• Verdwijnend landschap

    Verdwijnend landschap

    Hoe wereldproblemen zich kunnen vernauwen tot ‘welk boek neem ik mee?’ Ik verbaas mezelf. Morgenmiddag drie uur vertrekt de boot naar Terschelling. Er gaat van alles door mijn hoofd. Denk aan lijstjes opstellen, kleding uitzoeken (waar is mijn badpak, die handige zaklamp!). Ondertussen ruim ik een keukenla uit. Er blijken regels te zijn waar ik aan te houden heb voor de vakantie kan beginnen. Er dringen zich dingen aan me op, ‘kijk mij, maak schoon, ruim op, dweil die keuken eens’. Alsof het de laatste dag van alles is, ruim ik een lade leeg, maak kleverige kruidenpotjes schoon. Poets het bestek blinkend op. Als de man de keuken in loopt, zeg ik, ‘ Vraag me niet!’ En leg keukengerei naast de bak met kruiden in de la. 

    Ik denk aan Erwin Mortier. In Gestameld Liedboek schrijft hij over zijn dementerende moeder, ‘Laden die ze al maanden, jaren onaangeroerd liet, trekt ze weer open, en ze zoekt en zoekt. Ik tref haar in de keuken terwijl ze met een lepel probeert jus uit een pan te scheppen, terwijl ze een glas bij de kraan houdt.’ Zijn moeder kan geen tien minuten meer stilzitten. Ik denk de laatste tijd nogal veel aan alzheimer, vasculaire dementie. Wanneer weet je als je de dingen niet kan terugvinden, het een gewoon vergeten is, of iets anders. 

    Terwijl ik uit een andere la aangebroken pakken sorteer, kijk ik naar mijn handen. Ze zitten losser in het vel (zoals het hele lijf), de linkerpink licht gekromd door een struikelende val jaren geleden. Ik knipper tweemaal met mijn ogen om de jaren waarin ik het veranderen van mijn handen even niet volgde, bij te stellen. Ze als de mijne te erkennen, zoals ik dat soms ook doe naar mijn spiegelbeeld. De man van een dierbare kijkt soms langdurig naar zijn handen, houdt ze gestrekt van zich af, brengt ze tot vlak voor zijn ogen, weer terug naar zijn schoot terwijl zijn ogen die handen volgen. Alsof ze hem vreemd zijn. Waar blijf je als je delen van jezelf niet meer kent. Ik zei het al, ik ben geobsedeerd door het grote vergeten, het verschrompelen van hersenen en lichaamspostuur, waar we blijven. Een vrouw die ik ken, met dezelfde ziekte, begroet haar kinderen en man sinds kort met, ‘Hee, daar ben je.’ Of, ‘Wat heb ik jou lang niet gezien.’

    In de roman Reis naar het ongerijmde van Michael Ignatieff, beschrijft hij hoe de demente moeder naar haar jongste zoon kijkt als hij haar bezoekt. Ze kijkt alsof ze hem zou moeten kennen, maar ‘het laatje met namen in haar hoofd voorgoed dicht zit’. Dat er geen geheugen is zonder zelfbeeld. Het begint met het vergeten van dingen, dan vergeet je jezelf, verdwijnen de herinneringen. Hij schrijft over de moeder, ‘Het was deze schakel tussen heden en verleden die ze bezig was kwijt te raken. (…) Ze vroeg zich af wie die ‘ik’ was in haar eigen zinnen. Ze vroeg zich af of die herinneringen aan een blauwe bierpul in een warme tuin in een voorstad werkelijk van haarzelf waren. Omdat ze niet langer van haar leken, begon ze ze weg te gooien.’ Beter niks weg doen om te voorkomen dat er delen van jezelf verdwijnen.

    Ondertussen rommelt de man door het huis de vakantiespullen bij elkaar. Mijn inzet is gewenst. Ik leg de boeken klaar, De vreemdelinge, Claudia Durastanti, In het oog, Marijke Schermer en Vreemden voor onszelf , Rachel Aviv. Dat het een fijne zomer mag worden.

     

     


    Inge Meijer is afwezig tot eind september.



  • Lijstje van fietsongevallen

    Lijstje van fietsongevallen

    Lezend in literair vertaal-tijdschrift Pluk diende zich een lijstje aan. Er stond een mededeling in een begeleidend stuk waardoor ik stopte met lezen. Het hoorde bij het verhaal ‘Pension De Tuimelende Wereldbol’ van Franzeska zu Reventlow. Over een man met een rode baard ‘in de vorm van een waaier geknipt’ die op een Spaans eiland woonde waar hij volgens de verteller ‘al jaren zijn gang ging’. Wat inhield dat hij op schepen die aanmeerden, zocht naar landgenoten ‘of andere vreemdelingen’ die hij zijn visitekaartje gaf met een foto ‘waar hij niet op leek’. Deze Hieronymus Edelman verwelkomde ze hartelijk en raadde ze pension ‘De tuimelende wereldbol’, waar hij ook verbleef, aan. Deze man wekte met zijn verschijning en optreden zulke verwachtingen bij de nieuw aangekomenen dat ze met hem meegingen. Maar het pension is een ‘dubieuze verblijfplaats’, en berusten meer dingen op onjuiste veronderstellingen. ‘Wij, de slachtoffers van Hieronymus, bewoonden de begane grond in de linkervleugel, die we zelfbewust het Europese kwartier noemden.’ Nu wil ik meer weten over de persoon achter dit verhaal. Ik blader terug naar de introductie van de schrijfster door de vertaalster. Franziska zu Reventlow (1871-1918) uit de Weimar was vanaf 1898 een gewaardeerd schrijfster van romans, columns, essays en novellen.

    Als twintiger vertrok Zu Reventow naar München, werd lid van de ‘München Bohème’, in een tijd dat vrouwen amper als kunstenaar gewaardeerd werden. Dan, ‘Op 47-jarige leeftijd stierf ze in Locarno, na een fietsongeluk.’ In mijn hoofd ontstaat een lijstje. Je denkt aan Nico, miskend zangeres van de Velvet Underground, overleed in 1988 op Ibiza na een val van haar fiets. Je denkt aan Kees IJzer, broer,  in 2021 aangereden toen hij met zijn fiets met karretje door rood reed. Je denkt aan het fietsongeval met dodelijke afloop, een kernverhaal in de roman Tenminste voor een onbepaalde tijd, van Hans Heesen. Nu voegt zich daar Franziska zu Reventow bij, overleden na een fietsongeluk. En wat de betekenis daarvan is.

    Het verhaal, ‘Ik sta hier te strijken’ (‘I Stand Here Ironing’) van de Amerikaanse schrijfster Tillie Olsen, vertaling Juliette van Dijk, is verrassend  en intens.
    ‘Ik sta hier gekweld te strijken, en wat u me hebt gevraagd gaat gekweld heen en weer met het strijken.’ De school nodigt haar uit over haar oudste dochter te komen praten. ‘U kunt me vast helpen haar te begrijpen. Ze is een jonge meid die hulp nodig heeft.’ De moeder voedde haar dochter op in een tijd dat er ‘weinig of geen opmerkzame ogen’ waren die zeiden hoe je moest opvoeden. Ze hield zich aan wat de boekjes voorschreven. ‘Hoewel haar gehuil me tot wanhoop dreef en mijn borsten pijnlijk gezwollen waren, wachtte ik op het commando van de klok.’ Een verhaal waarin niet het onderste uit de kan gehaald kan worden voor een kind. ‘Laat haar zo zijn.’ begint de laatste alinea van dit verhaal, ‘Niet alles wat in haar zit zal tot bloei komen, maar bij hoeveel mensen gebeurt dat wel? (…) Maar help haar te beseffen,’ richt de moeder zich in gedachten tot de docent, ‘help mee ervoor te zorgen dat ze reden heeft te beseffen dat ze meer is dan deze jurk op de strijkplank, weerloos tegenover het strijkijzer.’ Wat een prachtig slot is. Pluk stelt mijn blik op het literaire landschap bij. Twee schrijfster die op een ander lijstje terechtkomen, het ‘literaire ontdekkingen’ lijstje.

     

     

    Pluk, de oogst van nieuwe vertalers 


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Prettig nostalgisch

    Prettig nostalgisch

    Begin jaren tachtig haalde je elke vrijdag bij de sigarenboer een Vrij Nederland. Het ging je om de Boekenbijlage, onder redactie van Carel Peeters. Dat hij toentertijd de ‘president’ van de Boekenbijlage werd genoemd, lees je in Kleine (en iets grotere) herinneringen van Hans Vervoort. Ook dat de New York Review of Books tot voorbeeld had gediend voor de Boekenbijlage, lees je daarin. De New York Review bestaat nog steeds in zijn oorspronkelijke vorm, de Boekenbijlage van VN sneuvelde toen de krant een tijdschrift werd. Mooi is dat herinneringen veel over degene die het zich herinnert vertellen. Zo herinnert Hans (in het boek heet de verteller ‘Hans’) zich dat hij als boekrecensent bij VN een uitgesproken voorkeur had voor verhalende, goed leesbare lectuur. Ongevraagd besprak hij jaarlijks de nieuwe roman van Johan Fabricius. Hoewel Peeters vond dat boeken bij de lezer een andere kijk op de wereld moesten bewerkstelligen, plaatste hij de lovende besprekingen van Hans welwillend. Tot de redactie hem geen nieuwe titels meer gaf. ‘Dat was Carels ultieme uiting van zijn onvrede en Hans vertrok als recensent naar NRC Handelsblad.’, schrijft Vervoort.

    Vervoort werkte voor onder meer Vrij Nederland en Opzij. Vanaf 1970 zette hij zichzelf op de kaart als literair schrijver, werd ‘een van de beste jonge prozaïsten in Nederland’ genoemd. Uit deze herinneringen, waarin mooi geportretteerd wordt, komt een man naar voren die het liefst op de achtergrond bleef. Altijd opgelucht als een vergadering was afgelopen, bij feestjes aan de zijlijn stond. In drieënveertig stukjes worden ontmoetingen  bij de koffieautomaat, vergaderkamer of op bedrijfsfeestjes beschreven. Werkrelaties met Joop van Tijn, Rinus Ferdinandusse, Renate Rubinstein. Als Hans in 1988 net uitgever is geworden, een kamer vlak bij het koffiezetapparaat op de gang heeft, staat hij elke keer op als hij het apparaat hoort lopen. Zo treft hij Cisca Dresselhuys, hoofdredacteur van Opzij. Ze vraagt of zijn nieuwe functie bevalt. ‘Ja,’ antwoordde Hans, ‘ik merk dat ik elke keer als ik de automaat hoor, vanzelf opsta om een nieuwe beker koffie te tappen. Dit is al mijn vijfde kop.’
    ‘Maar zo heb je nog eens contact’, zei Dresselhuys. ‘Dat is inderdaad de bedoeling’ zei hij, ‘ik hou ook de deur open. Ik wil graag aanloop.’ ‘Benieuwd hoe lang je dat volhoudt.’, zei ze geamuseerd. En, ‘Kijk maar uit met al die kopjes koffie. Voor je het weet krijg je het aan je rikketik.’ Je ziet er direct een schets in van Peter van Straaten. De onwennige uitgever, omklemt de zoveelste beker koffie. Boven hem uittorenend de struise  hoofdredactrice, die hem stralend doch minzaam een voorland schetst.

    In 1984 was Hans op een jubileumfeest van de Haagse post dat gehouden werd in een verbouwde boerenschuur. Daar zag hij voor het eerst Henk Hofland. Zelf aan de kant staand, zag hij hoe Hofland richting uitgang liep, ‘met de voorzichtige tred van de aangeschotene.’ Maar Hofland kreeg de deur niet open. ‘Toen zag Hans hem een besluit nemen.’ Hofland wachtte tot er iemand aankwam die de deur opende en naar buiten liep, ‘op de voet gevolgd door de columnist.’ Zelf associeerde je Hofland steeds met Susan Sontag, om zijn columns in het NRC, die hij ondertekende met S. Montag.

    Sommige karakterschetsen zijn kleine odes aan collega’s die geen aansluiting vonden. Zoals een juridisch adviseur, die zich op zijn kamer verschanste achter stapels mappen. ‘Praatte je met Erik, dan bleek hij een gevoelig en erudiet mens, die geregeld in het gesprek kleine verbale grapjes maakte. Zo klein dat Hans altijd vergat om te lachten en dat later betreurde.’ Bij zijn pensioen eert Hans hem als notulist van redactievergaderingen, ‘Pas als ik Eriks notulen lees begrijp ik wat ik eigenlijk had willen zeggen.’ Zo’n man dus, die net als Hans Vervoort het menselijk bedrijf in ogenschouw nam, er uithaalde wat anders verloren zou gaan. Het stemt op een prettige manier nostalgisch.

     

     

    Kleine (en iets grotere) herinneringen aan deze en gene / Hans Vervoort / uitg. Brooklyn / blz. 174


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Woordeloos graf

    Woordeloos graf

    Ik was een paar dagen in Zeeland, waar ik niet eerder was. Bij Zeeland dacht ik aan de Zeeuwse dichter en dagboekschrijver Hans Warren. In de jaren tachtig/negentig werd elk nieuw verschenen deel van Geheim Dagboek gelezen. Ik dacht erover zijn graf te bezoeken, appte een Warren kenner of hij wist waar de dichter begraven lag. Nadat ik en de man bij Oostkapelle de tent hadden opgezet, zochten we de zee. Na een urenlange, prachtige wandeling door een bos met herten, een kudde wilde paarden, hadden we de zee nog niet gezien. Toen ik later in mijn slaapzak lag te draaien, verschenen er twintig foto’s van gefotografeerde pagina’s uit een boekje met wandelingen van Hans Warren, ‘pingend’ op mijn mobiel. Het verscheen in 2006 (je woonde nog in Portugal), als onderdeel van de serie ‘Literaire wandelingen’ bij Bas Lubberhuizen en was je geheel ontgaan.

    In Borssele was er geen mens op straat. Er heerste een jaloersmakende zondagsrust. Of wacht, daar zaten twee Litouwse bouwvakkers op de hoek van de Weststraat. De een op een stoel, de ander op de stoeprand, blote voeten, kijkend op hun mobiel. Het enige café was dicht. Ik liep de Weststraat in, naar nr. 15, er stond een wit busje voor. Ik herinner me de ongelukkigheid van Warren over deze gedwongen verhuizing van het ruime, vrijstaande huis aan de Zeedijk naar een gezinswoning.
    Daarna zochten we Warrens graf op de begraafplaats aan de Oostsingel. We namen ieder een stuk voor onze rekening, liepen af en aan. Tot de man zijn hand opstak, het graf gevonden. Het lag er open en bloot. Geen grafzuil, geen tekst. Enkel een wit marmeren plaat met rechts, op een zwart marmeren rand ‘hans warren     dichter’, afstand tussen naam en dichter zoals op het graf. Ik stond bij dat woordeloos graf van de dichter die had afgezien van elke vorm van bewondering. Legde wat takjes vrouwenmantel bij zijn naam, zei enkel maar, ‘dag hans’.

    In 1957 was Warren met zijn gezin, na vier Parijse jaren teruggekeerd naar Zeeland. Op 29 juli 1957 schreef hij, ‘Sinds 1 juli wonen we Pijkesweegje 1 in Kloetinge. Een zeventiende-eeuws huisje, vervallen maar pittoresk, aardig van verhoudingen en met aangenaam licht in de kamers die op het oosten gelegen zijn. Toen ik met de verhuiswagen aankwam wist ik aanvankelijk niet goed waar ik wezen moest: ik zag een zwartgeteerde schuur met een paar kapotte planken waardoor de boerenzwaluwen in en uit zwierden. Het leek me een geitenstal. Maar het bleek de zijkant van ons toekomstige huis, dat eigenlijk uit twee arbeiderswoninkjes bestaat die spiegelbeeldig tegen elkaar gebouwd zijn.’ Het beviel hem, hij zou er tot aan zijn dood in 2001 blijven wonen.
    In het boek Augustus zoekt het dan drieëntwintigjarige alter ego van Eric de Rooij in augustus 1988 de dichter op. Hij verwachtte er veel van, tegelijkertijd niets. Bij zich een exemplaar van  Geheim Dagboek 1945-1948. ‘Mijn hoofd gloeide. Somber, nerveus en ontheemd fietste ik rechtsaf het Pijkeswegje op, en daar passeerde mij, nagenoeg gelijktijdig, een donkerbruine Volvo die de weg richting Goes insloeg.’ In die Volvo zat de dichter met zijn partner Mario Molegraaf maar hij zag het niet. Hij had zich voorgesteld hoe de dichter hem zou ontvangen. ‘Dag jongeman, (…). Wil je een kopje thee, dan signeer ik jouw exemplaar. Is het Erik met een k of met een c?’ Het werd niets.

    De dag na zondag stond ik op dat pad naar het voormalige huis van de dichter. Ik keek naar het van de weg afliggende donkere huis, verscholen tussen bossages waar de zon doorheen speelde. Je dacht aan de vele bezoekers die over dit pad de dichter hadden bezocht. In een van zijn dagboekdelen beschreef Warren een scene waar je nog wel eens aan denkt als er ongewenst bezoek voor de deur staat. Hoe hij zich met zijn vrouw tussen de ingeklapte tuinstoelen in een klein berghok verstopte. Warren in halfzit tegen de stoelen gedrukt, Mabel op schoot, haar bij de heupen vasthoudend, hoorden ze hoe de ongenode gasten rond het huis liepen. Na enkele benauwende momenten werd plots de deur van het berghok opengetrokken, Warren en zijn vrouw tuimelden naar buiten. Reactie van bezoekers , ‘Oh, zitten jullie hier?’ En hoe je je hier weer uitdraait.

    Sinds Zeeland ben ik opnieuw in de Geheim Dagboek ‘mood’. Lees die van 1945-1948. Bestelde het literaire wandelboekje Hart van mijn land ik ben terug door Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Met dank aan beiden voor de uitmuntende informatie over leef en wandelgangen van Hans Warren.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.



  • Paul Auster (1947-2024) lezen

    Paul  Auster (1947-2024) lezen

    In de week dat Paul Auster overleed, was ik in Den Haag bij mijn dochter. In haar boekenkast vond ik tussen het rijtje Auster boeken, Bericht uit het innerlijk. Een autobiografie over zijn opgroeien, zijn perceptie van het leven, van Amerika. Nu hij er niet meer is, zie ik pas goed dat Auster in dit boek de vorming van zijn wereldbeeld beschreef. Als een bewonderd schrijver sterft, spreken zijn boeken des te meer. Ik lees en herlees. De dood is de ‘final countdown’, geen dagen, geen uren, niets wordt er meer toegevoegd.

    Auster werd zich al jong bewust van zijn eigen sterfelijkheid. Hij schreef erover in verschillende boeken, hoe een jongen tijdens een zomerkamp door de bliksem werd gedood. ‘Ik was 14 en werd mij er op dat moment van bewust hoe fragiel en onvoorspelbaar het leven is.’ Ook in Bericht vanuit het innerlijk wordt dit genoemd in een opsomming van voorvallen die hem gevormd hebben. 

    ‘In de zomer [van 1961] werden de Freedomridders, die met bussen door het Zuiden trokken, door blanke groepen in elkaar geslagen, pleegde Hemmingway zelfmoord, en werd op een zomerkamp in de bossen van New York State een jongen uit jouw groep dodelijk door de bliksem getroffen, de veertienjarige Ralph M., die nog geen halve meter van je afstond toen de bliksemflits uit de hemel schoot en hem elektrocuteerde, en hoewel je redelijk gedetailleerd over deze gebeurtenis hebt geschreven (Why write?) ben je altijd blijven denken aan wat er die dag is gebeurd, het is je er altijd aan blijven herinneren hoe je daarna de wereld bent gaan zien, want het was je eerste les in de alchemie van het toeval, je eerste kennismaking met de onmenselijke krachten die in een oogwenk je leven kunnen vernietigen.’

    Later, toen ik thuis was, zocht ik naar het kunstboek Double Game, van de Franse kunstenares Sophie Calle. Wat had dat ook weer met Paul Auster te maken? Zo gauw ik het opensloeg, de gefotografeerde pagina’s uit Austers roman Leviathan zag, wist ik het. Een personage in Leviathan, Maria, is gebaseerd op Sophie Calle. Auster was gefascineerd door haar conceptuele kunst en gebruikte in zijn boek feiten uit haar leven, maar verzon ook kunstprojecten in de stijl van Calle’s werk. Zo laat hij Maria allerlei objecten van vreemdelingen fotograferen om daaruit de werkelijke aard van hen te reconstrueren. 

    Als antwoord op hoe zij in zijn roman werd geportretteerd, maakte Calle later Double Game. Er is sprake van eenkleurige maaltijden die Maria zou bereiden, voor elke dag een andere kleur. Calle creëerde die maaltijden, voegde er dingen aan toe, fotografeerde ze. Ook fotografeerde ze pagina’s uit Leviathan waarin ze eerst met rode pen correcties had aangebracht.

     

    Paul Auster schreef met vulpen op ruitjespapier (dit is belangrijk). Als hij een alinea af had, typte hij die uit op zijn tweedehands Olympia typemachine (de toewijding). Je zou zo’n schrijver (denk ook aan Brouwers) willen zijn. De getypte vellen werden door iemand anders in de computer ingevoerd, waarna Auster de prints corrigeerde. Uit Bericht vanuit het innerlijk: ‘Ik woon in mijn schrijven – het verteert mijn gedachten. Ik heb een hoop ideeën, plannen tegelijk – zodra ik maar even vrij ben, spelen ze door mijn hoofd; ik ben voortdurend aan het verfijnen, bijstellen, en concentreer me tegelijkertijd op datgene waar ik momenteel mee bezig ben…’ Er was veel waaraan hij nog wilde werken.

    Ik lees Brooklyn dwaasheid, waarin Nathan, in tegenstelling tot Auster zelf, niet rookt, al jong longkanker krijgt. Een klein detail uit een roman over drie vrienden die elkaar door het leven helpen. Een van de vrienden, Tom krijgt naar het einde van het boek een nieuwe relatie die hem zo goed bevalt dat hij tien kilo aan overgewicht verliest. Zijn vrouw Honey kookte voor hem gezonde maaltijden. ‘[…] er was geen sprake van dat Honey hem uitputte, hem kort hield of zijn geest verstikte. Langzaam maar zeker veranderde ze hem in de man die hij al die tijd in potentie al was.’ Dat is mooi hoe Auster deze vrouwelijke neiging de man te corrigeren, beschreef. Uit zijn boeken spreekt een zekere tederheid.

    Bij de verschijning van Austers laatste boek, Baumgartner was hij al een jaar ziek. Wat begon als longontsteking, bleek longkanker. In zijn vijftigjarig schrijverschap publiceerde Auster meer dan dertig werken, fictie en non-fictie en vertaalde verschillende boeken vanuit het Frans. Lees zijn boeken, van voor naar achter. Austers vertelkracht is groot, dingen rijgen zich aaneen, leiden je ergens heen waar je niet eerder was, uiteindelijk kom je altijd bij Auster zelf uit.

     

     

    Bron: Volkskrantinterview door Hans Bouman.
    Recensie van Baumgartner


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • It’s actually brown

    It’s actually brown

    De dagen waren zonder begin of einde. Je treinde van stad naar stad. Bakte in de ene stad pannenkoeken voor de tweelingmeisjes, daarna ging je door naar Den Haag. Daar nam je de metro naar Rotterdam, Theater Zuidplein, de openingsavond van Poetry International. In de wandelgangen enkel aardige mensen. Je ontmoette de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreiraeen van de twintig dichters die het festival openden. Ze vertelde over haar nieuwste bundel O meu corpo humano, gedichten als ‘ouvidos’ (oren) en ‘ombros’ (schouders). Je overnachtte in Den Haag. In bed bladerde je door de bundel The Oysters I bring to Banquets, van Gary Geddes. Een van de dichters van die je bijbleef.

    ‘It’s actually brown, not green, to mach
     the colours of the house, and erected
     where the rotten deck once stood. […]’

    De volgende ochtend liep je de tuin van je dochter in. Las op de tuinbank verder in Familielexicon van Natalia Ginzburg, er wachtte een leesclub die avond. Je nam de bus naar het station, huurde een OV fiets, fietste naar Den Haag West. Stapte af bij elke afslag om de ingestelde route op je mobiel te checken. Je stalde je fiets voor het huis van de vorige vriendin van de jongste zoon. Ze is ceramiste. Je was er om een theepot, gestookt in een zoutoven, met als handvat een steel met een bol aan het einde om de pot op te tillen, thee uit te schenken. Een kunstobject. Je nam er twee kommetjes bij.

    Je fietste terug naar het station. Om zes uur moest je in de binnenlanden van Salland zijn, voor die leesclub. Er was een trein uitgevallen. Op het perron las je de laatste stukken van Familielexicon. Ginzburg is, nadat haar eerste man in de oorlog door fascisten is vermoord, opnieuw getrouwd. Ze staat op het punt van Turijn naar Rome te verhuizen, en haar moeder zich overal mee bemoeit. ‘“Maar in Rome moet je leren stoppen!” zei mijn moeder. “Of anders moet je een poetsvrouw vinden die daar goed in is! Vind een naaister aan huis, zo iemand als Tersilla.”’

    Je zal te laat voor de leesclub komen. Appte degene met wie je zou meerijden, dat hij vast moet gaan. Thuis poetste je je tanden. Zette een fles wijn klaar die je vergat mee te nemen. De man reed je met behulp van googlemaps naar een plek met onbegaanbare paden. Het leesgezelschap zat rond een rijkelijk gedekte tafel, je had alleen het voorgerecht gemist. Er was veel te zeggen over Familielexicon. Weer buiten keek je naar de reikwijdte van stilte, geloofde plots dat de wereld eindig was. Rond middernacht rolde je in bed, de man in diepe slaap. Zaterdagochtend leek tijdloos. Maar wacht, er kwamen vrienden te eten. De man deed boodschappen. Jij kookte. De volgende dag stond een bezoek aan een wijngaard gepland. Je vraagt je af wie je agenda heeft bijgehouden.   

    Maandag houdt je je schuil op de bank. Slaat een jublileumbundel open waarin negentien auteurs over Gerard Reve schrijven. Je leest het verhaal van Marina Kuipers, dat alles in zich heeft wat je nodig hebt. Kuipers vatte eens het plan op het huis La Grâce van Reve in Frankrijk te kopen. Joop Schafthuizen als bemiddelaar, lijkt bereidwillig. Dromend over de inrichting van het huis schaft Kuipers het hele oeuvre van Reve opnieuw aan. Voor de bibliotheek in het huis dat een soort bedevaartsoord voor Reve liefhebbers zal worden. Joop is geen man van daden, lijdt aan depressies, moet naar de kapper, maar komt de deur niet uit. Er zijn lange telefoongesprekken. Een keer vertelt hij dat hij onderweg naar de ‘coiffeur’ was, maar niet goed was geworden. De dorpsarts kwam erbij. Die vond, ‘dat hij voor een man van zijn leeftijd, die drie flessen rode wijn per dag drinkt, twee pakjes sigaretten wegpaft en nauwelijks beweegt, nog een puik werkend hart had.’ Na vier jaar eist Kuipers ‘concretere toezeggingen’. Joop wordt narrig. Tweemaal belt hij haar nog, om ‘keiharde fanfaremuziek’ op haar voicemail af te spelen. De werkelijkheid is bitter, het verhaal geweldig. Je denkt, ‘It’s actually brown’.

     

     

    U heb ik lief, De eeuw van Gerard Reve / samenstelling Æ de Jong / uitgeverij Nobelman


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Verlangen naar ergens

    Verlangen naar ergens

    Je zou naar de eerste uitreiking van de Johan Polakprijs. Je keek ernaar uit. Sasja Janssen was met haar bundel Virgula de gelauwerde. De eerste keer dat je haar hoorde voordragen was tijdens een dichtersmiddag in een café in Amsterdam op een herfstige zondagmiddag in 2010. Je had je jongste zoon van elf meegenomen in de overtuiging dat je met de grote poëzie niet vroeg genoeg kunt beginnen. We stonden achterin bij de toiletten waar in een uitgespaard hoekje werd voorgedragen. Haar poëzie maakte indruk. Je begreep er niet veel van, maar vond het prachtig. Haar voordracht was alsof ze je deelgenoot maakte van een geheim, intiem leven. Die avond van de Johan Polakprijs uitreiking waren er treinen uitgevallen. Terug naar huis zou die nacht niet gaan. Om je verlangen naar deze prijsuitreiking te smoren, ging je vroeg naar bed met een boek. Je viel van het ene verlangen in het andere.

    In De muur voorbij begeef je je zonder moeite in de sfeer van Oost-Berlijn. In oktober 1981 vertrok Harrie Lemmens vanuit Nijmegen naar Oost-Berlijn. Er was een onbestemd verlangen naar iets. Als vertaler kon hij werken bij Vertaalbureau Intertext, waar brochures over onder meer be- en ontwapening en redevoeringen werden vertaald. Hij verblijft er met onderbrekingen zo’n vier jaar. Hij hield zijn bevindingen bij in een notitieboekje. Lemmens heeft een fijne stem van vertellen. Hij zoekt mensen op, legt contacten om literatuur te kunnen vertalen, leert er zijn latere vrouw Ana kennen. Op zijn eerste werkdag wordt hij rondgeleid door de directeur Herr H.. ‘Op de trap komen we een kleine jonge vrouw met lang kastanjebruin haar tegen.’, schrijft Lemmens. In het voorbijgaan knikken ze elkaar toe. ‘Das was Frau Tavares, unsere Portugiesin,’ zegt Herr H.. En zo, in kleine opmerkingen passeren ze elkaar in het boek. Tot Ana hem in de pauze meeneemt op haar wandelingen door de Leipziger Straße. Vanonder het kopje ‘Leipziger wandelgang’, waarvan er dertien zijn opgenomen, klinkt Ana’s stem. Mooie stukjes tekst waarin zij een vraag beantwoord, uitleg geeft of enthousiast reageert op een vertelling van Lemmens.

    In de stad zijn het theater en de kroeg druk bezochte gelegenheden. In de eerste weken bezoekt hij de voorstelling Dantons Tod door het Deutsches Theater, en is verrukt. ‘En dan te bedenken dat Georg Büchner eenentwintig was toen hij het schreef… In 1835 was dat.’, noteert Lemmens in zijn boekje. Treffend te lezen dat, ‘Het einde [van Dantons Tod] is koude-rillingen-werk: Lucille, de vrouw van de afgevaardigde Camille, roept “Vive le roi”, waarna onmiddellijk twee burgers op haar afkomen, een van de twee minzaam over haar wang strijkt en zegt: ‘Na, kommen Sie mal mit!‘ Een indringende scene, ‘omdat het zinnetje rechtstreeks verwijst naar de benaderingswijze van de politie hier’.

    Dresden is een stad die fascineert, zo dicht bij een vernietigend deel van de geschiedenis te verkeren. Hij maakt een afspraak met een vrouw die als kind het bombardement op Dresden heeft meegemaakt. Zij vertelt over haar tante die net geopereerd was toen de bommen vielen. In paniek rende ze naar buiten in de richting van de dierentuin. Waar ze onder een lage stenen bank kroop. Dan hoort ze naast zich iemand zuchten. ‘Eerst zag ze niets, het was nacht, maar in het licht van de brandende fosforbommen merkte ze plotseling dat er een leeuw naast haar lag, die verlamd van angst was.’ Hysterisch nu, vluchtte ze het park uit, zag mensen in rioolputten verdwijnen, liet zichzelf er ook in zakken. Uiteindelijk raakte ze voor twee jaar in een coma.

    Lemmens is in Oost-Berlijn als Fassbinder op zesendertigjarige leeftijd dood wordt aangetroffen in zijn woning, ’tragisch dat een kunstenaar zo jong sterft.’ Ook als Brezjnev sterft, ‘wat nu?’ Het overlijden is een dag geheim gehouden, ongetwijfeld om de nodige voorbereidingen te treffen ter beantwoording van die vraag, hoewel, de brave man was allang zo goed als dood.’ Als de vriend uit Nijmegen, die hem heeft aangezet tot dit verblijf in Oost-Berlijn, hem vraagt wat hij hier nou vooral ontdekt heeft, antwoordt Lemmens dat dat misschien wel ‘verlangen’ is. Een verlangen dat zowel uit iets positiefs als negatiefs voortkomt. Positief is dat de mensen hier nieuwsgierig zijn. Negatief is hun eeuwige zelfbeklag, ’te weten dat hun verlangen nooit bevredigd wordt’.

    De films en toneelstukken die hij bezoekt, de boeken die gelezen worden vormen een onafzienlijke lijst. Het culturele leven lijkt rijker dan ooit. Je noteert namen, Christoph Hein bijvoorbeeld, die je nu eindelijk eens lezen moet, en Irmtraud Morgner. In De muur voorbij, Berlijnse fado loop je mee met een leergierige jongeman die met vrienden drinkt en discuteert, zich laaft aan literatuur en theater. ‘Rondlopen en speuren naar beelden, vooral van vergankelijkheid, het vreten en wroeten van de tijd.’ Dat is wat de vertaler in spe bewoog. Prachtig boek, gretig gelezen.

     

     

    De muur voorbij, Berlijnse fado / Harrie Lemmens / 304 blz. / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Prachtig memoir

    Prachtig memoir

    Je weet over de ontbossing van het Amazonewoud. Door houtkap, bosbranden. Je tekent petities, doneert aan Greenpeace. Daarna ga je over tot de orde van de dag. Doet de dingen die je doen moet. Dat zegt iets. Over de erge dingen die er in de wereld gebeuren, maar die je niet direct raken. Elke ochtend sta je op, maakt koffie, laat de kat buiten, maakt een boodschappenlijstje, verstuurt een appje. Dat is jouw realiteit. Dan lees je de ‘memoir’ van een Braziliaanse oud-trucker, door de zoon opgetekend. De vader genoot als kind een paar jaar onderwijs, ging toen op het land werken. ‘Ik heb dus van mijn zevende tot mijn veertiende op de trekker gewerkt, van mijn veertiende tot mijn eenentwintigste ongeveer als automonteur en op mijn tweeëntwintigste ben ik gestopt als monteur en de baan op gegaan.’

    De zoon (1984) is gepromoveerd, doceert sociologie en politiek aan de universiteit van São Paolo. Hij heeft zes lange gesprekken met zijn vader gevoerd. ‘Ik hoor hem graag praten over alledaagse zaken, over de indrukken en kleine dingen van het leven.’ Hij zoekt naar ‘het wezen van de geest’.

    Een boek over een vader, verweven met de infrastructuur van het grootste land van Zuid-Amerika, Brazilië. Zoals het grootste project dat Brazilië vooruit moest helpen. ‘De Rodavia Transamazônica (BR-230), een megalomaan project om de Atlantische Oceaan over land te verbinden met de Stille Oceaan, beloofde het land in het begin van de jaren zeventig op te stuwen naar grote hoogte.’  

    De vader vertelt: ‘Om ‘n truck te besturen in ‘t Amazonegebied, in de tijd dat de boel daar werd ontsloten, moest je ‘n avonturier zijn. Restaurants en winkels waren er bijna niet, alleen van die kraampjes langs de weg.’ En ook: ‘Eind jaren zestig waren d’r al veel houtzagerijen, maar toen er meer wegen kwamen, ontplofte de houthandel zowat. Als je [in die tijd] door Acre reed, zag je alleen maar van die lange colonnes vrachtwagens met boomstammen, overal. (…) Ik vond toen al dat ze de boel naar de knoppen hielpen. ’t Leek me geen goeie zaak, maar in die tijd zei niemand er wat van, iedereen dacht dat het regenwoud niet kapot kon.’ 

    De zoon weet: ‘Aan de arbeiders die werden aangetrokken door deze uitdijende grenzen werd het kappen van het regenwoud verkocht als de onvermijdelijke route naar collectieve vooruitgang en een beter leven.’ De vader raakte tijdens de halve eeuw dat hij met zijn vrachtwagen Brazilië doorkruiste aan de belangrijke zaken die het land zo verdeeld hebben. ‘Mijn vader heeft in het begin van de jaren zeventig tientallen keren door het gebied langs de rivier de Araguaia gereden. Daar, tussen het zuidoosten van Pará en Tocantins, woedde een schrijd tussen het militaire bewind en een stel jong revolutionairen en plaatselijke boeren, die resulteerde in een van de bloedigste hoofdstukken van de Braziliaanse dictatuur.’

    De mengeling van de onopgesmukte verhalen van de vader en de wetenschappelijke visie van de zoon maken het tot een bijzonder boek. Het zijn de verhalen van de vader die je wakker schudden. Alsof er een kaart wordt opengevouwen, de geografie van een man en zijn land zichtbaar wordt. Dit boek is een prachtig essayistisch memoir. Een liefdevol portret van een vader, een kritische beschouwing van Brazilië. Lees het.

     

     

    Wat van mij is / José Henrique Bortoluci / vertaling Marilyn Suy / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Alice Munro lezen

    Alice Munro lezen

    Je dacht aan hoe verhalen ontstaan, hoe ze verteld worden. Dat een goed verhaal altijd vanuit de werkelijkheid ontstaat. Maar eerst. Er moesten boodschappen gedaan worden, er was een afspraak bij de tandarts. Op je verjaardag nog wel. Maar Alice Munro (1931-2024) was overleden. Nu denk je steeds aan haar verhalen. Naast Natalia Ginzburg en Marga Minco is Munro de schrijfster die je het meest bewondert.’ Je was net in het verhaal ‘Trein’ van haar begonnen, in bed. Dertien boeken met verhalen publiceerde ze. Er is behoefte aan een soort overzicht van haar leven. Een schrijver is terug te vinden in zijn boeken. Je speurt het internet af op zoek naar boeken van haar die je nog niet hebt. Je vindt Het uitzicht vanaf Castle Rock. Verhalen over haar familie. In het voorwoord schrijft Munro hoe ze in de jaren negentig geïnteresseerd raakte in de geschiedenis van haar familie. Ze begon er verhalen over te schrijven die ze evenwel niet publiceerde.

    ‘Deze [verhalen] nam ik nooit op in de bundels met fictie die ik om de zoveel tijd samenstelde. Waarom niet? Omdat ik vond dat ze er niet bij hoorden. Ze vormden geen autobiografie, maar kwamen dichter in de buurt van mijn eigen leven dan de andere verhalen die ik had geschreven, zelfs die in de eerste persoon. In die verhalen had ik wel van persoonlijke gegevens gebruikgemaakt, maar er daarna van alles en nog wat mee gedaan. Omdat ik in de eerste plaats een verhaal wilde vertellen.’ 

    Haar verhalen zijn plotloos, als het echte leven. In het verhaal ‘Trein’ neemt het leven van een jongeman verschillende wendingen, waardoor je niet kunt stoppen met lezen, want hee, wat gebeurt er hier. Je denkt aan boodschappen, tandarts. Je denkt, nog even. In haar verhalen legt Munro niets uit over het hoe en waarom van haar personages, ze plaatst je er middenin. Je kunt niet anders dan meegaan om te ontdekken wie ze zijn.

    Als ‘s avonds de verjaarsvisite aan tafel zit waarop een stapel boeken van Munro ligt, kun je het niet laten. Je vraagt of ze Munro’s verhalen kennen. Je vertelt over het verhaal dat je die ochtend las. Over een jongeman, Jackson die in de trein zit. Als de trein vaart mindert, gooit hij zijn plunjezak naar buiten, springt er zelf achteraan. ‘Een jongeman in goede conditie.’ Munro rept met geen woord over oorlog. Door die plunjezak begrijpt je dat hij als Canadese soldaat Nederland heeft helpen bevrijden. Hij springt uit de trein en loopt het spoor terug. Na een tijdje klimt hij over een hek, komt oog in oog te staan met een gehoornde Jersey koe. Er komt een vrouw de wei inlopen. Ze zegt dat hij zijn plunjezak moet laten vallen, dat de koe daar overstuur van raakt. Ze zegt, ‘Ik heb havermout op de kachel staan. Ik ben zo klaar met melken.’ Eenvoudige woorden.

    De jongeman doet klusjes voor haar rond het huis. Voor je het weet ben je bijna twintig jaar verder. Zijn ze in 1962 met de auto op weg naar Toronto. De vrouw moet aan een gezwel geopereerd worden. Ze wil dat niet, denkt dat het gezwel vanzelf zal verdwijnen. Ze wil omkeren, naar huis. Munro schrijft, ‘Sinds er voor iedereen ziekteverzekering was gekomen, rende iedereen maar naar de dokter, zodat hun leven een lang drama van ziekenhuizen en operaties werd, wat de periode aan het eind van je leven, waarin je mensen tot last was, alleen maar langer maakte.’ En wat je daar dan van denkt.

    Hij bezoekt haar dagelijks in het ziekenhuis, tot zijn leven weer een wending neemt. Op een ochtend loopt hij langs een appartementengebouw waar een man op een brancard naar buiten wordt gedragen. De eigenaar van het gebouw vraagt hem of hij de conciërge, want die is het, zolang wil vervangen tot hij terug is uit het ziekenhuis. De conciërge sterft, hij krijgt de baan. Drie jaar later leest hij in de krant dat de vrouw, waar hij jaren bij woonde, is overleden. ‘Niet dat hij vaak terugdacht aan de kamers waar hij samen met haar had gewoond of het werk dat hij aan haar huis had gedaan.’ Als hij geconfronteerd wordt met iemand uit zijn jeugdjaren, neemt hij opnieuw de trein. In een plattelandsplaatsje stapt hij uit. Hij ruikt de geur van zagerijen. ‘Daar was werk, in zo’n houthakkersplaats zou zeker werk zijn.’ Waar het verhaal eindigt.

    In haar laatste boek, Lief leven uit 2012, zijn enkele persoonlijke verhalen opgenomen. Je zoekt het verhaal ‘Met uitzicht op het meer’, waarin een vrouw, Nancy, naar de dokter gaat en zich in de dag heeft vergist. ‘Ze vraagt zich af of ze haar verstand begint kwijt te raken.’ Dan volgt er een verschrikkelijk goed verhaal van verdwalen in een stadje waar ze een dokter zal bezoeken die haar verstandelijke vermogens zal onderzoeken. Het blijkt een droom. Het verhaal eindigt met een korte dialoog:

    ‘Er is een vrouw hier die Sandy heet. Dat staat op het speldje dat ze draagt en Nancy kent haar trouwens ook.
    “Wat moeten we met u aan?”, zegt Sandy. “We proberen u alleen maar in uw nachtjapon te krijgen. U lijkt wel zo’n kip die bang is dat hij opgegeten zal worden. U zal wel gedroomd hebben”, zegt ze. “Waar hebt u nu over gedroomd?”
    “Over niets’, zegt Nancy. “Het was toen mijn man nog leefde en toen ik nog autoreed.”
    “Hebt u een mooie auto?”
    “Een Volvo.”
    “Ziet u wel? U bent nog helemaal bij de pinken.”’

    Sinds 2012 leed Alice Munro aan dementie. Ze was een veel gelauwerd schrijfster, haar boeken werden in vijfentwintig talen vertaald. In 2013 ontving ze de Nobelprijs voor Literuur. Na een verhaal van Munro, kun je niet meer zonder. Ze hebben de kracht je in een compleet andere wereld te laten verdwijnen.



     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft in haar wekelijkse column over boeken.

     

     

     

  • Een draai geven

    Een draai geven

    In ‘Achter de muur’ herinnert Marga Minco zich hoe haar vader elke zaterdag naar de sigarenwinkel wandelde, terwijl zij met hem meeliep. Ze beschrijft hoe hij daar een sigaar aangeboden kreeg. ‘Met de sigaar al tussen zijn lippen maakte hij een bijna terloopse buiging naar het blauwe vlammetje van de sigarenaansteker – een stevige metaalkleurige standaard, die deed denken aan de zilveren kandelaren die men wel op de met wit damast gedekte dinertafels aantreft  en stak de sigaar op.’ Deze details haalt ze zich voor de geest als ze na de oorlog voor de dichtgemetselde winkelpui van de sigarenwinkel staat. Ze gaat na waar de winkeldeur moet hebben gezeten. Ze legt haar hand tegen de muur. Bedenkt dat daar, achter die stenen muur, ‘de geur van een pas opgestoken sigaar voorgoed moet zijn blijven hangen.’ Minco’s verhalen schrijnen des te meer door haar droge constateringen.

    In het literair tijdschrift Kluger Hans las ik een verhaal over een zomerkamp, een knap geconstrueerd verhaal. Drie jonge mensen, Tomas, Tara en Inge zijn de begeleiders. Het speelt zich af in de toekomst, in een Koepel waarin de wereld is nagebootst. Al komen er geen onvoorspelbare weersomstandigheden in voor. Op een dag verzucht Tara dat ze verlangt naar een zuchtje wind. ‘Een goeie zomerbries. Schaapjeswolken. Of zelfs een stevig namiddag onweer.’ Tomas negeert de opmerkingen, ‘Hij heeft weinig op met de pre-Koepelnostalgie die tegenwoordig in bepaalde kringen hip is.’
    Het verhaal begint zo: ‘De laatste ouders zijn vertrokken. Met een vaag gevoel van spijt ziet Tomas de auto’s achter het duin verdwijnen – voor één moment zelf weer kind.’ 
    Door dat vage gevoel, een moment weer kind voelen, ontstaat het vermoeden dat Tomas aan zo’n zelfde zomerkamp geen prettige herinnering heeft overgehouden. Er is sprake van een verdwenen zusje. 

    Eigenlijk kan Tomas niet met kinderen omgaan. Dan komt er ook nog elke nacht een vreemd kind bij. Eerst een jongetje, dan een meisje, dan een baby. Er lijkt een omkering van vermissingen gaande te zijn. Tomas besluit ze weg te brengen. In de vroege ochtend brengt hij ze met de auto naar de buitenrand van de Koepel, waar hij ze naar buiten werkt. Een van de kinderen stribbelt tegen. ‘Tomas moet hem met beide armen loswrikken van het hek en hem, terwijl de poort alweer omlaag ratelt, een laatste hakje geven wanneer hij terug naar binnen dreigt te kruipen.’
    Als de ouders de kinderen komen ophalen, zal het aantal dat ze hebben achtergelaten precies kloppen. ‘Niemand kwijt.’, bedenkt Tomas. Toch blijft er iets aan hem knagen. Op de terugweg zet hij de auto aan de kant van de weg. Hij kijkt rond in de auto. Zijn blik treft een roze elastiekje op een van de stoelzittingen. ‘Met terugwerkende kracht bereikt hem een beeld uit de achteruitkijkspiegel, als een vakantiefoto van lang geleden; broer en zusje, een baby op de achterbank.’ Alsof Tomas zelf, zijn zusje en de nieuwe baby zijn teruggekeerd uit de tijd. En hij ze nu voorgoed verwijderd heeft. 

    In ‘De dag dat mijn zuster trouwde’ ging Marga Minco nadat het bruiloftsfeest van haar zus was afgelopen, naar haar kamer. Op haar bed lag de doos waarin het bruidsboeket bezorgd was. Ze hield de doos voor haar gezicht. ‘De geur was erin blijven hangen.’ Alsof door het vasthouden van die geur, die te beschrijven, het lot van haar zuster die drie weken na haar trouwdag werd opgepakt en niet meer terugkwam, nog veranderd kon worden. Door stil te staan bij de geur van een bruidsboeket, sigarenrook, of bij de aanblik van een roze elastiekje, is er de schijn of het leven nog alle kanten op kan. Echt gebeurd is een goed excuus om de geschiedenis een draai te willen geven.

     

     

    Uit: Alle verhalen / Marga Minco
    Uit: Kluger Hans #45 / Malthus aan zee / 
    Johannes Westendorp



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

  • Alles wat raakt

    Alles wat raakt

    Verhalen geven zicht op de werkelijkheid, in boeken ligt alles besloten voor wie het weten wil. In Tramhalte Beethovenstraat vindt de Duitse schrijver Andreas (dienstplichtontduiker), een baantje bij een Beierse krant in Nederland. Hij betrekt een kamer aan de Beethovenstraat. Bij de tramhalte daar, worden van maandag tot en met vrijdag, elke nacht vierhonderd Joden naartoe gestuurd. Met tram 8 worden ze opgehaald. Andreas denkt dat hij een nachtmerrie heeft. ‘Midden in de nacht schoot hij schreeuwend overeind. Daar waren ze weer, de geluiden, de korte snelle commando’s, het geblaf, het gedempte gezoem van stemmen. Alleen geen huilen, geen kreet. (…) De trams begonnen te rijden, het gedreun stierf weg, voetstappen verwijderden zich, toen was het stil.’ 

    Je keek de documentaire Verdwenen stad. Een intens goed gemaakte film over hoe de Duitsers Amsterdam ‘Joden vrij’ maakten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Veel werd duidelijk, verhalen verbonden zich met elkaar. Kwam het door de manier waarop tram 8 uit de remise reed (of een suggestie van tram 8). Deuren klapten open, rammelende geluiden, piepen van ijzer op ijzer. Daar gleed de tram de baan op. Of was het door de beelden van Amsterdammers die massaal langs de kant van de weg stonden om de bezetter over de Dam te zien rijden. Als was daar een feestelijke reden voor. De zwarthemden die voorbij marcheerden, de vele Nederlanders die hen de ‘Heil’ groet brachten. Het waren op zichzelf staande beelden. Het zag er allemaal zo aannemelijk uit. Of kwam het door de vertellers in de film dat je zo ontroerd raakte. Mannen en vrouwen die hun deportatie overleefd hebben. In een gewone straat in Amsterdam, op een brug of bankje bij een speelplaats, vertellen zij waar ze waren op het moment dat ze uit huis werden gehaald, getuige waren van razzia’s. Ze vertellen niets over hoe het in de kampen was, hoe ze overleefden. Ja, dat raakte je. En toen las je dit gedicht van Felix Oestreicher, geschreven in een concentratiekamp.  

    Weet je nog?

     ‘Weet je nog hoe het was thuis?
     in die zonovergoten dagen?
     ‘s Morgens wekte zonlicht ouders en kind,
     ‘s middags vulde het lachend de klas,
     ‘s avonds lag warme rust over de tuin.

    Weet je nog hoe we ‘s avonds
     thuis aan de grote ronde tafel aten?
     Vrolijk kwetterden de kinderen,
     wierpen stiekem kruimels, brokken
     en wat vlees naar de kat.

     Weet je nog hoe we thuis
     ‘s avonds in de heerlijke tuin zaten,
     waar viooltjes geurden, sering, jasmijn,
     terwijl jij naaide en verstelde, ik
     hardop voorlas uit krant of boek?

     Weten jullie nog hoe we in dit Lager
     hokten, vraten en sliepen in de drek?
     Angstig doorwaakten we de nacht voor transport.
     Ooit zal men er ons naar vragen,
                    maar wij
     zullen er in stilte aan terugdenken.’

    Dit laatst couplet, waarin de herinnering vooruitloopt op het heden, het verheft de dichter boven alles. Je denkt aan die jongeman die het in de nacht allemaal gehoord heeft, zag gebeuren, niet begreep waar hij getuige van was. Je denkt aan overlevenden die het er niet over hebben. Dat stilte iets is wat het onbegrijpelijke en beestachtige het best verdragen kan. En dat al die verhalen elkaar raken, opeens in het volle licht bestaan. ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’ Jeroen Brouwers wist het. Zoek naar de verbanden.

     

     

    Tramhalte Beethovenstraat / Grete Weil / vertaler Willy Wielek-Berg / Meulenhoff (2024)
    Naderhand, Kampgedichten / Felix Oestreicher / Ton Naaijkens / M10boeken (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem, een boek per dag is haar levensmotto.

     

     

  • Achterkant van de geschiedenis

    Achterkant van de geschiedenis

    Er moest iets vastgelegd worden, iets voor later. Momenten van ontwapening. Dat is wat een kind is, ontwapenend. En lerend, elke dag. Ouders leggen die ontwikkeling vast. Met foto’s, door in schriftjes bij te houden wat ze zeggen, hoe ze zich verhouden tot de ander, zelfstandig zijn. Zelf deed ik dat ook. Op zeker moment krijgen zij die schriftjes in handen, de foto’s te zien. Dat is ook wat je wilt, dat ze lezen hoe ze waren, of beter: hoe ze gezien werden. 

    Felix Oestreicher legde van 1937 tot 1943 de bevindingen van zijn drie dochtertjes vast in brieven aan familie. ‘Beate is een klein diplomaatje. Eerst ruilt ze met mooie praatjes haar step voor een vlaggetje van Helli. Vervolgens biedt ze Maria hetzelfde speelgoed aan voor een tweede vlaggetje en geeft ze Helli een of ander oud emmertje. Na hooguit vijf minuten wil ze de step weer terug. De vlaggetjes heeft ze ondertussen weer teruggegeven.’ Zo eindigt een brief die Oestreicher op Pinksterzondag, 5 juni 1938 schreef. Ze verblijven dan in Bergen aan Zee, gevlucht voor de verordeningen van de nationalistische partij tegen Joden in april van dat jaar. Ze komen vanuit Karlsbad, Tsjechië. Ze zullen nog vijf maal verhuizen, de laatste keer naar Amsterdam. 

    Niets over dreigingen of Jodenvervolging is terug te vinden in die brieven. Al is er een vermoeden van spanningen wanneer een van de meisjes ‘lange huilbuien’ heeft, of een ander ‘heel aanhalig is en kruipt van tijd tot tijd tegen me aan’. Of in zijn laatste brief, van 25 oktober 1943, waarin een afwachten van dingen die komen gaan doorklinkt:
    ‘De tijd verstrijkt met niets. ‘s Ochtends houd ik spreekuur – of wat er althans nog van over is – en geef ik de kinderen les. Afwassen is tijdverdrijf. Daar moeten de meisjes om en om steeds een week mee helpen. Met veel plezier schrobben ze de pannen schoon. Na een middagslaapje is er altijd wel een boodschap te doen met of zonder kinderen en dan is het alweer avond. Na het eten lees ik Gerda voor. Door de nachtdiensten ben ik vaker buitenshuis. Bridgen doen we bijna niet meer, eens in de vier weken.’ Einde brief.

    Op 1 november wordt hij met zijn vrouw Gerda Oestreicher-Laqueur, de kinderen en zijn inwonende moeder Clara naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Waar Helly, een van de tweeling, op de ziekenafdeling terechtkomt. Vandaaruit wordt ze naar een onderduikadres in Gorssel gebracht. De rest van het gezin komt via Westerbork in concentratiekamp Bergen-Belsen terecht. Kort na de bevrijding overlijden Felix en Gerda aan tyfus. 

    Middels de nalatenschap van Lisbeth Birman-Oestreicher, zus van Felix, die de meisjes na de oorlog in huis heeft genomen, kwamen in 1989 de brieven in handen van Maria, inmiddels getrouwd met Joop Goudsblom. Een keuze uit die brieven staat in 3lingnieuws. In een brief, die Oestreicher zijn testament noemde en achterin het boek is opgenomen, heeft hij het over de ‘vreemde’ dromen die hij tijdens die jaren had. Dromen waarin het hele gezin zich van het leven beroofde. Of over zijn schoonvader, die hem in 1938 niet met geld wilde helpen om Europa te verlaten. Hoe hem dit stoorde, zich voorstellend, met groot relativerend vermogen, hoe ze misschien ‘wel in de Verenigde Staten terecht [waren] gekomen en nu al lang en breed fatsoenlijk omgekomen bij een auto-ongeluk.’ Dat men hoe dan ook dood gaat, maar liever door een ongeluk dan deze vooropgezette volkerenmoord.   

    In een voorwoord geeft Helly Oestreicher, de enige nog levende van de ‘3lings’, de reden voor uitgave van deze brieven. ‘Dit 3lingnieuws is bedoeld voor mijn kleinkinderen, (…) en voor mijn onderduikzus Annie Hoetink-Braakhekke en haar kinderen en kleinkinderen; evenals voor al diegenen die het leven onder de stolp van de dagelijkse dreigende gevangenneming van drie volwassenen en drie zeer jonge kinderen willen meebeleven.’ 

    Berichten van een vader die met groot genoegen vader was, zeer betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. Genegenheid voor, en verwondering over hen spreekt uit al zijn brieven. Het zijn onderhoudende, vlot lezende brieven. Hoe de kinderen leren lezen, spelletjes spelen, ruzie maken, huilbuien hebben, gedrag van grote mensen kopiëren. Tegen het licht van de Jodenvervolging is het alsof je de achterkant van de geschiedenis leest. Dit prachtig vormgegeven boek, met foto’s gemaakt door de twintig jaar jongere zus van Felix Oestreicher, Maria Austria, is een document van grote waarde.



    3lingnieuws Brieven 1937-1943 / Felix Oestreicher / vertaling Elbert Besaris / 303 blz. / bij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.