De vrouw naast me in de rij rolde een mouw van haar shirt op en liet me de tatoeage op haar rechterarm zien, de namen van haar vijf katten. Terwijl ik me nauwelijks hersteld had, rolde ze ook de andere mouw op om de namen van haar dode katten te laten zien, gegraveerd op haar linkerarm. Ik mompelde meelevende woorden en vroeg me af hoe het toch steeds gebeurde. We stonden allebei te wachten en zij was begonnen over het weer te praten. Maar zelfs al zou ik de stappen van het gesprek kunnen reconstrueren, dan nog bleef het een mysterie waarom ze mij had uitgekozen als luisteraar. Ik val wel vaker ten prooi aan conversaties met de plaatselijke zonderlingen en buitenbeentjes. Misschien voelen ze dat ik respect voor hen heb, zoals ik dat heb voor iedereen die boven het maaiveld uitsteekt. Het leven zou zonder hen in ieder geval een stuk minder interessant zijn.
Ook in de literatuur wemelt het van de waanzinnigen, en je hoeft er niet eens voor naar het buitenland. In Waanzin in de wereldliteratuur, het Boekenweekessay van 2015, noemde Pieter Steinz een aantal schrijvers die werden opgenomen in een psychiatrische inrichting: Gerrit Achterberg, die in een vlaag van waanzin zijn hospita doodde, Jan Arends, en Maarten Biesheuvel, die dacht dat hij Jezus was: ‘Schrijven is een gave van God en krankzinnigheid al helemaal. Je moet een paar jaar in het gekkenhuis hebben gezeten en eruit weten te komen’.
Maar Steinz vergat Hans Andreus te noemen. Andreus werd opgenomen vanwege een ernstige neurose, die hem agressief maakte tegen zijn geliefde. In 1956/57 zou Andreus dit verwerken in de Sonnetten van de kleine waanzin, die beschouwd worden als een hoogtepunt in zijn werk. Van hem is ook het gedicht:
Geschiedenis
‘Hier en daar een dorpsgek vecht nog zijn eigen oorlog, leunt nog tegen zijn leeggeruimd toneel van de wereld en wacht nog
op volgende week betere komedianten.’
Alle dichters zijn gek, zei Lord Byron. Goede literatuur heeft een beetje gekte nodig, zegt Steinz. Net als het dagelijkse leven, zeg ik. De kattendame en ik gingen ieder ons weegs, als goede vrienden, nadat ik had gezegd dat ook ik de namen van mijn overleden katten op mijn lichaam droeg, maar dan op een plaats die ik daar met goed fatsoen niet kon laten zien.
‘Be patient,’ las mijn man ergens. Hij vond het zo’n goede uitspraak dat hij hem graag met me wilde delen – en dat doet hij nog steeds, te pas en te onpas. Ondertussen lig ik volkomen onverwachts vier dagen in een ziekenhuisbed een beetje patiënt te wezen. Van het een op het andere moment volgt er een operatie, de dubbelzinnigheid van die twee enkele woorden gaat ondanks de overvloed aan opiaten niet aan me voorbij.
Patiënt zijn is iets wat je moet leren. Daarom lees ik niet alleen veel – Pijn van Sytze van der Zee, Mijn heldere afgrond van Christian Wiman – maar mocht ik ook maandenlang, als onderdeel van het bijzondere project ‘Grillig en toch Betrouwbaar’, heel veel luisteren. Tijdens focusgroepen met jonge chronisch gehandicapten onderzochten we gezamenlijk waar de uitdagingen liggen op dit gebied. Hoe blijf je trouw aan jezelf en je beperkingen, maar zorg je er ook voor dat je een betrouwbare vriend(in)/klasgenoot/collega of teamspeler bent voor je omgeving? Waar zitten de gaten, hoe vullen we die op?
Voor de schrijvende mens is luisteren een groot goed. En nu, mijn taak binnen het project zit erop, word ik zelf met vragen geconfronteerd. Ben ik vandaag, op dit moment en op deze bank met deze deken en de Italiaanse adoptiekat spinnend in haar mandje naast me, Marijn de schrijvende mens of Marijn de patiënt? Hoe verschillen die twee – en werkt dat? Wat patiënt-zijn betreft, vrees ik, blijf ik een eeuwige eindexamenkandidaat. Ik neem nog een pil en probeer wat te lezen. Al snel val ik in slaap.
Moeheid is een mantel die ik, net als fysieke pijn, altijd draag: de ene dag is hij wat zwaarder dan de ander, hij valt niet iedereen op, maar hem afleggen is geen optie. Nu zit hij erg strak om mijn hals geknoopt, zo strak zelfs dat ik op zoek moet naar ademruimte, ik moet lucht happen. En zoals altijd vind ik zuurstof in woorden.
‘Om pijn te schrijven heb je weinig woorden nodig,’ schreef Jan Arends. Ik kreeg die woorden op een kaart en denk er steeds over na. Als er iets is waar ik veel woorden voor nodig heb is het wel voor pijn, zoals ik veel woorden nodig heb om aan te geven dat ik me nu alleen maar kan opkrullen – net als dat diertje naast me – en in mijn mandje moet wachten tot het voorbij is.
In ‘Hoe diep’ vraagt Ted van Lieshout zich af:
‘Stel dat ik door een ongeval mijn lichaam niet meer voelen zal, aai jij dat lichaam dan nog wel? Of stopt de liefde bliksemsnel?’
Mijn man brengt een kopje thee, kriebelt in mijn nek, is zo lief dat het bijna te veel is – en dus precies genoeg. ‘Be patient,’ zegt hij weer. Vooruit dan maar. Ik zorg het beste voor mezelf als ik de zorg uit handen geef. Of, zoals M. – nog geen twintig en deelneemster aan een focusgroep – zegt: ‘Gotta love the lichamen.’ Zet dat maar op mijn tegeltje.
Jan Arends (1925-1974) heeft, onder meer door zijn uiterst kale taalgebruik, veel bewonderaars. Een van hen is Oscar van Gelderen, uitgever bij Lebowski. Bij die uitgeverij verschenen vorig jaar verschillende (her)uitgaves van Arends’ werk. Naast twee verhalenbundels en een biografie, zijn er ook weer gedichten van Arends verschenen. Lunchpauzegedichten (1974) is heruitgegeven, en er is een nieuwe poëziebloemlezing uitgebracht: Roofbloem.
Roofbloem is een ietwat overbodige uitgave. De selectie kent namelijk een aanzienlijke overlap met Lunchpauzegedichten, en is ongeveer even dik. Roofbloem had daarom beter een dikkere bundel kunnen worden, met meer werk dat niet in de eerstgenoemde bundel staat. De meest geïnteresseerden zullen Lunchpauzegedichten immers aanschaffen wegens de goed reputatie van die bundel, en wellicht Roofbloem als supplement kopen.
De toegevoegde waarde van Roofbloem zit in de reeks fraaie liefdesgedichten voor Haleine, en ook in Arends’ vroege werk. Die eerste gedichten missen scherpte en zijn vrij traditioneel, rijmende gedichten, maar ondertussen zijn ze wel duidelijke voorecho’s van de latere Arends:
Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
ik ben het geraamte van mijn broer,
die gisteren is dood gegaan;
de dood staat altijd op de loer.
De dood staat altijd op de loer
en met hem zeven zonden,
die mij wel slepen naar de hel
als zij mij vinden konden.
Maar ik sta illegaal op straat
te wachten in de regen,
te wachten tot mijn zonden gaan,
maar straks zijn het er negen.
Ik durf mijn huis niet in te gaan;
de dood staat altijd op de loer;
ik sta in de regen op de straat
in het geraamte van mijn broer.
Een fantastisch gedicht is het allerminst (let op de rare zinsvolgordes, onnodige herhalingen en de rijmdwang ‘regen’-‘negen’). Bovendien zit het tegen Hendrik de Vries-epigonisme aan. En toch, ‘[het] geraamte van mijn broer’ is een aangrijpend beeld, veel aangrijpender dan dat matige ‘de dood staat altijd op de loer’ (bovendien, men staat niet maar ligt op de loer). Daarnaast doet de dood in dit gedicht ook gelijk denken aan een van Arends’ latere, mooiste gedichten: ‘Je / ligt in bed. // Er / is een touw / om je nek. // Het / leven is goed. // Het / brood is vers. […] Je / gaat naar bed. // Er / is een touw / om je nek.’
Arends bedient zich van een opvallende, om niet te zeggen merkwaardige verstechniek. Elke strofe is bij hem een zin en andersom. Elke regel bevat hoogstens vier, vijf woorden. Dat doet enigszins denken aan de manier waarop poëzie vaak geparodieerd wordt: woord enter woord enter woord enter woord. (Zie ook Jules Deelder: ‘Ge- / dich- / ten / zijn / vaak / lang / en / smal’.) Arends weet echter heel goed wat hij doet. Hij zet de lange, smalle vorm op uitstekende wijze in: hij bouwt vaak langzaam een gedicht op en gebruikt daarbij vaak herhalingen (zie bijvoorbeeld ‘Zo / is hout’ en ‘Zo / is het woord’). Daardoor krijgen de gedichten iets mantra-achtigs. Rustig bouwen de beelden zichzelf op, en ze worden nergens vaag.
Wat overigens ook verloren gaat bij Roofbloem: het poëticale openingsschot van Lunchpauzegedichten. Weliswaar is ‘Voor Gerrit Kouwenaar’ in beide bundels opgenomen, maar in Lunchpauzegedichten wordt rond beelden uit dat gedicht een duidelijke poëzieopvatting naar voren geschoven: de poëtica van de destructie. Laten we het gedicht erbij pakken (en let ook op die fraaie mantra-achtige herhalingen):
Wie / een boom / tekent / laat / het weten / zien.
Een / boom / is geen taal.
Een / getekende boom / is taal.
Een / bijl maakt hout / van de boom.
Zo / is / een omgehakte boom / een daad / van de taal.
Alles / wat zegt / dat de boom / bestaat / is / taal.
Een / bijl / maakt hout / van de boom.
Zo / weet / de bijl / van boom / en hout / en bijl.
Zo / spreken / de handen / van de mens / van de boom.
Zo / is hout / de taal / van het huis.
Zo / is het woord / de woning / van / de / mens.
Als je / eindelijk kunt zien / hoe de boom / vertakt / dan is het winter.
Het gedicht roept de associatie op met bomen die gekapt worden om tot papier verwerkt te worden: als ondergrond voor taal. Om te scheppen dient er vernietigd te worden. Vervolgens duiken er steeds vaker bomen en bijlen op in Lunchpauzegedichten, waarbij het beeld van de boom gelijkgesteld lijkt te worden aan de poëzie zelf. Arends heeft het verderop in de bundel immers over ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.’ Deze strofe wordt dan ook geregeld geciteerd als er over Arends geschreven wordt (zo ook in de nawoorden bij Lunchpauzegedichten én Roofbloem). De bijl duikt onder meer op in een indringend titelloos gedicht:
Wat
geeft dat toch
een angstig gevoel
van vrede
als vader
zijn bijl slijpt.
Het fijne aan Lunchpauzegedichten is dat er allerlei dwarsverbanden gelegd kunnen worden. Een gedicht als bovenstaande zorgt op zichzelf voor vragen (waarom slijpt de vader de bijl? waarom geeft dat een angstig gevoel van vrede? wat is een angstig gevoel van vrede?), en daarin zit voor een deel de charme van het gedicht, maar lees het eens in het licht van een andere Arends-klassieker, die begint met de regels ‘Ik ben / vijftig jaar / en geen / aardige man.’ Over deze man leren we dat hij geen vrouw en kinderen heeft, dat hij ‘veel geonaneerd [heeft]’, het brood besmeurt en ellende bezorgt waar hij komt. En dan volgt de wending van het gedicht:
Misschien
kom ik morgen
bij u
met een bijl.
Maar
schrikt u niet
want ik
ben god.
Alweer een bijl die opduikt. En wijst die ‘schrikt u niet’ op een angstig gevoel van vrede? Er heerst een constante dreiging in Arends’ poëzie, die van de opzichtig aanwezige dood is veranderd in bijlen en stroppen, die tegelijkertijd concreet en ongedefinieerd is. Dat maakt deze gedichten behoorlijk beklemmend, maar tegelijkertijd zijn ze door hun verrassende vorm en opbouw ook erg uitnodigend.
Lunchpauzegedichten en Roofbloem
Jan Arends
Blz.: 67
Prijs: € 12,50
Uitgegeven door De Bezige Bij en Lebowski
Op dinsdag 21 januari is het precies 29 jaar jaar geleden dat zijn tweede bundel werd gepresenteerd. En dat hij een einde aan zijn leven maakte door uit het raam van zijn flat te springen. Volgende maand verschijnt bij De Bezige Bij zijn biografie Angst voor de winter, geschreven door neerlandicus Nico Keunings.
Jan Arends wordt op 13 februari 1925 in Den Haag geboren als vaderloos kind van Gerardina Elizabeth Arends. Van zijn achtste tot zijn dertiende zit hij op de (antroposofische) Vrije School, waar hij zich een buitenstaander voelt en wordt gepest door de andere leerlingen. Op zijn dertiende gaat hij naar een katholiek jongensinternaat in Rijswijk en vanaf zijn achttiende probeert hij in zijn onderhoud te voorzien met de meest uiteenlopende baantjes, waaronder reclame-copywriter, schoenmaker, huisknecht, hotelportier, krantenbezorger, broodbezorger en ijscoman. Terwijl het hem niet lukt een enigszins geslaagde maatschappelijke carrière op te bouwen, leest en schrijft hij als een bezetene. Het tweede deel van zijn leven brengt hij grotendeels door in psychiatrische inrichtingen.
Arends debuteert in 1949 als schrijver in het tijdschrift Ad Interim. Zijn eerste boek, Lente/Herfst, verschijnt in 1955 als Maatstafdeeltje 14, nadat het eerder dat jaar als verhaal werd opgenomen in het juni/juli-nummer van literair tijdschrift Maatstaf. Een jaar later publiceert hij zijn eerste gedichten in Vertoning, een tijdschrift dat na zijn eerste jaar ophoudt te bestaan. In 1962 plaatst Gard Sivik één bedrijf van Arends’ nooit opgevoerde toneelstuk Smeer of De weldoener des Vaderlands en verschijnen zijn gedichten nog in Podium en Tirade, maar pas in 1965 brengt De Bezige Bij zijn debuutbundel Gedichten uit.
Met de verhalenbundel Keefman (1972) verwerft hij nationale bekendheid. In uiterst geladen taal beschrijft hij hierin de ervaringen en gevoelens van mensen voor wie het leven tot een hel geworden is. Vooral het titelverhaal ‘Keefman’, waarin de patiënt Keefman zijn psychiater in een lange monoloog verwijtend toespreekt over de voortdurende vernedering tijdens zijn behandeling, maakt diepe indruk. Het verhaal is in 1977 verfilmd en later ook bewerkt voor televisie en toneel. Tijdens het schrijven van de meeste verhalen in Keefman is Arends geen vrij man: ‘Keefman’ en ‘Het ontbijt’ schrijft hij in het Willem Arntsz Huis in Utrecht en ‘Vrijgezel op kamers’ in de Jelgersma-kliniek in Oegstgeest. In de Nieuwe Revu van 5 mei 1973 zegt hij hierover: ‘Ik schreef het toen om de psychiater duidelijk te maken, hoe het met mij gesteld was. Maar het werd niet serieus genomen. De psychiater zou zèlf wel uitmaken, wat de beste therapie voor mij was.’
Zijn werk speelt zich vooral af ‘in de schaduw van het gekkengesticht’, in de innerlijke belevingswereld van de psychiatrische patiënt. In zijn verhalen verzet hij zich tegen de strenge scheidslijn tussen ‘normaal’ en ‘gek’ en probeert hij de afstand te verkleinen tussen patiënt en maatschappij. Hij doet dat op een weinig orthodoxe, weinig verheven, maar bijzonder indringende manier. Ook Arends’ zeer geconcentreerde gedichten zijn nauw met zijn persoonlijke ervaringen en omstandigheden verbonden en worden beheerst door waanzin, ziekte, drank en angst.
Op 21 januari 1974, de dag waarop zijn nieuwe gedichtenbundel Lunchpauzegedichten verschijnt, pleegt Jan Arends zelfmoord. Om acht uur ’s avonds springt hij uit het raam van zijn flat aan het Amsterdamse Roelof Hartplein. Eigenlijk is hem dan al de Multatuliprijs 1973 toegekend, maar op het moment van zijn overlijden is het juryrapport nog niet klaar. Het doel van de prijs is ‘het bevorderen van de scheppende kunst’, en omdat bij een overleden auteur de productie niet meer te stimuleren valt, ziet men van uitreiking af.
1965 Gedichten (poëzie) 1972 Keefman (verhalen)
1974 Lunchpauzegedichten (poëzie) 1974 Ik had een strohoed en een wandelstok (verhalen) 1975 Nagelaten gedichten (poëzie; samengesteld door Remco Campert) 1984 Verzameld werk (verhalen en poëzie; samengesteld door Thijs Wierema en ingeleid door K. van Weringh)
Citaat:
Als
iedere niksnut
wordt geprezen
als
een groot dichter
wat
blijft er dan
over
voor
een arme schooier?
(‘Voor Remco Campert’, in: Lunchpauzegedichten, p. 51)