haar zus om zich hiertegen te weren. De opmerking ‘De structuren zijn tegen je gekeerd’ vertolkt Céleste die net een awakening heeft gehad. Ze wil meegeven dat de meiden niet opgroeien in een gelijkwaardige wereld, hoewel ze dat nog niet heel direct zien. Zij wil dat Salomé en haar zus begrijpen waarom hun bepaalde dingen overkomen, die ogenschijnlijk losstaande incidenten lijken maar onderdeel zijn van een groter proces, een groter maatschappelijk systeem.’
Onze cultuur draagt wel uit dat we met zijn allen gelijk en verlicht zijn.
‘Nederland is een multiculturele samenleving. Het boek speelt zich af in 2008. Dat is even na de dood van Pim Fortuyn. Het is een interessante periode, nog voor de eerste landelijke aandacht voor de Zwarte-Pieten-kwestie. De Nederlandse maatschappij zei over racisme: ‘Ja, maar dat is opgelost.’ En rond 2008 waren moslims een groot doelwit in het nieuws en de politiek. Salomé en haar zus groeien op in die periode, maar kennen bijvoorbeeld in hun vader ook niet de meest spraakzame persoon die deelt wat hij heeft meegemaakt. Hij zegt gewoon: ‘Als ze slaan, sla je maar terug.’ Dat gaat uit van een bepaalde gelijkwaardigheid, die voor zijn dochters niet geldt. Daar is hij blind voor maar tante Céleste ziet het wel. Door die ongelijkheid te benoemen hoopt zij de boosheid in Salomé te temperen, haar woorden te geven voor wat ze voelt, want de methode van haar vader werkt overduidelijk niet.’
Vind je Salomé een slachtoffer?
‘Ja, in sommige gevallen. Maar niet alléén. Als het gaat om het pestgedrag, is zij slachtoffer van Paul en Salvatore. Als je iemand echter tot niks dan slachtoffer reduceert ontneem je die persoon zijn agency* en menselijkheid. Net zo goed als wanneer je stereotypeert en demoniseert. Salomé slechts een slachtoffer te noemen, maakt haar eendimensionaal. En daarmee worstelen gemarginaliseerde personen nu juist altijd, dat ze oppervlakkig worden neergezet. Het eerste boek van Toni Morrison, The Bluest Eye, gaat over een meisje dat in elk opzicht slachtoffer is van haar omgeving. Morrison gaf aan dat ze probeerde in dit boek alle personages, en dus alle personages die de hoofdpersoon Pecola teleurstellen of afwijzen, zo menselijk mogelijk te houden. Dan kan de lezer namelijk niet zomaar wegkomen met gevoelens van medelijden of veroordeling, maar juist de eigen medeplichtigheid in die systemen voelen. Als auteur moet je altijd zoeken naar volledigheid, wil je over dit soort thema’s schrijven. Dat probeer ik te doen. Daarom wilde ik van Salomé een zo realistisch mogelijk personage maken.’
Hoe deed je dat?
‘Ik ben in de huid van iemand in die leeftijd gekropen, onder andere door diepte-interviews af te nemen bij twee jongeren die in jeugddetentie hebben gezeten. Tijdens mijn onderzoek en kijkend naar documentaires over jeugddetentie viel me op hoe apart zestienjarigen zijn. Volwassen genoeg om bepaalde zaken in het leven te begrijpen, en in sommige opzichten echt een kind. In ontwikkeling. Ik zelf was op die leeftijd heel stellig, wat ik herkende in de jongeren. Bij coming-of-age-verhalen vind ik sommige personages ongeloofwaardig vroeg wijs. Salomé is zeker intelligent, maar ook een beetje lomp. Heeft acties waarvan je denkt: ‘Dit had je nou juist níét moeten doen!’ Maar dat is lógisch, ze is zéstien. Dat wilde ik zo geloofwaardig mogelijk maken. Misschien had ik als zestienjarige dezelfde gevoelens als nu, maar destijds had ik er het vocabulaire niet voor die te uiten. Dus ik moest een stap terug doen en Salomés taal eigen en echt maken.’
Aan het begin van Confrontaties gebruik je het motto ‘I am against all the major plots’ van Deborah Levy. Vanwaar dit motto?
‘Mij hielp dat motto om tijdens het schrijven het verhaal bij het kleine te blijven. Het is mijn eerste grote werk. Confrontaties wordt weliswaar voortgedreven door de plot, maar de plot zélf is niet groots. Er gebeurt veel in het hoofd van Salomé, maar weinig daarbuiten. Het draait om de gedachten van een complexe, interessante tiener. Grote delen van de vertelling bestaan uit flashbacks en mijmeringen. Daarom was dat motto voor mij verwachtingsmanagement naar de lezer toe. Hoewel het boek wel dynamisch is.’
In elk geval roept Confrontaties veel vragen op. Waarom ontbreken in het boek expliciete hoofdstukaanduidingen, nummeringen en titels?
‘Er zit geen statement achter. Voor mij voelt een afbakening onnatuurlijk. Confrontaties bevat zeer korte hoofdstukken, flashes uit Salomés leven. Aanvankelijk nummerde ik de hoofdstukken, maar daardoor werd de onderbreking tussen de scènes te hard. Dus ik wilde de lezer meer meenemen met Salomés vertelritme, zodat hij er snel doorheen raast. Daarom wilde ik geen scherp onderscheid maken tussen hoofdstukken, beelden of fragmenten. Ik wilde dat het een soort brij werd, zoals Salomé dat meemaakt.’
Welke opvatting over, of lezing van Confrontaties verraste of bevreemdde je?
‘Op twee manieren ben ik verrast geweest door de receptie ervan. Ten eerste typeerden nogal wat recensenten het werk als een heel ernstig boek, een ‘aanklacht tegenover een racistisch systeem’. Dat begrijp ik ook, maar dat is een best serieuze en eenzijdige interpretatie. Voor mij bevat het boek veel luchtigheid en humor. Van veel lezers kreeg ik dat ook geregeld terug, maar geen enkele recensie die ik erover las, noemde het.
Ten tweede haalde Rasit Elibol mij aan in De Groene Amsterdammer, in een essay over ‘imposter syndrome’**. Dat schijnt onder mensen van kleur die op hoge posities terechtkomen of veel positieve aandacht voor hun werk ontvangen, vaak voor te komen. Dat deed mij veel, omdat hij mijn werk eervol vermeldde. Ik hou van zijn stukken, dus dat voelde als erkenning.’
Ik kan me voorstellen dat bepaalde vragen ook een zekere focus leggen op datgene wat je ‘imposter syndrome’ in de hand werkt. Zo ben je weliswaar half-Kameroens, maar ook half-Zeeuws. Naar dat laatste wordt waarschijnlijk niet vaak gevraagd.
‘Terwijl dat gedeelte prominent aanwezig is in Confrontaties, mag ik wel zeggen.’
Hoe?
‘Aan mijn oma, de moeder van mijn moeder dan, moet ik vaak denken omdat ik haar gedrag onbewust nastreef in het schrijven. Onverbloemd kunnen spreken, zij was erg direct. Niet altijd vriendelijk, maar daarin wel liefhebbend. Ze geloofde in wederzijds respect en beet regelmatig op haar tong, doorzag mensen scherp, voelde zich niet altijd geroepen om brandjes te blussen, maar kon daarin heel grappig zijn. Consistent eerlijk. Soms vervelend, maar het kan mooi zijn. Ik probeer dat in mijn werk ook.’
Komt jouw oma dan bijvoorbeeld terug in tante Céleste, een vrouw die de confrontatie niet schuwt?
‘Nee, dan koppel ik mijn oma nog eerder aan Salomés zus, vanwege haar eerlijkheid, of eigenlijk botheid. Het zit wel in haar familie, heel spaarzaam zijn met uitingen van liefde. Toch voel je dat er een absolute genegenheid is.’
Wie zijn inspiratiebronnen geweest bij Confrontaties?
‘Altijd als ik die vraag beantwoord, heb ik het gevoel dat ik lieg. Dat ik het aanpas aan wat het beste oogt. Deborah Levy uiteraard. Zowel haar motto als het motto van OutKast zegt veel over waardoor ik me heb laten inspireren. Ik heb ook veel Marguerite Duras gelezen. Haar stijl is scherp, kort, krachtig en poëtisch. Mijn boek is ritmisch geschreven en dat kun je koppelen aan mijn voorliefde voor hiphop. De cadans die in het boek zit, voedt de stem van Salomé, die heel erg ‘Fuck it’ kan zijn, alsof ze aan het freestylen is.’
Hoe heb je die muzikaliteit erin gekregen?
‘Ik had nog nooit een roman geschreven. Wel worstelde ik ermee dat ik niet wist waar het verhaal naartoe zou gaan, als ik de juiste toon niet had. Het leek alsof de plot eerder voortkwam uit de toon, dan andersom. Het eerste element waaruit het verhaal is ontsproten, was Salomés stem. Maar de gebeurtenissen in het boek werden mij pas duidelijk, als ik eerst de juiste cadans te pakken had, haar energie. Schrijvenderwijs ontdekte ik wie zij is, waardoor ik haar ontwikkeling steeds moest bijsturen en herzien. In de plot heb ik dan ook ontzettend zitten rommelen. Mijn vriendin Lotte, die altijd met mij meeleest, zei: ‘De laatste versie is zó anders dan drie, vier versies eerder.’ Ik heb tot het laatste moment voor mijn toenmalige redacteur, Jasper Henderson, dingen veranderd. Tot op het laatst was ik zoekende naar wat er met haar zou gebeuren en hoe haar stem zou reageren.’
De muzikaliteit loopt synchroon met Salomés gevoelsleven?
‘Ja, dat moest één-op-één kloppen. Het ritme en de muziek bepaalden de plot, en haar ontwikkeling.’
Welke vraag over dit boek heb je nooit gehad, maar zou je wel graag wíllen krijgen?
‘Niet per se een vraag, maar iets anders. Ik vind het interessant dat het personage Frits meteen door iedereen keihard wordt veroordeeld, terwijl ik denk: het is nu juist zo’n personage bij wie je moet nagaan: heb ik ook ooit op deze manier in het leven gestaan of ben ik zo weleens met iemand omgegaan? Ik vind het veelzeggend als mensen zo keihard doen van: ‘Vreselijke vent, alles wat er mis is met de maatschappij.’’
Dan reken je je zelf automatisch tot de groep die alles doorheeft.
‘Ja, dat je gelooft: ik ben in elk geval niet zó slecht. Ik denk juist dat vervelend genoeg iedereen zich wel eens als ‘een Frits’ heeft gedragen. Dat is het confronterende. Dat je totaal blinde vlekken hebt voor je eigen privileges of voor die van een ander. Dat vind ik wel grappig.’
Toch maak je hem ook sympathiek. Hij probeert toenadering te zoeken.
‘Salomé is duidelijk niet gecharmeerd van hem. Als lezer kun je dan snel met haar meevoelen, in de trant van: ‘Lekker voor je.’ Terwijl ze soms ook superonredelijk tegen hem is, wat wel te begrijpen valt. Frits heeft wel een bepaalde soort macht, maar ook weer niet zo veel. Zijn blinde vlek is natuurlijk dat hij zich niet bewust is van de consequenties van zijn tv-programma, waar hij een beetje jolig is ingestapt. Dat kan hij wel goedpraten door te zeggen dat het ongelukkig is ge-edit, maar zo onschuldig is het reisprogramma natuurlijk niet en hijzelf ook niet. Dat is de tragiek van Frits, omdat hij zich dit maar niet realiseert.’
Bekono besluit met de opmerking dat Frits, net als Céleste, een mozaïek van indrukken is. Hij bevat allerlei ‘bits and pieces’ van wat wij zelf zijn, gezien hebben, kennen, waar we om lachen en wat we veroordelen. Want ook dat leert Confrontaties ons: hoe confronterend is het wel niet dat we ons ergeren aan wie wij ten diepste zelf zijn?
* Agency: term uit de sociologie. Betekenis: de handelingsmogelijkheid van een individu.
** Imposter syndrome: diepgewortelde overtuiging niet te voldoen aan de verwachtingen van anderen en jezelf, waarbij bovendien de angst bestaat te worden ontmaskerd als een bedrieger. Dit negatieve zelfbeeld wordt gekenmerkt door zelftwijfel, een gevoel van ontoereikendheid, ondanks een hoge opleiding, relevante ervaring en tastbare successen.
Simone Atangana Bekono ontvangt de Anton Wachterprijs 2022 voor haar roman Confrontaties, dat eerder genomineerd werd voor de Librisprijs. De jury omschrijft haar debuutroman als ‘een daverende roman met details die je bijblijven’ en prijst ‘de knappe compositie en uitgekiende vertelstijl die zowel direct is als suggestief’.
Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ in Arnhem met de bundel gedichten en brieven hoe de eerste vonken zichtbaar waren. Zij werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab en voor CELA, een ontwikkeltraject voor schrijvers en vertalers in zes Europese landen. In 2018 werd hoe de eerste vonken zichtbaar waren bekroond met de Poëziedebuutprijs Aan Zee en in 2019 ontving ze het Charlotte Köhler Stipendium voor haar poëzie.
Haar romandebuut Confrontaties verscheen in 2020 en gaat over de zestienjarige Salomé Atabong die vastzit in een jeugddetentiecentrum omdat ze op een middag twee schoolgenoten ernstig heeft mishandeld.
Overige genomineerden waren Lale Gül met Ik ga leven, Valentijn Hoogenkamp met Het aanbidden van Louis Claus, Jilt Jorritsma met Was, Tobi Lakmaker met De geschiedenis van mijn seksualiteit, Vincent Merjenberg met De grijzen en Joost Oomen met Het Perenlied.
De jury, bestaande uit voorzitter Geart de Vries, Gerbrand Bakker, Kees ‘t Hart, Joke Linders en Marja Pruis, las voor deze 23e editie een kleine negentig boeken. De prijs, een bedrag van 2000 euro en een beeldje van Anton Wachter, wordt op 25 juni uitgereikt, voorafgaand aan het Literair Festival Harlingen.
De Anton Wachterprijs wordt sinds 1977 elke twee jaar uitgereikt aan een debuterend auteur.Vrijwel alle winnaars hebben naam gemaakt in het literaire veld. Eerdere prijswinnaars zijn onder meer Frans Kellendonk, Wessel te Gussinklo, Anne Gine-Goemans, Peter Buwalda, Arnon Grunberg, Tessa de Loo, Ilja Leonard Pfeijffer en Maartje Wortel.
Het beroemdste paard uit de wereldliteratuur moet dat van Don Quichot zijn. Rocinante, vrij vertaald ‘gammele knol’, is al te oud om te worden verwerkt in een stukje paardenvlees, laat staan het Iberisch schiereiland te doorkruisen. Toch drukt de Don zijn plan door en in zijn drieste waan een ridder te zijn, peigert hij het arme beest af. In Centaur galoppeert een soortgelijk nobel ros de Nederlandstalige canon binnen: Chris Polanen vertelt in dit nieuwe boek over de Surinaamse Gili (Guillaume) en zijn Hollandse, stokoude springpaard Norbert. Ze kunnen elkaars gevoel overnemen en begrijpen.
In een verzengend Paramaribo traint het duo voor het wereldkampioenschap springconcours, waarin het geldt als één van de outsiders; een echte dark horse. De winnaar strijkt drieduizend euro op en daarmee wil Gili dierengeneeskunde in Nederland studeren. Hiervoor moet hij eerst wat hindernissen trotseren op het vlak van liefde, vriendschap en familie. En hoe belegen deze drie motieven ook klinken, Polanen ontstijgt moeiteloos het niveau van een blasé streekromannetje.
Uit Centaur spreekt liefde voor Suriname, die zich in tegenstrijdige gevoelens uit. Het boek walmt van machismo, dat menig man parten speelt. Polanen geeft de pijn van Suriname weer via drie zeer interessante bijfiguren, van wie Gili eveneens zielsveel houdt. Tot slot hanteert Polanen een even nuchtere als verleidelijke schrijfstijl, waar hij het sentimentele repertoire niet schuwt. En hoewel dit soms ergernis oproept, vallen zijn vergalopperingen te verdedigen: ik-verteller Gili is namelijk adolescent en adolescenten blinken niet uit in nuance.
‘En nu begrijp ik het: waarom mannen vrouwen slaan’
Gili heeft een probleem. Hij valt op twee vrouwen tegelijk: Maaike uit Nederland, ‘een elfachtig sprookjeswezen’ en Louise uit Frans-Guyana, ‘een Caraïbische Sophia Loren’, bovendien zijn concurrente tijdens het WK. Tot overmaat van ramp is Gili maagd, maar aan de sterke seksverhalen van zijn Surinaamse leeftijdgenoten heeft hij niets: ‘Vervolgens liepen de bordeelverhalen uiteen. (…) Het bleek plotseling heel moeilijk het condoom om te krijgen. Waar. Door de spanning werd de toli slap. Waar. (…) Behalve parfum waren er andere, vreemde geuren. Waar. (…) Hij hield het tien, twintig, dertig minuten vol. Bullshit. Hij deed het twee, drie keer achter elkaar. Bullshit. De vrouw kwam klaar. Bullshit. Bullshit. Bullshit.’
Gili trekt fel van leer tegen zijn mannelijke landgenoten die continu het cliché van de Surinaamse, afwezige vader bevestigen. Hoewel Gili zich hoffelijk, als volleerd ridder, opstelt richting dames, zit het machismo eveneens in hemzelf. Zo plaatst hij Louise als volgt op een voetstuk: ‘barstend van sensualiteit, zich nog niet bewust van de onvoorstelbare ravage die ze zal aanrichten in al die nog onwetende, dommige mannenharten.’ Kortom: een aantrekkelijke vrouw is gevaarlijk en brengt niets dan pijn. Die pijn raak je overigens nooit meer kwijt, want huilen maakt je zwak. Om nog maar te zwijgen van de grootste doodzonde voor mannen: praten over je gevoel. ‘In Suriname kan je nog beter vertellen dat je door de duivel bezeten bent dan toegeven dat je een psycholoog bezoekt.’
Suriname hurts
‘Was sich liebt, das neckt sich’, luidt het Duitse gezegde. Oftewel: waar je van houdt, dat doet zeer. Gili houdt van Suriname, hoezeer het zijn inwoners ook kwetst. Vooral vrienden Shane en Hugo en vader Pieter ervaren de keerzijde van het land.
Shane, ooit ’s lands grootste springtalent, is inmiddels staljongen op Norberts manege. Na een tegenvallende carrière bekommert niemand zich om hem en hij glijdt af naar de rand van de maatschappij: ‘Nu is hij een junkie. In Suriname kun je beter een hond zijn dan een verslaafde.’ Hugo, voormalig zwemkampioen, kan fluiten naar zijn zwemloopbaan als hij in de Verenigde Staten met een republikeins vriendinnetje wordt opgepakt: ‘Hoe dan ook kwam het neer op seks of een relatie tussen een zwarte jongen zonder geld en een wit meisje met geld. Dan maakte het niet meer uit hoe hard de zwarte jongen kon zwemmen.’ In de knop gebroken bezwijkt Hugo aan lymfekanker door de gebrekkige gezondheidszorg in Paramaribo.
De grootste schlemiel is Gili’s vader. Pieter ambieert namelijk een politieke opmars waarin hij de Baas, vermoedelijk Bouterse, wil afzetten. Plotseling wordt hij verdacht van een bomaanslag op de president. Waar Gili zich in eerste instantie afzijdig houdt van zijn vader, begrijpt de zoon hem in gevangenschap steeds beter: ‘Na Nederland heeft onze eigen elite een puinhoop van het land gemaakt en (…) het laatste restje waardigheid dat we hadden, aan flarden geschoten en samen met al het bloed weggespoeld.’ Van Gili’s aanvankelijke afkeer van zijn vader om diens veelwijverij, ijdeltuiterij en uitsloverij blijft weinig over, zeker als zijn ouweheer de duurste prijs betaalt voor rebellie…
Centaur: man en paard noemen
Stilistisch toont Polanen zich een enfant terrible. Doorgaans etaleert de schrijver een verfijnde soberheid, als springruiter die snel én doelgericht naar het eindpunt raast. Bij het herkennen van racisme noemt hij man en paard, zonder ook maar een moment te prediken. Op bezoek bij zijn vader in de gevangenis merkt Gili op: ‘Voor me staat een jonge Javaanse vrouw met een klein meisje op de arm. (…) Ik doe mijn best niet te analyseren of ze een creoolse vader heeft, maar dat gebeurt binnen een seconde. Donkere huid en dik, krullend haar. Ja dus.’ Zonder expliciet te vertellen of te oordelen over racisme dat in individuen rondwaart, beseft de lezer: zelfs wie zich als kleurenblind of onbevooroordeeld beschouwt, is door een koloniaal systeem volgepropt met raciale overtuigingen.
Sporadisch zoekt Polanen te veel naar rauwe emotie in een scène die op zich al genoeg ontroert. Uitgerekend als Louise op Norbert rijdt, een hoogtepunt uit Centaur, poogt Polanen een extatische lichaamuittreding bij haar te verwoorden. Zo krijgt de Cervanteske distantie tot de inhoud ineens een mierzoete, Sturm-und-Drangachtige bijsmaak à la Julia van romanticus Rhijnvis Feith. Na de eerste vrijpartij met Louise wil Gili meer over die uittreding weten: ‘Ze sluit haar ogen en haalt diep adem. ‘Ik ging van het leven naar… iets anders. Een soort niets. Vol mogelijkheden. Er zat alles in wat er gebeurd was en nog moest gebeuren. Mijn moeder, mijn vader, hun ouders en voorouders. Verdriet. Vreugde. Geboorte. Dood. Ontelbare keren. Te veel om te weten.’’ Ter verdediging: de jongvolwassenheid van de twintigers leent zich dan wel weer uitstekend voor Sturm und Drang.
Suriname: niet over het paard getild
Eén passage verwoordt de trots van Suriname in het bijzonder. Als Franse ruiters tijdens de springwedstrijd van hun paard vallen, beperken ze zo snel mogelijk hun gezichtsverlies. Hoe anders is dat bij Surinamers: ‘Ze slagen erin lachend op te krabbelen en naar het publiek te zwaaien (…). Generaties Surinamers voor ons zijn met deze aanpak blijven lachen, hoe uitzichtloos het leven ook was. Het is onze zwakte en onze kracht.’
Simone Atangana Bekono heeft met haar boek Confrontaties (Lebowski) de prijs Beste Boek voor Jongeren 2021 in de categorie oorspronkelijk Nederlandstalig gewonnen. Aan de prijs is een bedrag van 2.500 euro verbonden.
Confrontaties gaat over de zestienjarige Salomé Atabong die een maand in jeugddetentie zit omdat ze twee schoolgenoten – die haar discrimineerden en kleineerden – ernstig heeft mishandeld. Ze denkt na over wat er mis is gegaan, wie er schuldig is en waaraan. Confrontaties is het romandebuut van Simone Atangana Bekono (1991). Ze stond ermee op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2021 en won deze maand ook de Hebban Debuutprijs 2021. Het boek werd in de pers een aanklacht tegen uitsluiting genoemd.
Het Beste Boek voor Jongeren is onderdeel van de Boekenweek van Jongeren. In de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig waren verder genomineerd: Strovuur van Gerwin van der Werf (Atlas Contact), Bart van Ap Dijksterhuis (Prometheus), Auxiety van Dieuwertje Heuvelings (Das Mag) Confettiregen van Splinter Chabot (Spectrum)
Dit is de laatste oogst voor de vakantie, hierna gaan we freewheelend de zomervakantie door. Met een boekenpakket op de bagagedrager of in de rugzak, gelezen en gereisd zal er worden. In de zomerperiode zullen er nog enkele recensies geplaatst worden, en er is de zomerrubriek waarin medewerkers van Literair Nederland laten zien welke boeken ze deze zomer gaan lezen. Voor nu een fijne zomertijd en tot eind augustus!
Harlekijn is het debuut van Robert Jan Heyning (1957). Heyning was verbonden aan het Noord Hollands Toneel en schreef verschillende toneelteksten. Het boek gaat over de zoektocht van een man naar zijn broer en de wereld waarin deze leefde.
Na de zelfverkozen dood van zijn broer verkeert de ik-figuur in een staat van verdoving. Als de ik-figuur enkele maande na de dood van zijn broer aan het sterfbed van een oude vriend zit, vraagt hij zich af: Heb ik mijn broer gehoord en gezien? Heb ik hem liefgehad en heb ik hem mijn liefde laten voelen? Wat zat er achter zijn agressieve zelfdestructie?
Het gevoel gefaald te hebben als broer, als mens, blijft op onvoorspelbare momenten vanuit het donker commentaar geven; snerend, sussend, geestig, liefdevol en cynisch. Gaandeweg begint het vermoeden te ontstaan dat de broer zijn hele leven zelf heeft bedacht, zich de werkelijkheid bedacht die hij zich wenste. En wat is de werkelijkheid?
Auteur: Robert Jan Heyning
Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
Een liefde
Een liefde is de tweede roman van de Spaanse schrijfster Sara Mesa (1976) die in het Nederlands vertaald is door Nadia Ramer. Een liefde gaat over de jonge vertaalster Natalia die de stad ontvlucht en een huisje huurt op het platteland. Ze is niet bekend met de onderlinge omgang van het plattelandsleven. De huisbaas is een onbetrouwbare man die haar een zwerfhond brengt als gezelschap. ‘Vliegen strijken neer op zijn licht opgezette buik, die bedekt is met rauwe plekken.’
Er is een zigeuner die haar van alles verkoopt, een hippie die haar zegt wat ze wel en niet moet doen, een gekke, oude buurvrouw, een Duitser, het meisje bij de supermarkt en dan die hond, die ondanks haar goede zorgen weigert om binnen te komen. In contact met deze individuen en de hond ontstaan er misverstanden, zijn er vooroordelen die niet altijd ontkracht kunnen worden. In Spanje werd Een liefde tot beste roman van 2020 uitgeroepen. En zeker een roman voor de zomer, bij de tent of in de tuin te lezen.
Auteur: Sara Mesa
Uitgeverij: Wereldbibliotheek
Centaur
De in Suriname geboren Chris Polanen (1963), is naast schrijver, dierenarts in de Bijlmer. Hij kwam op twintig jarige leeftijd naar Nederland, begon te schrijven uit heimwee naar Suriname. Nu is hij een schrijvende dierenarts van verhalen en columns. Centaur, zijn tweede roman speelt in de jaren negentig in Suriname, tien jaar na de staatsgreep, na de december moorden. In een interview in Parool, als hem gevraagd wordt of het een ode aan Suriname is, laat hij weten dat het dan wel een harde ode is. Polanen studeerde in die jaren aan universiteit in Suriname toen deze dicht ging besloot hij naar Nederland te gaan.
Centaur is een roman over identiteit, verlangen en volwassen worden in Paramaribo en opent aldus: ‘De hoeven van Norbert doen het zand hoog opstuiven. Het verspreidt zich in de lucht die boven de weg trilt. Ik laat de teugels vieren en veeg het zweet van mijn voorhoofd.
Het heeft al weken niet geregend. Gras verdort en kreken vallen droog. het zand stuift over Paramaribo en neemt de stad over. Ik wrijf in mijn ogen en spuug zandkorrels uit. In mijn haar, oren en neus laat ik ze zitten. Als een dier probeer ik me aan te passen aan een omgeving die steeds vijandiger wordt.’
Ik zoek een plek om te schrijven. Een berghok lijkt me goed, zo een als waarin romanfiguur Larry Morgan, als beginnend schrijver en verteller in Wat behouden blijft, zijn verhalen schrijft. Of zoals hij zegt, ‘eigenlijk schreef het verhaal zichzelf, het vloog eruit als een vogel die uit een kooi werd losgelaten.’ Met sommige boeken blijf ik bezig, lees opnieuw fragmenten, kijk hoe de schrijver het gedaan heeft, waar de magie zit. Twee columns terug schreef ik over dit boek dat ik niet eerder zoiets gelezen had. In de Amerikaanse romantraditie is Wat behouden blijft een bijzondere roman zegt schrijver Jane Smiley. In een nawoord schrijft ze dat Stegner met dit boek zich zowel ‘heeft ontdaan van Hemingway’s idee van solitaire mannelijkheid als van Fitzgeralds idee van romantiek.’
Het boek begint als Larry en zijn vrouw Sally, op verzoek van Charity, in 1972 terugkeren naar de heuvels in Vermont, de plek waar ze hun gezamenlijke zomervakanties doorbrachten. Charity is ongeneeslijk ziek. Herinneringen brengen Larry terug naar de cruciale momenten in hun levenslange vriendschap. De eerste ontmoeting midden jaren dertig, toen het leven nog enkel uit toekomst bestond. Sid en Larry zijn beginnend docent aan de Universiteit van Wisconsin, de een wil dichter worden, de ander romanschrijver. Sally en Charity zijn tegelijkertijd zwanger, voor Sally de eerste, Charity de derde. Larry schrijft, zijn verhalen worden geplaatst in magazines. Voor Sid staat het docentschap, onder invloed van Charity op de eerste plaats. In plaats van dichten moet hij promoveren.
Charity is gecharmeerd van het bohémienachtige leven van Larry en Sally, trekt ze hun leven in, waarna een vriendschap ontstaat die paradijselijke trekken heeft. De picknicks, uitstapjes, een voettocht door de jungle. Tot, zoals Larry zich herinnert, de onvermijdelijk slang die zich in elk paradijs verbergt, opduikt. In de vorm van polio Sally treft. Later is er nog een reis naar Italië. Er vallen dingen voor, er is verwijdering (vooral in afstand) maar de diepte van verbondenheid, van ‘elkaar nodig zijn’, is steeds aanwezig. Er is een schitterende dialoog die ik herhaaldelijk lees. Over vijf pagina’s zetten Sid en Charity zich uiteen voor ze hun gezamenlijke leven aangaan. Sid declameert voor Charity:
‘Ik zal opstaan en gaan nu, en gaan naar Innisfree,
en daar een hutje bouwen, gemaakt uit klei en twijgen;
negen rijen bonen zal ik daar hebben, een korf voor honingbijen,
en wonen, heel alleen, op bij-doorgonsd gebied.’
Charity reageert luid lachend, ‘O, póéh Sid! Dat is een schitterend gedicht, maar het is geen plan voor het léven.’
Dan weet je dat de kaarten zijn geschud, de regels bepaald. Deze dialoog, (zo schrijft Larry, is deels verzonnen, deels uit tweede hand van degenen die bij dit gesprek aanwezig waren, ook een romanfiguur ensceneert) geeft aan hoeveel Sid en Charity voor hen betekend hebben. In hun kracht en falen haalt hij ze liefdevol naar de voorgrond, worden ze onvergetelijk. Het is deze intensiteit van vriendschap waarover ik nog nooit gelezen had.
Maar goed, ik ben dus op zoek naar een plek waar ik mijn hoofd kan openzetten, de verhalen eruit vliegen, ze enkel hoef op te schrijven.
Tijd werd opeens schaars dus haastte ik me dinsdag net voor sluitingstijd naar de bloemist. Daar zocht ik verschillende bloemen uit die de bloemenverkoopster tot een bos samenbond, er een goudkleurig papier omwikkelde. Ze begreep het wel, zei ze. Ik vond het niet eens raar dat ze me bij het verlaten van de winkel een fijne persconferentie wenste, ik ‘Insgelijks’ zei. Thuis maak ik een pastasalade, trek een fles wijn open, zet het keukenkrukje voor de bank, laptop erop, speakertje erbij. In de keuken maak ik een dressing van olijfolie, knoflook, citroensap, basilicum en honing, roep naar buiten, naar Mijn lief die daar iets aan het maken is, dat we kunnen eten. Er hangt iets in de lucht. Ik heb dat ook wel bij het openen van de mailbox, dat ik daar die ene, niet verwachte brief vind. Dat alles verandert.
Ik verdeel de pastasalade over twee kommen. Denk aan de tijd toen iedereen dezelfde tv-programma’s keek, er de volgende dag over gesproken werd, hoe goed iets was, of hoe slecht. Het was makkelijk praten, we wisten niets van de wereld. Ik denk, ‘Wat behouden blijft’. Een titel die zich in me heeft vastgehaakt, als een angel in een vissenbek. Het leidt me af van het nieuws, dat toch eigenlijk oud nieuws is. Er is behoefte aan een verhaal dat zich langzaam ontvouwt, regel voor regel, alinea na alinea, vierhonderddertien bladzijden lang. Het begint zo, ‘Terwijl ik uit verwarrende dromen en herinneringen naar boven kom, slingerend als een forel opduik door de kringen van eerdere stijgingen, bereik ik het oppervlak. Mijn ogen gaan open. Ik ben wakker.’ Een man wordt gedesoriënteerd wakker, tijd en ruimte presenteren zich aan hem, ‘Het is duidelijk nog heel vroeg. Het licht dat door de kieren van de jaloezieën lekt, is niet meer dan een schemering. Maar ik zie, of herinner me, of beide, de gordijnloze ramen, de kale dakspanten, de houten wanden die leeg zijn, op een kalender na, die er acht jaar geleden geloof ik ook hing, toen we hier voor het laatst waren.’
Hij stapt uit bed, ‘Sally slaapt nog’ (zijn vrouw), loopt langs de kalender, ziet dat het toch een andere kalender is dan hij zich herinnert. ‘Er staat correct dat het 1972 is, en dat het augustus is.’ Het is dus de zomer van 1972, ik bevind me in een huisje met een man die op blote voeten naar de deur loopt, na een lange reis hier aangekomen voor een laatste ontmoeting met vrienden.
‘De deur kraakt als ik hem voorzichtig open. Een frisse lucht, een grijs licht, een grijs meer daar beneden, een grijze hemel achter de Canadese dennen waarvan de toppen een flink stuk boven de veranda uitsteken.’ Hij vertelt over de plek ‘waar gedurende de beste jaren van ons leven vriendschap een thuis vond en geluk zijn hoofdkwartier had.’ Waarna in flarden de cruciale momenten uit een levenslange vriendschap tussen twee echtparen wordt beschreven. Een prachtig verhaal, wonderlijk boek, niet eerder las ik zoiets.
Dinsdag 25 juni jongstleden is R.A. Basart overleden. Basart was schrijver van een intrigerend maar bescheiden oeuvre dat met grote tussenpozen tot stand kwam. Zijn werk werd wel gekwalificeerd als literair hoogstandje.
Op achtentwintig jarige leeftijd debuteerde Basart als ironisch dichter met Oranjebal waarvoor hij uit handen van de juryleden Gerrit Komrij, Mensje van Keulen en Guus Luijters, de Fontijn-aanmoedigingsprijs ontving. Op dat moment beschouwd als beloftevol schrijver, koos Basart er niet voor zijn docentschap op te geven voor de literatuur.
Twee bundels
In 1977 verscheen een tweede bundel, De gezonde apotheek. Daarna trad er een stilte in die zo lang duurde, dat zijn naam haast uit het literaire geheugen verdwenen was. Pas twintig jaar later, in 1997 verscheen er dan een roman van zijn hand, De laatste lach, over een verliteratuurde leraar die in een identiteitscrisis belandt, ontslagen wordt en worstelt met de dood van zijn op jonge leeftijd overleden Joodse vader. Een roman waarin dagelijkse besognes en de zwaarte van het familieleven stijlvol en met aangrijpende humor beschreven wordt.
Jaren van stilte
Waarna er weer bijna twintig jaar voorbij gingen, met onderbreking van een enkele prozapublicatie in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort in 2010, wat een voorpublicatie bleek te zijn van De verzoening, die in 2016 bij Lebowski verschijnt. Een roman over de drieënzestig jarige gewezen leraar en zelfbenoemde natuurgeneeskundige arts, Inni Pardijs. Over De verzoening schreef recensent Hans Vervoort:
‘Het dadaisme heeft in Nederland nooit veel aanhang gehad. Met Paul van Ostaaijen en later het tijdschrift Babarber (van Bernlef en K. Schippers) hebben we het zo ongeveer wel gehad. Maar met R.A. Basart krijg het een nieuwe representant. Zijn roman is één en al chaos maar op elke pagina trakteert hij de lezer op woord vernuftigheden die geregeld de lachspieren kittelen…’
Gestage schrijver
In 2016, het jaar van de verschijning van zijn tweede roman, werd Basart getroffen door een hersenbloeding. Toch bleef hij, zoals het hem gewoon was, langzaam en gestaag doorschrijven aan een nieuwe roman die de titel Bork zou krijgen maar niet tot een afronding is gekomen.
In 2017 gaf zijn uitgever Lebowski een bloemlezing uit van Basarts eerste twee bundels, aangevuld met enkele nieuwe gedichten, Zingend naar huis. Binnenkort zal Lebowski de debuutroman van Basart, De laatste lach in een nieuwe editie uitbrengen. Daarmee is dan al zijn werk weer beschikbaar. Alleen de schrijver, die wordt node gemist.
Met flinke tussenpozen heeft R.A. Basart poëzie gepubliceerd. Hij debuteerde met een gedichtenbundel in 1975; twee jaar later verscheen zijn tweede, en twwer wintig jaar later publiceerde hij zijn eerste roman. Vorig jaar kwam er een tweede roman bij, De verzoening, die erg goed ontvangen werd. Het lijkt erop dat Lebowski het tijd vond om ook Basarts poëzie weer onder de aandacht te brengen middels Zingend naar huis, een verzameling ‘selected and new poems’ zoals dat in het Engelse taalgebied heet.
De bundel bevat ongeveer voor de helft gedichten uit die eerste twee bundels, Oranjebal en De gezonde apotheek. Dit deel heet ‘Eerste gedichten’; het deel met het nieuwe werk ‘Laatste gedichten’. Vooral die tweede helft roept vragen op – vooral de vraag over wat voor een tijdsspanne die laatste gedichten zijn geschreven en of er misschien ‘Middelste gedichten’ bestaan die hier weg zijn gelaten. Beide helften sluiten immers zo goed op elkaar aan dat er nauwelijks sprake is van opvallende ontwikkelingen in Basarts dichterschap: de toon en thematiek blijven vrij constant. Basart brengt lichte spot en dito melancholie samen in klein aandoende gedichten die stiekem wel grote thema’s behandelen. Het resultaat is een typisch soort moderne Nederlandse Romantiek: al te wilde emotionele uitspattingen beteugeld met milde ironie en meewarigheid. Het mooie openingsgedicht ‘Bij het aftuigen’ is direct al exemplarisch:
Wat brak werd vervangen / maar liet steeds een leegte na: / dus hou ze heel, als je ze heel / houdt zie je later waar de / sneeuw van vroeger is gebleven.
Op de achterflap wordt beweerd dat Basarts poëzie ‘moeilijk te categoriseren [is], maar als we toch een poging moeten doen, denken we aan Nijhoff en Eliot.’ Voor wie hiermee een bewuste poging onderneemt om Basart een plaatsje te bezorgen in de (modernistische) canon, zal deze vlieger niet opgaan; daar zijn deze gedichten bij lange na niet gelaagd genoeg voor. Soit, de humor van de vroege Eliot (denk ‘Prufrock’) zit er in de verte wel in, maar Basart doet vooral denken aan land- en generatiegenoten Lévi Weemoedt en Jean Pierre Rawie – maar dan zonder het al te op de lach gerichte van de eerste, en de gezwollen toon van de tweede. Die karakteristiek geldt voor de gedichten uit de jaren zeventig, maar zo’n veertig jaar later lijkt er weinig veranderd te zijn:
Daar ga je, nagewuifd / vanaf de kade, tranen / in de zee: / niets bracht je hier, niets / neem je mee
Binnen dat wat ouderwetse idioom weet Basart een aantal sterke gedichten te schrijven, waarin de ironie minder, en de impact groter is. Aangrijpend is ‘De kamer’, waarin vrienden zich buigen over een stervende: ‘De vrienden buigen zich. / U ziet uw vrienden over u // gebogen. U sluit uw ogen. / U sluit uw ogen voor de / dood hun ogen.’ Indringend is het morele dilemma in ‘Sde nechemja’ (vernoemd naar een door Nederlanders gestichte kibboets): ‘Een vervelende man. […] Wat een lul van een man. // Maar hij heeft een nummer op zijn arm! // Jawel. Een lul met een nummer.’
Wat nieuw is in dit gedicht en in een aantal andere ‘Laatste gedichten’ is de wat aan Zestig verwante, readymadeachtige praterigheid: ‘Je weet toch wat ze te eten kregen? / Kranten gedrenkt in bloed. / Dat kregen ze smorgens, / smiddags en savonds’.
Maar per saldo zijn die nieuwigheden wat aan de magere kant, als oogst van vier decennia. Het geheel heeft ook een wat hoog hit and miss-gehalte, zeker in de eerste helft van de bundel, al is ‘Najaarsaanbieding’ uit ‘Laatste gedichten’ ook nogal flauw met dichters-hebben-het-zo-moeilijk-grapjes als ‘(En als mijn / tanden op het asfalt slaan:) // Alweer veertien exemplaren…’ Tja. Zingend naar huis pakt door de verzameling geslaagd en niet zo geslaagd werk, onevenwichtig uit, handvol fraaie gedichten of niet.
Een goeie drinkscène, daar knapt menig boek van op. Maar het zijn niet de gemakkelijkste om te schrijven. Zoals een acteur die een dronken personage op het toneel neerzet moet waken voor over-acting, zo moet een auteur ervoor waken dat zijn scène over the top wordt.
Een goed voorspel is van belang – waarom grijpt het personage naar de fles? – maar meer nog de opbouw van de roes. De lezer moet glas voor glas worden meegevoerd in die roes, als het even kan naar een allesvernietigende apotheose. Waarin het nodige kapot gaat, zowel in materiële als relationele zin. Maar die roes is het allerbelangrijkste; wat is er mooier dan als lezer samen met het personage langzaam dronken te worden? En dan zonder pijn in je kop verder kunnen lezen.
Glas voor glas, laat dat maar aan dichter/romanschrijver Erik Jan Harmens (1970) over. In zijn bekentenisroman Hallo muur beschrijft hij zijn – vijfentwintig – alcoholische jaren. Harmens slaagt er bij vlagen goed in om de lezer uit zijn luie stoel te trekken en mee te slepen naar de bar: ‘Nou vooruit, nog eentje dan. Nog één Westmalle Tripel.’ Is het bij de ik-figuur steeds het volgende glas dat blijft lonken, bij de lezer is dat steeds het volgende korte hoofdstuk. Want Harmens presenteert zijn verslag van bijna-zelfvernietiging niet in één lange, chronologische verhandeling.
Hij biedt ons hapklare brokken van gebeurtenissen die afwisselend spelen in het heden en het verleden. Dat is slim. Die dosering zorgt voor de broodnodige variatie: het leven van een verslaafde vertoont immers weinig reliëf en dus is het inkijkje wat de schrijver ons biedt in beginsel saai. Ook al is Harmens personage nog in staat er een redelijke baan op na te houden – en iets wat op een gezinsleven lijkt – voor het overige zijn denken en doen beperkt. Die worden slechts door twee emoties gestuurd: verlangen en angst. Het verlangen naar de roes en de beheersing van de angst: ligt er wel genoeg in de koelkast om de avond door te komen?
Hallo muur is, en dat klinkt gek als we het over verslaving hebben, een heel nuchtere bekentenis. In een onopgesmukte stijl, wars van pathetiek en zonder medelijden op te wekken, doet de schrijver eerlijk verslag van een rauw leven. Als een boekhouder, zo minutieus beschrijft hij wat hij aan alcohol inneemt op een dag. Zelfs al is de helft maar waar, dan nog vraag je je af of de schrijver überhaupt nog wel een lever heeft. Zelfs de therapeute van de verslavingskliniek schrikt als de ik-persoon opsomt wat hij zoal tot zich neemt op een dag. En dan houdt hij ook nog eens de helft achter. Die opsommingen, waar Harmens zijn boek veelvuldig mee heeft gelardeerd, doen wel afbreuk aan Hallo muur. Wie zoveel door elkaar drinkt, kan daar onmogelijk de volgende dag een magazijnlijst van opstellen. Maar we begrijpen wat Harmens zeggen wil: het was érg veel.
Verslaafden zijn vaak goed in het bagatelliseren van het probleem. Slagen er voor de buitenwereld in het monster in wiens klauwen ze geraakt zijn af te schilderen als een vriendelijke fee. Harmens behoort tot die categorie en heeft dat heel mooi beschreven. Je ziet hem stiekem naar het schuurtje sluipen om de lege flessen te verstoppen. Je moet glimlachen om de trucs die hij uithaalt om een ander het idee te geven dat hij pas aan zijn eerste pilsje is.
De ik-figuur doet zijn bekentenissen tegen een denkbeeldige muur. Vandaar de titel. In feite zijn u en ik, de lezer-luisteraar, die muur. Maar de muur staat voor méér. Zie het als de door de ik-figuur zelf opgerichte afbakening van zijn verslaving. Hij weet, zoals elke verslaafde het weet, dat minderen niet de oplossing is. Het is alles of niets: drinken of helemaal niet drinken. Dat glaasje wijn alleen bij het eten zijn er aan het eind van de week al twee. En dus is er de zelf gemetselde muur die Harmens nog eens prachtig laat terugkomen in de scène waarin hij met zijn gezin een tussenwoning betrekt waarbij aan weerszijden van de tuin de omheining ontbreekt. Dat is moeilijk wonen, je zo bespied te weten van beide kanten. Vanaf dat moment wordt dan ook het hoogste ideaal: een huis met een muur om de tuin. Hallo muur
Jan Arends (1925-1974) heeft, onder meer door zijn uiterst kale taalgebruik, veel bewonderaars. Een van hen is Oscar van Gelderen, uitgever bij Lebowski. Bij die uitgeverij verschenen vorig jaar verschillende (her)uitgaves van Arends’ werk. Naast twee verhalenbundels en een biografie, zijn er ook weer gedichten van Arends verschenen. Lunchpauzegedichten (1974) is heruitgegeven, en er is een nieuwe poëziebloemlezing uitgebracht: Roofbloem.
Roofbloem is een ietwat overbodige uitgave. De selectie kent namelijk een aanzienlijke overlap met Lunchpauzegedichten, en is ongeveer even dik. Roofbloem had daarom beter een dikkere bundel kunnen worden, met meer werk dat niet in de eerstgenoemde bundel staat. De meest geïnteresseerden zullen Lunchpauzegedichten immers aanschaffen wegens de goed reputatie van die bundel, en wellicht Roofbloem als supplement kopen.
De toegevoegde waarde van Roofbloem zit in de reeks fraaie liefdesgedichten voor Haleine, en ook in Arends’ vroege werk. Die eerste gedichten missen scherpte en zijn vrij traditioneel, rijmende gedichten, maar ondertussen zijn ze wel duidelijke voorecho’s van de latere Arends:
Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
ik ben het geraamte van mijn broer,
die gisteren is dood gegaan;
de dood staat altijd op de loer.
De dood staat altijd op de loer
en met hem zeven zonden,
die mij wel slepen naar de hel
als zij mij vinden konden.
Maar ik sta illegaal op straat
te wachten in de regen,
te wachten tot mijn zonden gaan,
maar straks zijn het er negen.
Ik durf mijn huis niet in te gaan;
de dood staat altijd op de loer;
ik sta in de regen op de straat
in het geraamte van mijn broer.
Een fantastisch gedicht is het allerminst (let op de rare zinsvolgordes, onnodige herhalingen en de rijmdwang ‘regen’-‘negen’). Bovendien zit het tegen Hendrik de Vries-epigonisme aan. En toch, ‘[het] geraamte van mijn broer’ is een aangrijpend beeld, veel aangrijpender dan dat matige ‘de dood staat altijd op de loer’ (bovendien, men staat niet maar ligt op de loer). Daarnaast doet de dood in dit gedicht ook gelijk denken aan een van Arends’ latere, mooiste gedichten: ‘Je / ligt in bed. // Er / is een touw / om je nek. // Het / leven is goed. // Het / brood is vers. […] Je / gaat naar bed. // Er / is een touw / om je nek.’
Arends bedient zich van een opvallende, om niet te zeggen merkwaardige verstechniek. Elke strofe is bij hem een zin en andersom. Elke regel bevat hoogstens vier, vijf woorden. Dat doet enigszins denken aan de manier waarop poëzie vaak geparodieerd wordt: woord enter woord enter woord enter woord. (Zie ook Jules Deelder: ‘Ge- / dich- / ten / zijn / vaak / lang / en / smal’.) Arends weet echter heel goed wat hij doet. Hij zet de lange, smalle vorm op uitstekende wijze in: hij bouwt vaak langzaam een gedicht op en gebruikt daarbij vaak herhalingen (zie bijvoorbeeld ‘Zo / is hout’ en ‘Zo / is het woord’). Daardoor krijgen de gedichten iets mantra-achtigs. Rustig bouwen de beelden zichzelf op, en ze worden nergens vaag.
Wat overigens ook verloren gaat bij Roofbloem: het poëticale openingsschot van Lunchpauzegedichten. Weliswaar is ‘Voor Gerrit Kouwenaar’ in beide bundels opgenomen, maar in Lunchpauzegedichten wordt rond beelden uit dat gedicht een duidelijke poëzieopvatting naar voren geschoven: de poëtica van de destructie. Laten we het gedicht erbij pakken (en let ook op die fraaie mantra-achtige herhalingen):
Wie / een boom / tekent / laat / het weten / zien.
Een / boom / is geen taal.
Een / getekende boom / is taal.
Een / bijl maakt hout / van de boom.
Zo / is / een omgehakte boom / een daad / van de taal.
Alles / wat zegt / dat de boom / bestaat / is / taal.
Een / bijl / maakt hout / van de boom.
Zo / weet / de bijl / van boom / en hout / en bijl.
Zo / spreken / de handen / van de mens / van de boom.
Zo / is hout / de taal / van het huis.
Zo / is het woord / de woning / van / de / mens.
Als je / eindelijk kunt zien / hoe de boom / vertakt / dan is het winter.
Het gedicht roept de associatie op met bomen die gekapt worden om tot papier verwerkt te worden: als ondergrond voor taal. Om te scheppen dient er vernietigd te worden. Vervolgens duiken er steeds vaker bomen en bijlen op in Lunchpauzegedichten, waarbij het beeld van de boom gelijkgesteld lijkt te worden aan de poëzie zelf. Arends heeft het verderop in de bundel immers over ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.’ Deze strofe wordt dan ook geregeld geciteerd als er over Arends geschreven wordt (zo ook in de nawoorden bij Lunchpauzegedichten én Roofbloem). De bijl duikt onder meer op in een indringend titelloos gedicht:
Wat
geeft dat toch
een angstig gevoel
van vrede
als vader
zijn bijl slijpt.
Het fijne aan Lunchpauzegedichten is dat er allerlei dwarsverbanden gelegd kunnen worden. Een gedicht als bovenstaande zorgt op zichzelf voor vragen (waarom slijpt de vader de bijl? waarom geeft dat een angstig gevoel van vrede? wat is een angstig gevoel van vrede?), en daarin zit voor een deel de charme van het gedicht, maar lees het eens in het licht van een andere Arends-klassieker, die begint met de regels ‘Ik ben / vijftig jaar / en geen / aardige man.’ Over deze man leren we dat hij geen vrouw en kinderen heeft, dat hij ‘veel geonaneerd [heeft]’, het brood besmeurt en ellende bezorgt waar hij komt. En dan volgt de wending van het gedicht:
Misschien
kom ik morgen
bij u
met een bijl.
Maar
schrikt u niet
want ik
ben god.
Alweer een bijl die opduikt. En wijst die ‘schrikt u niet’ op een angstig gevoel van vrede? Er heerst een constante dreiging in Arends’ poëzie, die van de opzichtig aanwezige dood is veranderd in bijlen en stroppen, die tegelijkertijd concreet en ongedefinieerd is. Dat maakt deze gedichten behoorlijk beklemmend, maar tegelijkertijd zijn ze door hun verrassende vorm en opbouw ook erg uitnodigend.
Lunchpauzegedichten en Roofbloem
Jan Arends
Blz.: 67
Prijs: € 12,50
Uitgegeven door De Bezige Bij en Lebowski