• Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • Getikte voorouders

    Getikte voorouders

    ‘Maar u bent anders; ook wel een beetje getikt, maar toch goed,’ zegt het herderinnetje Pamela tegen burggraaf Menardo. Een beetje getikt zijn eigenlijk alle personages in het werk van Italo Calvino (1923-1985). Of in elk geval in de drie verhalen die samen de bundel Onze voorouders vormen, onlangs heruitgegeven in de mooie vertaling van Henny Vlot, uit 1986.

    In ‘De gespleten burggraaf’ gaat het over de jonge edelman Menardo van Terralba, die in de strijd tegen de Turken precies doormidden wordt gekliefd, en zijn leven vervolgt als twee helften, de ene slecht, de andere goed. ‘De baron in de bomen’ doet het leven uit de doeken van Cosimo Piovasca van Rondò, die op twaalfjarige leeftijd weigert nog langer thuis de verplichte slakken te eten en uit boosheid in een boom klimt, om de rest van zijn leven geen voet meer op de grond te zetten. Het derde verhaal, ‘De ridder die niet bestond’, speelt in de tijd van Karel de Grote en vertelt over het bijzondere optreden van de paladijn Agilulf, wiens verschijning uitsluitend uit een leeg harnas bestaat.

    Fantasie is leidend

    Overtuigend aan de drie verhalen is het speelse gemak waarmee Calvino ons door zijn toverachtige fantasiewereld voert, een wereld die nochtans in sommige opzichten best wat wegheeft van de onze. Zo belichaamt de scherpe schizofrenie van Menardo de drift naar extremisme die onze tijd kenmerkt en die diepe kloven in de samenleving trekt. Ook de boombewoner Cosimo vertoont een modern soort dubbelhartigheid: enerzijds het verlangen zich terug te trekken uit de maatschappij, en zelfs de illusie te koesteren daarbóven te staan, anderzijds alle moeite doen om de sociale binding met het aardse bestaan in stand te houden, tot en met het ontvangen van bezoekers in een comfortabele boomhut, inclusief de grote keizer Napoleon, die Cosimo komt bedanken voor diens loyale politieke activisme. En ja, ook de niet bestaande ridder is een kind van onze tijd, met zijn praatjes en pretenties die uiteindelijk gebakken lucht in een lege huls blijken te zijn. 

    Het verhaal ‘De ridder die niet bestond’ wordt zogenaamd geschreven door een kloosterzuster, Theodora geheten, die deze taak van haar abdis heeft gekregen om de output van de congregatie wat meer allure te geven dan alleen die van de opbrengst van de moestuin en de devotie van de gebeden. Soms reflecteert Theodora op het schrijverschap: ‘De kunst van verhalen schrijven bestaat eruit dat je in staat bent met behulp van dat kleine beetje dat je van het leven begrepen hebt heel de rest op te roepen; maar als de bladzijde is volgeschreven begint het echte leven weer en merk je dat datgene wat je wist inderdaad maar een heel klein beetje was.’ Het ligt voor de hand deze overpeinzing mede toe te schrijven aan de schrijver zelf. Aan alles is te merken dat Calvino niets liever doet dan met het kleine beetje dat hij van het leven begrepen heeft, een hele wereld tot verbeelding te brengen, waarin het zijn fantasie is die aan de touwtjes trekt.

    Met zichtbaar genoegen introduceert hij in ‘De gespleten burggraaf’ het bijdehandte herderinnetje Pamela. De slechte helft van de burggraaf heeft zijn zinnen op haar gezet. Pamela moet echter niets van hem weten, want ze is juist verliefd op de goede helft van de burggraaf. Maar ook die krijgt te maken met de pragmatische nuchterheid van Pamela. Als hij voorstelt een bezoek te brengen aan haar ouders (die haar graag hadden uitgehuwelijkt aan de slechte helft van de burggraaf), houdt ze de boot af. ‘Ga jij maar als je daar zin in hebt,’ zei Pamela. ‘Ja, daar heb ik zin in, liefste,’ zei de burggraaf. ‘En ik blijf hier,’ zei Pamela en ze bleef staan met haar eend en haar geit. ‘Samen goede daden doen is de enige manier om van elkaar te houden.’
    ‘Jammer. Ik dacht dat er andere manieren waren.’

    Vaart en humor

    Eenzelfde laconieke houding zien we in ‘De ridder die niet bestond’ bij Karel de Grote, die in de aanloop naar een grote veldslag tegen de Moren zijn paladijnen monstert. Als Agilulf aan de beurt is, houdt die niet bestaande ridder zijn vizier wijselijk gesloten. ‘Hé, paladijn, ik heb het tegen u!’ hield Karel de Grote aan. ‘Waarom toont u uw gezicht niet aan uw vorst?’ De stem klonk helder van achter de mondbeschermer: ‘Omdat ik niet besta, sire.’ ‘Wat krijgen we nu!’ riep de keizer uit. ‘Nu hebben we bij onze troepenmacht ook al een ridder die niet bestaat. Laat eens zien.’ Agfilulf leek nog even te aarzelen, maar opende toen met een ferm doch traag gebaar het vizier. De helm was leeg. In het witte harnas met de helmbos in de kleuren van de regenboog zat helemaal niemand. “Wel! Wel! Wat een mens allemaal niet meemaakt,’ zei Karel de Grote. 

    Helaas is van dat schrijfplezier minder te merken in ‘De baron in de bomen’. Verhaaltechnisch kent het nauwelijks een ontwikkeling, behalve in het zich accommoderen van de jonge edelman aan het leven op de takken. Allengs lukt het hem om, springend van boom tot boom, het hele land te bestrijken. Hij verwent zichzelf met een luxe bivak, inclusief houtkachel en boekenkast. Maar het verhaal blijft hangen op de uitwerking van dat ene idee en mist de spanning, vaart en humor van beide andere vertellingen. 

    Je zou Calvino een magisch-realist kunnen noemen. Eenmaal akkoord met zijn wonderlijke voorstelling van zaken kost het de lezer weinig moeite mee te gaan in de gefantaseerde logica van de drie verhalen, ook natuurlijk omdat de medemensen van de drie getikte hoofdpersonen ook zonder morren hun bijzondere hoedanigheid voor waar aannemen. Zo wordt het magische realistisch, en kunnen we ons inleven in de onderlinge strijd die de beide helften van de burggraaf voeren, in het geanimeerde boomleven van de vindingrijke jonge baron en het geestrijke bestaan van de ridder die niet bestaat. 

     

  • Oogst week 15 – 2023

    Onze voorouders ('I nostri antenati')

    Italo Calvino (Cuba, 1923) is één van die schrijvers die de oorlog niet slechts beschrijft vanaf de veilige zijlijn: tijdens de Tweede Wereldoorlog zit hij daadwerkelijk in het Italiaanse verzet. Na de val van Mussolini studeert Calvino literatuurwetenschappen in Turijn en sluit hij zich aan bij de Italiaanse communistische partij, die hij in 1957 weer verlaat. Ondertussen blijkt hij een productief schrijver. Nagenoeg alle romans die uit zijn pen vloeien, vallen op door magisch-realisme enerzijds en door een grote maatschappelijke betrokkenheid anderzijds. In 1960 verschijnt Calvino’s trilogie ‘I nostri antenati’, Onze voorouders.

    Pas in 1986, een jaar na Calvino’s heengaan, publiceert Bert Bakker eindelijk de Nederlandse vertaling. Heinrich Heine merkte niet voor niets ooit op: ‘In Holland passiert alles erst dreissig Jahren später.’ Het is een drieluik van Calvino’s vroegere novellen De gespleten burggraaf, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Uitgeverij LJ Veen Klassiek geeft het nu opnieuw uit, na Calvino’s werken De onzichtbare steden, Als op een winternacht een reiziger en Waarom zou je de klassieken lezen? LJ Veen Klassiek wil Nederland laten ontdekken waarom het Calvino zou moeten lezen!

    Onze voorouders ('I nostri antenati')
    Auteur: Italo Calvino
    Uitgeverij: LJ Veen Klassiek

    Uitzicht van dichtbij

    In een artikel voor Vice schrijft Megan van Kessel (1989): ‘Ik ging na waarom het schrijven van mijn boek inmiddels al net zo lang duurt als het leven van een gezonde cavia.’ Deze plompverloren nuchterheid had zo uit de koker van Paulien Cornellisse kunnen komen. Het alledaagse dat tegelijk het bijzondere daarvan benadrukt, valt onder Nieuwrealisme. Van Kessels debuut, Uitzicht van dichtbij, maakt het leven op het platteland, moederschap en tuinieren tot iets uitzonderlijk gewoons. De wat paradoxale titel is behalve een uitzicht van dichtbij, eveneens een zeer lezenswaardige focus van veraf. Maar waarop?

    Bij het eerder aangehaalde stuk in Vice schampert Van Kessel over haar eigen werk: ‘… wat ik op papier zette [was] niet veel spannender dan een gemiddelde gebruiksaanwijzing van aspirine.’ Op deze zelfkritiek valt een hoop af te dingen. Talloze auteurs gingen haar voor in het schrijven over banaliteiten. Het kan haast niet anders of Van Kessel is een begenadigde stilist. Het medium Papieren helden omschrijft haar werkethiek als volgt: ‘Toen ze moeder werd en nooit meer tijd had, ging het beter met schrijven.’ Dit heeft dus geleid tot Uitzicht van dichtbij. Het wordt hoog tijd de schrijfkunsten van de Waalse van dichtbij te bewonderen.

    Uitzicht van dichtbij
    Auteur: Megan van Kessel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Schrikkeljaar

    Als de titel van Anka Hashins literaire debuut, Schrikkeljaar, een voorbode is voor haar productiviteit, zitten we voorlopig geramd. In dit boek geeft Hashin (1980) volgens de Oost-Europese traditie en tóch in geheel eigen stijl een kleurrijk beeld van haar inmiddels niet meer bestaande vaderland: de Sovjet-Unie. De nostalgie voor haar geboortegrond gaat wel wat dieper dan de ‘industrieel-dus-gaaf-lampje’-fabriekshallenromantiek. Hashin is naast auteur beeldend kunstenares. Ze interesseert zich bovenmatig voor het spanningsveld tussen het vergane en het moderne, conservering en verwaarlozing.

    Volgens Uitgeverij Vrijdag is Schrikkeljaar een verhalenbundel die de grens tussen mens, dier en andere schepsels vervaagt. Het motto bij één van Hashins verhalen komt van Günter Grass: ‘De vogelverschrikker is gemaakt om op de mens te lijken.’ Weliswaar niet als een vogelverschrikker, maar als een piloot in alwetend perspectief beziet Hashin de teloorgang van de Sovjetrepubliek. Het literaire maandblad waarvoor Hashin schrijft, Znamya, betekent bovendien ‘spandoek’. Daarom zou Schrikkeljaar weleens de perfecte luchtreclame kunnen zijn voor de eersteling van Anka Hashin.

    Schrikkeljaar
    Auteur: Anka Hashin
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag
  • Venetië zien. En dan?

    Venetië zien. En dan?

    Zeven (of acht) was ik toen Venetië zich voordeed. We waren op vakantie in Lido di Jesolo en dan ben je er bijna. Ik wilde wel en gooide Marco Polo in de strijd. Mijn moeder bracht gondels in. Toen we eenmaal in Venetië waren, bleek het water onstuimig en de gondeliers onverstaanbaar en zat er dus niets anders op dan naar Marco Polo te lopen. Het was warm, en het was heel ver. Ondanks dat maakte Marco Polo indruk en zorgde zijn rode jas voor een historische sensatie. Mijn eerste.

    Een klein glazen schildpadje herinnert aan dat bezoek. Na lang wikken en wegen gekozen op glasblazerseiland Murano. Ik neem aan dat we daar niet te voet naar toe gingen, maar ik herinner me geen vaporetto. Eigenlijk herinner ik me heel weinig van de dag dat we in Venetië waren. Ik weet dat ik de Brug der Zuchten zag. Ik weet ook nog dat iemand de duiven op het Piazza San Marco voerde. Maar ik herinner het me niet.

    Het meisje van zeven (of acht) dat ik was, had geen benul van Venetië. Ze kende de geschiedenis en de reputatie van de stad niet. Venetië was nog geen verhaal. Venetië was wat ze zag. Meer niet.
    Ze kende alleen Marco Polo. Daar had ze een boek over gelezen. Ze was nog maar net lid van een bibliotheek waar de vloer kraakte, ook als je heel voorzichtig van de ene naar de andere kast liep. Het boek over de ontdekkingsreiziger was het eerste dat ze leende.

    De tijd verstreek en het meisje verdween achter de horizon. Het bleef bij dat ene bezoek aan de stad in het water, maar ondertussen ben ik oneindig vaak in Venetië geweest. Voorzien van ‘een landkaart van de dood’ zwierf ik over San Michele. Aan het eind van de dag moest ik hollen om de laatste vaporetto te halen. Had ik maar op de dochter van de gondelier gewacht. Zij houdt van de nacht en kent de weg. Ik was het ook die me met mijn lichaam een tunnel baande door de mist en mezelf zo een half uur later de weg naar huis wees.

    Door de ogen van anderen kwam ik overal. Ik leerde mensen kennen en kon achter maskers en andere façades kijken. Ik heb de stad zien veranderen. Het water zien stijgen. Venetianen hun stad zien ontvluchten. Even heb ik overwogen er te gaan wonen, maar ondanks het verval blijven de huizen er onbetaalbaar.

    Dat ik La Serenissima nooit los heb hoeven laten, dank ik aan dat meisje van zeven (of acht). Onbevangen en onbeschreven als ze was, gaf zij Venetië de kans zich voorgoed in mij te nestelen. En dat terwijl ik geboren ben op een eiland waar Venetianen het eeuwenlang voor het zeggen hebben gehad.
    Ik vertel verhalen, maar dit is geen sprookje. Geloof me nou maar.

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:
    Watermark: An Essay on Venice – Joseph Brodsky
    De onzichtbare steden – Italo Calvino (vertaling: Henny Vlot)
    Venetiës
    – Paul Morand (vertaling: Geerten Meijsing)
    Venetiaanse vignetten – Cees Nooteboom
    The Passion – Jeanette Winterson

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Oostende, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

  • Overwegingen halverwege een boek – Italië

    door Menno Hartman

    In de rechterbalk staat een vakje ‘Bij de buren’. Vroeger stonden daar slechts bijdragen van NRC-Handelsblad, nu zijn daar een aantal buitenlandse kranten aan toegevoegd. Het is tenslotte goed te weten wat men elders denkt en doet, speciaal in een tijdsgewricht waarin men tracht vaderlandse liederen op radio 2 aan een hoger percentage te krijgen, waarin wat van elders komt dus verdacht is. Toch is dat laatste een zeer internationaal gezichtspunt. Kijk maar bij deze link, die je ook in de rubliek ‘Bij de buren’ aantreft.

    The New York Times biedt de lezer zijn lijstje van tien beste boeken, en er is er niet een vertaald. Toch kan het zeer bevrijdend werken vooral veel vertaald werk te lezen, er is zo vreselijk veel goeds. Het kan ook zeer bevrijdend werken soms eens een buitenlandse krant in te zien, je ziet dan andere koppen en deskundigen. Ik liep anderhalve week terug met een rugzak langs Hadrian’s Wall, opgetrokken om vreemde elementen buiten het Romeinse rijk te houden. Daarom was ik van plan Hadrianus Gedenkschriften van Marguerite Yourcenar te herlezen. Maar ik ben geen herlezer. Ik had goddank meer in mijn rugzak: Laurent Binet’s HhhH, waar Machiel Jansen al een stuk over schreef en het nieuwe boek van Sandro Veronesi XY, vertaald door Rob Gerritsen. Twee van de vorige boeken van Veronesi hadden mij redelijk van mijn sokkel geblazen: Kalme chaos en In de ban van mijn vader.

    Wat is XY voor een boek? In een klein bergdorp vindt een bizar incident plaats, waarbij tien mensen de dood vinden, die achteraf door totaal verschillende doodsoorzaken gestorven te zijn. Een is zelfs gebeten door een haai die al driehonderd jaar uitgestorven is. De besneeuwde boom waaronder men de lijken vond is rood van kleur en na onderzoek blijkt dat bloed te zijn dat dna vertoont van alle gestorven aanwezigen.

    De plaatselijke pastoor gaat samen met een vrouwelijke psychiater trachten de ontwortelde dorpsbewoners bij te staan. Veronesi komt niet met een oplossing voor het drama. Het boek lees je dus vooral om de hoofdfiguren, een zeventigjarige pater en een vrouwelijke psychiater van in de dertig, en om sommige zeer snedige Veronesi passages, steeds een heel verrassende mix van filosofische waarneming en alledaagsheid.  Ik moet denken aan de De naam van de roos van Umberto Eco, een intellectuele thriller, met een standvastige kloosterling als inspecteur. Maar je kunt ook denken – als je dit boek wilt flankeren met titels die er iets van weg hebben – aan de Italiaanse klassieker Die gore klerezooi in de Via Merulana van Carlo Emilio Gadda, een detective die geen detective is, waarin het gerechtelijk onderzoek op allerlei dwaalwegen belandt en de lezer steeds helderder voor ogen krijgt dat de diefstal en de moord uit dat boek slechts aanleiding zijn om het over iets heel anders te hebben. Een modernistische klassieker vermomt als detective. XY lijkt meer te gaan over het gegeven dat je altijd je leven weer in eigen hand kunt nemen en dat het verrijkend is de werkelijkheid soms eens vanuit een andere paradigma te bezien.

    Gadda, Veronesi, Eco, de top tien van de New York Times. In het café ontdekte ik dat ‘mijn overwegingen halverwege een boek’ een vermomming waren voor mijn top tien uit de Italiaanse literatuur. Ik vulde er voor een van de andere Literair Nederland redacteurs twee bierviltjes mee.

    Hij luidt tot nader orde zo:

    Giorgio Bassani – twee keer: De tuin van de Fitzi-Contini’s – De reiger

    Dino BuzzatiDe woestijn van de tartaren

    Italo Calvinotwee keer: Als op een winternacht een reiziger – Het pad van de spinnenesten

    Carlo Emilio GaddaDe gore klerezooi in de Via Merulana

    Primo Levidrie keer: Is dit een mens, Zo niet nu wanneer dan, Het periodiek systeem

    Curzio Malaparte – Kapputt

    Alberto Moravia – De voyeur

    Cesare Pavese – drie keer: Stilte in augustus – De duivel op de heuvel – De maan en het vuur

    Tomasi di Lampedusa – De tijgerkat

    Italo Svevo De bekentenissen van Zeno

    Sandro Veronesi -twee keer: In de ban van mijn vader – Kalme Chaos

     

    Ik zie dat het elf schrijvers zijn, geen tien en dat er geen vrouwelijke auteurs bij staan, dat verbaast me zeer, maar ik kan er niet veel noemen. Van Natalia Ginzburg las ik alleen een korte biografie over Tsjechov. Wie mis ik? Zie ook de wikipedialijst.

    Volgende keer bespreek ik hoe het voelt halverwege te zijn met  Tim Harfords‘ Adapt. Why success always starts with failure en tot welke boeken dat boek  zich verhoudt.

  • Een boek voor elke stad

    Recensie door Patrick Bassant

    Het probleem van de keuze van reisliteratuur is opgelost. Ik beleef er een wat kinderlijk genoegen aan om als ik op vakantie ga, boeken mee te nemen die zich afspelen in de stad waar ik verblijf. Nu is dat met de meeste grote Europese steden niet zo’n probleem; ongeveer elke stad heeft wel zijn eigen great novel. Maar mocht ik binnenkort een stedentripje maken naar Malmö, Porto of Ajaccio, dan zou ik een moeilijk moment voor mijn boekenkast hebben. Gelukkig heb ik nu het boek gevonden voor dit soort reisjes: Italo Calvino’s De onzichtbare steden (vertaald door Henny Vlot).

    In dit boek vertelt de ontdekkingsreiziger Marco Polo over de steden die hij onderweg heeft bezocht. De opdrachtgever van de reizen is Kublai Kan, de heerser van een rijk dat zo uitgestrekt is, dat de grote Kan onmogelijk zelf alle steden kan bezoeken. In zijn paleis luistert hij naar de verhalen van Polo en probeert zich zo een beeld te vormen van zijn rijk. Aanvankelijk gaat dat moeizaam, omdat Polo de taal niet spreekt en met handen en voeten uit moet leggen wat hij gezien heeft. En later blijft dat moeizaam gaan, omdat de Kan verhalen over meer steden wil horen dan Polo bezocht heeft. Eigenlijk heeft Polo geen van deze steden bezocht. Hij verzint ze en geeft alle steden een opvallende eigenschap mee. Wat hij doet, is alle eigenschappen van een echte stad verdelen over verzonnen steden. De enige stad die Polo goed kent, is Venetië. En in zekere zin is dit boek een beschrijving van deze veelzijdige stad. Maar andersom klopt het ook: elke stad heeft kenmerken die Venetië ook bezit, en op die manier zit er tussen de 55 steden die in dit boekje worden beschreven, altijd wel een paar die lijken op de stad waar je als lezer op vakantie bent. ‘Niemand weet beter dan jij, wijze Kublai, dat je nooit een stad mag verwarren met de woorden die haar beschrijven. En toch is er een verband tussen het een en het ander,’ merkt Polo zelf al op.

    De steden worden allemaal beschreven in korte hoofdstukjes van maximaal twee pagina’s, in een heldere, precieze stijl. Calvino is een meester in het vangen van de essentie van een stad in weinig woorden. Na elke beschreven stad droom je even weg, beeld je je in hoe het zou zijn om in die stad te leven, of je vraagt je af of je ooit in zo’n stad geweest ben. Bijvoorbeeld de stad Maurillia. Bezoekers zien de huidige stad, en krijgen gelijk oude ansichten aangereikt door de bewoners, om te zien hoe de stad er vroeger uitzag. Bezoekers dienen de voorkeur te geven aan de oude stad, maar ook op te merken dat de oude provinciestad maar wel mooi is uitgegroeid tot de huidige wereldstad, en dat je met heimwee terug kan denken aan hoe het geweest was. Ik herkende daar gelijk Brussel in, maar dat is niet de enige stad die zo reageert op vernieuwing.

    De verhalen zijn een genot om keer op keer te lezen, ze zijn zo kort dat ze ook in de metro gelezen kunnen worden en het boek is niet zwaar. Na het gelezen te hebben, kan je het boek gewoon in je koffer laten zitten en de volgende vakantie weer herlezen. Het perfecte vakantieboek, kortom.

     

     

  • Italo Calvino (1923-1985)

    Italo Calvino (1923-1985)

    Italo Calvino wordt geboren op 15 oktober 1923 in Santiago de Las Vegas, Cuba. Zijn beide ouders zijn op dat moment werkzaam als reizende botanisten. In 1925 verhuist het gezin  naar een landgoed in San Remo, aan de Italiaanse Riviera. Calvino brengt zijn kindertijd door tussen de tropische bomen en planten, maar raakt al snel geïnteresseerd in een ander soort vegetatie: die van het geschreven woord.

    In 1940 neemt Calvino, als gedwongen lid van de Jonge Fascisten, deel aan de Italiaanse bezetting van de Franse Riviera. Een jaar later begint hij aan zijn studie landbouwkunde aan de Universiteit van Turijn, waar zijn vader lesgaf als professor tropische agricultuur. Tijdens de Duitse bezetting in 1943 breekt hij zijn studie af en sluit zich aan bij het Italiaanse verzet om te strijden in de Ligurische Alpen als lid van de Garibaldi Brigades. Hier is het, zo schrijft Calvino later, dat hij de kunst van het vertellen leert kennen: bij de partizanen aan het kampvuur. In 1944 wordt hij lid van de Partido Comunista Italiano.

    Na de bevrijding keert Calvino terug naar Turijn. Hij besluit zijn studie landbouwkunde niet voort te zetten, maar zich te werpen op de studie literatuur. Twee jaar later studeert hij af met een verhandeling over Joseph Conrad. Hij levert bijdragen voor het weekblad Il Politecnico en de krant L’Unita en gaat al snel werken bij de uitgeverij Einaudi. Hier ontmoet hij Cesare Pavese en Elio Vittorini, twee neorealistische schrijvers die hem introduceren in de linkse politiek. De moeilijke liefdes, een bundeling korte verhalen passen in Calvino’s neorealistische periode. Ook de historicus Franco Venturi en de filosofen Norberto Bobbio en Felice Balbo gaan tot zijn vriendenkring behoren.

    In december 1946 schrijft hij, in slechts twintig dagen, zijn eerste roman, Het pad van de spinnennesten. Hierin verweeft Calvino elementen uit zijn jeugd bij de partizanen. Vanaf 1948 werkt hij mee aan het communistische weekblad Rinascita. In 1950 keert hij terug naar Einaudi en krijgt hij de verantwoordelijkheid over de literaire bijdragen in La Piccola Biblioteca Scientifica-Letteraria. Na het lezen van het werk van de Russische formalist Vladimir Propp raakt hij bijzonder geïntrigeerd door de morfologie van de volkse verhalentraditie. Tijdens de jaren 50 legt Calvino zich toe op het verzamelen van volkse vertellingen uit heel Italië. In 1956 publiceert hij zijn Italiaanse volkssprookjes.

    Die fascinatie voor het fantastische leidt in 1952 tot de publicatie van De gespleten burggraaf, het eerste deel van Calvino’s latere drieluik, Onze voorouders. In 1957 en 1959 verschijnen het tweede en derde deel, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Figuren als de gespleten burggraaf Medardo van Terralba, de baron in de bomen Cosimo Piovasco van Rondò en de ridder die niet bestaat Agilulf Emus Bertrandinus van Guildivern en de Anderen van Corbentraz en Sura, ridder van Selympia Citerior en Fez, bestaan op zich als de creatie van een grootse verbeelding, maar worden door Calvino bij een terugblik op het drieluik ook geplaatst in de realiteit van de tijdsgeest. Die vermenging van het fantastische met politieke en andere werkelijkheden is tekenend voor zijn oeuvre.

    In 1957 verlaat Calvino de Communistische Partij. Hij reist veel en bezoekt onder andere Rusland, de VS en Cuba, waar hij in 1964 de Argentijnse vertaalster Esther Judith Singer trouwt. Intussen is zijn Marcovaldo verschenen, het definitieve einde van zijn neorealistische periode. In 1965 publiceert hij Kosmi Komische verhalen, waarin hij ‘de spontane vorming van beelden en de doelgerichtheid van het redenerend denken met elkaar [wil] verenigen’. De hoofdpersoon, Qfwfq, is een altijd al aanwezige levensvorm die ‘getuige [blijkt] te zijn geweest van alles wat de theorieën over het ontstaan van het heelal veronderstellen’, maar die geschiedenis niet onproblematisch vertegenwoordigt.

    Twee jaar later verhuist Calvino naar Parijs, waar hij gedurende vijftien jaar, met tussenpozen, zal blijven terugkeren. Daar leert hij de literaire kringen Tel Quel en OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle) kennen en ontmoet hij schrijvers als Raymond Queneau, Georges Perec en Jacques Roubaud. Onder invloed van de écriture à contraintes roept hij op tot een literatuur die filosofie en wetenschap ademt, maar tegelijkertijd zijn afstand bewaart en theoretische abstracties en het schijnbaar concrete van de realiteit oplost. In de eerste helft van de jaren 70 verschijnen De onzichtbare steden en Het kasteel van de kruisende levenspaden. Over dat laatste boek schrijft hij zelf: ‘een boek dat een soort machine wil zijn voor de vermenigvuldiging van verhalen op basis van figuurlijke elementen met vele mogelijke betekenissen, zoals die van een spel tarotkaarten’. De onzichtbare steden is een boek dat zich op het complexe symbool van de stad concentreert, een symbool dat de schrijver ‘de meeste mogelijkheden heeft geboden om uitdrukking te geven aan de spanning tussen geometrische rationaliteit en wirwar van het menselijk bedrijf’. Marco Polo brengt hierin, uiterst miniem maar gedetailleerd, verslag uit aan Kublai Khan van zijn reizen naar tal van wereldsteden, plaatsen die in het echt niet bestaan.

    In 1979 brengt Calvino zijn hyper-roman Als op een winternacht een reiziger… uit. Hierin tracht hij ‘de essentie van de roman als zodanig weer te geven door die te concentreren in tien beginfragmenten van mogelijke romans, die op de meest diverse manieren een gemeenschappelijke kern tot ontwikkeling brengen, en die handelen binnen een raamwerk dat hen bepaalt en door hen bepaald wordt’. Een Lezer en een Lezeres volgen intrigerende verhaallijnen en komen zo terecht in een wijdvertakte vertelling die zich uitstrekt over gekende en ongekende literaturen.

    In 1983 schrijft hij nog Palomar, ‘een soort notitieschrift over minimale kennisproblemen, over manieren om relaties met de wereld tot stand te brengen, over beloning en frustratie in het hanteren van stilte en van taal.’ Meneer Palomar concentreert zich in zijn dagelijkse bestaan op geïsoleerde verschijnselen en bestudeert ze ‘tot in de kleinste details, met een hang naar precisie die grenst aan obsessie’.

    Op 19 september 1985 sterft Italo Calvino aan een hersenbloeding. Postuum verschijnt nog zijn Zes memo’s voor het volgende millennium, een erg intelligent, beeldrijk pleidooi voor een literatuur die zijn eigen voortbestaan kan garanderen. De voor dat soort literatuur zo nodige kenmerken lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid en veelvoudigheid (het zesde, ‘consistentheid’, heeft hij nooit kunnen afmaken) worden steeds toegelicht aan de hand van voorbeelden uit de literaire traditie (ook zijn eigen werken) en moeten de literatuur van de toekomst gaan bepalen.

    Calvino’s oeuvre is groots in zijn opzet: de vermenging van het fantastische met het politieke, wetenschappelijke en later postmodernistisch meta narratieve geeft hem terecht een prominente plaats in de wereldliteratuur.

    Bronnen
    www.emory.edu
    www.kunstbus.nl
    authologies.free.fr

    Bibliografie
    Het pad van de spinnenesten (1947, Nederlandse vertaling 1993)
    En dan komt de raaf (1949, Nederlandse vertaling 1999)
    De moeilijke liefdes (1958; Nederlandse vertaling 1989)
    Onze voorouders (1960; Nederlandse vertaling 1986)
    De gespleten burggraaf
                De baron in de bomen
                De ridder die niet bestond
    Een dag op het stembureau (1963, Nederlandse vertaling 1994)
    Marcovaldo, of De seizoenen in de stad (1963, Nederlandse vertaling 1992)
    Kosmikomische verhalen (1965; Nederlandse vertaling 1983)
    De weg naar San Giovanni (1963-1977; Nederlandse vertaling 1992)
    De onzichtbare steden (1972, Nederlandse vertaling 1981)
    Het kasteel van de kruisende levenspaden (1973, Nederlandse vertaling 1982)
    Als op een winternacht een reiziger (1979, Nederlandse vertaling 1982)
    Palomar (1983; Nederlandse vertaling 1985)
    Zes memo’s voor het volgende millennium (1988, Nederlandse vertaling 1991)
    De betoverde tuin: de mooiste verhalen (1989, Nederlandse vertaling 1998)
    Waarom zou je de klassieken lezen (1991, Nederlandse vertaling 2003)