• Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Mijn vaderland is de titel van de nieuwe bundel van Johannes van der Sluis, dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Dat vaderland blijkt in de gedichten echter niet Nederland te zijn, zoals je zou verwachten. Niet voor niets is de titel van de bundel dezelfde als die Bedřich Smetana koos voor zijn cyclus van zes symfonische gedichten, Má Vlast, waarvoor hij tussen 1874 en 1878 de muziek componeerde. Het lijkt erop dat Tsjechië voor Van der Sluis eveneens het land is waar hij zich thuis voelt: zijn ‘Ersatz-Heimat’, noemt hij het zelf. Waar Smetana op zijn muzikale reis van zes gedichten uitgaat, koos Van der Sluis voor vijf afdelingen van gedichten en brieven. 

    De eerste brief is gericht aan zijn vader aan wie hij de bundel heeft opgedragen. Deze brief is honderd jaar later geschreven dan de brief die Kafka in 1919 aan diens vader richtte, en heeft dezelfde teneur van een jeugd waarin de vader weliswaar aanwezig was, maar op afstand bleef. Gelukkig weet Van der Sluis zich met zijn vader te verzoenen voordat deze in 2023 overlijdt. Ze maken samen een bedevaart naar Praag, ‘omdat we daar vroeger vaak waren geweest’. De dichter reist Kafka achterna en bezoekt de vroegere woningen van ‘al die fantastische/ schrijvers en dichters’. 

    ‘binnen is niemand te zien
     met de lift naar de vijfde verdieping
     de verdieping waarvan hij in de ban was
     Rilkes Malte Laurids Brigge in Parijs
     die van de vijfde verdieping wilde springen
     net als Kafka
     die op de vijfde had gewoond
     Konstantin Biebl
     die daadwerkelijk is gesprongen
     en hij woonde zelf op de vijfde verdieping
     waar we aan toevoegen
     Jan Arends
     de vijfde verdieping
     ook niemand hier’ 

    Buitengewoon droge humor

    De autobiografische elementen van de dichter en zijn ouders worden afgewisseld met veel citaten uit het werk van diezelfde schrijvers en dichters en met zeer gedetailleerde informatie over het verloop van de reis. Die informatie lijkt af en toe behoorlijk langdradig en overbodig, maar wordt dan plotseling doorbroken door de buitengewoon droge humor van Van der Sluis, die de draak lijkt te steken met zijn eigen vertelwijze: ‘we liepen langs de muur van Lennon/ War Is Over!/ stond er geschreven/ je zag het niet/ je bent van de Stones’. 

    De reis met vader en moeder voert verder naar Beieren, naar Neuschwanstein waar koning Ludwig II zich in de Starnberger See verdronken heeft. Het gedicht dat hierover gaat is een fantastische vervlechting van de banale werkelijkheid met de verering voor de sprookjeswereld van koning Ludwig, doorspekt met citaten van Johnny Cash, Joseph Roth en Apollinaire, en alles overgoten met een ironisch sausje. 

    Liefde blijft onbereikbaar

    Het reisverslag dat ook een dagboek is, wordt onderbroken door een brief aan zijn moeder en het afscheid van zijn stervende vader.

    ‘heeft papa me niet op wat zijn sterfbed leek
     opgedragen om mijn eigen weg te gaan?
     of gold dat alleen voor mijn poëzie?’

    De derde afdeling brengt de dichter buiten de grenzen van Europa: hij is verliefd geworden op een grillige Marokkaanse jongedame van twintig jaar, die niet al te toeschietelijk is en met wie hij in het Italiaans moet communiceren. Ze neemt een chaperonne mee naar de afspraakjes en haar familie maakt bezwaar tegen de relatie. Pas als de dichter zich bekeerd heeft tot de islam mag hij hoop koesteren, maar tot een bruiloft komt het niet. Vanuit Catania schrijft hij ook brieven aan zijn geliefde, maar die bezorgen hem niet het gewenste resultaat.

    ‘maar gisterochtend schreef ik
     ik kon het niet laten
     dat ze nu rustig kon slapen
     ik ben dood
     je hebt me vermoord
     met de Arabische vertaling erbij
     in die hoop dat zo’n vertaalprogramma het niet
     vertaalt met
     ik heb in het zwembad geplast’

    Grote namen en een ontgoocheld man

    Ondertussen vallen er grote namen als van Kierkegaard, Simenon, Pirandello, Czesław Miłosz, Robert Walser en vele, vele anderen. Van der Sluis citeert volop om zijn betoog kracht bij te zetten, daardoor wordt het wel eens vermoeiend om zijn verhaal te blijven volgen.
    De prozagedichten zijn in twee kolommen op de pagina’s gezet en wijken wat inhoud betreft niet veel af van de inhoud van de brieven, alleen de vorm is anders. Er wordt geen gebruik gemaakt van leestekens, op het vraagteken na, en alleen eigennamen en het eerste woord van een titel krijgen hoofdletters. Hij springt van de hak op de tak, verwijst terug naar elementen uit eerdere gedichten, maar het is allemaal veel van hetzelfde: een gezapig voortkabbelen van een verslag van persoonlijke teleurstellingen. Zelfs zijn droge humor kan niet voorkomen dat de aandacht verslapt.

    De dichter zet zichzelf neer als een ontgoocheld man, een verdrietige Pierrot, een ridder van de droevige figuur die net als Don Quichot zich vergeefs te weer stelt tegen de slagen van het noodlot en troost vindt in levens en werken van beroemde schrijvers. In zijn minutieus bijgehouden dagboek waarin hij zich ook tot anderen richt, probeert hij grip te krijgen op de omstandigheden, maar het blijft vechten tegen de bierkaai. 

    ‘zoals Duitsland papa’s moederland is
     is liefde mijn moederland
     een bloedige geschiedenis
     maar ik zing graag
     vooral op papier
     laat mijn lied voor jou
     alle woningen wijden

     Liefs,
     Johannes’

    Het vaderland, waarvan sprake is in de titel, is niet aan te wijzen op de wereldkaart. Het is de wereldliteratuur waarin de dichter zich thuis voelt.

     

     

  • Eén alinea!

    Eén alinea!

    Slechts één alinea weet De Zieners te boeien. Dit klinkt negatief, maar is het grootste compliment dat de schrijver kan krijgen. De Zieners bestáát namelijk uit die ene alinea. Deze roman van Sulaiman Addonia lees je uit in een ademteug, een ruk, een avondje overgave aan de koortsdroom van Hannah uit Eritrea. Als vluchtelinge die moet wachten op een goedgekeurde asielaanvraag, doorkruist ze nachtelijk Londen. Altijd met het dagboek van haar jong gestorven moeder bij zich.

    Een verhaal, opgebouwd uit een enkele alinea… Iedere schrijver, kunstenaar, veellezer of literatuurwetenschapper zou dit van tevoren een onmogelijke opgave noemen. Addonia neemt niet eens de moeite deze monnikenklus op een degelijke typemachine of computer te doen: hij schreef De Zieners op een iPhone. Weg romantiek? Integendeel. De Zieners zindert van liefde, sensualiteit en gevoel. Tegelijk bezorgt het ons Europese lezers regelmatig het schaamrood op de kaken. Niet vanwege de expliciete seksscènes – we zijn allang murw gebeukt door de lichamelijkheid van types als Houellebecq – maar vanwege het besef: eigenlijk kijken we allemaal massaal weg van vluchtelingen.

    Kullu yihalif, fiqri yiterif

    Panta rhei, ouden menei. Alles stroomt, niets blijft, luidt de wet van Herakleitos. Eritreeërs hebben hun eigen variant: kullu yihalif, fiqri yiterif. Alles verandert, de liefde blijft. Bijna hetzelfde. Bijna. Aanvankelijk staat het motto er in het Tigrinya (de Eritrese taal) én in het Nederlands. Later in het boek wisselen de talen van plaats, en uiteindelijk verdwijnt de variant van het Tigrinya volledig. Zelf verloor Addonia zijn moedertaal, toen zijn moeder voor werk naar Saoedi-Arabië vertrok. Ook Hannah wordt Engelser en Engelser in haar ballingschap; waar ze eerst beledigingen naar het hoofd krijgt, omdat ze niet Brits genoeg klinkt, verdeftigt haar accent met rasse schreden. Maar echt gek wordt ze nooit op Engeland, waar haar tante haar heen stuurde: ‘Die avond werd ik vanuit Keren weggestuurd naar het land dat mijn vader een neger had genoemd. Het spijt me dat ik je naar dat land toestuur, zei mijn tante.’

    Hannah’s vader hielp het Engelse leger de Italiaanse bezetting beëindigen en werd hiervoor beloond met meer vernedering. Hij was een analfabeet die leerde lezen en zielsveel van boeken hield en stierf – net als zijn echtgenote – veel eerder dan Hannah lief was. Het liefst zou hij zijn hele boekenverzameling hebben ingescand in het brein van zijn slimme dochter. En die bibliotheek zeult ze in het Verenigd Koninkrijk figuurlijk met zich mee. Ook gebruikt ze het dagboek van haar moeder om zich staande te houden in de regen, kou en grauwigheid. ‘Ik keerde terug naar mijn boeken, en discussieerde met Neruda over het feit dat hij in zijn gedichten de liefde telkens liet terugkomen als troost. Liefde is net zo onbeduidend als lucht voor een lijk, zei ik tegen Neruda, een citaat uit mijn moeders dagboek, iets wat hem kennelijk met afkeer vervulde omdat ik daarna een tijdlang niets van hem hoorde.’ Even later merkt Hannah op: ‘Serieus, niets zo krachtig als dode, verwaten dichters die tegen je uitvaren.’ Want ze praat niet alleen met Pablo Neruda.

    Hampstead Heath, Fitzroy Square en Bloomsbury

    Hannah voert gesprekken met allerlei dichters die in Hampstead Heath gedenktekens hebben. Denk aan Keats, Coleridge, Shelley, Byron en Cummings: ‘Ik pakte zijn bundel, liep terug naar mijn boom en begon er leunend tegen de stam in te lezen. Dat boek bespoedigde de relatie tussen de boom en mij: ik las telkens een gedicht voor mezelf en dan een voor de boom. Doordat de boom waaronder ik sliep zich laafde aan de Londense regen en zich voedde met de wellustige poëzie die ik voorlas, werd het de meest doorvoede en vrije boom van heel Londen.’ De dode dichters genieten bovendien mee van haar vrijpartijen met land- en lotgenoot Bina Balozi: ‘Mijn hoofd klaarde op toen het genot zich aandiende in de armen van het donker. O B.B. De O die stond voor de roos tussen zijn zwarte billen die openbarstte in mijn slapeloze nachten en kleur gaf aan mijn avonden, de B die stond voor de balletdanser op de bodem van mijn schoot.’ De lovende kritieken die de roman kreeg, richten zich met name op deze lichamelijkheid. Volgens de critici is die fysieke realiteit het enige wat Hannah echt ‘heeft’. De seksualiteit wordt breeduit gevierd, inclusief orgasmes, squirts en voorbinddildo’s. Toch biedt De Zieners meer dan erotiek. En ergens is het ook kwalijk dat vluchtelingen en asielzoekers tot hun lichaam worden gereduceerd – verhalen waarin zij niets anders hebben dan hun lijf, zijn er al voldoende.

    Het boek is niet alleen opgebouwd uit één alinea, alle dialogen missen aanhalingstekens. Dit leidt tot onduidelijkheid over wie er precies spreekt. Hannah’s identiteit wordt tijdens een gesprek met Engelse douaniers zowel letterlijk als figuurlijk aan flarden gescheurd: ‘Maar de tolk ging verder: Hannah, ik moet je vragen naar je paspoort. Als het dan moet, zei ik, en ik masseerde mijn voorhoofd. Waar is je paspoort? Dat heb ik verscheurd en doorgespoeld in het vliegtuig. Waarom? Dat moest van de smokkelaar.’ Zo wordt het verhaal van Hannah langzaamaan het verhaal van meer vluchtelingen, lotgevallen die ambtenaren al of niet moeten verleiden tot een gehonoreerde asielaanvraag: ‘Hannah, zei ze. Dit is pas het begin. Let goed op jezelf. Wat een rare waarschuwing, zei ik. Als ik geen ruimte in mijn hoofd heb, heb ik geen ruimte in mijn hoofd. Je bent niet de eerste immigrant die dat tegen me zegt, zei ze. Laat je niet overweldigen door herinneringen. Maar het komt goed, je zult het verleden leren loslaten.’ Maar hoe lukt dat haar, als haar toegewijde, Engelse voogd juist in het verleden blijft hangen?

    Lady Diana

    Een personage dat verrassend weinig aandacht krijgt in de lovende kritieken, is Diana. Als tijdelijke voogd vangt zij Hannah op in een buitenwijk, stevig drinkend, rokend en mijmerend over wat achter haar ligt. Hannah, ondertussen, wacht tot Binnenlandse Zaken haar asielaanvraag goedkeurt: ‘Terwijl ik in afwachting van de volgende postbezorging terugliep naar mijn kamer, vroeg ik me af wat er zo dringend zou zijn in haar leven.’ Daarom vraagt Hannah op een druilerige, ijskoude avond in de walm van Diana’s sigarettenrook: ‘Diana, wat heb je gestudeerd toen je op de universiteit zat? Ze snoof achteloos en viel stil. Niets. Sorry dat ik het vroeg, zei ik na een poosje. Nee, nee, Hannah. Dat is het niet. Je deed me alleen denken aan… Nou, eens even denken… ze zweeg.’ Tijdens de avondwandeling probeert Hannah Diana nogmaals uit haar zwijgzaamheid te halen: ‘Haar ogen gaven toe aan de stilte van een zwak verlichte steeg, waar een man met een slaapzak om zijn schouders een kat aaide op de motorkap van een auto. Gaat het wel goed, Diana? Stilte. Haar ogen stonden vol gedachten die ik niet kon ontcijferen. Ik wilde net wegkijken toen ze zei: Het gaat zo wel weer. Het is allemaal niks vergeleken bij wat jij hebt doorstaan.’

    Anders dan in Addonia’s vorige roman, Stilte is mijn moedertaal, werkt stilte hier verstikkend. Dat laat De Zieners zien met een personage als Diana. Hannah vindt het leven in literatuur, taal, woord en geschrift, ondanks (en dankzij) haar verleden. De laatste scène, extatisch en speels, doet denken aan Het leven is vurrukkulluk. Alleen spreekt hier geen Vijftiger, maar een twintiger, in de bloei van haar leven.

     

  • Oogst week 51 -2024

    Oogst week 51 -2024

    Hafni zegt

    De Deense schrijfster Helle Helle heeft een heel eigen stem in de literatuur. Met haar laatste roman Hafni zegt heeft ze weer voor een bijzondere vorm gekozen. Hafni belt met een vriendin en zegt dat ze gaat scheiden. De vriendin, aan de andere kant van de lijn, is de verteller; ze luistert en geeft spaarzaam commentaar. Hafni viert haar scheiding met een ‘smørrebrødreis’, zoals ze het noemt, een reis die langs tal van Deense plaatsen gaat. De geplande reis zou een week zijn, maar beslaat al een maand. Hafni hangt rond op campings, ze praat over de ontbijtbuffetten, korte ontmoetingen en haar belevenissen, over haar huwelijk krijgen we echter nauwelijks informatie, maar tussen de regels wordt haar verdriet pijnlijk duidelijk.

    Helle Helle schrijft komisch en tragisch. De troosteloze situatie van Hafni wordt pijnlijk duidelijk in korte terloopse zinnetjes. Een roman over het bestaan: vervreemding, vrijheid, schuld en schaamte, en over de zware druk van verwachtingen.

    Hafni zegt
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Querido

    Memoires van een kip – Een Palestijnse fabel

    De Memoires van een kip van de Palestijnse auteur Ishaq Musa al-Husseini is een Palestijnse fabel, die al verscheen in 1943. Een filosofisch ingestelde kip verwondert zich over haar nieuwe ren en observeert haar medekippen, ze denkt na over de zin van het leven, over de echtgenoot (die ze liefdevol deelt met haar ‘zusters’), over nieuwkomers, over leven en dood, rechtvaardigheid, liefde, solidariteit, kortom over een ideale maatschappij. Helaas is er ook dat andere: jaloezie, roddel, haat en nijd en geweld, dat soms dodelijk afloopt. De mooie theorie blijkt in de praktijk van het dagelijks leven in de ren heel anders te werken.

    Sommige critici associeerden de roman (toen al) met het hoogoplopende Palestijns-Joodse conflict en veroordeelden de afloop als te defaitistisch. Anderen interpreteerden het verhaal als een uiting van een algemene utopische toekomstvisie. Toch heeft deze opmerkelijke roman, ondanks het maatschappelijke thema, volgens de auteur niets met politiek te maken. ‘Mijn roman gaat niet over Palestijnen en Joden, maar over kippen.’

    In het nawoord van Richard van Leeuwen zegt deze: ‘Al met al blijft Memoires van een kip een wonderlijk en intrigerend boek, dat zowel in de tijd van verschijning als in de huidige tijd eenduidige interpretaties weerstaat … Het is aan de lezer om te beoordelen in hoeverre het boek een universele of een politieke boodschap bevat.’

    Ishaq Musa al-Husseini (Jeruzalem 1904 – 1973) is vooral bekend om zijn literair-wetenschappelijk werk en van een aantal politiek-analytische boeken. Hij was een geleerde, criticus, filoloog en vertaler. Hij werd in 1904 geboren in Jeruzalem, in een traditioneel, religieus nationalistisch gezin. Na zijn middelbare schoolopleiding studeerde en werkte hij in Caïro, Londen en Göttingen.

    Memoires van een kip - Een Palestijnse fabel
    Auteur: Ishaq Musa al-Husseini
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Mijn moeder

    De moeder van de tweeling Jana en Broer is dood en zal worden begraven in haar geboortedorp Kukkojärvi in Noord-Zweden. Haar kinderen erven het huis en ontdekken al snel dat het leven daar  heel anders is dan ze hadden verwacht. Hun huis wordt bewoond door huurders die er niet uit willen en leven volgens strikte, religieuze regels. Jana is vanaf het begin wantrouwend, maar Broer voelt zich aangetrokken tot de hechte dorpsgemeenschap, waar de nadruk ligt op gezinswaarden en mannelijke overheersing. Jana moet de strijd aangaan om niet alleen het huis maar ook haar broer terug te winnen, terwijl ze tegelijkertijd probeert haar destructieve relatie te beëindigen. Het tweede deel in de trilogie over Jana Kippo en haar leven in een Zweeds dorp met duistere geheimen.

    De Zweedse auteur Karin Smirnoff (1964) debuteerde in 2018 met de roman Mijn broer, het eerste deel in de succesvolle trilogie over Jana Kippo. In 2021 volgde Smirnoff David Lagercrantz op als nieuwe auteur van de bekende Millennium reeks van Stieg Larsson. Haar verhalen spelen zich af in het noorden van Zweden, de Västerbotten-regio waar ook Stieg Larsson vandaan komt en waar Karin Smirnoff woont en werkt en toevallig is haar meisjesnaam ook Larsson.

    Mijn moeder
    Auteur: Karin Smirnoff
    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 43 – 2024

    De Zieners

    Hannah, een dakloze Eritrese vluchtelinge moet in London zien te overleven. Eerst woont ze op een opvangadres in Kilburn, maar al snel slaapt ze onder een boom in een parkje in Bloomsbury. Van haar leven in Eritrea is niets anders over dan het dagboek van haar moeder, die jong gestorven is. Het verhaal dat erin staat, over de levensgeschiedenis van haar ouders, is niet makkelijk te verteren. In De zieners, een roman die uit een enkele alinea bestaat, belicht Sulaiman Addonia wat het betekent om een vluchteling te zijn in een stad als Londen, waarbij hij de hoogstpersoonlijke aspecten van het psychologische en seksuele leven van Hannah niet schuwt.

    Sulaiman Addonia (1974) woont in London. Eerder verschenen al twee romans van zijn hand, Als gevolg van de liefde, waarin een twintigjarige vluchteling verliefd wordt op een jonge vrouw die een burqa draagt, en Silence Is My Mother Tongue, een boek over een broer en zus die zich staande proberen te houden in de chaos van een vluchtelingenkamp. Addonia werd geboren in Eritrea en vluchtte in 1976 met zijn familie naar Soedan, waar hij zag hoe zijn vader vermoord werd. Samen met zijn moeder en jonger broertje leefde hij in Jedda tot hij in 1990 asiel aanvroeg en kreeg in Groot-Britannië. Meerdere van zijn boeken zijn genomineerd voor prijzen, waaronder de Lambda Literary Award for Bisexual Fiction en de Orwell Prize voor politieke fictie.

    De Zieners
    Auteur: Sulaiman Addonia
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Na de zon

    Het is niet makkelijk te zeggen waar Na de zon van Jonas Eika over gaat. Het boek omvat vier korte verhalen, waarvan er een in twee delen is gesplitst. Ogenschijnlijk zijn de verhalen heel verschillend. In Cancún verlenen jonge jongens hun diensten aan rijke strandbezoekers. Een IT-consultant in Kopenhagen komt, na het missen van een werkafspraak, terecht in wereld die hij niet kent: de handel in derivaten. Een drietal dat als een gezin probeert te leven gaat gebukt onder verslaving, geldgebrek en de stress van de verwachte komst van een baby. En wat is er aan de hand met de rouwende oude man die geobsedeerd raakt met een vreemd voorwerp dat hij in de woestijn vindt? De vraag moet misschien niet zozeer zijn waar het boek over gaat, maar waar het óm gaat. Wat wil Eika ons vertellen met deze set verhalen?

    Jonas Eika (1991) is een Deense schrijver. Met hun fictie sleepte hen al een aantal prijzen in de wacht. Zo ontving hen de Bodil & Jørgen Munch-Christensen Prijs voor hun debuut, Lageret Huset Marie. En ook Na de zon werd bekroond, met de Michael Strunge Prijs en de Blixenprijs. Een van de verhalen eruit werd voorgepubliceerd in The New Yorker.

    Na de zon
    Auteur: Jonas Eika
    Uitgeverij: Koppernik

    Alle tijden zijn onzeker

    Het is 1783 en wetenschappelijke vernieuwingen en technologische ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Een luchtballon stijgt op, met mensen aan boord, de verschillen tussen arm en rijk zijn gigantisch en dat er ineens vaccinaties bestaan ziet niet iedereen als een zegen. Wie is er voor vernieuwing, wie is ertegen en hoe ziet dat eruit? In Alle tijden zijn onzeker brengt Joke van Leeuwen dat in beeld. Ze volgt Marie, een nuchter type en Vince, die veel speelser is, die hun eerste schreden zetten als stel. En dan is er nog Pierre, die zich verliest in zijn strijd tegen wat hij als het kwaad ziet. De paralellen met vandaag zijn niet toevallig.

    Joke van Leeuwen (1952) schrijft boeken voor kinderen en volwassenen. Ook is ze dichter en illustrator, maakt ze theaterprogramma’s en treedt ze op als performer. Eerder ontving ze onder andere de Theo Thijssenprijs voor haar kinderboeken, de C. Buddingh’-prijs voor haar dichtbundel Laatste lezers en de AKO Literatuurprijs voor het boek Feest van het begin.

    Alle tijden zijn onzeker
    Auteur: Joke van Leeuwen
    Uitgeverij: Querido
  • Vol zielskracht

    Vol zielskracht

    De titel van dit boek geeft al veel prijs: Leven in termijnen, van scan naar chemo, van bloedprikken naar bestraling. En letterlijk: ondertussen het leven verlengen, tijd kopen. Een verkeerde uitspraak van het laatste deel van de achternaam van de auteur (dood in plaats van doed) is in dit verband schrijnend. Dit verband is het leven na de diagnose uitgezaaide kanker, ongeneeslijk ziek zijn, en ook van een leven na een traumatische jeugd. Beide verhalen worden soms alleen in aanduidende zin verteld en door elkaar geweven.

    Shadood is in 1967 in Paramaribo uit Guyanese geboren, haar ouders waren Hindoestanen. Tot voor kort werkte ze in Baarn als coach persoonlijke ontwikkeling. Waheeda is de vrouwelijke vorm van wahid, Arabisch voor zowel één als uniek. Ieder mens is uniek en ieder verhaal ook. Iedere schrijver verwerkt zijn/haar verhaal over kanker en trauma’s op een eigen manier. Lieke Marsman doet dat in dichtvorm (De volgende scan duurt vijf minuten), Herman Koch recent in het autobiografische Ga je erover schrijven?, een boek dat meteen de bestsellerlijsten binnen dendert. Er zijn overeenkomsten. Shadood schrijft vergelijkenderwijs bijvoorbeeld: ‘Na acht minuten sta ik weer buiten.’ Zó kort maar, terwijl het zo erg is, lijken zowel Marsman als zij te denken en ons mee te willen geven.

    Ellendige ervaringen

    Shadood voegt aan deze ziektegeschiedenis nog iets toe, namelijk dat wat in het voorwoord van haar echtgenoot Rik Bulten ‘weinig feestelijke herinneringen’ worden genoemd. Dat is een eufemisme voor de ellendige ervaringen die Waheeda als kind en jong meisje overkwamen. Zo werd ze op vijfjarige leeftijd samen met haar zusje en broertje door haar moeder achtergelaten in Guyana. Hun moeder keerde terug naar haar eigen ouders in Suriname. Haar vader huwt achtereenvolgens verschillende vrouwen die Waheeda’s stiefmoeders worden. Ze verdwijnen altijd weer snel. Huilen doet Waheeda dan niet, later wel. Op haar zeventiende vertrekt ze naar Nederland.
    Op het eind van het boek vindt verzoening met haar moeder plaats. Eerst via belcontact en later tijdens een bezoek van haar moeder aan het ziekenhuis waar haar dochter ligt. Met ‘rechts een infuus met het levensverlengende én dodelijke elixer dat rechtstreeks mijn aderen in wordt gepompt, en (…) links de vrouw die mij het leven schonk’.

    Meerdere lagen

    Je kunt in het boek meer van dergelijke tegenover elkaar staande elementen ontwaren die de auteur hand-in-hand laat gaan. Of misschien moeten we zeggen: ontwarren, want het boek is, hoe indrukwekkend ook, helaas niet altijd even helder qua structuur en woordgebruik.
    De eerste twee elementen zijn uiteraard leven en dood. Shadood geniet ondanks alles, en ondanks moeilijke momenten van twijfel en pijn, van het leven, van haar man en zoon Jaden, die ze omschrijft als ‘inspirator, voorbeeld en spiegel’ en laat zich door het aanschijn van de dood niet uit het lood slaan.
    De volgende twee elementen zijn de twee culturen, in elk waarvan ze met een been staat: die van Guyana en die van Nederland. Daarmee verbonden zijn respectievelijk de alternatieve Chinese geneeskunde waarvan ze door een orthomoleculaire arts op het spoor is gezet en de klassieke geneeskunde in het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam. En tenslotte, als derde, haar traumatische jeugd en de ziektegeschiedenis die haar daar soms naar terugvoert. Bijvoorbeeld tijdens een inwendig onderzoek.

    Net als deze lagen van Waheeda’s verhaal is het boek deels tweetalig: voor het overgrote deel Nederlands en waar haar niet-Nederlandse familie aan het woord is, of wanneer zij met ze spreekt, Engelstalig. Helemaal duidelijk wordt de bedoeling van deze tweetaligheid niet.

    Protocollen en alternatieven

    Het boek kraakt ook een kritische noot richting de Nederlandse zorg, net als basisartsen in opleiding of pas afgestuurde artsen dat zelf soms ook doen. Shadood loopt aan tegen de vele protocollen. Al spreekt ze aan de andere kant ook veel waardering uit voor individuele artsen in onder meer het Antoni van Leeuwenhoek. Hoewel zij in coronatijd achter plexiglas zitten en Shadood rustig een laborante knuffelt. En er zijn ook nog de protocollen van de verzekeringsmaatschappijen over onder meer wat wel en niet wordt vergoed. Bijvoorbeeld over aanvullende alternatieve geneeswijzen, zoals een suikervrij en koolhydratenarm dieet. Niet iedereen is ervan overtuigd dat dit werkt, maar Shadood wel.

    Hoewel het haar soms aan helderheid ontbreekt, ze zichzelf een enkele keer wat lijkt tegen te spreken – bijvoorbeeld over hoe sterk of kwetsbaar ze nu eigenlijk vroeger was en nu is – en de bedoeling van de tweetaligheid niet duidelijk wordt, is Leven in termijnen zonder meer een indrukwekkend boek. Hoe het na het afronden hiervan nu met de auteur is gesteld, houdt ze bij op haar blog waheeda.nl.

     

     

  • Oogst week 47 – 2023

    Mannen in de zon

    De Palestijn Ghassan Kanafani is schrijver en politiek activist. Hij werd geboren in 1936 in Akko, in het noorden van Israël, en kwam in 1973 in Beiroet om door een autobom. In de drie jaar voor zijn dood – hij had toen al meer romans en verhalen gepubliceerd – was hij woordvoerder van het Volksfront voor de bevrijding van Palestina. Zijn debuutroman verscheen tien jaar vóór zijn dood: Mannen in de zon. De roman, nu vertaald in het Nederlands, is het gruwelijke vluchtverhaal van drie Palestijnse mannen uit drie generaties, die in de jaren 50 van de vorige eeuw vanuit Basra in Irak illegaal naar Koeweit willen om daar werk te vinden. Dat vluchtmotief blijkt ook andere achtergronden te hebben die geleidelijk in de roman duidelijk worden. De drie mannen, Abu Qais, de oudste van de drie, Assad, de middelste en de tiener Marwan hebben elk hun eigen redenen die overigens in alle drie gevallen ook te maken hebben met de gezinssituaties waaruit ze komen en de verantwoordelijkheid die ze daarvoor voelen. Daarnaast staan ze symbool voor verschillende politieke houdingen onder de Palestijnen, van behoudend tot activistisch. Hun reis wordt verzorgd door een smokkelaar, deels in een watertank (afgebeeld op de omslag van de roman), en kent een gruwelijk einde.

    Mannen in de zon
    Auteur: Ghassan Kanafani
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Winterverhalen

    Ingvild H. Rishøi (Oslo, 1978) begon als journaliste, maar ging vanaf 2007 als schrijver publiceren, eerst twee kinderboeken en daarna korte verhalen en novellen. Drie van die novellen zijn gebundeld in Winterverhalen.  In het Nederlands verscheen vorig jaar haar Stargate, een sprookjesachtige Kerstvertelling over twee meisjes die graag een kerstboom willen hebben, maar te maken hebben met een dronken vader (zie de recensie ).
    Winterverhalen dateert al uit 2014 en is nu eveneens in het Nederlands te lezen. De drie verhalen gaan over mensen die steeds weer de rug rechten als het leven tegenzit. Het langste gaat over Rebekka, een 17-jarig meisje dat na de vondst van een onheilspellende brief die gericht lijkt te zijn aan haar instabiele moeder samen met haar broers en zussen het gezin wil redden. De interactie tussen de kinderen speelt zich af tijdens een wandeling door de winterse kou naar een schuilplaats. Via flashbacks krijgt de lezer een beeld van hoe het in het gezin zo mis kon gaan.

    Winterverhalen
    Auteur: Ingvild H. Rishøi
    Uitgeverij: Koppernik

    Vanessa en Virginia

    Vanessa Bell en Virginia Woolf waren twee zussen uit een typisch Victoriaans gezin van ouders Leslie Stephen en Julia Sackson. Na de dood van hun ouders verhuisden ze beiden naar Bloomsbury waar ze deel werden van de groep intellectuelen, schrijvers en kunstenaars die bekend is geworden als de Bloomsburygroep. Ze trouwden in die tijd met respectievelijk Clive Bell en Leonard Woolf. Schilderes Vanessa en schrijfster Virginia namen een levensstijl aan die nogal verschilde van wat hen thuis was opgedrongen, niet in de laatste plaats met betrekking tot seksuele vrijheid. Hoe ze in die wereld terecht kwamen en vooral hoe hun onderlinge rivaliteit zich ontwikkelde wordt door Susan Sellers (een van de bezorgers van de uitgaven van Virginia’s boeken door Oxford University Press) verhaald in de nu verschenen roman Vanessa en Virginia. Het boek heeft de vorm van dagboekaantekeningen van Vanessa, die drie jaar ouder was dan Virginia. Ze beginnen met herinneringen aan hun kindertijd in het gezin Stephen (waarin de twee zusjes seksueel werden misbruikt door hun stiefbroers) en gaan over in hun ontwikkeling na de dood van de ouders en hun komst naar Bloomsbury. De jaloezie tussen de twee zussen richt zich wat Vanessa betreft op het succes dat haar zus had met boeken als Naar de vuurtoren en Mrs Dalloway. Omgekeerd is Virginia jaloers op Vanessa’s gezinsleven. Uiteraard worden ook de depressies waar ze beiden last van hadden beschreven.

    Vanessa en Virginia
    Auteur: Susan Sellers
    Uitgeverij: Orlando
  • Oogst week 43 – 2023

    Ruitjesblues

    Wiskundige en kleinkunstenaar Jan Beuving is schatplichtig aan Drs. P, George Groot, Jurrian van Dongen, Maarten van Roozendaal en Kees Torn ‘maar er was nooit iets van hem geworden’, schrijft Ivo de Wijs in het voorwoord bij Beuvings bundeling teksten Ruitjesblues, ‘als hij niet zo’n uniek talent had gehad en zulke interessante voorkeuren’. Het is niet veel tekstschrijvers gegeven dat ze al na negen jaar een boekuitgave krijgen waarin (bijna) alle teksten worden opgenomen.

    Liedteksten wel te verstaan, geschreven voor de eigen zes cabaretprogramma’s sinds 2014, maar ook voor anderen. Beuving heeft elke liedtekst voorzien van een meestal anekdotische nabeschouwing over de aanleiding voor het lied, de ontvangst ervan door het publiek en zijn eigen kritische noten achteraf. Uiteraard zijn ook de twee Annie M.G. Schmidt-beprijsde en de daarvoor genomineerde in de bundel terug te vinden. De titel Ruitjesblues is een knipoog naar de ruitjesbloes die hij in zijn wiskundig geïnspireerde programma’s droeg, maar ook de titel van één van de liedjes daaruit.

    Ruitjesblues
    Auteur: Jan Beuving
    Uitgeverij: Nijgh & van Ditmar

    Nachtgevechten

    De eerste twee in het Nederlands vertaalde romans van de Canadese Miriam Toews gaan over vrouwen die zich met moeite losmaken uit de situatie waarin ze leven. In 2020 was er  Wat ze zeiden (ook verfilmd) over een groep misbruikte vrouwen in een mennonitische gemeenschap in Bolivia en in 2022 is de hoofdpersoon in Niemand zoals ik een suïcidale concertpianiste die deze gemeenschap heeft verlaten. De auteur is zelf in 1964 geboren in een mennonitische gemeente in Manitoba (Canada). Nu is er van haar Nachtgevechten.

    De verteller is een kind van negen jaar, Swiv, dat van school is gestuurd. De belangrijkste persoon in haar leven is haar oma Elvira. De vader is afwezig; Swiv onderhoudt in de roman via brieven contact. De voortdurend tierende moeder laat tijdens haar zwangerschap de opvoeding over aan Elvira. Zij is het ook die Swiv had aangeraden haar pestkoppen op school in elkaar te slaan. Oma is een zonderlinge vrouw: ‘Vandaag begint onze neorealistische periode, zei oma vanochtend. Ze smakte gebakken aardappels op tafel en een fles ketchup. Wat een pret! zei ze (…) Onze gezinstherapeut heeft gezegd dat we brieven moeten schrijven, maar mama zegt dat we geen geld meer hebben voor therapie als we toch alleen maar brieven moeten schrijven aan mensen die weg zijn. Oma zegt dat ze denkt dat het nuttig is. Ze zegt dat we net kunnen doen alsof we journalisten zijn, met ons eigen persbureau. Ze zegt dat brieven beginnen als brieven maar iets anders worden. Maar mama vertrouwt ze niet, net als foto’s. Ik wil niet gevangen worden in een moment!

    Toews vertelt tragikomisch. Over de moeder, die in verwachting is van Gord lezen we: ‘Ze liegt. Ze haat woorden als slim en creatief en seksualiteit en ze haat acroniemen. Ze haat bijna alles. Het is oma een raadsel hoe het mama is gelukt om zo lang te stoppen met schelden dat ze in verwachting kon raken van Gord’.

    Nachtgevechten
    Auteur: Miriam Toews
    Uitgeverij: Cossee

    Een zucht van Aleppo

    Willem Bruls (1963) is dramaturg en schrijver met een liefde voor muziek uit het Syrische Aleppo. Hij maakte er in 2002 een radioserie over voor de VPRO. In 2021 ging hij in de inmiddels door de oorlog verwoeste stad de musici die hij destijds sprak weer opzoeken. De neerslag van dit bezoek is te lezen in zijn boek Een zucht van Aleppo. Bruls legt er in uit hoe joodse, christelijke en islamitische invloeden zijn terug te vinden in de muziek van de stad. De plaatselijke ondernemer Antoine Makdis laat hem zien hoe de Aleppijnse muziek de oorlog heeft overleefd ondanks de vele verloren levens.

    Vóór die nieuwe reis naar Aleppo interviewde hij al veel musici die sinds het uitbreken van de oorlog naar (merendeels) Europa zijn gevlucht en daar de muziek lin ere houden. Op 26 september j.l. verklaarde hij in het programma Kunststof zijn liefde voor de stad: ‘Aleppo is door de fysieke schoonheid maar vooral door de culturele mengeling van niet alleen een islamitische stad of een Arabische stad, maar ook alle andere lagen, joods, christelijk – alles wat je kunt bedenken is daar samen. Dat maakt de stad extra mooi’. Over de rol die muziek daarin vervult gaat zijn boek.

    Een zucht van Aleppo
    Auteur: Willem Bruls
    Uitgeverij: Jurgen Maas
  • Van gevangenschap naar fastfoodrestaurant

    Van gevangenschap naar fastfoodrestaurant

    In een reeks van zes maandelijkse columns schrijft Irwan Droog als redacteur, persklaarmaker en corrector over binnenkort te verschijnen boeken waaraan hij meewerkte en die hij graag onder de aandacht van de lezer wil brengen. Disclaimer: de selectie van die boeken is geheel op persoonlijke titel. Als onafhankelijke, externe partij heeft hij geen enkel belang of profijt bij de verkoop van deze boeken. 


     

    De roman, van Abdelrahman Munif, heet Ten oosten van de Middellandse Zee, een plaatsaanduiding die slaat op het niet-nader genoemde land waar het verhaal zich afspeelt. Hoofdpersoon: Radjab Isma’iel, een politieke gevangene die jarenlange martelingen heeft moeten ondergaan. Wat hem op de been hield was de standvastigheid van zijn moeder, die hem nu en dan mocht bezoeken en hem altijd inspireerde vol te houden: niet zwichten, vooral niet je handtekening onder een of andere bekentenis plaatsen, want dan verlies je pas écht. Wanneer zij komt te overlijden, breekt hij dan toch: hij tekent het vel papier, mag de gevangenis verlaten, mag zelfs medische hulp zoeken in het buitenland, maar hij wordt wel geacht verslag te doen over de activiteiten van zijn vrienden. 

    De beklemming en gruwelen uit de gevangenisscènes doen denken aan het eerder bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen De schelp, van Mustafa Khalifa, en zouden niet misstaan in het imposante verzamelwerk De Syrische Goelag van Ugur Ümit Üngör en Jaber Baker (Boom uitgevers). Maar bovenal aangrijpend in Ten oosten van de Middellandse Zee is de invoelbare worsteling van Radjab. Natuurlijk kan hij het niet over zijn hart verkrijgen zijn vrienden te verraden; hij heeft zijn vrijheid terug, maar liever terug de cel in dan iemand in zijn omgeving te verlinken. Tegelijkertijd hééft hij al verraad gepleegd: door die bekentenis te tekenen. Dat zal niemand hem in dank afnemen, zeker zijn voormalige celgenoten niet, voor wie hij de laatste uren in de cel angstvallig verborgen hield dat hij elk moment vrijgelaten zou worden, bang dat ze hem niet levend zouden laten gaan. 

    Daarbovenop draagt hij de fysieke sporen van jarenlange opsluiting en is het maar de vraag hoelang hij gezond en wel in leven zal blijven. Er zit maar één ding op: opschrijven wat hij weet, wat hij heeft ervaren, wat hij de wereld wil vertellen over zijn land van afkomst. Abdelrahman Munif heeft een prachtige balans gevonden tussen roman en noodkreet.

    Het is wonderlijk werk, persklaarmaken en corrigeren. Op de dag dat je het ene manuscript inlevert en aan het volgende begint, schakelt je hele binnenwereld mee om naar het volgende boek. Dat contrast kan soms bijna niet groter: van bovengenoemde gevangenissen en martelingen naar kinderboeken vol wetenswaardigheden over haaien, het paargedrag van allerlei soorten dieren of naar koning Arthur. Of van leerzame, eerder amper ontsloten historische verhalen – zoals over de zoektocht naar Kaási, die het verzet van de marrons in Suriname tegen de plantagehouders leidde in de zeventiende eeuw – naar een roman die zich geheel en al afspeelt in een Frans fastfoodrestaurant. Het vergt een beetje een flexibele geest, maar daartegenover staat dat ik vrijwel wekelijks wordt verrast door de mooiste verhalen. 

    Die roman over dat fastfoodrestaurant is geen omvangrijk boek. Het is ook geen groots verhaal: de plaats van handeling is, vrij consequent, het restaurant. Soms kijken we mee in de keuken, soms achter de kassa, soms in ‘de zaal’, waar de klanten hun burgers zitten te eten. Via de hoofdpersoon, een jonge vrouw die er werkt, krijgen we desalniettemin een veel bredere kijk op niet alleen haar leven, maar op dat van haar familie, en hoe die is ingebed in sociale en andere structuren. Werken voor de kost, de debuutroman van Claire Baglin, weet zo van de meest zielloze plek – waren fastfoodrestaurants niet zo ontworpen dat mensen er zo kort mogelijk bleven zitten? – een microkosmosje te maken, waarin we lezen over haar plek in haar gezin en in de maatschappij. Het is een puntgave, speelse, nuchtere roman – en een fijne aansporing om gezonder te gaan eten.

     

     


    Irwan Droog (Den Haag, 1984) is auteur, redacteur en vertaler. In 2022 verscheen zijn debuut Het huis aan het einde bij Thomas Rap. 

     

     

     

  • Dichter bij de dichter

    Dichter bij de dichter

    De tweede bundel van Lamia Makaddam heet Vrijetijdsgedichten omdat de gedichten erin geschreven zijn in haar vrije momenten, ‘[…] de schaarse minuten en uren die ik op het toilet en in bad doorbreng, of als ik eet, loop en slaap.’ De bundel is opgedragen aan haar zonen, die zeiden dat ze haar nooit zagen schrijven en zich afvroegen wanneer ze dat dan wel had gedaan. Het combineren van huishouden, moederschap en schrijverschap is een opgave, zoals Annie M.G. Schmidt al aangaf in haar ironische gedicht Moeder dicht. Veel vrouwelijke auteurs schreven alleen als ze de kans kregen, tussen de soep en de aardappelen door. Geen wonder dat Agatha Christie zei dat ze om te schrijven alleen een tafel nodig had, en het maakte niet uit waar die stond.

    Lamia Makaddam schrijft haar versregels tussen het schoonmaken van de koelkast en het boodschappen doen door. (‘Uiteindelijk is het schoonmaken gestopt uit woede en het schrijven doorgegaan uit liefde.’) Daarom misschien zijn haar zinnen zo onopgesmukt geschreven in korte en langere prozagedichten als bladzijden in een dagboek, tekstblokken waarin haar observaties verbonden worden met haar gedachten. Die gedachten dwalen noodgedwongen vaak af van dichten, omdat de alledaagse werkelijkheid zich weer opdringt, waarmee de dichter zich moet zien te verzoenen: de tuin moet verzorgd, er moet gewerkt worden als tolk voor politie en vreemdelingendienst.

    Chaos van het dagelijks leven

    De gedichten zijn fragmentarisch en bieden een inkijkje in de chaos van het dagelijkse leven, dat immers ook niet rechtlijnig en ononderbroken verloopt. Zo waaieren de onderwerpen van de gedichten eveneens alle kanten uit: herinneringen aan het verleden, bespiegelingen over taal, over zintuigen, waarbij vooral de ogen een grote rol spelen:

    ‘Ik wilde de bode van de rechtbank naar haar ogen vragen terwijl ze mijn
    naam opschreef. Ik wilde haar vragen of ze net als ik leed aan glaucoom.
    Blauw water. Of wit. Water krijgt pas kleur, smaak en geur als het zich
    in je ogen nestelt. Ik zie met de ogen van een ziende, en ik denk met
    de mentaliteit van een blinde en met zijn verlangen om de mensheid te
    ontlopen.
    […]
    De bode zit achter een van de hoge bureaus in de rechtbank van Den
    Haag. Ze schrijft mijn naam op en zegt dat ik hem niet hoef te spellen.
    Wij zijn de club van de uitgedoofde ogen, wij onthouden namen.’

    Menselijk leed

    Er is in de gedichten vaak sprake van kijken, blind zijn, ogen verliezen en ogen sluiten. Dat is niet verwonderlijk bij een dichter die misschien in haar persoonlijk leven, maar zeker door haar werk als tolk zo veel gezien heeft op het gebied van menselijk leed. Soms is het motief ‘zicht’ metaforisch bedoeld als een beeld van iets dat niet gezien werd of niet gezien mocht worden, maar Makaddam brengt dat beeld heel direct terug tot de naakte werkelijkheid door het voor te stellen alsof de gebeurtenis letterlijk heeft plaatsgevonden: dat je een oog kwijtraakt en het moet zoeken in de menigte van mensen. Ze verstaat de kunst om heen en weer te schakelen tussen verbeelding en waarneming. Het onderscheid daartussen is heel klein in deze gedichten. Wat de ogen hebben waargenomen, wordt door de dichter omgezet in taal. Taal, woorden en boeken zijn middelen die haar troosten en verzoenen met de alledaagsheid en de eenzaamheid.

    ‘[…]
    Dit boek is geschreven in afwachting van de terugkeer van onze
    dierbaren. Het kan niet anders dan dat hiervóór veel boeken zijn
    geschreven met dezelfde reden. Loopt wachten uiteindelijk altijd uit
    op een boek? Verhoogt dat het belang van boeken, of vermindert het
    de waarde juist? Worden boeken geschreven om de tijd te doden, zoals
    iemand die besluit een kleed te weven in afwachting van de terugkeer
    van haar man uit de diaspora, of iemand die tarwe zaait in afwachting
    van de terugkeer van zijn zoon uit de oorlog?
    Schrijven zal nooit tot het niveau van het leven stijgen en de tijd die het
    kost om een zin te schrijven duurt jaren langer dan de zin zelf.
    Als we de tijd van de woorden, de letters en de punten in dit boek
    zouden verzamelen, dan zouden we zien dat dit een vreemd boek is,
    ontstaan in twee maanden, terwijl het schrijven ervan duizenden jaren
    heeft geduurd.’

    Hoewel Makaddam, geboren in Tunesië, de Nederlandse taal zo goed beheerst dat ze zowel Jij zegt het van Connie Palmen als Malva van Hagar Peeters in het Arabisch vertaald heeft, schrijft ze haar gedichten in het Arabisch, haar moedertaal; voor het schrijven van hoogstpersoonlijke gedichten is dit een voor de hand liggende keuze. Haar eerste bundel Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf, werd vertaald door Abdelkader Benali. De bundel Vrijetijdsgedichten, is vertaald door Djûke Poppinga. Beide vertalers zijn er wonderwel in geslaagd om de overgang van gedachten en herinneringen zo soepel te laten overgaan in de realiteit van iedere dag, zoals de dichter zelf ook doet.

    Weerspiegeling van een gedachtestroom

    De gedichten hebben geen titel, zijn niet onderverdeeld in afdelingen. Ze wekken de indruk dat ze inderdaad zó in één keer opgeschreven zijn, als weerspiegeling van een gedachtestroom, zonder doorhalingen of verbeteringen. Het zijn boeiende gedichten, omdat ze zo direct aanspreken en een andere, nieuwe kijk bieden op alledaagse dingen. De verrassende beelden die Makaddam gebruikt, laten een indruk achter die niet gemakkelijk vergeten wordt. Ze verdiepen wat op het eerste gezicht oppervlakkig lijkt en verbinden de dichter met de lezer: wat strikt persoonlijk leek, wordt toegankelijk gemaakt. Het zijn ontroerende gedichten, waarin grote woorden niet nodig zijn om over te brengen wat de gedachten en de gevoelens zijn die erachter schuilgaan. Makaddam weet de meest ingewikkelde zaken in een paar zinnen terug te brengen tot de kern, tot dat waar het voor haar allemaal om draait: ogen en kijken, taal en gedichten, dood en leven.

    ‘”[…] Waarom verwart u de boeken met elkaar, de werkelijkheid
    met poëzie?”
    “Omdat ik mijn hand heb uitgestoken naar de leegte en de leegte haar
    heeft vastgepakt.Ik heb mijn voet neergezet op het begin van de weg
    en die heeft me in zijn armen gesloten. ik heb op de schappen naar een
    boek gezocht en heb er duizenden gevonden.
    Ik zal niet blind worden, hoe blind ik ook zal worden.’”

     

     

  • Oogst week 2 – 2023

    Schoonheid op aarde

    Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947) was een eigenzinnige schrijver. Hij was een Zwitser die in het Frans schreef, maar in Franse literaire kringen op weerstand stuitte omdat zijn gebruik van de taal dichter bij het boerenmilieu lag dan bij het geciviliseerde Frans. Hoewel hij legio werken op zijn naam heeft staan werden er maar twee ooit in het Nederlands vertaald, waaronder De grote angst in de bergen uit 1926 dat in 2018, vertaald door Rokus Hofstede, bij Van Oorschot uitkwam. Dezelfde uitgever en vertaler komen nu met Schoonheid op aarde uit 1927. In deze roman belandt een Cubaanse schone in een klein Zwitsers wijndorp. Het is Juliette, een negentienjarig weesmeisje dat wordt opgenomen in het gezin van een cafébaas die haar oom is. Nadat ze voor de nodige spanningen in de hoofden van de dorpelingen heeft gezorgd, vertrekt ze na een half jaar met een Italiaanse muzikant. De waardering die de roman oogstte betrof niet alleen zijn etalering van menselijke dilemma’s, maar vooral de moderne vertelstijl met alsmaar verschuivende perspectieven.

    Schoonheid op aarde
    Auteur: Charles Ferdinand Ramuz
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Bier in de snookerclub

    De Egyptische schrijver Waguih Ghali (1927?-1969) is, hoewel hij meer schreef, bekend door één enigszins autobiografische roman, Bier in de snookerclub. De vertaling die nu is uitgebracht door Jurgen Maas is een herziene editie van die uit 1990. De roman speelt in de postkoloniale tijd, direct nadat de Engelsen zijn verdwenen en koning Faroek is afgezet. Aan de macht is president Nasser die weinig heeft gerealiseerd van de beloften waarmee hij het politieke toneel betrad. Hoofdpersonen zijn de studenten Ram en Font, die al snookerend en drinkend de hypocrisie in hun land analyseren. Met de cocktails die ze zelf brouwen proberen ze hun verlangen naar het bier Bass uit de Engelse tijd te bevredigen. Beiden hebben ze gestudeerd en allebei zijn ze in Engeland geweest. In de snookerbar gaan hun gesprekken over wat Egypte is kwijtgeraakt en of het land daar beter van is geworden.

    Bier in de snookerclub
    Auteur: Waguih Ghali
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Heerlijk Monster

    De Vlaamse Fleur Pierets is onder andere performancekunstenaar en LGBTQ+ activist. Haar artistieke partner en vrouw, de Nederlandse Julian P. Boom, stierf op 22 januari 2018. Ze waren toen vier keer met elkaar getrouwd. Die huwelijken waren een project dat 22 landen omvatte waar het homohuwelijk is toegestaan. Over het rouwproces om de dood van haar vrouw schreef Pierets in 2019 Julian. Nu is er het nieuwste boek van Pierets, Heerlijk monster. Het is een persoonlijk boek, maar geen autobiografie, ook al is de hoofdpersoon een schrijfster die kort geleden haar vrouw heeft verloren. Een genre-aanduiding ontbreekt op het omslag. Pierets maakt in het boek online de reis die het personages Therese en Carol maken in het verfilmde Carol van Patricia Highsmith. De twee wilden zo ontdekken wat het betekende om een lesbische relatie te hebben in een wereld die daar soms vijandig tegenover staat. Op die manier gaat ze op zoek naar hoe je identiteit vorm krijgt als je deel bent van een minderheid.

    Heerlijk Monster
    Auteur: Fleur Pierets
    Uitgeverij: Das Mag
  • Oogst week 41 – 2022

    Wat zou Simone de Beauvoir doen? – Gids voor een authentiek leven

    Skye Cleary, filosoof, schrijver en spreker, heeft haar leven gewijd aan het populariseren van het werk van Simone de Beauvoir, een van de belangrijkste filosofen uit de twintigste eeuw en nog steeds populair. Uitgeverij Ten Have heeft nu Cleary’s eerste in het Nederlands vertaalde boek uitgegeven: Wat zou Simone de Beauvoir doen? – Gids voor een authentiek leven.

    Cleary roept op om in de geest van De Beauvoir authentiek te leven en schrijft: ‘De Franse existentiefilosoof Simone de Beauvoir zag authenticiteit als een fundamenteel aspect van de zin van het leven. Maar ze bedoelde er iets heel anders mee dan de bekende parade van gemeenplaatsen over trouw zijn aan een zuivere vorm van jezelf. (…) Voor De Beauvoir gaat “existentie vooraf aan essentie”, wat betekent dat ons bestaan (onze existentie) er eerst is en dat we de rest van ons leven bezig zijn met het vormgeven van wie we zijn (onze essentie). (…) In haar hele oeuvre (…) schetst ze de mogelijkheid van een authentiek leven waarin herkend wordt dat we altijd in relatie staan tot anderen.’

    De Beauvoir had ook moeite met het vinden van zichzelf en haar weg, net als veel mensen heden ten dage. Cleary maakt authenticiteit inzichtelijk met thema’s als romantiek, liefde en vriendschap, huwelijk en kinderen en de dood, en laat zien dat de lessen van De Beauvoir nog steeds geldig zijn.

    Wat zou Simone de Beauvoir doen? - Gids voor een authentiek leven
    Auteur: Skye C. Cleary
    Uitgeverij: Ten Have

    Flessenhart

    Flessenhart wordt door schrijver Robert Schuit van het boek als korteverhalenroman (kvr.) betiteld. Hij noemt het een nieuw literair genre dat hij uitvond toen hij onder de naam Joubert Pignon drie eerdere boeken schreef.

    In Flessenhart heet zijn grote liefde rosé, zonder hoofdletter, en zij wordt vergezeld door defaitisme en sigaret. De schrijver wil graag een beter mens worden en boven zijn verlangens en angsten uit komen. Uiteindelijk lijkt dat te lukken – hij beleeft een verrassend happy end – maar voor het zover is gaat Schuit gebukt onder verlangen naar liefde en vrouwen en verdriet om verloren liefdes. Bovendien beheerst de angst dat zijn zieke vader zal overlijden hem.

    Hij verlaat zijn lege huis, zwerft langs kringloopwinkels, door lege stations en door Brussel. Voor hij zijn nieuwe leven vindt, wordt hij zowel geholpen als tegengewerkt door oude vrienden, vrouwen, een dominee en zijn vader. Schuit beschrijft het allemaal absurdistisch en realistisch tegelijk.
    Robert Schuit is behalve schrijver ook tekenaar van cartoons.

    Flessenhart
    Auteur: Robert Schuit
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De omwenteling – of de eeuw van de vrouw

    Suzanna Jansen werd vooral bekend met haar bestseller Het pauperparadijs, handelend over haar familiegeschiedenis in Veenhuizen, waar eind negentiende eeuw een kolonie voor de opvang en heropvoeding van wezen, armen en landlopers gevestigd was en die later een penitentiaire inrichting werd. In De omwentelingof de eeuw van de vrouw vertelt Jansen verder over Betsy, haar moeder, geboren in 1922, het jaar waarin vrouwen bij wet nog steeds als handelingsonbekwaam werden beschouwd.

    Jansen vertelt via het perspectief van haar moeder, haar oudere zus en van zichzelf over de maatschappelijke ontwikkeling en de vrouwenemancipatie. Ook in de voorbije eeuw werden vrouwen nog geacht ondergeschikt en dienstbaar te zijn en genoegen te nemen met minder loon dan mannen ontvingen, al of niet voor hetzelfde werk. Blijven werken na het huwelijk werd voor vrouwen veelal onmogelijk en als ongewenst beschouwd.

    Het kostte vrouwen veel strijd en tijd zich daaraan te ontworstelen. Toch was ‘de omwenteling’ niet te stuiten. Honderd jaar na Betsy’s geboortejaar hebben vrouwen meer rechten en is hun wereld niet meer beperkt tot keuken en huiskamer. Jansen toont aan dat de omwenteling traag tot stand is gekomen en dat de huidige genderverhoudingen in de emancipatie hun wortels hebben.

     

    De omwenteling - of de eeuw van de vrouw
    Auteur: Suzanna Jansen
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Marquis d’Assad

    Marquis d’Assad

    Een gevangenisbewaker vertrapt een veldmuis tot roze drab, waarna een willekeurige gedetineerde het kadaver moet doorslikken. Weigert deze, dan krijgt hij elektroshocks en duizend zweepslagen. Zo wordt het verzet van een onschuldig mens gebroken. Mustafa Khalifa, schrijver van de autobiografische roman De schelp, brengt de lezer aan het kokhalzen met de waarheid. De wreedheid van het Syrische gevangenispersoneel is zo grenzeloos, dat taal eigenlijk tekortschiet om haar te benaderen. Uit de ondertitel – Memoires van een gevangene – blijkt dat Khalifa niettemin de ware aard van de Syrische dictatuur probeert te tonen. Van 1982 tot 1994 heeft hij zonder eerlijk proces vastgezeten in o.a. het beruchtste huis van bewaring: de Woestijngevangenis.

    De verteller, net als Khalifa filmmaker, gebruikt zijn beroep om de gruwelen te doorstaan: ‘Mijn professionele en artistieke intuïtie had zich verstopt in een verre hoek en keek toe, zonder zich ergens mee te bemoeien. Die (…) bleef altijd alert en neutraal, observerend en registrerend, hoe groot mijn psychische en lichamelijke nood ook was.’

    Dit even geweldige als onverteerbare debuut is de vrucht van diezelfde artistieke intuïtie. Fijnzinnig en accuraat beschrijft Khalifa wat de inperking van meningsvrijheid wérkelijk betekent. Het personage Nasiem, de vertellers boezemvriend in de gevangenis, verleent De schelp zelfs kenmerken van een 21ste-eeuws passieverhaal. Het is een eerbetoon aan wie geleden hébben en nog altijd lijden. Niet onder Pontius Pilatus, maar onder Bashar al-Assad. Zo anoniem als de verteller blijft – nérgens valt expliciet zijn naam – zo kleurrijk karakteriseert hij zijn medegevangenen. Hun levens zijn niet weggevaagd, zoals de tiran wilde, maar vereeuwigd.

    Gekneveld, gegeseld en begraven

    Lang blijft onduidelijk waarom de verteller bij het vliegveld van Damascus wordt opgepakt. Hij is geen terrorist en geen Moslimbroeder (gezworen vijand van de president). De lange arm van Assad, die evenmin bij naam wordt genoemd, reikt echter tot in Parijs, woonplaats van de ik-figuur. Drie jaar voor zijn hechtenis maakt hij een grapje op een studentenfeest. Hij vergelijkt de president met een bok en een muilezel. Voor de informant is dit voldoende om de filmmaker aan te geven, zodat hij bij thuiskomst ingerekend wordt. Twaalf jaar later vraagt een politiecommissaris om opheldering over deze ‘misdaad’. De verteller, inmiddels door de wol geverfd, bewaart zijn kalmte en snoert de commissaris de mond:
    ‘”U weet dat er honderden van dat soort grappen bestaan.”
    – “Dat kan wel wezen, maar op dergelijke grapjes staat een straf van één tot drie jaar.”
    “… ik heb al twaalf jaar in de gevangenis gezeten.”‘

    Herman Finkers zei eens: ‘Als politici en geloof niet tegen een grapje kunnen, open je niet de poorten naar de hemel, maar de hel.’ De schelp bewijst zijn gelijk. Onschuldige burgers worden meedogenloos afgeranseld, vaak tot de dood erop volgt; ze moeten met open mond onder een rioolafvoer hangen en er meerdere forse slokken van nemen; de opperhuid wordt hun van de voeten af gegeseld, waarna ze over kokendheet asfalt moeten lopen; één Moslimbroeder verliest zijn drie zoons, ondanks talloze smeekbedes tot Allah. De hoofdpersoon, die vanuit een gat in de muur alle executies op Plein 1 begluurt, ziet zijn atheïsme bevestigd: ‘Waar is God dan? Plein 1 is wel het beste bewijs dat er geen wezen bestaat dat zich God kan noemen.’ Op wie zijn atheïsten dan aangewezen? Op zichzelf.

    De Mustafa-Passion van een afvallige

    Vanwege zijn atheïsme mijdt de rest van de barak de verteller als de pest. Iedereen beschouwt hem als onrein, omdat hij zich niet wil bekeren. Hij staat er alleen voor en kruipt steeds verder in zijn schulp. Deze schelp wordt daarmee zijn toevluchtsoord. Vanuit dit veilige huis ‘heb ik geprobeerd alles wat er voor mijn ogen in deze menselijke gemeenschap gebeurde te observeren.’ In zijn isolement ontwikkelt hij een diepe haat richting het regime en trawanten. Hij besluit hier echter niet naar te handelen: ‘Kus de hand die je niet kunt bijten, in de hoop dat die breekt.’ Hij keert zijn agressor de andere wang toe en neemt revanche door zijn confronterende getuigenis: het lijdensverhaal van het Syrische volk.

    Met de komst van Nasiem verdwijnt zijn eenzaamheid. Er ontstaat een hechte vriendschap tussen hem en deze eveneens in Frankrijk wonende kunstenaar. Ze praten zelfs Frans en raken elkaar liefdevol aan, wat de medegevangenen argwanend bekijken. Aanvankelijk lijkt Nasiem zich geen zorgen te maken over de afloop van hun gevangenschap, maar dan wordt de verteller onverwachts vrijgelaten uit de barak. Nasiems ogen spreken pure wanhoop, ziet de vertrekker: ‘‘‘Waarom heb je me in de steek gelaten?’’ (…) alsof ik de Messias op het moment van zijn sterven vol verwijt, protest, verwarring en vooral liefde hoorde roepen: ‘‘Eli, Eli, lama sabachtani?’’’

    Held of helder?

    De bevrijding voelt bitterzoet. Assads regime probeert de verteller een bekentenis te ontfutselen, voordat hij vrijkomt. Is hij nu wel of geen lid van een staatsvijandige organisatie? Hij moet voor de staat werken als informant in Parijs, om landgenoten te schaduwen; hij moet een danktelegram aan Assad schrijven vanwege diens ‘menslievende clementie’; hij wordt gedurende drie dagen voor een laatste keer ongans geslagen… maar de verteller weigert medewerking. Toch vindt hij zichzelf geen held: ‘Want mijn gedrag is geen eigen keuze geweest en een held kan geen held zijn als hij door anderen wordt gedwongen zich op een bepaalde manier te gedragen.’

    Valse bescheidenheid? In elk geval vereert hij zijn lotgenoten wél, hoe koppig de meesten hem ook negeren. Waar het schrikbewind alle gevangenen tot (mond)dode schimmen wilde maken, geeft De schelp hun een levensecht gelaat. Of het nu gaat om de lieve opzichter Hoessein, de seculiere, goedmoedige dokter Zahi of zielsverwant Nasiem, Syriërs krijgen een gezicht waarbij de boeventronie van hun dictator verbleekt. Deze bijfiguren schitteren in hun kracht en menselijkheid. Al zijn ze ook doodsbang voor wat er ná de vrijlating dreigt.

    P(TS)S

    Op bezoek bij zijn lievelingsnichtje Lina herkent de verteller zichzelf niet terug: ‘Waarom was ik bezig mezelf levend te begraven? Waarom dronk ik elke dag die enorme hoeveelheden arak en rookte ik al die sigaretten, alsof ik dood wilde? (…) Zal ik de gevangenis meenemen in mijn graf?’
    Khalifa verandert met deze getuigenis een ver-van-mijn-bed-show in een martelgang op minimale afstand. Soms is zulk zwaar geschut nodig om de verdorvenheid van een kwaadaardig bewind te onthullen. Het regime van de president heeft de tanden stukgebeten op het pantser van Mustafa Khalifa. Hij zet Assad in zijn hemd met het machtigste wapen van de weerloze mens: Show, don’t tell.