• Oogst week 7 – 2020

    Weersverwachting

    Deze week een scherpzinnige roman van de Amerikaanse Jenny Offwell, een trilogie in toneelteksten van Judith Herzberg en de eerste roman van de Zambiaans/Amerikaanse Namwali Serpell.

    De Amerikaanse schrijver Jenny Offwill (1968) wordt na haar laatste roman Verbroken beloften – over een vrouw die kunstenaar wil worden maar zichzelf verliest in het (ook bij Rachel Cusk een leidend thema) moederschap – op een lijn geplaatst met de Britse Anne Enright en Rachel Cusk. Dat Offwell een scherp observator is en dit in prachtige zinnen beschrijft, blijkt ook uit haar derde roman Weersverwachting. Een roman over een jonge vrouw, met een bijbaantje in de bibliotheek van de universiteit waar ze eigenlijk wilde promoveren. Maar haar zorgen om haar broer, een exverslaafde en voor het eerst vader geworden, leidden haar af van dat doel. Ze voelt zich verantwoordelijk voor hem, wat ten koste gaat van haar eigen leven en dat van man en kind. Als ze door haar voormalige promotor, een klimaatwetenschapper en populaire podcasthost, gevraagd wordt te helpen bij het verwerken van een groeiende stroom aan brieven en mails, begint ze vragen te beantwoorden van klimaat- en religieuze doemdenkers. Het verdiepen in deze rampenpsychologie maakt dat ze steeds minder goed in staat is een overlevingsstrategie voor zichzelf te bepalen, om te kunnen ontsnappen aan een leven dat ze niet gewild heeft.

    Weersverwachting
    Auteur: Jenny Offill
    Uitgeverij: De Geus

    Leedvermaak trilogie

    Vorig jaar ontving Judith Herzberg de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren. Herzberg is vooral bekend als dichter, minder bekend is dat ze ook een van onze belangrijkste toneelschrijvers is. In 1982 schreef ze het stuk Leedvermaak dat als een mijlpaal wordt gezien in de toneelgeschiedenis en in 1989 verfilmd door Frans Weisz. Een weergave van hoe de oorlog doorwerkte in de levens van latere generaties. Dertien jaar later schreef Herzberg Rijgdraad (1995), en nog weer zes jaar later Simon (2001). Hoofdrol spelen Nico en Lea, haar ouders Ada en Simon, Dory (de ex van Nico), Lea’s onderduikmoeder Riet, Nico’s vader en stiefmoeder Zwart en Duifje, kinderen en kleinkinderen.
    Als geen ander weet Herzberg  In schijnbaar terloopse en zo eigen aan Herzberg, luchtige dialogen vorm te geven aan het ongemakkelijke leven van onderduik- en kampoverlevers na de oorlog. De toneelteksten kenmerken zich door een zwijgend wegkijken, een niet kunnen (of willen) begrijpen van de ander.
    De trilogie is een klassieker en al lange tijd uitverkocht. Dat er een nieuwe editie van Leedvermaak Trilogie verschijnt, heeft te maken met de opvoering van alle drie de toneelstukken in een marathonvoorstelling dit voorjaar door Het Nationaal Toneel, een bijzonderheid, want niet eerder werd de trilogie in zijn geheel uitgevoerd. De nieuwe editie van deze klassieker is het begin van een integrale uitgave van het hele toneeloeuvre van Judith Herzberg. Iets om naar uit te kijken.

    Leedvermaak trilogie
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: De Harmonie,

    De rook die dondert

    Professor Engels en schrijver Namwali Serpell (1980, Zambia) woont sinds haar negende in de Verenigde Staten. Haar korte verhalen werden gepubliceerd in literaire tijdschriften, verschillende daarvan werden bekroond, zoals in 2015 met de ‘Caine Prize for African Writing’. Haar roman De rook die dondert (The Old Drift) verscheen onlangs in vertaling van Linda Broeder bij AtlasContact.
    Een ingenieuze roman over het lot van drie vrouwen die om verschillende redenen in Zambia wonen. Agnes, de blinde dochter van een Britse parlementariër wordt verliefd op een ingenieur. Ze gaat er met hem vandoor naar zijn thuisland Zambia, dat op het punt staat onafhankelijk te worden. Sibilla groeit als buitenechtelijk kind op in een gehucht in Italië, ze is van top tot teen bedekt met haar. Ze vlucht met haar geliefde naar Zambia om een nieuw leven op te bouwen. Wiskundige Matha, is in Zambia geboren, en wordt overvallen door een eindeloze tranenvloed nadat ze ongewenst zwanger bleek en gedwongen werd een veelbelovende carrière op te geven. De levens van de kinderen en kleinkinderen van deze vrouwen raken in de daarop volgende decennia onvermijdelijk verbonden met het lot van een hele natie.

    De rook die dondert
    Auteur: Namwali Serpell
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 2 – 2020

    Vanuit het duister stralend licht

    De oogst van dit nieuwe jaar bevat twee titels uit het oude jaar, waaronder een literair tijdschrift, een nieuwe uitgave van de duizend-en-één-nacht vertellingen en de deze week verschenen roman over David Livingstone.

    Toen de Schotse ontdekkingsreiziger David Livingstone in 1873 in een klein gehucht in West-Afrika overleed, besloten zijn rouwende bedienden zijn lichaam naar de dichtsbijzijnde havenstad te brengen om hem te verschepen naar zijn thuisland voor een waardige begrafenis. Een tocht van tweeënhalf duizend kilometer wordt te voet afgelegd, het ontzielde lichaam van Livingstone op schouders gedragen. Met dit gegeven, en na veel onderzoek naar de feiten, schreef de in Zambia geboren schrijfster en advocate Petina Gappah de roman Vanuit het duister stralend licht. Ze heeft voor deze roman meer dan tien jaar historisch onderzoek gedaan, maar benadrukt dat het een roman is. In de proloog wordt op de geschiedenis vooruit gelopen: ‘Tijdens de lange, gevaarlijke tocht om hem naar huis te brengen, verloren tien leden van ons gezelschap het leven.’ Het verhaal van de tocht wordt verteld vanuit twee perspectieven, de mondige Halima en de diepgelovige Jacob.

    Vanuit het duister stralend licht
    Auteur: Petina Gappah
    Uitgeverij: AtlasContact

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht

    De verhalen uit Duizenden-en-een-nacht zijn zo oud als de mensheid. Aanvankelijk dacht men dat de verhalen oorspronkelijk Perzisch waren. Later ontdekte men dat deze verhalen afkomstig zijn uit verschillende Arabische landen, deels van het Indiase subcontinent en uit Afrika. Het verhaal gaat dat het meisje Sjarazaad zich vrijwillig aanmeldt als een van de meisjes die koning Shahriaar elke nacht uit het volk kiest om met haar te slapen, de volgende ochtend wordt het meisje van die nacht omgebracht. Dit, omdat de koning eens bedrogen werd door zijn vrouw, wat hem niet weer zal gebeuren als hij ze steeds ombrengt. Maar Sjarazaads vertelt hem elke nacht zo’n mooi verhaal dat hij hongert naar meer. Ze houdt dit 1001 nachten vol, waarna de koning zoveel van haar houdt dat hij haar tot zijn definitieve vrouw maakt. Wat een mooi sprookje, en al haar verhalen zijn over de hele wereld heen vertaald. Richard van Leeuwen vertaalde al in de jaren negentig deze erotische sprookjes. Voor deze uitgave koos Van Leeuwen de mooiste passages die Floris Tilanus met prachtige pentekeningen illustreerde.

    De vertellingen van duizend- en-één-nacht zijn veelal liefdesverhalen, erotische passages, (imaginaire) reisverhalen en zelfs schelmenromans.

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht
    Auteur: Gekozen en vertaald door Richard van Leeuwen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Terras

    Het halfjaarlijkse literaire tijdschrift Terras bevat net zoveel pagina’s als waarin een goede roman verteld wordt. Deze zeventiende editie draagt het thema ‘Theater’. De redactie onderzocht wat er met een tekst gebeurt als je hem in het theater brengt. En wat je moet doen met een tekst om er theater van te maken. En vervolgens: wat gebeurt er als een toneeltekst in een literair tijdschrift verschijnt? Van Terras is bekend dat het de literaire grenzen opzoekt, eroverheen gaat, zo ook met het thema ‘Theater’. Met een niet eerder vertaalde theatertekst van schrijver Roland Barthes, De kracht van de klassieke tragedie, in vertaling van Walter van der Star. Een stuk uit 1968 van de Italiaanse auteur en filmmaker Pier Paolo Pasolini, Manifest voor een nieuw theater, vertaald door Piet Joostens, is gericht aan ‘De lezers’ en begint zo:
    ‘ 1) Het theater waar jullie op zitten te wachten zal, ook al is het volkomen nieuw, nooit het theater kunnen zijn waar jullie op zitten te wachten. Immers, als jullie op een nieuw theater zitten te wachten, dan doen jullie dat onvermijdelijk in de context van de ideeën die jullie al hebben, meer nog, iets waar jullie op zitten te wachten is iets wat op een bepaalde manier al bestaat.’ Wat een meesterlijke gedachte is en waarmee de redactie van Terras voortschrijdend uit de voeten kan; niets is volgens de verwachting in dit tijdschrift, maar des te prikkelender als je je erin verdiept. En wie verdieping zoekt, komt terecht bij Terras.

    Verder bevat dit nummer onder meer bijdragen van de Cubaan Carlos A. Aguilera, de Noor Johan Harstad, de Zwitser Jürg Federspiel en de Oostenrijkse Kathrin Röggla. Binnen het Nederlands taalgebied haalden ze toneelauteurs Bruno Mistiaen en Dounia Mahammed uit de literaire schaduw.

     

    Terras
    Auteur: Onder redactie van Kim Andringa, Tommy van Avermaete, Herman van Bostelen, e.a.
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Oogst week 42 – 2019

    Nacht en dag

    Deze week in de oogst twaalf verhalen van de Britse schrijver Cynan Jones in vertaling van Jona Hoek, gedichten uit het nest geroofd in Het Liegend Konijn onder redactie van Jozef Deleu en een nog niet eerder vertaald werk van Virginia Woolf door Barbara de Lange.

    De laatste roman die Barbara de Lange van Virginia Woolf (1882-1941) vertaalde was De jaren, die Woolfs omvangrijkste roman werd genoemd. Naar blijkt kan het nog omvangrijker. Nacht en dag,  verschenen in 1919 is de tweede roman van Woolf, en nog omvangrijker dan De jaren. Hoewel Woolf werd gezien als modernist was de kritiek op Night and Day dat niet vernieuwend was maar volledig in de Engels romantraditie stond. Een roman waarmme Woolf in de voetsproren trad van  door haar bewonderde Engelse schrijfster, met name Jan Austen. De openingszin is dan ook een Engelse klassieker: ‘Het was een zondagmiddag in oktober, en net als veel andere jonge dames uit haar kringen was Katherina Hilbery bezig thee te schenken.’ Na die eerste zin wil je verder, duik je onder in ontmoetingen tijdens theevisites en diners en loop je mee op de vele omzwervingen door de straten van Londen.

    Nacht en dag
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het Liegend Konijn 2019/2

    Twee edities per jaar verschijnen er van Het Liegend Konijn, een compact boekwerk waarin vele dichters geregeld nieuw werk presenteren. In de oktober uitgave zijn honderdvijfennegentig nieuwe gedichten, uit het nest van negenendertig dichter geroofd, waaronder vier gedichten van Anneke Brassinga, Demetercyclus in tien afdelingen van  Anna Enquist, Heidi Koren met twee gedichten, Delphine Lecompte met drie gedichten, Maarten Buser met vijf gedichten, Paul Demets met Plattelandgedichten in acht delen en Willem van Zadelhoff, enkel om alfabetische volgorde, sluit af met een reeks gedenkgedichten getiteld: Zonder aanzien des persoons, waarin onder meer Menno Wigman, Wim Brands en Jan elemans herdacht worden. Met een ware slotrede: ‘envoi’ waarvan hier het eerste couplet: aan het graf geen eenzame dichter / laat zijn hei elders zoeken /naar levenden om te wekken / met verzen en veerkracht’.

     

    Het Liegend Konijn 2019/2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Pelckmans

    De wetten van water

    Natuurelementen spelen een rol in het werk van de uit Wales afkomstige schrijver Cynan Jones (1975). In de novelle Inham vecht een man tegen de zee en wordt een man door de bliksem getroffen, bij De lange droogte is het een boer die de droogte van het land moet ondergaan. In De wetten van water, hebben de inwoners van een stad te maken met waterschaarste. De trein die de stad van water moet voorzien loopt het risico gesaboteerd te worden en mensen gaan de straat op om te demonstreren tegen het feit dat ze hun huizen moeten verlaten voor de bouw van een IJsdok. Een gebeurtenis waarbij veel emoties vrijkomen en raakt aan de tijd waarin we nu leven: die van de klimaatcrisis.

     

    De wetten van water
    Auteur: Cynan Jones
    Uitgeverij: Koppernik
  • In memoriam György Konrád 1933 – 2019

    De Hongaars-Joods schrijver György Konrad is vrijdag 13 september op 86-jarige leeftijd in Boedapest overleden. Konrád werd gezien als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw en was een groot voorstander van individuele vrijheid, wat in het communistisch Hongarije van de vorige eeuw een onmogelijkheid was. Veel van Konráds boeken, waarin hij op enige wijze kritiek uitte op de staat waren tot 1988 verboden. Waarna hij ze ondergronds liet drukken en verspreiden.

    Joodse bourgeoisie

    De eerst elf jaren van zijn leven verbleef György Konrád in het stadje Berettyóújfalu in Oost-Hongarije. Zijn vader handelde in ijzer en zijn Roemeense moeder stamde af van Joodse bourgeoisie. Als kind ging hij naar de lokale Joodse school en voor een jaar naar de middelbare school, tot de Duitsers in 1944 ook Hongarije bezetten. Later studeerde hij literatuurwetenschappen, sociologie en psychologie aan de universiteit in Boedapest.

    Als jongen spijbelde Konrád van school, liet hij in een interview met Piet de Moor voor Knack weten, hij ging liever naar de bibliotheek. Een leraar die hem daar zag, vroeg waarom hij niet op school kwam. Hij keek naar het boek dat Konrád terugbracht en zei: ‘Dat prul is geen goede reden om te spijbelen.’ Konrád vroeg: ‘Welk boek is dan wel een goede reden om van school weg te blijven?’ Waarop de leraar de bibliotheek in ging en terugkwam met boeken van Dostojevski, Gogol, Tolstoj en Stendhal.

    De dood naderbij

    Over de dood was Konrád duidelijk, het leven was een langzame mars naar de dood. In datzelfde interview vertelde Konrád dat hoe ouder hij werd, de dood hem naderbij kwam. ‘Soms heb ik echt de indruk dat het volstaat. De belangrijkste ervaringen heb ik meegemaakt. Alles wordt herhaling. En toch, wat me achteraf nog het meest verbaast, is dat het leven zo kort is geweest.’

    In zijn boeken gebruikte Konrád belangrijke elementen uit zijn leven. In Nederland werd hij voor een breed publiek bekend door de interviewserie Nauwgezet en wanhopig uit 1989 onder regie van Wim Kayzer. Hij werd een van de meest vertaalde hedendaagse Hongaarse auteurs. Van de eenentwintig titels die er van hem in Hongarije verschenen, werden er zestien in het Nederlands vertaald, waaronder zijn debuut De bezoeker, (vertaling Hans Hom, 1974) Tuinfeest, (vertaling Henry Kammen, 1989), De Stedebouwer, Nalatenschap, vertaling Mari Alföldy (1999) en zijn laatste boek uit 2008 Slingerbeweging, (vertaling Mari Alföldy ,2011). Zijn werk werd uitgegeven door Van Gennep en later bij De Bezige Bij.
    De bezoeker en Tuinfeest werden in dertien talen vertaald.

    Anekdote

    In 1988 was interviewer Peter Olsthoorn voor Trouw in Hongarije voor een vraaggesprek met György Konrád. Eerst was hij naar Konráds geboortedorp geweest waar hij foto’s van zijn ouderlijke huis en de Joodse begraafplaats, het decor van Tuinfeest, had gemaakt. Toen hij Konrád in Boedapest thuis bezocht, kwam deze in pyama aan de deur, het kon niet doorgaan, zijn vrouw was jarig, dat was hij vergeten.
    Achtentwintig jaar later in 2016, was Konrád in Amsterdam en kreeg de interviewer opnieuw de kans hem te bevragen. Dat gesprek is hier terug te lezen.

     

    Bron: Knack

    Lees ook: Hongaarse auteur György Konrad overleden

     

  • Rimbaud had dit prachtig gevonden

    Deze maand verscheen een nieuwe bundel zkv’s van A.L. Snijders. Doelloos kijken bevat een keuze uit de zkv’s die in 2017 en 2018 zijn verschenen in De Standaard, de VPRO Gids en de gesproken zkv’s op zondagochtend bij Radio 4. De bundel is bezorgd door uitgeverij AFdH die sinds 2006 bijna jaarlijks een bundel zkv’s uitgeeft.

    A.L. Snijders (1937) is schrijver, voormalig docent Nederlands, bedenker van het zkv en pseudoniem van Peter Müller. Zijn schrijversnaam koos hij in de jaren tachtig toen hij columns ging schrijven voor Het Parool. De naamskeuze was een willekeurige, zoals veel zonder voorbedachte rade lijkt te gebeuren in het leven van Snijders. Een schrijver die zich erover verwondert dat hij bij optredens nog steeds wordt aangekondigd als de schrijver die een prestigieuze prijs (met nadruk op dat prestigieuze) heeft gewonnen, jaren geleden alweer. Nooit wordt, om als interviewer maar eens wat te noemen, aangehaald dat Snijders bijvoorbeeld in 1992 al in het spraakmakende programma ‘Een uur Ischa’ door Ischa Meijer in café Eik & Linde werd geïnterviewd. Ziehier de verhouding van belangrijkheid en vergankelijkheid binnen de literatuur.

     

    Als ik het erf van de blauw/grijs geverfde woonstee op fiets, staat A.L. Snijders opzij van het huis te overleggen met zijn jongste dochter en, zoals Snijders haar voorstelt, zijn verloofde. Er is iets gaande, er zijn sleutels zoek, er moet een apparaat gevonden worden, zijn jongste zoon, die sinds enkele maanden in het nabijgelegen Zutphen woont, komt langs en dan moet er ook nog een interview plaatsvinden.


    Een standbeeld als vriend

    Binnen wijst Snijders naar de lange keukentafel die voor de helft volgepakt ligt met papierwerk, stapels boeken, kranten, pillendoosjes, enveloppen en nog meer boeken, om plaats te nemen. Er wordt koffie gemaakt. Langs de lange muren van de voorheen varkensstal staan meters boekenkasten, jaloersmakend goed gevuld. We besluiten elkaar te tutoyeren. Op de vraag naar het manshoge houten beeld dat met uitgestoken rechterhand bij de entree staat, vertelt Snijders dat het een eerste kunstproject van zijn jongste zoon is, ‘Uw nieuwe vriend’ getiteld. ‘De bedoeling is’, Snijders gaat voor het beeld staan, ‘dat als je hier binnenkomt het beeld een hand geeft. Nou is mijn ervaring dat handarbeiders, timmerlui enzo die hier komen, die geven het beeld een hand. Maar mensen die aan de universiteit gestudeerd hebben, die doen dat niet.’ Hij gaat zitten. ‘Dit is natuurlijk een zeer persoonlijke constatering die ook best niet waar kan zijn. Begrijp je?’

    Voor we goed en wel zijn begonnen, komt de dochter binnen. ‘Hij zit er niet in Peter.’ Ze zet een bak met sleutels op tafel. ‘Dat meen je niet’, roept Snijders. ‘Verdomme, wacht even.’ Hij staat op en helpt zoeken, ook de verloofde komt erbij. Snijders zegt: ‘Dit is geen manier om een interview te doen.’ Er wordt naarstig gezocht in doosjes en trommeltjes. Tot onder ah- en oh-geroep, de sleutel gevonden is. Dochter en verloofde gaan weer naar buiten. Snijders kijkt hen na.
    ‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’

    Het leven van A.L. Snijders speelt zich af rond de landelijk gelegen plek bij Lochem waar hij in 1971 met vrouw en vijf kinderen is neergestreken. De kinderen zijn allang volwassen en zijn vrouw overleed in de lente van 2018. Het is een plek waar het leven onvoorbereid lijkt en alles zich tot een zkv vormt, inclusief de onbegrijpelijke elementen die daarin voorkomen.

    Ik sprak met de schrijver over wat een zkv is, over eenzaamheid, bekend zijn en onbegrijpelijk te willen schrijven. Het gesprek wordt omlijst door bijgeluiden als het verplaatsen van spullen, gerommel in de keuken, piepend opengaande deuren, heen en weer lopende vrouwen en het blinde hondje, Besje. Soms vallen er hiaten in het gesprek, omdat namen zich niet aandienen of wordt de lijn van het te vertellen verhaal zo ver uitgesponnen dat de draad even losraakt. Om dan uit te komen bij de vraag: ‘wat is de betekenis van de zkv’s van A.L. Snijders in de Nederlandse literatuur?’ Niet dat we dat van tevoren bedacht hadden.


    Niet al je stukjes zijn een zkv las ik eens, welke zijn het wel?

    ‘Laatst heb ik er een geschreven over een bezoek aan Deventer, waar het oudste huis van Nederland staat met een 375 jaar oude beuk. Ik zat in tijdnood en dan krijg ik iets onverschilligs, kan het me niet meer schelen of het te begrijpen is of niet. Ik deed er nog een gedicht van een Chinese dichter bij uit een bundel die ik net had ontvangen van een man waar ik al veertig jaar mee correspondeer. Dat bundeltje ligt nu boven want daar lees ik ‘s avonds uit voor aan mijn verloofde. Maar dat stukje is voor mij een echt zkv, omdat ik in het eerste gedeelte een kunstenares noem, maar niet zeg wie het is, wat ze doet. Ik leg niet uit dat zij een Nederlandse kunstenares is die erg onbegrijpelijke beelden maakt. In een langer stuk zou ik uitleggen dat ze de vrouw van de zoon van een broer van mijn overleden echtgenote is. En dat gedicht is uit de elfde eeuw, maar dat zeg ik er ook niet bij. Wat begrijpelijkheid betreft is dat zkv op het nippertje. Het intrigeert mij bovenmate dat in de elfde eeuw Japanners en Chinezen de meest fantastische poëzie schreven, poëzie die wij nu pas maken. Het is mijn grote ideaal om er dingen in te zetten waarvan je denkt ”wat heeft dat te betekenen?” .’
    ‘Je kijkt nooit naar het aantal woorden?’
    ‘Nee, daar heeft het niks mee te maken. Als er op zijn minst maar één dingetje raar is, dan reken ik het tot een zkv. Dus niet als een zeer kort verhaal, maar die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’


    Overbodige voegwoorden

    Er is sprake van een ontstaansgeschiedenis van het zkv. In de jaren vijftig, toen Snijders op het Spinozalyceum in Amsterdam zat lag hij altijd overhoop met zijn leraar Nederlands. Deze wilde hem leren dat in een samengestelde zin de verschillende delen aan elkaar gekleefd moeten worden met een voegwoord. Dat vond Snijders ‘volkomen nonsens’, al wist hij nog niet waarom.
    Snijders: ‘Die leraar gaf als voorbeeld: “Ik pak mijn paraplu, omdat het regent.” Dat ‘omdat’ of ‘want’ moest er per se bij. Dat gaf aan dat het een bij het ander hoorde. Ik vond dat onzin.’ Die leraar werd overigens zijn opmerkingen zat en verbood hem op een gegeven moment nog iets in te brengen tijdens de les. Daar begon iets, werd een kiem gelegd.

    ‘Later met die zkv’s wilde ik het korter maken en ik zag dat je veel van die voegwoorden gewoon weg kunt laten omdat je hersens een volkomen eigen manier van denken hebben. Die maken de verbinding ook zonder dat voegwoord wel. Zo nam ik dus wraak op die leraar Nederlands. In het begin van het zkv werd ik soms kwaad als mensen daaraan vasthielden. Als ik schreef: ‘Ik neem mijn paraplu mee, het regent.’ Dan kon dat niet. Voor sommige mensen schrijf ik nu eenmaal onbegrijpelijk.’


    Lees je de kritieken op wat je schrijft?

    ‘Het is allemaal toeval als ik dat hoor, ik ga er niet naar op zoek. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik ken een man uit Zutphen, Hans Heesen, die veel organiseert op literair gebied. Hij is negen jaar geleden begonnen met het lezen van Mei van Gorter in Utrecht, en doet dat nu in Zutphen.’
    Gekrabbel aan de buitendeur. Snijders staat op, hond Besje dribbelt schijnbaar doelbewust naar binnen.
    ‘…Heesen heeft verschillende jaren Mei-lezingen georganiseerd en op één keer na deed ik altijd mee. De laatste keer bij Mei lezen, een paar weken geleden, vertelde Heesen dat er twee mensen zijn die het langst meedoen, dat zijn Wim Noordhoek en ik. Wim was afwezig, want hij is erg ziek. Er waren deze keer honderdnegenentwintig dichters en schrijvers die meededen. Ik werd daar met alle egards behandeld. Na afloop kwam er ook nog een meisje naar me toe dat zei: “U was de beste.” Later sprak ik een jongeman die ook had meegedaan, die vertelde dat er mensen waren die hadden gezegd: “Die Snijders, die kan er echt niets van. Zoals hij het heeft voorgelezen, zo staat het er helemaal niet.” Kijk, en dat vind ik nou interessant. De een zegt, je was de beste en de ander vond hetzelfde helemaal niks.’


    In de supermarkt

    Snijders is een landelijke bekendheid, zelf lijkt hij dit maar amper te beseffen. Zijn verbazing is oprecht wanneer hij vertelt met ‘alle egards’ behandeld te zijn. In 2011 werd er werk van hem vertaald door kortverhaal schrijfster Lydia Davis voor Asymptote, een internationaal online tijdschrift voor vertaalde literatuur.
    ‘Weet je wat nu curieus is? In Lochem zijn vier supermarkten, maar er is er maar één waar ik aangesproken wordt als schrijver, en dat is bij Albert Heijn. Daar komen, denk ik, mensen die Radio 4 luisteren en boeken kopen. Bij die andere supermarkten ben ik nog nooit aangesproken.’


    Is het lezen van zkv’s dan toch een elitaire aangelegenheid?

    Lacht, ‘Ja, elitair als de pest. Ik gebruik teveel moeilijke woorden. Wat heeft dat nou te betekenen wat ik schrijf vragen mensen zich af, ze ergeren zich er wel aan. Ik probeer nu verder te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker te schrijven. Al wil ik niet volkomen onbegrijpelijk schrijven.’

    Veert op en kijkt me enthousiast aan. ‘Weet je, dat is nu het aller, aller interessantst, de schrijver die door de hele moderne literaire wereld als een van de allergrootsten wordt beschouwd, die deed dat wel. Die schreef absoluut onbegrijpelijke dingen. Arthur Rimbaud wordt beschouwd, en terecht, als de grote vernieuwer van de poëzie. Hij heeft een boekje geschreven, Les illuminations, in moeilijk Frans en er is geen touw aan die stukjes vast te knopen. Ik lees ze bijna elke avond die stukjes waar ik niets van begrijp. Ik vind dat werkelijk fascinerend. Toen Rimbaud vijfentwintig was heeft hij gezegd dat het allemaal flauwekul was wat hij geschreven heeft. Hij vertrok naar Afrika om in wapens te gaan handelen, wilde niets meer met literatuur te maken hebben. Zijn moeder en zuster waren erg bezorgd, bang dat hij ziek zou worden. En dat werd hij ook, hij stierf voor zijn dertigste. Dat leven van die man, onbegrijpelijk.’

    De verloofde komt binnen, vraagt waar ze moeten zoeken naar het apparaat, een Kärcher, dat de dochter mee naar Amsterdam wil nemen. Dochter komt erbij, ‘Op de deel moet je kijken’, zegt Snijders. ‘De hele deel moet je bekijken.’ De vrouwen lopen samen naar achteren. ‘En daartussen ook, en de vaaltstal’, roept hij ze nog na. Dan: ‘Rimbaud had dit prachtig gevonden.’


    Plaats in de literatuur

    Als we het hebben over de betekenis van het zkv in de literatuur, komt de verwachte zoon binnen, enthousiast en even praatgraag als zijn vader. Hij zet koffie voor ons terwijl Snijders een anekdote vertelt, hoe hij een paar dagen terug met zijn verloofde op een bankje voor het huis zat.
    ‘We hadden het over de betekenis van de zkv’s van Snijders in de literatuur. Er kwamen een man en vrouw op de fiets voorbij, ze stopten en ik vroeg: “Wat vindt u nou van A.L. Snijders, hoe schat je Snijders in binnen de literatuur? Toen zei die man: “De beste schrijver ter wereld is Toergenjev, de tweede plaats is ook voor Toergenjev, de derde is ook voor Toergenjev, de vierde is voor Karel van het Reve en de vijfde is voor A.L. Snijders.” Zomaar, een onbekende man die met zijn vrouw op de fiets voorbij komt. Dat kun je niet bedenken. Nou ja, en je weet’, gaat hij nog even verder, ‘wie van Toergenjev houdt, die houdt niet van Dostojevski, dat weet ik weer van Karel van het Reve die daarover heeft geschreven.’

    De vrouwen komen weer terug, ze hebben het apparaat gevonden. Snijders vraagt of alle onderdelen erbij zitten. ‘Er hoort wel een heleboel bij hoor.’ ‘Oh, zegt dochter, dit is toch goed met zo’n spuitding. Dat is het toch?’ ‘Jaha’ zegt Snijders, ‘maar je moet toch nog eens kijken of er nog een andere is. Zou best kunnen dat er meer zijn. Nog zo’n heel ding.’ ‘Oh, zegt dochter, ‘dat dit ‘m niet eens is. Dat er een met een andere kleur is.’ Beide vrouwen verdwijnen weer naar achteren. Snijders roept tegen de dichtvallende deur, ‘Of je moet even proberen of deze het doet.’


    Zelf gelooft Snijders niet dat het zkv van enige literaire betekenis is.

    ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers, en dit is natuurlijk een open deur, zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’


    In een interview zei je eens het liefst zonder publiek te willen zijn, is dit een pose of zit hier een kern van waarheid in.

    ‘Dat moet je niet te letterlijk nemen maar ik herken dat nog wel ja, dat ik het liefst een schrijver zonder publiek ben. Als ik word geconfronteerd met dingen die ik eerder heb gezegd, dan ben ik het er bijna altijd nog steeds mee eens. Het heeft ook wel te maken met toen mijn echtgenote gestorven was. Veel mensen zeiden, “Nu ga je hier zeker wel weg, want je wilt hier toch niet in je eentje zitten.” Qua Nederlandse begrippen woon ik erg eenzaam, zeker als de buren op vakantie zijn. Dan komt er helemaal niemand op dit paadje voorbij. Maar de eenzaamheid staat me absoluut niet tegen. In dat kader moet je volgens mij de opmerking dat ik geen publiek wil, begrijpen. Ik ben niet tegen publiek, maar ik doe er niets voor. Tot voor kort woonden al mijn kinderen in Amsterdam, dat is de weg die ik het meeste rijd. Wat cultuur betreft gebeurt het meeste daar. In mijn eentje hier blijven wonen heeft een verband met de opmerking geen publiek te willen. Dan is er ook de variant, “zou ik ook schrijven als ik niet werd uitgegeven?”, dat denk ik eigenlijk wel, ja. Ik denk dat ik zou blijven schrijven.’


    Heb je er wel eens over gedacht geen letter meer op papier te zetten?

    ‘Dat zou ik wel eens gedacht kunnen hebben om een reden. Als ik nu zonder druk stukjes zou moeten schrijven, zou ik wel minder schrijven. Omdat ik ook wel behoorlijk lui ben, dat komt er ook nog bij. En mijn dochter, vlak voordat jij kwam, zei me nog dat ik moest ophouden met dat schrijven. Want ik had gezegd dat er nog iemand kwam voor een interview. Toen zei ze: ‘Hou daar toch eens mee op, ga nou eens een makkelijk leven leiden.’


    De gedachte om te stoppen is er dus niet?

    ‘Die is er net zo min als als de gedachte dat ik hier weg zou gaan. En dat wist ik dus niet dat dat echt zo zou zijn, tot mijn vrouw werkelijk dood ging, begrijp je? Al twintig jaar leed ze aan de gevolgen van longkanker, aan de gevolgen van de medicatie is ze overleden. Dat wisten we, dat dat zou gebeuren. Maar het hoorde ook heel erg bij haar en bij mij dat we het negeerden. Dus toen het gebeurde, bleek dat we ons er mentaal op hadden voorbereid, maar niet door middel van gesprekken met elkaar. Dat moest op een andere manier worden opgelost, namelijk door de praktijk van het leven. Toen ik dus hier in mijn eentje kwam te zitten, merkte ik wat ik op dit punt waard was.’
    ‘Je bedoelt los van je levenspartner?”
    ‘Ja, dat, en in je eentje wonen in een veel te groot huis dat veel aandacht behoeft. Toen is mijn leven wel grijs en traag geworden. Ik kreeg allerlei kwalen die ik daarvoor nooit had gehad en waarvan de dokter zei dat dat te maken had met het verlies. Dan dacht ik, ja, hoe weet je dat nou? Maar toen leerde ik deze dame kennen’, kijkt naar buiten waar ze  met zijn zoon voor het huis zit, ‘en nu is het leven lichter.’


    Duizenden zkv’s schreef Snijders

    Eerst werden ze alleen verstuurd naar zijn kinderen en vrienden, later werden ze gepubliceerd, werd hij gevraagd om te schrijven. Hierover een anekdote die waar is zegt Snijders:
    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Nooit, niks. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit. Ik doe wat bij me past. Nog altijd word ik aangekondigd als de schrijver die de Constantijn Huygensprijs heeft gewonnen, maar zelf had ik er geen idee van dat iemand mij een prijs zou geven. Dus toen ik opgebeld werd, nou ja daar heb ik wel over geschreven, toen was ik alleen thuis en ik dacht dat het iemand was die me een telefoon wilde verkopen of zoiets. Toen werd er gezegd dat ik een prijs had gewonnen. Ik kon dat bijna niet geloven. Want iedereen denkt dat bij een literaire prijs er eerst een aantal genomineerd worden en dan een shortlist van drie bekend wordt gemaakt. Bij dit soort prijzen, zoals de Constantijn Huygensprijs weet je helemaal niet dat je genomineerd bent. Dat is een volkomen andere prijs. Dat vind ik dan weer erg leuk, het hoort veel meer bij mij dan die andere, meer commerciële prijzen.


    Had je er wel eens over gedacht hoe het zou zijn om een literaire prijs te winnen?

    ‘Niet echt nee. Maar ik kende wel de uitspraak van, kom, hoe heet ie, de grootste katter van literair Nederland, Gerrit Komrij. Die heeft die uitspraak gedaan dat als je in Nederland schrijft en nog nooit een prijs hebt gewonnen, je volstrekt talentloos bent. Een fantastische uitspraak. En dat gold dus voor mij, want ik had nooit een prijs gewonnen. Toen ik dan die prijs kreeg, heb ik in een stukje daarover geschreven dat die uitdrukking van Komrij altijd als een aap op mijn schouder had gezeten en mij liet voelen dat ik niks waard was. Tot iemand mij belde en zei dat ik een behoorlijk prestigieuze, dat zegt iedereen erbij dat het een prestigieuze prijs is, gewonnen had. En dat toen die aap door mij losgelaten kon worden. Ik zag hem uit het huis verdwijnen, ik geloof zelfs dat het die dag nog sneeuwde ook. Die aap vertrok en daardoor was ik bevrijd van Komrij’s uitspraak. Volgens zijn norm hoorde ik er nu behoorlijk bij. Eigenlijk werkt het zo nog steeds, bij iedereen.’

    ‘Wat die prijs betreft heb ik me ook ongelofelijk vergist. Ik was er echt trots op en ik kreeg ook nog tienduizend euro. Ik dacht, dat ebt weer weg. Maar dat is niet zo, want bij elke voordracht die ik doe, kijken de mensen van de bibliotheek onder mijn naam en dan zien ze ‘Oh! prestigieuze prijs!’ En die wordt elke keer genoemd. Zo werkt dat  dus. Het gaat helemaal niet voorbij, ik ben gewoon een naam daarin. Begrijp je?’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Bas Uterwijk

     

  • Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • Alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties

    Schrijver en bedenker van de BerberBibliotheek Asis Aynan (1980) groeide op in Haarlem  en verhuisde voor zijn studie filosofie naar Amsterdam. Van huis uit was hij niet bekend met het gebruik van boeken, toch werd lezen van literatuur en schrijven van boeken iets dat hem bovenmatig op dreef bracht. Op zevenentwintigjarige leeftijd debuteerde hij met Veldslag en andere herinneringen, in 2010 verscheen Ik, Driss, (een feuilleton voor het NRC samen met Hassan Bahara) en in 2014 Gebed zonder eind. Verder schrijft hij columns (Trouw) en essays voor de papieren media en geeft hij les aan de Hogeschool in Amsterdam. Literair Nederland bezocht de schrijver in zijn bovenwoning aan een van de (korte) grachten in Amsterdam.

    Wanneer ik het huisnummer heb gevonden en de twee treden naar de voordeur heb genomen, hoor ik iemand roepen. Als ik op kijk, zie ik Asis Aynan in het open raamkozijn op de eerste verdieping. Dat hij de deur voor me zal openen. Even later klinkt een elektronische zoemer, waarna ik de deur openduw. Een lange trap voert naar een op maat gemaakt appartement. Asis Aynan maakt thee; en er is witte wijn. We lopen van de keuken door de kleine overloop naar de woonkamer. Op de grond langs de muur staan honderden boeken gestapeld, tot ruim anderhalve meter hoog. Allen met de bladerkant naar voren. Een andere muur is gevuld met boekenkasten waarin volgens een eigen systeem de titels staan opgesteld. Tijdens het gesprek staat Aynan geregeld op om een exemplaar uit de kast te halen.

    Een gesprek over het schrijven van een migrantenfeuilleton, over het begrijpen en verdwijnen van taal, het geschreven woord, boeken, bibliotheken, verhalen en waar het echte leven zich ophoudt.


    Ik, Driss
    gaat over Marokkaanse jongemannen die een droom hadden en hun familie achter zich lieten. Hoe kwamen jullie op het idee en waarom was het gesitueerd in de jaren zeventig?

    ‘Ik wil je eerst vertellen dat ik deze week op een middelbare school een lezing gaf. Ik las een stukje voor uit Ik, Driss. Ze vroegen me, ‘Waarom schrijf je daarover? (migrantenlevens Iv/dG). Ik vertelde dat mijn vader naar Nederland was gekomen omdat hij honger leed en omdat de koning van Marokko niet zo aardig was en dat mijn vader hier in een hondenbrokkenfabriek kwam te werken. Op het moment dat ik “hondenbrokkenfabriek” zeg, komt er een hond binnenlopen. Die leerlingen vonden dat geweldig, dachten dat het een act was, dat die hond naar binnen was gestuurd. Ik was helemaal van mijn a propos en dacht: ‘Van wie is die hond?’ Ik had wel opeens de aandacht van die leerlingen. En dat magische van wat er gebeurde past wel bij het boek over Driss. In de tijd die ik met Hassan Bahara aan Ik, Driss, werkte was voor mij een  magische tijd. Hij was in 2006 gedebuteerd met Een verhaal uit de stad Damsko en ik een jaar later met de verhalenbundel Veldslag, toen we elkaar ontmoetten.’

    Dan wil Aynan eerst iets over de Marokkaanse verhalenverteller Mohammed Mrabet vertellen, die met zijn roman Liefde met een lok haar is vertegenwoordigd in de BerberBibliotheek. Hij wijst naar zijn boekenkast, naar het plankje waarop de boeken van Mrabet verzameld zijn.

    ‘In 2009 heb ik Mrabet ontdekt en ik werd betoverd door zijn verhalen. Er was één personage in zijn verhalen, Driss Tafersiti en ik dacht, hoe vet zou het zijn als we dat personage naar Nederland laten emigreren. Naar het Nederland van de jaren zeventig, de tijd van de gastarbeiders. Hassan en ik hebben veel gepraat over hoe dat zou zijn: een sprookjesfiguur uit de Marokkaanse literatuur naar IJmuiden laten komen. Niet naar Kanaleneiland in Utrecht dat veel in het nieuws was omdat daar altijd wat gebeurde, maar specifiek naar IJmuiden. Dat is Nederland op zijn lelijkst maar ook weer zo dat het aantrekkelijk is. Zo is Ik, Driss ontstaan.’

    Je geeft nog steeds lezingen over het boek. Staat het op de leeslijst voor scholieren?

    ‘Nee, het staat niet op de leeslijst. Dat zou wel iets zijn. Misschien als er een nieuwe druk komt, er moet echt een nieuw boek komen. Dat zou iets voor de uitgever zijn. Maar inderdaad, het zou mooi zijn als het op de leeslijst komt.’

    Wanneer ontstond het idee om een BerberBibliotheek op te zetten?

    ‘In de tijd dat ik aan Driss werkte, leerde ik Hester Tollenaar kennen. Zij was net afgestudeerd als vertaalster. We zaten wel eens in het theatertje en dichterscafé Perdu. Dan dronken we rode wijn aan de bar en toen ontstond het idee voor een  BerberBibliotheek. We dachten aan de Russische bibliotheek van Van Oorschot en ook aan een vriend van mij (dichter Mohamed Chacha Iv/dG). Hij leeft niet meer maar staat ook in Vallende tijd, het laatste deel van de BerberBibliotheek. Chacha zette in de jaren negentig uitgeverij Izouran (wortels Iv/dG) op. Hij gaf Riffijnse boeken uit in de Riffijnse taal. Het was de taal die we thuis spraken. Toen ik voor het eerst een boek in de Riffijnse taal zag, was dat heel onwerkelijk. Ik wist niet dat je de taal van mijn ouders kon lezen (pakt een boek met glanzend donkerblauwe omslag en witte Latijnse tekens daarop uit de boekenkast en houdt het me voor). Letterlijk vertaald staat er: “Breek het taboe zodat de zon kan gaan schijnen”. Van mijn ouders heb ik meegekregen dat Berbers geen geschreven taal heeft. De taal waarmee ik ben ik opgevoed, is voor mij een orale taal. En de indoctrinatie dat het geen geschreven taal kan zijn, is zo groot, dat ik een taboe in mezelf moest doorbreken. Ik heb mezelf inmiddels aangeleerd het te kunnen lezen. Het gekke was dat ik Arabische leestekens kan lezen, dat heb ik jong geleerd in de moskee. Ik kan het lezen maar begrijp het niet. Ik begrijp de Berberse taal, maar kon het niet lezen. Daar zit voor mij mijn schrijverschap, alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties.’


    Welk soort tegenstrijdigheden?

    ‘Ik zal je een voorval vertellen. Ik ging deze week joggen in het Westerpark. Vaak hangen boven dat park politiehelikopters, dat is heel normaal boven Amsterdam. Maar terwijl ik daar rende, vroeg ik me opeens af: “Stel je nou voor dat ze iemand zoeken met zwart haar, donker uiterlijk.” Dat ben ik, die daar nu aan het rennen is. Maar ik bedacht ook, “Gelukkig heb ik wel een hysterisch gekleurde joggingbroek aan, dat is mijn redding. Met zo’n broek zouden ze me nooit aanhouden.” Terwijl dat zo door me heen gaat, komt een politieagent op een motor naast me rijden. Hij kijkt me van opzij aan, ik kijk terug en zie hem denken “Dat is ‘m niet”. De politieagent draait om en rijdt weg. Ik was verbaasd maar begreep ook dat ik als verdacht persoon bekeken werd. Dan gebeurt daar iets, en daar ben ik in geïnteresseerd als het om verhalen of literatuur gaat.’


    Denk je dat de BerberBibliotheek van enig belang kan zijn voor migranten in Nederland?

    ‘Migreren is een vermoeiende bezigheid. Ik wil de Nederlanders niet lastig vallen met Riffijnse poëzie. Wil niet steeds uitleggen dat Berbers geen Arabieren zijn en niet per definitie moslim zijn en dat we een eigen literaire traditie kennen. Als je teveel praat over je eigen traditie, je eigen taal dan ben je al gauw een nationalist. De eerste grote romanschrijver Apuleius, ( ± 150 na Chr. Iv/dG) is een Berber. Ik vond het zo’n leuke ontdekking, dat mijn ouders niet uit een of ander gat kwamen waar alleen maar honger en oorlog heerste. In culturele zin hebben zij ook bijgedragen aan deze wereld.


    Hoe draagt het bij aan de achtergrond van migranten?

    ‘Ik was vooral geïnteresseerd in hoe ik – Hafid Bouazza noemt dit hoe ik hier kan landen – met mijn achtergrond, hier mijn weg mee kan vinden. Ik zeg niet dat Apuleius iets aan mijn achtergrond heeft bijgedragen. De koran is vele malen meer van invloed geweest op mijn leven. Dat kerkvader Augustinus, die ook een Berber was, ontdekte ik toen ik filosofie ging studeren. Daarvoor had ik nooit van hem gehoord. Ik vind dat leuke historische feiten. Het enige wat ik hoorde over onze achtergrond was: Hassan is de koning en daar moet je voor uitkijken. De islam is onze religie en God is de baas en daar moet je voor uitkijken. En dat is je vader, daar moet je ook voor uitkijken. Mijn achtergrond, daar was niet veel aan, maar er was wel veel angst. Het was de bedoeling dat de cultuur waaruit ik kom, zou verdwijnen. Zoals dat met veel culturen en talen is gebeurd in Europa.

    ‘Ik weet dat ik uit een cultuur kom die geen boeken heeft, geen taal kent die erkend wordt en op het punt van verdwijnen staat. Wat ik kon doen was naar Marokko gaan om er tegen te protesteren. Maar daar zou ik het niet lang volhouden want de koning is een dictator en ik zou binnen een dag opgepakt worden. Maar ik wilde wel mijn verantwoordelijkheid nemen. En dat is door die boeken uit te geven. En dat is door die Berber boeken uit te geven. Ik ben er trots op dat dit is gelukt, dat we dit hebben kunnen doen. Wat erbij komt is het willen verrijken van de Nederlandstalige literatuur. De BerberBibliotheek is heel positief ontvangen. Onder andere Wim Brands en Mathijs Deen hebben zich hiermee bezig gehouden. Aan media-aandacht heeft het niet ontbroken. Nu het er is, zal het zijn weg verder wel vinden. Ik ben er heel positief over.’


    Wat was het moment waardoor je bent gaan lezen en wat waren je ontdekkingen in de Nederlandse literatuur?

    ‘Mijn held uit mijn jeugd is Evert Hartman. Ik las zijn boek Gegijzeld toen ik elf was. Ik vond het fantastisch. Mijn broers namen ons mee naar de bibliotheek. We hadden een gezin met negen kinderen en als mijn oudste broers ons mee namen naar de bibliotheek, ontlastten ze mijn moeder. In de bibliotheek waren mevrouwen die het leuk vonden om je wegwijs te maken. Voor mij is literatuur begonnen als uitje met mijn broers. Kruistocht in spijkerbroek, Oosterschelde dat ben ik toen gaan lezen.


    Hoe kwam je in een huis zonder boeken in aanraking met de Berber literatuur?

    ‘Toen ik twaalf was, las ik voor het eerst Hongerjaren van Mohamed Choukri. Dat was al vertaald en verschenen bij Novib Wereldvenster. Mijn broers haalden het uit de bibliotheek. Het was een super spannend dat boek, hoeren en snoeren, honger, gekte en dan die rauwe taal. Het was een uitgebeende taal, daardoor ook makkelijk te lezen, Toen begreep ik er niet veel van maar dat boek is mijn hele leven bij me gebleven. In 2007 heeft Van Gennep het opnieuw uitgegeven, bij Novib was het een bulkboek, er werden 50.000 exemplaren gedrukt. Toen zijn er bij Rainbowpockets ook nog eens drie drukken verschenen. Voor de BerberBibliotheek hebben we het opnieuw laten lezen en vertalen. Er zijn nog veel fouten uitgehaald. Binnenkort komt er trouwens een tweede druk bij de BerberBibliotheek. Het is gewoon een everseller.’


    Wat is de magie van Hongerjaren waardoor het nog steeds gelezen wordt? Welke titels zijn ook opmerkelijk te noemen.

    ‘Choukri’s  laatste boek Gezichten is stilistisch gezien zijn mooiste boek. Hongerjaren is als een vulkaanuitbarsting, als gestolde lava. Choukri komt uit grote armoede, toen hij dat was ontgroeid, wilde hij laten zien dat hij geen analfabeet is, dat hij gelezen heeft. Hij noemt veel Franse schrijvers in Gezichten. Emile Zola, Jean Genet en William Burrough. Dat was wel belangrijk voor hem. Hongerjaren is mijn lijfboek, ik kan hele passages uit mijn hoofd citeren. Maar een schrijver als Ibrahim al-Koni, (van wie Goudstof is opgenomen in de reeks Iv/dG), dat is echt een kathedraal van een auteur. Hij heeft een oeuvre van meer dan negentig boeken over één thema. Elk boek gaat over de woestijn, de Sahara. Ik zal je iets laten zien. (Hij loopt naar een ander vertrek en komt terug met een omvangrijk Engelstalig boek.) Dit is het magnum opus  van Ibrahim, hij is een echte schrijvers schrijver, niet met Mrabet te vergelijken.

    Wisten jullie van tevoren welke titels er zouden worden opgenomen in de BerberBibliotheek?

    ‘De eerste twee titels hadden we al toen we begonnen. Daarna was het al snel duidelijk welke er verder in zouden komen, tien klassieke romans. Maar daar kwam tussendoor De geschiedenis van mijn leven van Fadhma Aïth Mansour Amrouche, een katholieke Berbervrouw. We wisten, als we dit nu laten liggen wordt het nooit vertaald. Met dit boek konden we aangeven welk een grote rol het katholicisme speelde in die streken voordat de islam daar kwam. En het laatste deel Vallende tijd was ook niet gepland. We wilden daarmee de actualiteit een stem geven. In de streek waar ik vandaan kom wordt weinig proza geschreven, maar poëzie des te meer. Ik ben alle grote dichters weer gaan lezen en kwam uit bij deze vier dichters, Mohammed Chacha, Ahmed Ziani, Fadma el Ouariachi en Mimoun el Walid. De gedichten zijn geschreven tussen eind jaren zeventig en begin jaren negentig en hebben nog niets aan actualiteit ingeboet. Ik wilde hiermee de lezer laten zien waar de Marokkaanse mensen vandaan komen. En wil je begrijpen wat er in een land gebeurt, dan moet je niet de krant lezen, maar de dichters van dat land. Deze generatie dichters laat een schreeuw om emancipatie en vrijheid horen. Er is weinig hoop in Marokko, en ik vind het hoopvol dat dat dat nu zichtbaar wordt. Poëzie die een beetje tegenwicht biedt aan de leugen, zonder de pretentie te hebben dat het de waarheid vertelt.’


    De boeken van Mohammed Mrabet, waarvan Liefde met een lok haar in de reeks is opgenomen, zijn door de Amerikaanse schrijver Paul Bowles geschreven. Wat is hun verhaal?

    ‘Paul Bowles heeft vijftig jaar in Marokko gewoond, in Tanger. Dat was een vrijplaats voor alles in de jaren zestig, voor drugs, drank, vrouwen. Er werden daar veel internationale deals gesloten, maar ook gehandeld in jongens en meisjes. Op die plek kwam Paul Bowles terecht. Mrabet werkte voor hem, was zijn chauffeur, zijn kok. Bowles was aan het einde van zijn schrijverschap. Je zou kunnen zeggen dat de pen van Bowles was opgedroogd en daar was Mrabet die niet wist hoe hij een pen moest gebruiken maar die verhalen had. Daar ontstond de samenwerking tussen hen. Soms weet je in die verhalen niet waar Bowles en waar Mrabet is.’


    Heeft iemand dat kunnen checken?

    ‘Ik ben bij Mrabet op bezoek geweest in Marokko. Hij is nu tachtig jaar. In Liefde met een lok haar hebben de Amerikaanse hoteleigenaar en de jonge Marokkaanse chauffeur een seksuele relatie. Toen ik hem bezocht, vroeg ik of hij homo was, dat ontkende hij stellig. Mrabet gaf Bowles de schuld dat hij de indruk wekte dat ze een relatie hadden. Mrabet kan heel goed verhalen vertellen. Alles wordt een verhaal, wat ik af en toe wel ergerlijk vond. Dan vroeg ik hem hoe dat dan ging met die verhalen, hoe ze ontstaan. Hij vertelde dat er elke ochtend een vis hem kwam opzoeken, “die vertelt mij een verhaal en het enige wat ik hoef te doen is dat verhaal door vertellen”. Ik zei, “Nu even serieus.” Toen zei hij, “Iets anders kan ik je niet vertellen.” Ik was wel echt in de ban van die man. Ik heb hem toen ook naar Nederland gehaald en Wim Brands heeft hem geïnterviewd bij het Crossing Border Festival in 2009.’


    Wat heeft Mrabet aan zijn publicaties overgehouden aan roem, inkomsten?

    ‘Bowles speelde ook wel een spelletje met de lezer. Toen het debuut van Mrabet in de jaren zestig bij Gallimard in Frankrijk werd gepubliceerd, was er een recensent die er zelf van droomde bij die uitgever te publiceren. Toen kwam daar Mrabet, die hem volledig onbekend was. In zijn recensie voor Le Monde schreef  hij: “Mrabet bestaat niet. Hij bestaat alleen in het hoofd van Paul Bowles.” Uiteindelijk bracht dat alleen maar meer succes, Bowles zei niets.

    Mrabet heeft zich altijd goed kunnen redden. Nu zegt hij wel: “Het zijn allemaal dieven.” Er is wel gesjoemeld met zijn boeken en vertalingen. Maar dat kun je niet allemaal op het conto van Bowles schrijven. Het was interessant bezig te zijn met die twee, de schrijver en de verteller. Uiteindelijk is het ook niet boeiend waar de een begint en de ander eindigt. Er is veel gedocumenteerd over die tijd, Bowles schreef dagboeken, daar is veel in terug te vinden. Belangrijk is dat ze samen literatuur hebben geschreven.’


    In een eerste interview in 2012 over de BerberBibliotheek bij Wim Brands op de radio was er sprake van een grote migratieroman die je zou willen schrijven. Leeft dat nog?

    ‘Die gaat er nu nog niet komen. Maar ik denk er wel aan. Ik zou daarvoor eerst weer meer moeten gaan schrijven. Enerzijds zit ik te veel in mijn columnhoek en mijn docentschap. Ik ben wel blij dat de BerberBibliotheek nu gestopt is, nu kan ik nog meer een breuk forceren om richting die migratieroman te gaan.

    Wij zijn tussen alleen witte Nederlanders opgegroeid, en dat vind ik wel jammer. Ik had geen contact met mijn achtergrond. Maar de andere kant daarvan was dat we daardoor heel hard moesten migreren, ons aanpassen. Ik ben zelf nooit gevoelig geweest voor argumenten als, “Ja, Meneer. Wat ben ik nou? In Nederland ben ik een Marokkaan en in Marokko ben ik een Nederlander.” In Marokko was ik gewoon een verwend kind, met een horloge, en schoenen die niet kapot waren. Er wordt gesproken over tussen twee culturen opgroeien. Dat kan niet, je groeit ‘in’ twee culturen op. Tussen betekent dat de culturen los staan, en de persoon in een vacuüm leeft. Sartre zei het zo: “woorden zijn ook daden.”’

     

     

    Kijk hier voor alle titels van de BerberBiblitheek
    Uitgeverij Jurgen Maas

    Foto door: Friso Spoelstra

     

     

  • Deze prijs is een compliment aan de Roemeense letteren en een kroon op mijn werk

     

    Vertaler en schrijver Jan Willem Bos (1954) vertaalde meer dan vijfentwintig romans, verhalen- en poëziebundels uit het Roemeens. Ook publiceerde hij talloze artikelen, schreef enkele nonfictie-boeken over Roemenië en maakte woordenboeken Roemeens-Nederlands en Nederlands-Roemeens. Voor zijn hele vertaaloeuvre ontvangt Jan Willem Bos deze week de Martinus Nijhoff Vertaalprijs, een prijs die door het Prins Bernard Cultuurfonds al sinds 1955 wordt uitgereikt. Literair Nederland sprak met de gelauwerd vertaler en omdat deze in het buitenland verbleef, gebeurde dit via een mailwisseling.

    Het bekendste en belangrijkste werk van Jan Willem Bos als literair vertaler is het drieluik Orbitor (Verblindend) van Mircea Cărtărescu. Drie onderling samenhangende romans die verschenen onder de titels De wetenden (2010), De trofee (2012) en Het onmetelijk mausoleum (2015). De jury van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs was het unaniem eens met de keuze van Jan Willem Bos als winnaar en meende: ‘Met de trilogie heeft niet alleen de schrijver zelf, maar ook zijn Nederlandse vertaler een kroon op zijn werk gezet.’


    Waar bevindt u zich op dit moment, bent u voor de literatuur op reis?

    Indirect wel… Ik verblijf met mijn echtgenote aan de Costa Brava, waar we een maandje overwinteren om in alle rust te schrijven, te lezen en te vertalen. We mogen daar gebruik maken van het huis van Steinar Lone, de vertaler van onder andere Mircea Cărtărescu’s werk in het Noors.


    Was het een prijs die u begeerde?

    Ik ben natuurlijk enorm verguld om de Martinus Nijhoff Vertaalprijs te krijgen, de ‘prijs der prijzen’ voor een literaire vertaler zoals een collega het noemde. Het is een geweldig blijk van erkenning en waardering voor mijn hele loopbaan en dat kan ik niet anders dan zeer bevredigend betitelen. Ik zou het niet zo stellen dat het een prijs is die ik begeerde, maar wel eentje van de categorie ‘zou het niet geweldig zijn als…’ Tijdens een boekenavond in de bibliotheek van het Letterenfonds op 27 november 2018, waar ik met andere boekenliefhebbers van gedachten wisselde over de door mij vertaalde roman Sinds tweeduizend jaar van Mihail Sebastian, stond juryvoorzitter Maarten Asscher op en begon allerlei buitengewoon vriendelijke dingen over mij te vertellen. Ergens halverwege zijn toespraak viel bij mij het muntje. Dat er vervolgens iemand achter mij verscheen met een dienblad met glazen champagne, kwam zeer goed uit, ik kon op dat moment wel een borrel gebruiken.


    Wat betekent deze prijs voor de Roemeense literatuur?

    De jury noemde in het verkorte rapport mijn vertaling van de 1480 bladzijden lange trilogie Orbitor van Mircea Cărtărescu de kroon op mijn werk, maar ik hoop dat er nog vele kronen en kroontjes volgen, ondersteund door de stimulans die deze prijs absoluut is. Ik ben van mening dat de Roemeense literatuur nog veel moois te bieden heeft en meen dat deze prijs ook een compliment aan de Roemeense letteren in het geheel is.

    Sinds 1981 bent u vertaler, was de politieke situatie in die jaren aanleiding om Roemeense literatuur te gaan vertalen: ofwel wat heeft u gewonnen voor de Roemeense literatuur?

    Nee, ik kan niet zeggen dat de communistische dictatuur een reden is geweest om Roemeense literatuur te gaan vertalen. Wel is het zo dat de Roemeense literatuur, die heel interessant is, van mij een literatuurliefhebber heeft gemaakt. En vanuit mijn belangstelling en liefde voor die literatuur kwam ook de behoefte om deze te delen met anderen. Zo ben ik al in mijn studententijd begonnen Roemeense literatuur – in eerste instantie gedichten en korte verhalen – te vertalen. Dankzij mijn toenmalige professor, Sorin Alexandrescu, heb ik contact gekregen met uitgeverij Meulenhoff, waar mijn eerste vertalingen zijn verschenen. Vanuit diezelfde wens om ‘mijn Roemenië’ met anderen te delen, heb ik ook zelf veel over het land geschreven, een handvol boeken en zo’n honderdvijftig artikelen.


    Dat maakt nieuwsgierig,
    wat maakte Roemeense schrijvers voor u zo interessant, wat was de klik? Veel van de huidige schrijvers komen voort uit een dictatuur, direct of indirect.

    Toen ik Roemeens begon te studeren, aan het begin van de jaren zeventig, bestond de dictatuur zo’n dertig jaar. Dat betekent dat er twee eeuwen Roemeense literatuur was van voor die tijd – en dan heb ik het nog niet eens over de periode van dooi tijdens de jaren zestig. Bovendien zijn er ook tijdens de jaren van het communisme, censuur of niet, prachtige boeken geschreven, die nog steeds waardevol zijn. Er was een belangrijke bloeiperiode van Roemeense literatuur aan het einde van de negentiende eeuw en ook de periode tussen de twee wereldoorlogen was voor de letteren heel rijk. Ik dook in de Roemeense literatuur als onderdeel van mijn ontdekkingsreis naar Roemenië – geschiedenis, cultuur, stedelijk leven, boerencultuur, enzovoort. En die ontdekkingsreis heeft geen eindbestemming.


    Wat was uw eerste kennismaking met de Roemeense literatuur?

    Ik las tijdens mijn studententijd – en herlees soms ook – met veel plezier de romans uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Sommige daarvan zijn ook in die jaren in het Nederlands verschenen (vertaald via een andere taal, het Duits of het Frans), zoals Răscoala van Liviu Rebreanu, vertaald als Opstand der boeren. Een van mijn favorieten was Patul lui Procust (Het Procrustesbed) van Camil Petrescu, dat ik ettelijke malen heb herlezen.

    Roemenië werd lange tijd als het zwarte schaap van de Oost-Europese literatuur gezien. Vorig jaar werd Sinds tweeduizend jaar van Mihail Sebastian in de Schwob Leesclub besproken. Zijn dat ontwikkelingen waar u blij mee bent?

    Dat de Roemeense literatuur het ‘zwarte schaap’ is, zou ik niet voor mijn rekening nemen, maar ik kan niet ontkennen dat ze nog onvoldoende is doorgebroken. Er zijn wel de nodige successen te noteren, die mijn medestrijder voor de Roemeense literatuur Jan Mysjkin en ik hebben geboekt. Jan vertaalde de afgelopen jaren de briljante romans van Max Blecher (1909-1938) in het Nederlands en ik heb zelf ook succes gehad met de trilogie Orbitor [De Bezige Bij] van Mircea Cărtărescu. De eerste twee delen werden genomineerd voor de Europese Literatuurprijs. Ook het in 2016 bij Pegasus verschenen Boek der fluisteringen van Varujan Vosganian is zeer lovend besproken in de pers en ik heb begrepen dat de derde druk ervan bijna is uitverkocht. Dit boek, een semi-autobiografische roman gebaseerd op de familiegeschiedenis van de Armeens-Roemeense Vosganian, is een echte aanrader. Ook het succes van Sebastian is zeer verheugend. Ik hoop natuurlijk dat deze successen – plus het feit dat de Martinus Nijhoff Vertaalprijs aan mij is toegekend – meer uitgevers over de streep zal trekken.


    U vertaalde zo’n vijfentwintig romans uit het Roemeens, waren er lastige vertalingen bij? Ik denk aan titels waarvan de auteur niet meer leeft om te kunnen raadplegen, zoals met uw laatste vertaling van Mihail Sebastian.

    Eigenlijk zijn alle romans lastig om te vertalen, omdat je bij ieder werk de juiste toon moet zien te treffen, maar natuurlijk bieden bepaalde boeken meer uitdagingen dan andere. Hoewel het werk van bijvoorbeeld Cărtărescu heel lastig te vertalen is, heb ik hem maar een paar dingen gevraagd, en dan ging het bijna altijd over zogeheten realia, elementen uit de wereld waarin het verhaal zich afspeelde die bij mij niet bekend waren – bijvoorbeeld een verwijzing naar het werk van een dichter. De moeilijkheid ligt eigenlijk eerder – en dat is zo bij alle vertalingen die ik heb mogen doen – in het Nederlands dan in het Roemeens. Eenvoudig gezegd: ik weet wat er in het origineel staat, maar hoe zet ik dat om in het Nederlands? Sebastian lijkt bij eerste lezing geen moeilijke tekst en ook niet moeilijk om te vertalen, maar ik moet toegeven dat ik er enorm in heb zitten knoeien. Zelfs nadat de persklaarmaker van de Bezige Bij de tekst had bekeken, en helemaal geen onaardige dingen over mijn vertaling zei, heb ik hem toch nog een keer helemaal kritisch bekeken en veel dingen veranderd. Mijn grootste probleem is het vertalen van dialect en, bijvoorbeeld, boerentaal. Ik kan geen Moldavisch boerendialect in het Drents omzetten. Niet alleen ken ik, als Amsterdammer van huis uit, geen Drents of welk Nederlands dialect dan ook, maar het eindresultaat kan nooit bevredigend zijn omdat ieder dialect van een andere taal én in een ander land volledig andere gevoelswaarden heeft.


    De meest internationaal bekende Roemeense schrijver van dit moment is Mircea Cărtărescu. Heeft u een jonge Roemeense schrijver op het oog die hem kan evenaren?

    Er zijn veel jonge en oudere jongere schrijvers in Roemenië – en niet te vergeten in Moldavië – die heel interessante boeken schrijven, maar ik zou geen naam durven noemen van iemand van de jongere generatie die echt boven zijn of haar collega’s uitsteekt. Het kost een paar jaar om een goed boek te schrijven, en die zijn er gelukkig volop, maar het neemt een heel schrijversleven in beslag een goed oeuvre op te bouwen. Soms zijn er ook jonge schrijvers die een prachtig boek schrijven en dan valt het volgende werk weer wat tegen. Ik vind dat bijvoorbeeld Dan Lungu (geb. 1969), Filip Florian (1967), Bogdan Suceava (1969) en Lucian Dan Teodorovici (1975) een Nederlands publiek verdienen. Deze zijn allemaal wel in, onder andere het Frans, Duits en het Engels vertaald, maar wachten nog op een geïnteresseerde Nederlandse uitgeverij.


    U heeft ook woordenboeken Roemeens-Nederlands en Nederlands-Roemeens gemaakt. Voldeden bestaande woordenboeken niet voor een literair vertaler?

    Er waren eigenlijk helemaal geen woordenboeken voor het Roemeens, afgezien van een paar kleine zakwoordenboeken, en zeker geen vertaalwoordenboeken. Het Nederlands-Roemeens woordenboek is voortgekomen uit een initiatief van de Taalunie en het VU om woordenboeken te maken voor middelgrote Europese talen waarvoor in Nederland geen goede tweetalige woordenboeken bestonden: Roemeens, Hongaars, Grieks, Deens, Servisch, Pools… Ik maakte deel uit van het team dat uiteindelijk het Nederlands-Roemeens woordenboek heeft samengesteld. Omdat het project, om allerlei redenen, moeizaam verliep en het niet duidelijk was of er ooit nog een tweede deel, het Roemeens-Nederlandse deel, zou komen, ben ik daar toen zelf mee begonnen, gewapend met de ervaring en de kennis die ik had opgedaan bij het werk aan het eerste deel. Beide delen zijn toen bij uitgeverij Pegasus verschenen. Ik heb wel voor de grap gezegd dat ik het Roemeens-Nederlands woordenboek heb gemaakt omdat ik het nodig had bij mijn vertaalwerk, maar het is eigenlijk wel een beetje waar.


    Sinds kort bestaat er een vertaaltijdschrift, PLUK dat een podium biedt aan pas afgestudeerde vertalers. Hieruit blijkt dat jonge vertalers staan te trappelen om aan de slag te gaan.

    Ik ken het tijdschrift en de mensen die er met zoveel inzet aan werken en weet ook dat er wel vooruitzichten zijn voor de publicatie van een Roemeense vertaling op de korte termijn. Er waren eigenlijk geen opvolgers in zicht voor Jan Mysjkin en ondergetekende, maar sinds kort hebben we een jong talent ontdekt dat heeft aangegeven belangstelling te hebben voor het vertalen van Roemeense literatuur en de eerste stappen in die richting heeft gezet. Het vergt natuurlijk een enorme inzet om daarmee aan de slag te gaan, want je moet niet alleen goed Roemeens kennen, het is onontbeerlijk dat je ook de Roemeense literatuur kent en dat je ook Roemenië kent. Het vertalen van literatuur is een uitdaging maar is tegelijkertijd zeer bevredigend en het biedt je de kans om diep door te dringen in een andere cultuur.

     

     


    De Martinus Nijhoff Vertaalprijs is een Cultuurfondsprijs en werd al aan zo’n negentig vertalers uitgereikt, waaronder ook vertalers die de Nederlandse literatuur (Jan Wolkers, Harry Mulish en Annie M.G. Schmidt) naar een andere taal vertaalden. In 1955 was Aleida G. Schot de eerste die voor haar vertalingen van onder meer Poesjkin, Toergenjev, Lermontov, Gogol, Tsjechov de Martinus Nijhoff Vertaalprijs ontving. Aan de prijs is een bedrag verbonden van 35.000 euro.

    Vertalingen van Jan Willem Bos

    Foto: Jan Dirk van der Burg

     

  • In haar boeken zijn vrouwen de held en is geluk van ondergeschikt belang

    De Amerikaanse schrijfster Amy Bloom (1953) publiceerde sinds 1991 drie verhalenbundels en drie romans. Haar vierde roman Witte huizen, vertaald door Paul Syrier, verscheen afgelopen week. Amy Bloom was in Nederland en Literair Nederland sprak met haar over geluk, over de onbelichte kanten van een leven, over de mogelijkheden als schrijver en over vrouwen als middelpunt in de literatuur.

    Witte huizen gaat over de liefdesrelatie van de first lady van het Witte huis, Eleanor Roosevelt met de journalist Lorena Hickok eind jaren veertig. Een relatie die aan het licht kwam nadat de biograaf Blanche Wiesen Cook in 2016 met haar biografie van Eleanor Roosevelt kwam.

    Het is zaterdagmiddag 26 mei als we elkaar ontmoeten in het Ambassade Hotel aan de Herengracht in Amsterdam. Buiten is het tropisch warm en binnen staan de kannen water met schijfjes citroen klaar.

     

    De lezer zou kunnen verwachten dat Witte Huizen over Eleanor Roosevelt gaat maar het is het leven van journalist Lorena Hickok (1893-1968) dat centraal staat. Wat was zo bijzonder aan deze vrouw en deze relatie om er een roman over te schrijven?

    ‘Hun liefdesrelatie bood mij de kans over een liefdesrelatie te schrijven van twee vrouwen op middelbare leeftijd. Het was een gepassioneerde relatie. Ze ontmoeten elkaar op latere leeftijd en hebben elkaar eigenlijk nooit meer losgelaten. Dat is wat me raakte in deze geschiedenis. Ze hebben elkaar nooit echt laten gaan ook al zijn ze na vier jaar uit elkaar gegaan, ze bleven met elkaar in contact. Over Eleanor zijn zoveel boeken geschreven. Van Lorena Hickok wist niemand wie ze was, waar ze vandaan kwam.’

     

    Buiten het beschrijven van deze verborgen liefdesrelatie, komen er nogal uitzonderlijke figuren in de roman voor, zoals in de passage waar Lorena als dertienjarige, min of meer als wees in een circus wordt opgenomen.

    ‘In die tijd was een circus dat voor drie dagen in de stad kwam een groot evenement. De mensen wilden vermaakt en geschokt worden. Mensen met een afwijking, zoals het alligator meisje in het boek en Gerry die half man, half vrouw was, maakten hun afwijking groter dan die was om te shockeren. Ik heb dit erin geschreven als een soort spiegelbeeld voor de tijd die Lorena later beleeft in het Witte huis, wat ook een soort circus was waar het leven werd uitvergroot.’

     

    Uw vorige roman Wij geluksvogels is ook gesitueerd in de veertiger jaren. Wat is er zo belangrijk aan die jaren?

    ‘Ik schrijf over de twintiger jaren tot de late jaren veertig omdat het de decennia van de grote veranderingen zijn. Alles nam een vlucht. Terugkijkend zie je dat in die jaren de zaadjes gepland zijn voor grote culturele veranderingen. In de jaren na de oorlog, de jaren vijftig, is er een terugval en wordt alles weer onderdrukt. Daarna is er weer tijd voor culturele veranderingen. In Amerika geven we steeds opnieuw een zwaai aan de slinger waardoor de dingen naar de donkere kant draaien, er een zware crisis volgt, culturele terugval, tot de zon weer door de wolken breekt. Ik hoop dat dit  altijd zo zal blijven gaan en dat de zon binnenkort in Amerika weer door de wolken breekt.’

     

    In die roman is een meisje van elf jaar dat uit de bibliotheek biografieën verslindt van vrouwen als Jeanne D’Arc, Marie Curie, Carla Barton. Wat is uw fascinatie met deze vrouwen?

    ‘Ik ben ten eerste geïnteresseerd in mensen en daar schrijf ik over. Als klein meisje las ik veel, net als Eva in Wij geluksvogels. Ik las Tales of two Cities van Dickens maar begreep niet alles. Als kind leer je om de dingen, die je niet begrijp, heen te lezen. Nu als schrijfster, ben ik in de gelegenheid vrouwen tot het middelpunt van mijn verhaal te maken. Het was Dickens die zei: “Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show.” Dat spreekt me erg aan en in mijn verhalen zijn vrouwen de helden.’

     

    Uw verhalen worden niet kant en klaar opgediend. De lezer moet actief het verhaal blijven construeren.

    ‘Dat klopt. Ik schrijf over de dingen zoals ze zich in het leven voordoen, ik wil het niet gladstrijken of overzichtelijk maken want zo is het echte leven ook niet.’

     

    In Wij geluksvogels en in Witte huizen krijgen de personages het nogal voor hun kiezen, mensen worden bruut behandeld, worden verlaten of lopen zelf weg. Is geluk iets waarnaar gestreefd moet worden?

    ‘Ik weet niet echt wat het betekent, gelukkig zijn. Iedereen streeft ernaar maar er is geen licht zonder het donker. Mooie en afschuwelijke dingen gebeuren nu eenmaal, zo is de wereld en zo zijn mensen. Als je heel veel van iemand houdt, zal dat ook mistroostigheid en teleurstelling met zich meebrengen. Ik schrijf niet over geluk. Ik zie mezelf als een schrijver die over het leven schrijft, de ups en downs, wat je op je pad tegenkomt en wat je daar van maakt, van dat leven. Daar schrijf ik over. Ik geloof dat het Robert Frost was die in een gedicht zei: “Happiness makes up in height for what it lacks in length”. Geluk duurt nooit lang.’

     

    En het geluk van Eleanor en Lorena?

    ‘Hun liefdesrelatie duurde vier jaar. Ze eindigen niet als twee oude dames samen op de veranda. Maar dat wil niet zeggen dat hun relatie een vergissing was. Of dat ze er spijt van hebben. Het was wat het was. Niet alles heeft een perfect einde.’

     

    In de roman is Eleanor vluchtig in haar contacten en heeft ze problemen met haar kinderen.

    ‘Ja, dat was zwaar voor haar. In haar positie zou ik het ook moeilijk hebben gevonden met die kinderen. Ze waren dol op hun vader en zij stond in de schaduw.
    Eleanor zocht buiten haar familieleven altijd naar iemand voor wie ze kon zorgen, dat was een behoefte van haar. Vaak een man, die man had dan een vrouw aan wie ze zich hechtte. Maar in haar verdere leven heeft ze nooit meer een liefdesrelatie gehad zoals met Lorena. Ik denk dat Lorena meer voorbereid was op een leven alleen dan Eleanor was. Lorena kon beter accepteren dat de relatie niet ging zoals ze beiden gehoopt hadden. Zij ging weer schrijven, ze publiceerde nog vijf boeken nadat hun relatie was beëindigd.’

     

    Aan het einde van het boek zegt Lorena: ‘Niemand heeft ooit een verhaal over Eleanor en mij geschreven.’ Is het de schrijver die daar spreekt of Lorena?

    ‘Ik begrijp wat je bedoelt. Lorena is natuurlijk een schrijver, een journalist. Op dat moment is het haar eigen observatie. Er heerste in die jaren in Amerika zo’n grote afkeer van homoseksuele relaties, dat het Eleanor en Lorena in feite beschermde. Niemand zou durven zeggen ‘de first lady is lesbisch en dit is haar geliefde’. Het ergste was dat er toespelingen gemaakt werden. Maar in die tijd wilde niemand de journalist zijn die deze vermoedens zou openbaren. Het Witte Huis zou hen dat niet in dank afnemen.
    Van Missy (Marguerite Alice LeHand, 1896-1944 Iv/dG) was bekend dat ze meer dan alleen de secretaresse van Roosevelt was. De pers schreef over haar als zijn ‘charmante secretaresse’. In die tijd waren de meeste journalisten mannen. Die rekenden het hem niet aan dat hij een intieme relatie onderhield met zijn secretaresse. Ze was geliefd bij de media. En Lorena zag dat en dacht, niemand zal ons zo zien, als geliefden. Dat was enerzijds pijnlijk, niet gezien te worden. Maar aan de andere kant, ze konden hun leven samen delen omdat ze niet gezien werden.’

    Dan herinnert Bloom zich iets: ‘Een van de mooiste dingen die me laatst overkwam toen ik een lezing gaf, was dat twee vrouwen, ver in de tachtig, naar me toe kwamen met een stapel exemplaren van White Houses en zeiden: ‘Wij willen graag dat u deze boeken signeert. Een voor elk van ons en een voor elk van onze dochters. Wij zijn al vijftig jaar samen.’ En toen zei de oudste van de twee: “Het is goed gezien te worden.” En dat maakte mijn dag.’

     

    In hoeverre zijn er feiten verwerkt in de roman? Als Missy een beroerte krijgt en verdwijnt uit het Witte huis bijvoorbeeld.

    ‘Ik wilde de geschiedenis niet interpreteren maar me aan de feiten houden. Missy werkte twintig jaar voor Roosevelt toen ze een aantal beroertes kreeg waarvoor ze eerst behandeld werd in het Witte Huis. Ze was verlamd, kon niet meer praten. De president bezocht haar één keer en zag haar daarna nooit meer. Hij is bezorgd over haar maar schuift haar verzorging af op Eleanor. En Eleanor geeft de zorg weer door aan Lorena. En dan geef ik Lorena de mogelijkheid om te zeggen, en dat is fictie: ‘Jij en ik zijn arbeidersmeisjes die zichzelf terugvinden in een paleis. Wij zijn niet zo verschillend.’

     

    Ik hoorde in een interview dat u volgende boek over Marie Curie zou gaan?

    Ze lacht: ‘Ik vind haar een buitengewoon indrukwekkende vrouw. Alleen al het feit dat er drie Nobelprijzen in haar familie zijn. Twee voor haar zelf en een voor haar dochter. Maar ik voel me ook aangetrokken tot een van de eerste vrouwelijke cowboys, Annie Oakly. Ik weet niet of ze hier bekend is. Ze was een groot scherpschutter en is een van de belangrijkste figuren van West-Amerika geworden. Dat is dus een innerlijke strijd tussen mijn Europese kant (Blooms voorouders komen uit Europa Iv/dG) en mijn Amerikaanse kant. Zeker is wel dat het een roman wordt met een vrouwelijk personage uit de geschiedenis. Maar eerst zal ik, als ik terug ben  in Amerika, aan de slag gaan met het schrijven van een script voor Witte huizen dat als miniserie in Amerika zal worden uitgebracht.’

    Bloom neemt de Nederlandse vertaling van haar boek van de salontafel. ‘Al mijn boeken zijn vertaald door Paul Syrier. Ik heb nog nooit met zo’n fijne vertaler gewerkt. Hij is de enige vertaler die mij belt als hij twijfelt over de juiste intentie van een zin, een gezegde. Hij legt het altijd aan me voor.’

    Bij het afscheid: ‘We zullen zien wie er in mijn volgende boek voorkomt, Annie Oakly of Marie Curie.’

     

     


    Foto auteur: Elena Seibert

     

    Witte huizen
    Amy Bloom
    Vertaler: Paul Syrier
    Nijgh & Van Ditmar
    € 20,99

  • De Duivelsverzen als vertrekpunt

    De Duivelsverzen als vertrekpunt

    De puberteit –  ook wel bekend als de jaren des onderscheids – zou wel eens de eenzaamste periode in een mensenleven kunnen zijn. Het ontstaan van emotionele breuklijnen tussen binnen- en buitenwereld: het voorheen nog als veilig ervaren ouderlijk gezag wordt opeens gewantrouwd. En als dat ook nog samenvalt met een uiteenvallende realiteit, dan wordt er houvast gezocht in eigen gevonden betekenissen. Veel jonge mensen waarvoor de realiteit bedreigend is, keren zich naar binnen, of lopen weg van huis, zoekend naar een beginpunt om een leven aan te vatten. Zo ook Augustus Antenne (een zonderlinge naam, voor een bijzonder meisje) in de tweede roman van Maria Barnas (1973). Augustus loopt niet weg van huis maar verwijdert zich van haar familie door De duivelsverzen van Salman Rushdie te nemen als coach op zoek naar houvast.

    Op zich een sterk gegeven; een puber die een boek als De duivelsverzen leest waarvan menigeen toentertijd moest toegeven er niet doorheen te komen. Onwaarschijnlijk is niet dat dit meer te maken heeft met de verdichte geest van de volwassenen dan met het boek zelf. Er zijn boeken die niet helemaal gelezen hoeven te worden en die je toch een eind op weg helpen je existentiële richting te bepalen. Augustus heeft in eerste instantie genoeg aan de eerste bladzijden van het boek – of nee, eigenlijk de verbranding van het boek die ze op tv zag – brengt haar in beweging. Waarna ze het boek twee keer leest, voornamelijk omdat ze aan het eind van de eerste lezing pas zag hoe alles in elkaar greep. Waarmee gezegd wil zijn dat alles achteraf pas duidelijk wordt. Waarmee ook duidelijk is dat – ondanks de summiere verhaallijn en dat de korte hoofdstukken met titels als: Redenen, Stromen, Fragmenten, Kolken, Huizen in willekeurig volgorde gelezen kunnen worden – dit boek tot de laatste bladzijde gelezen dient te worden.

    Grote afwezige

    Augustus is een eenzelvige jongere, zonder vrienden en daar ook niet naar op zoek. Ze bereidt zich voor op een spreekbeurt over De duivelsverzen. Over de opbouw van die spreekbeurt is ze van mening: ‘Ik hoef niet bij het begin te beginnen, (..). Ik kan er, als dat lukt, ook mijn eigen verhaal van maken.’ Daarmee aangevend dat we van alles wat we lezen ons eigen verhaal kunnen maken; dat het verhaal van de schrijver ondergeschikt is aan wat de lezer er in ontdekt.
    Augustus’ vader is voorgoed vertrokken en stuurt haar cassettebandjes met zijn motieven, zijn voorliefdes en voorbeelden uit de kunstwereld. Augustus hoort hem aanvankelijk aan vanuit een behoefte, maar door het eenrichtingsverkeer – zij kan hem niets sturen want heeft geen adres – gaat het haar tegen staan en wil ze loskomen van hem. Haar moeder gelooft dat haar man elk moment kan terugkeren en schuift – in afwachting daarvan – constant met meubels door het huis alsof elke nieuwe opstelling de belofte van terugkomst inhoudt. Haar oudere zus schrikt van haar uitbarstingen; Augustus gaat verder waar haar zus het ergst mogelijke – ik wou dat ie dood was – al heeft uitgesproken, roept Augustus: ‘In gedachten snijd ik hem in honderd dobbelstenen.’

    Ze becommentarieert het leven van haar ouders en haar zus, dat storend voor hen is, maar niet voor de lezer. Dat wijsneuzige geeft goed aan hoe het in ons hoofd werkt, waar de gedachte eerlijker is dan wat we zeggen. Een puber maakt daar nog geen onderscheid in. Augustus’ gedachten hebben een sterke werking naar het einde toe; een binnenwereld waarin dromen mytische vormen aannemen. Zo verbergt ze in een schuurtje in de tuin Salman Rushdie tot de fatwa – uitgesproken door Khomeini – opgeheven is. Ze brengt hem dagelijks haar eten, zonder dat haar moeder dit merkt. Waardoor een beeld ontstaat van een meisje dat zichzelf uithongert en gevangen zit in haar wereld.

    Een vertrekpunt

    De uiteindelijke spreekbeurt van Augustus, die als ondertitel heeft: ‘Hoe Augustus Antenne een huis werd,’ begint zo: ‘Toen Augustus voor de zoveelste keer dacht dat de boerderij aan de overkant van de straat als een groot schip voorbij trok, in plaats van de beweging te herkennen in de wolken die door stevige zeewind massief en wit langs de daken werden gejaagd (…) bedacht ze dat er iets wezenlijks aan haar ontbrak.

    Op zoek naar houvast, naar een innerlijk kompas en dat vond ze in De duivelsverzen. In haar spreekbeurt beschrijft ze haar zoektocht naar een nulpunt in de vorm van een huis vanwaaruit ze aan het leven kan meedoen. Aan het einde verandert ook vrij ongemerkt de leeftijd van Augustus. Was het hele boek een schrijven vanuit een jongvolwassene, aan het eind spreekt duidelijk een twintigjarige – dit staat, let wel, in de spreekbeurt vermeld – die een afspraak maakt bij de huisarts omdat ze nog steeds zoekende is in het fantastische slotstuk:

    De arts wist niet wat hij moest zeggen toen hij een klein appartement zijn spreekkamer zag binnenkomen. Het was een lichte ruimte met hoge ramen. Er lag een houten vloer en aan de muren hingen schilderijen, zeefdrukken en ansichtkaarten die gedachten uitlokten aan andere landen, andere levens.
    Andere landschappen en andere leugens.
    Er viel eigenlijk niets op aan te merken.’

    Wat een prachtige manier is om te laten zien dat achter mooie, lichte, kunstzinnige façades, de zoektocht nooit eindigt. Gaat het dan over geluk, dat Augustus zoekt? Invulling van haar leven? Nee, vermoedelijk dat dit noodzaak is om te leven: steeds opnieuw een vertrekpunt zoekend om verdichting van geest tegen te gaan.

    Altijd Augustus is een bijzonder en imaginair vertelsel dat in mooie, onderzoekende en betekenisvolle taal is geschreven. Bij het slot gloort enige openheid – want schrijft elke schrijver, hoe fictief ook, niet eigenlijk over zichzelf? – die je doet terugbladeren naar het begin. Stukjes vallen op zijn plaats en lijken twee verhalen – De duivelsverzen en Altijd Augustus – op een bepaalde manier in elkaar te grijpen. Waardoor je het nog eens wilt lezen. En daar is niets op aan te merken.

     

     

  • Drie literaire tijdschriften van deze zomer

    Een Glossy, Tirade en Raymond Brulez in De Parelduiker

    Door Ingrid van der Graaf

    De zomer vloog voorbij maar het is nooit te laat een literair tijdschrift te bespreken.
    Kluger Hans stelde zich bij het maken van een zomereditie voor een literair portret samen te stellen van ‘de mens’. Het werd een zogeheten glossy, met op de goudkleurige cover een detail van een afbeelding van Dior, alles op glanspapier gedrukt, compleet met recepten voor bijvoorbeeld komkommersoep. Kluger Hans als een ‘livestyle’. Met mooie verhalen van onder andere Naomi Rebekka Boekwijt (Juli) en debutant Daniel Op de Beeck met Tris, waarin de overgave van een jongen aan de gebruiken van een geloofsgemeenschap eerst tot een obsessie leidt en later tot de dood. Opvallend en interessant door de wendingen in het verhaal.
    Dave Reggers schreef in dialect (en zonder hoofdletters) het verhaal Que sera sera. Op een babbeltoontje, alsof het een onderonsje geldt wat de vertelling dichtbij de lezer brengt. ’tweejentagetig. et nummer drukt op mijn wervels als ik mij buk (…) kzienet in mijn vingers die et dekbed gladstrijken.’
    En hier één van de vier recepten van Idris Sevenans, Deze is voor een salade.

    Was in een vergiet
    Droog keukenpapier in
                       zeer dunne schijfjes
    sla uit elkaar
    Los zout in witte wijn en
    Wacht met mengen tot
    geroosterd vlees calorie-arm wordt

    Illustraties, Vogue paintings van Egon van Herreweghe. Bestaande reclamefoto’s werden gedeeltelijk of helemaal met grove kwast overschilderd. Het effect is verrassend en lijkt een protest tegen de reclamewereld. De gedachte achter een glossy is te verleiden, iets te willen waarvan je niet wist dat je het wilde. Deze Kluger Hans spreekt de taal van de verbeelding en van verschillende schrijvers wil je meer lezen, al wist je dat niet.

     

    Tirade#459
    9200000045707640Sinds de oudere garde van de redactie in 2013 plaats maakte voor een beduidend jongere redactie, wat tot mooie en sprankelende edities heeft geleid, blijft het een soort stoelendans. Simone Saarloos nam al even plaats maar verdween vrijwel gelijk weer. Lieke Marsman verliet, na wel haar stem te hebben laten horen, al eerder de redactie om zich aan haar studie en nieuw werk te kunnen wijden. In dit juni nummer maakt Martijn Knol, die ook niet ongehoord bleef, plaats voor Wytske Versteeg. Ook Knol gaat fulltime schrijven. Dat het tijdschrift niet onder deze snelle wisselingen te lijden heeft, is te danken aan de stevige roots die zijn voedingsbodem vond in het literair etablissement van de jaren vijftig. Tirade heeft zich ontwikkeld tot een blad dat niet meer weg te denken is. In deze editie weer mooie bijdragen, onder meer enkele prozagedichten van Derek Walcott (1930) in vertaling door Astrid Staartjes.
    ‘Ik verliet het metrostation en er stonden mensen / stokstil op de trap, alsof ze iets wisten / wat ik niet wist. Dit was ten tijde van de Koude Oorlog, / en nucleaire rampen. De hele straat was uitgestorven,’
    Henk van Straten als De Ambassadeur over de melancholie in het werk van schrijver James Salter (1925-2015), hij zucht bij geen enkel boek zoveel als bij een boek van Salter. Een even ontroerend als oprecht essay van Wytske Versteeg over kwetsbaarheid dat je niet in de koude kleren gaat zitten. Verhalen van Vamba Sherif, Gerda Blees (concentrisch verhaal) en van Marijn Sikken Roosje. Een zuiver ‘coming of age’ verhaal waarin haast elke zin zoveel meer vertelt dan er staat. Een verhaal van de gevestigde Spaanse auteur Hipólito G. Navarro, (vertaling Melani Reumers). Debutanten zijn Christiaan Ronda, Derko Laan en Mira Aluç. Christien Brinkgreve laat haar licht schijnen op Babyboomboek van Ronald Havenaar. De rubriek waarin een auteur even helemaal los mag gaan, De tirade van…, was voor Asis Aynan, die de politieke correctheid van de acteur Nasrdin Dchar betwijfelt. Een heerlijk tirade.

     

    De Parelduiker#2015/3
    Parelduiker 3-15 omslag_Opmaak 1Raymond Brulez (1895-1972) zocht voor zijn debuutroman André Terval (1930) meer dan tien jaar naar een uitgever die het waagde hem uit te geven. Zijn boek werd namelijk niet Vlaams- katholiekgezind genoeg bevonden. Er speelde nogal wat tussen de schrijvers  van het interbellum. Fatsoens- en huwelijksmoraal mochten niet geschonden worden en dat was nu precies waar Brulez zich aan bezondigd had volgens de toonaangevende Vlaamse auteurs uit die tijd, Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Maurice Roelants. Joris Van Parys schreef een biografie van Brulez die deze maand onder de titel Gelukkig en vol droefenis. De werelden van Raymond Brulez zal verschijnen bij uitgeverij Houtekiet. Zijn bijdrage in De Parelduiker gaat over de aard van het contact tussen de Hollandse Forum-schrijvers Ter Braak, Du Perron, en de Vlaamse vrijdenker Brulez. Geïllustreerd met mooie afbeeldingen van enkele boekomslagen, een brief van Greshoff aan Brulez vanuit Italië, krantenartikelen en enkele sfeerfoto’s uit zijn huwelijkstijd.
    Bart Slijper werkt aan een groepsportret van de Tachtigers. Zijn stuk In gemeenschap van Goederen gaat over de loyaliteit en financiële steun die de Tachtigers elkaar boden. Daar moet je dan weer De Parelduiker voor lezen om te weten te komen dat het rond 1890 in de Amsterdamse Avant-gardistische kringen aan de orde van de dag was elkaar om geld te vragen of juist ruimhartig weg te geven. Een mooi bewijs van vriendschap en solidariteit. Met foto’s van de Tachtigers gemaakt door de toenmalige fotograaf Willem Witzen.
    Over de correspondentie die dagboekschrijver Hans Warren (1921-2001) onderhield met soldaat Jan Kakebeeke (Kees in zijn dagboeken) in Nederlands-Indië schreven Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Een kijkje achter de dagboekbladen van Warren.
    Van Herman Sandman het derde en laatste deel over Groningse schrijvers Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas. Dit loopt onder meer van de schrijver van het lied In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland, Jan de Rijmer tot de dichter Dries van Wissen. Een uitvoerig (goed) stuk over het literaire leven van heden tot nu. Een Parelduiker waardig.

     

     

     

  • Sleutelroman met opengebroken sloten

    Sleutelroman met opengebroken sloten

    Het zal niet vaak voorkomen dat iemand, die voor het eerst van zijn leven een lot koopt, gelijk de jackpot wint. Het overkomt de ik-figuur (Chrétien Breukers genaamd) in de debuutroman Lot van Chrétien Breukers (1965). De ik-figuur wil het geld echter niet hebben, hij wil er vanaf. In goede doelen gelooft hij niet, iets nalaten wil hij niet dus moet hij het zelf uitgeven.

    Hij gaat in een hotel wonen, veroorlooft zich escortdames en rekent ondertussen af met zijn dichterschap, (‘ooit’ was hij dichter) en de poëzie in zijn geheel. Het was immers uit ‘luiheid’ dat hij poëzie schreef. Na een fietstocht door de Achterhoek, om het huis van Jeroen Brouwers in Exel op te zoeken, besluit hij in die streek een huis te kopen waar hij zich vervolgens ingraaft met tweehonderd flessen jenever en vijftig dozen wijn. Zijn eten laat hij bezorgen, boeken bestelt hij via e-mail bij boekhandel Lieftinck in Lochem (gelukkig vermeldt de achterflap niet dat het boekhandel Lovink betreft) en huurt zo nu en dan een vrouw in voor de lijfelijke liefde. Dat zijn de gegevens. De actie bestaat uit een briefwisseling met de eigenares van de boekhandel, Leonie en de bezoeken van vriend R..

    De openingszin van Lot, ‘Ik zat op de middelbare school en las Walging van Sartre.’, zet gelijk de toon, want het gaat hier om een existentialistische roman, (hint de achterflap). Vriend R. raadde hem al eens aan zich op generlei wijze met Sartre of Camus in te laten: (…) Camus was een veel te groot genie, ook stilistisch, om te emuleren. Red je niet, leidt alleen maar tot frustratie en zelfverachting.

    De in 2013 overleden Joris van Groningen (uitgever en tekstschrijver) staat model voor vriend R. (achterflap) en waart als het alter ego van de ik-figuur door het boek. De gesprekken die ze voeren zijn recht op de man. R. begeleidt de ik-figuur op zijn schrijfexpeditie en is daarmee het enige constante in de roman. De ik-figuur laat een stroom aan herinneringen, literaire weetjes, meningen en overige losse flarden op de lezer los zoals: Wat is een dichter? Daar wordt soms behoorlijk zweterig en zweverig over gedaan. Dichtbundels worden nauwelijks verkocht, maar om de dichters hangt nog steeds dat merkwaardige fluïdum van heiligheid … en zo voort. Het is de herkenbare weblogstijl van de auteur die licht vervelen gaat. Na 35 blz. wordt het wat interessanter en lijkt het ergens heen te gaan. Maar dat is schijn, er ontstaat geen lijn in en er wordt geen punt gemaakt. Het kabbelt wat aan. Het enige wat eruit komt is dat de ik-figuur tot de conclusie komt dat je je niet kunt verbergen voor je verleden.

    ‘Dat ik, door naar deze uithoek te kruipen, alle problemen achter me kon laten. Het is niet waar, daar ben ik dezer dagen (…) voorgoed achter gekomen.’

    Zoals gezegd meldt de achterflap dat het hier om een ‘existentialistische roman in de traditie van Sartre en Camus’ gaat. De auteur zegt daarover: ‘Ik sluit me bewust bij deze traditie aan’. In een mengeling van verhalen, zijsprongen, brieven en korte mijmeringen over literatuur wil hij een ‘ode aan de verbeeldingskracht’ brengen. Hiermee zal de onsamenhangendheid in het boek verantwoord zijn. Maar het is, alsof er een gebreid  echtpaartje bij je aan tafel zit, waarvan de één een verhaal vertelt en de ander zich genoodzaakt voelt er commentaar bij te leveren, en ze maar door en door babbelen, uit angst niet goed begrepen te zullen worden.

    Schrijfster Elena Ferrante is van mening dat boeken, als ze eenmaal geschreven zijn, ‘hun auteur niet meer nodig hebben’. Ook Jeroen Brouwers, waarmee de ik-figuur op meerdere vlakken koketteert, heeft niets toe te voegen aan zijn boeken. Daarvan getuige nog eens het laatste interview dat Wim Brands met hem had in Brands met Boeken, waar Brouwers zich een onwillige geïnterviewde toonde en niets nader verklaarde omdat alles in zijn boeken te vinden is. En dat is het ware schrijverschap: zonder pronken en ronken in de media.

    Er zitten mooie stukken in Lot, zoals een kort verhaal over zijn eerste reis alleen, naar Duitsland toen hij achttien was. Uit de briefwisseling (tussen de ik-figuur en de eigenares van de boekhandel), spreekt een klassieke afstand zoals tussen geliefden in vroeger tijden, (hier komen de brievenboeken van Jeroen Brouwers om de hoek kijken). Maar het is mooi. Breukers kan schrijven, dat is zeker. De dialogen die er in staan zijn onbevangen en treffend.

    Weer volgens de achterflap moeten we het boek zien als een antwoord van de auteur op een, voor hem zeer bewogen jaar 2014, ‘waarin bijna alles wat in een mensenleven kan gebeuren ook echt gebeurde‘, wat een nogal dramatische vertekening geeft van hoe het in het leven kan verkeren. Alsof heel lezend Nederland Breukers kent, en weet wat hem is overkomen (aannemend dat hem íets is overkomen). Dat zijn antwoord daarop dit boek is maakt het alleen maar ingewikkeld. Het hele boek kan dan ook gezien worden als een farce. Maar wel een mooie farce. Blijven we echter benieuwd naar een echte roman van Breukers.