Je wist dat het eraan zat te komen en nu het zover is, is het toch even slikken. Het Liegend Konijn zal het volgend jaar niet meer verschijnen, Jozef Deleu stopt ermee. Op 30 oktober zal de laatste editie verschijnen. In 2003 richtte Jozef Deleu (1937) het Nederlandstalig poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op en voerde 23 jaar lang als een man de redactie ervan. Het opzetten van een poëzie tijdschrift was ooit een lang gekoesterde droom van Deleu. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden.’ Een tijdschrift te maken met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Dat is wat Deleu voor ogen stond. ‘Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ En dat is hem meer dan gelukt.
Voor wie het blad bij zijn tweejaarlijkse verschijning met een verwachtingsvol verheugen altijd uit de brievenbus haalde, zal het een teleurstelling zijn. Zesenveertig nummers verschenen er sinds april 2003. Aan het eerste nummer werkten tien dichters mee, aan het laatste nummer meer dan dertig. En zo was het steeds, een vijfentwintig tot dertig dichters, waaronder overtuigende debutanten en in hun toon bevestigende dichters. Die mix van oud en jong, van tastende tot ingeklonken poëzie, elke nieuwe editie van Het Liegend Konijn betekende een dagenlang genieten van gedichten die Deleu uit het nest had geroofd bij vele dichters. Dat ‘roven’ en ‘nest’, spraken steeds zeer tot de verbeelding.
Dat bij binnenkomst van elke nieuwe editie eerst gekeken werd welke dichters er aan dit nummer hadden bijgedragen. Dan dacht je, hè Femke Vindevogel. Of leuk, Marijke Hanegraaf, lang niets van gelezen. En de debutanten, altijd was je benieuwd naar de debutant van het nieuwste nummer en hoever ze zouden komen na hun eerste lancering in Het Liegend Konijn. Dat dat vaak best ver was, daar vaak een bundel uitrolde, en meer.
In werkelijkheid ging de samenstelling van Het Liegend Konijn zo. Deleu benaderde een aantal dichters waarvan al belangrijk recent werk verschenen was. Dan zocht hij via een netwerk van contacten dichters die nog niet hadden gepubliceerd. Daarbovenop kwamen op de redactie wekelijks zo’n 20 à 25 ongevraagde inzendingen van bekende als geheel onbekende dichters binnen. Dan begon het grote werk, een keuze maken uit een paar duizend gedichten voor een volgend nummer. Het lezen en selecteren kostte Deleu evenveel tijd als een halftijdse baan, zo liet hij eens weten. Alles met liefde, Deleu is doordesemd van literatuur, van poëzie. Zelf dichter, is hij voortdurend met literatuur bezig en leest dagelijks poëzie (pas verschenen als zowel de oude dichters). Hij hing de gedachte aan dat dichters (rusteloos) op zoek moesten gaan naar poëzie die hen aanspreekt.
Mijn eerste Liegend Konijn ontving ik als recensent voor Literair Nederland in 2011. Het nummer waarin Wesley Albstmeyr, wat later het pseudoniem van Jeroen van Kan bleek, debuteerde. Het Liegend Konijn liet me kennismaken met werk van Anne Louise van den Dool, Lieke Marsman, Lucas Hirsch, Arnon Van Vlierberghe en veel, veel meer.
En wat als u ermee moet stoppen?, vroeg ik Deleu toen ik hem in 2020 interviewde. ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan?, was zijn reactie. ‘Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? […] Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt.’ Zoals dan nu de verschijning van Het Liegend Konijn geëindigd is. En wie, al zijn het maar enkele edities, Het Liegend Konijn in de kast heeft staan, koester ze voor het leven. Het konijn zal zeker gemist worden door vele dichters voor wie het een eer was gedrukt te staan in dit zo bijzondere en rijk gevulde poëzieblad. ‘De deur achter je sluiten, is het huis groeten.’, schrijft Jozef Deleu in het voorwoord van wat het laatste nummer van Het Liegend Konijn zal zijn. Het ga je goed Jozef Deleu, een groet vanachter het toetsenbord.
Dat je dan toch niks gelezen hebt van de schrijver die dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur kreeg toegekend.
De in Duitsland wonende Hongaarse schrijver László Krasznahorkai (1954) kwam deze eer toe, ‘voor zijn meeslepende en visionaire oeuvre dat, te midden van apocalyptische terreur, de kracht van kunst bevestigt’.
Krasznahorkai publiceerde negen romans, waarvan er vijf in het Nederlands werden vertaald door Mari Alföldy. Ook schreef hij korte verhalen, essays en scenario’s waaronder voor de zeven uur durende verfilming van zijn debuutroman Satantango (1985). In 2012 verscheen deze roman in het Nederlands.
De schrijver die in 2004 de belangrijke Hongaarse Kossuthprijs ontving en in 2015 de Man Booker International Prize, liet weten zeer verrast te zijn door de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur en dat hij er niet op gerekend had, maar zeer verheugd was.
‘Ik ben diep verheugd dat ik de Nobelprijs heb ontvangen — vooral omdat deze onderscheiding bewijst dat de literatuur op zichzelf bestaat, voorbij allerlei niet-literaire verwachtingen, en dat zij nog altijd gelezen wordt. En voor wie literatuur leest, biedt zij een zekere hoop dat schoonheid, nobelheid en het sublieme nog steeds bestaan omwille van henzelf. Misschien biedt zij zelfs hoop aan hen in wie het leven zelf nog maar zwakjes flakkert. Heb vertrouwen – ook als er ogenschijnlijk geen reden toe is.‘
Krasznahorkai wordt een groot schrijver genoemd in de orde van Kafka en Thomas Bernard. Zijn stijl wordt gekenmerkt door absurdisme en groteske overdaad. In de woorden van het Nobelprijscomité: ‘De artistieke blik van Krasznahorkai kijkt zonder illusies dwars door de breekbaarheid van de sociale orde. Tegelijk gelooft hij standvastig in de kracht van kunst.’
Opgegroeid in armoede is armoede een thema dat regelmatig geromantiseerd terugkomt in zijn werk. Volgens Krasznahorkai: ‘Het grootste verlies is het verlies van armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen nog maar mensen die geen geld hebben.’ In zijn boeken verheft hij armoede tot schoonheid. Krasznahorkai wordt gezien als een schrijver met een volstrekt authentieke stem die ‘wil schrijven over de wereld, niet over het communisme in Hongarije, niet over Hongarije, maar over een diepere laag in de wereld.’ Dat is zijn drijfveer.
Aan de Nobelprijs is een geldbedrag van ongeveer een miljoen euro verbonden en wordt uitgereikt op 10 december in Stockholm (Zweden).
Dit voorjaar werd Paul Demets gelauwerd met de Grote Poëzieprijs voor zijn bundel De schaamsoort, Briefgedichten aan Guido Gezelle. Hij had niet verwacht dat deze bundel, omdat het toch wel een echt Vlaamse bundel was geworden, in Nederland zou opvallen. ‘Toen hij de longlist bereikte dacht ik, wauw, ze hebben hem gezien. En dan komt de shortlist, en je denkt, geweldig. Ja, en dan viel ik echt van mijn stoel.’
Paul Demets (1966) debuteerde in 1999 met de bundel De papegaaienziekte, maar zijn eigenlijke debuut, Het web van omtrek, waar hij aan schreef tussen 1988 en 1993, verscheen in 2021. Uitgangspunt van deze bundel was het werk van kunstenaar Roger Raveel (1921– 2013). Als ongepubliceerd werk kreeg het in 1993 een eervolle vermelding van de Prijs voor Letterkunde van Oost-Vlaanderen. Dat er wel meer werk in de la blijft liggen leek voor lange tijd een gewoonte van de dichter. Wel publiceerde hij geregeld in literaire bladen zoals Het Liegend Konijn, maar van een bundel samenstellen kwam het vaak niet.
Op donderdag 2 juli, een van de warmste dagen van deze zomer, bezocht ik dichter Paul Demets in het monumentale pand waarin de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) gevestigd is en waar hij lector is.
Het KASK-café, waar we hadden afgesproken, is vanwege vakantie gesloten. We zullen uitwijken naar zijn werkkamer, maar eerst een ijsje. Kom, zegt Demets, dan trakteer ik op ijs. We gaan naar de achterzijde van de academie waar buiten een ijscowagen staat om kandidaat-studenten die deze dagen toelatingsgesprekken hebben, enige verkoeling te bieden. We passeren collega’s die hij enthousiast kond doet van de uit Nederland gekomen interviewer voor Literair Nederland. Als we door de monumentale gangen naar zijn werkkamer lopen, onze voetstappen ruisend over de oude vloeren, onderbroken door het openduwen van klapdeuren, vertelt Demets, vaderlijk glunderend, dat zijn jongste dochter net aan deze academie haar master grafisch ontwerp-illustratie heeft behaald.
In zijn werkkamer op de eerste verdieping nemen we plaats aan een tafel. Stapels papieren waar je kijkt, twee computerschermen, posters aan de muur, (waaronder een van filmmaker Chantal Akerman, waarover later meer), volgepakte boekenplanken, waartussen, zo wijst Demets me, het volledige werk van de Vlaamse dichter Guido Gezelle staat.
We spreken over het ontstaan van De schaamsoort, over de cesuur in zijn leven en over het benaderen van de werkelijkheid via de kunst of via de werkelijkheid zelf. En dan zijn er nog al die bundels die uit een la komen, of er in blijven liggen, het maken van poëziefilms en dat de politiek er tussendoor schemert.
Hoe was het om deze prijs te winnen?
Lachend: ‘Gelukkig had ik die dag daarop al terug les, ik had niet veel tijd om naast mijn schoenen te lopen. Dat zit misschien ook niet zo in mijn aard.’ Dan, ernstiger, ‘Het geeft wel een diep gevoel van geluk en vooral een soort vertrouwen om door te gaan.’
Op het moment dat Demets de prijs ontving, had hij ongeveer op de dag af tien jaar geleden een hartstilstand gekregen. Die ochtend was Demets benauwd op de borst en had pijn in zijn arm en bij zijn hals. In plaats van naar de KASK te gaan, reed hij naar het ziekenhuis waar hij met spoed geholpen werd. ’Die prijs had voor mij dus ook iets heel symbolisch. ’ Zijn oudste dochter werd geboren met een hartafwijking en onderging open hartoperaties. In bedekte termen schreef hij daarover in zijn bundel De landsheer van de Lethe
De woorden van Remco Campert, ‘Poëzie is een daad van bevestiging, de bevestiging dat ik leef’ krijgen hier hun eigen betekenis?
‘Absoluut, en ook dat ik niet alleen leef. Die twee aspecten zijn heel belangrijk. Dat ik niet alleen leef, was in mijn dagelijkse bezigheden al belangrijk voor mij. Ik heb altijd lesgegeven, dan leef je niet alleen, dan geef je dingen door, probeer je te enthousiasmeren, te ondersteunen. Na mijn hartoperatie is dat nog belangrijker voor me geworden.’
Is er daarna ook iets veranderd in je poëzie, in hoe je schrijft?
‘De poëzie die ik tot dan toe schreef en publiceerde, kwam vooral uit het hoofd. Maar het lichamelijke aspect is voor mij veel belangrijker geworden. En ook de maatschappelijke betrokkenheid.’
Hoe bedoel je dat precies?
‘Voor mij is het heel gewoon om te kijken naar de werkelijkheid via kunst. De kunst als een soort vlies dat tussen mij en de werkelijkheid staat. Ook via film bijvoorbeeld. Dat speelt nog altijd een rol, maar in sommige bundels kijk ik niet meer via kunst, maar rechtstreeks naar de werkelijkheid. En dat is een nieuw aspect.’
Enkele maanden na zijn operatie, werd Demets door het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen gevraagd als plattelandsdichter. Aanvankelijk voelde hij zich er niet klaar voor om in opdracht te gaan schrijven, maar toen bleek dat hij de vrije hand kreeg in de invulling daarvan, stemde hij toe. ‘Dat vond ik eigenlijk wel fijn. Want om terug te keren naar het citaat van Remco Campert, dat ik niet alleen leef, dat was voor mij ook een heel belangrijk aspect om het te accepteren.’
‘Ik dacht dat dit nu misschien wel de gelegenheid was om even letterlijk uit te zwermen over het platteland. Om te praten over wat de mensen op het platteland bezighoudt, wat hen drijft en ontgoochelt. Aan verkiezingsresultaten in heel Europa is te zien dat er veel breuklijnen in de samenleving komen bloot te liggen, één van die breuklijnen is tussen stad en platteland. Het klimaat gaat mij al ruim twintig jaar ter harte en ik zat dan ook met die achtergrond aan de keukentafel bij landbouwers. Sommige gezinnen zitten al jaren in de problemen. Dan heeft zo’n veevoederbedrijf gezegd, weet je, we sluiten een deal. Wij bouwen twee stallen voor je. Stop met gemengde landbouw, alleen nog varkens. En in plaats van 30 varkens, 300 of meer. Plots blijken die landbouwers werknemers van het veevoederbedrijf op hun eigen boerderij te zijn. Ze zeiden mij ook wel dat ik anders denk dan zij. En dat is natuurlijk ook zo.’
Wat kan de betekenis van kunst en poëzie in deze tijd zijn?
‘Kunst en poëzie zullen de wereld niet kunnen redden vrees ik, maar bieden wel andere perspectieven vanuit de meerduidigheid. Dat is iets waar ik zelf van hou in literatuur, poëzie en kunst. Dat het mij aan het denken zet en zich niet in zijn onmiddellijkheid aan me meedeelt. Ik heb graag dat ik uitgedaagd word. Dus dat vind ik wel belangrijk voor mijn eigen werk, dat iemand ernaar teruggrijpt en nog eens leest en misschien andere dingen ziet. Die openheid van interpretatie vind ik wel belangrijk.’
Wat betekent Gezelle voor jou?
‘Hij heeft mij gevormd en heeft grote indruk op mij gemaakt. Want zijn stem is zo uniek dat je dat onmogelijk kunt proberen na te bootsen.’
‘In 2010 vroeg Gwy Mandelinck ((1937-2024), oprichter poëziefestival Watou Iv/dG ) aan dichters, onder wie aan mij, om een gedicht te schrijven gebaseerd op het leven en werk van Gezelle. Ik vond het een boeiende uitdaging want ik kende het werk van Gezelle, waarmee ik niet durf te beweren dat ik het toen al volledig gelezen had. Zijn poëzie kende ik, maar die andere kant, de bijna krijgshaftige voor het katholicisme strijdende polemist Gezelle kende ik niet. Dat was wel interessant. Maar ook zijn ecologisch bewustzijn, al was dat bij hem ook ideologisch gekleurd. Zijn allereerste gedicht ‘De Mandelbeke’, daar zit iets heel kritisch in over de oprukkende industrialisering. Dat, en zijn bekommernis om de natuur hebben mij opnieuw voor zijn werk gewonnen en zorgde veertien jaar geleden voor het begin van De schaamsoort.’
Heb je je weleens een voorstelling gemaakt hoe Gezelle zou kunnen reageren?
‘Ja, absoluut. Ik heb hem, een man uit de negentiende eeuw, zeker niet willen bekritiseren want dat zou wel heel oneerlijk zijn. Maar ik had hem weleens willen horen over bijvoorbeeld de educatieve context. Die had hij in Roeselare, in zijn school waar hij lesgaf. Dat blijkt uit de briefwisseling. Hij verzamelde een groepje jongeren rond zich en zette die aan om poëzie te schrijven. Wat ik ook doe, maar bij hem had dat een ideologische reden. Want hij schreef letterlijk in een brief: gebruik Vlaamse woorden, want dat is belangrijk. We moeten het Vlaams emanciperen. Dat soort emancipatie is mij totaal vreemd. Ik geef geen les om op ideologisch vlak invloed uit te oefenen en al zeker niet om Vlaanderen groter te maken. Dat zou niet werken, want mijn studenten komen uit alle windstreken. En dat vind ik alleen maar fijn.’
In zijn bundel is er volgens Demets één facet van Gezelle onbelicht gebleven, ook omdat in een bundel nu eenmaal niet alles past, en dat is de openheid van geest die Gezelle ook had. Daarom maakte hij samen met oud-filmstudent Hooman Jeddy de poëziefilm Zie, zie, zie. Het werd een hommage aan Gezelle, aan wie hij was en hoe hij schreef.
‘Daarin hebben we een ontmoeting tussen de westerse katholieke cultuur en de oosterse Perzische cultuur filmisch gerealiseerd. Gezelle kende de Perzische poëzie die hij via een bisschop leerde kennen in een Engelse vertaling. Dat wijst op zijn intellectuele nieuwsgierigheid.’
De bundel bestaat uit zeven afdelingen met elk als titel een van de zeven hoofdzonden. In de afdeling Gula (woede) schrijf je over de fatale ontgroening van Sanda Dia in 2016. ‘Ja, dat heeft mij heel erg beziggehouden. En die studentenclub Reuzegom uit Leuven, waar ik zelf gestudeerd heb. In het begin van de cyclus schets ik mijzelf en het studentenleven. Omdat ik mij niet superieur wilde opstellen, zo van: wat hebben die jongens toch gedaan en ik was beter en anders.’
‘Het is een verhaal waarin alleen maar verliezers zijn. Op de eerste plaats omdat die jongen er niet meer is. Maar ook die jongens die erbij betrokken zijn in de vorm van ongeremd groepsgedrag. Hoe ze verder en verder zijn gegaan tot het fout moest lopen. Ik heb het proces intens gevolgd en heb ook de verslagen gelezen. Wat heel dubbelzinnig is zoals je het ervaart. Ik bekijk het ook van twee kanten. Het zal je zoon maar zijn die daarbij betrokken was geraakt. En anderzijds de ouders van die jongen en dan het hele advocatengedoe natuurlijk. Hoe ze zoveel mogelijk die jongens die erbij betrokken waren, probeerden te beschermen.’
‘Wat mij ook wel raakte, is de juridische taal die gebruikt wordt en die bijna ontmenselijkt. Ik denk dat juristen zullen zeggen, dat is nu eenmaal eigen aan juridische taal, maar dat heb ik toch ook wel een plaats willen geven in die cyclus gedichten. Ik wou laten zien hoe identitair denken tot tribalisme kan leiden.’
Ben je al met iets nieuws bezig?
‘Ja, en dat heeft ook met dat catharsismoment uit 2015 te maken. De jaren daaraan voorafgaand was ik niet zo bezig met publiceren in bundelvorm. Ik publiceerde zo nu en dan in tijdschriften zoals Het Liegend Konijn. Verder recenseerde ik vooral poëzie, theater en beeldende kunst, wat ik nog altijd graag doe. Mathematisch gezien zijn er vanaf het begin in 1989, toen ik echt aan een bundel begon te werken, ruim 23 jaar waarin ik niets gepubliceerd heb, maar wel in stilte verder heb geschreven.’
‘Na mijn operaties waren er gesprekken met een psychologe. Ze vroeg wat ik tot nu toe in mijn leven had gedaan en wat ik anders zou willen doen. Er waren oudere patiënten die met werken wilden stoppen of een grote reis wilden maken. Maar ik dacht, ik ga gewoon verder met waar ik mee bezig ben: lesgeven, schrijven en recenseren. Op één kwam nog meer aandacht aan mijn gezin besteden. En als tweede dacht ik dat ik misschien wel iets meer wilde nalaten dan hier en daar wat verspreide gedichten.’
Sindsdien is Demets werk uit de lade aan het halen. Er zijn al meerdere bundels verschenen, al is het niet zo dat die afgewerkt klaar lagen.
‘Dat zou wel heel erg romantisch zijn, dat ik maar een lade open hoef te trekken en er rolt een bundel uit. Niet alles blijkt bij hernieuwde kennismaking geschikt om mee verder te gaan. Ik moet mij kunnen terugvinden in wat ik eerder geschreven heb, of ik laat het voorgoed in de lade.’
‘Mijn nieuwe bundel, Moederkoren die in oktober zal verschijnen, zit wat in de lijn van via kunst naar de wereld kijken. Ik ben er jaren mee bezig geweest. Maar hij is tegelijk ook heel lichamelijk en persoonlijk. Deze bundel is uit het werk van Chantal Akerman ontstaan. Ik gebruik haar werk als een soort canvas waarop ik dan mijn eigen wereld projecteer.’
Paul Demets is op 31 oktober een van de eregasten tijdens het Nederlands Poëziefilm Festival 2025 te Zutphen. Tijdens het festival zal er een ruime selectie van films, gebaseerd op zijn gedichten, vertoond worden.
We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.
Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.
Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.
Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’ Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.
Adri Altink
Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.
Nadat ik De Nacht beeftvan Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989). Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.
Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.
Martin Lok
Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval.
Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.
De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’
In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’
Ronald Bos
Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederlanddoor Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?
De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.
Dilemma vanErna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijkgraag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.
Joke Aartsen
In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse,Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen,Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel.
Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.
De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.
Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen.
Marjet Maks
Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel,Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was.
Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.
Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter.
Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes.
Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.
Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.
Hettie Marzak
De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripettavan Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.
Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.
De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.
Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.
Els van Swol
De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!
De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.
Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).
Ingrid van der Graaf
Ingezonden lezersreactie:
Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’
Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent, maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.
Vanaf 2022 verschenen er drie titels uit het oeuvre van de Italiaanse schrijver Erri De Luca (1950) in vertaling van Annemart Pilon bij uitgeverij HetMoet. Als eerste werd De Luca’s novelle De dag voor het geluk kwam uitgegeven. Over een weesjongen die opgroeit in het Napels van na de tweede Wereldoorlog. De conciërge Don Gaetano van het appartementencomplex waar de jongen woont, ontfermt zich over hem. Don Gaetano vertelt hem over de oorlog, over de Jood die bij hem ondergedoken zat en over de laatste oorlogsdagen toen de bewoners van de stad verhongerden. ‘De Duitsers hielden een schijnvertoning: ze braken een winkel open en vervolgens droegen ze de mensen op om de winkel leeg te halen. Ze schoten op alle mensen die de spullen gingen pakken en filmden de hele scéne. Dat gebruikten ze als propaganda: Duitse soldaten grijpen in om plundering te voorkomen.’
Hierin is een tactiek van oorlog voeren te herkennen. Het opmerkelijke van zulke notities is dat De Luca ogenschijnlijk eenduidige verhalen vertelt, maar de lezer nekt met feiten die een omgekeerd déjà vu veroorzaken.
Zijn debuut (1989) Niet nu niet hier verscheen in 2023. Het voorwoord dat De Lucca in 2009 voor deze vierentwintigste druk schreef, leest als een kleine biografie. In zijn jonge jaren was De Luca lid van de communistische beweging ‘Lotta Continua’. Hij begon te schrijven nadat hij de partij had verlaten en als bouwvakker ging werken. Niet nu niet hier is een lange brief aan zijn moeder over zijn vormende kinderjaren. Zijn moeder sprak met hem als kind over de slechte dingen die er op de wereld gebeurden. ‘Je maakte me deelgenoot van jouw verachting van al het leed dat mensen aanrichtten en werd aangedaan.’ Hij was haar favoriete gesprekspartner omdat hij stotterde en daarom liever zweeg. Het is een indringend boek in de zin van vergeving, liefde en de dingen in de juiste verhoudingen zien.
Kat en muis spel
In Onmogelijk dat dit jaar verscheen, wordt een bergbeklimmer in de Italiaanse Dolomieten aangehouden op verdenking van moord. Hij wordt in een isoleercel geplaatst en een week lang dagelijks door een jonge onderzoeksrechter verhoord. Deze is er van overtuigd dat de bergbeklimmer, gezien de voorgeschiedenis van de verongelukte en de verdachte, verantwoordelijk is voor zijn dood. Veertig jaar geleden waren de verdachte en de omgekomen bergbeklimmer lid van dezelfde radicaal-linkse beweging. Tot de man – die verongelukte -, uit de beweging stapte en zijn kameraden als staatsgevaarlijk aangaf en als verrader werd gezien. De verdachte en zijn kameraden belandden daardoor voor vele jaren in de gevangenis.
Puur op basis van deze informatie verdenkt de onderzoeksrechter hem ervan uit wraak te hebben gehandeld. Dat hij hem geduwd heeft. De verdachte omzeilt moeiteloos en met doordachte antwoorden de valkuilen die de onderzoeksrechter voor hem opstelt. Een kat en muis spel waarbij de verdachte steeds correct weergeeft wat hij gedaan heeft en wie hij is, (‘Ik ga de bergen in om alleen te zijn’). Het verhaal, met naamloze personages, is geschreven als een dialoog. De onderzoeksrechter wordt aangeduid als ‘V.’ en ‘A.’ als verdachte die ook de verteller is.
‘V. Wij hebben een bevestiging nodig die losstaat van wat u zelf vertelt. Wist u dat u die man volgde?
A. Ik wist dat er iemand voor me liep.
V. In werkelijkheid volgde u hem.
A. In werkelijkheid volgde ik hem niet, in werkelijkheid was er iemand die voor me uit liep op een deel van de berg waar iedereen overheen moet.’
Brieven aan zijn liefste
Tussen de weergave van de verhoren zijn er de brieven aan zijn vriendin. Waarin hij haar schrijft over het verhoor, ‘Het gesprek met de jonge onderzoeksrechter gaat goed. Hij wil met een drone naar bewijs zoeken, hij speelt met dat idee, net als met zijn hypothese, waar hij bewijzen voor zoekt. Ik ben zijn tegenpartij.’
In de een na laatste brief schrijft hij, ‘ Mijn liefste, ik moet nog één keer met de onderzoeksrechter praten en dan is het voorbij, op wat voor manier dan ook.’ Of hij schuldig of onschuldig bevonden zal worden, lijkt hem niet uit te maken. Wanneer het punt bereikt wordt waarop de onderzoeksrechter hem moet laten gaan bij gebrek aan bewijs, volgen er nog allerlei ontwikkelingen (de verdachte en de onderzoeksrechter gaan samen uit eten). Er ontstaan vluchtige gedachten, er is een gebaar waarin het ‘onmogelijk’ tot mogelijk zou kunnen verworden. En zou het kunnen dat die brieven evengoed aan een verzonnen geliefde geschreven zijn? De lijn tussen werkelijkheid en gecreëerde werkelijkheid is dun in deze ingenieuze geconstrueerde novelle. Er wordt aftastend en vanuit hypotheses gecommuniceerd waarbij de geest van beide personages voelbaar alert blijft op wat er níet gezegd wordt.
De Luca werkte jarenlang als bouwvakker en schreef zijn eerste boek in een schrift (dat op zijn knieën lag). ‘Mijn schriften waren de lichte bagage die ik altijd meenam als ik van de ene naar de andere klus ging.’ Hij noemt schrijven nadrukkelijk geen werken, maar momenten van ontspanning waarin hij alles opschrijft wat tijdens het werken in zijn gedachten ontstond. Dat is wat er spreekt uit de novelle’s van De Luca, een vanzelfsprekende toon van weloverwogenheid en compassie. Zijn personage zijn dan ook volstrekt authentiek, evenals de schrijver zelf. De grondtoon van zijn verhalen komt voort uit de politieke keuzes die men maakt en wat daaruit voortvloeit.
In een nawoord schrijft vertaler Annemart Pilon, die een goede neus heeft voor belangwekkende literatuur, dat ze ten tijde van de vertaling van De dag voor het geluk kwam in Napels woonde. Door de steegjes liep in de buurt waar De Luca opgroeide en waar de roman zich afspeelt. Ze vertaalde het boek in haar vrije tijd in de hoop dat een uitgever er iets in zou zien. Een krasse proeve van weten wat goed is, vertaald moet worden. Met dank.
Onlangs verscheen van Vonne van der Meer (1951) de verhalenbundel Aan haar lippen, haar vijfde verhalenbundel. Kenmerkend in haar verhalen zijn de alledaagse personages. Ze zouden bij je in de straat kunnen wonen, je komt ze tegen in de supermarkt. Het zijn verhalen die beginnen met een observatie, of iets wat de schrijfster gehoord heeft. Het zit in kleine details, een aanname die het verhaal een verkeerde kant opstuurt, gevolgd door een inzicht, dat alles zich altijd anders ontwikkelt dan gedacht.
‘Dat vind ik eigenlijk het interessants. Als ik dat op het spoor kom, schaamte om hoe je je gedragen hebt, oordelen over de ander vanuit een aanname.’, zegt ze daarover.
Haar eerste verhaal verscheen in 1985 in Hollands Maandblad. Twee jaar later debuteerde ze met de verhalenbundel Het limonadegevoel en andere verhalen, waarvoor ze de Geertjan Lubberhuizenprijs kreeg. Sinds die tijd publiceerde zemet grote regelmaat meer dan twintig boeken, waaronder romans, verhalen, novellen en essays.
Haar verhalen, de wijze waarop ze verteld worden zijn onvergelijkbaar, hoewel ze ergens doen denken aan die van Alice Munro. Qua menselijkheid, het beschrijven van dagelijkse routines, dingen in het gareel houden en die dan onvermijdelijk ontsporen. Al is er bij Van der Meer, meer ruimte voor zachtheid en een zekere vergevingsgezindheid.
Voor het interview spraken we af bij café De Groote Swaen aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Een klein en sfeervol café waar Van der Meer regelmatig na de zondagsmis in de St. Nicolaaskathedraal koffie drinkt met medekerkgangers. Een gesprek over de verhalen uit haar laatste bundel. Hoe ze ontstaan, of wanneer er iets begint te ‘ritselen’ zoals de schrijfster het noemt.
In een van de verhalen, ‘Het weekendmeisje’ ontdekt een vrouw dat haar inmiddels overleden man haar twee jaar bedrogen heeft met een andere vrouw. Maar niet op de manier waarop bedrog in een relatie meestal speelt. Waar kwam het idee voor dit verhaal vandaan?
‘Midden jaren negentig voerde ik veel gesprekken over het geloof. Mensen vroegen zich met verbazing af hoe ik daartoe kwam (Van der Meer bekeerde zich in 1994 tot het Christendom Iv/dG). Een vriend zei toen tegen me, ‘Ik zou dat ook wel willen onderzoeken. Ik zou ook wel een kerk willen binnengaan en een mis bijwonen, maar daar hoef ik thuis niet mee aan te komen.’ Dat trof me: dat iemand iets belangrijks waar hij oprecht naar nieuwsgierig is niet doet, omdat hij weet dat zijn vrouw het zal afkeuren. Later dacht ik, dat is een mooi personage. Iemand die zijn verlangen naar geloof voor zijn vrouw denkt te moeten verbergen en een andere vrouw tegenkomt met wie hij dan naar de kerk gaat. Met wie hij wél over zijn ervaring kan praten en boeken uitwisselt. Ik stelde me een platonische verhouding voor die heel intens is. Die vrouw, het weekendmeisje, bemiddelt tussen hem en zijn niet uitgekristaliseerde geloof. Dat doet niet onder voor een verliefdheid.’
De weduwe verbaast zich over de christelijke boeken die haar man ging lezen en waarvan ze beseft dat hij die van een vrouw kreeg. Ze gebruikt die boeken om met haar in contact te komen.
‘Ik moest die twee vrouwen in een ruimte bij elkaar krijgen. En toen kwamen die christelijke boeken erbij. Daar heeft de weduwe niets mee, ze wil er vanaf dus hangt ze in een boekwinkel een briefje op dat de boeken bij haar opgehaald kunnen worden. In de hoop dat die andere vrouw erop ingaat. Nadat het een paar keer misgaat lukt het: de vis bijt. Als schrijver moet je een beetje listig zijn om iets te laten gebeuren.’
In het verhaal ‘Metamorfose’, komt een jongeman verkleed als vrouw bij een 93-jarige vrouw, die niet door een manlijke thuiszorger geholpen wil worden. Waar begon dit verhaal mee?
‘Door iets wat een oudere vriendin, die er nu niet meer is, me vertelde. Op een dag kwam ik bij haar en zei ze, ‘Nu heb ik een verhaal voor je.’ En dat ging over een nieuwe, als vrouw verklede mannelijke hulp. De vrouw in het verhaal geef ik dan een heel andere achtergrond mee, anders voel ik niet de vrijheid erover te schrijven. Zij kan het nu niet meer lezen dus kan ik met haar verhaal doen wat ik wil. Het was geen groot geheim ofzo, maar het is voor mezelf dat ik er toch een personage van maak. Als ik teveel aan de werkelijkheid blijf plakken gebeurt er niets op papier.’
Ontstaat een roman ook op deze manier?
‘Bij Ik verbind u door, dat gaat over agressie, weet ik het nog goed. Dat ontstond op het moment dat ik in Naarden-Vesting, waar we tweeëndertig jaar gewoond hebben, wilde oversteken toen er een brede en dure auto aankwam. Die auto was al te dicht genaderd om te kunnen oversteken, maar ik deed het toch. Als reactie gaf die man nog wat gas bij. Niet echt gevaarlijk, maar om mij op stang te jagen. Ik was verontwaardigd. Mijn eerste reactie was: ‘die klootzak’ en ‘wat denkt-ie-wel’. Maar toen ik naging waar het begon, lag de agressie toch echt bij mij. Ik accepteerde niet dat die man daar reed. Dat vind ik interessant en daar maak ik dan een aantekening van. Het ging me om dat ene moment: wat gebeurt er nou eigenlijk, hoe kan die agressie zich ontwikkelen. Die kettingreactie hield me zo bezig dat ik drie jaar later een boek begon met een irritatie tussen een man en een vrouw ‘s ochtends in bed. Hij wil vrijen maar zij heeft daar geen zin in en wijst hem af. Hij reageert dat weer af in zijn auto, in het verkeer, en later op een collega en die vernedert op zijn beurt een sollicitant. En het eindigt met een moord.’
U heeft eens gezegd dat er in elk verhaal iets van uzelf zit.
‘Het eerste en laatste verhaal zijn onomwonden autobiografisch, dat zal ik niet ontkennen. Maar ik zit in al die verhalen met dingen die ik ook gedacht heb of had kunnen denken of had willen doen. Ik zie schrijven als toneelspelen, het gaat om je inleven in een scène. Ik moet het me kunnen voorstellen. Als ik dat niet kan, wordt het niet geloofwaardig.’
Wilt u de lezer ook iets laten zien of ontwikkelt het verhaal zich buiten een plan om. Met de ‘Thuishulp’ gaat het bijvoorbeeld een kant op die je niet verwacht. De oude dame en de thuishulp komen niet tot elkaar.
‘Ik had makkelijk kunnen schrijven dat deze vrouw het wel accepteert. Zo van, “Ik laat me wel wassen en aankleden door jou en ik wen er wel aan.” Gelukkig hoeven als vrouw verklede mannen zich niet meer te verbergen. Maar ik denk ook dat je je personages moet laten zien zoals ze zijn. Dat een vrouw die uit zo’n andere tijd komt, alleen maar met vrouwen is opgevoed, op meisjesscholen heeft gezeten, in de oorlog met vrouwen in een kamp zat, dat zij zijn zorg mag afwijzen. Ook als dat misschien naar onze huidige maatstaven kleinzielig is. Een mens kan niet altijd voor iedereen begrip opbrengen. Dat is onwaarachtig.’
Heeft ieder mens recht heeft op zijn eigen afwijzing?
‘Ik begin niet met een statement in mijn achterhoofd te schrijven. Het is, wat ze bij toneel noemen, improviseren. Je zet twee acteurs tegenover elkaar en je bedenkt een spanningsveld. De een wil dit, de ander dat. De een wil graag als vrouw verkleed zijn werk doen. De ander vindt alles best, zolang ze maar niet door een man gewassen wordt. Zo heb je twee krachten tegenover elkaar en waar het uitkomt, dat weet ik nog niet. Het is niet zo, zoals je net aan me vroeg,of ik per se iets wil laten zien. Nee, het gebeurt.’
En zo’n opmerking van een vriend over het geloof, wordt het verhaal dan meteen opgeschreven?
‘Nee, eigenlijk niet. Als er straks op de terugweg naar huis iets zou gebeuren, of jij zegt iets en het begint te ritselen in mijn hoofd, dan zou ik nooit dezelfde week met schrijven beginnen. Het is eigenlijk altijd zo dat er nog een tweede lijn bij moet komen. Arvo Pärt zegt,“Er moeten altijd twee melodielijnen zijn voor een compositie, want met één vleugel kun je niet vliegen.”’
Er moet een bepaald evenwicht zijn?
‘Ja, maar ook een tegenstelling. Als ik die niet heb dan vertel ik na wat er gebeurd is en dat is niet interessant. Het wordt pas interessant als er een tegenstrijdigheid is of sprake is van tegengestelde belangen.’
Het autobiografische verhaal ‘Naar Parijs’, gaat over ouders die een goed huwelijk lijken te hebben. Als ze oud en ziek ieder op een andere plek verblijven, dromen ze over de invulling van hun leven als de ander is overleden. De vader wil wel met een academica hertrouwen. De moeder zou een hele sportieve man willen. Of iemand die aan een boek werkt, dat zij hem daarvoor de ruimte geeft omdat ze het zich financieel kan veroorloven. Een dochter reageert daar wat schamper op, meent dat er geen contact gestoorder mens bestaat dan iemand die aan een boek werkt en dat je ervoor moet waken dat je huisgenoten niet van je vervreemden.
Heeft u dat zelf zo beleefd als schrijver?
‘De dochter in het verhaal overdrijft, maar het is wel zo dat ook ik me afsluit als ik aan een boek werk. Dat je wel reageert op je huisgenoten maar niet echt, omdat je in je hoofd ergens anders zit, ook op momenten dat je niet aan het schrijven bent.’
In de verantwoording van het boek staat dat u aan bijna alle verhalen die eerder gepubliceerd werden verder gewerkt heeft omdat u nieuwe kanten aan de personages ontdekte.
‘Aan een paar verhalen heb ik zeker doorgewerkt. Soms maar twee zinnen. Ik ga niet precies zeggen waar en in welk verhaal (want dan gaan mensen er naar zoeken en zeggen, “Oh, daar heeft ze wat aan veranderd”, maar het is bijna altijd een verdieping of een aanscherping.’
Komen de verhalen na veertig jaar schrijversschap nog steeds even makkelijk?
‘Tot nu toe wel. Maar het is niet iets waar je op kunt rekenen. De periode dat ik aan een boek werk, vind ik wel de allerfijnste. De concentratie tijdens het schrijven, hoe de werkelijkheid zich vormt naar het verhaal. Dat je een woord opvangt of leest en het is precies het woord waar je al dagen naar op zoek was. Dat vind ik nog steeds iets magisch.’
(Foto auteur: Annaleen Louwes)
Aan haar lippen / Vonne van der Meer / AtlasContact
Een gesprek met Obe Alkema naar aanleiding van zijn onlangs verschenen boek Bewogen Selfies. Over een verzameling selfies die veel weg hebben van (foto)beelden zoals we de selfie als ‘showing who you are’ kennen, maar dan in tekst. We spreken over een memoir, al kan dat wat pretentieus klinken, en ontbreken de jeugdherinneringen. Waarvan Alkema er volgens eigen zeggen niet veel heeft. Bewogen Selfies vraagt de aandacht en zet alles in beweging. Een reden de schrijver om een interview te vragen.
We spreken af in De Utrechtse Boekenbar aan de Westerkade. Het is een zonnige vrijdagochtend eind februari. Als ik, door treinstoringen te laat, de Boekenbar binnenkom zit Alkema al rechtsachter aan een tafeltje. Het is er gezellig druk, de zon verlicht de ruimte en door de openstaande deur komen flarden van een gesprek, de roep van een meeuw vanaf de kade naar binnen. We bestellen koffie, en vooruit, nemen er iets lekkers bij.
Schrijver en dichter Obe Alkema (1993) debuteerde in 2018 met de dichtbundel Obelisque, in 2019 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij studeerde Nederlands in Groningen en begon halverwege zijn studie met het schrijven van poëzie. ‘Best laat eigenlijk.’, zegt hij er zelf over. Over zijn schrijven van toen zegt hij nu: ‘Soms, als ik daaraan terugdenk, vraag ik me af wat ik toen aan het doen was. Het lijkt niet op het werk van nu. Er was toen heel weinig ‘ik’, alles bleef op afstand. Ik schreef heel fragmentarisch en nodeloos ingewikkeld.’ Alkema werkte jarenlang bij uitgeverij Ankh Hermes en sinds vorig jaar werkt hij als informatiespecialistbij de gemeente Utrecht.
Bewogen Selfies is een boek dat niet in een hokje te vangen is. Het bestaat uit verschillende tekstdocumenten, scroll sessies, dagboek delen. Ook te lezen als confrontaties van de schrijver met zichzelf. Maar het boeit mateloos, om het anders zijn en de veelheid informatie die het prijsgeeft. Geen eenduidig verhaal, toch is dit het verhaal van een ontdekkingstocht.
Hoe is het ontstaan en hoe lang heb je eraan gewerkt?
‘Vooraf wist ik nog niet wat het moest worden. Het is telkens van vorm veranderd. Eerst dacht ik aan een essaybundel. Ik had veel literatuurstudie gedaan, veel gelezen en geschreven over schrijvers, stukken die ik daarvoor wilde gebruiken. Maar die gedachte liet ik steeds meer los. Niet alles waar ik over wilde schrijven, had een verwijzing of een onderbouwing nodig. Ik heb er uiteindelijk viereneenhalf jaar aan gewerkt. Ik zag toen wel dat dit boek steeds meer over mezelf zou gaan.’
Met een selfie geef je jezelf bloot aan anderen. In deze memoir worden de selfies steeds gewaagder, intiemer ook als het over je seksleven gaat. Waarom wilde je deze teksten vrijgeven?
‘Bij sommige teksten heb ik me wel afgevraagd of het niet te veel was. Dat is ook waarom het boek zolang geduurd heeft, dat het maar niet afkwam. Omdat ik al vroeg wist dat er ook een stuk over mijn seksleven in moest, maar niet wist hoe. Wat hielp is dat literaire tijdschriften me soms om een bijdrage vroegen. In nY verscheen het stuk over mijn seksleven. Die publicaties waren een soort aanloop naar het boek. Wat me ook hielp, was de input van anderen, zoals van de redacties van literaire tijdschriften. Dat had ik nodig om verder te gaan.’
Alkema voegt zich onder de ‘New Narrative Writers’, een stroming die eind jaren zeventig ontstond en geïnitieerd werd door de Amerikaanse dichters Robert Glück en Bruce Boone. Alkema memoreert aan de kleine hype die tien jaar geleden ontstond rond de debuutroman I love Dick van de Amerikaanse schrijfster Chris Kraus die wel met New Narrative geassocieerd wordt. Een feministische Cultklassieker. Vandaaruit las hij zich verder de ‘New Narrative’ stroming in.
‘In 2016 ontmoette ik Robert Glück toen hij naar Amsterdam kwam. We hebben samen opgetreden in Perdu. Zo ontstond er een persoonlijker contact. Glück publiceerde dat jaar ook een essaybundel Communal Nude waarin veel staat over de ‘New Narrative’ groep en andere vertegenwoordigers van deze stroming. Zo opende zich een soort van bibliotheek van schrijvers voor mij.’
Hoe heb je al die teksten die je in de afgelopen vierenhalf jaar geschreven hebt, de gegevens die je verzameld hebt, een plek gegeven in het boek?
‘Het boek is samengesteld uit een derde van het materiaal dat ik had. Heel veel heeft het niet gehaald. De lijst van headlines bijvoorbeeld was eerst geclusterd. In de eindredactie ontstond het idee om van de compositie van het boek ook een bewogen selfie te maken. Door de scroll sessies niet te clusteren maar juist af te wisselen, verdeeld door het boek. Door stukken een andere plaats te geven in het boek kwam ik er ook achter dat er hier en daar nog meer geschaafd en geschrapt kon worden.’
Wat heb je met de overgebleven tekst gedaan?
‘Misschien komt er nog eens een soort B-side van de dingen die het boek niet gehaald hebben. Ik had bijvoorbeeld ook werkplannen voor subsidie aanvragen, residentieplekken erin opgenomen met het oog op de toezeggingen of afwijzingen. Als een soort van context van de ontstaansgeschiedenis van het boek. Die zijn er wel uitgebleven.’
Je klinkt als een verzamelaar van teksten, verwijzingen en gevonden gegevens, maar ook als een schrijver die zichzelf steeds weer opnieuw onder ogen wil komen. Waar haalde je die scroll gegevens vandaan?
‘Die heb ik ooit verzameld toen ik jaren geleden van Facebook afging. Jarenlang heb ik daar op een knop van ‘Bewaren voor later’ gedrukt. Als ik iets tegenkwam wat ik interessant vond, maar niet direct tijd had om te lezen, bewaarde ik het voor later. Maar uiteindelijk doe je daar niks mee. Toch wilde ik die gegevens niet kwijt toen ik met Facebook stopte. Dus heb ik al die linkjes gekopieerd en in excel opgeslagen. Vervolgens heb ik er jaren niks mee gedaan, tot ik op een gegeven moment dacht, hier ga ik toch iets mee doen.’
‘Eerst waren het de links, toen dacht ik aan de headlines die aan die linkjes vasthangen. Zo werden ze allemaal geopend en werd het een tijdsbeeld van 2015/’16/’17. Daar zat een vrij sterk beeld van Metoo in bijvoorbeeld. Ik vond het interessant te zien hoe er in zo’n korte tijd, zoveel veranderd is.’
‘Daarom vond ik het belangrijk en passend, ook al was het niet dezelfde periode waarin ik aan dit boek werkte, het toch te gebruiken. Als een soort tijdsprong. Net als met mijn oude gedichten, daar kan ik op een gegeven moment ook iets mee.’
Alles wat je hebt vastgelegd en is opgenomen in dit boek heeft een bepaalde urgentie van ik moet/wil hier iets mee. Hoe werkt die drang om te noteren in het dagelijkse leven?
‘Ik ben constant dingen aan het opschrijven, zeker nu ik in de ambtelijke wereld werk. Die ambtelijke terminologie vind ik heerlijk. Die zal ik zeker in een volgende dichtbundel gebruiken. Er is altijd een tweede spoor dat bij mij open staat. Ik sta altijd aan voor woorden, teksten.’
Er is een memoir over de Amerikaanse auteur Kevin Killian, ‘Mijn Kevin, ons Parijs’, in het boek opgenomen. Een zeer persoonlijk document, waaruit grote bewondering voor deze auteur spreekt en gaat over de verwerking van diens dood, waarin Alkema zichzelf ‘een gênante nabestaande.’ noemt. ‘Kevin was als New Narrative writer voor mij een soort mentor. We hebben elkaar een paar keer ontmoet’
Er staat een stuk in het boek waarin je schrijft over je opname op een psychiatrische afdeling. In een recensie voor het NRC van de bundel Is daar iemand van Micha Hamel (over zijn opname), liet je al eens terloops weten dat je zelf ook opgenomen bent geweest. Je bent daar vrij open over.
‘Vanaf dag één van mijn opname heb ik alles vastgelegd in een dagboek. Wetend dat ik hier iets mee wilde. Ik wilde begrijpen hoe angst werkt, hoe schaamte werkt, dat wilde ik doorgronden. Toch vond ik het spannend dit openbaar te maken. Wat ik ook heb opgenomen is een deel van de rapportage over mijn gedrag. Therapeuten moesten alles rapporteren en als patiënt had je het recht die rapportage in te zien. Dat bewerkstelligde wel dat patiënten zich gingen gedragen zoals gewenst was. Daardoor gingen ze zich bij een sessie zelf censureren. Voor mezelf had ik besloten die rapportage pas achteraf te lezen. Want ik heb ook sterk die neiging, uit angst om wat ze over me zouden kunnen zeggen. Ik kreeg het advies om me als een puber te gaan gedragen, onredelijk, als een etterbak. Dus het was echt muurtjes afbreken, sociale barrières overwinnen.’
Zou je kunnen zeggen dat je je angsten en schaamte in de bek gekeken hebt?
‘Jazeker. Na de opname die ik beschrijf, is er nog een vervolgtraject geweest van acht maanden. Elke woensdag de hele dag therapie en dan de andere dagen om te oefenen, het zelf te proberen. Het gaat nu goed, angst en schaamte zijn flink afgenomen. Soms denk ik, ben ik dat? Natuurlijk zijn er mindere dagen, zoals iedereen die wel heeft.’
Heb je veel gelezen in die periode?
‘Tijdens de opname vond ik het fijn om me terug te trekken om te lezen. Ik ontdekte veel vrouwen die over gekte hebben geschreven. Virginia Woolf, Astrid Roemer, Sylvia Plath, The Bell Jar. Lezen was een manier om mezelf te spiegelen. Uit The Bell Jar, over iemand die is opgenomen, is ook een citaat in het boek terechtgekomen.’
Wat komt er na dit boek?
‘Ik heb het plan om elke tien jaar zo’n boek uit te brengen. En dan is er nog mijn dichtwerk, waar ik alweer mee bezig ben.’
Auteursfoto: Jared Meijer
Bewogen Selfies / Obe Alkema / 256 blz. / Het Balanseer
Goed bericht voor auteurs, vertalers en scenaristen die vastlopen met hun schrijf- of vertaalproject omdat ze de financiën niet rond krijgen om hun project af te ronden.
Het Sociaal Fonds Auteurs (SFA) ondersteunt al jaren auteurs bij onvoorziene financiële omstandigheden. Maar sinds kort kunnen auteurs nu ook, naast steun bij persoonlijke of praktische tegenslagen, bij het fonds terecht voor financiële hulp bij de afronding van een schrijfproject. Voor veel schrijvers, vertalers en scenaristen is het een herkenbaar probleem: een bijna voltooid werk dreigt vast te lopen omdat er nog iets extra’s nodig is. Een laatste onderzoeksronde, toegang tot een cruciale locatie of tijdrovend archiefwerk. Daarvoor biedt het Sociaal Fonds Auteurs nu ondersteuning aan.
Het fonds blijft ook bestaan voor auteurs die door onverwachte omstandigheden, zoals ziekte of schade aan essentiële werkmiddelen, hun beroepspraktijk tijdelijk niet kunnen voortzetten. De steun wordt verstrekt in de vorm van een gift of een renteloze lening.
Ter verduidelijking van wat het fonds voor auteurs kan betekenen en hoe het werkt, beantwoordde de voorzitter van het SFA, Menno Hartman enkele vragen.
Wat deed het SFA besluiten tot deze uitbreiding?
‘Door een wat ingewikkelde aanvraagprocedure en een wat verstopte positie op de website van de Auteursbond, liepen de aanvragen wat terug. Nu we de procedure gestroomlijnd hebben en vereenvoudigd en een heldere kleine website hebben laten ontwerpen, komen de aanvragen weer binnen. Verder wilden we naast calamiteiten ook speciaal een uitbreiding maken voor schrijvers, vertalers en letterkundigen die nog één klein hobbeltje moeten nemen voordat hun werk af is. Dus ook deze uitbreiding van de regeling is een reden om de wereld van schrijvers, vertalers en scenaristen erop te attenderen dat er een Sociaal Fonds Auteurs bestaat dat hen kan bijstaan.’
Waar komt het geld vandaan?
‘In 1994 kreeg het fonds een eenmalige schenking van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapmet de bedoeling dat uit de rente de steungelden gefinancierd konden worden. In 2005 bepaalde het ministerie dat de gelden als ‘a fonds perdu’ (gegeven zonder te verwachten dat het terugbetaald wordt)beschouwd werden en de besteding daarvan helemaal in handen van de stichting gaf.’
Wordt er vaker een gift of een lening verstrekt?
‘Er wordt vaker een gift verstrekt dan een lening. Veel auteurs hebben door hun werk zeer beperkte middelen. Voor veel van hen is de keuze van hun beroep er een geweest die ze uit liefde deden, hoe moeilijk het financieel soms ook is. Maar een lening veronderstelt terugbetalen, wat niet makkelijk is als de inkomsten toch al laag zijn. Als men specifiek om een lening vraagt kan dat, maar meestal verstrekt het fond schenkingen.’
Wat is het criterium om in aanmerking te komen?
‘Het fonds kan helpen bij calamiteiten. Om dat laatste zetje te geven om een werk af te krijgen. Voorwaarde is dat er acute financiële nood is en dat die acute financiële nood een belemmering vormt voor de schrijfpraktijk.’
Auteurs die in aanmerking willen komen, kunnen per e-mail een beknopte aanvraag indienen met een motivatie en een inschatting van het benodigde bedrag. Het bestuur van het fonds – bestaande uit Ger Beukenkamp, Menno Hartman, Sarieke Hoeksma, Emmelie Muijsers en Peter Smit – beoordeelt de aanvragen strikt vertrouwelijk en streeft naar een snelle afhandeling.
Voor meer informatie of een aanvraag: Sociaal Fonds Auteurs sociaalfonds@auteursbond.nl www.sociaalfondsauteurs.nl
Op donderdag 23 januari overleed dichter en schrijver Esther Jansma aan de gevolgen van kanker in een hospice in Utrecht. Ze was al lange tijd ernstig ziek. In 2022 zou Jansma met haar bundel De spronglaag, de eerste Meander Live in het Luxor Theater in Zutphen – waar dichters hun laatstverschenen bundel integraal voorlezen – openen. Ze was toen al zo ziek dat haar man Wiljan van den Akker het van haar overnam en haar bundel in een sessie voorlas. Over hoe het met haar ging plaatste ze de laatste twee jaar ook geregeld korte stukken op facebook. Daarin voerde ze, zoals ook in haar gedichten, verzonnen personages op die over een moeilijk te verteren werkelijkheid spraken. In deze was er een klein Esthertje die commentaar gaf op het verdwijnen van energie, van levensmoed van de grote Esther. Een kleine Esther die gevoelens van wanhoop en verdriet relativeerde.
Jansma debuteerde in 1988 met Stem onder mijn bed. Waarna er nog tien dichtbundels en een essaybundel verschenen.
In november 2024 werd ze, vanwege haar wetenschappelijk en literair werk, benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw voor haar waardevolle bijdrage aan de poëzie en dendrochronologie. In diezelfde maand verscheen ook haar elfde en laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken.
Jansma’s poëzie is zeer persoonlijk en voelt als het delen van intimiteiten. Ze verwerkte in haar gedichten het verlies van twee van haar vier kinderen. Tijdens haar eerste huwelijk verloor ze in 1988 een meisje tijdens de geboorte en in 1993 stierf haar negen maanden oude zoontje aan een chromosoomafwijking. Dit tekende, evenals haar armoedige en liefdeloze kinderjaren, haar leven en werk. Ze bracht haar kinderen tot leven in regels als: ‘Ik hul haar in weefsels van woorden’, en, ‘ik wil dat ze ademt van taal.’
In haar bespreking van Rennen naar het einde van honger, schreef Hettie Marzak: ‘ Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken.’
Over haar moeder, die haar als kind mishandelde, schreef ze voor Het Liegend Konijn (2021/2) een serie gedichten onder de titel ‘Het verhaal van de zeeroversdochter’. Daarin is Jansma de zeeroversdochter en haar moeder ‘brulkapitein Bloody Lilly’. ‘Ik groeide op op een piratenschip.’ Om de agressie van Bloody Lilly uit de weg te gaan, begon ze op een dag ‘achter een tonnetje rottend scheepsbeschuit gedichten [te] schrijven (…). Daar kwam ik mooi mee weg, want Bloody Lilly snapte niks van poëzie’. De lichtvoetigheid die uit dat ‘mooi mee wegkomen’ spreekt, is kenmerkend. Het heeft iets verdrietigs, maar tegelijkertijd iets onvermijdelijks dat het verleden steeds opnieuw en in verschillende variaties bestreden moest.
Voor haar poëzie ontving Jansma onder andere de VSB Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs, de Adriaan Roland Holstprijs en de C.C.C.Crone-prijs.
Naast dichter was Esther Jansma dendrochronoloog. Ze werkte voor de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en onderzocht onder meer de Romeinse schepen De Meern 1 en 4. In 1993 richtte ze het Centrum voor Dendrochronologie op. In 1996 promoveerde ze cum laude met haar proefschrift RemembeRINGs. In 2007 werd Jansma benoemd tot bijzonder hoogleraar dendrochronologie aan de faculteit geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.
De toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur betekent nog al eens een kennismaking met een vrij onbekende auteur, en voor de auteur betekent het meer naamsbekendheid. Dat gebeurde onder meer met de Franse schrijver J.M.G. Le Clézio (2008), de Chinese Mo Yan (2012), en de Tanzaniaanse schrijver Abdulrazak Gurnah (2021). Onbekend en gelauwerd maakt in ieder geval begerig.
Dit jaar was de Nobelprijs voor de Literatuur voor de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang (Gwangju, 1970). Een schrijfster waarover ik hoorde, recensies las, maar nog geen boek van gelezen had. Ik zag De vegetariër voorbij komen, Mensenwerk en het kleine boek Wit (alle drie vertaald vanuit het Engels door Monique Eggermont en Marijke Versluys). Ik zeg geen vaarwel (vertaald vanuit het Koreaans door Mattho Mandersloot) verscheen vorig jaar net als de andere drie vertalingen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Ook die las ik niet. Betreurenswaardig is het dat als een schrijfster de Nobelprijs krijgt, je haar werk niet kent. Het gevoel dat je altijd achterblijft op wat er aan belangrijks verschenen is.
Om mens te zijn
Ik ging het internet op. Het eerste wat ik over Kang tegenkom is een bericht van Korea-expert Casper van der Veen. Op Linkedin plaatste hij een link naar een interview in het NRC met de Zuid-Koreaanse schrijfster uit 2017 over de roman De vegetariër. Het moet een bijzonder gevoel zijn een auteur te hebben geïnterviewd die later onder de categorie Nobelprijswinnaars valt. De vegetariër werd in dertig landen vertaald en won in 2016 de Man Booker International Prize-literatuurprijs. De roman speelt zich af in de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoul en gaat over een vrouw die besluit te stoppen met het eten van vlees nadat ze een nachtmerrie had over de bruutheid van mensen. Een besluit dat onverwachte gevolgen heeft voor haar persoonlijke leven als mens. In het interview zegt ze, ‘Ik ben nog steeds bezig met de vraag wat het betekent om mens te zijn’.
In datzelfde interview, ‘Als ik schrijf denk ik nooit aan lezers of een specifiek publiek. Dat komt pas als het boek af is. De vegetariër wordt in verschillende landen anders begrepen. Nederlandse lezers lachten om de eerste zin [“Voordat mijn vrouw vegetariër werd, had ik haar in alle opzichten altijd volstrekt oninteressant gevonden” red.], Turkse lezers bijvoorbeeld niet. Maar de ironie van het boek werd overal opgepikt.’
Kang komt uit een schrijversfamilie. Haar vader is de romanschrijver Han Seung-won en ook haar broers schrijven. Ze studeerde Koreaanse literatuur aan de Yonsei University in Seoul. In eigen land won ze de Yi Sang Literary Prize, de Today’s Young Artist Award en de Korean Literature Novel Award.
Ik ging online op zoek naar haar boeken en vond enkel een exemplaar van Wit. Overige titels waren uitverkocht. Het boek Wit schreef Kang toen ze een aantal maanden met een schrijversbeurs in Warschau verbleef. Het is een poëtische vertelling in korte teksten met veel wit op de pagina’s. Het gaat over een gestorven zusje voor zijzelf geboren werd. Het begint met een lijstje van allerlei witte onderwerpen. ‘Bakerwindsels, Babyhemdje, Zout, Sneeuw, Rijst (…)’.
Het pijnlijke van wat gebeurd is
Over babyhemdj schrijft Kang, ‘Er is me verteld dat het eerste kind van mijn moeder nog geen twee uur na de geboorte gestorven is. (…)’ Een paar bladzijden later, na andere onderwerpen beschreven te hebben, vertelt ze vanuit een andere perspectief over het kindje en de moeder.
‘De tweeëntwintigjarig vrouw is alleen thuis. Op een zaterdagochtend dat de eerste rijp nog op het gras ligt, gaat haar vijfentwintig jaar oude echtgenoot met een spade de berg op om de baby die de dag ervoor georen is te begraven. De ogen van de vrouw zijn dik en willen niet goed open. Overal in haar lichaam doen de gewrichten en de gezwollen knokkels pijn. En dan voelt ze voor het eerst warmte in haar boezem toeschieten. Ze komt overeind en knijpt onhandig in haar borsten. Eerst een waterig gelig straaltje, daarna gladde witte melk.’ Wit, alles is wit als sneeuw, als moedermelk of als ‘koude handen gebald tot witte vuisten’. Een wonderlijk mooi, pijnlijk boek.
De jury schreef dat Kang de prijs verdient voor haar ‘intense poëtische proza, dat historische trauma’s confronteert en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt’. Ze is de eerste Zuid-Koreaanse auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur wint. Voor zover bekend heeft Kang nog niet gereageerd op de toekenning van de prijs. De secretaris van het Zweedse Nobelcomité, Mats Malm, belde haar net na het avondeten. ‘Ze was hier niet echt op voorbereid’, zei hij over het telefoongesprek.
Nijgh & Van Ditmar liet weten dat Han Kang een auteur is van een stille grote kracht die de uitgeverij al een kleine tien jaar koestert. En, ‘We zijn ontzettend blij dat ze een nog groter publiek gaat bereiken.’ En liet desgevraagd weten te werken aan de herdrukken van haar boeken.
De Nobelprijs wordt op 10 december uitgereikt in Stockholm.
‘Het duizelt me!’, liet Sasja Janssen op social media weten nadat bekend werd dat ze voor haar gehele oeuvre de A. Roland Holst Prijs werd toegekend. Niet gek als je eerst de Johan Polak Poëzieprijs wint voor Virgula (2021). Dan ben je ‘Flabbergasted’, valt alles uit zijn verband, zoals haar poëzie dat geregeld doet.
Sasja Janssen (1968) publiceerde zes dichtbundels en twee romans bij uitgeverij Querido. Regelmatig publiceert ze met poëzie of proza in De Gids, en geeft les in poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam.
In haar poëzie tovert Janssen absurde beelden tevoorschijn en wapent de lezer tegen gemeenplaatsen. Tijdens een integrale voorlezing van haar laatste bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica (2024) in Theaterzaal Luxor in Zutphen was het opmerkelijk hoe het publiek door haar bijzondere taalgebruik zeer goed bij de les bleef. Haar manier van woorden geven aan wat wordt waargenomen is consequent uniek. (‘Het heden is een lach in het donker’, of ‘Wat slapen de geraniums licht’).
De Johan Polak Poëzieprijs is een nieuwe prijs en wordt jaarlijks uit gereikt aan de beste dichtbundel die er in de voorgaande drie jaren verschenen is. Aan de prijs is naast de eer een bedrag van € 50.000 verbonden. De jury voor dit jaar bestond uit Janita Monna, Bertram Mourits, Mathijs Sanders, Carl De Strycker en Anne Vegter.
De gelauwerde bundel Virgula (won in 2021 de Awater Poëzieprijs en werd genomineerd voor vier andere poëzieprijzen), verscheen dit jaar in Engeland bij uitgeverij Prototype in vertaling van Michele Hutchison, die eerder ook Ik trek mijn species aan vertaalde (Putting on my species) en werd in 2022 naar het Spaans vertaald door Micaela Muylem.
De Johan Polak Poëzieprijs wordt dit jaar voor het eerst uitgereikt aan de beste Nederlandstalige bundel die in de afgelopen drie jaar (2021-2023) is verschenen.
Nu de biografie van Hugo Claus (1929-2008) verschenen is, werd zijn stem weer uit het geluidsarchief gehaald. Op radio 4 was te horen hoe Claus poëzie vergeleek met voetbal. Verontwaardigd vond hij dat wie een toegangsticket voor een voetbalwedstrijd kocht, voor datzelfde geld een boekwinkel kon binnenstappen om twee of drie dichtbundels te kopen. Dat men meer waar voor zijn geld zou hebben. En waarom ‘men’ dat dan niet deed. Men zou willen dat het zo eenvoudig lag. Er zijn er die van voetbal en poëzie houden, er zijn er meer die enkel aan voetbal tijd en geld spenderen. Liefde kan niet gedwongen worden. Ofschoon literair tijdschrift Het liegend konijn een goed begin is voor wie zich aan de poëzie wil wagen.
Het liegend konijn verschijnt tweemaal per jaar met gedichten die nog glanzen van de nieuwigheid. Gevestigde dichters als Erik Lindner, ‘Dromen zijn rommelige verhalen’, Tomas Lieske met ‘Vier gedichten over Charlotte de Bourbon (1547-1582), Halverwege gaan de paarden spreken, hun taal is Pools en halverwege.’ Eva Gerlach, ‘Er is geluid dat ons bereikt ook als we / niet luisteren, niets horen. Tik, tik, tik,’. Bernard Wesseling met negen gedichten: ‘Iemand moet zijn uiterste best doen en jammerlijk falen / opdat jij kunt uitblinken’. En Florence Tonk: ‘We weten het / allemaal wel / dat stralen van sterren / veelal / signalen zijn / uit het hiernamaals / (…).’
De nog niet alom bekende, maar wel veel geprezen Alara Adilow stond drie gedichten af over verwondingen, bedriegen en liefde. Adilow is een veelbelovende Nederlandse dichteres van Somalische afkomst. Haar debuutbundel Mythen en stoplichten werd vorig jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs, de C. Buddingh Prijs en stond op de shortlist van de Grote Poëzieprijs. Haar stijl is overrompelend. ‘haar verwonde mond lag in mijn adem / Lag stil, stil lag ik daar genaakt in haar / en ik dacht adem en ik ademde en adem’. Er zijn jonge dichters die, zoals een goed dichter betaamt, in de voetsporen treden van dichters die hen voorgingen. Kevin Amse schreef, geïnspireerd door Hugo Claus, het gedicht ‘Drang’. Elk couplet begint met, ‘Hoe’. ‘Hoe we de dagen als een kamerjas van ons af laten glijden / dit vermetel vrijen, je ranke vingers als kluiven in mijn mond.’ Een gedicht van twaalf coupletten, de stem van Claus klinkt er in door. Er zijn meerder dichters die in reactie op, of in de geest van de oude dichters schrijven. Strofen die gedragen worden op de wind die eerdere dichters hebben aangewakkerd, verrijkt de poëzie van nu. In reactie op Dylan Thomas schrijft Bo Vanluchene, ‘zo razen wij razend uit alle macht / gapen wij tot tranen, de dag / is niet van ons, alleen de goede nacht’.
Anne Louïse van den Dool verwerkte de aankoop van een huis in vier gedichten: ‘Onderpand, ‘Fundering’, ‘Vochtdoorslag’ en ‘Meerwerk’. Uit een ‘onafhankelijk opgesteld bouwkundig’ rapport blijkt de dreiging van een miskoop. ‘terwijl we de pagina’s omslaan vult onze blik zich met optrekkend vocht / tussen onze beglazing wordt condensatie aangetroffen / zwijgend zetten we parafen onder veertig papieren / we bedanken voor de buitenkans’. Een meesterlijke gedichtenreeks, gretig uit voor te dragen aan huiszoekende vrienden en familieleden. Er valt zowaar een les te leren uit poëzie.
Honderdzeventig gedichten van zesendertig dichters. Het Liegend konijn heeft er patent op dat wanneer je erin duikt, onderdompelend de poëzie ondergaat, er met moeite uitkomt. Dat de verwondering, het genieten en de bewondering de kop opsteken. Werd in eerdere edities, haast traditie, werk opgenomen van een enkele (jonge) debutant op de laatste pagina’s van het tijdschrift, is er nu werk van een tiental nog niet met een bundel gedebuteerde dichters opgenomen (jong en oud).
Dat het afhangt van hoe je de bal legt voor je schiet, of hoe een dichtregel wordt aangevlogen om de toeschouwer/lezer te bereiken. ‘overgiet de jonge sla / met afwaswater, trek alle leven / en vierendeel de spliterwten.’ Zo weet Ludwig van de Voorde ‘jonge sla’ slim op te voeren in zijn poëzie, dat (voorgezaaid door Kopland) altijd goed wordt verstaan.