In De weg naar huis beschrijft Juliën Holtrigter een onderweg zijn, en soms een thuiskomen. Recht is die weg allerminst. Eerder is het een circulaire tijdreis in drie delen, ‘Hoog water’, ‘Verstekelingen’ en ‘De weg naar huis’. Elk deel bevat veertien gedichten met een overzichtelijke structuur. Veel gedichten tellen ook nog eens veertien regels, als bij een sonnet, weliswaar zonder rijm en in vrije vorm. Maar met een sobere en aangename cadans waardoor de lezer – waarheen het ook gaat – met de dichter kan oplopen. Bij Holtrigter geen gesol en met visuele grapjes, wegspringende letters en talige acrobatiek waaraan geen touw is vast te knopen. Deze bundel bevindt zich in de veilige zone tussen klassiek en modern, het experimentele is tenslotte niet aan iedereen besteed. De grondtoon die door bijna alle gedichten loopt is een soort melancholieke somberte. Al is die melancholie eerder nostalgisch dan zwaarmoedig. Dat maakt een groot verschil. Voor wie op grijze winterdagen graag mijmerend uit het raam staart, is deze bundel een niet te versmaden literaire lekkernij. En zelden paste een coverafbeelding zo bij de inhoud als deze ‘Bomenrij’ van Jan Mankes.
Duurzaam leed
Meteen al in het eerste van de drie delen wordt het introspectieve karakter van deze bundel duidelijk. Niet gelijk somber, maar weemoedig is het wel. Omdat deze tijdreis moeiteloos toen en nu, daar en hier aan elkaar paart, kan het gebeuren dat in een enkele strofe wordt beschreven wat er zo mooi is aan de wereld, en tegelijk wat er allemaal zo foeilelijk aan is. En nee, geen eenmalige ergernissen. Klinkklare ellende is het die zich telkens opnieuw aandient of zelfs helemaal niet meer weggaat. Het arriveert dagelijks in megacontainers, als de onnutte meuk uit lagelonenlanden.
‘Uit sterven / Een gloednieuwe morgen
Een gloednieuwe morgen breekt aan,
de haven ontwaakt, de sluizen gaan open,
schepen voeren het heil aan in megacontainers:
de nieuwste gadgets en speeltjes – lees: afvalhopen.
Het land van belofte loopt onder en droogt ernstig uit.
Een overvloedig tekort stapelt zich op. We hebben
de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is
noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.
Terwijl de wereld vergaat, traag weliswaar maar
gestaag, zitten wij naar ons beeldscherm te staren.
We hebben het niet geweten, zal men ooit zeggen.
Als alle leven is uitgestorven, staan onze kunststof
kozijnen nog lang overeind, onze keramische heupen
overleven nog eeuwen.’
Hoop en vrees
Toch zijn er ook prachtige beelden en zinnen. ‘Eenzaamheid fietst als een zieke artiest door de stad, besmet ongewild wie hij ziet.’ Of deze, ‘De trein komt voor even tot stilstand. Stapvoets gaat het verder, alsof er een dode aan boord is gekomen.’ Er zijn mensen – van een tijdperk eerder nog – die blijven zoeken naar potten met troost en hoop. Er is de nachtzuster die liefdevol haar patiënten kust. ‘In mijn zaaltje van angst en beven zal ze gaan zingen / vanmorgen, maar ik hoor haar nog niet. // Ik, nota bene de bedenker van het omhelzende bed, / ben een van de velen. / Zij is doodmoe en ik kan geen kant op.’
Het is nooit allemaal zwart-wit, er zijn veel nuances, veel grijstinten. Hoop en vrees houden het naast elkaar uit in een wankel evenwicht, als bij een koorddanser op het slappe koord. En dat is wat ook de lezer in balans houdt, verontrustend en geruststellend tegelijk. Voor elke hardheid is er iets zachts, tegenover elk nieuw staat iets ouds, iets vertrouwds. De tijdreis gaat razendsnel en traag tegelijk: ‘Hij heeft de tijd: van vuistbijl tot smartphone duurde / een nanoseconde vanuit de Orionnevel gerekend.’
Bijbelse motieven
Omdat alles altijd in beweging is, is er ook altijd licht aan het eind van de tunnel. Of komt men weer vrij uit de buik van een enorme vis. ‘Er doemt een gigantische monstervis op / met wijd open kaken en alles wordt zwart. / Ik kan niet meer denken en hoor slechts ruis / totdat ik als een kersenpit uit word gespuugd. / En dan mag ik naar huis. – U hoort nog van ons.’
Behalve deze strofe, die erg doet denken aan Jona in de walvis, zijn er meer bijbelse beelden: verloren zoon, woestijn, engelen en profeten, en zelfs een voorzichtige verwijzing naar Lazarus en de rijke vrek.
Meer inspiratie werd gevonden achter de Hema: / een aftandse kameel wierp veel stof op, gaapte geweldig, / knielde gedienstig en bood me een lift aan. // Het beest, vast ontsnapt uit een circus, / droeg me de stad uit en verder en verder, richting woestijn. // Om weer te aarden?
Sowieso spelen er – ragfijn, maar toch – mooie ouderwetse motieven door deze bundel. De liefde van een puber voor een lerares, met alle aandoenlijke onhandigheid van dien. En inderdaad iets met geloof en kerk, hoewel allang niet meer dat zwaar-zwarte waar Wolkers en de zijnen eertijds tegenaan schopten. Nee, een mild geloof, knus en huiselijk. Even Nederlands als vissersboten, tegenwind en fietsen over de dijken. Nostalgisch bijna, van toen geluk heel gewoon was. Hoewel, zo gewoon was dat geluk niet. In ieder geval niet probleemloos of volkomen, want tegenover thuis staat ontheemd zijn; bij op weg gaan hoort onvermijdelijk verdwalen, de weg kwijt raken. Dieper ligt de vraag of de plek die lange tijd je thuis was, wel de beste plek is om naar terug te keren.
Litanie van gesukkel
De reizigers op deze circulaire tijdreis – Holtrigter noemt ze verstekelingen – ervaren de tijd op eigen wijze en hebben daar hun eigen gevoelens bij. Over het precieze hoe en wat van tijd en ruimte is weinig onderlinge overeenstemming. De dichter lijkt daar niet mee te zitten, die laat zich niet opjagen; die laat het allemaal naast elkaar bestaan.
‘Waar tijd niet bestaat maar wel lichtjaren ruimte, / zijn daar de zielen van oude kettinghorloges? / Is er een klok die lichtjaren telt?’
Toch hebben die verstekelingen wel een paar dingen gemeen. Hoe kan het ook anders als het onderscheid tussen begin en einde, oorsprong en bestemming, verleden en toekomst zo vaag is dat daardoor zelfs de lijn tussen herinnering en droom niet meer helder is. Telkens is het maar de vraag of iets al heeft plaatsgevonden of dat het nog te gebeuren staat. Of dat, en daar schuurt zachtjes de weemoed, het gedane nog eens gebeuren mag, opnieuw, maar anders. En daar is de omgekeerde weg die blijkbaar veel dichters – of mensen met een dichtersgemoed – afleggen. Bij wie het leven niet licht en zorgeloos begint zoals bij de meeste kinderen, maar juist zwaar, en dat het gaandeweg lichter wordt. En niemand weet waarom.
Of misschien ook wel. Iets met gewenning, niet door de zwaarte van het leven overvallen worden, maar altijd al geweten hebben dat die er was, dat het nu eenmaal een litanie van gesukkel zou worden. Alles wat daarna blijkt mee te vallen is winst.
‘Dit wandelend eiland
Dit wandelend eiland is tijdloos want onbewoond.
Roestige boten, daar vastgelopen, staren hol
naar elkaar als ontluisterde goden.
Rondom woelt de zee.
Er drijven, als in de kosmos planeten.
Ik duik en luister, hoor golfslag en ruis.
Ik heb mijn ziel bloot gelegd, lispelt de zee,
en nu jij.
Er is een diepte in mij, zing ik, die ik niet ken
maar vermoed, ik was er dichtbij.
Een vis ben ik die in de loop van de eeuwen
zijn afkomst voorgoed is vergeten.
Dolend niet weten dat je verdwaald bent.
Zoiets.’







