We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.
Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.
Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.
Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’ Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.
Adri Altink
Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.
Nadat ik De Nacht beeftvan Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989). Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.
Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.
Martin Lok
Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval.
Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.
De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’
In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’
Ronald Bos
Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederlanddoor Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?
De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.
Dilemma vanErna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijkgraag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.
Joke Aartsen
In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse,Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen,Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel.
Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.
De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.
Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen.
Marjet Maks
Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel,Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was.
Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.
Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter.
Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes.
Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.
Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.
Hettie Marzak
De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripettavan Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.
Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.
De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.
Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.
Els van Swol
De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!
De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.
Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).
Ingrid van der Graaf
Ingezonden lezersreactie:
Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’
Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent, maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.
Liefhebbers van James Joyce zullen zich in de handen wrijven met Het Dalkey-archief van Flann O’Brien, dat nu, zestig jaar na zijn verschijningsdatum, voor het eerst in het Nederlands vertaald is. Flann O’Brien (pseudoniem van Brian O’Nolan, 1911-1966), is naast James Joyce en Samuel Beckett, de derde grote naam van het twintigste-eeuwse Ierse schrijversfirmament, al mogen we Oscar Wilde en Brendan Beehan ook niet vergeten. De grote Joyce zelf was lovend over O’Brien en noemde hem ‘een echte schrijver, met de ware humoristische geest’. Niets is minder waar: naast zijn columns in de Irish Times viel O’Brien vooral op met zijn hilarische absurdistische romans, waarvan At Swim-Two-Birds (1939) ongetwijfeld zijn meesterwerk is.
O’Brien schreef slechts vijf romans en overleed vrij vroeg, geplaagd door alcoholisme en kanker. Bij ons is het werk van O’Brien minder bekend, ook al omdat het net als Joyce’s werk minder toegankelijk is of minder begrepen werd. De vertaling van Het Dalkey-archief door Robbert-Jan Henkes mag dan ook als een krachttoer gezien worden, al had deze natuurlijk al wat ervaring door zijn vertalingen van Joyce. Uitgeverij Kopernik nam een risico door dit werk nu uit te geven, maar het zal de voor velen onbekende en vergeten topauteur misschien opnieuw in de belangstelling brengen.
Kroegvrienden
Plaats van handeling, zoals de titel al aangeeft, is het kleine kustplaatsje Dalkey, ongeveer twintig kilometer ten zuiden van Dublin. Twee kroegvrienden Mick en Hackett bezoeken regelmatig de bar van hotel Colza, waar ze bediend worden door mevrouw Lavetry, die ze vaak smalend ‘Lavatory’ of toiletpot noemen. Na een zwempartijtje ontmoeten de twee vrienden de excentrieke De Selby en worden ze uitgenodigd in zijn verborgen stulpje. Bij zelfgestookte whiskey doet deze theoloog en uitvinder hen uit de doeken hoe hij de tijd kan doen stilstaan en de wereld kan vernietigen met een zelfuitgevonden substantie. Daarenboven is hij ook in staat terug te gaan in de tijd en voert hij diepfilosofische en theologische gesprekken met heiligen en kerkvaders. De volgende dag zijn Mick en Hackett daar ook zelf getuige van in een onderwatergrot.
Mick wil De Selby weerhouden van het vernietigen van de wereld en doet een beroep op brigadier Fottrell, een man die steeds met de fiets aan de hand loopt omdat hij bang is dat hij anders met zijn fiets zal vergroeien door metaalmoleculenuitwisselingen. Om anderen hiervoor te behoeden prikt hij ook constant banden van fietsen stuk. Om afleiding te vinden voor De Selby wil hij hem in contact brengen met James Joyce. Mick is namelijk te weten gekomen dat de grote James Joyce nog zou leven in Skerries, een dorpje even ten noorden van Dublin. Hij gaat op zoek en ontmoet de schrijver, die nu barman is. Hij probeert hem te confronteren met zijn grote werk Ulysses, maar daar schijnt Joyce geen oren naar te hebben. Hij veracht het werk zelfs. Uiteindelijk vraagt hij Micks hulp om in te treden bij de jezuïeten.
Absurdisme
HetDalkey-archief lijkt niet alleen één en al chaos, maar is het ook. Structuur en een lijn hoeft de lezer er niet in te zoeken. Dat was ook niet de bedoeling van Flann O’Brien, voor wie de wereld ook één en al chaos was, al dan niet gelinkt aan zijn overmatig drankgebruik. Er wordt overigens nogal wat afgedronken in HetDalkey-archief: elk gesprek gaat gepaard met talloze rondjes alcohol, waardoor de gesprekken vaak ontaarden in krachttermen en absurde uitspraken. Het boek moet het vooral hebben van de flamboyante en aparte stijl die O’Brien eigen was. Zijn cynische uitlatingen over wetenschap, intellectuele hoogmoed en religie zijn zijn handelsmerk. Hij spot met alles waarmee gespot kan worden en schuwt blasfemische uitspraken niet. Zijn personages zijn carnavalesk en absurd, maar daardoor juist zo aanstekelijk.
O’Brien tracht de grenzen van de werkelijkheid steeds uit te rekken en laat zijn fantasie de vrije loop. Wie daarin meegaat, kan ontzettend genieten van zijn boeken. In het boek zitten ook verwijzingen naar The Third Policeman, geschreven in 1940, maar postuum uitgegeven in 1967. De grandioze vertaling van Het Dalkey-archief kan meteen ook een uitnodiging zijn om dit werk en andere van O’Brien opnieuw te lezen. Hoewel Het Dalkey-archief niet zijn beste boek is, kan het gerust ook een hoogtepunt van surrealisme en absurdisme genoemd worden. Wie vermakelijkheid en het absurde hoog in het vaandel voert, zal genieten van begin tot eind.
In de lijst van Nederlandse vertalingen van werk van Italo Svevo (1861-1928) valt onmiddellijk op dat die op één na (de toneeltekst Eeuwige jeugd) allemaal uit de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn. Het zijn er tien. Daarvan zijn er anno 2021 nog maar twee te vinden in de boekhandel: zijn beroemdste roman Bekentenissen van Zeno en het Privé-domeindeel 147 Autobiografisch profiel. Dat laatste kwam na de verschijning in 1988 nooit verder dan de eerste druk. Dat geldt ook voor alle andere van die tien uit de jaren tachtig. Alleen Bekentenissen van Zeno haalde er meer, liefst zeventien. Deze roman, waarin een zakenman uit Triëst probeert van zijn rookverslaving af te komen, geldt dan ook als zijn magnum opus.
Luckerhof is altijd volledig in de ban geweest van Svevo; hij heeft alles van hem gelezen. Maar als hij in 2017 in de boekwinkel van het James Joyce Museum in Dublin James Joyce and Italo Svevo van de Ier Stanley Price uit de kast trekt is dat een schok: hij had er tot dan toe geen idee van dat de twee met elkaar bevriend zijn geweest. Hij gaat alles herlezen, nu ook aangevuld met literatuuronderzoek en een bezoek aan Triëst, de stad waar Svevo werd geboren en leefde. De wereld van Italo Svevo is het verslag van zijn bevindingen.
Engels
De ervaring van Luckerhof is dat alle werken van Svevo autobiografisch zijn. Je bent als lezer van zijn speurtocht geneigd dat te bevestigen. Al moet daarbij worden opgemerkt dat Nederlandse lezers weinig materiaal zullen kennen om dat te toetsen: Svevo’s werk werd hier te lande al nauwelijks gelezen, laat staan dat de weinige biografische literatuur die over hem bestaat gemeengoed is. Dat in aanmerking nemende slaagt Luckerhof erin op zijn minst nieuwe interesse te wekken voor de romans van Svevo maar ook voor diens relatie met Joyce.
De wereld van Italo Svevo bestrijkt voor een groot deel het contact tussen die twee. Ze ontmoetten elkaar in 1907 en bleven elkaar treffen en schrijven tot aan Svevo’s dood, al was dat in de laatste jaren minder intensief. Het is verreweg het interessantste deel van Luckerhofs boek.
Italo Svevo, pseudoniem van Aron Ettore Schmitz – hij had Duitse voorouders -, stond op een dood punt in zijn schrijverschap. Zijn eerste romans, Een leven en Een man wordt ouder dateerden al van vóór 1900 en ze hadden hoegenaamd geen aandacht getrokken. Hoewel hij voor zichzelf nog wel bleef schrijven publiceerde hij niets meer. Hij vond zijn literaire bestemming pas terug toen Joyce onder de indruk bleek van zijn vergeten romans. De Ier was in 1904 het voor hem kansarme Dublin ontvlucht om in Triëst de kost te verdienen als leraar Engels. Op dat moment was Svevo, die als schrijver immers niets verdiende, zakenman. Hij werkte voor het bedrijf van zijn schoonouders dat scheepsverven produceerde. Zijn functie was een soort agentschap voor het filiaal in Engeland. Geen wonder dat hij in Triëst gebruik maakte van de diensten van die nieuwe docent Engels om zijn taalkennis bij te spijkeren.
Jaloezie
Hun gesprekken gingen al snel over literatuur. Aanvankelijk hielp Svevo, die goed verdiende als zakenman, Joyce aan geld; later zou Joyce zijn vriend helpen aan uitgevers voor zijn werk. In die tijd in Triëst liggen de startpunten van Ulysses van Joyce en Bekentenissen van Zeno van Svevo. De twee lazen elkaars werk en namen elkaars kritiek serieus zonder hun eigen ideeën op te geven. Zo bleef Joyce vasthouden aan zijn experimentele taalconstructies waar Svevo weinig in zag en volhardde deze laatste omgekeerd in de psychoanalyses van zijn protagonist Zeno Cosini die voor Joyce niet meer dan gebeuzel waren.
Opvallend is dat Joyce en Svevo beiden getrouwd waren met vrouwen, respectievelijk Nora Barnacle en Livia Veneziani, die nauwelijks in literatuur, en dus ook niet in het werk van hun man, geïnteresseerd waren. Ze hadden bovendien een bijna ziekelijke jaloezie gemeen als hun vrouwen het goed konden vinden met een andere man. Toch speelden zij een rol in hun oeuvre. Zo is het wel zeker dat Livia de inspiratiebron was voor Anna Livia Plurabelle in Finnigans Wake van Joyce.
Paling
Luckerhof beschrijft zijn bevindingen in korte thematische hoofdstukken. Mede daardoor is het vlotte lectuur, al zou iemand zich kunnen storen aan herhalingen, onderstrepingen als benadrukking van een woord, of hier en daar een krakkemikkige zin als ‘Het serum heeft hij onttrokken uit het orgaan van een lang levend diersoort’.
In het laatste hoofdstuk bezoekt Luckerhof de geboortestad van Svevo; hij wandelt er door de straten, bezoekt woonadressen van de schrijvers en spreekt een enkele kenner. Hij ontdekt daarbij dat het maar magertjes gesteld is met de herinneringen aan vooral Svevo: hij wordt ‘enigszins miskend door zijn eigen stad’. Er wordt meer gepronkt met Joyce.
De eerste zin van dat hoofdstuk luidt: ‘Wie Svevo beter wil leren begrijpen kan niet om Triëst heen’. Je kunt je goed voorstellen dat dat geldt voor Luckerhof en tegelijk wordt die bewering voor een gemiddelde lezer niet echt waargemaakt. Daar staan dan wel weer grappige weetjes tegenover zoals het feit dat Sigmund Freud in 1876 als student medicijnen in Triëst een paar weken onderzoek deed naar het voortplantingsgedrag van de paling. Een niemendalletje, maar toch aardig als vermelding omdat Bekentenissen van Zeno de naam heeft ‘een freudiaanse roman’ te zijn.
De verdienste van De wereld van Italo Svevo lijkt vooral dat de auteur nieuwsgierig maakt naar de man die hem zo obsessief interesseert. Wie Bekentenissen van Zeno al ooit las wordt door Luckerhofs monografie verleid tot herlezen.
Volgens Van Dale’s woordenboek betekent de uitdrukking ‘waarvan akte: ‘Het staat genoteerd, het is vastgelegd’. Waarom het ook de titel is van de nieuwe en vijfde dichtbundel van Onno Kosters – die in 2012 de Turing Gedichtenwedstrijd won – wordt al duidelijk bij het lezen van het eerste gedicht ‘Duisternis’. Daarin wordt verwezen naar het begin van alles: de oerknal, de chaos, de bron van alle leven. Kosters legt de geschiedenis van het leven vast in hoogtepunten, van alles wat voorbij is, om het op die manier te behoeden voor de vergetelheid. Sommige gedichten in deze bundel zijn al in eerdere bundels verschenen.
Onno Koster is docent Engelse letterkunde en vertaler. Hij vertaalde onder meer werk van Seamus Heaney en Samuel Beckett. Zijn liefde voor James Joyce is ook aan te wijzen in zijn eigen werk; evenals Joyce hanteert Kosters ongebruikelijke composities en plaatst hij oude mythen in een moderne setting.
Het eerste deel begint bij de Oude Grieken met gedichten over Heracles en de beoefenaars van de klassieke Olympische sporten als discuswerpen, speerwerpen en boksen, die afgebeeld staan op vazen waarvan een foto achterin de bundel is bijgevoegd. Sporthelden – ook in de oudheid – zien hun successen graag geboekstaafd. In deze gedichten verweeft Kosters zowel archaïsch taalgebruik als moderne taal. Naast versregels als ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers / die ik achter mij te laten dacht’ staan woorden als ‘fotofinish’ en ‘superslomo’ in hetzelfde gedicht bijeen. Het laatste gedicht van deze afdeling is een vertaling van het gedicht ‘Darkness‘ van Byron, waarmee de cyclus van deze eerste afdeling voltooid wordt.
Gemakkelijk zijn de lange gedichten niet, al is het taalgebruik van Kosters uitnodigend helder. In één gedicht worden meerdere verhaallijnen doorgetrokken. Door de hele bundel heen lopen intertekstuele verwijzingen naar andere dichters als Donne, Dante en Dylan Thomas (‘Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht’ in ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’).
Het tweede deel van deze bundel verhaalt van een reis van de dichter door Italië, maar ook hier wordt de klassieke oudheid nog niet losgelaten, getuige een gedicht als ‘Aphrodite’. De terugkeer naar de hedendaagse tijd voltrekt zich pas in het derde en laatste deel.
In het bijzondere gedicht Geen dagje naar het strand, dat uit vier delen van elk zes strofen bestaat, heeft elke strofe per deel dezelfde begin- en eindregel. In het eerste deel begint elke strofe met: ‘Ik ging naar zee om de zee te zien’ in een verwijzing naar de eerste regel van het beroemde gedicht van Nijhoff De moeder de vrouw. Toch valt dit rederijkerskunstje niet als zodanig op, omdat Kosters in het gedicht klassieke stijlfiguren gebruikt in een rijmloze, strakke vorm, waardoor het geheel zich laten lezen als een oud epos. Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen.
In het laatste deel wordt de dichter persoonlijker: het gedicht Voltooid leven beschrijft een treurig oord waar demente vrouwen hun laatste dagen slijten:
‘Mijn moeder die ik voer
als met de fles een kalfje
in de dagbesteding op -1’
Met in de versregel ‘De vrouw die eet of ze nooit at’ klinkt even een echo van Roland Holst: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven’.
Ook dode dichters als F. Starik en Seamus Heaney worden hier herdacht, evenals de vader van de dichter, aan wie een ontroerend en opmerkelijk eenvoudig gedicht gewijd is. Maar het hoogtepunt van de bundel wordt toch bereikt in de serie van vijf gedichten die samen ‘Et in Arcadia ego’ vormen, waarin de dichter teruggaat naar zijn idyllische kindertijd op het platteland in de Achterhoek: ‘een jongen van acht uit een dorp in het Gooi / die mocht wat niet mocht waar hij was.’ Hier herinnert hij zich de oogsttijd, de gang naar de melkfabriek, het uitmesten van de varkensstallen, maar bovenal de vriend met wie hij de streektaal sprak:
‘In het Barlose spreek ik de taal
waarin ik niet werd geboren:
die mijn eerste tweede werd
[…]
Vijftig jaar later of er niets is gepasseerd
spreek ik de vorm van de taal nog van daar:
[…]
geaard waar ik niet werd gepoot – hij wel
die ik, met mijn vloeiend Achterhoeks
ben kwijtgeraakt’
Als dit een eerbetoon aan Seamus Heaney is, die volgens Arjan Peters (Volkskrant 12 oktober) ‘zo graag over de varkenstroggen en rapensnijders uit zijn Ierse jeugd dichtte’, dan is het laatste gedicht uit eerbied voor John Donne geschreven. Kosters vertelt achterin de bundel bij de verantwoording dat Donne het gedicht ‘Good-Friday, 1613, Riding Westward’ schreef, terwijl zijn hart naar het oosten trok. Kosters daarentegen vertrekt in tegenovergestelde richting, getuige zijn gedicht ‘Goede vrijdag, naar het oosten’, terwijl ook zijn eigen hart de andere kant opgaat:’
‘naar het oosten terwijl mijn gedachten
voeren naar het westen waar het wacht
de zonsondergang die mijn nu al zo lang
doffer en doffer wordende moeder ontsnapt
die in zichzelf een immer zwarter zwart verpakt
dat niemand vat. De nacht die valt
was er altijd al.’
Het is slechts schijn dat deze gedichten glashelder lijken: niet voor niets doemt de duisternis op in bijna elk gedicht. Ook in Waarvan akte is de duisternis dreigend en onontkoombaar. Alles wat voorbijgaat, is vastgelegd in deze evenwichtige, zorgvuldig samengestelde bundel. Het zijn geen gedichten die zich gemakkelijk prijsgeven, maar wie aandachtig en geconcentreerd leest, wordt beloond met het beste wat de dichter te bieden heeft.
‘Ik keer het oosten de rug toe door erheen te gaan.
Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan.’
Uit een onderzoek naar het leesgedrag van Nederlanders in de zomervakantie door de grootste online boekwinkel van ons land, blijkt dat tachtig procent van de vakantiegangers twee boeken in de vakantiekoffer meenemen: een thriller en een roman. Een voor de hand liggende genrekeuze waar ik jaloers op ben. Het kost mij meestal wel wat hoofdbrekens een goed vakantieboek te kiezen. Vaak ging ik voor de dikke pil. Waar je zo gezegd lang mee doet, soms te lang. Zoals met James Joyce’s Ulysses of De Toverberg van Thomas Mann. Ook Bonita Avenue van Buwalda is een dikke pil maar bleek geen vakantieboek. Ik kwam er maar niet ‘in’. Ook niet na herhaalde pogingen. Enkele zomers terug heb ik het achtergelaten bij een meeneembibliotheekje op de Place du Vieux-Marché van Rouen. Ik verruilde het voor de Franse uitgave van de Kreeftskeerkring, het debuut van Henry Miller (waarvoor hij inspiratie opdeed in Parijs en gelijk wereldberoemd mee werd).
Deze vakantie overwoog ik een dichtbundel mee te nemen, misschien meerdere. Je kunt er vrij onopvallend mee rondlopen, meenemen naar het toilet. Het geïmproviseerde leven op een camping zou er een wat poëtischer karakter door kunnen krijgen. Ik dacht aan Peter Swanborns nieuwe bundel Het wolkenreparatieatelier, die een soort buiten – (anders dan natuur) – observaties bevat. Zijn gedicht ‘Craquelé’ deed me denken aan gebarsten aarde, veroorzaakt door langdurige droogte. Een uitvergrote craquelé verspreid over de aarde die, als je tussen de opengebarsten spleten kijkt, een andere dimensie van leven doet vermoeden:
‘Het glazuur transparant en aan de oppervlakte gaaf, / zoeken onderliggende barsten zijwegen, vertakkend / als ijs onder dun water. Ik weet: deze kom stamt van / voor mijn tijd. (…).’
Maar ik vroeg me af of een dichtbundel me genoeg zou zijn als ik wakker lag in mijn tent.
Literaire tijdschriften leken me ook geen gek idee; een Kluger Hans, Terras, Tirade, de Parelduiker, De Gids. Voor elk moment wat wils: poëzie, verhalen, essays. Licht en makkelijk mee te nemen leesmateriaal. Hoewel Terras toch meer het formaat van een boekwerk heeft en een Parelduiker, die zag ik me bij nader inzien ook niet lezen in de blakerende zon.
De avond voor ik op vakantie ging, keek ik het laatste deel van de vijfdelige serie Patrick Melrose op NPO 2. Een serie die ik niet vanaf het begin had gevolgd omdat ik vreesde dat Benedict Cumberbatch zo goed zou zijn in de rol van de eigenzinnige, aan heroïne verslaafde upperclass jongen Patrick Melrose, dat hij mijn beeld van Melrose uit de trilogie van Edward St Aubyn compleet zou overspelen. Toch, gedreven door nieuwsgierigheid vond ik de laatste aflevering nog net online beschikbaar. Het bleek een fantastische en overtuigende weergave van een romanfiguur die je alleen door over hem te lezen, nooit zo uitgebeeld zou krijgen. Ik wist gelijk welk boek er mee zou gaan: Patrick Melrose romans. Over een leven, zo ingenieus beschreven dat je het net zo gretig als de eerste keer, opnieuw leest.
Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.
Maria Vlaar (1964) is (freelance) literair journalist met een lange staat van dienst in de Nederlandstalige letteren. Sinds 2016 werkt ze aan de biografie van Joost Zwagerman. Maar eerst debuteert ze met de verhalenbundel Diepe aarde. Deze week was Maria Vlaar te gast bij Radio Kunststof waar ze vertelde dat ze verhalen is gaan schrijven om de wereld naar haar hand te zetten. In 2014 verloor Vlaar haar man de schrijver en dichter Erik Menkveld, waarna ze is gaan schrijven. Hoewel het verhalen zijn over rouw, verlies en eenzaamheid zijn ze eerder ‘licht op de voet dan zwaar op de hand’. Verhalen over mensen die elkaar dingen aan doen.
In Diepe aarde gaat het over wat zich verbergt achter alledaagse levens. Een stokoude vrouw koestert bijvoorbeeld haar herinneringen aan gezinsgeluk tijdens een verregende vakantiedag: ‘Alles wat er op de wereld was bevond zich op dat moment in een kleine ruimte van tentdoek, acht vierkante meter, twee grote en drie kleine mensen.’ Vlaar vertelt de levensverhalen en liefdesgeschiedenissen van onder anderen een wetenschapper met obesitas, een man met een dubbelleven en een therapeute die haakt naar seks. Verlangend naar verbondenheid krijgen zij allen te maken met verlies, verraad en rouw.
James Joyce (1882-1941) schreef naast zijn grote romans ook kleinere werken zoals gedichten, boekbesprekingen, schotschriften tegen de goegemeente, gaf lezingen over de onrechtvaardige kant van de Ierse geschiedenis en een toneelstuk. Om ze zelf te verzamelen en uit te geven kwam er niet van. Maar gelukkig heeft het vertalers duo Bindervoet & Henkes deze taak op zich genomen. Nu zijn dan de losse stukken van James Joyce verzameld in de bundel Varia. Volgens de uitgever: ‘Een daad van gerechtigheid’.
Varia bevat: jeugdige opstellen (1900); boekbesprekingen (1902-1903); ‘The Holy Office’ (1904); Chamber Music (1907); de Italiaanse lezingen en krantenartikelen (1907-1912); ‘Gas from a Burner’ (1912); Exiles (1914); Pomes Penyeach (1927); Fluviana (1929) en ‘Ecce Puer’ (1932).
Auteur: James Joyce
Uitgeverij: Athenaeum
De verloren toon
De Weense schrijfster Lida Winiewicz (1928) was deze week in Nederland om over haar boek De verloren toon te spreken. Een memoir over haar jeugd. Haar moeder overleed toen zij één jaar, en haar zus zes jaar was. Haar vader hertrouwt jaren later met een Joodse vrouw en wanneer de nazi’s aan de macht komen, vlucht hij met zijn vrouw naar Prijs en laat zijn dochters achter bij zijn zus in Wenen. Als Lida Winiewicz, zelf voor een kwart Joods, studeert voor klassiek zangeres wordt het haar door de nazi’s verboden op te treden. Vanaf dat traumatische moment haalt ze de hoge G niet meer. Achteraf relativeert de schrijfster dit met humor en scherpe ironie. ‘Het schijnt dat je ook kunt leven zonder te kunnen zingen.’
Naast schrijver is Winiewicz vertaalster, (van onder meer Colette, Graham Greene en Alberto Moravia). In 2017 werd Winiewicz bekroond met de Literaturpreis der Stadt Wien, (na o.a. Elias Canetti en Elfriede Jelinek).
Het vertalen van een van de moeilijkste boeken uit de literatuurgeschiedenis is een uitdaging die de schrijvers, vertalers en polemisten Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes aan het eind van de vorige eeuw aangingen. Dit resulteerde uiteindelijk in 2002 in een bewierookte vertaling van Finnegans wake, het laatste boek van James Joyce (1882-1941).
Nu is een deel, een hoofdstuk, van hun vertaalprestatie (volgens de ophemelende ondertitel is die niets minder dan ‘briljant’), onder de naam Anna Livia Plurabelle los verschenen, om mensen die zich nog niet durven te wagen aan de hele tekst toch een indruk te geven van de bedoelingen en virtuositeit van Joyce. Want virtuoos is de tekst zeker. Jammer genoeg niet echt begrijpelijk, maar virtuoos zonder meer. Dit geldt zowel voor de ook opgenomen Engelse tekst als voor de versie van Bindervoet en Henkes. Het is een spel met neologismen, archaïsche woorden en algeheel vreemde taal dat boeit, maar de lezer niet de tekst intrekt.
Bindervoet en Henkes omschrijven in hun uitleiding de door Joyce gevolgde methodiek als volgt: ‘Joyce schreef volgens de herzie-&-vul-aan-methode, ook wel de acccretive of aanslibmethode genoemd: er kwam doorgaans alleen maar bij en ging zelden wat af. Hij schreef zijn eerste kladversies van de hoofdstukken vrij snel achter elkaar- uit zijn hoofd, zonder zijn aantekenschriftjes te gebruiken – en vooral de eerste versie van de eerste hoofdstukken, toen het boek vorm moest krijgen en lag te te gisten en te pruttelen, is vrij goed te volgen.’ (96) Deze aandacht voor de gevolgde werkwijze is interessant en het is boeiend hoe de vertalers met het ontstane taalmonument zijn omgesprongen. Een zoektocht naar en omgang met de verschillende versies van een meesterwerk is fascinerend en Bindervoet en Henkes laten er iets van zien.
Om een indruk te geven van wat hun vertaling heeft opgeleverd, volgt hierna een vrij willekeurig gekozen passage uit het begin van Anna Livia Plurabelle: ‘Wie water was zal stroomloop oogsten. O, wat een rakase rauser! Geminxt huwejuk en leaves doen verdrijven. Sherrive Koosje had het bij het rechtse eind en Sherrive Droggerd was sinister! En die snit van hem! En die tred van hem! Hoe hij zijn hoofth hoogh hield, dien fameuze owen knar van een duke ellejan, met ene prachtpralende bult bezet als een waddelende Heer Merlijn.’ (11) En zo gaat het de hele tekst. Nergens biedt Joyce de lezer enig respijt. Nergens geeft hij een meer traditioneel verhaalverloop dat de moderne gehaaste lezer begrijpt en bij de lurven vat. Een verhaal wordt eigenlijk niet verteld, echte communicatie met de lezer lijkt niet te zijn nagestreefd. Het is puur het speelse gebruik van taal dat boeit, maar de vraag is of Joyces taalspel (en dat van de vertalers) eeuwig zal blijven bekoren, zoals het andere werk van deze grote Ierse schrijver. Het nu apart gepubliceerde hoofdstuk is naar verluidt een dialoog tussen twee wasvrouwen aan een rivier die veranderen in een boom en een steen. Het was bedoeld als een poging ‘woorden ondergeschikt te maken aan het ritme van het water.’ (78)
Joyce verwerkte in zijn tekst de namen van honderden rivieren. Op bladzijde 137 tot 148 zijn alle Nederlandstalige rivieren (en ‘waterigheden’) die zijn opgenomen in de vertaling genoemd, van de Aa tot ’t Zwin. Het verwerken van deze 1052 aardrijkskundige namen moet een heidens karwei zijn geweest, die de tekst statuur geeft. Maar het is ook een prestatie die je doet afvragen: waartoe al die moeite? Hoeveel mensen zullen deze arbeid echt kunnen waarderen? Finnegans wake is ongetwijfeld een prachtprestatie (ook in vertaling), maar zal voor menig lezer een gesloten boek blijven.