• Een circulaire tijdreis

    Een circulaire tijdreis

    In De weg naar huis beschrijft Juliën Holtrigter een onderweg zijn, en soms een thuiskomen. Recht is die weg allerminst. Eerder is het een circulaire tijdreis in drie delen, ‘Hoog water’, ‘Verstekelingen’ en ‘De weg naar huis’. Elk deel bevat veertien gedichten met een overzichtelijke structuur. Veel gedichten tellen ook nog eens veertien regels, als bij een sonnet, weliswaar zonder rijm en in vrije vorm. Maar met een sobere en aangename cadans waardoor de lezer – waarheen het ook gaat – met de dichter kan oplopen. Bij Holtrigter geen gesol en met visuele grapjes, wegspringende letters en talige acrobatiek waaraan geen touw is vast te knopen. Deze bundel bevindt zich in de veilige zone tussen klassiek en modern, het experimentele is tenslotte niet aan iedereen besteed. De grondtoon die door bijna alle gedichten loopt is een soort melancholieke somberte. Al is die melancholie eerder nostalgisch dan zwaarmoedig. Dat maakt een groot verschil. Voor wie op grijze winterdagen graag mijmerend uit het raam staart, is deze bundel een niet te versmaden literaire lekkernij. En zelden paste een coverafbeelding zo bij de inhoud als deze ‘Bomenrij’ van Jan Mankes.

    Duurzaam leed

    Meteen al in het eerste van de drie delen wordt het introspectieve karakter van deze bundel duidelijk. Niet gelijk somber, maar weemoedig is het wel. Omdat deze tijdreis moeiteloos toen en nu, daar en hier aan elkaar paart, kan het gebeuren dat in een enkele strofe wordt beschreven wat er zo mooi is aan de wereld, en tegelijk wat er allemaal zo foeilelijk aan is. En nee, geen eenmalige ergernissen. Klinkklare ellende is het die zich telkens opnieuw aandient of zelfs helemaal niet meer weggaat. Het arriveert dagelijks in megacontainers, als de onnutte meuk uit lagelonenlanden.

    ‘Uit sterven / Een gloednieuwe morgen

    Een gloednieuwe morgen breekt aan,
    de haven ontwaakt, de sluizen gaan open,
    schepen voeren het heil aan in megacontainers:
    de nieuwste gadgets en speeltjes – lees: afvalhopen.

    Het land van belofte loopt onder en droogt ernstig uit.
    Een overvloedig tekort stapelt zich op. We hebben
    de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is
    noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.

    Terwijl de wereld vergaat, traag weliswaar maar
    gestaag, zitten wij naar ons beeldscherm te staren.
    We hebben het niet geweten, zal men ooit zeggen.
    Als alle leven is uitgestorven, staan onze kunststof
    kozijnen nog lang overeind, onze keramische heupen
    overleven nog eeuwen.’

    Hoop en vrees

    Toch zijn er ook prachtige beelden en zinnen. ‘Eenzaamheid fietst als een zieke artiest door de stad, besmet ongewild wie hij ziet.’ Of deze, ‘De trein komt voor even tot stilstand. Stapvoets gaat het verder, alsof er een dode aan boord is gekomen.’ Er zijn mensen – van een tijdperk eerder nog – die blijven zoeken naar potten met troost en hoop. Er is de nachtzuster die liefdevol haar patiënten kust. ‘In mijn zaaltje van angst en beven zal ze gaan zingen / vanmorgen, maar ik hoor haar nog niet. // Ik, nota bene de bedenker van het omhelzende bed, / ben een van de velen. / Zij is doodmoe en ik kan geen kant op.’

    Het is nooit allemaal zwart-wit, er zijn veel nuances, veel grijstinten. Hoop en vrees houden het naast elkaar uit in een wankel evenwicht, als bij een koorddanser op het slappe koord. En dat is wat ook de lezer in balans houdt, verontrustend en geruststellend tegelijk. Voor elke hardheid is er iets zachts, tegenover elk nieuw staat iets ouds, iets vertrouwds. De tijdreis gaat razendsnel en traag tegelijk: ‘Hij heeft de tijd: van vuistbijl tot smartphone duurde / een nanoseconde vanuit de Orionnevel gerekend.’

    Bijbelse motieven

    Omdat alles altijd in beweging is, is er ook altijd licht aan het eind van de tunnel. Of komt men weer vrij uit de buik van een enorme vis. ‘Er doemt een gigantische monstervis op / met wijd open kaken en alles wordt zwart. / Ik kan niet meer denken en hoor slechts ruis / totdat ik als een kersenpit uit word gespuugd. / En dan mag ik naar huis. – U hoort nog van ons.’

    Behalve deze strofe, die erg doet denken aan Jona in de walvis, zijn er meer bijbelse beelden: verloren zoon, woestijn, engelen en profeten, en zelfs een voorzichtige verwijzing naar Lazarus en de rijke vrek.

    Meer inspiratie werd gevonden achter de Hema: / een aftandse kameel wierp veel stof op, gaapte geweldig, / knielde gedienstig en bood me een lift aan. // Het beest, vast ontsnapt uit een circus, / droeg me de stad uit en verder en verder, richting woestijn. // Om weer te aarden?

    Sowieso spelen er – ragfijn, maar toch – mooie ouderwetse motieven door deze bundel. De liefde van een puber voor een lerares, met alle aandoenlijke onhandigheid van dien. En inderdaad iets met geloof en kerk, hoewel allang niet meer dat zwaar-zwarte waar Wolkers en de zijnen eertijds tegenaan schopten. Nee, een mild geloof, knus en huiselijk. Even Nederlands als vissersboten, tegenwind en fietsen over de dijken. Nostalgisch bijna, van toen geluk heel gewoon was. Hoewel, zo gewoon was dat geluk niet. In ieder geval niet probleemloos of volkomen, want tegenover thuis staat ontheemd zijn; bij op weg gaan hoort onvermijdelijk verdwalen, de weg kwijt raken. Dieper ligt de vraag of de plek die lange tijd je thuis was, wel de beste plek is om naar terug te keren.

    Litanie van gesukkel

    De reizigers op deze circulaire tijdreis – Holtrigter noemt ze verstekelingen – ervaren de tijd op eigen wijze en hebben daar hun eigen gevoelens bij. Over het precieze hoe en wat van tijd en ruimte is weinig onderlinge overeenstemming. De dichter lijkt daar niet mee te zitten, die laat zich niet opjagen; die laat het allemaal naast elkaar bestaan.

    ‘Waar tijd niet bestaat maar wel lichtjaren ruimte, / zijn daar de zielen van oude kettinghorloges? / Is er een klok die lichtjaren telt?’

    Toch hebben die verstekelingen wel een paar dingen gemeen. Hoe kan het ook anders als het onderscheid tussen begin en einde, oorsprong en bestemming, verleden en toekomst zo vaag is dat daardoor zelfs de lijn tussen herinnering en droom niet meer helder is. Telkens is het maar de vraag of iets al heeft plaatsgevonden of dat het nog te gebeuren staat. Of dat, en daar schuurt zachtjes de weemoed, het gedane nog eens gebeuren mag, opnieuw, maar anders. En daar is de omgekeerde weg die blijkbaar veel dichters – of mensen met een dichtersgemoed – afleggen. Bij wie het leven niet licht en zorgeloos begint zoals bij de meeste kinderen, maar juist zwaar, en dat het gaandeweg lichter wordt. En niemand weet waarom.

    Of misschien ook wel. Iets met gewenning, niet door de zwaarte van het leven overvallen worden, maar altijd al geweten hebben dat die er was, dat het nu eenmaal een litanie van gesukkel zou worden. Alles wat daarna blijkt mee te vallen is winst.

    ‘Dit wandelend eiland

    Dit wandelend eiland is tijdloos want onbewoond.
    Roestige boten, daar vastgelopen, staren hol
    naar elkaar als ontluisterde goden.

    Rondom woelt de zee.
    Er drijven, als in de kosmos planeten.
    Ik duik en luister, hoor golfslag en ruis.

    Ik heb mijn ziel bloot gelegd, lispelt de zee,
    en nu jij.
    Er is een diepte in mij, zing ik, die ik niet ken
    maar vermoed, ik was er dichtbij.

    Een vis ben ik die in de loop van de eeuwen
    zijn afkomst voorgoed is vergeten.

    Dolend niet weten dat je verdwaald bent.
    Zoiets.’

     

     

  • Oogst week 7 – 2025

    Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Liefde voor het raadsel

    Liefde voor het raadsel

    De sprong van de vis is de zesde dichtbundel van Juliën Holtrigter (pseudoniem van de dichter en schilder Henk van Loenen). Holtrigter zou je een wat a-modieuze dichter kunnen noemen: eenvoudig, verstaanbaar, romantisch en klankrijk. Achter de eenvoudige regels gaan echter complexe en dramatische werelden schuil. De sprong van de vis bevat veertig relatief korte gedichten die gelijkelijk over vier afdelingen zijn verdeeld. Het openingsgedicht is meteen in alles typisch Holtrigter. Het kent een zorgvuldige opbouw.

    Eerst wordt een bijzondere sfeer geschetst: ‘Achter de duinen davert de snelweg, / de zee ademt rust. / Over het blauwe basalt kruipen nog / restjes spuug van de vloed.’ Holtrigter maakt de werkelijkheid niet mooier dan zij is: ‘Etalages, verlicht in de avond. / Schoenen, smartphones, bedden, juwelen.’ / Bij de poelier hangen gevilde hazen / schaamteloos voor het raam.’ De maan heeft  ‘aan haar vingers witgouden ringen, / in haar ogen witgouden leegte’. Waarna staat: ‘Haar sluiers moeten misschien wel / verhelen dat ze zich sneed.’ Het zijn vooraankonigingen van een drama, waarover we in de laatste regels lezen: ‘Er is iemand op weg, terug naar huis, / verslagen, ontwapend.’ Wat er is gebeurd wordt in het midden gelaten. 

    Aandachtig observeren

    Ook in de andere gedichten is Holtrigter een meester van de suggestie. Zijn manier van dichten doet denken aan de betere film, waarin een desolate omgeving en een plotselinge oogopslag boekdelen spreken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Bladzij’, waarin de ‘ik’ in de trein tegenover een lezend meisje plaatsneemt. We kijken met hem mee. Hij probeert te raden wat er in haar omgaat: ‘Ze leest over duistere zaken, dat moet wel,/ zo donker glijden haar ogen over de regels./ Nochtans, haar hand streelt de bladzij,/zo lijkt het.’ In een ander gedicht bespeurt de ‘ik’ in een serveerster ‘een nog vers verdriet’. De slotregels luiden: ‘Ik loop met haar mee en leg veel te zacht/een hand op haar schouder.’ De personages zijn kwetsbare personen met wie de dichter meevoelt, waarbij de toon registrerend blijft. 

    Het ‘kijken’ is een constante in deze bundel. Holtrigter is een dichter die over zijn directe, alledaagse omgeving schrijft. De werkelijkheid valt op, zodra er iets gebeurt: ‘Werkelijkheid is dat wat werkt./Er spoelt wat aan, er kalft wat af.’ Werkelijkheid is met andere woorden beweging. Zoals in het titelgedicht ‘De sprong van de vis’: ’In het tanende licht van oktober, niets/is blijvend, landt een wolk op het water./Een vis springt, valt terug in zijn lijfgoed,/ verzilvert de stilte.’ Het gaat om dit soort magische momenten waarin de tijd zich samenbalt: ‘Met mijn langzaamste pen schrijf ik: tijd/is een zeer kleine ruimte.’ Bij alle beweging hangt boven de gedichten een bijna serene stilte, die erdoor wordt benadrukt.

    Het perspectief ligt bij de ‘ik’, maar op een onnadrukkelijke manier. Door de vaak herkenbare situaties – een bezoek aan de kust, aan een café, reizen  – is het makkelijk je met de ‘ik’ te identificeren, waardoor het gedicht ook jouw ervaring wordt. De ‘ik’ cijfert zich soms letterlijk weg, beschouwt zich als een figurant: ‘Ik, figurant, staar in het donker.’ In het gedicht ‘Regels’ is de ‘ik’ net zo belangrijk als de zee: ‘Ik strijk neer op het strand en de zee/doet dat ook, komt dichterbij, strekt zich uit.’ In ‘Uitzicht’ draait Holtrigter het perspectief zelfs helemaal om: ‘Ik kijk opnieuw naar de verte, hoe verder hoe vager,/besef hoe onscherp het beeld is/waarin de verte mij waarneemt, hoe ik al turend/vervaag.’ 

    Sterke beelden

    ‘De sprong van de vis’ is een bundel met veel sfeer. Met een paar streken schetst Holtrigter sterke beelden, zoals in het mooie, melancholieke gedicht ‘Nachtboot’:

    ‘De nachtboot legt aan.
     Doodstille haven.
     Het water weerspiegelt het spooklicht van schepen.

     Stijf ligt de vangst op de kade,
     vissen in ijs, de huid nog glanzend van leven,
     de verbijsterde blik in de ogen, de bekken wijd open.

     Een krab beweegt nog een schaar.
     Zie toch dat wenken, dat hopeloze.
     De ochtend breekt aan.

     De krant meldt gemeier dichtbij en rampen ver weg.
     Roof en rot doen hun werk overal
     maar niet hier:

     de dauwdruppels op het boeketje zijn erg hardnekkig.
     En ook het hout in de haard brandt niet op.
     Onsterfelijk zijn de plastic kozijnen.’

    Ook hier, bij alle stilte, een verhalend gedicht dat gedragen wordt door het slot. De opbouw is niet origineel, maar de beelden en woordkeuze zijn dat wel. 

    In de tweede afdeling ‘Verre verwanten’ figureren ook familieleden, bij wie de ‘ik’ blijkbaar vervreemding voelt. Ook zij worden bekeken. Er klinkt ironie in de gedichten door. Over zijn vaders jaloezie op de acteur die door zijn vrouw in een toneelstuk wordt gekust. De vader speelt op zijn beurt weer graag de rol van een boer: ‘die rol lag hem goed, Goden wat was dat/ karakter devoot!’ In ‘Impasse’ is de verre verwant de dichter zelf: ‘In zijn bovenkamer zit een ventje dat schrijft/om iets te begrijpen,/een zenuwlijder/die woorden vuilmaakt aan wat schoonheid.’ Het dichten is een worsteling: ‘In zijn bovenkamer armzalig zijn voelen, zijn denken: een afgestompte/antenne, een bot ontleedmes./Iemand of iets dicteert hem zinnen waarvan hij/geen jota denkt te begrijpen.’

    Van bovenaf bezien

    Vriend Chaim duikt op, die we kennen uit Holtrigters eerdere bundels. Chaim is iemand met een grote fantasie, een buitenbeentje: ‘Hij steekt veel werk in onnutte zaken en vaart daar wel bij.’ Later blijkt hij in een kliniek te zitten. Chaim spreekt zeer tot de verbeelding van de ‘ik’: ‘Ik houd van zijn leugens, ze zijn ook fantastisch’. Maar ook vindt hij Chaim inhoudsloos: ‘hij praat/ honderduit, maar hij zegt bijna niets. Zijn verveelde verbeelding valt in herhaling.’ Het is vooral Chaims houding die de ‘ik’ fascineert: het onbekommerd om zich heen kijken en fabuleren. Chaim belichaamt de verbeeldingskracht en is voor de ‘ik’ een soort muze. 

    De ‘ik’ bekijkt de wereld graag van boven, bijvoorbeeld door op het dak te klimmen. Door letterlijk boven de werkelijkheid uit te stijgen, ontstaat weer een ander perspectief. Holtrigter schrijft poëzie waaruit een enorme nieuwsgierigheid spreekt. En een grote hang naar mystiek, zoals heel duidelijk wordt in het gedicht ‘Lichtschip’ uit de laatste afdeling ‘Dakruiters’: 

    ‘maar boven alles bemin ik de leegte, het zenit,
     boven alles bemin ik het lichtschip,
     bemin ik de leegte,
     bemin ik het licht.’

     

     

  • Oogst week 6

    Door Carolien Lohmeijer

    Eind vorige maand droeg Antjie Krog tijdens Gedichtendag zelf voor uit haar nieuwe bundel Medeweten. De Zuid-Afrikaanse wordt geroemd om haar poëzie, ‘een ‘oordonderende leeservaring, met sagte en kragtige gedigte’, maar ook om haar voordrachtskunsten. Bent u daarbij geweest en zou u daar op Literair Nederland verslag van willen doen? Kijk dan elders op deze site, en maak uw belangstelling kenbaar aan Ingrid van der Graaf of Menno Hartman. Wij zoeken mensen met kennis van en liefde voor poëzie. Of misschien bent u wel diegene die voor ons een recensie gaat schrijven over deze tweetalige nieuwe bundel?

    Medeweten, Antjie Krog, Uitgeverij Podium, vertaling: Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer, 260 pagina’s, € 25,-

    RaadselwaterOf zou u liever schrijven over de personages die de nieuwe bundel van dichter Juliën Holtrigter bevolken: een jutter, een bloemist, een rouwbegeleider, een astronoom, een trucker, een houthakker en de nodige kelners.
    Raadselwater is de zesde bundel van de dichter die onder zijn eigen naam, Henk van Loenen schildert en fotografeert. Over zijn bundel Snijderseiland uit 2012 schreef Ingrid van der Graaf op deze site een aankondiging.

    Raadselwater, Juliën Holtrigter, 55 pagina’s, Uitgeverij Harmonie, € 15,90

    WeerwaterDrie maanden lang heeft Renate Dorrestein op uitnodiging van de gemeente Almere in die stad gewoond om zich te laten inspireren tot het schrijven van een roman in de literaire serie ‘De Almere Verhalen’.

    Het resultaat daarvan heet Weerwater. Op Almere na is de wereld vergaan. Vooral vrouwen zijn er over. De schaarse overlevende mannen zijn ontsnapte gevangenen.

    Weerwater, Renate Dorrestein, uitgeverij Podium, 272 pagina’s, € 19,50

    Echtscheiding in de luchtOok het leven van de hoofdpersoon in Echtscheiding in de lucht, Joan-Marc, staat op instorten. In een van zelfspot doordrenkte klaagzang laat hij zien hoe hij en zijn ex-vrouw elkaars leven tot een emotionele hel maakten.
    Echtscheiding in de lucht is de derde roman van Gonzalo Torné (1976) en werd, samen met De vlucht van Jesús Carrasco, in Spanje onthaald als een van de beste boeken van 2013.

    Echtscheiding in de lucht,  Gonzalo Torné, vertaald door Arie van der Wal, Uitgeverij Atlas/Contact, 384 pagina’s, € 24,99

    Mocht u nou liever over proza dan over poëzie schrijven, dan kunt u contact opnemen met Carolien Lohmeijer. De voorwaarden en mogelijkheden zijn hetzelfde als voor poëzierecensenten.

  • Literair tijdschrift ‘Liter’ met Willem Jan Otten als gastschrijver

     

    De in maart 2012 uitgekomen editie van Liter presenteert zich met een titelloze, rood/wit gestreepte cover (zie foto). Een verschijning die veel weg heeft van een cahier dat nog beschreven moet worden. Een wat kale binnenkomer en ook de inhoud is wat schraal vergeleken met voorgaande edities. Veel tekstanalyses en besprekingen van bestaand werk. Veel poëzie en een enkele prozabijdrage.

    Daarentegen besteedt Liter jaargang 2012 – in alle vier zijn edities – speciale aandacht aan het  werk van dichter en schrijver Willem Jan Otten. Het is mooi een gewaardeerd dichter en schrijver nader belicht te zien. In het maartnummer resulteert dit in een interview met Willem Jan Otten door Tewin van den Bergh (boeken- en theaterman) en Gerda van de Haar (werkt aan een studie over Marcel Möring). Jaap Goedegebuure analyseerde Ottens roman in verzen De vlek en in de rubriek Maatwerk wordt dezelfde roman besproken door Menno van der Beek.

    De aandacht die er aan Willem Jan Otten wordt besteed, richt zich voornamelijk op zijn laatste werk De vlek waarin een man te horen krijgt dat er een vlek op zijn longen is gevonden en dat hij niet lang meer te leven heeft. Later blijkt dat de longfoto verwisseld is met die van een ander. In het interview geeft Otten het ontstaan van De vlek vrij. Het gegeven heeft hij van essayist Rudy Kousbroek, die op een dag de diagnose longkanker kreeg, met een levensverwachting van slechts enkele maanden. Een paar dagen daarna werd Kousbroek weer opgeroepen en kreeg hij te horen dat er een vergissing was gemaakt. De aangetaste longen waren niet van hem, foto’s waren verwisseld, Kousbroek was kerngezond. Otten vroeg zich in deze vooral af: ‘wie was degene met wie hij is verwisseld?’ Voor Otten is De vlek een eerbetoon aan Rudy Kousbroek. Het interview is geïllustreerd met een portretfoto van de auteur die een sterk vooroorlogse uitstraling heeft. Mooi beeld.

    Jaap Goedegebuure ontdekte in De vlek een parallel met Awater van de dichter M. Nijhoff en werkte dit breed uit. Menno van der Beek haalt in zijn recensie over hetzelfde boek Homerus aan. Van der Beek raadt de toekomstige lezers overigens aan de achterflap van het boek niet te lezen, daar de plot daarin verraden wordt en de verrassing bij eerste lezing daardoor ernstig wordt verstoord.
    Verder in Maatwerk (een rubriek voor recensies) onder meer Hilde Bosma die Stille zaterdag van Désanne van Brederode en In de voetsporen van Gerrit Achterberg van Wim van Amerongen bespreekt. Recenseert Elizabeth Kooman De bijbel volgens Nicolaas Matsier en Teunis Bunt de nieuwe dichtbundel van Hagar Peeters, Wasdom.

    In de rubriek Klinker & Medeklinker schrijft de dichter Edwin Fagel (de schepper, dus Klinker) hoe hij bij het schrijven van zijn nieuwste gedichtenbundel Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin op een muur stuitte. Als schepper van poëzie vindt hij dat elke opvatting over dit genre een doodlopende weg is. Openhartig en zoekend beschrijft hij hoe deze bundel is ontstaan. In Kijken (medeklinker) geeft Klaas Touwen een beschouwing over dezelfde bundel. Waarbij hij afsluit met de opmerkelijke conclusie dat de dichter zich wijdt aan autonome kunst en daarbij de ervaring opdoet een bundel te hebben gemaakt die hij niet beoogde.

    Van Maaike Meijer (auteur biografie van M. Vasalis) een bespreking van Een ziektegeschiedenis van de dichter (en als recensent aanwezig in deze editie) Menno van der Beek. Deze bundel las Meijer als een van de 165 bundels die zij in haar hoedanigheid van juryvoorzitter, las voor de VSB Poezieprijs 2011. Een raadselachtige bundel die Meijer ook na meerdere malen herlezen ‘niet helemaal in de vingers’ kreeg. In deze uitvoerige bespreking lijkt dat haar, zo op het oog, wel gelukt te zijn. Hoewel, net als met de Ballade van een gasfitter van Gerrit Achterberg blijkt ook Een ziektegeschiedenis ‘tot op zekere hoogte oninterpreteerbaar’. Boeiend is het zeker, deze anatomie van een gedicht te lezen.

    Verder een gedicht van W.B. Yeats De wederkomst, in een vertaling van Menno van der Beek. Van Dingeman van Wijnen schrijft een inleiding op het verhaal De degredatie van Sint Joris van de Italiaanse schrijver Eugenio Corti (1921). Benno Barnard bespreekt in Mijn gedichtenschrift een gedicht van Wiel Kusters uit zijn bundel Bewaarmachinist (2011).
    Meer gedichten van Hans Dingemans Laten we gaan,  Anthony Carelli Vers vertaald [1].
    Juliën Holtrigter (pseudoniem Henk van Loenen) dicht mooie beelden. Zoals in onderstaand fragment van De wind is gaan liggen (uit: Snijderseiland):

    ‘De wind is gaan liggen, de stad schoon geblazen.
    Erboven een hemel aan onsamenhangende strepen.
    en nevels. Alsof iemand een schoolbord
    vol heeft geschreven en daarin blind is gaan vegen.
    (…)
    Je kunt je ogen wel sluiten maar geuren
    zijn niet te negeren.’

    Liter

    Uitgegeven door: Stichting Liter
    Verschijnt 4 keer per jaar.
    Prijs los nummer: 9,50
    Abonnementen: € 33,- (studenten € 28,-, buitenland € 51,-)

     

  • Snijderseiland – Juliën Holtrigter

    door Ingrid van der Graaf

    Winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2011, Juliën Holtrigter komt begin februari met een nieuwe gedichtenbundel, getiteld Snijderseiland. De Turingprijs won hij voor zijn gedicht Onder de sterren, dat u hieronder kunt lezen.

    ‘Onder de sterren
    Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
    liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte.
    De vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.

    Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
    Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
    een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.

    Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
    bij machte terug te keren.
    En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof
    boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
    met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
    weg te zuigen. Daar lag ik.

    Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
    niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen
    en papier.’

    Juliën Holtrigter (pseudoniem Henk van Loenen) publiceerde onder meer in Maatstaf, Tirade, Hollands Maandblad en Poëziekrant. Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij uitgeverij Mozaiek. Gevolgd door: Het verlangen te verdwalen (2004), Het stilteregister (2006) en Het feest van de schemer ( 2009), bij uitgeverij De Harmonie waar ook zijn  vijfde bundel Snijderseiland verschijnt. De gedichten van Holtrigter verbeelden een rusteloos zoeken waarbij alledaagsheid verwordt tot geheimzinnige onwerkelijkheid.
    Holtrigter over zijn werk: ‘Wat ik opschrijf lijkt bij nader inzien het verslag van een reis. Het blijkt een zoeken te zijn naar wat zich achter de zichtbare werkelijkheid bevindt. Het is ook een relaas over pogingen tot onthechting en overgave.’ Steeds dringt zich een werkelijkheid op die groter is dan de waarneembare, maar die toch met handen en voeten aan die waarneembare werkelijkheid vastzit. Het is juist het aardse besef dat het besef van het bovenaardse oproept. Naast dichter is Holtrigter onder zijn eigen naam Henk van Loenen ook beeldend kunstenaar. Zijn beeldend werk bestaat hoofdzakelijk uit tekeningen en schilderijen in acryl op linnen en papier. Ook schildert hij in olieverf op linnen. Zijn werk is kenmerkend om zijn abstracte en tevens herkenbare vormen waarbinnen de menselijke figuur een belangrijk thema/motief is.

    Uit zijn binnenkort te verschijnen bundel Snijderseiland is het volgende gedicht:

    ‘Het licht
    Wakker geworden.
    De blinden zijn dicht maar het licht,
    soeverein,
    glipt door de kieren naar binnen.

    Ik stap naar buiten.
    Ik ruik het, ga liggen.

    Springlevend word ik gebalsemd,
    gewiegd als een prehistorische koning,
    geaaid als een veulen, ik adem.’

    Holtrigter won in 2003 de VU-Podium Poëzieprijs voor Dichter en onlangs de Concept Poezieprijs 2011 het gedicht Het laatste huis.

    De pers over Het feest van de schemer: ‘De smaak van deze gedichten is wonderlijk, soms een beetje bureaucratisch en stijf maar dan weer met een gekke, hier en daar haast surrealistische afdronk (….). Ik ken eerlijk gezegd geen dichter in Nederland met zulke visioenen.’ Rob Schouten in Awater, november 2009

    Ter attentie: het hierbovengeplaatste cover betreft niet de aangekondigde bundel Snijderseiland maar is de cover van Holtrigters laatste bundel uit 2009, Het feest van de schemer.

    Snijderseiland
    Juliën Holtrigter
    Blz: 48
    Prijs: 14,90
    Verschijnt begin februari bij: De Harmonie

    Voor meer inormatie bezoek de site van www.deharmonie.nl en www.henkvanloenen.nl