De korte roman Egelskop van de 37-jarige Teddy Tops uit Utrecht heeft als motto een gedicht van Ester Jansma. Hierin wordt ‘de tijd’ bevraagd en wordt geopperd onszelf voortdurend uit te vinden en in ‘het nu’ te bewaren. Tops heeft dat ter harte genomen in deze debuutroman. Zij beschrijft, bevraagt en herschrijft de tijd waarin wij en onze (groot)moeders leven en geleefd hebben. Wat er zou gebeuren als alles nog mogelijk was is het gedachte-experiment van waaruit ze een knip in de tijd maakt. Van daaruit worden de persoonlijke geschiedenissen van de hoofdpersonages Jo en Levi, die voor de Tweede Wereldoorlog zijn geboren, in het korte tweede hoofdstuk herschreven.
In het lange eerste hoofdstuk ‘Bovengronds’ beschrijft Tops verschillende geschiedenissen. In de eerste plaats die van een ik-persoon van in de dertig. Als ze vier jaar jong is raakt de auto waarin ze met haar vader en moeder zit te water. Zij overleeft dat ongeluk, haar ouders niet. In zeven intermezzo’s worden de zeven minuten beschreven van het te water raken tot het verdrinken. Schijnbaar krijgen de hersenen vanaf minuut zes te weinig zuurstof en begint dan een fase van hallucinatie. Stel dat we in die hallucinatie blijven, oppert de vertelster, en de kloktijd niet meer geldt… Daarmee is de overgang naar het korte, tweede hoofdstuk ‘Ondergronds’ een feit. Het vervolg van het leven van de personages Jo en Levi krijgt een alternatieve wending. In dit laatste ‘wat als’-hoofdstuk loopt het defecte horloge van de verdronken moeder weer en bevinden we ons in het ‘nu hier’!
Terug in de tijd
De levensgeschiedenissen van Jo en Levi spelen zich twee generaties eerder af. Zij zijn de oma’s van de ik-persoon. Deze beide vrouwen hebben genoeg in hun mars, maar zijn helaas als vrouw geboren in de vroege 20e eeuw. ‘Mijn oma’s stierven ongelukkig, omdat ze moesten leven naar wat van hen verwacht werd,’ schrijft de ik-vertelster in het begin van de roman. Jo komt uit een straatarm turfstekersgezin uit het Drentse Erica dat vanwege perspectieven op een beter leven naar Brabant verhuist. Zij is dan nog maar één jaar oud. Daar levert Philips met zijn innovatieve gloeilampenfabriek werkgelegenheid, ook voor jonge vrouwen, de zogenoemde ‘lampenmeisjes’. Jo is geboren in een plaggenhut onder de grond, de Joodse Levi moet als jonge Amsterdamse tiener ondergronds om aan deportatie en een wisse Duitse dood te ontkomen. In 1941, zij is dan tien jaar, ‘verdwijnt’ haar moeder. Ze heeft haar voor het laatst gezien toen ze haar en haar zussen naar school had gebracht, zwaaiend vanaf de brug.
Jo voert in haar jonge jeugd vage collaboratieklusjes uit, gaat na de Philipsschool voor de fabriek aan het werk. Na de oorlog hoort ze via vriendin Nena voor het eerst van het verschijnsel homoseksualiteit. Aard en omvang van de holocaust dringen tot haar door als ze een Vogue bij de tandarts doorbladert, en de politionele acties worden werkelijkheid via haar getraumatiseerd teruggekeerde broer Ger. Ze ‘ontwaakt’ als nieuwsgierige, wakkere, strijdlustige vrouw en bezoekt bijeenkomsten van vrouwenclubs, eerst in Eindhoven, later ook in Amsterdam. Daar is Levi na de oorlog als wees groot geworden, ze wil groots en meeslepend leven, zoekt dat eerst in het circus, wordt later danseres. Ook zij leert – op onorthodoxe wijze – de vrouwenliefde kennen. Tegen de tijd dat ze de oma is die de vierjarige ik-vertelster opvangt heeft ze een alcoholprobleem en staat ze zo nu en dan op een brug met een verdwijnwens.
Wapenfeiten uit de sociale, politieke, economische, culturele en welvaartsgeschiedenis van met name de 20e eeuw worden tussendoor onder andere in cursief gedrukt droneperspectief aangestipt. Enkele hoaxen passeren daarbij de revue zoals die over ondergronds communicerende bomen en, erger, over ‘Jodenzeep’, naar verluidt geproduceerd uit mensenresten. Voor het overige blijft de vertelster gelukkig bij feiten: van Wim Kan tot een door Duitsland gewonnen WK-voetbal, van de eerste tv tot de eerste vrouw in de Tweede Kamer, van een laat negentiende-eeuwse feministische roman tot Teddy Scholtens winnend songfestivalliedje in 1959 (Een beetje verliefd). Verliefd is, zoals Scholtens in dat liedje zingt, iedereen wel eens en zo ook de personages in deze roman. En hoewel de titel van de roman lijkt te verwijzen naar een waterplant, dringt zich toch ook de associatie op met de benaming die in sommige Utrechtse studentenkringen wordt gebezigd voor (meestal oudere) lesbiennes met een kort, pittig kapsel, namelijk een ‘egel’. Verschillende vrouwen in Egelskop genieten de vrouwenliefde.
Vrouwenstrijd
Water, treurwilgen langs de rivier, schrijvertjes, de rietachtige egelskopwaterplant en (op) een brug (staan) zijn belangrijke motieven. Figuurlijk is de brug een brug die verleden, heden en zelfs een potentieel alternatief scenario met elkaar verbindt. Als Jo en Levi aan de man raken en beiden zwanger zijn, grijpt de vertelster in. ‘Hier stopt het verhaal.’ Er komen geen kinderen en deze ‘knip’, zoals de schrijfster dat zelf noemt, refererend aan het doorknippen van de navelstreng, geeft hun ruimte voor een eigen leven. Paradoxaal genoeg zou de verstelster er zelf in haar alternatieve scenario niet zijn geweest: ‘Wanneer [Jo en Levi] niet mijn opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zou ik niet geboren zijn, hadden zij misschien een vol leven kunnen leiden.’ Ze brengt daarmee symbolisch een ode aan deze vrouwen, wier leven uitgegumd lijkt, en een persoonlijk offer namelijk het uitgummen van haar eigen bestaan. Het beeld van de noodlottig gezonken gezinsauto is daarbij veelzeggend: de ‘bel’ die de auto achterlaat op het water wordt beschreven als een knoopjesnavel, een litteken.
Egelskop is toegankelijk geschreven en hoewel uitgebracht als volwassenenroman ook zeer geschikt voor leerlingen uit de bovenbouw van de middelbare school. Soms is er een leuke woordspeling zoals ‘bukkenootjes’ voor beukennootjes, waarvoor je immers moet bukken om ze op te rapen. Een enkele keer gebruikt Tops opvallende beeldspraak, bijvoorbeeld ‘knieën als hopjesvla’ of een Brabants woord zoals ‘een haffeltje’. Teddy Tops heeft haar roman over vrouwengeschiedenis, moederschap en feminisme zorgvuldig ingebed in de grote geschiedenis én verbonden met persoonlijke geschiedenissen. ‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met een kleine daad,’ parafraseert ze in het begin van haar roman Remco Camperts gelijknamige gedicht, om er tegen het eind van het eerste hoofdstuk als eerbetoon aan haar grootouders aan toe te voegen dat hun verzet een aaneenschakeling van kleine daden bevatte.
‘Ik verzin levens’ zegt beeldend kunstenaar en schrijfster Joke van Vliet in een interview. Dat wil niet zeggen dat niets echt gebeurd is in haar eerste roman Niets is echt gebeurd, integendeel. Een bezinksel van zoekende mensen vormt de klei waarmee haar fictieve personages gekneed zijn. Dat levert een duizelingwekkend verhaal op dat start met de traumatische jeugdervaring van hoofdpersoon Daan en dat een zoektocht is naar een eigen weg in het leven. Een weg die bezaaid ligt met onzekerheid en vragen over moederschap en talent, kunst en schoonheid en met gemis, pijn, verdriet en eenzaamheid.
De fabel van het verhaal is de volgende: Daan, eigenlijk Danaë, den Dolen woont in een rijtjeshuis met haar vader en moeder. Moeder is professioneel fluitiste, vader werkt als modelfotograaf in een eigen studio. Als Daan negen jaar jong is verlaat moeder het gezin. Daan denkt dat dat haar schuld is. Vader verkoopt het huis en Daan en vader gaan in de fotostudio wonen waar Daan al gauw bij zijn werk betrokken wordt. Ze gaat later naar de fotovakschool. Als haar vader jaren later in een verpleeghuis overlijdt, trekt Daan in bij zijn laatste verpleger Don. Daan wordt min of meer tegen haar wil moeder en huisvrouw. Het dochtertje wordt in de roman consequent enigszins afstandelijk ‘de baby’ en ‘het kind’ genoemd. Daan en Don raken steeds verder van elkaar verwijderd. Als ‘het kind’ negen jaar is, verlaat Don na verwijten van Daan en een knallende ruzie het gezin. Hij laat een afscheidsbriefje na: ‘Zeg Finne dat ik van haar houd’. Daan raakt de weg kwijt, verwaarloost zichzelf en haar kind. Het boek begint als Daan zich in die deplorabele toestand bevindt. Ze maakt al snel duidelijk dat ze een afschuwelijke daad heeft begaan die ze niet meer ongedaan kan maken.
Verstikkende kinderliefde
De 25 korte hoofdstukken van de roman beschrijven vanuit Daans huidige hallucinante perspectief fragmentarisch en niet-chronologisch het thema moederschap. Daan bevraagt haar eigen schuldig leven en zoekt naar waarheid en betekenis. Moeder maakte thuis altijd muziek en wilde niet gestoord worden, alleen poes Babushka mocht even langskomen. Dat de poes zo heet, is overigens niet zonder betekenis, zoals niets in deze roman. Babushka is Russisch voor grootmoeder en is de benaming die in Nederland gebruikt wordt voor de matroesjkagelukspoppetjes. Moeder, Daan en Finne zijn in feite ook drie van die poppetjes. In Daans beleving en herinnering is haar ‘slechtheid’ de oorzaak van haar moeders vertrek, zij heeft bijvoorbeeld een keer de gaatjes en het mondstuk van haar moeders fluit vol met klei gestopt. ‘Ze was een manipulatief diertje dat alles opeiste’ overdenkt ze nu. Vader zegt op zijn sterfbed dat moeder heeft gekozen voor haar talent en haar carrière, voor haarzelf dus, omdat zij sinds Daans geboorte niet meer kon fluiten zoals ze wilde en het niveau niet meer haalde. ‘Een kind zonder haar ouders gaat dood,’ zegt Daan later tegen een buurvrouw, om vervolgens met haar dochtertje in een soortgelijke spagaat tussen een eigen leven en een leven in dienst van een kind te belanden. Ze voelt zich na de geboorte van haar dochter zowel een gekooide tijger als een parkietje dat op een stokje zit te wachten tot het jong groot genoeg is. Het loopt niet goed af met moeder en dochter.
Van Vliet snijdt een belangrijk en actueel thema aan met het moederschapsjuk. Het is een gegeven waar veel vrouwen die een eigen (werkzaam) leven willen leiden mee te maken hebben. Sommigen, zoals Charley Toorop of Andreas Burnier besteedden hun kinderen als ‘ontaarde moeders’ uit om te kunnen werken, anderen, zoals de vroegtwintigste-eeuwse Amsterdamse Joffers als Coba Ritsema en de latere Jeanne Bieruma Oosting kozen er bewust en nadrukkelijk voor alleenstaand en kinderloos te blijven. En niet alleen kunstenaarsvrouwen hebben hiermee te maken. Teddy Tops recent verschenen roman Egelskop gaat over niet-ontwikkeld vrouwentalent door opgelegd huisvrouwen- en moederschap en één van de ‘B’s’ van de recente Zuid-Koreaanse 4B-beweging (B = ‘ni’ oftewel ‘nee’) zegt ‘nee’ tegen het moederschap om eigen ruimte voor vrouwen te behouden.
Daan heeft van jongs af aan een zogenoemd lui oog. Later verliest ze door een vuiltje in haar andere oog ook daarin het zicht en is ze nagenoeg blind. In deplorabele toestand ploetert ze zich uitgehongerd een weg door een langzaam maar zeker totaal vervuild huis, wat onbeschrijflijk sinistere scènes oplevert in een decor van ratten en kattenpoep, geschreven in een gedetailleerde, filmische stijl. Het wel of niet zien speelt een grote rol in de roman. Daans vader zegt dat Daan ‘het oog’ heeft, van een vakfotograaf bedoelt hij, Daan beschrijft de ogen van haar moeder zoals ze in een verte staarden toen ze voor haar vertrek fysiek nog bij het gezin was. Er worden gitgele meeuwenogen genoemd, de argwanende ogen van poes Maria, grotvissen zonder ogen. Partner Don sluit als verpleegkundige in het hospice duizenden ogen.
‘Wie noemt zijn kind nou Danaë, naar een cycloop?’ vraagt Daan zich af. Is Daan ook wat dit betreft in de war, of vergist de schrijfster zich hier? Danaë is in de Griekse mythologie geen cycloop. Wel zijn er parallellen met de mythologische Danaë in Niets is echt gebeurd.
Schoonheid, talent en moraal
De roman bevat heel veel betekenisdragende elementen. Er valt werkelijk geen mus dood van het dak zonder betekenis, of het nu een moedervlek is, een abrikozenpit, een oehoeënde uil, insecten, aanraking en zintuigen, de Etna en lava, een ballerinapopje of verschrompeld fruit, gebladerte, fossielen, medicijnen, het heelal, ruimtehond Laika of de Bijbel. De naam van poes Maria verwijst naar Daans moeder, over wie Daan zich op een moment afvraagt of zij misschien niet meer dan een verschijning was, zoals Maria voor Bernadette. Schoonheid en (onbetrouwbare) herinneringen zijn de belangrijkste motieven. ‘Een mens moet voortdurend op zoek naar schoonheid,’ zegt Daans moeder, ‘de rest doet er niet toe.’ Daan vraagt zich vervolgens af wat schoonheid eigenlijk is, of die werkelijk iets teweegbrengt en of dat belangwekkender is dan thee schenken, veters strikken, een enkel kind verzorgen? Tegelijkertijd leert ze dat talent niet vrijblijvend is en dat ook zij dus iets met haar talent zou moeten doen.
Draait het in het leven om de zoektocht naar goed of fout of bestaat dat onderscheid niet en zijn goed en fout slechts afspraken, vraagt Daan zich af. Is een mens vrij om zijn eigen moraal te bedenken? Door haar poging het beter te doen dan haar moeder, is het Daan niet gelukt om van haar te leren, constateert ze met terugwerkende kracht. Het liefst zou ze als een vlinder naar een volgend stadium groeien. En zo voelt ze zich uiteindelijk: als een vlinder die ontwaakt uit zijn overwintering, verleid door een reepje binnenvallend licht – als in de fotostudio van haar vader en als op de omslag van het boek.
In 2022 debuteerde Joke van Vliet met de verhalenbundel Wanneer de herten komen. De werkelijkheid omvat meer dan zijn feitelijke beschrijving, zei ze toentertijd over de verhalen in die bundel. In deze roman is dat zeker ook het geval, wat versterkt wordt door een beschrijving die sterk inzoomt op heftige gebeurtenissen. Het is en blijft de vraag, niet alleen voor Daan, wat uit de romanwerkelijkheid echt gebeurd is. Dat Daans strijd en gedrag mededogen oproept is een verdienste van de schrijfster die in een zelfbewuste stijl met veel verbeelding een werkelijkheid creëert die bij tijden surrealistisch aandoet, maar ook meeslepend en overtuigend is.
Kookpunt van de Marokkaans-Nederlandse schrijfster Nisrine Mbarki Ben Ayad is een veelomvattend prozadebuut omdat de zeven verhalen die samen de roman vormen zich afspelen op vele locaties in Noord-Afrika en West-Europa, omdat veel motieven en personages een rol spelen en omdat belangrijke historische gebeurtenissen de revue passeren. Veelomvattend ook, omdat de roman Nederlandse lezers op een originele manier aan het denken zet over Euro- of Nederlandcentrisme en inzicht geeft in de binnenwereld van personages met Noord-Afrikaanse wortels of banden.
Het vereist de nodige inspanning en wilskracht om je gerieflijk in de romanwereld van Kookpunt te bewegen, wat een lezer laat ervaren hoe (moeilijk) het kan zijn om je een ‘vreemde’ omgeving eigen te maken. Zo staan er in de roman de nodige Arabische teksten, bijvoorbeeld de opdracht voor in het boek, het motto bij het eerste verhaal en de hoofdstuktitel van het vierde verhaal Maria de Maagd en soms in de verhalen zelf. Ook hebben de meeste personages Arabische namen als Si Boujamaa Skerbik, Ydder Bel Abbes, Samia, Zainab, Salma Murqus, Malak Benayad en Hadj Bachir. Dit alles levert een enigszins vervreemdend (lees)ervaringsfeit dat nieuwkomers in Nederland maar al te goed kennen als levenservaring, namelijk net even wat meer je best moeten doen. De schrijfster zet de lezer daardoor niet alleen aan het werk, maar confronteert ook en dwingt tot waardevolle introspectie.
Africentrisch
Utrecht, Brussel, Amsterdam en Parijs figureren in de verhalen, maar het zijn vooral Noord-Afrikaanse en Arabische landen als Marokko, Algerije, Egypte en Syrië die een rol spelen. Mbarki wijst de lezer via haar personages en de verhalen op een lange geschiedenis van kolonialisme en imperialisme en noemt meer en (vooral) minder bekende historische feiten vanuit Afrikaans/Arabisch-perspectief. In november 1884 werden de Afrikaanse continenten op een conferentie in Berlijn ‘door zeven gulzige kolonisten (…) met een liniaal verdeeld’ in veertig landen, ‘met alle desastreuze gevolgen van dien’ schrijft ze in het derde verhaal, ‘Zalamit’, over Ydder Bel Abbes uit Algiers die dan in Brussel woont. ‘Ydder dacht vaak aan de kaart van Algerije (…) hij zag de onnatuurlijke lijn die zijn land scheidde van Mauretanië, Mali en Niger.’
Hij denkt overigens ook met weemoed aan zijn marxistische medestudente Malak, aan haar geliefde die de Franse nucleaire atoomproeven vanaf de jaren ‘60 op de Bikini-eilanden en in Algerije onderzoekt en onder verdachte omstandigheden omkomt, en aan haar latere echtgenoot Hadj Bachir die juist bij de ontwikkeling van dat atoomprogramma betrokken was. In andere verhalen wordt het gewelddadige optreden van de politie bij een massademonstratie van Algerijnen in Parijs in 1961 genoemd (waarbij behalve dode ook honderden gewonde Algerijnen in de Seine werden gegooid en verdronken), het broodoproer in Marokko in juni 1981 en de burgeroorlog in Syrië vanaf 2011. De eerste twee zijn bekende historische feiten voor Noord-Afrikanen, minder of helemaal niet voor West-Europeanen.
Ook aardrijkskundig wordt de Eurocentristische blik blootgelegd en ontmaskerd. Op de omslag van het boek prijkt een beeld uit de Tabula Rogeriana, een atlas die in 1154 is voltooid door cartograaf Muhammad al-Idrisi. Helemaal achterin de roman is een wereldkaart opgenomen die, anders dan de bekende mercatorvariant, recht doet aan de werkelijke groottes en verhoudingen van landen in de wereld. Daarop is bijvoorbeeld te zien dat West-Europa bijna in zijn geheel in Algerije past! De Nijmeegse professor politieke geografie Henk van Houtum pleit al enkele jaren voor het ‘bevrijden van de kaart’ (‘free the map’) in vele opzichten. Mbarki wil met deze uitsmijter ook duidelijk en terecht zo’n punt maken en een andere blik op de wereld(kaart) werpen.
Nostalgie en dualiteit
De zeven verhalen van de roman zijn afzonderlijk van elkaar te lezen, maar vormen een groter samenhangend geheel doordat dezelfde personages soms terugkomen. Het eerste verhaal, geschreven vanuit een ik-perspectief, gaat over een meisje dat tot dan toe in Brabant is opgegroeid en op jonge leeftijd door haar ouders naar grootmoeder in Marokko wordt verhuisd, wat de schrijfster ook heeft meegemaakt. In de roman verongelukken de ouders, in het leven van Mbarki gelukkig niet. Voor de jonge ik-persoon én voor de schrijfster, zo heeft ze zelf regelmatig in interviews gezegd, is deze emigratie in meerdere opzichten een verrijking. Stoffige straten ten spijt geniet ze van de nieuwe, rijke wereld en taal. In alle verhalen wordt op een overtuigende wijze een positieve, warme Noord-Afrikaanse couleur locale geschilderd. Een belangrijke overeenkomst in veel van de verhalen is het ‘zevenkoppig monster van nostalgie’ naar geuren, kleuren, sferen en chaos. Suad uit het verhaal ‘Anba Antonius’ begrijpt niet hoe mensen kunnen leven in de geordende wereld die Europa is.
Mbarki Ben Ayad zelf keert in haar tienertijd wel weer terug naar Nederland. In sommige verhalen blijkt opgroeien in twee verschillende landen en culturen en je intrinsiek tot beide verhouden niet eenvoudig. Cultuurrelativisme, afwijzing en racisme helpen daar niet bepaald bij. In het voorlaatste (titel)verhaal ‘Kookpunt’ komen de emoties van identiteit en thuis tot een kookpunt als de hoofdpersoon in dat verhaal, hetzelfde personage als in de eerste twee verhalen, in Nederland racisme en uitsluiting gaat ervaren. ‘Alles is hetzelfde, je bent alleen vele tinten donkerder.’ De wereld is zwart-wit geworden, gekleurde mensen worden niet gezien. Via struikelstenen wordt er in de wijk verwezen naar de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog en gerefereerd aan 9/11 in 2001.
Sindsdien worden bij douanecontroles mensen met Arabische namen juist wél gezien. ‘Fouad en ik belichamen een gevaar dat alleen witte mensen zien’, constateert het ik-personage in het tweede verhaal ‘Moedermelk’ en ‘de menselijke empathie heeft zelfmoord gepleegd op het witte continent’. In dat verhaal stelt de ik-persoon ook: ‘Wat Fouad niet weet, is dat ik alle dualiteit uit mijn leven probeer te bannen’. De ik in dit verhaal heeft een terugkerende nachtmerrie over een verdrinkingsdood in een zee van moedermelk en er zijn rekeningen met moeder te vereffenen. Een moeder trouwens die in het laatste dystopische verhaal ‘Matrice’ een positieve sleutelrol vervult.
Eerder verscheen van de meertalig literair vertaler en programmamaker Mbarki de dichtbundel Oeverloos. Haar poëtische kwaliteit blijkt in haar prozadebuut Kookpunt. De roman is verzorgd geschreven, de stijl is beeldend en brengt de lezer naar andere plaatsen en tijden: ‘De klamme zomer en de loomheid waarin de stad deze zomer is verzonken en de herinnering aan Hadj el Bachir katapulteren hem terug naar zijn ouderlijke straat in Algiers, vijfendertig jaar geleden, naar de tijd dat zijn broekzakken gevuld waren met een oneindige hoeveelheid dromen, frustraties en enkele muntjes voor koffie en een sigaret.’ Dit denkt Ydder vanaf een terrasje in Brussel, de stad waar hij zo van houdt omdat iedereen er een vreemde is, omdat alle talen er gesproken worden en ‘het continent’ vertegenwoordigd is. Een ideale wereld dus. Hij bestaat.
In de Regenboogreeks van de Groningse uitgeverij Kleine Uil is kortgeleden De huilende libertijn van Andreas Burnier opnieuw uitgegeven. Deze derde roman van Burnier uit 1970 wordt wel haar meest feministische boek genoemd. De heruitgave is een nieuw wapenfeit in de Burnierherleving van de afgelopen jaren: in 2010 is de stichting Andreas Burnier opgericht en in 2015 verscheen een biografie over haar van Elisabeth Lockhorn. Deze biografie ging bij Burniers twintigste sterfdag in 2022 in herdruk, toen ook de privédomeinuitgave Elk boek is een gevaar verscheen met autobiografische teksten, samengesteld door Ronith Palache. In datzelfde jaar gingen bij uitgeverij Atlas zowel Burniers debuut Een tevreden lach (1967) als Het jongensuur (1969) in herdruk. Het jongensuur verscheen daarna voor het schooljaar 2024-2025 als Lijsteruitgave (bij Noordhoff) voor middelbare scholieren en in diezelfde periode werd door Toneelschuur Haarlem het stuk Jongensuren opgevoerd, gebaseerd op Burniers eerste twee romans. Dit stuk is in september 2025 zelfs in reprise gegaan.
De aanhoudende hernieuwde aandacht voor Burniers werk en deze heruitgave van Kleine Uil passen naadloos bij de maatschappelijke bewustzijnsgolf van het laatste decennium waarin #IkOok, woke, lhbtqia+ en vrouwonveiligheid een rol spelen. Op iets voorbij een derde van De huilende libertijn loopt hoofdpersoon Jean Brookman ’s avonds door een Noord-Frans dorpje op weg naar huis. Ze hoort voetstappen achter zich en schrikt. ‘Niet weglopen als je bang bent’ is een wijze les van haar moeder, dus ze blijft staan. De betreffende man verbaast zich erover dat zij als jong meisje bij avond en duisternis alleen over straat loopt. ‘Ja (…) en u loopt ook alleen hier en (dat is) zowel uw als mijn goede recht,’ antwoordt Jean. De werkelijkheid blijkt ook daar en toen weerbarstiger. ‘Moreel, wijsgerig, historisch, de facto en sociologisch had ik het grootste gelijk van de wereld,’ zegt de schrijfster – maar ze krijgt het niet, blijkt uit het vervolg in de roman.
Strijdbare libertijn
De huilende libertijn gaat over Jean Brookman. Ze is aan het begin van het verhaal 22 jaar en woont dan al drie jaar samen met Corinne. Ze heeft een ‘crush’ op de oudere kunstenaar en intellectueel Laïs, die nog vele andere meisjesaanbidsters heeft. Voor Laïs reist Jean naar Málaga, waar ze Laïs’ onbereikbare, geliefde Stéphanie moet opzoeken. Via Stéphanie komt Jean in contact met de Spaanse Paola. Paola werft en traint partizanen voor een bevrijdingsbeweging, we schrijven 1970, die het Francoregime omver moet werpen. Jean sluit zich aan bij een trainingsgroep maar met een dubbele agenda, namelijk het oprichten van een geheime academie voor vrouwenbevrijding. Deze zal vrouwen gaan trainen en opleiden opdat ze sleutelposities in de wereld kunnen verwerven en uiteindelijk de macht over kunnen nemen van de heersende mannen. Vijftien jaar later is de geheime academie van Jean ver gekomen, maar tot een volledige machtsovername komt het nooit. Er zijn weliswaar meer prominente vrouwen in de wereld, er zijn wat meer kansen, maar ‘de totale structuur krijg je niet omver’. Bovendien zullen vrouwen het leger nooit in handen krijgen en zijn ze fysiek niet opgewassen tegen het geweld van politiemachten bij grote demonstraties. Die demonstraties vinden plaats, maar worden inderdaad gewelddadig neergeslagen. Op veertigjarige leeftijd is Jean niet meer de romantische redder van de vrouw. Ze schrijft gedichten en hoopt voor haar vijftigste één boek te publiceren: Beyond Reductionisme.
De kracht van de roman zit ‘m in de eerste plaats in de zelfverzekerde en volstrekt autonome toon waarmee de hoofdpersoon en de schrijfster het heersende ‘seksefascisme’ beschrijven en verwoorden en zich in een wereld vol onderdrukking bewegen. In De huilende libertijn is sprake van een parallelle wereld van vrouwen die zich, zoals het een libertijn betaamt, niet aan de gevestigde regels van geloof en moraliteit houden. Burniers personages zijn vrouwen die de vrouwenliefde uitbundig consumeren: jong en oud, kunstenaar, studente, activiste en diplomate. En ook al zijn ze als vrouwen tweederangsburgers, zoals de libertijnen in het antieke Rome – vrijgelaten slaven die wel enkele, maar niet alle menselijke rechten genoten – ze trekken zich daar niets van aan en leven hun leven dwars door beperkingen, vooroordelen en gevaren heen. De sterke toon van de roman uit zich daarnaast in een hilarische schrijfstijl die bol staat van aanstekelijke hyperbolische beschrijvingen, cynisme en grimmige humor. De ‘alleenheersende sekse’ die de vrouwelijke helft van de mensheid doelbewust en structureel onderdrukt krijgt er voortdurend van langs. Het zijn ‘rancuneuze baardmansen en kakkineuze vestdragers’ die hun eigen belangen en die van hun bevriende seksegenoten behartigen. Vrouwen worden door hen uitgebuit als huis- en lastdier. ‘Tradwifes’ noemt Burnier ‘aan masochisme verslaafde huis- en industrieslavinnen’.
In de nieuwe wereldorde waar Jean en de haren voor vechten worden de rollen omgedraaid. Vrouwen hebben op tal van plaatsen in de wereld sleutelposities verworven: van het Engelse Lagerhuis tot aan universiteiten in Caïro en Karachi. Meisjes zijn van jongs af niet meer afhankelijk van jongens en mannen maar geconditioneerd tot het gebruik van mannen als consumptiegoederen of huisbedienden: een vriendje dat voor hen kookt, wast, typewerk verricht. Voor de broodnodige seksuele bevrediging van heteromeisjes en -vrouwen zijn er jongensbordelen. De omdraaiing wordt wat potsierlijk bij de introductie van het heilige boek ‘Lebijb’ met de hemelse Moeder en de verwachte terugkeer van Haar Dochter als Verlosser op aarde.
Vrouwenbevrijding
De huilende libertijn is vooral geschreven vanuit hoofdpersoon Jean Brookman die optreedt soms als ik-persoon en soms als de oudere vertelster die ze aan het eind van het boek is. Deze twee stemmen vallen uiteindelijk samen. Daarnaast is de schrijfster Burnier zo nu en dan expliciet aanwezig. Ze spreekt de lezer toe om iets uit te leggen, bijvoorbeeld dat een roman meestal bewust gestructureerd is of dat een ik-verhaal niet per se op waarheid berust. Zo nu en dan is er ook een enigszins flauwe passages toegevoegd waarin ze de lezer uitlegt waarom ze kiest voor een bepaalde beschrijving: ‘ik had nou inenen gloeiende zin om (…) die vervelende etter, die gluiperd, die stinkende otter (etc.) eens mooi het Binnengasthuis in te slaan.’ Ook het gedeelte waarin ze een verteller/vertaler, een uitgever en zijn vrouw tussen haakjes commentaar laat leveren is bijzonder.
De Joodse wetenschapster met een heftig WOll-onderduikverleden Catharina Irma Dessaur, zoals de schrijfster Andreas Burnier eigenlijk heet, is duidelijk in deze roman te herkennen. Haar niet-aflatende gevecht tegen vrouwenonderdrukking en haar strijdbaarheid voor de vrouwenliefde zijn hoofdthema’s van het boek. Er wordt een menora ontstoken en uitgekeken naar ‘joodse bruidjes’, 99 procent van de ‘duitse’ (standaard door Burnier met een kleine letter geschreven) literatuur bestaat uit verward ‘gezeur en gezeik’. En vooral Jeans hang naar kennis valt op. Ze wil niets liever dan altijd blijven leren, ‘eeuwige consumptie’ noemt ze het. Ze studeert filosofie maar zou ook graag fysica en sterrenkunde, biochemie en biologie studeren – alles beter dan ‘iets met een studie te moeten gaan doen’ (‘o duister schrikbeeld, o ravijn van verval’).
‘Voor een vrouw is het voldoende als zij voor een hooiwagen opzij kan gaan’, was de lijfspreuk van Corinnes grootvader. In het licht van de vrouwenstrijd is het eindresultaat zowel in de roman als in de echte wereld misschien om te huilen. Jean concludeert enigszins gedesillusioneerd: ‘Het hoogst bereikbare is dat er in plaats van tien, honderd vrouwen op deze aarde als mens kunnen leven.’ Maar voor wie zich herkent in de strijd en het leven in de marge is de roman een feest van herkenning en een verademing om te lezen, zeker ook door Burniers scherpe stelligheid en aanstekelijke humor. Kleine Uil wordt bedankt voor deze heruitgave.
We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.
Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.
Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.
Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’ Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.
Adri Altink
Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.
Nadat ik De Nacht beeftvan Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989). Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.
Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.
Martin Lok
Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval.
Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.
De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’
In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’
Ronald Bos
Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederlanddoor Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?
De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.
Dilemma vanErna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijkgraag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.
Joke Aartsen
In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse,Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen,Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel.
Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.
De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.
Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen.
Marjet Maks
Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel,Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was.
Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.
Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter.
Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes.
Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.
Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.
Hettie Marzak
De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripettavan Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.
Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.
De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.
Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.
Els van Swol
De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!
De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.
Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).
Ingrid van der Graaf
Ingezonden lezersreactie:
Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’
Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent, maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.
‘Ik voer onze divina commedia op’ zegt Felix aan het begin van de prachtige biografische roman Mooie Jo. Schrijfster Kristien De Wolf geeft hem en zijn levenspartner Jo een stem in deze roman die een boeiend beeld geeft van het leven van haar oom Jonathan, ‘Jo’, Stormvogel.
De geschiedenis van Felix en Jo samen begint wat Felix betreft in 1974 in de Astrabioscoop in Antwerpen tijdens een vertoning van de film Papillon. Als Felix maar enigszins de kans krijgt vertelt hij het ‘Astra-verhaal’, zegt Jo. Jo ziet hem die keer niet maar hij heeft vrede met Felix’ versie, want het is ‘ons scheppingsverhaal, onze oerknal (…)’. Volgens Felix is Jo onweerstaanbaar mooi. Hij heeft Mona Lisa ogen, waar hij op foto’s meestal mee in de verte staart. Op die foto’s ziet hij er te oud uit voor zijn jaren, zegt Felix, en meestal ook slechtgezind. Die laatste kwalificatie is geen verwijt, voegt Jo toe, ‘Hij leerde mij kennen. Dat is alles.’
Jo groeit op vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw in Vlaanderen in een goed katholiek gezin. Daar is hij op twaalfjarige leeftijd slachtoffer van misbruik door een aalmoezenier van de scouting die een familievriend van het gezin is. Vanaf die hete zomer ‘springt de duivel uit zijn mond’, zoals hij het zelf zegt, en is hij onhandelbaar op de middelbare school. In het boek wordt vooral de latere volwassen periode uit het gezamenlijke leven van Felix en Jo beschreven. Het lijkt het goed gekomen met Jo, maar de roman laat vele achterkanten van die buitenkant zien.
Lieve vriendschap
Misbruik is een belangrijk thema: hoe het ontstaat, hoe een kind erin wordt meegezogen en wat de gevolgen zijn. Broeder Marc, die het volledige vertrouwen geniet van Jo’s moeder en die volgend jaar Jo’s godsdienstleraar zal worden, bouwt het ‘vriendengenot’ langzaam uit. Jo mag met hem mee uit smokkelen, eerst één keer per week, later vaker. Hij geniet van deze tochten, van traktaties, van de verhalen van de Boeddha, zoals hij hem vanwege zijn postuur noemt, en van de lieve vriendschap. Hij voelt zich geliefd en gewild. Dit verandert als de Boeddha de allang overschreden grenzen verder overschrijdt. ‘De nieuwe dingen zijn kleverig en vies. (…) Ik wil dit niet meer doen, zelfs als het gevoel in mijn buik een fijn gevoel is (…).’ Kort daarna verdwijnt de Boeddha. Jo blijft achter met een voor hem onoplosbaar schuld- en schaamtegevoel en met angst en onzekerheid omdat hij niet weet bij wie of waar hij absolutie kan vragen. Misschien mist hij de Boeddha zelfs wel. De knappe beschrijving van het spel van macht, misbruik, ontluikende seksualiteit, verwarring en kwetsbaarheid laat heel goed zien hoe schrijnend subtiel zo’n proces zich voltrekt en hoe het een leven lang doorwerkt.
Later, op het seminarie, ontwikkelt Jo weer een vertrouwensrelatie met een volwassen geestelijke, namelijk met pater Augustinus. Deze pater is verliefd op Jo, maar houdt zijn handen thuis. Ze bouwen een sterke vertrouwensband op en Augustinus is de enige tegen wie Jo ooit over zijn misbruikverleden vertelt. Als Jo de opleiding al lang en breed verlaten heeft en samenwoont met Felix zoekt Augustinus hem nog altijd op. Hij is levenslang belangrijk voor Jo.
Ook Felix ontkomt niet aan grensoverschrijdend ‘vriendenplezier’. ‘Gelukkig was hij al een flink pak ouder toen het hem overkwam’, zegt Jo. ‘Ik was een hoer en ik wist het zelf niet’, quasigrapt Felix zelf in retrospectief. Hij laat zich namelijk voor het misbruik betalen met materiële zaken als een horloge, een platenspeler, gratis kunstlessen enzovoort.
Wisselende perspectieven
Homoseksualiteit is een ander belangrijk thema. Jo stroomt na een aantal rampjaren op de Latijns-Griekse middelbare school af naar een vakschool. Pater Ben inspireert hem om naar het seminarie te gaan. Dat lijkt hem wel wat want het lijkt op de scouts, hij ziet een toekomst in Afrika in het verschiet én hier zou ‘niemand (…) er ooit achter hoeven komen hoe ik was’. Natuurlijk gaat iedereen er wel achter komen, maar gelukkig is het uit de kast komen dankzij zijn vader geen enkel probleem. Pa legt het thuisfront het zwijgen op als Jo met een mannelijke partner aan komt zetten en dat is dat. Felix heeft een moeder die wat dat betreft voor haar zoon gaat staan.
Het laatste hoofdstuk, ‘Papillon’, heeft een citaat van Gerard Reve meegekregen, de schrijver die onder andere ophef veroorzaakte door zijn relatie en samenwonen met twee mannen. In dit hoofdstuk verschijnt Bas ten tonele met wie Felix en Jo in hun boerderijtje Stormnest een periode een gelukkige driehoeksrelatie beleven. Bas’ ouders zijn in wél in alle staten als ze erachter komen dat Bas van de mannenliefde is, maar Jo en Felix weten dit verzet binnen de kortste keren te breken. Jo schrijft een werkelijk prachtige brief naar Bas’ ouders en zij worden in Stormnest te eten uitgenodigd. De brief is onweerstaanbaar. De ouders van Bas én zijn grootmoeder komen en ze worden met alle egards en aanstekelijke liefde en luchtigheid ontvangen door de ouders van Felix en Jo, die ook aanwezig zijn. Lijdend voorwerp Bas zit er even ‘als een bevroren vogeltje’ bij, maar ‘er was niets dan liefde in ons huis’ en niet veel later zit Bas ‘te glinsteren van geluk’.
Onbekende ziekte slaat toe
Vanaf de late jaren ’70 vallen mannen in de omgeving van de hoofdpersonen ‘als vliegen’ door een onbekende ziekte. In de VS schijnen dokters niet meer bij lijders aan de zogenoemde homokanker langs te willen komen. In homocircuits wordt iedereen op zichzelf teruggeworpen en heerst de angst. Sommigen worden hypochonder, anderen proberen te doen alsof de ziekte en het noodlot dat hun vriendenkring treft niet bestaat.
Buiten de proloog, getiteld Alles leeft, en de epiloog met de titel Niets eindigt heeft het boek vijf hoofdstukken. Felix blikt eerst terug op Jo en hun gezamenlijke leven, daarna wordt vanuit Jo’s perspectief vooral zijn tijd tot het seminarie beschreven. In de andere drie hoofdstukken wordt vanuit de wisselende perspectieven van Jo, Felix en pater Augustinus door hun geschiedenis gemeanderd, waarbij een volgende verteller de draad steeds weer oppakt van zijn voorganger en het verhaal verder breit, een afwisseling die de lezersblik op een prettige manier verruimt. Het taalgebruik in de roman is verzorgd, fraai en origineel en gelukkig niet helemaal ontdaan van Vlaamse accenten.
‘Je moet leren om de bui te pakken’, zegt Jo tegen Bas. ‘Gewoon blijven staan. Het is maar water.’ De buien die over hemzelf uitgestort worden, zijn niet zo makkelijk te verdragen. Hij doet zijn best maar gelukkig worden is voor hem niet eenvoudig. Hij trekt zich meer en meer terug, zet ‘streepjes op de muren van zijn cel’ die het leven voor hem is. Het is een verdrietig slot van een liefdevol en mooi geschreven roman over mensen en (familie)relaties tegen het decor van de tweede helft van de twintigste eeuw in Vlaanderen die zeer de moeite van het lezen waard is.
Willem du Gardijn heeft met Het koor van de 300 moordenaressen een indrukwekkende roman geschreven over repressie en wat dat met een mens doet. We schrijven de Koude Oorlogtijd, met name de jaren ’80 van de vorige eeuw in Oost-Berlijn. ‘Für Frieden und Sozialismus…’ is de groet die pioniertjes van 6 tot 14 jaar jong massaal beantwoorden met ‘… seid bereit – immer bereit’. Hoofdpersonen Lena en Maksa zitten aan het begin van de roman in de tram als er twee volksagenten instappen die tegenover hen gaan zitten en naar hen kijken. Lena schrikt, maar probeert zichzelf gerust te stellen. ‘Mag hij?’ vraagt ze zich in stilte af? ‘Ja dat mag hij, want niets is verboden in dit land waar alles verboden is.’ Ze voelt zich ongemakkelijk, gegeneerd, betrapt. Ze zou neutraal naar buiten willen kijken, maar dat lukt niet. Er zijn vele zaken in haar leven die ze liever anders zou zien, maar die onveranderbaar zijn gebleken.
De eerste drie van de in totaal zes hoofdstukken die de roman telt sleuren de lezer indringend mee in de beklemming van leven in een totalitair geregeerd land en in de paranoia, waanzin, onzekerheid, angst en het wantrouwen die de bijbehorende controle voor individuele mensen met zich meebrengt. Grip krijgen op het verhaal vereist de nodige aandacht, omdat het niet alleen wordt verteld vanuit het wisselende perspectief van de twee vrouwen, maar vooral omdat dat gebeurt vanuit hun innerlijke monologen die in bijpassend eindeloos lang meanderende zinnen de omgeving en hun beider gedachtes, overwegingen en beschouwingen beschrijven. De symboliek is overduidelijk: alleen die ‘Gedanken sind frei’. Zwijgen is goud in hun wereld die beheerst wordt door controle en waarin je niet weet wie te vertrouwen is. Hun onvrijheid en machteloosheid in de stad waarin je – zoals Maksa het verwoordt – schuldig bent om wie je bent, ‘schuldig omdat de zon ondergaat’ is op een knappe manier heel dichtbij geschreven.
Verzet en verraad
Tussen de regels door laat met name Lena regelmatig – in haar gedachtes – meer of minder cynisch en kritisch haar mening of gevoel blijken. Als kind voelt ze al verzet. Ze wil geen vis in een vissenkom zijn, maar één in de zee en en ze weet dat ze daar niet alleen in staat. Ze ‘hoort’ de gedachten vol ontevredenheid van mensen op straat en ze voelt dan al dat ‘de heiningen van het volwassenleven’ inhouden ‘onder het mom van collectiviteit mensen van elkaar te scheiden en te onderscheiden’. Honecker krijgt een veeg uit de pan als ze langs een van de vele alom aanwezige portretten van hem loopt: ‘Als je in de buurt bent van zijn door buislampen verlichte hoofd weet je wat je moet doen, je verzetten tegen nazi’s, die zitten overal.’
‘Sterft gij oude vormen en gedachten’ citeert ze de Internationale net zo cynisch als ze beschrijft wat de nieuwe tijd inhoudt, namelijk blij in plaats van boos zijn met het kleine: ‘(…) als je je niet gelukkig voelt, speel dat je gelukkig bent.’
Maksa is net zo gepijnigd eenzaam en ontredderd, maar ze is uit ander hout gesneden. Lena bespeurt al in het begin van de roman ‘wolken op haar voorhoofd, mijn vriendin heeft iets (…)’, maar Maksa kan er niet over praten. Via haar is vooral invoelbaar hoe mensen tegen elkaar worden uitgespeeld. ‘Ik kan er niet tegenop,’ denkt Maksa, en: ‘Als hij kan liegen, kan ik dat ook.’ Dit leidt halverwege het boek tot een catastrofale clou van een mislukte tunnelontsnapping door verraad waarbij zelfs doden vallen en Lena na vreselijke verhoorsessies in een vrouwengevangenis buiten Berlijn belandt. Maksa kan hierna haar evenbeeld in de spiegel niet meer verdragen, zegt ze.
Louterend zingen
De laatste drie hoofdstukken van het boek beschrijven Lena’s overlevingsstrijd in gevangenschap na de desastreuze ontknoping bij de tunnel naar West-Berlijn die geen tunnel bleek, en Maksa’s wraak uit wanhoop. Weer worden de interne gevechten indringend, inleefbaar en zeer knap beschreven. Met depersonalisatie, buiten haarzelf treden, houdt Lena zich staande tijdens de martelingen. Eenmaal in de vrouwengevangenis in Hohenbrunnen, waarvoor de beruchte vrouwengevangenis in Hoheneck model heeft gestaan, treden er voor haar andere fasen aan. Een louterende rol bij haar mentaal opkrabbelen heeft de samenzang in de gevangenis. Als kind heeft Lena de magie van zingen al ervaren. Ze mag dan wel eens mee naar een zanguitvoering waarin haar moeder meezingt. ‘Met mijn handjesvolle levensjaren [voel ik] aan dat er met zingen iets op het spel wordt gezet.’
Praten zonder strijd en beoordeling, is praten dat op zingen lijkt, een ‘koor van stemmen’ ervaart ze dan al. In de vrouwengevangenis is er een ander koor, een koor van 300 vrouwen die allen op beschuldiging van moord opgesloten zitten. En er is vooral ‘het vrouwtje’, de leider van het koor. Ze blijkt empathisch en geïnteresseerd en ze is verantwoordelijk voor veel verbeteringen in het gevangenisregime. Lena voelt zich voor het eerst sinds tijden niet alleen en dankzij het samen zingen geniet ze. ‘Een koor is het tegendeel van gevangen zijn (…) ik voel geen beperkingen.’ Het zingen werkt helend voor haar. Geloofwaardig of niet: de macht van ‘het vrouwtje’ en het herstel van Lena onder andere door het samen zingen, hoopvol is het in ieder geval. Willem du Gardijn breekt een lans voor een wereld waarin mensen elkaar liefhebben, niet kapot maken. De apotheose van het boek leidt naar vrede en acceptatie, naar vergeving en verzoening.
Met Het koor van de 300 moordenaressen heeft historicus Du Gardijn niet alleen een overtuigende psychologische roman afgeleverd, maar ook – voor wie de Koude Oorlog heeft meegemaakt – een ‘throwback memory’ waarin het Oostblok volop tot leven komt met Trabantjes en Wartburgauto’s, vopo’s en stasi’s. Dit alles tegen het decor van de alomtegenwoordige muur in Berlijn en bij de Friedrichstrasse met het beroemde overstapstation voor reizigers van west naar oost en vice versa, sinds 2011 het Tränenpalastmuseum. Het lachen is velen vergaan maar als er hoop is gebleven lijkt dat terecht, zowel in de echte werkelijkheid als in de verhaalwerkelijkheid van Du Gardijn.
En tóch gebeurt het. In Tomas Lieskes nieuwste roman Wij van de Ripetta ontmoeten de Engelse dichter Shakespeare en de Italiaanse schilder Michelangelo Merisi da Caravaggio elkaar in het 16e eeuwse Rome en trekken ze kort samen op. Zij zijn twee belangrijke personages in de roman. De ‘Wij’ van de Ripetta zijn de stamgasten van het wijnlokaal Ripetta waar de meeste ontmoetingen plaatsvinden. Zij zijn de ‘toeschouwers’, de ‘beschouwers van de lijnen van het lot’, de plukkers van de dag, de vinophilen, wankelmoedigen, dromers, de gasten die achterblijven. Het verhaal wordt met name verteld door een alwetende verteller, maar in de meeste van de zeven hoofdstukken ook deels door deze stamgasten en vanuit hun perspectief leert de lezer de hoofdpersonages vooral kennen. Als een rode draad lopen de kroegscènes door de roman, scènes die een feest om te lezen zijn voor de lezer, die aanschuift bij de gasten in de stamkroeg, denkbeeldig meedrinkt en toehoort, vertrouwd raakt met het meer of minder gezellige gezelschap en mét hen hoopt op een goede afloop.
In het begin van het boek trekt Caravaggio te voet door de Maremma, een kuststreek ten noorden van Rome. De schilder wil weer terug naar Rome, want hij heeft ‘genoeg gezien en in zijn herinnering opgeslagen om alles wat hij aan Bijbelse voorstellingen zou schilderen een landschap te geven (…)’. De ontmoeting met de twaalfjarige onbevangen en vrolijke kwebbelkous Francesco, ‘Cecco’, is een bonus. ‘Ik heb je in het licht gevonden’, zegt Caravaggio en de twee trekken vanaf dat moment gezamenlijk verder. Stiekem zijn hiermee Carvaggio’s belangrijkste handelsmerken uit de doeken gedaan. Al in de Maremma ziet de schilder voor zich hoe hij ‘de hele Bijbel tot geschilderde werkelijkheid van nu en hier wil maken’. Hij hanteert in zijn werk een voor die tijd vernieuwende naturalistische stijl en gebruikt claire-obscureffecten, zoals duidelijk op de omslag van het boek, waarop een afbeelding van Caravaggio’s ‘De roeping van Matteüs’ uit 1599 prijkt – een beeld dat overigens ook een associatie met een stamtafel in de kroeg oproept.
De schrijver en de schilder
De relatie tussen de weerbarstige kunstenaar en zijn jonge vriend is warm en herkenbaar beschreven. ‘Alles kan, als je maar gelooft’, beweert de jonge Cecco. Dat vrolijke optimisme is aanstekelijk, maar een grotemensenwerkelijkheid blijkt toch wat weerbarstiger. Bij aankomst in Rome zijn ze getuige van een nare gewelddadige vechtpartij die Caravaggio later in nachtmerries blijft achtervolgen. De schilder en zijn jonge vriend wonen samen in Rome. Cecco verleent in huis en bij Caravaggio’s werk de nodige hand- en spandiensten. Ook staat hij model voor een schilderij van Johannes de Doper dat Caravaggio maakt in opdracht van de Ciriaco Mattei, een broer van de kardinaal. Er wordt gefluisterd over een intiemer relatie tussen beiden, maar in deze roman is Cecco geen ‘bardassa’, schandknaap.
Will, William, ‘Shaksbird’ doet zijn indrukwekkende intrede in de Ripetta op een middag van een van de allereerste jaren van de zeventiende eeuw. De stamgasten reageren verrast maar vooral geïmponeerd, schilder en schrijver herkennen in elkaar iemand om serieus te nemen. De schrijver en zijn werk en afkomst roepen veel vragen op en dat brengt nieuwe vaart en vrolijkheid in de roman. Will spreekt een ‘zwalkend Italiaans’, hij heeft het bijvoorbeeld over een ‘afluistervink’ of iemand die een ‘beenblok’ is en er zijn grappige verwijzingen naar werk van Shakespeare zoals ‘mijn koninkrijk voor een jas’ en de midzomernacht die meerdere keren langskomt. De stamgasten zijn vooral argwanend over zijn protestants-Britse achtergrond, maar katholiek of protestant is voor Will niet zo relevant: ‘Toneel is mijn geloof’, stelt hij. Hij legt overeenkomsten uit tussen het toneel in zijn thuisland en de paus in de Italiaanse kerk en betoogt dat het in zijn stukken, die veelal in een ver verleden spelen, net als bij Caravaggio’s werk in feite gaat over ‘de politiek van vandaag’ en ‘de keuze tussen goed en kwaad’. In de apotheose van de roman wordt een gelegenheidsstuk van de toneelschrijver opgevoerd door en voor de stamgasten. Vreemdeling Will, die weer terug naar het Britse moet, helpt hiermee zijn kunstbroeder Caravaggio bedoeld of onbedoeld tegen zijn nachtmerries. Hij geeft hem op de valreep ook nog een belangrijk advies voor zijn nieuwste Johannes de Doperopdracht.
Tomas Lieske heeft in 2024 de Constantijn Huygensprijs ontvangen voor zijn hele oeuvre. De jury spreekt onder andere van een fascinatie in zijn werk voor grensgebieden tussen verleden en heden en goed en kwaad. ‘De romans en gedichten van Lieske roepen (…) werelden op waarin wat bestaat niet belangrijker is dan wat niet bestaat.’ Wie werk van Lieske wel eens (te) absurd of surrealistisch vindt, zoals bij de bekroonde titels Franklin (2000, Inktaapprijs) of Niets dat hier hemelt (2023, Bordewijkprijs en nominatie Libris), kan zich zonder zorgen aan deze laatste Ripettaroman wagen. Lieske beschrijft hierin namelijk weliswaar een gebeurtenis die ‘niet kan’, althans onwaarschijnlijk is, en die nooit gebeurd is (voor zover we weten hebben Shakespeare en Caravaggio elkaar nooit ontmoet) maar hij doet dat geloofwaardig en heel realistisch. Wij van de Ripetta is een mooi geschreven, interessant en grappig boek met een vertelling waar je als lezer op een prettige manier in meegenomen wordt.
Het waait wat af in Damian, de nieuwste roman van Edzard Mik. Wasgoed wappert, afval roetsjt langs, een omgewaaide boom verspert de weg, bladeren schieten ‘als afgevuurd’ door de straat en zelfs in jeugdherinneringen van hoofdpersoon Damian en zijn zus Tess stormt het. Damian associeert zijn moeder Charlotte met een harde, gure wind die nooit luwt en voor altijd door hem heen giert. De roman gaat over de herfst van haar leven, vandaar de dwarrelende bruine bladeren op de omslag, vooral beschreven vanuit het perspectief van haar zoon. Wie hij zelf is, weet hij niet zo goed, misschien slechts ‘een blad in de wind’. In het kielzog van zijn privéreflectie gaat de roman over relativering van het mens-zijn, over moraliteit en goed-doen.
Er is ‘weinig grote wereld in de Nederlandse roman van 2024’ stelt het redactioneel commentaar in de NRC van dinsdag 11 maart jongstleden na de bekendmaking van de shortlist van de Librisliteratuurprijs: introspectie overheerst in de huidige ‘autofictie’, met onder andere ‘veel zelfreflectie’. Dit geldt in zekere zin ook voor Miks Damian, maar diens blik naar binnen nodigt tegelijkertijd toch uit tot een blik naar buiten, bijvoorbeeld door reflectie op egoïsme en altruïsme. De roman beschrijft twijfels en weifels van de hoofdpersoon die zijn al dan niet dementerende moeder in huis krijgt en goed wil doen. Hij lijkt een nogal besluiteloze lamme goedzak die niet voor zichzelf opkomt en meent dat hij in zijn moeders ogen ‘nooit een man heeft willen worden die de volle verantwoordelijkheid voor zijn leven op zich neemt’. Wil hij zich om die reden nu zo hardnekkig van zijn goede kant laten zien, vraagt hij zich af, en de volledige zorg voor haar op zich nemen? Hoe oprecht is zijn sociale inborst en empathie eigenlijk?
Sterke vrouw geknakt
Damian woont samen met zijn partner Bianca in een flat en werkt als jongerenwerker bij een jeugdcentrum op het Viooltjesplein in de stad. Hij doet dat graag en geeft om zijn cliënten, maar ziet zijn werk ook door de ogen van zijn moeder: het is er een oude troep, een uitzichtloze bende met probleemjongeren waar weinig eer aan te behalen is. Zijn moeder is altijd een sterke vrouw geweest die nog zelfstandig woont in het huis waar de kinderen zijn opgegroeid. Thuis was toen een gruwel voor haar, ze stond altijd onder hoogspanning, moest zich overeind zien te houden als werkende moeder met een partner die zijn juristenwerk boven alles stelde en letterlijk en figuurlijk de man was die op zondag het vlees sneed. De scènes waarin Damian zijn moeder beschrijft zijn hilarisch en herkenbaar: hij geneert zich als ze met Jan en Alleman geanimeerde gesprekken aanknoopt en beschrijft spottend haar heilige mantra’s. Zo moeten er elke dag tienduizend stappen gemaakt, is binnenblijven als de zon schijnt een doodzonde en is de oude minister-president voor haar de man wiens naam ze niet hardop uit wil spreken.
Damian beschrijft haar sterke geest en haar vitaliteit, maar zijn zus Tess ziet moeder aftakelen. Volgens haar is het niet meer verantwoord dat moeder alleen woont omdat ze vergeetachtig wordt, black-outs en woede-uitbarstingen heeft en soms ronddoolt. Damian betwijfelt dit alles, maar hij staat wel toe dat zijn doortastende zus moeder om die redenen bij hem thuis aflevert – zelf heeft ze het te druk met haar werk. Moeder is wisselvallig in haar reacties. Ze protesteert in het begin, maar er zijn ook momenten waarop ze instemt met bijvoorbeeld verhuizing naar een zorgcentrum of aangeeft dat ze zich niet goed voelt. ‘Ik snap steeds minder wat alles met elkaar te maken heeft (…) ik heb het gevoel dat ik uit elkaar val’. Of moeder wel of niet een ouderdomsgeestesziekte heeft blijft in het midden. Net als in Bernlefs Hersenschimmen worden verwarrende gebeurtenissen beschreven; in die roman vooral vanuit de dementerende, in Damian meer vanuit het perspectief van de naaste omgeving. Mik weet eenzelfde beklemmende onzekerheid en hetzelfde mededogen op te roepen.
Zoekende zoon
Zijn familie is ‘misschien geen ideaalplaatje’, maar dat ongelukkige of gelukkige families juist wel of niet allemaal op elkaar lijken vindt Damian flauwekul. Hij durft niet te bepalen wat geluk is en zelfs niet dát het in het leven om geluk draait. Bovendien denkt hij niet per se in oplossingen. ‘(…) we zouden beter uit kunnen gaan van onoplosbaarheid.’ Hij kan zich niet voorstellen dat de normen en waarden van dit moment en deze tijd een absoluut gegeven zijn. Genderidentiteit, een humane dood, vleesconsumptie en veel andere zaken zijn in enkele decennia in een ander licht komen te staan en hij is benieuwd welke van onze vaste gewoontes en overtuigingen van nu over enige tijd ‘verkeerd’ blijken. Dit is Damian ten voeten uit en maakt hem interessant als romanpersonage dat zichzelf en de wereld beschouwt. ‘Vergis je niet, op hun eigen kleine microschaal zijn mijn jongens met niets anders bezig dan de mensen uit jouw kringen’, verdedigt hij zijn cliënten tegenover zijn geslaagde zakenzus Tess. Hij is gefascineerd door ‘zijn’ jongens die overal lak aan hebben, realiseert zich hardop dat een achterstand niet alleen maar een achterstand is en zou soms zelf wel zo’n jongen willen zijn.
Meegaan in Damians denkwereld is boeiend. Als een Rutger Hauer op de fiets freewheelend door het verkeer weet Damian zeker dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn moeder die liever autonoom dan afhankelijk is. Ondertussen sluit hij zijn ogen voor de realiteit. Hij ziet weliswaar de overeenkomst tussen moeders getekende gezicht en de vervallen voordeur van het slecht onderhouden ouderlijk huis waar de verf afbladdert en het hout rot, maar bagatelliseert haar geestelijke aftakeling. De vraag is of hij zijn moeder met zijn irreële en onverbeterlijke optimisme over haar gezondheid niet juist tekortdoet en ook of zijn schijnbaar onbaatzuchtige acceptatie van moeder bij hem in huis niet vooral is ingegeven door de behoefte aan waardering van haar voor het onzekere moederskindje dat hij is en dat goed wil doen. De waardering die Damian bij zijn moeder zoekt blijkt er uiteindelijk wel degelijk te zijn. De wind gaat liggen en de wolken trekken weg. De hemel is ‘overdonderend blauw’, de zon walst de kamer binnen.
Miks Damian is verzorgd en toegankelijk geschreven. Het is wel wennen dat de ‘werkwoorden van zeggen’ regelmatig ontbreken. Mik gebruikt dus weinig zogenoemde verba dicendi en sentiendi als ‘zegt’ en ‘meent’, wat origineel is maar soms verwarrend kan zijn. De roman beschrijft een overzichtelijke en herkenbare ‘kleine’ wereld, die je als lezer zo groot kunt maken als je wilt.
Een rijke oogst, Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen is een kleurrijk uitgegeven vriendenboek voor de 83-jarige Limburger Van Reen. Het eerste deel behandelt leven, werk en opvattingen van Van Reen, deel twee bespreekt zijn werk in Afrika, de inspanningen voor het uitgeven van oorspronkelijk Afrikaanse literatuur en vertelt over zoon David. David zette zich ook zeer in voor de Afrikaanse zaak maar overleed tien jaar geleden op 45-jarige leeftijd. Het derde deel is met zeven hoofdstukken het omvangrijkst en bevat beschouwingen over Van Reens werk. Tien meer of minder bevriende collega’s, de meeste net als Van Reen zuiderlingen, hebben de bijdragen aan dit liber amicorum geleverd. Het resultaat is een mooi overzichtswerk voor ingewijden en een volledige en zeer gevarieerde kennismaking voor lezers die Van Reen en zijn werk (nog) niet zo goed kennen.
In de eerste drie hoofdstukken wordt Van Reen zelf regelmatig aan het woord gelaten. Er wordt teruggeblikt op zijn zeventigjarige loopbaan en op zijn getormenteerde jeugd. De jonge schrijver houdt van verhalen (vertellen), groeit op in een Rijk Rooms leven en zijn tot dan toe vrij onbezorgde jeugd wordt op zijn tiende wreed verstoord door het overlijden van zijn vader en het feit dat zijn moeder daarna niet meer in staat is goed voor de kinderen te zorgen. De sociale cohesie in het dorp of om precies te zijn het vangnet dat sommige oplettende volwassenen om hem heen bieden legt de kiem voor zijn later zeer geëngageerde instelling. Na de basisschool had hij als oudste zoon van het gezin naar het klein-seminarie gemoeten, maar hij is al op zijn tiende van z’n geloof gevallen. Afkeer van missionarissen heeft hij niet: hij ziet ze als ‘avonturiers’ en ze maken hem nieuwsgierig naar het continent Afrika.
Verteller en Afrikaan
Van Reen is van jongs af aan gefascineerd door ‘verhalen’ zoals die van zijn grootmoeder, die een echte vertelster is. Hij komt uit een schrijversfamilie, is ‘geboren met de gave van vertellen’ en heeft volgens zijn moeder van Onze-Lieve-Heer twee porties taal gekregen in plaats van een portie rekenen en een portie taal. Dit blijkt overduidelijk uit het indrukwekkende oeuvre dat hij heeft opgebouwd. In 1965 debuteerde Van Reen met de poëziebundel Vogels en inmiddels heeft hij honderd titels op zijn naam staan: poëziebundels en vele volwassenen- en jeugdromans. Daarnaast hobbyden hij en zijn vrouw al vanaf 1970 met een eigen uitgeverij die in 1976 professioneel werd. Later splitste deze in een uitgeverij voor Afrikaanse titels (uitgeverij Lijster) en een voor Limburgensia en Brabantia (uitgeverij Corrie Zeelen).
Het tweede deel van het boek beschrijft Van Reens liefde voor Afrika. Voor deze liefde lag er al een fundament door een missionaris-familielid en door de vele boeken over Afrika die hij heeft gelezen. Nadat de eigen uitgeverij vanaf de jaren ’70 titels van Afrikaanse auteurs is gaan uitgeven duurt het niet lang meer voor Van Reen zelf naar Afrika gaat. In Ethiopië en Kenia wordt hij gegrepen door de verpletterende armoede en gaat hij zich met een eigen stichting en projecten inzetten voor kansarme kinderen en betere leefomstandigheden. Van Reen ‘voelt zich Afrikaan’, zegt hij zelf. Hij kan zich erg boos maken over de kolonisatie en erfenissen daarvan, het westerse kapitalisme dat Afrika nog altijd leegzuigt, paternalisme en de vernietigende rol van de westerse religie in Afrika door de eeuwen heen. Ton van Reens zoon David wordt aangeraakt door zijn vaders betrokkenheid bij en liefde voor Afrika en hij gaat zich ook inzetten voor de stichting. Het drama van zijn ongeluk en overlijden krijgt een waardig eigen hoofdstuk in het Afrikagedeelte van het boek.
De schrijver Ton van Reen
In het derde deel wordt Van Reens werk besproken. Het wordt in de literaire context geplaatst, Wiel Kusters bespreekt Van Reens poëzie, en de thematiek in zijn romans wordt uitgebreid beschreven in een artikel van Rob Molin dat eerder in de essaybundel Terzijde van de vulkaan (2012) is verschenen. Ben van Melik wijdt een doorwrocht hoofdstuk aan de ‘surrealistische realist’ Van Reen en de jeugdromans krijgen aandacht in een al even overtuigend hoofdstuk geschreven door Adri Gorissen. Van Reens prozadebuut is de roman Geen oorlog die in 1966 verschijnt, volop aandacht van critici trekt en ‘heel veel deuren’ voor hem opent. Hij zit bij uitgeverij Meulenhoff en maakt even deel uit van de literaire wereld van Nederland. Hij werkt eind jaren ’60 korte tijd mee aan radioprogramma’s in Hilversum en komt bij literatuurfestivals, boekpresentaties en recepties. Van Reen voelt zich echter niet thuis in deze wereld, ze ‘was en is mijn wereld niet’, zegt hij. Hij vindt dat veel auteurs ‘alleen maar over zichzelf praten’, heeft niets met de gekkigheid van Reve die de bladen van zijn voorgelezen gedichten als propjes het publiek ingooit ‘en dat soort onzin’, en noemt zich ‘de enige Nederlandse schrijver die nooit bij Café Eijlders en Café De Zwart is geweest’.
Het is jammer dat deze weerzin van Van Reen tegen de gevestigde literaire wereld in Nederland enkele malen verongelijkt terugkomt. ‘Grote prijzen krijg ik toch niet’, stelt Van Reen in het eerste hoofdstuk van de bundel, in gesprek met Adri Gorissen, ‘die worden verdeeld door de redacties van literaire tijdschriften en de recensenten van de grote kranten en bladen.’ De uitverkiezing voor Rijke levens (2018) tot beste katholieke roman ooit vindt hij ‘belachelijk’. ‘Ik had liever de P.C. Hooftprijs gehad, maar die krijg ik toch niet, want die wordt altijd door literaire vrienden onder elkaar verdeeld.’ Als de bundel Een rijke oogst iets laat zien is het wel de rijkdom en kwaliteit van de schrijver. Kusters noemt hem ‘primair een dichter’. Hij ‘ontwikkelt zich nog altijd’ stelt publicist Ben van Melick in zijn bijdrage over ‘de verteller’ Van Reen; ook nu zijn er alweer drie nieuwe titels in voorbereiding. En in 2003 is Ton van Reen benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw vanwege zijn verdiensten voor de Nederlandse literatuur.
Een rijke oogst is uitgegeven in vele kleuren en rijkelijk voorzien van foto’s van de schrijver, zijn familie, Afrika en tientallen boekomslagen op glad, gesatineerd papier door de kleine, sympathieke uitgeverij In de Knipscheer. Deze is opgericht in 1976 en heeft vooral naam gemaakt als kleurrijke uitgever van multiculturele literatuur uit Suriname, de Nederlandse Antillen, Indonesië en Afrika en van de Rainbowpockets. Op haar vijftigste verjaardag op 26 maart 2026 zal In de Knipscheer helaas ophouden te bestaan.
Alle tijden zijn onzeker is de nieuwste roman van Joke van Leeuwen. Een grote klimaatramp speelt een rol, er is sprake van polarisatie, wantrouwen in wetenschap, en er worden complottheorieën aangehangen over orgieën met zelfs kinderen en een bad vol kinderbloed. Kinderen worden bij hun ouders weggehaald omdat dat beter voor hen zou zijn, er vindt exorbitante zelfverrijking plaats, er is ‘geen man die deugt’ en ergens op een muur staat ‘Ga trug nar je eige lant’. Van Leeuwen heeft dus een bijzonder actuele roman geschreven zou je denken. Maar schijn bedriegt, want Alle tijden zijn onzeker speelt in het Parijs van enkele jaren voor de Franse Revolutie, in 1783 en 1784. Onzekere tijden zijn blijkbaar van alle tijden.
De prachtige en verzorgde schrijfstijl van de de 72-jarige schrijfster, is het eerste wat opvalt. ’In de vroege zomer van 1783 vliegen de merels en spreeuwen rusteloos boven de daken van die ene hoofdstad waar de rivier als een kromme ruggengraat doorheen stroomt.’ De geboren Nederlandse die sinds haar dertiende in België woont, schrijft en illustreert al meer dan vijfendertig jaar kinderboeken, romans, non-fictie en poëzie en haar werk is vele malen bekroond. Ook in deze roman is haar poëtische taalgebruik een lust om te lezen. Ze verstaat de kunst van wat ze zelf de ‘nadenkende lichtheid’ noemt, een term van Italo Calvino die staat voor taal waarmee wezenlijke zaken op lichte wijze toegankelijk worden gemaakt.
Mensen en omstandigheden
De wezenlijke zaken waar het in dit boek om gaat zijn zaken van gewone mensen in het 18e eeuwse Parijs én die van vorst Lodewijk XVl en zijn Oostenrijkse vrouw Marie-Antoinette. Parijzenaar Gaston D. lijdt na het overlijden van zijn vrouw dertien jaar eerder aan godsdienstwaanzin. Hij verkondigt op straat vanaf een houten kistje de boodschap van de Allerhoogste. De jonge dakloze wees Pierre wordt zijn ‘discipel’, ook al weet hij zelf niet zo goed wat dat is. Pierres vader verliet het gezin al vroeg voor een andere dame en zijn moeder is aan de pokken overleden. Hij is een onzekere zoekende tiener, niet dom maar wel beïnvloedbaar en naïef. Daarnaast is er Vince, de vrolijke, nieuwsgierige en creatieve echtgenoot van kostwinner Marie die in de drukkerij van haar vader werkt. De alwetende verteller laat de personages elkaar tegenkomen zonder dat ze het zelf weten en maakt ook duidelijk dat de verguisde en gedemoniseerde ‘Buitenlandse’ Marie-Antoinette een totaal eigen perspectief heeft en speelbal is van haar eigen en andere omstandigheden, die later tot de bekende bloedige ondergang van de Franse monarchie en henzelf zullen leiden.
Een zo’n belangrijke omstandigheid is de uitbarsting van de zogeheten spleetvulkaan Laki op IJsland in 1783, de grootste uitbarsting op IJsland ooit die ruim een half jaar duurde. Op het Europese vasteland zijn de (klimaat)gevolgen van deze uitbarsting groot. Parijs en zijn bewoners hebben te lijden onder een verstikkend hete mistige zomer, een ‘herfst in verwarring’ en een ‘stervenskoude winter’. Deze toentertijd onverklaarbare fenomenen maken de onwetenden vatbaar voor allerlei verklaringen zoals het naderende einde der tijden, een komeet die naar de aarde snelt en buitenlandse aanvallen. Er zijn grote tegenstellingen tussen doem- en complotdenkers als Gaston aan de ene kant en een rationele wetenschappelijke zoeker als Vince aan de andere kant, personages die overtuigend en aanstekelijk worden uitgewerkt. Gaston lijdt onder zelfverwijt na het overlijden van zijn vrouw en vindt wetenschap grootheidswaan, Vince doet niets liever dan dingen uitpluizen en uitproberen en is juist van de wetenschappelijke verklaringen. Hij is een uitvreter bij de gratie van zijn vrouw Marie die de kost verdient en kan naar hartenlust experimenteren en zich verdiepen in de raadselen van elektriciteit en magnetisme.
Zo kleuren mensen en omstandigheden een geschiedenis in. ‘De Buitenlandse’ die in Versailles baadt in exorbitante rijkdom valt in sommige opzichten niet te benijden. Van Leeuwen verstaat de kunst de lezer zelfs in haar en haar goede bedoelingen mee te laten leven. Op veertienjarige leeftijd wordt ze uitgehuwelijkt, in Frankrijk leeft ze letterlijk en figuurlijk in keurslijven. Ze doet haar best zich aan te passen, is begaan met arme kindertjes en houdt oprecht van haar eigen kinderen die ze graag wat meer zelf zou opvoeden. Ze weet dat ze bekritiseerd en bespot wordt, maar dat dat ondergrondse gerommel de opmaat is van een op handen zijnde figuurlijke vulkaanuitbarsting die zelfs de Franse monarchie op z’n grondvesten gaat laten schudden, kan zij natuurlijk niet bevroeden.
Verzet
In de drukkerij van haar vader werkt Marie zich een slag in de rondte. Vader is voor wat betreft zijn werk een opportunist. Hij drukt alles wat hem aangeboden wordt, dus ook spotprenten en ander opruiend en belastend materiaal over ‘de Buitenlandse’. Dat zijn enige dochter, een vrouw, de drukkerij draaiende houdt zint hem maar matig, helemaal omdat haar man Vince in zijn ogen een nietsnut is. Ontroerend is de beschrijving van de broze relatie tussen vader en dochter en hun strijd, die een climax bereikt als Marie een grens trekt bij een smadelijk en opruiend stuk over Marie-Antoinette: ‘Dit ga ik niet zetten […] ik heb nu al zoveel moeten zetten waar ik niet achter kan staan. Dit slaat alles.’ De breuk tussen vader en dochter is van korte duur want zij is toch zijn dochter. ‘Hij had haar willen omhelzen, maar zijn armen hadden dat niet goed geleerd.’ Haar man Vince blijft op zijn beurt bij zijn wetenschappelijk-kritische houding en weigert naar schoonvaders pijpen te dansen. De arme Pierre ondertussen, als slachtoffer van allerlei omstandigheden en van eigen misinterpretaties tot ‘eenzame wolf’ geworden, meent dat hij een belangrijke taak heeft uit te voeren. Hij wil niet naamloos sterven en realiseert zich dat het doden van een beroemd iemand door het doorsnijden van de hals hém bekend zal maken.
Na de extreem strenge winter van 1783 breekt er toch weer een voorjaar aan. ‘Het koninklijke sneeuwpoppenhoofd glijdt langzaam en onontkoombaar van zijn romp en ploft neer op kasseien, en niemand die er de onbedoelde vooruitwijzing in ziet naar wat negen jaar later met het echte hoofd zal gebeuren.’ Zover komt het niet in deze roman die laat zien dat een geschiedenis of gebeurtenis vele perspectieven kent en waarin de lezer tussen de regels door niet om de onmiskenbare paralellen tussen toen en nu heen kan. Joke van Leeuwen heeft op de regels zelf met Alle tijden zijn onzeker een boeiende historische roman geschreven waar de lezer in meerdere opzichten iets van kan leren.
Herman Schönfeld Wichers, de schrijver Belcampo, leefde bijna de hele 20e eeuw en heeft het merendeel van die jaren verhalen geschreven. Met Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo is nu een welverdiende biografie over hem uitgegeven. Voor Herman Schönfeld Wichers was schrijven tot het eind toe een plezier. Van belangstelling voor zijn persoon was hij wars, hij wilde om die reden bijvoorbeeld geen herkenbare portretfoto op zijn werk. Biograaf Nico Keuning laat de lezer nu toch uitgebreid kennismaken met de schrijver én mens Belcampo/Schönfeld Wichers: de notariszoon, levensgenieter, zwerver, echtgenoot, vader, arts en pleitbezorger van een ‘ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde.’
Een korte proloog nodigt direct uit tot doorlezen. Keuning neemt de lezer in een prettige, toegankelijke schrijfstijl bijna letterlijk mee in de trein naar Rijssen, waar Belcampo’s wortels liggen. In oktober 2021 ontmoet hij daar Belcampo’s inmiddels bejaarde dochter Maartje om te onderzoeken of hij haar vaders biograaf zal worden. ’s Avonds brengt een taxi hem terug naar het station. Hij neemt plaats op de achterbank met naast zich zijn rugzak. Symbolischer kan haast niet. De teerling is geworpen; Keuning wordt biograaf van de man die het liefst vanuit de rugzak leefde, de wereldwandelaar en schrijver Belcampo.
Groots en onbekommerd leven en schrijven
De biografie leest bij tijden als een spannende roman. Herman Pieter Schönfeld Wichers lijkt in eerste instantie in de wieg gelegd voor burgerman met een respectabel beroep. Het gezin vestigt zich als Herman vier jaar oud is in het stadje Rijssen in Overijssel waar vader een notarispraktijk overneemt. Herman en zijn broer Karel groeien daar op en gaan in vaders voetsporen beiden rechten studeren. Maar het zijn andere voetsporen van vader die Herman volgt. Vader Jaap geeft meer om vrije tijd dan om geld, hij is bijzonder sportief, actief en handig en leeft zijn zoons een ‘vrijbuitersleven’ voor. Al vóór Herman aan de studie rechten begint blijkt dat zijn prioriteit niet bij studeren en een maatschappelijke carrière ligt, maar bij reizen en daarover schrijven. Doordat hij als tiener tbc krijgt verblijft hij als middelbare scholier en in aanloop naar zijn universitaire studie jaren in sanatoria, eerst in 1919 in het dan vrij nieuwe sanatorium in Renkum, later vanaf 1920 in Davos. Daar kan hij steeds meer wandelen en in de oneindige zeeën van tijd die hij heeft brieven schrijven. Hij blijkt een open blik te hebben en een grote opmerkingsgave, vindt schrijven een ‘prettig tijdverdrijf’ en beschrijft in vele brieven uitgebreid wat hij ziet, meemaakt en beschouwt. In een tussenjaar waarin hij zich voorbereidt op zijn staatsexamens Grieks en Latijn trekt hij met zijn rugzak door Nederland, Zwitserland en Italië en schoolt hij zich autodidactisch in talen, tekenen kunst en literatuur. De studie rechten wordt langzaam maar zeker afgerond maar een laatste examen notarieel recht haalt hij keer op keer niet. Als zijn vader hem jaren later in 1933 min of meer de wacht aanzegt, breekt Herman. Hij wil niet ‘terug in het hok’. In het vrij rondreizen in een ‘zee van belevenissen’ leeft hij ‘groots en onbekommerd’ en dat is wat hij wil. Het enige wat hij mist, is de zegen van zijn vader. En die krijgt hij dan.
Belcampo’s schrijverschap is in vele opzichten bijzonder. In de eerste plaats omdat hij naar eigen zeggen nooit de ambitie heeft gehad om schrijver te worden of daar geld mee te verdienen, sterker nog, dat is volgens hem zelfs onwenselijk want kan het schrijfplezier in de weg staan. Keuning laat in de biografie regelmatig zien hoe Belcampo’s ‘fantastische verhalen’ ontstaan, namelijk door wat hij als sensitieve reiziger opmerkt in de werkelijkheid om zich heen en hoe hij dat vervolgens vormgeeft in originele, creatieve, grappige, soms ver doorgevoerde bizarre en absurde verhalen. Deze door Keuning beschreven herkomst en achtergrond van sommige verhalen is interessant en verhelderend. Daarnaast is Belcampo’s werk een unieke, bijzondere eend in de bijt van het Nederlandse literaire landschap. Toenmalige recensenten als Vestdijk en Ter Braak typeren de verhalen onder andere als ‘komische grotesken’ en ‘sprookjesparodieën’. Zijn werk ‘raakt de sciencefiction’ en er worden wel overeenkomsten tussen het werk van Belcampo en de stijl en inhoud van Bordewijks Fantastische vertellingen genoemd of verwantschap met de fantasie in Maarten Biesheuvels verhalen. Keuning noemt een overeenkomst met de realistische beschrijvingen van een surrealistische werkelijkheid uit het werk van Rob van Essens ’absurdistische en geestige romans’. Dat Van Essen net als Belcampo uit Rijssen komt en in zijn werk soms naar hem en zijn werk verwijst, zoals met het geheimzinnige boshuisje in Ik kom hier nog op terug, is vermeldenswaard maar de veronderstelde verwantschap in het werk van beide schrijvers lijkt wat gezocht.
Ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde
Een heikel punt is de beschrijving van Belcampo’s privéleven als echtgenoot en vader. Na bijna twintig jaar huwelijk scheiden Belcampo en zijn vrouw Joke in 1959. Joke vertrekt met de twee zoons naar Amsterdam. Zij willen daarna alle drie geen contact meer met hun man en vader en ook niet met dochter en zus Maartje die zelfstandig in Amsterdam woont maar wel contact met haar vader blijft houden. ‘Man en vrouw zijn van nature ‘omnigaam’ ‘, zegt Belcampo in zijn De filosofie van het Belcampisme, ‘misschien moeten alle huwelijken na vijf jaar van rechtswege worden ontbonden.’ Hier spreekt de vrije jongen, die weer kan ‘doen en laten wat hij wil’ en enige tijd later een relatie aangaat met de meer dan dertig jaar jongere Doite. De biograaf doet zijn best zich in te leven in Joke. ‘Het thuisblijven eiste een zware tol’ en Joke ‘mist het enerverende leven in haar vertrouwde stad’, maar wat hij erover zegt blijft speculatief of alleen gebaseerd op de veronderstellingen van dochter Maartje en hemzelf. Dat de zoons niet mee wilden werken valt de biograaf niet euvel te duiden, maar de eenzijdige beschrijving wringt en maakt nieuwsgierig naar hun versie.
Het grootste deel van zijn leven heeft Belcampo in de stad Groningen gewoond, namelijk van 1954 tot zijn dood in 1990. Hij vestigt zich daar met zijn gezin als parttime studentenarts, nadat hij op late leeftijd in twaalf jaar (!) tijd een geneeskundestudie heeft doorlopen. Het was een luizenbaantje, precies wat hij wilde, want ‘van werken wordt niemand heel gelukkig’. In deze jaren groeit zijn plezier in openbare optredens en blijkt ook meer en meer zijn maatschappelijke betrokkenheid. Volgens Keuning is deze al aanwezig in Belcampo’s eerste verhalen in een levensbeschouwing ‘tegen dogmatisch geloof en maatschappelijke dwang’. In 1923 zegt Belcampo te deserteren als hij het leger in zou moeten. Op jonge leeftijd heeft hij een abonnement op het communistische tijdschrift De Tribune (‘zedelijk vergif voor een jongmens’ volgens zijn moeder) en ook in Groningen blijkt zijn engagement. Het is mede dankzij Belcampo’s publieke inzet in de jaren ‘70 dat de negentiende-eeuwse Groninger stadsschouwburg behouden blijft. Belcampo en buren voeren (tevergeefs) actie tegen een groot casino bij hen om de hoek en hij strijdt eind jaren ’70 tegen de beoogde locatie van het nieuwe Groninger Museum tegenover het hoofdstation, een strijd die hij – met de kennis van nu – gelukkig verloor. In 1985 verschijnt een stuk tegen de plaatsing van kruisraketten in de Volkskrant ondertekend door H. Schönfeld Wichers en zijn vriend Arend Rutgers.
Groningen is voor velen ver weg. Het is wellicht daardoor dat er enkele foutjes in het Groningse deel van de biografie geslopen zijn, zoals de vermelding van café De Kale Jonker (gestart 1982) in de jaren ’50 en het feit dat NoordWoord (sic) de jaarlijkse Belcampolezing ter stede organiseert (dat doet de plaatselijke Rotaryclub JA). Een kniesoor die hierop let. Keuning heeft met Groots en onbekommerd een boeiende biografie geschreven over de ‘gulzige genieter’ Belcampo.