• Oogst week 2 -2025

    Oogst week 2 -2025

    Waar alle wegen ophouden

    Sana Valiulina (1964) werd geboren in Estland in de toenmalige Sovjet Unie. Haar ouders vluchtten er vandaan, Sana keerde later terug om in Moskou Noorse taal- en letterkunde te studeren. Over die studietijd schreef zij haar debuutroman Het kruis (2000). Gedreven door de liefde woont ze sinds 1989 in Nederland. Ze werkt als vertaler en docent Russisch, en schrijft columns en boeken in het Nederlands.

    In Waar alle wegen ophouden volgt ze de tocht van haar vader die hij als krijgsgevangene van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog aflegde. Die duurde veertien jaar, en bracht hem van Rusland naar Bretagne, Normandië en via Engeland weer terug naar Rusland. Daar kreeg hij als ‘landverrader’ tien jaar strafkamp.
    Valiulina vindt haar vader raadselachtig en onpeilbaar. Maar ‘Het recht op geheim is een van de fundamentele rechten van de mens’ zegt ze.

    ‘De laatste keer dat ik hem zag was door de stoffige achterruit van de bus. (…) ik bleef midden op de rijweg staan om naar het vertrouwde, onbewogen gezicht onder de blauwe pet te kijken (…) Volgens mij stak hij nog een keer zijn hand op als antwoord op mijn wanhopige zwaaien, om het moment stil te zetten. Wat natuurlijk niet gebeurde. (…) Weer gingen onze wegen uiteen, ik naar Amsterdam, en hij?’
    Veel van Valiulina’s werk gaat over haar verleden in de Sovjet Unie. Waar alle wegen ophouden is haar tiende boek, opgedragen aan alle Sovjetkrijgsgevangenen en hun families.

     

    Waar alle wegen ophouden
    Auteur: Sana Valiulina
    Uitgeverij: Prometheus 2024

    Het voetkussenboek

    De Belgische schrijver en vertaler Jos Vos (1960) is anglist, neerlandicus en japanoloog. Hij woont in Oxford, woonde voordien jaren in Japan en is getrouwd met een Japanse. Hij doceert, vertaalt en schrijft artikelen en boekbesprekingen.

    Zijn Het voetkussenboek is een verzameling essays die over van alles en nog wat gaan, door elkaar lopen en met elkaar verweven zijn. Het is gebaseerd op Het hoofdkussenboek uit de 10e eeuw waarin de Japanse hofdame Sei Shonagon alles opschreef wat haar opviel, aantrok of afstootte in mensen en haar eigen belevenissen.

    Ook Vos schuwt geen onderwerp. Het boek gaat over dichters die de schepping prijzen, over ganzen en over Het Verhaal van Genji, een Japanse roman uit begin 11e eeuw. ‘Toen ik Genji zat te vertalen – een project dat zeven jaar van mijn leven heeft gekost – was ik dolblij met elke gans die ik hoorde.’ Het gaat over wat hij allemaal zag aan film en tv, zoals The Thunderbirds, Doctor Doolittle, en vele andere. Over liedjes uit de jaren zestig en zeventig, over de dichters die hij via Gerrit Komrij leerde kennen, over Het hoofdkussenboek, over oude rockgroepen, zoals The Who en The Rolling Stones. Over het tv-feuilleton Heimat, over Prousts Combray (‘Telkens als ik Combray inkijk zie ik tante Léonie in bed liggen tegen het raam van mijn opa’s huis’). Over de groenten in de tuin van zijn opa. Over Nederland, over zijn kindertijd. En steeds komt het verhaal van Genji terug in de hele grote caleidoscoop die Het Voetkussenboek is.

     

    Het voetkussenboek
    Auteur: Jos Vos
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2024

    De cultuur van het narcisme

    Oorspronkelijk verscheen De cultuur van het narcisme in 1979. Christopher Lasch (1932-1994, historicus en sociaal criticus), bekritiseerde daarin de cultuur van de toenmalige Amerikaanse samenleving en het kapitalisme waarin geen enkele overtuiging schuilging. De Tweede Wereldoorlog en daarna de opkomst van de consumptiemaatschappij waren de grondslag voor een narcistische persoonlijkheidsstructuur: het ik kwam centraal te staan.

    Lasch laat zien dat de samenleving van zijn tijd werd getekend door een therapeutische en narcistische cultuur. De jeugdcultuur komt op, er is angst voor veroudering en bewondering voor roem. Alles draait om het ik. Mensen willen zichzelf leren kennen, hun psyche is het belangrijkste en om die te bevredigen leren ze over oosterse wijsheid, doen ze aan yoga, gaan in therapie, leren over hun gevoelens en relaties enzovoort. Het doel is genot. Therapeuten moedigen een hedonistische levenshouding aan en dienen hun eigen commerciële belang. Lasch heeft ook kritiek op reclame en massamedia omdat de waarheid daarin vaak van ondergeschikt belang is. De parallellen met de huidige tijd zijn duidelijk. ‘Genieten’ is nog steeds een doel en bekentenisliteratuur is er te over, om er maar twee te noemen.

     

    De cultuur van het narcisme
    Auteur: Christopher Lasch
    Uitgeverij: Athenaeum 2024
  • We zijn uilskuikens maar hebben geen enkel idee

    We zijn uilskuikens maar hebben geen enkel idee

    ‘Wat gaat er toch om in iemand die klaagt dat hij zich verveelt? Niets lijkt me wenselijker dan in je eentje te zijn, zonder enige vorm van afleiding’. Het is een zin uit De kunst van het nietsdoen van de Japanse monnik Kenkō. Dat nietsdoen is een kunst: je mag je niet laten afleiden door ‘vuige geneugten’, door wat anderen van je vinden, door berekening van winst en verlies: ‘Opgejaagd heen en weer snellen, verward en afwezig, dat doen alle mensen’.

    Waar in onze westerse wereld ledigheid des duivels oorkussen is, is nietsdoen, echt kúnnen nietsdoen, voor Kenkō een ideale dagbesteding.

    Yoshida Kenkō leefde zo’n zevenhonderd jaar geleden, van vermoedelijk 1283 tot 1350. Hij was een tijdlang werkzaam als keizerlijke paleiswacht tot hij monnik werd. Dat laatste is geen eenduidig begrip. Het veertiende–eeuwse Japan kende lekenmonniken, leden van religieuze ordes en kluizenaars. In De kunst van het nietsdoen komen op een gegeven moment zelfs militaire monniken voorbij.

    Kenkō heeft het meest weg van een kluizenaar, die echter nooit het maatschappelijke leven losliet. Dat hij paleiswacht is geweest is terug te zien in de genummerde stukken (door vertaler Jos Vos ‘secties’ genoemd) in De kunst van het nietsdoen. Het boek bestaat uit 243 secties, soms ter lengte van één regel en een enkele keer van vier of meer pagina’s. Het zijn herinneringen, miniatuurfilosofietjes, anekdotes en natuurbeschouwingen. Daarin lijkt hij zich te bewegen in verschillende werelden, die van het gewone dagelijkse burgerleven, de hofcultuur en het monnikendom.

    Zucht naar lofbetuigingen

    Hij is er van overtuigd dat zijn kluizenaarschap de beste staat is om naar de wereld te kijken en je over te geven aan de kunst. Kunst is in zijn opvatting niet alleen de kunstzinnige expressie zoals de kalligrafie en de poëzie, die hij beide beoefende, maar ook de cultuur in brede zin en de natuur. Kenkō hechtte erg aan tradities en aan ceremonies. Dat hij zich in zijn kunst van het nietsdoen niet wil laten leiden door oordelen van anderen betekent ondertussen niet dat hij zelf geen waardeoordelen neerschrijft. Hij gruwt van mensen die rituelen met voeten treden en ergert zich aan dom gedrag. In sectie 38 bijvoorbeeld lezen we: ‘Een mens wil graag een reputatie nalaten van wijsheid en geestelijke verfijning, maar als je er even bij stilstaat betekent dat alleen dat hij zijn hart wil ophalen aan lofbetuigingen. Noch degenen die ons prijzen, noch degenen die ons door het slijk halen zullen het lang uithouden op deze wereld’. En in sectie 134: ‘We zijn lelijk maar weten het niet; we zijn uilskuikens maar hebben geen enkel idee; we beseffen ook niet dat het ons aan talent ontbreekt, dat we van geen belang zijn, dat we bejaard zijn en ten prooi aan ziekten’.

    Verrassend modern

    Eén van de mooiste natuurbeschouwingen vinden we iets verder in sectie 137 die begint met: ‘Zullen we de bloesems enkel bewonderen op het hoogtepunt van hun bloei en de maan alleen als er geen wolken staan? (…) Wat valt er veel te bewonderen aan een twijg die net opbloeit, of aan een tuin bezaaid met verwelkte bloesem’.

    Uit de gegeven citaten mag blijken hoe verrassend modern veel van de overdenkingen van Kenkō zijn. Maar ook hoe heerlijk fris en eigentijds de Nederlandse vertaling van Jos Vos is. Deze Belgische kenner van de Japanse literatuur werd in 2014 al genomineerd voor de Filter Vertaalprijs voor Het verhaal van Genji en haalde die prijs in 2019 daadwerkelijk binnen voor zijn vertaling van Het hoofdkussenboek. Beide beroemde werken dateren uit de elfde eeuw; Kenkō verwijst er in zijn De kunst van het nietsdoen herhaaldelijk naar, zoals hij ook veel Japanse en Chinese poëzie citeert, steeds met grote bewondering.

    De kunst van het nietsdoen is overigens niet alleen een filosofisch bespiegelend boek. Kenkō is af en toe ook grappig. In sectie 45 vertelt hij over een opvliegende bisschop die niet tegen de bijnamen kon die men hem gaf. Omdat hij ‘Bisschop Netel’ werd genoemd vanwege een netelboom in zijn tuin, liet hij de boom omhakken, waarna hij de bijnaam ‘Bisschop Stronk’ kreeg. Toen hij ook de stronk liet uitgraven en er water in de kuil kwam staan werd hij ‘Bisschop Sloot’ genoemd. En in sectie 53 maakt Kenkō zich vrolijk over een monnik die op een feest een ketel te diep over zijn hoofd trok. Hij kon er pas van bevrijd worden ten koste van zijn neus en oren.

    Helaasheid der dingen

    Voor ons is een beschrijving ook wel eens nietszeggend, zoals de uit één zin bestaande sectie 201: ‘Van de twee stoepa’s op de Gierentop stond Gejō aan de voet van de berg en Taibon midden in het heiligdom op de berg’. Gelukkig is de vertaler er om in één van zijn talrijke voetnoten uit te leggen waarom de benamingen Gejō en Taibon iets zeggen over de bereikbaarheid van die stoepa’s. Verrassend zal daarentegen de ontdekking zijn dat de uitdrukking De helaasheid der dingen, die iedereen wel kent als de titel van een roman van Dimitri Verhulst, en heel oude voorgeschiedenis heeft. Kenkō gebruikt het begrip, een vertaling van het Japanse mono no aware, in De kunst van het nietsdoen, maar het komt ook voor in Stille sneeuwval, de roman van Junichiro Tanizaki uit 1948.

    Keikō heeft ons na zevenhonderd jaar nog veel te vertellen. Hij neemt een belangrijke plaats in in een rij van Japanse schrijvers die vertaler Jos Vos in zijn nawoord ‘wat oneerbiedig’ een ‘almaar uitdijende literaire speeltuin’ noemt. Hij kan het weten. In 2008 stelde hij al eens de lijvige bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur Eeuwige reizigers samen. Die is helaas niet meer verkrijgbaar.

     

     

  • Oogst week 15 – 2020

    De kunst van het nietsdoen

    Volgende week verschijnt De kunst van het nietsdoen, de eerste Nederlandse vertaling van Tsurezuregusa van de Japanse boeddhistische monnik Yoshida Kenkō. Hij leefde van ongeveer 1283 tot circa 1352 en was dichter, essayist en kalligraaf. Hij doorliep een strenge kloosteropleiding, maar bleef midden in het wereldse leven staan. De kunst van het nietsdoen bestaat uit 243 veelzijdige schetsen, anekdotes en essays waarin hij zijn gedachten over leven en dood, schoonheid en natuur, omgangsvormen en de geneugten van het leven uiteenzet. Langere en kortere gedachten, soms maar eenregelig, wisselen elkaar af. De dertiende begint zo: ‘Geen groter soelaas dan in je eentje bij een lamp te zitten met een opengespreid boek en bevriend te raken met iemand uit lang vervlogen tijden die je nooit hebt ontmoet’. Dat lijkt wel een aanbeveling om in coronatijd Kenkō ter hand te nemen.

    De kunst van het nietsdoen
    Auteur: Kenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Duizend manen

    De nieuwste roman van Sebastian Barry, Duizend manen, begint met de simpele zin: ‘Ik ben Winona’. Zij is een indiaans meisje dat oorspronkelijk Ojinjintka (roos) heette, een naam die haar adoptievader echter niet kon uitspreken. Al snel na deze openingszin zet ze de toon voor haar verhaal: ‘Zelfs als je voortkomt uit bloedvergieten en rampspoed moet je uiteindelijk leren leven. Je moet om je heen kijken, zien hoe het ervoor staat, dingen verbouwen of dingen kopen, afhankelijk van het geval’. Het bloedvergieten en de rampspoed verwijzen naar de Amerikaanse Burgeroorlog die Winona als wees heeft overleefd. Ze figureerde al in Dagen zonder eind dat in 2016 verscheen. In Duizend manen heeft de auteur haar, zoals hij zelf in een interview zei, een stem willen geven.

    Duizend manen
    Auteur: Sebastian Barry
    Uitgeverij: Querido

    De aanslag in Serajevo

    In Nederland komt steeds meer werk van Perec in vertaling beschikbaar. Na De Condottiere in 2014 is er nu opnieuw een vroeg werk De aanslag in Serajevo. Het verscheen in Frankrijk pas in 2016, ver na Perecs dood. De aanleiding voor de roman was een ervaring van Perec zelf. Hij verbleef in 1957 in Joegoslavië en raakte daar verzeild in een driehoeksverhouding. Zijn daarop geïnspireerde verhaal verweefde hij met de moord op aartshertog Frans Ferdinand en zijn vrouw in 1914, die de aanleiding zou vormen voor de Eerste Wereldoorlog. In de roman zijn stukken uit het proces tegen de schutter Gavrilo Princip opgenomen. Door het verhaal van de geliefden te verbinden met de gebeurtenissen in 1914 legde hij daarin al vroeg (De aanslag in Serajevo is Perecs eerste roman) een verband tussen de wereldhistorie en zijn persoonlijke joodse geschiedenis.

    De aanslag in Serajevo
    Auteur: Georges Perec
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Dingen die getuigen van diepe emotie – feminisme 1.000 jaar geleden

    Dingen die getuigen van diepe emotie – feminisme 1.000 jaar geleden

    Wat is er aan werklui nodig om deze scène te realiseren:

    ‘Een ware schoonheid, in een purperrood, enigszins verdoft gewaad, met daaroverheen oranjegeel brokaat of een flinterdun jakje, is nog maar net op, want vannacht heeft ze door het razen van de wind geen oog dicht gedaan. Op haar knieën glijdt ze een eindje vanuit haar kamer naar de veranda toe; haar lange haren, die over haar schouders vallen, zijn in de war en bollen zachtjes op door de wind – een schitterend tafereel. Diep bewogen bekijkt ze de ravage in de tuin en prevelt: “Geen wonder / dat de wind in de bergen…”, waaruit mag blijken hoe fijngevoelig ze wel is.’

    Voor haar prachtige kleren zijn mensen nodig die de verfstof maken, die de stoffen verven, in oranjegeel en purperrood. Haar gewaden moeten geweven worden. Haar kamer is door deskundige timmerlieden gemaakt, evenals haar veranda, ze zullen worden schoongehouden door meisjes met bezems. De ravage in de tuin wordt straks opgeknapt door een legertje tuinlieden. Haar haar wordt op zeker moment gecoiffeerd. We spreken nu nog niet over de lui in de keukens die maaltijden moeten toebereiden die aan haar smaak voldoen, de vissers en de boeren die de ingrediënten verzorgen. In zeven regels tekst zijn al zo’n honderdtal werklieden verborgen.

    In Het hoofdkussenboek van hofdame Sei Shōnagon is de werkman echter grotendeels afwezig. In dit boek zien we een van de exponenten van de zogenaamde ‘hofcultuur’. Een extreem verfijnde cultuur die is ontstaan vanuit een feodale samenleving. Ons klassieke Europese voorbeeld is natuurlijk dat van de Franse zonnekoning, Lodewijk XIV. Wat is er nodig voor zo’n cultuur? In het Japan van de tiende en elfde eeuw was verregaande differentiatie in rangen en standen het gevolg van een grote horige boerengemeenschap, een uitgebreid ambachtsvolksdeel, een groep gewapenden die steden en hoven beschermden, een enorm grote ambtenarij. Dit is kort gezegd de situatie buiten de keizerlijke paleizen in Kyoto, waar Sei verblijft. Vanwege alles waarmee keizer en gevolg zich niet hoeft bezig te houden: werk is immers uitbesteed, vult de dag, het brein, het gevoel van de hofmens zich met schoonheid, poëzie, protocol, gekonkel en hiërarchie.

    Sei Shōnagon leefde van 966–1017. Jos Vos vertaalde Het hoofdkussenboek en gaf haar daarmee een heel moderne en frisse stem. Het boek bestaat uit rond de driehonderd ‘secties’ kortere of langere hoofdstukjes die een overweging zijn, een herinnering, de beschrijving van een intrige, of een festival, een gesprek of een lijstje van ‘dingen die heel vervelend zijn’ of ‘waar ik niet tegen kan’ of ‘onbenullen die ook een keertje mogen stralen,’ ‘zeldzaamheden’ soms met een aforistische kwaliteit, soms van een extreme idiosyncrasie.

    De toon die Vos haar heeft weten te geven is geweldig sprankelend, Sei is een interessante en intelligente vrouw met veel humor, fascinerende luimen, creativiteit, esprit, een goed oog voor haar omgeving en een uitgebreide kennis van haar cultuur, speciaal de poëzie. Het is moeilijk de rol van poëzie in het hofleven in Japan te overschatten. En daarmee is het moeilijk de rol die de vertaler heeft gespeeld in het begrijpbaar maken van deze tekst te overschatten. Jos Vos heeft de tekst heel uitgebreid geannoteerd. Bij bovengaand citaat staat bijvoorbeeld een noot achter deze zin: ‘Diep bewogen bekijkt ze de ravage in de tuin en prevelt: “Geen wonder / dat de wind in de bergen…”, waaruit mag blijken hoe fijngevoelig ze wel is.’

    Die noot luidt dan: ‘De herfstige schone citeert een gedicht uit de Kokinshū (nr.49): Zodra de wind uit de bergen / gaat waaien / kwijnen alle herfstgewassen; / geen wonder dat hij ‘storm’ wordt genoemd! Het Chinese karakter voor “storm” is samengesteld uit de karakters voor “berg” en “wind”.’

    Door deze noot wordt er minstens een laag extra aangebracht. We zien niet alleen de schoonheid van deze mooie vrouw na een slapeloze nacht door de aan de bamboe rukkende winden – we zien door haar ogen en haar geletterdheid een herinnering aan een vers dat zich tot deze storm verhoudt. We zien kortom dat wat de hofmens van de rest onderscheidt: de gelegenheid zijn wereld met kunst betekenis te geven. En tenslotte zien we een vertaler die ver boven zijn stof staat, Vos weet verschrikkelijk veel te herleiden en dat maakt het boek tot een tweezijdig meesterwerk: de toon van Sei is luisterrijk, en de inzichten die de vertaler in zijn noten kwijt kon zijn magnifiek. (Aardig is juist door de volledigheid van Vos deze nog. Als noot bij een lijstje ‘angstaanjagende dingen’: schrijft Sei: ‘Kanamochi – onmiskenbaar angstaanjagend’. Noot: ‘De betekenis van kanamochi is helaas verloren gegaan.’ Wat kanamochi nog angstaanjagender maakt!)

    Sei haar leven wordt gestuurd door de bewegingen van de seizoenen, er zijn festiviteiten rond de eerste sneeuw, de bloesems, de regens, de vruchten, de zang van de vogels (onder welke de kleine koekoek haar favoriet is) en haar leven wordt geregeerd door de rituelen die bij de keizerlijke rang van haar heerseres horen, haar ‘Onthoudingsdagen’ en de andere zeer specifieke gebruiken die de lezer in verbazing brengen. Neem de ‘geblokkeerde richting’: door de bewegingen van de goden zijn sommige windrichtingen op sommige dagen taboe, en als je dan naar het noorden moet, dan ga je dus naar het oosten en dan naar het noordwesten. Met alle gevolgen van dien, want je overnacht dan op een plek die je niet verwachtte.

    De lezer van Het hoofdkussenboek vindt zijn genoegen in dergelijke onbekende culturele fenomenen en in de hilarische lijsten van Sei waarin ze aangeeft wat haar irriteert, of juist enorm charmeert. Hoe zij denkt over haar positie als hofdame is een enkele keer te lezen als feminisme 1.000 jaar geleden. De soms onbegrijpelijke protocollen (hoewel steeds goed uitgelegd door Vos) krijgen zo nu en dan iets vermoeiends: get a life! Maar Het hoofdkussenboek levert een enorme rijkdom aan cultuurinzicht, poëzie, psychologie, levenskunst. Een monument van een boek.

  • Oogst week 8

    Het hoofdkussenboek

    ‘Ik heb een hekel aan mensen.
    Ik heb een hekel aan mensen die zich, zonder werkelijk te weten waar het over gaat, in een gesprek over gebeurtenissen uit het recente of een ver verleden mengen en het zicht op het onderwerp van gesprek met hun niet terzake doende opmerkingen volkomen vertroebelen.’

    Een heel herkenbare uitspraak. Maar tijdloos ook, want al zo’n 1000 jaar geleden opgeschreven.
    Sei Shonagon, hofdame aan het Japanse hof in de tiende eeuw schreef wat ze zag, hoorde, dacht en beleefde op in haar dagboek. Bovenstaand fragment is een citaat uit de vertaling vanuit het Engels uit 1988 die toen bij Nijgh & Van Ditmar verscheen. Nu is Het hoofdkussenboek bij Athenaeum verschenen in een rechtstreekse vertaling door Jos Vos.

    De dagboeknotities van Sei Shonagan kunnen nog steeds bekoren. Sei Shonagon schrijft over de (gesloten) hofcultuur, over poëzie, haar eigen avontuurtjes, de natuur. Ze blijkt soms geestig, soms scherp en neerbuigend en altijd vol adoratie voor de keizerlijke familie.

     

     

     

    Het hoofdkussenboek
    Auteur: Sei Shonagon
    Uitgeverij: Athenaeum

    De vrolijke verrijzenis van Arago

    Omslag en titel doen vermoeden dat De vrolijke verrijzenis van Arago ook een vrolijk boek is. Maar zo begint het niet. Joys haalt het bloed onder de nagels van haar ouders vandaan met haar recalcitrante gedrag. Ze zijn met zijn drieën op vakantie maar de 15-jarige puber heeft helemaal geen zin in een reisje door ‘het land waar de citroenen bloeien’. Uit pure lamlendigheid gooit ze op een bergweg één voor één de schoenen van haar moeder het raam uit.

    […] Dus kon het gebeuren dat Roel de zoveelste bocht nam, zuchtend om dat eeuwige gezeik van zijn opstandige, vroegwijze dochter. En dat hij na de bocht vlak voor zijn auto een jonge vos zag opduiken, ontroerend in zijn argeloosheid, de grote ogen in de ronde snuit duidelijk gesperd, de zwarte neus tussen de haren op de witte kaken en pluis, overal pluis. Tegelijk met Roel zag Joys het jonge dier en ogenblikkelijk koos zij partij en commandeerde haar vader, die recht op het dier af reed: ‘Hé, kijk uit, lul!’

    De ouders komen om, het meisje sluit vriendschap met het vosje.
    De uitgeverij schrijft ‘De vrolijke verrijzenis van Arago is een verhaal over hartstocht en intens geluk, een liefdesverklaring aan het ene leven dat wij hebben.’

    De vrolijke verrijzenis van Arago
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Querido

    De fenomenale meerval

    Na het grote succes in 2017 voor De tolk van Java, verschijnt nu bij De Geus een bloemlezing van de verhalen uit 25 jaar schrijverschap (1984 – 2009). De verhalen uit De fenomenale meerval zijn deels herzien.

    De geheimzinnige meerval duikt in een groot aantal vertellingen op en symboliseert het verlangen naar liefde en het raadsel van de onbereikbare vrouw. Een andere inspiratiebron is het Indische verleden, dat onlosmakelijk verbonden is met het leven van Alfred Birney.

     

    De fenomenale meerval
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Geus
  • Oogst van de week 13

    door Menno Hartman

    De oogst van deze week staat in het teken van vertalingen en bij uitbreiding in het teken van de nominaties voor de Filter Vertaalprijs. Want wat zou de Nederlandse lezer zijn zonder de bemiddeling van al die goede vertalers? Elk van deze boeken is door decennia lezers gewaardeerd, je kunt ze dus rustig kopen, want ze zijn uitermate goed en volgens de jury bovendien goed vertaald…

    De Filter Vertaalprijs is door een aantal uitgevers – zo werd zojuist bekendgemaakt – vertienvoudigd omdat ze vonden dat er meer geld moest komen voor uitzonderlijke vertaalprestaties. Hierdoor ontvangt de laureaat een beduidend hoger prijzengeld: geen € 1.000,- maar € 10.000,- .

    Om welke boeken gaat het eigenlijk?

     

    9789028424371

    Mari Alföldy, vermoedelijk de eminentste vertaalster uit het Hongaars, vertaalde Satanstango van László Krasznahorkai (Wereldbibliotheek).In een vervallen gehucht ergens inHongarije wacht een handjevol achtergebleven mensen op de komst van de man die hen moet verlossen: Irimiás, een duister figuur met het charisma van een profeet. De bewoners kunnen zich niet onttrekken aan de suggestieve kracht van zijn belofte, al vermoeden ze wel dat ze, zoals altijd, met hem hun ongeluk tegemoet gaan. Er zijn aanbevelingen die niet gering zijn: ‘Satanstango stijgt ver uit boven het gekeuvel in veel hedendaagse literatuur.’ schrijft  W.G. Sebald bijvoorbeeld en ‘Krasznahorkai is te vergelijken met Gogol en Melville.’ – meende  Susan Sontag. Hier lees je wat fragmenten. 

    De cirkel

    Gerda Baardman, Lidwien Biekmann, Brenda Mudde en Elles Tukker vertaalden De cirkel van Dave Eggers (Lebowski). Egger behoeft nauwelijks nog betoog. Na A Heartbreaking Work of Staggering Genius is de schrijver niet meer weggeweest. De cirkel gaat over de toenemende privacyloosheid door het internet.

     

    Don JuanIke Cialona, bekend van onder veel meer de vertaling van Dantes De goddelijke komedie samen met Peter Verstegen en de zeer opmerkelijke Hypnerotomachia Poliphili, vertaalde Don Juan van Lord Byron (Athenaeum – Polak & Van Gennep) het meesterwerk van Byron waarin de verleider verleid wordt. De inhoud van het boek werd als immoreel beschouwd, en misschien juist daarom werd het gedicht ongekend populair.

     

    De nieuwkomers lll

    Roel Schuyt (Russisch, Zuid-Slavische talen en Albanees meldt zijn website) vertaalde De nieuwkomers III van Lojze Kovačič (Van Gennep). Hier een fraai fragment en een inleiding op het tweede deel van het autobiografische drieluik dat een echte Sloveense klassieker is.

     

    De rode ruiterij

    Froukje Slofstra is genomineerd voor haar mooie vertaling van Verhalen van Isaak Babel (Van Oorschot) hier schreef Literair Nederland al een  juichende recensie over.

     

     

    Het verhaal van Genji

    En tenslotte de magistrale vertaling van Jos Vos van Het verhaal van Genji van Murasaki Shikibu (Athenaeum – Polak & Van Gennep) waarmee deze uitgeverij ook zijn nek uitsteekt. Het is in drie prachtuitgaven voor verschillende portemonnees gemaakt. De oudste tekst van deze zes genoemde boeken, stammend uit de elfde eeuw fris nieuw in fonkelend Nederlands.

     

    De Filter Vertaalprijs wordt dit jaar opgebracht door 11 vooraanstaande uitgevers, inclusief Vantilt, die de prijs tot nu toe alleen droeg, zijn dat: De Arbeiderspers, Athenaeum – Polak & Van Gennep, De Bezige Bij, Cossee, De Geus, Lebowski, Meulenhoff Boekerij, Van Oorschot, Podium en Wereldbibliotheek. Gehoopt wordt dat fondsen, particuliere begunstigers en andere uitgevers zich bij dit initiatief aansluiten.

    Welk van deze zes vertalingen kan rekenen op de vertienvoudigde Filter Vertaalprijs? Op 8 april 2014 wordt tijdens City2Cities: Internationale Literatuurdagen Utrecht de winnaar live bekendgemaakt.

    Voor die tijd kan je er minstens een lezen, daarna de andere vijf.