• Oogst week 44

    De dochter van Crusoe

    Deze week een vertaalde roman uit 1985 van Jane Gardam, poëzie van Karel Wasch, een kerstverhaal zonder woorden van Frank Flöthmann en een roman van de Duitse schrijver Uwe Timm.

    Jane Gardam (1928) publiceerde meer dan dertig boeken waaronder romans, verhalen en kinderboeken. Ze is de enige auteur in Engeland die twee keer met de Whitbread/Costa Award werd bekroond. Toch maakten wij in Nederland pas in 2017 kennis met haar door de uitgave van de Old Filth-trilogie bij uitgeverij Cossee die direct een groot succes werd.
    De roman De dochter van Crusoë uit 1985 werd onlangs vertaald. Het boek is deels gebaseerd op Gardam’s eigen jeugd en die van haar moeder in het Yorkshire van begin vorige eeuw.
    De zesjarige Polly Flint wordt bij twee vrome tantes achtergelaten in een huis aan de Engelse kust. Met om zich heen niets anders dan de duinen en een uitgestrekt landschap leest Polly zich de dagen door. Daarbij ontwikkelt ze een grote verwantschap met Robinson Crusoë: zij leeft immers net als Crusoë eenzaam en verlaten aan de kust en ze zijn beiden de held van hun eigen verhaal. De beschrijvingen van het leven van Polly strekt zich uit over acht decennia. Ze ontmoet de liefde en de overzichtelijke Victoriaanse eeuw maakt plaats voor de grote veranderingen van de twintigste eeuw. We worden meegenomen in de veranderingen in het leven van Polly en hoe het huis aan de Engelse kust omsloten wordt door woonwijken en autowegen.

    En ja, het is zoals de schrijver Ian McEwan al zei: ‘Jane Gardams boeken behoren tot de grote schatten van de Engelse literatuur.’

    De dochter van Crusoe
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Cossee, Uitgeverij

    Icarië

    In het werk van Uwe Timm (1940) spelen autobiografische apsecten en het verleden van Duitsland een grote rol. Zijn boek Mijn broer bijvoorbeeld (2003) gaat over zijn zestien jaar oudere broer die bij de Waffen-SS diende en in 1943 in Oekraïne is gestorven. Het werd door NRC Handelsblad geselecteerd als een van de beste boeken van 2003. In eigen land ontving hij dit jaar de prestigieuze Schiller-Preis voor zijn hele oeuvre.

    Ook in Icarië dat zich afspeelt in het Duitsland van 1945, verweeft hij feiten met fictie. De oorlog is verloren en geallieerde troepen rukken op langs verwoeste steden. De Amerikaanse officier Michael Hansen krijgt opdracht van de geheime dienst uit te zoeken welke rol de vooraanstaande rassenhygiënicus dr. Alfred Ploetz heeft gespeeld in het Derde Rijk. Hansen verricht zijn werk vanuit een geconfisqueerde villa, legt beslag op een luxe cabriolet en wordt verliefd op de jonge Duitse weduwe Molly.
    Uwe Timm wilde al meer dan veertig jaar over dr. Alfred Ploetz – die de grootvader van Timm’s vrouw is en van grote invloed was op de rassenleer van de nazi’s – schrijven. Nu het zich eindelijk liet schrijven is het evenals Mijn broer bijvoorbeeld, een zeer persoonlijk werk geworden waarvoor hij een indrukwekkende hoeveelheid research pleegde.

    Icarië
    Auteur: Uwe Timm
    Uitgeverij: Podium

    Het geluid van denken

    Dichter, biograaf, columnist en essayist, Karel Wasch, publiceert voor het eerst een gedichtenbundel bij uitgeverij In de Knipscheer. Zijn gedichten gaan over liefde en schuld, en indringende thema’s als een tragische vriendschap, een zieke moeder, katholieke rituelen als een processie en spanningen in een gezin. In deze bundel neemt de dichter de lezer mee op een odyssee door zijn leven, maakt hem deelgenoot van zijn ontheemding, de turbulenties in zijn geest. Volgens de uitgever is Het geluid van denken ‘een bundel voor de poëzieliefhebber, persoonlijk, gedurfd en buiten de gebaande paden van de mediawerkelijkheid.’
    En kan gelezen worden als een poëtische autobiografie ‘waarbij de lezer als een blinde een beeld aftast, voelt wat het voorstelt en er zo zijn eigen betekenis aan geeft.’

    Het geluid van denken
    Auteur: Karel Wasch
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Stille nacht

    De tekenaar Frank Flöthmann maakte al eerder van traditionele vertellingen een getekende versie; zonder tekst. Daarbij is het steeds weer verbazend hoeveel informatie Flöthmann kwijt kan in enkele simpele beelden.
    Zo hertekende hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus waarbij de enige woorden gebruikt worden voor de inleiding die aldus luiden: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

    Zo heeft hij nu ook het kerstverhaal met tekeningen vertaald naar deze tijd. Waarin vragen naar voren komen als: ‘Wat geef je een kind dat de hele wereld in zijn hand houdt? En als dat kind de zoon van God is maar niet wil slapen, houdt zijn stiefvader dan ook nog van hem? En is het wel verantwoord van de Drie Wijzen om een klein kind zo veel geschenken te geven?’ Een kerstverhaal met humor en liefde voor detail en zonder woorden: dat prikkelt de verbeelding.

    Er wordt gezegd dat zijn boek over het kerstverhaal behoort tot de hoogtepunten van de stille strips.

    Stille nacht
    Auteur: Frank Flöthmann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Eindelijk is er weer een vertaling van het meesterwerk Angel van Cormac McCarthy uit 1979. Dit maal heet het Suttree, naar de naam van de hoofdpersoon Cornelius Suttree.
    McCarthy werkte er twintig jaar aan en dat leverde 477 pagina’s adembenemend proza op. Of, is het wel proza? Bij sommige passages zijn de woorden, is de taal zo poëtisch, dat we met een heus gedicht te maken denken te hebben.
    Zo staat er bijvoorbeeld (blz.76) wanneer de hoofdpersoon van het verhaal Cornelius Suttree een café binnen komt: ‘Aan een tafeltje achterin zaten een paar lui van onduidelijk geslacht smachtend naar hen te kijken. Ze leunden met hun ellebogen op de tafel en hun handen hingen als geknakte lelies aan de omhooggedraaide stengels van hun polsen.’
    Of wanneer Gene Harrogate, de jonge protegé van Suttree een markthal verlaat schrijft McCarthy: ‘Boven zijn hoofd rinkelde een windklokkenspel in de trage luchtstroom van de ventilators.‘Deze Gene Harrogate diepte Suttree op in de gevangenis. Suttree beschermde hem daar tegen de schurken en hun wegen kruisen zich af en toe.

    Het verhaal van Cornelius Suttree is de geschiedenis van een aan lager wal geraakte bewoner van een woonboot op de rivier de Tennessee bij Knoxville. Verder speelt op de achtergrond dat de zoon van Suttree na zijn scheiding is overleden. We komen niet achter de doodsoorzaak maar wel dat men Suttree daarvan de schuld geeft. Hij mag niet verschijnen op de begrafenis van de jongen. We komen te weten dat Suttree in de gevangenis heeft gezeten en veel drinkt, maar hij is ook een overlever. En dat laatste komt door zijn levensfilosofie : ‘De menselijke ellende kent geen grenzen. Het kan altijd nog erger!’ Hierdoor onderscheidt hij zich van de andere types, die in zelfgebouwde hutten, boten of krochten langs de rivier leven en vaak in de handen vallen van dieven, moordenaars of van de politie. De politie, die samenwerkt met de onderwereld maar er ook een diepe minachting voor heeft. En Suttree heeft ergens diep in zijn binnenste de eigenschap behouden anderen in eerste instantie met respect te behandelen tot het niet meer kan.

    Dat levert hem zeldzame tips en contacten op, zodat hij slim kan overleven op de drukbevolkte en uiterst smerige rivier, waar wonder boven wonder nog allerlei dieren in voorkomen, die je kunt vangen om van te leven of om er geld mee te verdienen.
    De ‘geheimzinnige indiaan,’ leert hem hoe hij schildpadden kan vangen en dat is een lugubere bezigheid, maar hij stelt Suttree ook op de proef en wil zien of hij tegen al dat bloed is opgewassen: ‘De indiaan zette zich schrap en zwaaide het druipend uit de rivier op de rotsen, waar het hen grimmig aanstaarde met knipperende varkensoogjes. Hij zat vast met een stuk ijzerdraad door zijn kin en de indiaan greep de draad en rukte eraan. De schildpad sloeg en siste, kaken wagenwijd open. De indiaan pakte zijn zakmes, klapte het open, trok de obscene nek van het beest strak en sneed met een snelle opwaartse beweging van het lemmet de kop eraf. Suttree deed onwillekeurig een stap terug. De rimpelige kop bungelde aan de draad en wat daar tussen de gespreide voorpoten gaapte, was een zwarte gerimpelde hondenkut waaruit trage golven bijna zwart bloed gulpten.’
    Het blijkt dat de schildpad door de indiaan gekookt zal worden en Suttree gaat ’s avond bij hem eten op een oude vervallen woonboot.

    En dan is er de drank. Er wordt langs de rivier enorm gezopen. Vooral eigen brouwsels, levensgevaarlijk maar niet minder effectief: ‘Suttree hield zijn ogen stijf dichtgeperst en stak de fles uit. Godsamme, wat is dat voor bocht? Early Times, riep J-Bone. Beste spul dat er is. Als je dat zuipt heb je nergens last van ’s morgens. Of nooit meer. Och wat, geef hier. Hallo, Early, kom maar bij het baasje schat. Hier, gooi hier maar een plens in, doe ik er cola bij. Kan niet Bud, in een mok. Hebben we al geprobeerd. Vreet de bodem eruit. Pas op, Suttree, dat je niks op je schoenen knoeit. Hé Bobbyjohn. Wanneer komt Callahan vrij? vroeg Bobbyjohn. Geen idee. Ergens deze maand. Heb je Bucket nog gezien?Die is verhuisd naar Burlington. Komt hier niet meer. Kom erbij zitten Sut. (. . .)Mijn God, wat is dit voor brouwsel? Early Times, Nik, riep J-Bone. Early pleite kun je beter zeggen. Godjezus, ik weet dat ze die troep in een badkuip maken, maar dit hebben ze zeker in de plee gemaakt.’

    Het boek van McCarthy is vergeleken met Huckleberry Finn van Mark Twain. Maar de overeenkomsten zijn weinig talrijk. Het is meer als een reis door de ziel zoals bijvoorbeeld On the Road van Jack Kerouac. Suttree overleeft door zijn onaangepastheid in zijn zelfgekozen jungle. Zoals Dan Moriarty in Road overleeft in een stadsjungle en het pas fout gaat wanneer hij zich wil aanpassen aan de ratrace van het burgermansbestaan. Suttree overkomt bijna hetzelfde wanneer hij met een prostituee aanpapt. Ze verwent hem met geld en alcohol, maar hij kan het leven van een rijke burgerman niet aan, zeker niet wanneer zij lelijker wordt en dik: ‘Haar toilet maken duurde eeuwig. Met haar glanzende metalen krulspelden in leek ze het object van bizarre experimenten met het menselijk brein. En ze werd steeds dikker. Ze zei: “Ik zou jou wel ‘ns willen zien als je in een bordeel woonde. Zou je ook gaan vreten”.

    De prachtige beschrijvingen van McCarthy zijn zo sterk dat je je pas na een aantal malen lezen realiseert dat hij eigenlijk een wanhopige puinhoop poëtisch beschrijft: ‘Het was nog steeds vroeg toen hij het steile pad langs de resten van een oude muur afdaalde. Een overwoekerde antieke stad hier. Op een dorre akker hingen versleten , door de wind aan flarden gereten kleren aan een kruis met bovenop een hoed. Verderop de oever, met slijk bevlekte rotsen, oude asfaltplaten en blokken beton, waar geroeste ijzeren stangen uitsprietten.’

    Op de laatste bladzijden rijdt Suttree in een auto die voor hem stopt langs de weg en dan volgt de monumentale laatste zin van het boek: ‘Ergens in het kreupelhout langs de rivier loert de jager, en in het golvende koren en de gekantelde drukte van de steden. Zijn werk ligt overal en zijn honden worden nooit moe. Ik heb ze in een droom gezien, kwijlend en wild, de ogen van de honger naar aardse zielen. Ontvlucht hen.’

    Waarvan akte!
    Wat een schitterend boek! Mooi vertaald ook door Harrie Lemmens.

     

  • Hoe Donkers hoe beter!

    Hoe Donkers hoe beter!

    Jan Donkers (1943) is de vleesgeworden paus van de popmuziek in Nederland. Een onafzienbare lijst van artikelen over dit onderwerp staat op zijn naam. Hij schreef o.a. in De Volkskrant,  stond met Willem de Ridder aan de wieg van het undergroundblad Aloha/Hitweek en hij publiceerde in NRC, Wah Wah en America Magazine. Daarnaast was hij een veelgehoorde stem op de radio. De VPRO lijfde hem in. In de jaren 60 werkte hij mee aan de Joe Blow Show, Amigos de Musica en cultuurprogramma’s Het Gebouw en De Suite. Zijn samenwerking met Peter Flik en Wim Noordhoek is vermaard.

    Donkers heeft een aantal van zijn artikelen nog eens doorgenomen en levert daar op speelse manier commentaar op. Verbindend in de bundel is een cruise die hij een aantal keren maakt vanuit Miami naar bounty-eilanden met popartiesten die tijdens de cruisse optredens. Het zijn niet de eerste de besten, waaronder Emmylou Harris, Lyle Lovett en John Hiatt. Eigenlijk vindt Donkers, dat cruises voor oude zielenpieten zijn, maar hij laat zich het reisje niet ontgaan om met artiesten in contact te komen. En om de voortschrijdende tijd onder controle te krijgen. Is popmuziek iets voor ouderen? Moeten rockartiesten op hoge leeftijd nog wel optreden? Zijn de fans niet op zoek naar iets, wat er al lang niet meer is?

    De laatste vraag hield me ernstig bezig nadat ik Bob Dylan- ook een idool van Donkers- twee jaar geleden in de Heineken Hall zag optreden. Een man naast mij vroeg zich af, terecht, welk nummer Bob ten gehore bracht, zo onverstaanbaar en vals was de troubadour inmiddels bezig, alleen de rollator ontbrak nog. Was hij er eigenlijk nog of stonden we naar een opgewarmd lijk te kijken?

    Donkers pleit in bijna al zijn stukken voor het onvergankelijk maken van popmuziek en vergelijkt de poppers met klassieke musici, waarbij het niet om de leeftijd zou gaan maar puur om de prestatie. Aan de andere kant spreekt hij zichzelf tegen. Wanneer hij bijvoorbeeld Warren Zevon (1947-2003) ten tonele voert, krijgen we medelijden met deze zich snel opbrandende feestkaars. Zevon had een aantal hits maar verviel in drugs- en drankgebruik en mishandelde zijn vriendinnen. ‘I got to be Jim Morrison a lot longer than he did!’ Morrison (The Doors!) stierf aan de drugs op jonge leeftijd, Zevon hield het langer vol, maar liet een puinhoop achter en kon uiteindelijk nauwelijks meer spelen. Zonde! Vergankelijkheid der vergankelijkheden!

    Gelukkig gaat Donkers niet voor zijn eigen stukken staan, we komen over zijn privé niet zo veel te weten en hij toont  humor, bijvoorbeeld wanneer hij de excentrieke punkzangeres Nina Hagen met enig afgrijzen beschrijft en terloops meldt dat hij toen hij haar had zien optreden, opeens begreep waarom er nog steeds schuilkelders bestaan. En we krijgen een kijkje in de keuken van het in de jaren 60 vermaarde blad Hitweek/Aloha. Undergroundvijand nummer 1, Willem Duys, werd in het blad vilein op de hak genomen. Geen wonder want hij was in die dagen wel zo’n beetje alles waar rechts verzuurd Nederland voor stond. Het lot wilde dat Donkers een muziekprogramma kreeg nadat Duys was verdwenen met zijn populaire Muziekmozaïek op de zondag. Donkers draaide uiteraard volkomen andere muziek, maar kreeg toch veel luisteraars. Aanvankelijk draaide Donkers nog veel country (Byrds) maar spoedig werd zijn keuze ruiger.

    Donkers verloochent zijn achtergrond als socioloog niet. Hij probeert het belang van de popcultuur- vooral de teksten van popsongs- neer te zetten als een fenomeen, dat uitzonderlijke invloed op onze maatschappij heeft gehad. Van de blues naar protestsongs van Dylan, Seeger en Donovan en via de Woodstockgeneratie, Country Joe, die de Vietnamoorlog aan de kaak stelde tot Johnny Rotten, het boegbeeld van de punk.

    Hij laat de ruzies zien tussen de leden van de The Wainwright Family. Loudon was destijds getrouwd met een van de McCarrigle zusters en de vechtscheiding eindigde in het elkaar bestoken met in vitriool gedoopte songteksten. De vrede schijnt nu getekend, bovendien overleed Kate in 2010 hetgeen haar ex, Loudon dan weer veel verdriet deed. Rufus, de zoon uit hun huwelijk treedt inmiddels veelvuldig op maar weigert in interviews het verleden op te rakelen.

    Van de interviews is het gesprek met Allen Toussaint, de eminence grise van de pop, het interessantst. Toussaint schreef voor de New Orleansscene muziek in de jaren 60 en 70.

    Voor Lee Dorsey schreef hij het prachtige Working in a Coalmine. Voor Irma Thomas, Ruler Of My Heart. En een groot aantal klassiekers. Maar uiteindelijk werd zijn opnamestudio verwoest door orkaan Katrina en haalde Elvis Costello hem over weer songs te gaan schrijven. Toussaint treedt zelfs op en is een icoon voor singer songwriters. Donkers ontlokt hem mooie uitspraken

    Een prettig boek met interessant materiaal, overzichtelijk gerangschikt en in hapklare brokjes opgediend. Men leze!

     

    Rock-‘n-Roll voorbij de midlifecrisis

    Auteur: Jan Donkers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 254
    Prijs: € 19,99

  • Ritmisch proza

    Ritmisch proza

    De roman Oogst van de veelbekroonde Engelse schrijver Jim Crace (1946) valt niet direct onder de categorie lichte kost. In een interview in Het Parool (6 november 2014) geeft Crace aan waar de schoen wringt: ‘De Britse criticus Adam Mars-Jones schreef ooit dat wanneer je ook maar één alinea in mijn boek leest, de migraine al op de loer ligt!’ Dat laatste lijkt wat overdreven, maar Crace bedient zich van zogenaamd ‘ritmisch proza,’ het soort proza dat de zangerigheid, de melodie en het ritme van gesproken taal wil terugbrengen in de geschreven vorm ervan. Dat moet voor de vertaalster Regina Willemse geen sinecure geweest zijn.
    ‘Twee rookpluimen in een tijd van het jaar waarin het te warm is om te stoken, verrassen ons bij het ochtendgloren, althans degenen onder ons die geen schelmenstreken hebben uitgehaald in het donker.'(…)

    Plotseling is er brand in het kleine dorp, de plaats van handeling van Oogst. Later zal blijken dat het een metafoor is voor onrust in deze besloten gemeenschap. En Crace heeft goede redenen gehad om dit dorp -gesitueerd op het platteland van Engeland ergens rond 1750- af te schilderen als buitengewoon intolerant. Hij vertelt in het eerder aangehaalde Parool-interview dat zijn vrouw en hij meewerkten aan een opvangproject voor asielzoekers in hun eigen dorp, maar dat in de betrokkenheid van de gemeenschap op den duur scheurtjes kwamen toen de terreur van bepaalde groepen binnen de islam toenam.

    Brand als voorbode voor onrust. De boerenbevolking in The Midlands, het decor van het boek, wordt gedwongen mee te werken aan verplichte onteigening van hun landbouwgrond. Deze wordt ten faveure van rijke stedelingen in gebruik genomen voor schapenteelt.

    Dat het boek zich in de 18e eeuw afspeelt kunnen we aflezen aan de kleding van de personen, de verhoudingen, het eten en de vorm van de huisjes. Wat dat betreft is het vreemd dat op de omslag een arbeider uit het begin van de 20e eeuw is gezet. Dat wekt verwarring bij de lezer.

    De verteller van het drama, dat zich ontrolt, is ene Walter Thorsk. Hij blijft voor een groot gedeelte een buitenstaander, registreert, maar houdt zich afzijdig. Bovendien heeft Walter zijn hand verbrand en is hij vrijgesteld van het hooien. Als de oogst binnen is deelt de Meester, een broer van Walter, bier uit en een wilde braspartij met zang en dans kan beginnen. Deze Master Kent zal een gedeelte van het landgoed erven als de bevolking uit hun huisjes is verjaagd. Hij draagt een hoge hoed en rijdt op een prachtige volbloedhengst en komt uit de stad en hij erft het landgoed omdat de vrouw van Walter -de beoogde erfgename- vroegtijdig is overleden. De hoed is teken van stand.

    ‘Een arbeider zou nooit zo’n zware hoed of een hoed met zo’n brede rand dragen of willen dragen of willen hebben. Zulke hoeden horen bij heren die zelden het hoofd hoeven te buigen of een stuk gereedschap hoeven te hanteren.'(…)

    De zaken nemen een dramatische wending. Plotseling verschijnen er drie vreemdelingen ten tonele. Een vrouw, die uitzonderlijk mooi is, een jonge en een oudere man. Heimelijk zijn de mannen van het dorp verliefd op de vrouw, maar ze beschuldigen haar na enige tijd van hekserij. Wat men niet kent is van de duivel. De mannen worden in schandpalen gezet omdat ze de brand zouden hebben aangestoken, terwijl het gehele dorp weet dat drie jonge knapen dat gedaan hebben. Tot overmaat van ramp is het paard van Master Kent plotseling gestolen. Daar krijgen de vreemdelingen ook de schuld van, hoewel ieder bewijs voor de diefstal ontbreekt.

    De vrouw verdwijnt wijselijk. Maar dan komen we letterlijk in een schimmenspel terecht. Dezelfde vrouw brengt de mannen aan de schandpalen ’s nachts of in de schemering eten en Thorsk verstopt zich in de bosjes om haar te vangen. Dat mislukt, want de vrouw is de dorpelingen steeds te slim af. Inmiddels is een van de twee mannen gestorven aan de schandpaal en aangevreten door varkens, die in die tijd nog vrij rondscharrelden. De bevolking heeft de mannen bekogeld met drek en rottend fruit. Het lijkt een soort kruisiging, want dit dorp heeft geen kerk maar van godsdienstwaanzin en daaruit voortvloeiende vreemdelingenhaat is volop sprake. Master Kent heeft een leidende rol gekregen, voltrekt huwelijken en leidt begrafenissen.

    De mysterieuze meneer Ganzeveer heeft opdracht gekregen, een kaart te maken van het landgoed. Hij kan als een van de weinige dorpelingen schrijven, maar hij loopt slecht, hij strompelt. Walter moet hem assisteren en deze hulp bestaat uit het noemen van namen van de plekken, die in kaart worden gebracht. De plek waar de bevolking zijn behoefte doet, doopt hij snel ‘Bloesemwater, ‘ want hij ziet zijn kans schoon deze naamloze rommelplek een poëtische naam te geven.

    Het verhaal neemt een tragische wending wanneer een neef van de vrouw van Master Kent, Edmund Jordan, ten tonele verschijnt. Hij kent de dorpelingen en hun gewoontes helemaal niet, heeft nimmer in het dorp gewoond, maar paait de dorpelingen met de belofte dat hij een kerk zal laten bouwen. Zonder hem te noemen zet hij zich af tegen Master Kent, hij vindt hem te slap en appelleert aan de gevoelens van de dorpelingen met een ‘zero-tolerance-avant la lettre.’ Om dat beleid kracht bij te zetten heeft hij knechten meegenomen. Een meisje wordt opgepakt, ze was koningin van de oogst, maar kan niet verklaren hoe ze aan een dure zijden sjaal komt. Vrouwen zijn vogelvrij bij Jordan en zij wijzen op hun beurt naar meester Ganzenveer. Een prachtige Shakespeariaanse verwijzing. Wie onder druk staat verraadt een ander om buiten schot te blijven.
    Meester Ganzenveer schildert, speelt viool en kan schrijven. In de bekrompen dorpsleer is hij dus een leerling van de duivel.
    Walter Thorsk begint zich ongemakkelijk te voelen, hij is bang ten prooi te vallen aan de woede van het dorp. De weduwe Gosse, waar hij regelmatig mee naar bed is geweest wil niets meer met hem te maken hebben. Het net sluit zich.

    Hoe zal dat aflopen? De 7 dagen waarin de handelingen van het boek zich afspelen zijn als een droom voorbijgetrokken. De dorpelingen rapen hun spulletjes bij elkaar. Onverwachts haalt Thorsk, de buitenstaander, nog eenmaal uit, maar de lezer vraagt zich af of het allemaal nog zin heeft. Wat een prachtig boek. Mooi vertaald, een sieraad!

     

  • Zo lang als voor altijd is (Het leven van Dylan Thomas 1914 – 1953) – Karel Wasch

    Overgeleverd aan de genade van woorden

    Recensie door Albert Hogeweij

    Honderd jaar geleden kwam dichter en schrijver Dylan Thomas (1914-1953) ter wereld en stierf, na een turbulent leven op zijn negenendertigste. De man die in zijn korte leven bewees niet met geld, drank en vrouwen om te kunnen gaan bleek een gewild doelwit voor biografen. Tientallen, veelal Engelstalige biografieën later doet Karel Wasch een Nederlandse duit in het zakje met Zo lang als voor altijd is. Vanaf dat Wash gegrepen werd door een langspeelplaat met een bezwerende voordracht van Dylan Thomas, heeft hij nieuwsgierigheid opgevat naar de ‘mens die bij de stem hoorde’. Hij wilde een antwoord vinden op de vraag hoe het kan dat deze, behoorlijk obscure dichter zo’n ongekend populaire status wist te verwerven. Wasch’ zoektocht naar de mens achter het Welshe dichtersfenomeen kreeg al eerder, in 1998, zijn neerslag in boekvorm.

    Het biografische portret dat hij in Zo lang als voor altijd is schetst, is uitgebreider en meer  up to date. Zo lezen we dat niemand minder dan Hell’s Angel, Sam Klepper in 2000 het beroemde Thomas gedicht Do not go gentle into that good night, op zijn rouwkaart had laten drukken. Dat vormt onder meer de charme van deze biografie, die aan de reeks bekende feiten enkele nieuwe toevoegt. Naast dat hij de archieven is ingedoken, is hij ook op pad gegaan om de plekken, waar de bard heeft huisgehouden, met eigen ogen te aanschouwen en de mensen, die hem nog gekend hebben, te spreken. Hoewel Zo lang als voor altijd is vooral over de mens Dylan Thomas gaat, wordt ook zijn literaire loopbaan beschreven en zijn er enkele gedichten in opgenomen.

    Thomas’ vader doceerde Engels en schreef zelf gedichten. Enkele van zijn (oud)ooms declameerden vanaf de kansel. Ontzag voor de magie van het woord ontstond bij hem al op jonge leeftijd. Die fascinatie voor de betoverende, bedwelmende, magische betekenis van woorden heeft hem nooit meer verlaten. De liefde voor het woord was een ‘liefde op het eerste gezicht’ en het was dan ook uit liefde dat hij zich overleverde ‘aan de genade van woorden’. Als ‘freak user of words’, zoals hij zichzelf omschreef, koos hij woorden meer op klank dan op betekenis. Wasch ziet hierin parallellen met het Russisch Formalisme, waarin ook het primaat bij het woord werd gelegd.

    In korte hoofdstukken loodst de biograaf ons door het leven van zijn onderwerp. Op een derde van het boek, dat helaas een inhoudsopgave ontbeert, boekt Thomas zijn eerste successen. Op zijn negentiende trekt hij de aandacht van gezaghebbende literatoren met zijn gedicht And Death shall have no dominion. Weldra gaan er deuren voor hem open en raakt zijn leven in een stroomversnelling. Financieel maakt het hem allerminst wijzer. Zijn beruchte drankgelagen vormen daarbij een grote schuldenlast. In die toestand komt geen verbetering als hij zijn echtgenote, Caitlin Macnamara, ontmoet. In drinken doet zij weinig voor hem onder. Zonder hun geldschieters is het moeilijk voor te stellen hoe ze het overleefd zouden hebben. Intussen blijft Thomas eenling in de dichtkunst. Aansluiting bij een stroming of groep zoekt hij niet, al ademt zijn werk invloeden van het surrealisme en modern symbolisme, met zijn fixatie op Natuur, Dood en Leven. Voor poëzie die dergelijke grote onderwerpen niet schuwt, had Thomas de aangewezen stem om voor te dragen. Met zijn stem raken een grote schare luisteraars vertrouwd als hij in 1946 voor  de BBC een wekelijkse radiorubriek over gedichten gaat verzorgen.

    Als Thomas met zijn bundel Deaths and Entrances uit datzelfde jaar zijn status als groot dichter definitief vestigt, heeft de biografie nog een derde te gaan. Dat het einde zich reeds aftekent proeft men aan een zinnetje als: ‘Dylan had inmiddels een verzwakt gestel door alle drank en was veel te dik (…) en de ruzies met Caitlin namen surrealistische vormen aan’. Hoewel Thomas naast lof ook kritiek oogst vanwege zijn hevig overspannen beeldentaal van nieuwkomers als Amis en Larkin, rijst zijn ster nog steeds. Met de populariteit wordt er veel aan de dichter getrokken en Wasch toont aan dat de dichter te weinig ruggengraat bezat om zich overeind te houden. Begin jaren vijftig start de eerste van vier voorleessessies in de Verenigde Staten die hem succes en rijkdom beloofden. In een kort tijdsbestek draait hij een druk programma af waarbij hij van hot naar her moet vliegen. Hij legt er contacten met beroemdheden als Chaplin en Stravinsky, maar de voorleessessies met hun after parties, eisen een zware tol. Toch kan Thomas geen ‘nee’ zeggen tegen een volgende tournee. Hij is verslaafd aan het succes en doet er alles aan om het beeld van de drankzuchtige, gedoemde dichter uit te dragen. Intussen schrijft hij naar aanleiding van zijn stervende vader in 1952 zijn ongetwijfeld beroemdste en veelvuldig becommentarieerde gedicht Do not go gentle into that good night. Een ander hoogtepunt levert hij in zijn laatste levensmaanden af: Under Milk Wood. Een stemmenspel dat in Nederland in een vertaling van Hugo Claus een groot toneelsucces wordt. Maar dat maakt Thomas niet meer mee. Zijn vierde Amerikaanse tournee wordt zijn Waterloo. Na flink wat drank achterover te hebben geslagen in een New Yorkse bar, stort hij de volgende dag in. Een ingeschakelde arts stelt een overhaaste diagnose en dient morfine toe. Dylan Thomas belandt in een coma en sterft uiteindelijk op 9 november 1953.

    Hoewel de lezer het leven van Thomas, dat als een aaneenschakeling van anekdotes leest, chronologisch voorgeschoteld krijgt, kan hij soms het spoor bijster raken. In dat leven is het een komen en gaan van mensen, inzonderheid vrouwen, waardoor de biografie menig zijpad inslaat. De terugkeer van de ene vrouw wordt gevierd met de ontmoeting van de andere om met een derde tussendoor nog de koffer in te duiken. De biografie is met zijn 172 pagina’s wat aan de korte kant maar op smeuïge details is niet bezuinigd. Zo lezen we dat zijn aanstaande echtgenote goed was in tapdancing, maar: ‘haar benen hoog opgooien lag haar minder’. De biograaf is op dreef als hij dergelijke details quasi neutraal in stelling brengt.

    ‘Aan de ene kant schreef [Thomas] ingewikkelde brieven over de louterende werking van poëzie, maar aan de andere kant deed hij een konijn na in een pub, werd eruit gegooid, maar had de smaak van zijn imitatie zo te pakken dat hij in een lantaarnpaal beet, waardoor een van zijn voortanden afbrak.’

    Uitzoeken welke lantaarnpaal dat nu precies was doet Wasch niet, maar aan factchecken des te meer. Zo concludeert hij dat de herinnering van Caitlin, dat haar man in 1946 Guinness van de tap zou hebben gedronken, onmogelijk kan kloppen: Guinness werd eerst in 1960 van de tap gedronken. Wat echter wel klopt, is dat de titel Under Milk Wood inderdaad ontleend is aan een zeker condoommerk. Intussen schuwt deze biografie het paradoxale in Thomas’ leven niet. Waar deze dichter zichzelf afficheerde als de ‘Rimbaud van Cwmdonkin Drive’, blijkt dat deze zelfverklaarde rebelse poëet in wezen een puritein was, behept met bijgeloof en vrees voor wat de buren ervan mochten denken. Waar zijn echtgenote – afkomstig uit een artistiek nest en een bohémienne pur sang! – met serviesgoed smeet in dronken buien of zich in de gordijnen wikkelde bij wijze van deken, koesterde Thomas heimelijk het burgerlijke genoegen van gepoetste schoenen en een schoon geboende rug. Naar buiten cultiveerde hij het beeld van de rebelse dichter, die met een slok op voorging in het beledigen van zijn gezelschap. Maar thuis kon hij in afzondering en zonder drank urenlang op zijn gedichten zwoegen, waarbij hij soms niet verder kwam dan het toevoegen van een enkel woord of het schrappen ervan.

    Wasch heeft onmiskenbaar een zekere band met zijn onderwerp. Behalve dat hij in het voetspoor van Thomas door Wales is getrokken, lijken de over hem verschenen publicaties niet aan zijn aandacht ontsnapt. Niettemin neemt hij genoeg distantie in acht om de minder fraaie kanten van Thomas over het voetlicht te brengen. Naast dat van een begaafde dichter rijst ook het beeld van een vrijbuiterende, drankzuchtige, stelende en door en door egocentrische klaploper die er geen been inziet opgestreken voorschotten te verbrassen terwijl de onbetaalde rekeningen zich aan het thuisfront ophopen. Wasch hanteert het soort onderkoelde toon waarin de afrekening slechts impliciet doorklinkt. Als Thomas aan de vooravond van zijn huwelijk even in het vaarwater van een andere vrouw dreigt te belanden, leest men bijvoorbeeld: ‘Dylan had haar alvast maar beloofd dat hij met haar zou trouwen en niet vermeld dat hij innig van Caitlin was gaan houden.’ Met de vermelding wat Thomas zelf verzweeg, krijgt de dichter onmiskenbaar een veeg uit de pan.

    Rest nog de vraag waarom deze bard met zijn vileine kanten zo populair was, en nog steeds is? Daarop geeft deze biografie uiteindelijk geen expliciet antwoord, maar het geschetste beeld moge voor zich spreken: Thomas beantwoordt perfect aan de mythe van ‘De Kunstenaar’ met inbegrip van zijn voortijdig overlijden. Een explosief vat van seks, drank & poëzie. Verzen die weliswaar niet altijd even duidelijk zijn, maar met universele thema’s als Dood, Vergankelijkheid en de onbegrijpelijkheid van het menselijke bestaan, wordt daar niet zo’n punt van gemaakt. Daarbij gaf hij niet af op het gewone volk, voelde zich in een pub meer thuis dan op een campus, bleef hij ondanks zijn succes permanent armlastig en stierf jong genoeg om een leven lang kwajongen te zijn geweest.

    Wie in kort bestek iets over deze interessante dichter wil opsteken, kan uitstekend bij Wasch terecht. Deze biografie compileert niet alleen feiten uit reeds bestaande levensschetsen maar doet ook zelf ontdekkingen en vult genoeg hiaten op om een plaatsje op te eisen in de literatuurlijst van de (ongetwijfeld) vele biografieën die nog zullen volgen. Dat hij hier en daar ook lijntjes trekt naar de vaderlandse literatuur, van Carry van Bruggen tot Ilja Leonard Pfeijffer, maakt deze biografie voor de Nederlandse lezer des te aantrekkelijker.

    Zo lang als voor altijd is,
    Het leven van Dylan Thomas (1914-1953)

    Karel Wasch
    Blz.: 172
    Prijs: €19,95
    Uitgeverij Prominent

     

     

  • Oeuvre van Komrij weerspiegeld in aforismen

    Oeuvre van Komrij weerspiegeld in aforismen

    Gerd de Ley, de Belgische bloemlezer zocht al in de jaren 80 contact met Komrij om hem een aantal aforismen te ontfutselen. Het kwam tot een boekje in 1986, In de geest van de gieter. Het boekje werd verramsjt en Komrij en De Ley spraken af dat ze de exercitie opnieuw zouden doen. De Ley was/is specialist in aforismenboeken en bloemlezingen. Komrij: ‘Gerd de Ley selecteert aforismen uit alles en iedereen. Je moet je in een bunker met mortiergranaten ingraven om niet door Gerd de Ley geplunderd te worden.’ Onlangs verscheen van De Ley een boekje over Carmiggelt in de Prominent-reeks.

    Leverde dat leuke tekstjes op? De titel: Tien woorden per dag, verwijst naar een uitspraak van Komrij. Hij vond dat de mens in feite aan tien woorden per dag genoeg had, mits trefzeker neergezet. Hij had het over wijsneuzigheden, die op latere leeftijd aforismen zouden kunnen worden.

    Er staan een aantal vlijmscherpe aforismen in:

    ‘Politiek. De tak van criminaliteit waarin de dader vrijuit gaat.’

    ‘Wie niets te zeggen heeft en dat voor de televisie doet, is meteen cabaretier.’

    ‘Je moet in Nederland ook nooit laten blijken dat je ergens verstand van hebt, dan word je niet meer gelezen.’

    ‘Het probleem van het antwoord is de vraag.’

    En er is veel meer scherpzinnigs te lezen in dit boekje. Maar ook veel light verse in de trant van:

    ‘Stotteren is: zingen vertaald in ’t Hollands.’    of:

    ‘Ik houd niet van intelligente mensen. Ze zijn te intelligent.’

    Maar uiteindelijk is het is een boek om af en toe ter hand te nemen en er dan wat teksten uit op te diepen om ze op je in te laten werken. Of om er ongegeneerd uit te citeren in toespraken. Of de uitspraken te citeren op feesten en partijen. Dat is nog eens wat anders dan de teksten te debiteren van de meest geciteerde filosoof van Nederland: Johan Cruijff.

    Even iets over Komrij vertellen is niet eenvoudig. Ik schets een klein gedeelte van zijn werkzaamheden.

    Gerrit Komrij (1944-2012) was een van de meest markante verschijningen in het naoorlogse literaire wereldje in Nederland. Dat veroorzaakte hij vooral door zijn houding.

    Hij geselde zijn gehoor met vlijmscherpe teksten en joeg hele bevolkingsgroepen tegen zich in het harnas. Hij voerde een eenmansguerilla tegen de scientologykerk in Amsterdam. Daarnaast won hij een groot aantal literaire prijzen zoals de P.C. Hooftprijs, publiceerde gedichten, romans, toneel en essays en eenmaal had hij zelfs een eigen talkshow bij de VPRO. ‘Satirisch praatprogramma met publiek waarin Gerrit Komrij als Mies Bouwman door anderen vertolkte televisiepersoonlijkheden ontvangt en hen onverbloemd de waarheid zegt over hun aandeel in het aanbod van televisieprogramma’s.’ Hij noemde televisie de treurbuis. En schreef kritieken op de televisieprogramma’s in de NRC. Zijn knorrende nasale stem maakte hem  een markante verschijning en hij bezocht in Amsterdam etablissementen als Welling, achter het Concertgebouw en De Kring. Altijd in gezelschap van zijn vriend, steun en toeverlaat Charles Hofman. Met Amsterdam had hij een haat/liefdeverhouding. Zo kunnen we in de essays uit 1991 gebundeld in Het Boze oog lezen:

    ‘Nu de architectuur, na een korte en geduldig gedragen doodsstrijd, haar laatste snik heeft uitgeblazen is zij het onvervreemdbaar eigendom geworden van de al evenmin op aanwezigheid van geest gestelde gieren van de sociologie. Voor de sociologen is de architectuur een rijk en dankbaar lijkenveld.’ Gevolgd door een vlijmscherpe aanklacht tegen de zielloze nieuwbouw in Amsterdam en vooral tegen de architecten, die daarvan de schuld dragen.

    In 1984 verhuisde Komrij naar Portugal. Hij vestigde zich in Alvites. Later bewoonde hij een statig huis in de heuvels: Vila Porca de Beira.

    Hij volgde Viktor van Vriesland op als een soort gedichtenpaus. Die rol bestond uit het samenstellen van een bloemlezing van gedichten getiteld: De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in 1000 en meer gedichten. De vuistdikke bloemlezing lag nog niet in de boekhandel of ook daar barstte weer een rel los. Veel dichters voelden zich beledigd omdat hun verzen niet in de bloemlezing stonden en anderen protesteerden weer omdat sommige verzen er wel in stonden, terwijl die gedichten in hun ogen weer ondermaats zouden zijn.

    In 2000 werd Komrij de eerste Dichter des Vaderlands. Een replica van de Engelse Poete Laureate, de titel die daar al sinds de middeleeuwen bestaat.

    Niet verwonderlijk dat De Ley deze excentrieke, bijna onnederlandse satiricus op zo’n rijke manier voor het voetlicht wist te brengen. De aforismen zijn gegroepeerd onder diverse rubrieken zoals:

    Komrij, definities, Nederlanders, politiek, televisie, computer, literatuur en nog veel meer. Een rijk beeld van een stormachtige man. Vreemd genoeg merk je dat het hele oeuvre van Komrij zich weerspiegelt in deze aforismen. Dat is een prestatie.

     

     

     

     

     

  • Recensie: De Belegering van de Jonker – Karel Wasch

    Recensie door: Rein Swart

    Sappige impressie van een modern hoofdstedelijk milieu

    Een schrijver laat altijd meer zien dan hij denkt, schrijft Marja Pruis in Kus me, straf me. Dat geldt ook voor Karel Wasch die in bedekte termen vertelt over zijn jeugd. Het is al snel duidelijk dat die zich afspeelt in Amsterdam. De Tempel waarin de gymnasiast Werner samenkomt met zijn vrienden, kan niet anders zijn dan Paradiso en ook boekhandelaar Gert Braat en zijn zoon Walter zijn vanuit de verte herkenbaar. Het gebeurt vaker dat schrijvers de ware personen of locaties verhullen, zoals Voskuil doet in Het Bureau of Thomèse in zijn laatste roman, waarin hij Haarlem aanduidt met de letter H., maar in dit geval doet het onecht aan. Datzelfde geldt voor de Gitaarheld die ooit optrad in de Tempel. In plaats van iets mythisch te verbeelden komt het nogal puberaal over.

    Het verhaal begint met een initiatie van hoofdpersoon Werner, die Engelse letterkunde studeert. Hij koopt daartoe nieuwe kleren, gooit zijn oude jack in het water en bereidt zich voor op de inwijding in zijn kamer aan de Jonkergracht door het draaien van een plaat van de Gitaarheld. In de Tempel raakt hij door een pilletje in een langdurige roes maar slaat daardoor wel de eerder onbereikbare Marjan aan de haak.

    In dit boek wisselen perioden uit de jeugd van Werner, waarin rivaliserende jeugdbendes optreden, zich af met gebeurtenissen tijdens de middelbare school en daarna. Het boek eindigt na de geboorte van het kind dat hij samen met Marjan krijgt. Het ouderlijk gezin van Werner bestaat uit advocaat Han, die een oogje heeft op zijn esoterische schoonzus Hedda, de huilerige moeder Hetty die in het geheim een vriend heeft en broertje Govert die altijd spelletjes bedenkt die uit de klauwen lopen. Het moderne leven kent veel relationeel rumoer. Ook de vriendenkring van Werner die samenkomt in de Tempel en na het eindexamen langzaam uiteenvalt, komt daar niet onderuit. Het zijn levende types die Wasch beschrijft, zoals hartsvriend Steef Fidius:
    ‘Soms praatten ze tot diep in de nacht, over literatuur, liefde, veel liefde, hun wederzijdse vrienden en filosofie. Ze rookten veel stuff, spraken in een soort geheimtaal of konden soms niets meer uitbrengen. Eénmaal hadden ze zich rücksichtslos overgegeven aan bekentenissen. Hoe erg ze zichzelf hadden opgeblazen, hoezeer ze hadden gebluft, hoe vreselijk ze gelogen hadden, hoe weinig ze eigenlijk hadden bereikt.’

    Steef verloedert als zijn psychotische vrouw Maaike in een inrichting wordt opgenomen, vader Han verlaat zijn vrouw voor de alternatieve Hedda en neemt daarbij voor lief dat hij in plaats van alcohol de kruidenthee moet drinken en moeder Hetty papt aan met haar vriend.
    Werners knappe vriendin Marjan komt minder goed uit de verf. Het voegt weinig aan haar verschijning toe om iedere keer te zeggen dat zij de mooiste chick is.

    Werner voelt zich bedreigd door ene Zevenberg, die hij ooit op de gracht omver fietste en die een mes in zijn schouder stak. De titel verwijst daar naar. Hij voelt zich ook een bedrieger, onder andere omdat hij Marjan niet vertelt dat hij op vijftienjarige leeftijd door een veel oudere oppas werd verkracht. Hij is ook nooit vergeten dat hij in zijn jeugd samen met vakantievriendinnetje Coby zijn moeder samen met haar vriend zag neuken en dat Coby later in zee verdronk. Misschien dat Werner door deze traumatische ervaringen boek-, film- of schilderijtitels plakt op situaties waarin hij terechtkomt.

    We vallen vaak middenin een scène en dat geeft vaart aan het verhaal. Het boek leest vlot weg, maar stilistisch is het minder sterk. Zinnen als ‘Het regende pijpenstelen, met bakken kwam het uit de lucht.’ en ‘Spoedig waren ze de weg afgedaald naar de vallei van herinneringen.’ doen onbeholpen aan. Ook termen als ‘met veel kruidenthee overgoten’ en ‘laken van de zee’ verdienen geen schoonheidsprijs. Soms klinkt het zelfs onbehouwen. De vele seks wordt nogal plat en met een Jan Cremer-achtige bravoure beschreven en Wasch zou kariger kunnen omspringen met dromen, want die voegen aan het verhaal weinig toe. Het poppetje van een Jonker dat broertje Govert aan het eind in tweeën breekt, staat symbool voor de afloop van het verhaal.

    De gedeelten over de zwangerschap van Marjan zijn nogal voorspelbaar en het lijkt mij onwaarschijnlijk dat zij tijdens de bevalling in slaap valt. Maar het boek heeft al met al zeker potentie.

    De Belegering van de Jonker

    Auteur: Karel Wasch
    Verschenen bij: Nymphaeum Pers
    Prijs: € 15,90

  • Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.

     

  • Beeldverhaal van het leven van Willem Elschot

    Beeldverhaal van het leven van Willem Elschot

    De menselijke fantasie en het voorstellingsvermogen zijn de twee meest creatieve zaken, die een mens in handen heeft! W.B.Yeats.

    Het is altijd riskant om literair werk uit te werken in een stripverhaal. De avonden van Reve en Kort Amerikaans van Jan Wolkers werden verstript door Dick Matena en zo zijn er meer voorbeelden. Matena heeft inmiddels ook werk van Elsschot getekend.

    Eigenlijk wil de lezer liever het beeld behouden dat hij had, toen hij het boek las. Hetzelfde effect van beeldvervaging kan optreden bij de verfilming van boeken. Wie eenmaal de verfilming van een boek heeft gezien, houdt altijd de acteurs voor ogen wanneer hij weer eens door de bladzijden bladert van het oorspronkelijke literaire werk. Zijn eigen fantasiebeelden en- voorstellingen zijn verdwenen als sneeuw voor de zon. Van geheel andere orde zijn de stripverhalen van Art Spiegelman over de holocaust. Zij voegen een rustige dementie toe aan de verschrikkingen omdat het nu dieren zijn, die elkaar belagen.

    Voor de tentoonstelling ‘Willem Elsschot 1882-1960, beeldverhaal, foto’s en documenten’ in 1983 gehouden in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel werd een stripverhaal gemaakt. Kamiel Vanhole, scenarist en Dirk Geets, tekenaar, tekenden uiteindelijk voor vormgeving en uitwerking. Het onderschrift van de strip luidt: ‘Biografie van Willem Elsschot.’ Wie denkt dat men chronologisch en punctueel een overzicht krijgt voorgeschoteld van het leven van Alfons de Ridder (= Willem Elsschot) komt echter bedrogen uit. Er wordt geciteerd uit het werk van Elsschot, o.a. uit Een ontgoocheling, waarin ene Kareltje romanfiguur is en deze komt in de strip op de blz. 8,9 en de pagina’s 17 t/m 21 aan het woord.

    Er zijn ook anekdotes uit het leven van Elsschot in verwerkt. De beide makers van het boek bezochten de zoon van Elsschot, Walter de Ridder en de beroemde kleinzoon Jan Maniewski, die model stond voor Tsjip de Leeuwentemmer. Het door elkaar klutsen van feit en fictie wekt enige verbazing, maar vooral de tekenstijl van Dirk Geets doet af en toe stroef en gedateerd aan. In de inleiding van de strip vraagt Jos van Waterschoot zich af hoe het komt dat het boekje zo lang op de plank kon blijven liggen. De stripuitgevers zouden er niets in hebben gezien omdat het te literair was en de literaire uitgevers omdat het boek in stripvorm was gegoten. Meer waarschijnlijk lijkt mij dat men het boekje te rommelig vond samengesteld en te slecht getekend. Toch staan er ook best aardige dingen in, zo wordt de ontmoeting tussen Elsschot en zijn latere vrouw leuk in beeld gebracht en leren we hem kennen als een redelijke egoïst, die onberekenbaar als hij was, grillige bokkensprongen kon maken. Verder kunnen we ons beter maar bezighouden met serieuze biografieën over deze literaire gigant of een van zijn meesterlijke romans lezen.

     

     

  • Zoektocht door een klein stukje van de stad

    Zoektocht door een klein stukje van de stad

    Na 16 jaar is er dan eindelijk weer een lang verwachte roman van de dichter Frank Starik, onder Amsterdammers vooral bekend van zijn initiatief De eenzame uitvaart waarbij hij eenzame mensen in gezelschap van collega-dichters uitluidt aan de groeve. De Gastspeler bestaat uit 54 hoofdstukjes rond 6 hoofdthema’s.

    Starik is een hartstochtelijke bewoner van de Staatsliedenbuurt in de hoofdstad. De vrij troosteloze buurt vormt het terrein waar hoofdpersoon F. zijn merkwaardige ‘belevenissen-op-de-millimeter’ beleeft. De naam F. is trouwens afkomstig van de vader van de hoofdpersoon. Hij gaf al zijn kinderen een letter omdat hij gewoonweg geen zin had de hele naam uit te spreken. Liefst had hij z’n kinderen genummerd, maar dat vond de moeder van F. niet ‘zo gezellig.’ Op blz. 40 ervaren we wat een Gastspeler eigenlijk is:
    (…) Dat ben ik: de man die niets is gebeurd tot men hem komt vertellen wat er is voorgevallen. Een man die in tweedehands abstracties leeft, de gastspeler, die de regels van het spel niet helemaal begrepen heeft, de man die niet werkelijk deelneemt, omdat hij geen deel van het team uitmaakt, iemand die niet lang zal blijven, geen kans op de hoofdprijs maakt, iemand die, meer nog dan anderen, voorbijgaat. (…)

    Soms doet dit boek van Starik denken aan de ondergewaardeerde en in 2007 overleden A. Moonen (spreek uit: “A punt Moonen”). Gelukkig wordt de lezer niet steeds afgeleid, zoals destijds bij Moonen, door allerhande viezigheden. Hoewel Starik er het hele boek een sardonisch genoegen in schept om ons te trakteren op scènes uit de realitysoap De Gouden Kooi, lijken deze scènes de vreemde surreële belevingswereld van de hoofdpersoon te versterken. Ook roept De Gastspeler door de tragikomische humor bij deze recensent herinneringen op aan het werk van Charles Bukowski. Wanneer F. vertelt dat een paar gezinsleden verongelukten met de auto doet hij het als volgt:
    (…) Twee verongelukten met hun auto in het snelverkeer. Ik geloof niet dat mijn familie een groot talent voor autorijden heeft.(…)

    Verder trekt F. die kennelijk een verhouding heeft met ene Victoria, door de Staatsliedenbuurt en alle winkeliers worden aan ons voorgesteld. Of het nu de dames van de bakkerij zijn, de bloemist of de eigenaar van de Gemakswinkel, F. heeft ze geobserveerd en ze worden met veel humor neergezet.
    (…) Ze kunnen het niet goed, brood verkopen. Liever dwalen ze met een stoffer door de winkel en leggen voordeelzakken krentenbollen op volgorde, schuiven broden verder op het rek. Of poetsen met een vochtig doekje het glas van de toonbank, waarachter de luxe dingen liggen uitgestald. Ze praten onderling over hun haar. Er is er altijd wel een die net een andere kleur haar heeft genomen. Doorgaans iets roodachtig bruins. Of plotseling blond.(…)

    Anders dan Vrouwkje Tuinman in De Buurvrouw, waarin een pand vervalt en alles en iedereen moet vertrekken, laat Starik zijn personen in een betrekkelijke status quo handelen en wandelen. Het lijkt alsof hij zich erbij heeft neergelegd er geen oordeel over wil hebben. F. oefent ook in het terughouden van zijn mening, maar of dat altijd lukt blijft een vraag.

    Er zijn zwervers er is een Spaanse kraker (Starik kraakte vroeger ook) en bedriegers, maar ook raadselachtige buren, die hun huis weer onderverhuren. De opmerking van Starik aan het eind van het boek is aardig maar ongeloofwaardig: Iedere gelijkenis met bestaande personen of situaties berust op toeval. Een groot interview in het Parool, 13 mei jl, laat Frank Starik zien als een bewoner van de buurt, die uit zijn ooghoeken de meest vreemde figuren en gebeurtenissen registreert.

    Er is een zoon van de hoofdpersoon, die luistert naar de vreemde naam: Majoor. (Van Kletsmajoors, een koekje met keiharde stukjes erin.) Hij blijft nagenoeg buiten beeld. Volgt hij een opleiding voor De Gastspeler?
    (…) Majoor vond het ook tegenvallen, het houden van een huisdier. Ik vouwde een muizenren van de anderhalve meter van het deksel overgebleven dubbeltjesgaas, waar Majoor dan met de muizen mocht spelen. zijn spel bestond dan uit het opjagen der muizen, om ze vervolgens aan de staart op te tillen, tot ze vrij in de lucht hingen. Dat lukte maar heel even. De muis greep zich vast aan zijn staart, hees zich omhoog naar de kindervinger en beet. Auw.(…)

    Er zijn veel hilarische momenten. F. haalt herinneringen op aan zijn krakerstijd. Hij ging op een zondag een cheque verzilveren bij het Grenswisselkantoor in de hal van het Centraal Station. De enige plek in de hoofdstad waar je geld kon halen met een cheque. Daar ontmoet hij een oom, die schichtig om zich heen kijkt:
    (…) De verschijning van mijn glanzende oom aan het Grenswisselloket schokte mij op een of andere wijze. Wat deed hij daar? Op zondag? De onontkoombare conclusie drong zich op dat de brave man de rosse buurt zou bezoeken. Hij keek me wat schichtig aan, zonder te groeten, alsof hij zijn neef niet meer herkende. Ik liet het zo. Je loopt niet op een wildvreemde af om je voor te stellen als neef. De neef die zijn cheque van de steun komt verzilveren. Ik werd mij plots bewust van mijn armetierige verschijning. Onder die enorme jas stak een legging uit, mijn voeten staken in soldatenkistjes, alsof ik aan het Oostfront had gevochten. Ik droeg nog net geen berenmuts met een geweer.(…)

    F. lijkt trouwens nooit zo gelukkig in zijn keuze van kleren. Hij koopt bij Mr. Bugatti (een winkel) kleren, die niet passen, legt ze in de kast om ze nooit meer aan te doen. Of hij past schoenen op de groei, strompelt naar huis en besluit deze martelwerktuigen nimmer meer aan te trekken.
    Tijdens het wegspoelen door de wc van één van zijn gestorven vissen, komt F. tot spirituele gedachten. En daarna tot verdere merkwaardige pogingen om het eeuwige vast te houden. Alweer op de millimeter.
    (…) Helemaal aan het eind van het riool vindt men de zee. Kom je toch nog goed terecht. Ik heb eens geprobeerd een grote vis te drogen. Na een paar dagen was het volle gewicht van de vis gereïncarneerd in een witwoelende berg maden. Transcendentie wordt dat genoemd, geloof ik, of de wet van behoud van energie: alles verandert, niets gaat verloren. Ovidius wist dat al.(…)
    Het zijn dit soort vreemde uitstapjes in het hoofd van F. die ons steeds op het verkeerde been zetten. Lijken de scènes uit De Gouden Kooi absurd, is de realiteit eveneens een realitysoap voor F. Het is allemaal nog niets vergeleken bij de gedachtes en associaties in het hoofd van F. Het is niet vreemd dat Starik zijn boek het thema van De aantekeningen van Malte Laurids Brigge van Rainer Maria Rilke meegaf. Het thema is een gedachtestroom in het hoofd van de voorbijganger, die registreert, concludeert, maar pas komt tot verontrustende uitspraken wanneer het besef is gerijpt dat slechts terloopse bijna onbewuste registraties van diezelfde werkelijkheid later naar buiten kunnen komen. Als naakte waarheden wellicht? Of als werkgedachten om de realiteit steeds verder te lijf te gaan. Steeds verder aan te kunnen? Geen Gastspeler meer hoeven te zijn?

    Het is de desolate zoektocht door een klein stukje van de hoofdstad, een soort On the road door de achtertuin of zoals wijlen Johnnie van Doorn zou zeggen: een speurtocht door mijn kleine hersentjes. Wat een interessant, gedreven proza, levert dat op in alle korte flitsen van hooguit 4 à 5 bladzijden. Het is te hopen dat we niet nog eens 16 jaar op de volgende mooie roman van deze unieke schrijver moeten wachten!

     

     

  • Een meesterwerk over verwachtingen en teleurstellingen

    Een meesterwerk over verwachtingen en teleurstellingen

    Veel jonge mensen hebben toekomstverwachtingen. Ze maken plannen, lenen geld, verhuizen of veranderen van baan met vaak grote gevolgen. Vroeger bleven – vooral mannen – zeer lang hangen in dezelfde baan, met evenzo grote gevolgen voor het gezin. Van de Amerikaanse schrijver Richard Yates (1926-1992) werd onlangs zijn boek Revolutionary Road verfilmd met Kate Winslet en Leonardo Di Caprio in de hoofdrollen. Wie echter de moeite neemt om het schitterende gelijknamige boek te lezen, merkt dat we met niets minder dan een meesterwerk te maken hebben.

    Aan tal van universiteiten gaf Yates colleges over schrijven en literatuur, maar met zijn schrijversloopbaan wilde het nauwelijks vlotten. Zijn debuut Revolutionary Road (1961) werd positief besproken, maar verkocht slecht. Ondanks het feit dat schrijvers als Kurt Vonnegut hem bewonderden. Sinds ongeveer twee jaar is er echter in Amerika een toenemende belangstelling voor het werk van Yates en zijn boeken worden in Amerika weer herdrukt.

    Een ander leven dromen

    Het verhaal speelt zich af in jaren ‘50. Frank Wheeler heeft naar eigen zeggen een saaie baan, hij werkt voor Knox Business Machines. De baan boeit hem totaal niet, hij sleept zich iedere dag naar kantoor. Een kortstondige relatie met een telefoniste maakt de zaak niet makkelijker. Vroeger droomde hij van reizen en wilde hij met rugzak door Amerika trekken, verstopt in een goederentrein. April Wheeler, zijn vrouw, zorgt thuis voor de kinderen. Ooit heeft ze illusies gekoesterd over een acteercarrière maar tijdens een optreden van het amateur toneelgezelschap de Laurel Players ontdekt ze dat ze gewoonweg niet acteren kan. Van hun vroegere geluk is nog maar weinig te proeven, behalve als masker naar de buitenwereld. Ze nodigen steevast de buren uit in het weekend, maar het zijn doodsaaie mensen. De drankgelagen monden vaak uit in ruzies.

    Nieuwe toekomst

    Dubieus hoogtepunt is een bezoek van ene John Givings, een psychotische zoon van de familie Givings, bange en kleurloze mensen. Hij heeft een gesprek met Frank en April Wheeler en voelt zich begrepen door het echtpaar. Steeds verder worden we binnengeleid in het huwelijk, dat meer op een hel is gaan lijken en de conversaties vertonen gelijkenissen met de gesprekken uit Who’s afraid of Virginia Woolf, het toneelstuk van Albee. Op het dieptepunt van hun huwelijk oppert April het idee om naar Europa te gaan verhuizen, naar Parijs om precies te zijn. Hier zal een nieuwe toekomst liggen, met nieuwe kansen. Het is een ontsnapping uit het vastgelopen leventje in het de doorzonwoning in een buitenwijk van Connecticut. Grappig genoeg stond Revolutionary Road oorspronkelijk voor de weg van de Amerikanen, die zich in de 18e eeuw wilden bevrijden van de Engelsen. In deze roman is het de straat waar de Wheelers wonen en zijn vastgelopen.

    De twee kinderen Michael en Jennifer zijn bleke stille wezentjes, die volkomen op de achtergrond zijn geraakt. Alleen dochtertje Jennifer laat merken dat ze niet naar Parijs wil. Haar poppen zijn al bij voorbaat aan een buurmeisje geschonken omdat Frank en April niet te veel bagage mee willen nemen. Jennifer draait een draadje om haar vinger, de vingertop kleurt paars.

    ‘”Is dat omdat we naar Frankrijk verhuizen?” vroeg April, die nog steeds bezig was, om de draad los te wikkelen. “Vind je dat eigenlijk niet zo leuk?” Jennifer antwoordde pas toen het laatste stukje garen van haar vinger was. Toen gaf ze een nauwelijks waarneembaar knikje en draaide zich onhandig zo om, dat ze haar hoofd in haar moeders schoot kon begraven terwijl ze begon te huilen.’

    Perspectief verandering

    Op driekwart van het boek verandert Yates plotseling van perspectief en laat hij alles vertellen door de buurman van de Wheelers, Shep. De buurman, die vreselijk verliefd is op April, maar onmachtig staat tegenover de huwelijksproblemen van het echtpaar. Hij gebruikt April als een laatste redmiddel om de slechte verhouding met zijn eigen vrouw te kunnen vergeten. Hij is geschokt te horen dat de Wheelers serieus van plan zijn om naar Europa te verhuizen.

    Hoe meer de datum van vertrek nadert, hoe meer de twijfel toeslaat. Het idee om naar Parijs te gaan heeft de relatie goed gedaan, maar de eerlijkheid en werkelijke reflectie ontbreken. Dat ligt vooral aan Frank. Hij stelt zijn ontslag uit en krijgt tot overmaat van ramp promotie. Een reclamefolder voor Knox blijkt tegen de verwachting een doorslaand succes. Wanneer April dan ook in verwachting blijkt te zijn, staat hun droom op losse schroeven. En daarmee meteen ook hun relatie. Een fijne Parijse droom die als een frisse wind door het huis blies lijkt vervlogen. Kiezen ze voor veiligheid of kiezen ze voor een ‘beter’ leven in Parijs. De naam Wheeler tenslotte geeft een indruk van mobiliteit, maar helaas deze is slechts schijn. Vooral de gevoelens van de hoofdpersonen worden meesterlijk door Yates neergezet. Zijn dialogen zijn messcherp en raken steeds op pijnlijke wijze hun doel. Een prachtig boek, mooi vertaald.

     

  • Publiek juicht terwijl gevestigde literaire orde de wenkbrouwen fronst

    Publiek juicht terwijl gevestigde literaire orde de wenkbrouwen fronst

    Dat Simon Vinkenoog (1928) de tachtig is gepasseerd is maar moeilijk voor te stellen. Hij treedt overal op, danst en swingt, dicht en zingt en lijkt nog immer alom aanwezig. Dat uitgeverij Nijgh &Van Ditmar nu met zijn verzamelde gedichten komt lijkt een eerbetoon aan deze performer/dichter.

    Vinkenoog organiseerde Poëzie in Carré in 1966, een inmiddels legendarische bijeenkomst met een keur aan dichters, die na een copieuze maaltijd optraden in het stampvolle theater. Namen als A.Roland Holst, Ed Hoornik, Bert Voeten, Jan Hanlo en Cees Noteboom waren van de partij maar ook toenmalige nieuwkomers als Jules Deelder (in bloemetjesoverhemd!) en Johnnie de Selfkicker. Het was voor het eerst dat dichters zo massaal optraden, er waren in die dagen weinig performing poets. Vinkenoog was de animator en presentator en het luidde een nieuw tijdperk in met poëten, die op padia klommen. Vinkenoog was een exponent van De Vijftigers, samen met Campert, Lucebert, Kouwenaar, Schierbeek e.a. Hij bracht Amerikaanse Beatdichters als Ginsberg en Corso naar Nederland. Maar hij weekte zich in de zestiger jaren los. Toen ontwikkelde hij zich als geëngageerd dichter en later als een experimentele poëet. Een onafhankelijke dichter zonder club of stroming met een eigen geluid. Dat leverde veel optredens op, maar ook veel kritiek van de gevestigde orde. Men verafschuwde de Bresredacteur, de kosmopoliet, LSD-gebruiker, Zen Boeddhist en hippie. Hij schreef bovendien controversiële romans met veel drugs, sex en jazz erin.

    Misschien raakte men de kluts kwijt -niet verwonderlijk – want wie de rubriek Wereld in Beweging uit Bres nog eens raadpleegt, wordt duizelig van de associaties. Vliegende schotels, complotten, voedsel, landbouw, literatuur worden in een bonte warreling opgedist met een eindeloze lijst van namen. Want Simon Vinkenoog was overal en nergens. Oude opnames van het VPRO programma Hoepla (1967) tonen Vinkenoog enerzijds in meditatie bij een Zen Meester en tijdens een andere opname danst Simon stoned rond op de klanken van The Soft Machine. Hij leefde toen vooral volgens de uitspraak van Shakespeare: “All this life is but a play, be Thou the joyfull player!”

    Nu liggen er de verzamelde gedichten van Vinkenoog, bijeengebracht door Joep Bremmers. Dat zal een heidens karwei zijn geweest, de bundeling telt maar liefst 1228 pagina’s! En dan ontbreken er nog diverse verzen. Zoals het destijds in tijdschrift Ruim verschenen gedicht: Nederlandse Beeldenroute. De officiële bundels zijn er zoals Wondkoorts, De heren Zeventien en Tweespraak bij grote uitgevers als De Bezige bij en Stols en deze rij uitgaven gaat tot diep in de jaren ’70 door, maar daarna lijkt de belangstelling te luwen en komt Vinkenoog bij kleinere uitgeverijen terecht of geeft in eigen beheer uit, maar treedt vooral veel op. Hierin lijkt zijn carrière op die van Hans Plomp, de Ruigoordridder, die onlangs 65 jaar werd en toegezongen door Simon Vinkenoog, die Ruigoord, de kunstenaarsenclave bij Amsterdam een zeer warm hart toedraagt. Hans Plomp scoorde in de zestiger jaren hoge ogen met o.a. Het Amsterdams Dodenboekje, maar werd later in de ban gedaan omdat hij koos voor Oosterse wijsbegeerte en andere spirituele stromen. Nu staat hij op podia in België en Nederland en vertegenwoordigt hij een bijna vergeten generatie.

    In 1950 verschijnt Wondkoorts met een klassiek gedicht genaamd Afrekening: ik was de haat/ de adem van de dood/en andere grote woorden/die aan dit jonggestorven leven/als vrachtgoed toebehoorden/(…) Zinnen, die door Achterberg geschreven hadden kunnen worden. En iets later in de jaren ’50 in Koopman geeft Vinkenoog zijn bedoelingen prijs met het woord : ik vent een vracht / vol woorden voor mij uit/ door lege zonbedoelde straten/(…).
    In 1952 verschijnt de cyclus Land zonder nacht opvallend zijn de grote symbolen waar Vinkenoog voor kiest: (…) ver als de horizon ben je/ in de glazen kist van het weer geborgen/ beukend op blikken deksels/ van het najaar / ik zie de bliksem langs je lichaam trillen/en de regen loopt onrustig door je ogen/(..)
    Maar vanaf 1953 treedt de taal van de Vijftigers in. Het protest, de onmacht. Het rijmen lijkt even verdwenen. Bitter: (…) Als een heerser over glasheelal/ zie ik dame zie ik bloed en schaatsenrijden/ op de Noorse ijzers van betekenis./(…)

    De bundel Gesproken Woord uit 1964 vormt een cesuur in Vinkenoogs werk. De bundel werd in eigen beheer uitgegeven, maar is later in een bundeling van de Bezige Bij nog wel opgenomen. Vinkenoog is hier al de latere declameerdichter geworden. Tijd:U leeft allemaal/ in de onvoltooid verleden tijd/ in de voltooid verleden tijd /in de onvoltooid tegenwoordige tijd/ in de voltooid tegenwoordige tijd /in de onvoltooid toekomende tijd/ in de voltooid toekomende tijd /in de onvoltooid verleden toekomende tijd// in de voltooid toekomende tijd/in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd/ in de voltooid tegenwoordige toekomende tijd/ Misschien ben ik een van u vergeten.
    Het is een geestige opsomming met een quasi filosofisch einde, maar op papier lezen we er snel doorheen. Je moet het Simon horen voordragen! Veel van de latere verzen gaan mank an dit euvel. Wat absoluut niet wil zeggen dat hij na 1964 geen mooie gedichten meer heeft geschreven. In 1972 bijvoorbeeld het vers J.C.1966 (J.C. staat voor Jezus Christus) uit de bundel Wonder boven Wonder: Schop mij een geweten/ schop mij een wereld binnen/ waarin ik niet langer mor/ en honger naar vergelding/ (…)
    In de cyclus over Vincent van Gogh in Louter genieten staan ook wonderschone zinnen: Je haalt de zon/ niet in, die/ ondergaat/ maar in je hoofd/ blijft het suizen/ is de kleur de kleur/ is de kracht de kracht/ is het leven/ weergegeven/ nog het leven?/(…)

    Als Dichter des Vaderland ad interim werd Simon Vinkenoog door het publiek gekozen in 2004, toen Gerrit Komrij onverwachts opstapte, maar de NRC erkende deze verkiezing niet. Symptomatisch voor de hele loopbaan van Vinkenoog, overigens. Publiek dat staat te dansen en te juichen, de gevestigde literaire orde, die zijn wenkbrauwen fronst. Hij maakte een paar gedichten in deze betwiste functie o.a. voor Mabel Wisse Smit, die in het huwelijk trad met Johan Friso van Oranje Nassau: Mabel en Friso: De werelden veroveren doe je met z’n tweeën/ Verliefd, verloofd, getrouwd,/ Nooit raak je uitgevreeën/(…) Vraag is of het echtpaar dit gedicht aan de muur heeft gehangen, maar het is wel een vers met een geestig begin. In 2006 kwam Zonneklaar uit bij uitgeverij Passage. De bundel is opgedragen aan Edith, de onafscheidelijke vrouw, die Simon inspireerde de laatste tientallen jaren. In deze bundel het vers Niets: ik wilde verhalen laten komen/ maar pijnbesprongen woorden/ wilden niet loskomen/(…) Misschien hadden deze woorden juist af en toe wel moeten loskomen, want ze vormen maar al te vaak de broodnodige ingrediënten voor dramatische poëzie zoals bijvoorbeeld destijds Cor Vaandrager kon maken. Simon Vinkenoog ziet het leven rooskleurig in, wit misschien, maar wit kan vergelen.

    Een eindoordeel vellen over deze gigantische bundel gedichten is moeilijk, zo niet onmogelijk. Daarvoor is er te veel van verschillend kaliber. Van zeer fraai tot oubollig. Op het verjaardagsfeest van Hans Plomp verzuchtte Simon Vinkenoog voor de microfoon: “Ben ik eindelijk verzameld, word ik niet besproken.” Onterecht en ook niet billijk. Een laagdrempelig fenomeen als Vinkenoog, verdient het besproken te worden! Maar een serieuze recensent moet zich dan niet door het omvangrijke oeuvre laten afschrikken. Misschien zou er een uitgebreide biografie van hem moeten verschijnen met veel- erg veel- over de ontstaansgeschiedenis van alle verzen, flarden en gedichten. Misschien moeten we het bij Vinkenoog Verzameld laten, het zien als een kunstwerk, meer nog dan een verzameling gedichten. En daarvoor dankbaar zijn als een Bikkhu, een bedelmonnik. Deze recensent knielt alvast met u mee. Maar wordt waarschijnlijk door de Zen Meester gestraft met een klap tussen de schouderbladen. Meditatie vereist namelijk contemplatie!

    Dat Vinkenoog een momentum is voor de Vaderlandse Dichtkunst en de podiumtijgers, waar we niet omheen kunnen, staat als een paal boven water. Sinds de beroemde bloemlezing Atonaal waarin hij experimentele dichters aan het woord liet is Vinkenoog nooit weggeweest van de podia, hoezeer het establishment het ook had gewenst. Of dit altijd verzen heeft opgeleverd, die we met een knijpbril op moeten lezen is de vraag. Moeten we Simon Vinkenoog vragen ze bij ons thuis te komen voordragen of is dat niet nodig? Op zijn website www.simonvinkenoog.nl kunnen we hopelijk lezen waar hij zo iedere dag uithangt en optreedt. In de tussentijd hebben we genoeg te genieten aan Vinkenoog Verzameld.
    Want: We lachen weer. De lucht is opgeklaard/ Wat stoom afgeblazen, de chaos bedaard,/ ik kan weer een gedichtje tikken,/ de telefoon opnemen, zeggen:/
    Ja, daar spreekt u mee/ Ik steek van wal./ Niets meer te onderdrukken.

    Karel Wasch

    (Auteur: Vinkenoog, Simon Uitgever: Nijgh & Van Ditmar Eerste druk: 1-10-2008 ,Verkoopprijs: € 45,00 ,Aantal pagina’s: 1228
    ISBN: 9789038890739)