• Een monoloog zo gespannen als een veer

    Een monoloog zo gespannen als een veer


    Woord vooraf door de redactie
    Een boek kan verschillende reacties oproepen, en een enkele keer zijn die zo tegengesteld aan elkaar dat het interessant is te onderzoeken hoe dat komt. Vooral als aangeven wordt dat een boek ook heel anders gelezen kan worden. Om recht te doen aan beide zienswijzen, vroegen we nog een recensent naar dit boek te kijken dat eerder hier werd besproken door Reinier van Houwelingen.



    De boeken van Uitgeverij Vleugels worden op het omslag niet voorzien van een jubelende toelichting op de inhoud, noch van ronkende aanprijzingen van bekende collega-auteurs of vooraanstaande dagbladen. Ook staat er geen afbeelding op die de lezer moet lokken. De dialoog tussen schrijver en lezer wordt niet verstoord door externe factoren; het boek moet voor zichzelf spreken. Dat geldt ook voor
    Het geheugen van de lucht van Caroline Lamarche, in vertaling van Katelijne De Vuyst, met zijn strak en sober uitgevoerde uiterlijk.

    Deze kleine roman van 76 pagina’s was oorspronkelijk geschreven als theatermonoloog en is dat gebleven in die zin dat er slechts één persoon aan het woord is, die over haar persoonlijke ervaringen vertelt. Het boek is ingedeeld in twee delen. Eigenlijk zou je als lezer met het laatste deel moeten beginnen. Hierin vertelt de naamloze vrouw  – naamloos omdat ze symbool staat voor alle vrouwen – dat ze ruim twintig jaar geleden verkracht is, waardoor het eerste deel van de roman in een heel ander licht komt te staan. Veel verhaalelementen die eerst onbeduidend of onbegrijpelijk leken, krijgen hierdoor gewicht en betekenis en ook het motto vooraan in het boek, ontleend aan schrijfster Unica Zürn (1916-1970), is nu van groot belang geworden: ‘Alleen de monoloog kan de waarheid onder woorden brengen – wie zou het wagen zijn geheim aan de ander te vertellen?’ 

    Terugkerende droom als traumaverwerking

    De vrouw in het verhaal waagt dat in ieder geval niet, en zeker niet aan de man met wie zij zeven jaar een relatie had en die zij nu Vantoen noemt, een afkorting van ‘man van toen’. Hij was er wel van op de hoogte, maar reageerde alleen met: ‘Een paar jaar geleden werd je verkracht, toch?’ De enige manier waarop zij haar traumatische ervaring kan verwerken, is in een steeds terugkerende droom waarin ze haar jongere ik dood in een ravijn ziet liggen, onbereikbaar. 

    De gecompliceerde verhouding met Vantoen ontstond na een huwelijk met een andere man waarover verder niets verteld wordt en waaruit twee dochters werden geboren, zoals slechts terloops vermeld wordt. Vantoen ontpopte zich als een megalomane egoïst, die alleen hield van seks, literatuur en zijn eigen schrijfsels, waarmee hij beroemd hoopte te worden. In zeven jaar vond hij niet één keer het juiste moment om aan zijn moeder te vertellen dat hij een relatie had. Hij dreigde regelmatig met het plegen van zelfmoord om haar te chanteren en een schuldgevoel aan te praten, maar in plaats van de hand aan zichzelf te slaan, mishandeld hij de naamloze vertelster, die daarop naar het ziekenhuis gaat om in een attest te laten vaststellen dat ze mishandeld is. Maar aangifte doet ze niet, omdat zij dat na haar verkrachting wel deed en door de politie zeer onheus werd behandeld. Pas als ze Vantoen in zijn slaap ziet liggen alsof hij dood is, kan ze de moed verzamelen om hem te verlaten.

    Slachtoffer wordt medeplichtige

    Hierna begint deel twee van het verhaal, waarin de vrouw vertelt over de verkrachting, waarbij ze bedreigd werd met een mes, over haar angst, haar lijden, maar vooral over de macht die een ander tijdelijk over haar kon uitoefenen door middel van een wrede daad die haar eigenwaarde en zelfvertrouwen voorgoed deed verdwijnen. Zo zeer zelfs, dat zij er niet meer over durft te praten en haar enige getuige de lucht is: ‘Het geheugen van de lucht bewaart al onze gebaren, al onze woorden en zelfs de gebaren en woorden waarvan we uiteindelijk afzien’. 

    Als zij op het politiebureau aangifte doet, vraagt de dienstdoende agent: ‘Bent u klaargekomen? We moeten dat weten voor het onderzoek.’ Als ze, in verwarring gebracht door deze vraag, iets onduidelijks stamelt, krijgt ze het advies met niemand hierover te praten. Van slachtoffer wordt ze tot medeplichtige en schuldige gemaakt. Eerder deed Vantoen dat al, en ook de moeder van de vrouw legde in haar opvoeding de nadruk op onderwerping, inschikking, aanpassing, zowel op school als later: ‘”Je moet laten begaan, nooit nee zeggen tegen je man”, had mijn moeder me op mijn veertiende geleerd, “maar maak je geen zorgen, het is een vervelend moment dat al met al snel voorbij is.”’

    Uiteindelijk raakt de vrouw er zelf ook van overtuigd dat ze medeplichtig is aan de verkrachting en dat het haar schuld was: ze had die rode jurk niet moeten aantrekken, door een andere straat moeten lopen, ze had zich moeten verzetten. 

    Een wezen zonder macht

    Lamarche laat op overtuigende wijze zien hoe diep een gewelddadige gebeurtenis als verkrachting ingrijpt in het leven van de vrouw, waardoor het heden, maar ook alles in het verleden in het teken is komen te staan van die verkrachting. Vandaar de talloze beelden, symbolen, cursiveringen en verwijzingen die in het eerste deel van de roman in eerste instantie geen belang leken te hebben en pas achteraf wijzen op wat haar is overkomen. Hoe beladen het onderwerp ook is, het taalgebruik wordt nergens sentimenteel of overladen; de vrouw doet niet aan zelfbeklag of tranen. Zo sober en strak als het uiterlijk van deze roman, zo ingehouden en beheerst is de inhoud, een verhaal zo gespannen als een veer. 

    Er vindt een soort van catharsis plaats op de laatste bladzijde van het boek, als de vrouw ziet hoe een jongetje door zijn moeder door elkaar gerammeld wordt en hoe ze hem afsnauwt. De vrouw zegt: ‘Ik oordeel niet. Ik stel gewoon vast dat het kind op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats aanwezig was. Een wezen zonder macht. Een wezen dat je helemaal in je macht hebt. […] Op dat moment heb ik begrepen wat me was overkomen.’ Met deze bewustwording sluit de roman. De dode vrouw uit de terugkerende droom kan beginnen voorzichtig uit het ravijn te klimmen.

    Het geheugen van de lucht is hier te bestellen.

     

  • Scheefgroei

    Scheefgroei

    Soms overvalt me een vlaag van lezen, zoals in een vlaag van verstandsverbijstering. Dan zie ik alleen maar boeken. Lees vier/vijf/zes boeken door elkaar. Het bevreemd me, maar alla, ik moet lezen dus sta er niet te lang bij stil. Daardoor mis ik veel, telefoontjes, de trein, tv uitzendingen, zoals Showcolade. Een show die een flop werd, stond gisteren in de Volkskrant. Over vier pagina’s werd erover geschreven, met een ernst als werd een ramp gereconstrueerd, (denk Twin Towers). Ik had eigenlijk geen tijd, moest een boek dat me vanaf de eerste alinea fascineerde, uitlezen. Maar dit artikel, zo groot, moest iets te vertellen hebben. Er kon een falen van mijzelf in aangetoond worden, iets waarop ik de vinger kon leggen. Kijk Inge, je leeft teveel in een bubbel, je mist iets. Maar het was niets. Het wekte zelfs niet de behoefte het programma terug te kijken. Ik wilde niet zien hoe bekende Nederlanders uit verschillende voorwerpen een voorwerp aanwezen (dat was de grap) waarvan ze dachten dat het van chocola was. Dat ze erin hapten (schoen, theekopje, afstandsbediening, plantenspuit). De hele crew achter het programma was geïnterviewd, al wilde niet iedereen meewerken. Ik weet niet waarom dit artikel geschreven moest worden, waarom ik het las.

    Op het boek dat ik bijna uit heb staat een jonge vrouw met een klein meisje in een zomerjurkje aan de hand op een perron. Wachtend tot de trein het station binnenrijdt. Of vertrekt de trein, is het een afscheid? Dat zou de mistige dampen naast de trein verklaren, voor het opstarten wordt meer energie verbrand dan wanneer deze binnenloopt. Het is de trein waarmee de vader van Christine Angot haar leven binnenreed, en vertrok. Angot is een opmerkelijk schrijfster, kale taal, parlando, veel dialogen, niets omschrijvend. Een boek over haar ouders. Vader intellectueel, moeder joods arbeiderskind. ‘Mijn vader en moeder leerden elkaar kennen in Châteauroux, vlakbij de avenue de la Gare, in de kantine waar ze kwam, op haar zesentwintigtse werkte ze al verscheidene jaren bij de sociale zekerheid, op haar zeventiende was ze in een garage als typiste aan de slag gegaan, terwijl hij na een lange studie op zijn dertigste zijn eerste baan had gekregen.’ Vader is dwingend, bepalend, laat haar moeder zwanger achter, trouwt een vrouw uit zijn eigen milieu.

    Vanaf haar dertiende is er contact, logeert ze soms een weekje bij hem. Die weekjes zijn niet altijd leuk zegt ze tegen haar moeder.
    ‘Het was echt niet zo’n fijne week mama.’
    ‘Misschien was het te lang. Of niet?’
    ‘Ja het was te lang.’
    ‘En daarbij, het was niet leuk. En er is nog iets anders gebeurd.’
    ‘Wat?’
    ‘Nou…’
    ‘Zeg het maar.’
    ‘Nou… Oké. ’s Ochtends ging hij vroeg weg. Ik ontbeet nadat hij vertrokken was. En ’s middags keerde hij terug. Op een middag keerde hij terug, en ik had vergeten de melkfles in de ijskast terug te zetten, na mijn ontbijt. Je hebt geen idee mama hoe hij me heeft uitgescholden toen hij zag dat de melk nog op tafel stond!!!’

    Hier wordt iets belangrijks verteld, iets waar je de vinger op kunt leggen. De moeder ontwijkt het. Sommige dingen wil je niet weten. Christine Angot adoreerde haar moeder, totdat haar vader haar misbruikt. Daarna kan ze haar moeder, omdat ze er niet over kunnen praten, niet meer in haar buurt velen. In 1999 schreef ze in L’Inceste voor het eerst over haar traumatische jeugd. In al haar latere boeken bleef ze erover schrijven. In dit boek poogt ze dichter bij haar moeder te komen. Het is geen reconstructie, er wordt geen getuigenis afgelegd, wel toenadering gezocht. Angot toont dat een roman geen getuigenis is. ‘Wat literatuur over de samenleving zegt, is politiek.’ Schrijven om het leed te overstijgen, klasse verschillen bloot te leggen. Over hoog laag, man vrouw, hoe die een onherstelbare scheefgroei veroorzaken.

     

    Een onmogelijke liefde / Christine Angot / vertaald door Katelijne De Vuyst / uitgeverij Polis


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Een verstikkende vertelling over misbruik

    Een verstikkende vertelling over misbruik

    ‘Met gevaar voor eigen leven daalde ik vannacht, in mijn droom, af in een ravijn en op de bodem ervan trof ik een dode vrouw aan.’ Zo begint Caroline Lamarche deze tekst, een monoloog die aanvankelijk bedoeld was om te worden uitgesproken (de verantwoording geeft meer informatie over het hoe en wat). In 2014 volgde een gedrukte uitgave en nu is er een vertaling van Katelijne De Vuyst, Het geheugen van de lucht, binnen de ‘Franse reeks’ van Uitgeverij Vleugels. Het motto voorin luidt: ‘Alleen de monoloog kan de waarheid onder woorden brengen – wie zou het wagen zijn geheim aan de ander te vertellen?’ (Unica Zürn).

    De kloof

    De dode vrouw op de bodem van het ravijn is een versie van de verteller, zo blijkt al op de eerste bladzijde. Het ravijn komt in meerdere lagen van het verhaal terug. Er is een letterlijke betekenis maar ook een figuurlijke. Dan gaat het om een kloof in het binnenste van de ik-persoon, ‘een ijzige, kille plek waarvan ik zelfs de naam niet ken’. Die kloof is de uiting van een oud trauma, veroorzaakt door seksueel geweld, een voorval dat in het (korte) tweede deel van de tekst stap voor stap uit de doeken wordt gedaan. Het eerste gedeelte van Het geheugen van de lucht beschrijft de impact van deze twintig jaar oude ervaring op het huidige leven van de verteller. Meer bepaald op de relatie met een naamloze man, aangeduid als Vantoen.

    Ook binnen deze ‘borderlineliefde’, die zeven jaar standhield, blijken verschillende vormen van misbruik te spelen. Psychologisch, omdat de man de vrouw laat fungeren als een spiegel, dat ‘stille ding dat op de sofa zat waarbij hij een uur aan één stuk zijn hart uitstortte’. Onheilspellend is dat hij er een gewoonte van maakt de as van zijn sigaret in een spinnenweb uit te kloppen, hiermee de spin dwingend as te eten om het web schoon te houden. Een gradatie erger wordt het wanneer Vantoen meermaals verkondigt dat hij ooit zelfmoord zal plegen. De verteller constateert achteraf dat de man een spel met haar speelde, waaraan ze verschillende namen geeft: ‘Het spel van de permanent aangekondigde dood, het spel van de geprogrammeerde verdwijning, het spel van mijn huidige schrik en van mijn toekomstige eenzaamheid, het spel van mijn huidige en mijn toekomstige schuldgevoel’. Naast mentaal misbruik komt er op het laatst ook fysieke geweldpleging om de hoek kijken. De meeste tijd wordt dan trouwens ingeruimd om te beschrijven dat de vrouw een medische verklaring laat opstellen ter documentatie van de verwonding die ze opliep, aan haar arm. Het vormt wel het definitieve breekpunt van de relatie; ze besluit de man van toen te verlaten en de deur stevig achter zich dicht te trekken.

    Overladen

    De zeventig pagina’s lange tekst van Caroline Lamarche zit stampvol metaforen en betekenisvolle details, een overvloed die niet altijd even geslaagd genoemd kan worden. Het beeld van de vleesvlieg, van de verwelkte bos bloemen, van de Armeense enclave Nagoro-Karabach, het motief van de spiegel en van de lucht, het dient allemaal om een falende relatie te beschrijven binnen een structuur die moet doorgaan voor een monoloog. Lamarche tuigt een literaire constructie op rondom het thema misbruik, maar de technieken die ze aanwendt doen afbreuk aan de waarachtigheid en uiteindelijk aan de impact van de vertelling. Het lijkt soms een poging het avant-gardistische proza van Marguerite Duras na te volgen, maar bereikt nooit dezelfde mate van poëtische kracht en sfeerschepping.

    Veelzeggend: het mooiste moment van Het geheugen van de lucht staat in feite los van de relatie die erin beschreven wordt. Het fragment wordt letterlijk aangeduid als een verhaal in het verhaal; de ik-persoon vertelt dit ‘om de dode vrouw wakker te maken’. In een winkelstraat ziet ze een jonge vrijwilliger, terwijl die voor een goed doel zogenaamde sterrenpoppetjes probeert te verkopen maar dat eigenlijk niet durft. Pas doordat ze hem aanspreekt en drie poppetjes afneemt, vat hij moed en probeert vervolgens andere voorbijgangers te veroveren met zijn koopwaar. De anekdote is eenvoudig en mooi. Helaas legt Lamarche vervolgens toch een rechtstreeks verband met Vantoen, die op vergelijkbare wijze kracht zou hebben geput uit de aandacht die de vrouw hem schonk. In het universum van Het geheugen van de lucht mag geen moment op zichzelf bestaan. De tekst is daardoor overladen, gemaakt en verstikkend.

    Het geheugen van de lucht is hier te bestellen.

     

  • Oogst week 24 – 2021

    Mijn vrienden

    De Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945) raakte na zijn dood in de vergetelheid, tot de jaren tachtig van de vorige eeuw en sinds die tijd komen er geregeld nieuwe uitgaven of vertalingen van zijn werk uit. In 1923 wordt Bove (pseudoniem van Emmanuel Bobovnikoff ) ‘ontdekt’ door Colette en als hij vierentwintig is voltooit hij Mes amis dat een groot succes wordt. Zelf noemt hij zijn publicatie ‘de roman van de verarmde eenzaamheid’. Uitgeverij Vleugels geeft Mijn vrienden nu opnieuw uit in een vertaling van Katelijne De Vuyst.

    Hoofdpersoon Victor Baton is een jonge oorlogsinvalide, woonachtig op een klein zolderkamertje. Hij slentert door Parijs op zoek naar mensen van wie hij zou kunnen houden en die van hem houden. Zijn zoektocht brengt hem tot korte ontmoetingen op straat, in een station, in een restaurantje of langs de Seine, zonder dat hij in zijn missie slaagt. Hij wordt, behalve door etiquetteregels, gehinderd door zijn eigen trots en verwaandheid. ‘Ach de eenzaamheid,’ zegt hij op het einde van de novelle, ‘wat een schone en droevige zaak! Hoe schoon wanneer we ervoor kiezen, hoe droevig wanneer ze ons al jaren wordt opgedrongen. Sommige sterke mannen zijn niet alleen in de eenzaamheid, maar ik die zwak ben, ik ben eenzaam omdat ik geen vrienden heb.’ Op tragi-komische wijze laat Bove zien dat eenzame vrijheid of menselijke solidariteit onverenigbare zaken zijn. Bove was een bescheiden mens die zich uit eigen keuze in de marges van het Parijse literaire leven ophield. Hij was een eenling met een eigen stijl, een eigen toon, voor wie het leven een voortdurende strijd was. Mijn vrienden wordt wel vergeleken met Oblomov en Bove met Proust en Dostojevski. Zijn werk en personages zijn even tijdloos.

    Mijn vrienden
    Auteur: Emmanuel Bove
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Exces

    Decor: Amsterdam eind jaren tachtig, Berlijn begin jaren negentig. Ook New York en Londen komen voorbij, tot weer hedendaags Amsterdam in beeld is en zelfs de actuele lockdown, in Exces van Persis Bekkering. Tegen deze achtergrond waarin rave, dansen, feesten, vrijheid, extase, vele geliefden en eindeloze nachten tot de opperste existentie worden verheven viert danseres Nim het leven. Haar jeugd was precair, bedenkelijke vaderfiguren begeleidden de jonge Nim naar volwassenheid.

    Ze wordt de dansende overlever, met dansen, zuipen en snuiven en driehoeksverhoudingen in een nieuwe westerse jeugdcultuur. Toch heeft ze het gevoel dat er nooit iets verandert, dat alles zich alleen maar herhaalt en zij in eenzelfde kringetje blijft ronddraaien. Met twee doden in haar herinnering probeert Nim te begrijpen hoe haar leven zich voltrekt en waarom ze zo’n verwoestend spoor achter zich laat.

    Persis Bekkering is literatuurcriticus voor NRC Handelsblad. Ze schrijft columns, proza en essays voor onder andere De Gids, Mister Motley en De Nederlandse Boekengids. Exces is haar tweede roman.

    Exces
    Auteur: Persis Bekkering
    Uitgeverij: uitgeverij Prometheus

    Uit het oosten, licht

    Raymond Carver (1938-1988) was een van de grootste Amerikaanse schrijvers, meester van het korte verhaal. Door deze verhalen werd hij het meest bekend. Ze gaan over mensen aan de onderkant van de samenleving, over relaties die stuklopen, uitzichtloosheid en alcoholisme. Huwelijksproblematiek (hetero) oftewel wederzijds onbegrip tussen de seksen is zijn hoofdthema. Carver tekent het allemaal op droge toon op. Hij voelde zich verbonden met armlastigen omdat hij zelf in armoede en met drankmisbruik was opgegroeid. Zelf leefde hij jarenlang in dezelfde omstandigheden en toen hij de drank voorgoed had afgezworen brak de periode aan waarin hij de meeste gedichten schreef.

    Uit het oosten, licht is een selectie uit al zijn gedichten. Ze lezen bijna als proza, alleen de afgebroken regels en de korte zinnen rechtvaardigen het predicaat gedicht. De personages zijn Carveriaans: gewone mensen met kleine of grotere tragedies die eveneens haast achteloos worden verteld:
    ‘De dochter zit de hele dag op haar kamer
    gedichten te schrijven over haar zelfmoordpoging.
    Daarom zien we haar niet. Niemand ziet
    haar nog. Ze verscheurt haar gedichten
    en schrijft ze opnieuw. Maar een dezer
    dagen zal het haar lukken.’

    Een kleine vertelling in een veel groter en langer verhaal in een taal die niet loslaat maar meesleept.

    Uit het oosten, licht
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Tweemaal delven in een literaire niche

    De nutteloze monden

    Een filosofisch getoonzet toneelstuk en een met de vertelvorm experimenterende novelle, het zijn nogal verschillende teksten waarover het hier gaat. Beiden verschenen in de ‘Franse reeks’ van uitgeverij Vleugels dat in ons taalgebied het platform vormt voor exclusieve, vertaalde Franstalige literatuur uit de 20e eeuw. De nutteloze monden van Simone de Beauvoir en De gefnuikte roeping van Pierre Klossowski worden opgenomen in een rij werken van klinkende namen: André Gide, Paul Válery, Marguerite Duras en Guillaume Appolinaire, om er een paar te noemen.

    Eten of gegeten worden

    Simone de Beauvoir is een gevestigd schrijver en filsoof, maar haar toneelstuk De nutteloze monden geniet geen grote bekendheid. Het werd opgevoerd in het najaar van 1945 en zou haar enige toneelwerk blijven. Voor de Nederlandse vertaling tekende Eva Wissenburg, die ook een lezenswaardig nawoord schreef. De setting is een Vlaams stadje in de 14e eeuw, Vaucelles, maar het stuk valt niet los te zien van de oorlogsjaren die net ten einde waren en met name van de Jodenvervolging. De middeleeuwse bevolking van Vaucelles is in opstand gekomen tegen onrechtvaardige heersers en hoge belastingen. Bestuurd door een stadsraad probeert men een nieuwe samenleving op te bouwen, met democratische trekken. Vanzelfsprekend laten de oude machtsstructuren dit niet zonder slag of stoot gebeuren en daarom wordt de stad belegerd. Naarmate het voedsel schaarser wordt, loopt de spanning in Vaucelles op.

    Voor de kern van het plot liet De Beauvoir zich inspireren door een historisch fenomeen, beschreven in middeleeuwse teksten, namelijk dat in tijden van beleg soms een deel van de bevolking als ‘nutteloze monden’ de stadspoort werd uitgezet. Door middel van een handvol personages belicht de Franse filosofe de verschillende ethische kanten hiervan, waarbij individuele vrijheid maar ook het vraagstuk van handelen versus niet-handelen belangrijke thema’s zijn. Voor elk ingewikkeld probleem bestaat een simpele oplossing, en die is fout, dat is gechargeerd gezegd de vuistregel die opdoemt. Deze sterk morele insteek vormt zowel de kracht als de zwakte van de vertelling. Enerzijds zijn de filosofische overpeinzingen interessant, anderzijds blijven de personages en het verhaal te schematisch, omdat ze in dienst staan van de ideeën die Simone de Beauvoir naar voren brengt.

    Dilemma’s goed invoelbaar

    Toch hebben met name de karakters van Jean-Pierre en Catherine, die zich beiden verzetten tegen het besluit van de stadsraad om de helft van de bevolking op te offeren, de nodige ambivalentie en hun dilemma’s zijn goed invoelbaar. Het gaat bij hen zeker niet alleen over abstracte zaken maar bijvoorbeeld ook over menselijke relaties en het ruimte geven aan de ander. Neem Jean-Pierre wanneer hij zijn geliefde beschrijft: ‘“Clarice is anders dan u. Ze is een vreemdelinge in deze wereld en verwacht niets van de toekomst. Voor haar is het genoeg om zichzelf te zijn. Ik hoef niets van haar te hebben en heb haar niets te geven”’.

    De positie van Catherine, echtgenote van de voorzitter van de raad, doet wat denken aan die van het personage Serena uit The Handmaid’s Tale (met name in het tweede seizoen van de tv-serie); zij heeft zich eveneens verbonden aan een man van wie ze moreel en qua intelligentie de meerdere is, maar staat vervolgens zelf met lege handen. Heel wat fraaie, korte scènes en dialogen komen voorbij in De nutteloze monden, bijvoorbeeld het begin van hoofdstuk één, vol honger en verveling, en twee waarin stadsbewoners elkaar beschuldigen van het eten van stro. Veel aardser wordt het niet, wat een mooie contrastwerking geeft met al het gefilosofeer later. De verschillende personages strooien intussen met uitspraken om over door te denken, zoals deze vraag van Jean-Pierre aan zijn lief: ‘“Sinds wanneer geloof jij in woorden?”’

     

     

    De nutteloze monden
    Auteur: Simone de Beauvoir
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De gefnuikte roeping

    Voer voor promovendi

    Pas echt obscuur wordt het bij Pierre Klossowski en diens novelle De gefnuikte roeping. Liehebbers van niche literatuur kunnen hun hart ophalen. Een rariteit vormt direct de expositie, dat het genre van de religieuze literatuur analyseert. Dit gebeurt op zo’n complexe manier dat de tekst na een paar pagina’s al niet meer au sérieux kan worden genomen: de schrijver stuurt je welbewust het bos in. De hele novelle blijkt een geparafraseerde samenvatting van een, zogenaamd, anoniem werk waarop de verteller de hand heeft weten te leggen. Dankzij deze opzet lees je nooit rechtstreeks over protagonist Jerôme en zijn zoektocht langs de katholieke instituten, maar altijd vanuit een metaperspectief. Wanneer er al iets gezegd wordt door de personages dan gebeurt dat als een citaat, met vaak vertellerscommentaar erbij. Belangrijke bouwstenen van de traditionele roman, personages en verhaal, verdwijnen op deze manier naar de achtergrond ten faveure van de vertelwijze. Daarom kan dit werk van Pierre Klossowki uit 1950 misschien wel als een vroege uiting van de Nouveau roman worden gezien. Net als in De Beauvoirs De nutteloze monden speelt het Derde Rijk op de achtergrond een rol, gerepresenteerd via ‘De inquisitiepartij’.

    Wie de moeite neemt ontdekt daarnaast vermoedelijk heel wat literaire theorie en intertekstualiteit bij Klossowski, maar je kan de vraag stellen of dit voor de algemene lezer werkelijk zo boeiend is. De gefnuikte roepinglijkt vooral interessant voor essayisten en promovendi. Vertaler Katelijne de Vuyst helpt het publiek wel met een vrij uitgebreide verklaring achterin en ook de beperkte omvang van het werkje – zo’n 70 pagina’s telt het – moet geen belemmering vormen.

    Van de twee besproken werken zal de toneeltekst van De Beauvoir waarschijnlijk het grootste publiek trekken, niet ten onrechte, want het is een interessant stuk. De belangstelling voor Simone de Beauvoir lijkt de laatste jaren gestaag toe te nemen. Zeer recent nog kwam een niet eerder verschenen autobiografische roman van haar uit, De onafscheidelijken. Pierre Klossowski valt echt in de categorie van de verworven smaak. Werk zoekt lezer, en dan vooral degenen die bereid zijn hun literaire vleugels flink uit te slaan.

     

     

    De gefnuikte roeping
    Auteur: Pierre Klossowski
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels (2020)
  • Tijdsdocument met cultuurhistorische waarde

    Tijdsdocument met cultuurhistorische waarde

    Fransen, zo wil het cliché, zijn vooral in Frankrijk geïnteresseerd. Als ze al over de grens kijken, dan niet naar Nederland. Daarom is het interessant dat Louis Aragon een dichtbundel wijdde aan ons land (dat hij Holland noemt). Aragon (1897-1982)  gold eerst als een surrealistische dichter en later als een sociaal geëngageerd auteur. Van die gedaanten zien we niet veel terug in deze bundel, die net zozeer over Aragons geliefde en literator Elsa Triolet (1896-1970) gaat als over Nederland. Met haar maakte Aragon een zomerse reis door een verregend Nederland, met deze  tweetalige bundel als resultaat. De bundel bestaat uit zes delen. Een aantal van de gedichten werd er later aan toegevoegd. Deze hebben geen betrekking op de reis.

    Le voyage de Hollande verscheen in 1964  tussen twee andere, bekendere bundels die over Aragons liefde voor Elsa gaan. Vestigt vertaalster Katelijne de Vuyst terecht de aandacht op een deels vergeten parel? Het antwoord moet ontkennend luiden. De reputatie van Aragon is niet gebaseerd op deze bundel.

    Dichtbij Marsman

    In haar nawoord refereert De Vuyst aan het beroemde Nederlandse gedicht, ‘Herinnering aan Holland’, van Hendrik Marsman. Gedichten van schrijvers over de ontroering over het eigen land zijn zelden mooi, het gedicht van Marsman is dat wel. De visie van een buitenstaander is echter potentieel minder ‘verdacht’. Het dichtst bij Marsman komt Aragon op bladzijde 27. Een titelloos gedicht eindigt zo:

    Op een rivier boven de gaarden
    Kun je zwarte aken ontwaren
    Die voortdurend worden gewassen
    Ze lijken het moe verder te varen
    Op schitterende waterstraten

    Elsa en Nederland

    De lezer ziet het voor zich, voelt er iets bij, maar wordt niet per se verrast door deze kijk op Nederland en zijn stromende rivieren. In die zin lijkt het op klassieke gedicht van Marsman. In de bundel is Aragon vooral niet blij over de ‘rotzomer’ die hij en Elsa in het Noorden mee maakten.  Hij giet deze onvrede in conventionele verzen. Het mooist  in deze bundeling zijn de regels waar de twee onderwerpen, Elsa en Nederland, samenkomen:

    Geen echo in de ochtend geen schuimspoor aan de rand van de zee
    Geen gefluisterd souvenir geen ruisend suizen van een twijg of tak
    Je passen zijn zacht als grijze potloodstrepen op het hagelwitte blad
    De achterzijde van je blik slaat open op het blauw van Vermeer

    Vertalen is een moeilijk vak en soms slaat de vertaalster de plank mis. Zo passeert het cliché voor koffie ‘een bakje troost’ de revue en wordt ‘quinzième fois’ vertaald met ‘tig keer’, wat niet heel poëtisch overkomt. Pogingen om de rijmende regels van Aragon te volgen leveren passages op als:

    Als ik oud ben en versleten
    Komt ik het vast te weten
    Het leven is een gehucht
    Vol boze dromen en gezucht

    Laatste reis samen

    Dat roept associaties met sinterklaasavondpoëzie op. De vertaling bevat ook mooie passages. Nederland wordt ‘dit gesmokkelde land’ genoemd en Amsterdam een ‘omgekeerd Venetië waar de eend regeert.’ Ook mooi: ‘Het licht van Delft wordt zachtjes als een laatste wade over ons gelegd.’

    Een grote naam levert echter niet per se grootse poëzie op. De waarde van Aragons bundel is vooral cultuurhistorisch, niet literair. Het is een tijdsdocument. Niet ontregelend (zoals in surrealistische poëzie), maar een bevestiging van een clichématige visie op ons land. Mooier dan de verzen over Nederland zijn die over zijn liefde voor Elsa. Het slot van een titelloos gedicht maakt duidelijk wat de werkelijke relevantie van de reis was voor Aragon, die  volgens De Vuyst vreesde dat zijn geliefde spoedig zou sterven en deze reis hun laatste samen zou zijn (Elsa zou echter pas zes jaar later komen te overlijden):

    Waar Holland in mijn droom voor staat
    Is alleen mijn geliefde mijn geliefde.

     

  • Oogst week 9 – 2019

    Uiterste dagen

    De verhalen van zijn Finse grootmoeder over haar vader in een oorlog uit een ver verleden en zijn fascinatie voor ‘geschiedenis en geweld, en vooral de ambivalentie van geweld’ (interview De optimist), vormen de basis voor het debuut Uiterste dagen van Ferdinand Lankamp (1989).

    Een historicus bereist het land van zijn familiegeschiedenis en vertelt het – al dan niet ware – verhaal.

    Uit het eerste hoofdstuk:

    (…) ‘De lente dreigt vooral zwaar te worden vanwege de brief die hij vrijdag heeft gekregen. Die brief had hij al verwacht, hij had haver apart gehouden voor het geval er een beroep op hem zou worden gedaan. De veearts van het leger was in de herfst langsgekomen. Hij bekeek Edvards merries, noteerde hun gewicht, hun leeftijd, stelde vragen over hun karakter. Toen de Russen een paar weken later aanvielen begreep Edvard dat het een kwestie van tijd was. In de brief die hij vrijdag ontving stond het onvermijdelijke: de Finse krijgsmacht vordert Ida, zijn merrie van zeventien jaar, de lieveling van het gezin en vooral van zijn dochter Cecilia. Op maandag, vandaag, zou hij nadere instructies ontvangen. Hij tilt de melkbussen van de kar. Op het licht achter de vensters van de boerderij na is het donker, maar toch denkt hij, kijkend naar het noorden, de boomtoppen in de verte te zien, de heuvel waarover de weg richting de stad loopt en waarvandaan hij vandaag een bode verwacht. Een lente zonder Ida. Wat moet hij zonder Ida?’

    Uiterste dagen
    Auteur: Ferdinand Lankamp
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    Salomons oordeel

    De nieuwe roman van Robert Vuijsje geeft weer stof tot nadenken en discussie. Het thema identiteit wordt vanuit alle hoeken aanschouwd en beschreven. Het is een eigentijdse roman waarmee Vuijsje de huidige tijd afzet tegen die van een kleine 10 jaar geleden toen zijn boek Alleen maar nette mensen verscheen en zeer uiteenlopende reacties teweegbracht.
    Salomons oordeel gaat over Max en Alissa. Max is een jood uit Amsterdam-Zuid, Alissa is zwart en komt uit de Bijlmer. Hun zoon Salomon is 17 en wil rapper worden.

    ‘Ik heet Salomon, en dan ook nog Cohen?’ vraagt hij aan zijn ouders. ‘Wat denk je dat mijn vrienden daarvan vinden?’ 
    Max en Alissa denken dat ze alle moderne valkuilen van racisme en antiracisme hebben doorstaan. Salomon staat voor de keuze: hoor ik bij de mensen die op mijn vader lijken of bij de kinderen die zwart zijn, net als ik? Max en Alissa denken dat ze op dezelfde manier naar de wereld kijken, tot Salomon door zijn vriendinnetje wordt beschuldigd van verkrachting.

    Salomons oordeel
    Auteur: Robert Vuijsje
    Uitgeverij: Lebowski (2019)

    Vos 8

    In 2017 ontving de Amerikaan George Saunders (1958) de Man Booker Prize voor zijn roman Lincoln in de bardo dat de jury ‘geestig, intelligent en een diep bewegende vertelling’ noemde.
    Saunders vooralsnog vooral bekend om zijn korte verhalen schrijft ook romans en novellen, essays en kinderboeken.

    Vos 8 gaat over een vos die een dromer is. ‘Zijn medevossen nemen hem niet altijd even serieus. Maar hij spreekt mooi wel Mens, een taal die hij zichzelf heeft geleerd door bij een raam naar verhaaltjes voor het slapengaan te luisteren. Vos 8 heeft dus best wat in zijn mars. En wanneer het nieuwe gebouw VosZichtStaete de leefwereld van de vossen bedreigt, vindt hij het geen tijd meer voor dromen maar voor daden.’

    Vos 8
    Auteur: George Saunders
    Uitgeverij: De Geus (2019)

    Als de tijd daar is

    Maurice Blanchot (1907-2003) is zijn leven lang ziekelijk geweest en de dood, zijn eigen of die van de mensen om hem heen, is altijd aanwezig geweest in zijn leven en werk.

    Blanchot lijkt een weinig toegankelijk schrijver. Over Als de tijd daar is schrijft uitgeverij Vleugels: ‘een radicale en bevreemdende roman, die een aantal conventies van de literaire roman doorbreekt. Zelden zal een lezer van een boek zo moeilijk kunnen doordringen in wat de taal beschrijft. En zal deze daardoor beseffen dat taal niet zo’n directe verbinding heeft met een werkelijkheid als men doorgaans denkt. De eerste dertig pagina’s gaan bijvoorbeeld over iets wat misschien drie seconden in beslag neemt: de verteller komt een huis binnen. Hij neemt zoveel tijd om alle indrukken, gedachten én hypothetische mogelijkheden te benoemen dat de taal hier de geschetste werkelijkheid geheel overwoekert. De taal, het vertellen, de manier waarop iets wordt verteld is duidelijk veel belangrijker dan het vertelde zelf. De taal speelt dus eigenlijk de hoofdrol in dit boek, zoals in alle boeken van Blanchot – en de nouveau roman in het algemeen. Het lijkt alsof er meer taal is dan werkelijkheid.’

     

    Als de tijd daar is
    Auteur: Maurice Blanchot
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De Hollandse reis

    De Hollandse reis verscheen als Le voyage de Hollande voor het eerst in 1964 in Frankrijk en was voorzien van een tekening van Jongkind, een typisch Hollands landschap met windmolens, beemden en scheepjes onder een lage wolkenlucht.
    Het werd een jaar later al herdrukt, en daarna in 1981 en 2005 opnieuw uitgegeven.

    In de zomer van 1963 verbleven Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet (1896-1970) een maand in Nederland. Tussen 29 juli en 26 augustus bezochten ze onder meer Texel, Zuid-Holland (Wassenaar) en Utrecht. De neerslag van die reis vinden we terug in De Hollandse reis, een dichtbundel die bestaat uit zes delen van wisselende lengte (twee tot twaalf gedichten).

     

     

    De Hollandse reis
    Auteur: Louis Aragon
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Eigenlijk begrijpen we helemaal niets

    Eigenlijk begrijpen we helemaal niets

    De novelle Futility van Morgan Robertson gaat over het oceaanschip Titan, dat in de Noord-Atlantische Oceaan op een ijsberg vaart. Er zijn te weinig sloepen om alle opvarenden te redden. Menigeen zal meteen denken dat het verhaal gaat over de ondergang van de Titanic in 1912. Futility werd echter al veertien jaar daarvoor geschreven, in 1898.

    Olivier Rolin zal die feiten ook wel kennen. Hij heeft een antenne voor de wankele verhouding tussen fictie en werkelijkheid en tussen toeval en causaliteit. In zijn Veracruz uit 2016, nu in het Nederlands verschenen in een mooie vertaling van Rolin-kenner Katelijne de Vuyst, vermeldt hij dat het Mexicaanse Veracruz in de nacht van 15 op 16 september 1990 werd getroffen door de cycloon Susana. Het Medina-Schmidt-paleis in de stad werd in de as gelegd door een brand toen de storm kortsluiting veroorzaakte. In het pand werden volgens sommige kranten drie verkoolde lijken gevonden van mannen. Die cycloon uit 1990 hield huis, drie maanden nadat de ik-figuur uit de roman het verhaal las over een vermoedelijk fataal incident tussen de bekoorlijke Susana en drie mannen in dat zelfde paleis.

    Korreltjes zout
    In een Postscriptum bij zijn lijvige en indrukwekkende roman De uitvinding van de wereld uit 1993 (in het Nederlands verschenen in 2007) haalt Rolin met instemming Italo Calvini aan: ‘De literatuur kan alleen bestaan als zij zich mateloze, zelfs onhaalbare doelstellingen oplegt. Slechts wanneer dichters en schrijvers zich ondernemingen ten doel stellen waar niemand anders aan zou durven denken, slechts dan behoudt de literatuur een functie.’
    Voor die roman uit 1993 verrichte Rolin een titanenarbeid, die hem dan ook jaren werk kostte. Hij verzamelde artikelen in 31 talen uit 491 kranten, allemaal van 22 maart 1989 (en dus handelend over 21 maart, waarop dag en nacht even lang zijn) en voegde die samen tot een doorlopend verhaal. ‘Alle “verhalen” die in dit boek worden verteld zijn werkelijk gebeurd’, schrijft hij in het Postscriptum, om daar verder aan toe te voegen dat de waarheid met veel korreltjes zout moet worden genomen.
    Ook De weerman en De leeuwenjager en Manet beschrijven historische gebeurtenissen, maar worden in Rolins handen fictie. Zelfs zijn Suite in het Crystal, waarin hij op Pereciaanse wijze een exacte beschrijving probeert te geven van alle hotelkamers waarin hij verbleef, staat in dienst van de verbeelding.
    De romancier Rolin gebruikt de feiten, maar wat zijn dat, feiten? ‘De literatuur is een eindeloos bedrog’ laat hij de hoofdfiguur uit Veracruz zeggen. Ook in deze nieuwe roman is dat zo. Rolin construeert zelf ‘feiten’ met een griezelige exactheid. Ja, er woedde een tropische storm in 1990 boven Mexico, maar die heette Rachel. En ja, er was een cycloon Susan, maar die trof het land in 1998. En wellicht kent de stad niet eens een Medina-Schmidt-paleis. Maar je denkt als lezer met feiten te maken te hebben.

    Envelop
    Veracruz vertelt het verhaal van een Proustkenner die in de Mexicaanse stad een aantal lezingen geeft over de auteur van de À la recherche du temps perdu. Hij raakt er verliefd op de Cubaanse zangeres Dariana. Na een onstuimige tijd met haar verschijnt ze plotseling niet meer in de bar El Ideal waar ze elkaar steeds ontmoetten. Hij rekt zijn verblijf in Veracruz, vooral lijdend aan en piekerend over de mogelijke reden van haar verdwijning. Het raadsel wordt nog groter als hij op een dag in zijn hotel een anonieme envelop ontvangt met vier verschrikkelijke verhalen. Ze gaan over vier betrokkenen bij smokkelactiviteiten in het Medina-Schmidt-paleis, de jonge Susana, haar vader El Griego, haar brute minnaar Miller en de jezuïet Ignacio. De mannen hebben alle drie een seksueel geïnspireerde verhouding tot Susana. Gevieren vertellen ze hun eigen kijk op hun onderlinge betrekkingen. De Proustkenner leest en herleest de verhalen en vraagt zich af wie de anonieme afzender is en wat de verhalen hem te zeggen hebben. Gaandeweg vallen hem in de vertellingen details en beelden op die lijken te verwijzen naar zijn relatie met Dariana.

    S
    Veracruz 
    is, hoewel de roman bij lange na niet de omvang van een standaard Boekenweekgeschenk haalt (hij telt 92 pagina’s, waarvan ook nog eens veel witte), een veelomvattende, zinderende en poëtische vertelling die je na afloop prikkelt tot onmiddellijke herlezing. Je herkent de details die de ik-figuur in de verhalen uit de envelop opvallen, maar misschien heb je er ook over het hoofd gezien. En net als Rolin van elk hoofdstuk in De uitvinding van de wereld een pastiche maakte op een groot werk uit de wereldliteratuur, ontdek je ook in Veracruz tal van literaire verwijzingen. Het verhaal van El Griego bijvoorbeeld, die seksueel opgewonden wordt van zijn kleine dochter Susana, doet onontkoombaar denken aan Lolita van Nabokov. Hij fantaseert over andere namen voor haar die allemaal met een S beginnen, wat herinnert aan het genot dat Humbert Humbert beleefde aan de L van Lolita.
    Rolin betoont zich een stilist met een veeltonig register. Elk van de vier verhalen hebben hun eigen oorspronkelijkheid die hoort bij ieder van de vier vertellers. Bijzonder vermakelijk daaronder is de collectie scheldwoorden die Miller besteedt aan de jezuïet Ignacio, variërend van ‘de zwarte wijnzak’ met zijn ‘anusmondje’ tot ‘wijwaterpad’. En er zijn de mooie beelden als ‘het zand dat door de regen als kippenvel werd gestippeld’.

    Toeval
    Maar vooral mooi is de beschouwing waartoe de ik-figuur (en daarmee natuurlijk Rolin zelf) komt door de anonieme verhalen en de vragen die ze bij hem oproepen. ‘Soms vraag ik me af of datgene wat ik voor herinneringen hou’, mijmert hij – de Proustkenner! –, in feite niet de roman is die een langdurig verdriet me op basis van een roman heeft laten verzinnen’. Een wat complexe zin die opnieuw de diffuse overgang tussen feit en fictie aangeeft. Iets verder lezen we: ‘Het zou een erg simplistische opvatting van literatuur zijn als ik dacht dat zij zonder omwegen, zonder arglist de persoon van de auteur weergeeft.’ En verwijzend naar de dichter Paul Valéry: ‘Luiheid, zaken die je vergeet, onoplettendheid – het zijn allemaal ingrediënten van de literatuur’.
    We willen altijd maar dat een verhaal een einde heeft en dat alles betekenis heeft, maar ‘waarom zou wat later komt niet de oorzaak kunnen zijn van wat voorafging. Waar halen we het vandaan dat er altijd een oorzaak is? (…) Die constructie noemen we ‘begrijpen’, maar eigenlijk begrijpen we helemaal niets. We blijven de droom om de dingen onder controle te krijgen maar achtervolgen, in plaats van gewoon te leven (…) Misschien bestaat de wereld alleen uit toeval’.
    En wie toch op zoek gaat naar betekenis wordt alles uit handen geslagen met de slotzinnen: ‘Geloof geen woord van wat ik heb geschreven. En laat me nu met rust’.

    Rolin heeft met Veracruz een nieuwe fraaie proeve afgeleverd van wat literatuur kan betekenen en van hoe de opdracht die Italo Calvini al eens formuleerde kan worden uitgevoerd. Voor wie nooit aan het complexere De uitvinding van de wereld toe kwam of Rolin nog niet kent, is Veracruz een opwindende kennismaking.

     

     

     

     

  • Nog pas gisteren

    Nog pas gisteren

    Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, opgetekend door hen die uit eigen geheugen putten, worden zeldzaam. Marcel Cohen, de schrijver van Het innerlijke toneel. Feiten, was vijf of zes toen hij, op 14 augustus 1943, als joods jongetje in Parijs meemaakte hoe vader en moeder werden opgepakt en hijzelf de dans ontsprong.
    Wat hij na zeventig (!) jaar (het Franse origineel is van 2013) nog meedraagt aan eigen herinneringen aan hen die nooit zijn teruggekomen is niet veel, en veel herinneringen zijn vaag of fragmentarisch. Voor dit boek is hij daarom ook te rade gegaan bij familieleden en andere direct betrokkenen, sommige zelf overlevenden van bezetting en vervolging. Maar ook hun herinneringen zijn schaars en bovendien verdacht eensluidend: de mythevorming is al lang geleden begonnen.
    Vader, moeder, de grootouders, een oudtante, een oom en een babyzusje: ze leven in meerdere of mindere mate voort in herinneringen en nu dan ook in dit boekje, dat soms de levende persoon oproept en soms niet meer vastlegt dan iets triviaals als het geluid van een ruisende jurk. Allemaal vermoord in Auschwitz. Voor hen is dit boekje een gedenkteken van grote soberheid.

    Herinneren
    Het boek toont de vergeefsheid van het ‘opdat wij niet vergeten’ dat elk jaar opnieuw wordt beleden wanneer we de oorlog herdenken, want het laat zien dat het vergeten onverbiddelijk voortschrijdt. Die foto van oudtante Rebecca, is dat eigenlijk niet haar zuster Suzanne? Van het zusje, Monique, bestaat zelfs geen foto, alleen een kettinkje dat ze waarschijnlijk nooit heeft gedragen.
    Het boek laat zich lezen als een poging tot verzet tegen het noodlottige vergeten en als een kleine studie van wat ons geheugen vermag. Het is een sympathiek boekje, dat laat zien dat een onderneming die tot mislukken is gedoemd – de vermoorde familieleden recht te doen – geslaagd mag heten doordat de lezer die ‘mislukking’ zo duidelijk voor ogen krijgt.

    De familie: uit Turkije afkomstige Joden, van kindsbeen af Frans-georiënteerd, na de Eerste Wereldoorlog geëmigreerd, de meesten rechtstreeks naar Frankrijk, het volgens de schrijver bij de Joden in Turkije indertijd zo geliefde land. ‘Niet alleen het land van Racine, de Verlichting en de Revolutie van 1789 waarbij – voor het eerst – burgerrechten aan de Joden werden verleend’, maar ook het land van de zaak-Dreyfus. ‘Haast overal elders ter wereld zou de kapitein na een standrechtelijk – of helemaal geen – proces zijn gefusilleerd, en niemand zou van hem hebben gehoord.’ Maar in Frankrijk zegevierde het recht. Oma borduurde als jong meisje kussens met de afbeeldingen van Dreyfus en Zola. Op naar Frankrijk! En dan komt de bezetting.

    Grote gebeurtenissen, kleinigheden, alles is vastgelegd, want het is alles wat de schrijver rest. Hoe moeder en baby gevangen zaten in het Rothschild-ziekenhuis en hoe de kleine Marcel op bezoek ging in de stampvolle ziekenzaal (waar moeder gevangen zat totdat de baby zes maanden zou zijn geworden, de minimumleeftijd waarop de Franse politie baby’s uitleverde). De rode bies rond het soepbord, die van hetzelfde rood was als de traploper. En de vele geuren, waar Cohen zijn leven lang naar op zoek is geweest, vaak met succes: de pommade van vader, diens eau de cologne, het pak van opa, moeders parfum.

    Behalve van de baby bevat het boek van elk besproken familielid een foto, plus geboorteplaats en -datum en de dag van het fatale transport (door de vertaalster ‘konvooi’ genoemd; de vertaling vertoont hier en daar een ongebruikelijke woordkeus). En er zijn zeven foto’s van voorwerpen, ‘documenten’ genoemd, die de tand des tijds hebben doorstaan en die, als relikwieën, de gestorvenen quasi-aanwezig doen zijn. Een eierdopje, een door vader speciaal voor zijn zoontje gemaakt hondje van wasdoek.
    De hoofdstukken zijn kort tot uiterst kort. De herinneringen van Cohen zijn schuin gedrukt om ze te onderscheiden van de gereconstrueerde verhalen.

    Zeggingskracht
    Het is niet veel wat Cohen heeft weten te verzamelen en in dit boek behoedt voor de vergetelheid, en dat weet hij: ‘Aan de gruwelijkheden uit het verleden kon onmogelijk het onrecht worden toegevoegd te laten geloven dat het materiaal te schamel was, de persoonlijkheid van de overledenen te wazig en, om een uitdrukking te gebruiken die erg pijnlijk is, maar waardoor ik duidelijk kan maken wat ik bedoel, te weinig “origineel” om een boek te rechtvaardigen.’
    Hij heeft gelijk, maar het levert geen literair hoogstandje op. De omslachtige wijze van uitdrukken die uit bovenstaand citaat blijkt, komt vaker in het boek voor, met name als de schrijver een analytische, beschouwelijke toon aanslaat. Soms is de toon wel érg nuchter. Zijn daar die zeventig voorbije jaren debet aan?
    Dit boek lees je niet voor de stijl. En die foto’s, ach. Nee, het gaat om de feiten en de zoektocht ernaar en om de herinneringen zelf, Het innerlijk toneel dus en de Feiten, en díe geven dit boek de zeggingskracht van een ‘Stolperstein’.

     

     

     

     

  • Verblind door schaamte

    Verblind door schaamte

    Uit onderzoek blijkt dat vijf procent van de meisjes beneden de zestien het slachtoffer wordt van een verkrachting door een familielid. Die bloedschande wordt vaak niet opgemerkt. Hoe kan dat? Kan een moeder vergeven worden, die niet merkt dat haar man haar dochter schendt? Is die liefde tussen moeder en dochter dan niet onmogelijk geworden?

    Het zijn vragen die opborrelen door het lezen van de roman Een onmogelijke liefde van Christine Angot. Deze succesvolle Franse schrijfster is geobsedeerd door het thema incest, zij was er zelf het slachtoffer van. Het ligt voor de hand dat iemand die incest aan den lijve heeft ondervonden de man als dader aan de schandpaal nagelt. Niet door Angot. Zij ziet alle figuren als slachtoffer. Zowel de moeder als de vader zijn slachtoffer van hun milieu en de dochter is daarvan de dupe.

    Moeder en dochter
    Christine Angot is in deze roman de dochter van ouders, die niet getrouwd zijn. Haar geboorte, na een tamelijk gelukkige liefdesrelatie, is voor de vader het sein om zijn geliefde te verlaten. De moeder accepteert het vertrek en voedt haar dochter zonder rancune in haar eentje op. Na verloop van tijd wil zij echter, dat Christine door haar vader, die inmiddels gehuwd is en kinderen heeft, erkend wordt. Zij wil dat haar dochter het beter krijgt dan zij en daarvoor is erkenning door de vader een voorwaarde. De vader stemt hier uiteindelijk mee in. Moeder en dochter gaan vlakbij de vader wonen en alles lijkt koek en ei. Lijkt, want in de loop van het verhaal komt aan het licht dat de vader zijn dochter misbruikt.

    Nadat de moeder op de hoogte is gebracht van de bloedschande, wordt de relatie tussen moeder en dochter moeizaam: ‘Er hing een loden gewicht boven ons hoofd, de hele tijd. De hoogte ervan varieerde. De aanwezigheid ervan belette ons adem te halen. Soms viel het op ons neer. We konden niet meer doen alsof.’ De dochter stuurt de moeder soms weg: ‘Wil je alsjeblieft weggaan mama? Het spijt me. Maar ik kan niet anders. Ik vind het vreselijk jammer. Maar ik kan het niet aan. Misschien komt het ooit wel in orde. Maar nu wil ik dat je weggaat. Alsjeblieft.’ De moeder blijft rustig onder deze afwijzing. Ze heeft begrip en behoudt een gevoel van ontferming voor haar dochter.

    Toenadering
    Na jaren komt er een toenadering tussen moeder en dochter tot stand. Een belangrijk moment daarin is dat de moeder een artikel van haar dochter leest in het dagblad Libération. Het artikel verschijnt in een serie van tien, getiteld Sentiments, waarin verschillende gevoelens aan de orde komen. In het door de moeder gelezen artikel komt het gevoel van schaamte, le honte, aan bod. In werkelijkheid heeft de schrijfster Christine Angot in maart 2014 zo’n artikel in Libération gepubliceerd. Werkelijkheid en romanwerkelijkheid vallen hier dus samen. De schrijfster Christine Angot schrijft een roman over een dochter die haar naam draagt en schrijfster is en die het slachtoffer is van bloedschande, waar de schijfster zelf ook het slachtoffer van is geworden. We hebben hier te maken met autofictie, de schijfster heeft van haar leven een roman gemaakt waarin ze zelf de hoofdrol speelt.

    Schaamte
    Als de moeder het artikel in Liberation leest raakt ze in de war. Ze raakt in de war van het feit dat haar dochter zich schaamt voor haar afkomst. In het artikel wordt de dochter rood als ze met een vriendin in een café zit en zegt dat ze in een achterstandswijk (zup) is opgegroeid. ‘Le temps avait passé, mais mon rougissement attestait que ma honte, elle, n’avait pas passé.’ De schaamte is nog niet voorbij. De moeder beseft mede ingefluisterd door haar dochter, dat ook in haar leven schaamte een bepalende en belemmerende rol heeft gespeeld. Schaamte over het feit dat ze een Jodin is en uit een armoedige familie komt, zonder opleiding. Zij heeft daardoor een sterk minderwaardigheidsgevoel ontwikkeld. Dat heeft haar verhinderd om te zien dat Christine door haar vader werd misbruikt. De dochter zegt: ‘Jullie behoorden tot twee verschillende werelden die compleet los stonden van elkaar, in elk geval, zo werden de zaken vanaf het begin gesteld. En jij hebt aanvaard dat het zo was. Omdat je alleen was, omdat je arm was, omdat je Joods was.’

    Aan het einde van de roman citeert de moeder Marcel Proust die zegt dat het verdriet vergeten wordt, maar de schoonheid niet. Door de verklaring van de dochter leert zij, evenals haar dochter, om te gaan met het verleden.

    Savoir feminin
    In een vraaggesprek naar aanleiding van de verschijning van deze roman in Le Monde zegt Christine Angot dat haar boeken doordrenkt zijn van wat zij noemt ‘le savoir feminin’. De hoofdpersonen van haar boeken trekken zich volgens haar niets aan van de wil van de man, zij gaan hun eigen gang en houden plezier in hun bestaan als vrouw, zij laten zich dit plezier niet afnemen. Dat lijkt na lezing van de roman een onbegrijpelijke opmerking. De man gaat in deze roman zijn eigen gang, de vrouwen worden in de steek gelaten en misbruikt. Is dat het resultaat van ‘le savoir feminin’? Het klinkt bijna masochistisch. Nergens wordt de vader ter verantwoording geroepen, nergens wordt de moeder of de dochter razend op deze uit een hogere klasse afkomstige en zeer ontwikkelde man, die zijn dochter verkracht.

    Tube
    Christine Angot is in Nederland een vrij onbekende schrijfster. De roman is in Frankrijk een tube, een kassucces. Haar verhaal, over een hopeloos lijkende relatie tussen moeder en dochter die toch tot een schuchtere bloei komt, spreekt er blijkbaar aan. De roman is de verbeelding van de gang van zaken in de werkelijkheid van Christine Angot. Als het verzonnen was, zou je het niet geloven.

     

     

  • ‘Eenmansguerrilla’ in Rusland

    ‘Eenmansguerrilla’ in Rusland

    Edward Limonov (1943), de hoofdpersoon van deze literaire biografie heet in werkelijkheid Eduard Veniaminovich Savenko. Limon is citroen in het Russisch en Limonka handgranaat. De combinatie zuur en explosief zijn uiterst toepasselijk als we kijken naar het personage Edward Limonov, dat ons wordt voorgeschoteld door Emmanuel Carrère. De laatste is een bestsellerschrijver uit Frankrijk, die ook vloeiend Russisch spreekt. Carrère ontmoet Limonov op de herdenking van de moord op journaliste Politkovskaja in 2006 in Moskou. Het besluit om een biografische roman te schrijven ontstaat bij die gelegenheid. In eerste instantie lijkt Edward Limonov een fictief personage maar allengs blijkt dat hij wel degelijk bestaat, al zijn zijn escapades haast bovennatuurlijk. De kracht van het boek schuilt erin dat de schrijver ons meeneemt op een speurtocht naar de persoon Limonov en dat we uiteindelijk van hem gaan houden en hem gaan verafschuwen.

    Edward wordt geboren in de Tweede Wereldoorlog als zoon van een beroepsmilitair in een Russisch provinciestadje. Na de oorlog zoekt hij als 15-jarige al snel toenadering tot de misdaadbendes in zijn geboortestadje. Hij leert hier alles wat God verboden heeft en dat loopt aardig uit de hand. Er wordt wodka gedronken, gevochten, geroofd en verkracht alsof het heel normaal is. Edward moet een aantal proeven van bekwaamheid afleggen en doorloopt ze met goed gevolg. Hij is bovendien een aantrekkelijke jongen en heeft erg veel vriendinnen. Na enige tijd belandt hij in Moskou en sluit zich aan bij een alternatieve kring van schrijvers, acteurs en min of meer obscure politici. Het is het post-Chroestjtsov-tijdperk. De repressie is weer in volle gang door het trio Brezjnev-Kosygin-Gromyko en Edward wordt gearresteerd door de KGB omdat hij een exemplaar van Paris Match in zijn bezit heeft. Edward wordt steeds meer een rebel en hij vergelijkt de dissidente Solzjenitsyn met partijchef Brezjnev en de dichter en latere Nobelprijswinnaar Brodski met Kosygin. Brodski moet er om lachen. Hij heeft een zwak voor de brutale Limonov.

    In de late jaren ’60 trouwt Edward met Jelena Shchapova, een beeldschone vrouw en dichteres. Hij weet via een visum met haar naar de VS te komen en belandt in New York. Het echtpaar komt op parties en ontmoet celebreties zoals Andy Warhol, Susan Sontag, Truman Capote en de fotograaf Richard Avedon. Uiteindelijk – een zich herhalend thema – verlaat Jelena hem en stort Edward zich in een zapoj een tomeloos drankgelag van dagen achtereen. Hij knoopt een verhouding aan met een neger en heeft sex met hem. Dat is de eerste keer met een man. Hij schrijft artikelen, die aanvankelijk worden geweigerd maar uiteindelijk in obscure krantjes verschijnen van Russische bannelingen. Een fel artikel tegen de geleerde Sacharov, verschijnt zeer tegen zijn zin in de Pravda. Het boek It’s Me, Eddie zal later verschijnen in de VS maar pas nadat het in Parijs een groot succes is geworden.

    Limonov is intussen in de ’80-er jaren een soort punk geworden, met voorkeur voor de Sex Pistols. In New York is hij nog een tijdje butler bij een miljonair en begint een verhouding met de dochter des huizes. Het levert het boek His Butler’s story op. Zijn boek De Russische dichter houdt van grote negers komt uit in Parijs. Edward verhuist naar de Franse hoofdstad en heeft inmiddels een onmogelijke verhouding met Natasja Medvedeva, een zangeres, die is geëngageerd in het beroemde cabaret Raspoutine, waar veel Parijse kunstenaars optreden. Zijn pogingen om steenrijk te worden van zijn pen halen bakzeil en hij wordt steeds meer geconfronteerd met het alcoholisme van Natasja. Hij ontmoet Zinjavski, de beroemde dissident, maar Limonov vindt hem ‘een oude man in een rolstoel.’

    Zijn eigen politieke ideeën zijn inmiddels uitgegroeid tot een bizar samenraapsel van postbolsjewistische, fascistische denkbeelden vermengd met boeddhisme. Hij bewondert de Wit- Russische Nicolaus Robert Baron von Ungern-Sternberg (1886-1921) , die boeddhisme vermengde met militair optreden tegen de bolsjewieken. In 1989 vertrekt Limonov tegen alle verwachtingen in, weer richting Moskou. Iedereen verklaart hem voor gek, maar dat interesseert hem niet. Hij wil de revolutie gaan leiden. Hij vindt de politieke leiders ‘een stel landverraders’ en rekent daar Gorbatsjov ook onder. Later richt hij de Nationaal-bolsjewistische partij op. Een raar samenraapsel van linkse en rechtse politieke verdwaalden. En in de jaren ’90 gaat hij naar Sarajevo en schiet met een machinegeweer op de stad. Is hij bij de Serven of de Kroaten? Hij wil gewoon een oorlog meemaken en hoopt dat de revolutie in de Balkan leidt tot de val van de regering in Moskou. In 1991 is het bijna zover, na een machtsgreep van Jeltsin probeert Roetskoj met een handvol medestanders het Witte Huis in Moskou te bezetten en Limonov is aanwezig. Maar als hij even naar buiten gaat wordt de coup in bloed gesmoord door paratroopers. Edward weet in de chaos van de bestorming te vluchten, maar wordt later toch gearresteerd.

    Carrère strooit in het boek met gebeurtenissen uit zijn eigen leven, die echter nergens ter zake doen. Dat hij een moeder heeft, een boek schrijft enz. Het leidt af van het personage Limonov.

    Het mag de pret echter niet drukken. We stomen met Limonov op naar zijn gevangenschap in de Engels-gevangenis. Een zeldzaam streng bewind moet hem klein krijgen. Maar hij heeft zich door meditatie gesterkt en door een ijzeren discipline. Zijn dagritme is steeds hetzelfde, het eten kan hem niet deren en hij gaat zelfs bij -25 naar buiten om zijn lichaam te stalen. Hij leest en schrijft. De andere gevangenen kijken tv en blijven op hun brits liggen of gaan kaarten. Dat vindt Limonov tijdsverspilling.

    Na zijn vervroegde vrijlating keert hij terug naar zijn nieuwe 17 jarige vriendin. Limonov is bijna 70, maar kerngezond. Hij voert met Kasparov de oppositie aan tegen Poetin. Hij brengt in praktijk wat Jan Cremer een ‘eenmansguerrilla’ zou noemen. Dat maakt het boek tot een belevenis, maar omdat hij er zulke vreemde ideeën op nahoudt en behoorlijk agressief te werk gaat, wekt het ook verbazing en ergernis op.