• De werkelijkheid van Amos Oz (1939-2018)

    De werkelijkheid van Amos Oz (1939-2018)

    Op oudejaarsavond verwachtte ik niemand toen er werd aangebeld. Er stond een jongeman voor de deur. Hij zei, ‘Je zult wel niet meer aan me gedacht hebben.’ En ik, die dacht onverwachte gebeurtenissen ten alle tijde te zullen omarmen, vroeg, ‘Hoezo?’ De jongeman zei dat hij de ongenode en onverwachte gast was waar ik mijn hele leven al op wachtte. Ik schrok, want het is waar. Ergens in een gebied dat uit boeken komt, wacht ik op iets, een heilbrenger die de werkelijkheid een switch geeft zoals in verhalen wel gebeurt.

    Drie dagen daarvoor was Amos Oz overleden. Met A.B. Yehoshua en David Grosmann vormde hij ‘de grote drie van de Israëlische literatuur’, schreef Anet Bleich in een postuum voor de Volkskrant. Toen ik van zijn overlijden hoorde, zocht ik direct naar zijn meest omvangrijke werk. Een verhaal van liefde en duisternis is een liefdevol boek over zijn ouders en voorouders. Maar ook een boek over teleurstelling en verbittering. Op welke plek je het boek ook openslaat, je wordt direct gevangen door zijn woorden. Amos Oz ontdekte al jong dat de werkelijkheid niet kon tippen aan het leven dat in boeken wordt opgeroepen:
    ‘Wat mij omgaf telde niet, alles wat telde was van woorden gemaakt. (…) De hele werkelijkheid was niets dan een vergeefse poging, een oppervlakkige, mislukte poging om de verschijnselen uit de woordenwereld te imiteren.’
    Net toen ik me begon af te vragen wat zijn leidende thema was in zijn boeken, viel er een losbladig, dubbelgevouwen blad papier uit het boek. Het was een door de uitgever toegevoegde getypte brief gericht aan de lezer, aan mij.

    ‘Beste lezer, 
Als u mij zou dwingen in één woord te zeggen welk verhaal ik vertel in alle boeken die ik heb geschreven, dan zou ik zeggen: gezinnen. Als u mij twee woorden toestaat, zeg ik: ongelukkige gezinnen.’
    Dat fascinerende mij – de grote problemen die hij aanroerde, teruggebracht tot het gezin. Nu begreep ik ook de titel, meegegeven aan twee essays over de verhoudingen tussen Israël en Palestina, Help us to divorce. Dat gaat over twee volkeren die een uiterst slechte relatie met elkaar onderhouden, geschetst als een slecht functionerend gezin, waarvan beide partijen maar niet kunnen besluiten uit elkaar te gaan.

    In een van die essays beschrijft Oz hoe een passagier tijdens een lange taxirit naar de joodse chauffeur moet luisteren terwijl deze afgeeft op de Arabieren. De passagier vraagt hoe dit opgelost kan worden. Nou, zegt de taxichauffeur, gewoon elke Israëliër een wijk in de stad toekennen en van deur tot deur gaan met de vraag of hier Arabieren wonen. Zo ja, neerschieten. Dan zegt de passagier, die schrijver is, ‘Maar wat als er aan het einde van de dag, als het werk erop zit, de handen gewassen zijn, uit een van die huizen het huilen van een baby klinkt.’ Of hij dan terug gaat om zijn werk af te maken. Na een moment van stilte antwoordt de chauffeur: ‘U bent een wrede, heel wrede man.’

    De jongeman die onaangekondigd voor mijn deur stond wenste ik een goed uiteinde. Dat was nogal laf. In een goed verhaal had ik hem binnengelaten, een stoel voor hem aangeschoven, een kom soep aangeboden, een kom geurende soep. Ook ik heb een probleem met de werkelijkheid.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Leestekens

    Leestekens

    Voor ik het weet zit ik in het hoofd van een achtenzeventig jarige actrice die in een flat in Lissabon woont en Alzheimer heeft. Ze wordt verzorgd door een neef van haar – tweede overleden – man en een dame op leeftijd. Zelf is ze van mening dat het prima met haar gaat: ‘ik kon me alleen niet herinneren waar mijn slaapkamer was, voor de rest vond ik alles, de keuken, de provisiekast.’
    Proza van António Lobo Antunes is als een litanie waarin het leven in al zijn facetten bezongen wordt. Zo ook in zijn onlangs verschenen roman Voor wie in het donker op mij wacht.

    Eenmaal begonnen kun je het boek niet wegleggen: je kunt een dame van respectabele leeftijd niet onderbreken in het ophalen van haar herinneringen. Fantastische interpretaties spelen zich af in haar hoofd. Ze ziet een hazewindhond op een schort in de keuken op de vloer liggen. Het kan ook zijn dat de hazewindhond op het schort staat afgebeeld. Die hazewind gaat er geregeld vandoor, dan gaat ze de straat op, om te zoeken. De hazewindhond wordt ook wel teruggevonden en profil op een keukenschort, tussen theedoeken en tafelkleden in de linnenkast.

    Tijdens het lezen zoek ik houvast in een vorm die vertrouwd is van hoe een boek geschreven hoort te zijn. Bij António Lobo Antunes hoef je daar niet mee aan te komen, die heeft zijn eigen bijzondere manier van een verhaal vertellen. Zoals A.L. Snijders tot zijn zkv is gekomen, zo heeft Lobo Antunes zijn ‘verhalen zonder kader’ (vzk) tot een unieke stijl gebracht. Teksten lopen van de ene gedachte naar de andere; van het ene personage over in een ander personage. Vloeiend jawel, met als enig leesteken de komma:

    “de dame op leeftijd en ik zaten in de keuken aan de tonijn toen de neef van mijn man binnenkwam, waarop de dame op leeftijd opsprong
    ‘Goedenavond’
    alsof de beleefdheid die haar dode zoon niet had kunnen redden wel garant stond voor haar baan, ik meende de hazewind tussen de theedoeken te zien, keek opnieuw en weg was hij, wat ik niet allemaal kwijt ben geraakt in mijn leven, mijn moeder een foto zonder stem, mijn lijf een wrak, mijn geheugen los zand, ik herinner me dat ik als kind om het hardst tot aan die boom daar deed met mijn vader, en dat hij me liet winnen en voor me klapte
    ‘Je bent veel sneller dan ik’
    of stom en achterdochtig tegenover mijn twee mannen, terwijl mijn moeder hem een teken gaf met haar ogen
    ‘Je kunt toch op zijn minst doen alsof je ze aardig vindt’
    En mijn vader met zijn kin in zijn bord zonder op of om te kijken, mijn oma tegen hem vanaf het fornuis
    ‘Ik heb je nooit gemogen’”

    Na anderhalf hoofdstuk taal ik niet meer naar leestekens. De gedachten van de oude actrice, die als een wijdvertakt netwerk door het boek stromen, hebben me bevangen. Lezen van Lobo Antunes is als voor het eerst eten van iets waar je tegenop ziet, inktvis, of mosselen in mijn geval. Daarna wil je meer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Bregje Hofstede op drift

    Bregje Hofstede op drift

    Om te weten of je moet blijven, moet je weggaan. Niet voor een midweek naar een huisje op de Veluwe – dat leidt tot niets – maar echt weglopen. Dat is wat schrijfster Bregje Hofstede deed en daar schreef ze later de roman Drift over, (op drift geslagen, losgeslagen, roekeloos, reddeloos, schipbreukeling op volle zee). Ze beschrijft de veertig dagen dat ze van kennis, naar Airbnb, van hotel naar logeerzolder gaat. Haar rugzak, gevuld met schriften en notitieboekjes is haar belangrijkste bezit.
    Alles schreef ze op: wat er gezegd, gekeken, gegeten en gereageerd werd; als een op voorhand uitgeschreven speurtocht naar onvolkomenheden. Zelfs de vele uitgewisselde sms’jes tussen de Bregje in het boek en haar man, schreef ze in die notitieboekjes. Ze leest er obsessief in terug tijdens die veertig dagen dat ze rondzwerft. Speurend naar de eerste barsten en wie die veroorzaakt heeft. Want is er niet in alles wat er misgaat een oorsprong, een eerste wanklank, een schuldige te vinden?

    Er was sprake van twee manuscripten voor Hofstede tot deze versie van Drift kwam. Daarvan zijn gedeelten onder de titel De welp in Drift opgenomen met een unieke paginering, wat het lezen tot een diepgravende maar ook alerte onderneming maakt: de liefde laag voor laag beleefd en beschreven. Het leest als een essay in romanvorm. De breukvlakken in haar relatie vergelijkt ze met Japans porselein, waarvan de barsten met goudstof gelijmd worden. De gouden lijnen krijgen op den duur meer aandacht dan het porselein zelf. Hofstede noemt zichzelf ‘geen fijn mens’. Als kind noemden haar ouders haar heftig, huilerig, dramatisch, arrogant. Ze vraagt zich af: ‘Waren dit de woorden die het beste bij me pasten of paste ik me aan de woorden aan?’

    Ruim over de helft van het boek wanneer de liefde beschreven is in speelse vrijscènes, de ‘goedmaakseks’ en er à la Sartre en De Beauvoir de vrije liefde is gezocht in een triootje, beseft de Bregje uit het boek, in dit fragment onvermijdelijk opgaand in Hofstede, haar tekortkomingen:
    Terwijl ik dit schrijf [de roman], juist terwijl ik probeer terug te halen wat er gebeurde, verander ik alles en pers het in een vorm waar het, vrees ik, niet meer uit komt. Ik wil ze allebei naast elkaar laten bestaan: de liefdevolle scènes in de gloed van onze toekomst samen, en, genesteld in die gloed, het onafwendbare einde dat, juist omdat het zich al zolang had aangekondigd niet helemaal mijn schuld kan zijn.’

    Truus Schröder – tweede vrouw van Gerrit Rietveld, – vond dat binnenhuisarchitectuur erop gericht moest zijn de bewoners tot activiteit te inspireren, iets te creëren. Een gedachte die me zeer bevalt. De architectuur van een relatie zou zo moeten zijn dat muren verplaatst kunnen worden en deuren geopend blijven. Het gaat in het leven niet om geluk maar om ‘creëren’, is het signaal dat Hofstede met haar buitengewoon openhartige en sensitieve roman afgeeft.
    Denk ik aan Schopenhauers ‘Eenzaamheid is het lot van alle voortreffelijke geesten’, denk ik aan Bregje Hofstede.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • James Baldwin – Pin Drop Speech aan de Cambridge Universiteit UK

    Speech voor studenten aan de Cambridge Universiteit in Engeland.

    Lees ook de column ‘Gedachteloos wit zijn’, over de documentaire I Am Not Your Negro, gebaseerd op Baldwins (onvoltooide) memoires).

     

     

  • Huishouden

    Huishouden

    Met de vakantie was ook gelijk de zomer voorbij. De regen stroomde als hield god een douchekop recht tegen de keukenramen. Vrouwelijke stormen raasden over de aardbol en de koffie was op. Voor elke kop koffie draaien we hier gebrande koffiebonen knerpend door een aftands, maar zeer goed werkend rood koffiemolentje heen. De geur die vrijkomt als de bonen vermalen worden tussen het ijzeren maalsysteem, is een opwekkend begin van de dag. De winkel – waar we de koffiebonen van betrekken – ligt 9 km van ons huis. Radeloos ben ik als mijn ochtendritueel is verstoord. Mijn kop bleef zeuren om koffie. Ik bladerde door de krant waarmee ik een vorm van controle probeer uit te oefenen op de dag. Het moet wel overzichtelijk blijven, dus lees ik niet alles. Het was donker, en die regen… niets kon me in beweging brengen.

    Of het moest zijn dat Irma flink had huisgehouden op Sint Maarten. Vrouwen heten goed te zijn in huishouden, maar het moet niet te gek worden. Ik kan ook behoorlijk huishouden, dan blijft niets dan de houtkachel en het keukenblok op zijn plaats. Als je flink aan het huishouden bent, vergeet je de tijd en denk je niet aan anderen. Ik las: ‘Het wreedste monster dat Sint Maarten ooit passeerde.’ Ik vond dat nogal een overdreven aangezette toon die de krant aansloeg. Irma had er geen weet van wat ze aanrichtte. Een orkaan met een naam communiceert beter dan ze bij hun coördinaten te noemen bedachten ze lang geleden. Eerst waren dat alleen vrouwennamen; Catharina, Maria, Nora, Irma, er bestaat een procedure voor hoe ze tot naamgeving komen en dat is dan meestal voor een jaar of zes. Feministen vonden het onzin dat alleen vrouwen brengers van slecht weer zouden zijn, waarna ook mannen dit mochten doen. Nu wordt ene José vanavond verwacht op Sint Maarten. Voor zover bekend komt hij langs waardoor er ‘van enige verplaatsingen’ niets terecht zal komen.

    Met mij was ondertussen geen huis te houden. Hadden we ook nog afgesproken een tijdje geen wijn in huis te halen (wie heeft dat bedacht!?). Gewoon om te kijken of het leven er leuker op wordt. Wijn drinken blijkt net als die zak chips; ligt ie binnen handbereik eet je de hele zak leeg, is het er niet, taal je er niet naar. Tot vandaag dus. De regen kletterde, de poezen, nog in zomerstand dus gewend in de tuin te zijn, draaiden jammerend om me heen. Ik had zo’n zin in een koel glas wijn. Stiekem gaf ik Mijn lief de schuld van het ontbreken daarvan. Hij had ermee ingestemd (wat hij nooit eerder deed) om voor een periode geen fles wijn in huis te halen. In gedachten ging ik er al op uit. Maar de straat stond blank en de gootsteen borrelde een teveel aan water omhoog. Nee, ik bleef maar binnen en voelde me een onberekenbare vrouw, gelijk Irma.

     

     

     

  • De (on)geschikte jongen

    De (on)geschikte jongen

    Ik dacht dat er op deze wereld wel eens één iemand zou kunnen zijn die heel erg behoefte heeft aan iets moois, iets schoons, iets helders iets prachtigs. Aan woorden die kloppen en niets anders teweeg brengen dan zachtheid, compassie en mededogen nadat er al teveel woorden als verzengende lava over de wereld werden uitgebraakt en waar iedereen als door een zika-mug gestoken op reageerde. Die iemand wordt op zijn vrije zaterdag gebeld door verontwaardigde wereldleiders, die niet snappen waar je mee bezig bent. Dat je weer moet uitleggen: ‘Ik ben met meerderheid gekozen en het was heel druk bij mijn inauguratie’. Als antwoord verbreken ze botweg de verbinding. En daar zit je dan. Constant worden afgerekend op wat je zegt en doet, gaat je niet in de koude kleren zitten. Op een gegeven moment weet je ook wel dat je niet zo slim bezig bent maar dat kun je  niet toegeven want dat ligt nu eenmaal niet in je aard. Dan is er iets nodig van een geheel andere orde.

    Zelf had ik een nogal mokkende week achter de rug omdat niemand echt meedeed met wat ik wilde. Mijn lief maakte een vermoeide indruk als hij mij zag en van ingehouden woede kon ik de slaap niet vatten. Op een nacht sloeg ik het dikste boek dat ik had en steeds maar bewaarde – zoals sommige mensen het lekkerste hapje op hun bord voor het laatst bewaren, zo schoof ik dat boek  steeds opzij – open. Het was een boek van Vikram Seth, De geschikte jongen en telde 1357 – met kleine drukletter bedrukte, dunne bladzijden. Maar wat een mooie bladzijden! Het begon al met de inhoudsopgave, wat een compleet gedicht bleek.  Ik las het en was betoverd, wenste dat iemand aan mijn bed kwam zitten en me deze regels zou voorlezen. Dat ik even niet hoefde te morren, niet de baas zijn en zeggen dat ik de grootste ben. Iemand naast mijn bed, mijn hand vasthoudend en met zachte stem de inhoudsopgave aan me voorleest:

    ‘1 Twee jonge mensen raken aan de praat.
    Een moeder mokt; een souvenir vergaat.
    2 Een courtisane zingt koel haar zwoele lied.
    Vol hoop koopt een aanbidder een parkiet.
    3 Een paartje laat zich steels op de baren wiegen.
    Een moeder vreest haar hoop te zien vervliegen.
    4 Twee mannen lopen warm voor ’t schoenenvak.
    Een ander snijdt twee broques, met groot gemak.
    5 Er vloeit bloed in een steeg: in ’t parlement.
    Haalt een harpij uit naar haar opponent.
    6 Een baby schopt; een boze radja gromt.
    Een jongen kiest de goot; een vader bromt
    (…)
    14 Ook in de strijd blijft de premier en heer.
    Oprecht bewijzen zoons hun doden eer.’

    Bezwerende regels om bij weg te dromen, het grote weten te laten stromen. Betoverd raken, flabbergasted, denken What the …!  Dan moet het verhaal nog beginnen, zoals ik al zei, 1357 bladzijden aan prachtige beschrijvingen, gedachtenspinsels, koloniale geschiedenis. Ik dacht, lees die ene, die niet weet wat ie doet elke avond een paar van deze regels voor.

     

     

  • De huisschilder

    Er stond een man op een ladder voor het raam van mijn werkkamer op de eerste verdieping. Het was de huisschilder. Door de gordijnen heen, die ik gesloten hield om de warmte te weren, zag ik het silhouet van de man op de ladder heen en weer bewegen. Alsof hij zacht zwiepend een orkest aanmoedigde. Hij doopte de kwast in de verfpot die aan de ladder hing. Door de kier, daar waar de twee gordijnen net iets te smal van stof waren om elkaar te raken, en waar ik van een afstandje gegeneerd doorheen keek, zag ik zo nu en dan een donkerblauw petje verschijnen. Ik had het geluid van een aluminium ladder die tegen de gevel werd geslingerd wel gehoord maar er geen aandacht aan geschonken. Mijn werkkamer is mijn vesting waar niemand ongevraagd kan binnenkomen, of het moet Mijn lief zijn die me een gekoeld glas wijn komt brengen.

    Vanuit een gettoblaster , zoals alleen de echte werkmannen van de straat die nog hebben, walste Boudewijn de Groot met ‘Onder de purp’ren hemel in de bruine zon / Speelt nog steeds het harmonieorkest’ door het op een kier staande raam mijn kamer binnen. Alsof ik ontelbare zomers werd teruggeworpen in de tijd. Door de kier zag ik een soepele hand het kozijn strelen, en dan weer kleine tipjes met de top van de kwast aanbrengend. Er klonk een zucht. Een zware zucht, die als een kreun aan de huisschilder ontsnapte. Ik wilde het raam dicht doen maar dan zou de man weten dat er zich iemand achter het gordijn bevond.

    De onrust besprong me van alle kanten. ‘Het komt door de warmte’, dacht ik. Buiten was het 30 graden. Bij elke, door de gordijnstof gefilterde beweging van de huisschilder, hield ik mijn adem in en schoof met mijn stoel steeds verder onder de tafel om te voorkomen dat hij een glimp van mijn aanwezigheid zou kunnen opvangen. Het begluren van mensen is een onhoudbare eigenschap van de mens. En een huisschilder houdt vast niet alleen om de geur van verf van zijn werk.

    Ik zou, wanneer ik huisschilder was, me ijverig van mijn taak kwijten, maar ondertussen zou ik alles wat zich in de kamer achter het te bewerken object bevond aan een onderzoekende blik onderwerpen. Ik zou het vertrek onopvallend doch intensief afspeuren op sporen waaraan je enigszins het type of karakter van de bewoner zou kunnen aflezen. Een handdoek over de rugleuning van een houten stoel, of achteloos op de grond achtergelaten. Een slipje, sloffen onder het bed, een boek, (ergens zal er een boek zijn), een half leeg theeglas op een tafeltje. Daar kun je iets mee, de suggestie van een leven.

    Van een werkkamer als deze zou ik me de voorstelling maken van wat iemand daar zoal doet, buiten gekoelde wijntjes drinken en zich verbergen voor de buitenwacht. Ik zou geloven dat iemand daar, gezien de stapels schrijfboeken, kladblokken, pennen en losse beschreven blaadjes, de volle boekenplanken langs de muren, belangrijk werk zat te maken. Dat daar een schrijver zou huizen, waar nog niemand van gehoord had en die niemand ooit te zien kreeg maar waar we nog van zouden horen. Dat is het voorrecht van een huisschilder, zich de levens van de bewoners toe eigenen. En al zou het niet waar zijn, het is de suggestie die de dingen levendig houdt.

    Ondertussen was ik met mijn laptop naar de badkamer gevlucht waar ik zittend op het deksel van de wc-pot verder typte en nog steeds de zware zuchten van de huisschilder kon horen en wachtte op Mijn lief en koele wijn.

     

     

  • Akoestiek van het geheugen

    Akoestiek van het geheugen

    Met Dochter aan het stuur  (die onlangs opeens haar rijbewijs had gehaald waar ik niets van wist), maakte ik een ritje in onze lichtblauwe 2CV door de omgeving. Na het behalen van een rijbewijs komt het er op aan kilometers te maken en ik kon daar wel iets in betekenen als gezelschapsdame.

    Met autorijden is het als met schrijven, je moet het elke dag doen. Vandaag gingen we langs smalle landweggetjes, over dijken en pakten tussendoor een stukje snelweg mee. De dijken waren om behendigheid in het nemen van slingerende bochten te leren, de landweggetjes om tegemoetkomend verkeer zonder claustrofobische gevoelens te passeren en de snelweg om het in- en uitvoegen te oefenen. En ondertussen probeerden we een gelegenheid aan te doen voor koffie. Maar dat was nog niet zo eenvoudig.

    Soms stelde ik voor ergens af te slaan en dat deed ze dan. Zo kon het gebeuren dat we een doodlopende weg inreden waarbij we aan het einde van die weg nog net linksaf konden, recht het parkeerterrein van een Kringloopwinkel op mét een café. Na het inparkeren van de 2CV, bezochten we eerst de boekenafdeling. Dochter vond daar een bijzondere fietstas (wat geen fietstas bleek te zijn maar wat het wel was wisten ze ook niet). We kwamen armen te kort om de stapels boeken, waaronder gedichten van Garcia Lorca, Vasalis en Szymborska waarvan ik dacht er niet zonder te kunnen maar later, door gebrek aan voldoende liquide middelen, de meeste weer terugzette en er drie overhield.

    De keuze viel uit sentimentele overwegingen op Cirkel in het gras van Oek de Jong. Het bracht me terug naar de zomer van 1986 toen ik, verlangend naar romantische verliefdheden, me verloor in het personage Hanna Piccard en haar gepassioneerde liefdesleven in Rome. Wat een boek! De tweede was Vertrouw op mij van John Updike. Een meesterlijke schrijver waarvan ik de Rabbit boeken kende en hoopte dat deze verhalenbundel eenzelfde effect op me zou hebben. Al bladerend bleven mijn ogen al gauw haken achter:

    ‘(…) misschien was dat een kwestie van de akoestiek van het geheugen.’

    ‘De akoestiek van het geheugen’. Stel je voor: het geheugen een ruimte waarin sprake is van een akoestiek. In de akoestiek van het geheugen kaatst het geabsorbeerde verleden zich opeens in een volheid terug die zijn weerga niet kent, die de werkelijkheid vergroot en overtreft. Prachtig!

    De derde keus viel op De Nederlandse maagd van Marente de Moor, van wie ik altijd dacht iets te willen lezen maar het nooit deed. Het was een mooi exemplaar, niemand had de bladzijden nog beroerd. Het was vast een verjaarscadeau geweest voor iemand die niet van dat soort boeken hield en het in de kast zette en alleen als de gever van het boek op bezoek kwam, het er even tussenuit nam en weer recht tussen de andere boeken zette die hij, om redenen die hij zelf ook niet kende, allemaal niet gelezen had. Deze man was onlangs geëmigreerd en had, tot zijn verbazende spijt, al zijn boeken moeten achterlaten en had de Kringloop  gevraagd, de boeken, toch algauw zo’n 600 in getal, tezamen met een verzameling ovenschotels, mee te nemen. En zo kwam ik aan een vrijwel nieuw exemplaar van een boek van Marente de Moor. Ik ben benieuwd hoe de akoestiek van mijn geheugen dit later zal gaan afspelen.

     

     

     

     

  • Ongebonden

    Ongebonden

    Wellicht een onbenulligheid, maar als iets me ontgaat waarvan ik geloofde de eerste te zijn die erover ingelicht zou worden, dan zie ik dat als een persoonlijk tekort. Zoiets als met een dierbare vriendin die jou niet laat weten dat ze op vakantie gaat omdat je  te lang geen aandacht aan haar hebt besteed. Dat je dan van een ander verneemt dat ze voor een maand naar Arizona is afgereisd. Dan voel ik me als een verlaten kind zonder afscheidsbriefje op de keukentafel.

    Deze week bleek er opeens een biografie van Josepha Mendels te bestaan, door Sylvia Heimans. Hoe had ik Josepha Mendels kunnen vergeten? Afwezigheid blijkt een eigenschap die erfelijk is. Ook mijn vader had er last van, of beter, wij als gezin hadden er last van. Mijn vader zat in de schaarse vrije tijd die hij had, of op de wc, of in zijn rookstoel te lezen in (bijna altijd) een uitgave van de Wereldbibliotheek of van Van Oorschot. Als dan mijn moeder, terwijl ze van haar kopje koffie genoot, bijvoorbeeld vroeg, ‘Heb je nu je manchetten gevonden?’ Reageerde hij verdwaasd opkijkend met een, ‘Huh,… wat is er meisje?’, en las weer verder. Wanneer er plotseling tumult in huis ontstond omdat het ene kind iets van het andere kind had gepakt en die eerste dat schreeuwend en stampvoetend terugeiste, sprong hij ‘Hoewatwiewaar!’roepend overeind. Waarop mijn moeder de boel suste door ons allemaal naar boven te sturen.

    In de jaren tachtig bracht Meulenhoff het LiterairMoment: ‘kwartaalkeuze voor de literatuurliefhebber’, uit. De uitgave betrof een roman van een schrijver die net als het Schwob ‘boek’ van nu waar een leesclub aan verbonden is, een herontdekking betrof van belangrijke auteurs mét informatieboekje over leven en werk van schrijvers als Philip Roth, Bernard Malamud, Ethel Portnoy, August Strindberg. Mooie uitgaven. Als wind en rook, (1950) werd achtendertig jaar later ook als LiterairMoment uitgegeven.

    Over de half-joodse vrouw Elisa, die in de jaren twintig een huwelijk aangepraat krijgt door haar vader met een veel oudere, orthodoxe jood. Zij wil haar man volgen in alle Joodse rituele gebruiken maar gaat zo gebukt onder zijn tirannie en bigotte geloof dat zij hem verlaat. Voor een vrouwelijke auteur in die tijd was dit een ongekende manier van schrijven over samenleven en (vrouwelijke) vrijheid. Ik herinner me nog de opluchting bij de passages, die zo invoelbaar geschreven waren als betrof het mijn eigen bevrijding, waar Elisa haar ‘confectie’ leven achter zich laat en erop uittrekt, een eigen leven tegemoet.

    Nu ik erover nadenk heeft deze roman een deel van mijn leven bepaald. Was het niet kort nadat ik Als wind en rook had gelezen dat Mijn Lief en ik uit elkaar gingen. Nou ja, voltrekking van een besluit berust nooit op één aanwijzing. Het leven is een samenspel van aanwijzingen en weten wat je te doen staat.
    Aan het einde van de roman laat Mendels de man, die de liefde van haar leven is, zeggen: ‘(…) en ik weet nu dat er maar één weg bestaat om gelukkig te zijn: die van de vrijheid.’ Nu eerst maar eens die biografie aanschaffen.

     

  • Als het lukt gaat het goed

    Als het lukt gaat het goed

    Ik ben goed in taarten bakken en wilde een regenboogtaart maken. Tientallen keren gebakken, altijd succes. Het is een behoorlijk indrukwekkende taart. `als het even niet meezit helpt alleen het denken aan een Regenboogtaart al. Weldra ontstaat er in mijn hoofd een weldadige inspiratie kick. Alles komt uit het hoofd. Ik pakte beslagkom, brak eieren, woog bloem af  (waarbij ik opeens twijfelde aan de juiste hoeveelheid), bereidde kleurstoffen, een behoorlijk ingewikkeld procedé, van rode biet, wortel, citroen en kurkuma, blauwe bessen, braam, spinazie en framboos, die ik niet meer in huis had, maar dat moest geen probleem zijn. Het vereist vaardigheid en een nauwgezetheid van samenstellen van de ingrediënten om de juiste kleuren te krijgen. Die bleek ik opeens niet meer te bezitten. De taart werd te hard gebakken en behoorlijk kleurloos. Alles kon de vuilnisbak in. Ik was mislukt.

    De Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) overkwam het ook, al denk ik niet dat hij ooit een taart gebakken heeft. Zijn ding is verhalen vertellen, levens beschrijven en daar een boek van maken. Hij schreef zo’n veertig boeken. De laatste keer dat hij zich aan een verhaal zette dat verteld moest worden, gebeurde er niets. Hij zat aan tafel, schrijfblok voor zich, pen in de hand en er gebeurde niets. Hij, die dacht te weten hoe je een boek moet schrijven, kreeg geen letter op papier. Hij beschrijft het nauwgezet in een column, gepubliceerd in het Portugese tijdschrift Visão.

    “Het waren geen gemakkelijke maanden van begin augustus tot half december 2011: […] mijn wanhoop en het gevoel dat de zin van mijn leven weg was namen bijna van uur tot uur toe. 

    Hij dacht dat zijn bron was opgedroogd en dat hij zich daar maar bij neer te leggen had. Het maakte hem gek te weten dat hij nooit meer zou schrijven dus ging hij elke ochtend achter zijn bureau zitten zoals hij dat gewend was te doen. Dat hij elke dag eindigde met een blanco vel weerhield hem er niet van de volgende ochtend weer te gaan zitten. Soms kwamen er een paar zinnen en dacht  hij: ‘Misschien is dit het’, maar het was het niet en het ene na het andere probeersel verdween in de prullenbak. Toen begon hij te schetsen, hij tekende een huis met een dak en een schoorsteen en zag er het begin van een boek in. Hij tekende nog een paar huizen, als ware het de verschillende versies van een verhaal. Het werd een huis met vier verdiepingen en een zolder. In elk appartement, op elke verdieping kwamen bewoners. Toen verscheen er een zin: Ik loop als een brandend huis (Caminho como uma casa em chamas).

    “Vervolgens begon ik vol angst en twijfels aan de eerste kladversie van het eerste hoofdstuk: in de prullenmand. Een tweede versie: in de prullenmand. Een derde: in de prullenmand. Vervolgens haalde ik het derde kladje weer uit de prullenmand en begon dat te herschrijven, één, twee, drie keer: terwijl ik me afvroeg ‘Zou dit het zijn?’
    en mezelf antwoordde ‘Waarschijnlijk niet maar ik ga maar door”

    Na drie jaar was het boek, Als een brandend huis af. Waarin bewoners van acht appartementen, die aangeduid worden als ‘Tweehoog rechts’ en ‘Begane grond links’ in Lissabon een stem krijgen. De epiloog vindt plaats op zolder, waar voormalig dictator Salazar een rol speelt als ‘de doffe echo van een dood gezag’. Een prachtig boek dat een stuk van de geschiedenis van Portugal en hoe Portugezen denken en leven, (maar vooral over de denkwijze van Lobo Antunes zelf), weergeeft.

    Ik had dit nooit geweten als Harrie Lemmens, vertaler van Lobo Antunes, niet ook zijn columns vertaalde en publiceerde op de website voor Portugeestalige literatuur, Zucamagazine.nl. En dat doorgaan maar het best is wat je in alle gevallen kunt doen.

     

     

  • Je weet het nooit

    ‘Geluk is geld terugsturen’, stond in de krant. Twee broers, Msgane Zeray (17) en Fnan Tesfahans (10) uit Eritrea zijn gelukzoekers, al komt het idee niet van henzelf. Hun ouders, veeboeren in Eritrea, zonden hen naar Londen. Als ze daar werk vinden, moeten ze de zestienduizend euro die ze meekregen, eerst terugverdienen. De familie heeft in hen geïnvesteerd en verwacht dat ze een vaste bron van inkomsten zullen worden. De jongens hebben gelopen en gelopen tot de grond onder hun voeten verdween. Eerst door de woestijnen van Ethiopië en Soedan, daarna naar de kust van Libië en toen de benauwende reis in de buik van een schip naar Lampedusa. Zeven maanden zijn ze al onderweg. Als ze naar huis bellen drukt hun oudste broer hen op het hart hun familie niet te vergeten.

    Ik herinner me een zondagmiddag dat ik aan de rafelige rand van een omgeploegde akker stond. Ik was zeven, twee van mijn broers waren met mijn vader naar de bioscoop. Ik mocht niet mee, was boos en liep de straat uit, de dijk op. Ik liep tot niets me meer vertrouwd voorkwam, stilstond aan de rand van een akker waarvan de vette aardkluiten in de namiddagzon glommen. Ik wist opeens zeker dat aan het einde van dit omgeploegde land Duitsland lag. Duitsland leek zich altijd in de nabijheid van ons gezin op te houden. Het leek of ik het naar me toe kon halen, stapte op de brokken aarde en met moeite mijn evenwicht bewarend liep ik richting einder. Na een meter of tien kwam er een gevoel van verlatenheid over me heen die ik nooit eerder ervaren had. Ik voelde me los van alles, alleen. De donkere aarde, voor en achter me beangstigde me. Alsof ik met veel bravoure hoog in een klimrek was geklauterd, niet meer terug kon.

    Ik denk dat de vader van Fnan en Msgane voor ze op reis gingen met hun het plan heeft besproken. ‘Kijk’, zei de vader, ‘hier is voor ieder van jullie achtduizend euro. Daar moeten jullie de gidsen en het vervoer van betalen. Jullie moeten er eten voor kopen en een telefoon zodat jullie naar huis kunnen bellen, elke dag, vergeet dat niet.’ Hun moeder overstelpte hen met goede raad en welke kleding ze aan moesten, waar ze hun geld moesten verbergen en ‘elke dag bellen, vergeet dat niet’. Oudste broer ontvouwde de wereldkaart voor hen en wees met zijn vinger waar Eritrea lag en hoe ze naar Engeland konden komen. Het zag er op de kaart geruststellend overzichtelijk uit. De jongens geloofden het wel, ze wilden vertrekken. Ze kregen de kaart mee. Ze belden elke dag, alleen niet die dagen dat ze op de boot zaten, ziek waren, geen bereik hadden.

    Hoe verder weg van hun thuisland, hoe vager het plan werd. De broers wisten nog wat hun vader hen had voorgelegd, maar konden er niet meer bijkomen. Het was te ver alles, ze waren de intentie  kwijt. En je wordt bang, door de verhalen die je onderweg hoort, dat je in Duitsland, Zweden of Nederland (waar ligt dat?) zult aankomen. Je bent vooral bang dat angst je zal overvallen om alles wat je met het leven verbond en jouw bestaan tot jouw bestaan maakte, er niet meer is, niemand je meer kent. Dat je nooit meer grond onder je voeten zult voelen. Waar zijn we aan begonnen. Laten we terug gaan, of nee, eerst moeten we die zestienduizend euro terugverdienen. Als we dat gedaan hebben, dan gaan we terug.