• Een hutje

    Een hutje

    Ik zoek een plek om te schrijven. Een berghok lijkt me goed, zo een als waarin romanfiguur Larry Morgan, als beginnend schrijver en verteller in Wat behouden blijft, zijn verhalen schrijft. Of zoals hij zegt, ‘eigenlijk schreef het verhaal zichzelf, het vloog eruit als een vogel die uit een kooi werd losgelaten.’ Met sommige boeken blijf ik bezig, lees opnieuw fragmenten, kijk hoe de schrijver het gedaan heeft, waar de magie zit. Twee columns terug schreef ik over dit boek dat ik niet eerder zoiets gelezen had. In de Amerikaanse romantraditie is Wat behouden blijft een bijzondere roman zegt schrijver Jane Smiley. In een nawoord schrijft ze dat Stegner met dit boek zich zowel ‘heeft ontdaan van Hemingway’s idee van solitaire mannelijkheid als van Fitzgeralds idee van romantiek.’

    Het boek begint als Larry en zijn vrouw Sally, op verzoek van Charity, in 1972 terugkeren naar de heuvels in Vermont, de plek waar ze hun gezamenlijke zomervakanties doorbrachten. Charity is ongeneeslijk ziek. Herinneringen brengen Larry terug naar de cruciale momenten in hun levenslange vriendschap. De eerste ontmoeting midden jaren dertig, toen het leven nog enkel uit toekomst bestond. Sid en Larry zijn beginnend docent aan de Universiteit van Wisconsin, de een wil dichter worden, de ander romanschrijver. Sally en Charity zijn tegelijkertijd zwanger, voor Sally de eerste, Charity de derde. Larry schrijft, zijn verhalen worden geplaatst in magazines. Voor Sid staat het docentschap, onder invloed van Charity op de eerste plaats. In plaats van dichten moet hij promoveren.

    Charity is gecharmeerd van het bohémienachtige leven van Larry en Sally, trekt ze hun leven in, waarna een vriendschap ontstaat die paradijselijke trekken heeft. De picknicks, uitstapjes, een voettocht door de jungle. Tot, zoals Larry zich herinnert, de onvermijdelijk slang die zich in elk paradijs verbergt, opduikt. In de vorm van polio Sally treft. Later is er nog een reis naar Italië. Er vallen dingen voor, er is verwijdering (vooral in afstand) maar de diepte van verbondenheid, van ‘elkaar nodig zijn’, is steeds aanwezig. Er is een schitterende dialoog die ik herhaaldelijk lees. Over vijf pagina’s zetten Sid en Charity zich uiteen voor ze hun gezamenlijke leven aangaan. Sid declameert voor Charity:

    ‘Ik zal opstaan en gaan nu, en gaan naar Innisfree,
    en daar een hutje bouwen, gemaakt uit klei en twijgen;
    negen rijen bonen zal ik daar hebben, een korf voor honingbijen,
    en wonen, heel alleen, op bij-doorgonsd gebied.’

    Charity reageert luid lachend, ‘O, póéh Sid! Dat is een schitterend gedicht, maar het is geen plan voor het léven.’
    Dan weet je dat de kaarten zijn geschud, de regels bepaald. Deze dialoog, (zo schrijft Larry, is deels verzonnen, deels uit tweede hand van degenen die bij dit gesprek aanwezig waren, ook een romanfiguur ensceneert) geeft aan hoeveel Sid en Charity voor hen betekend hebben. In hun kracht en falen haalt hij ze liefdevol naar de voorgrond, worden ze onvergetelijk. Het is deze intensiteit van vriendschap waarover ik nog nooit gelezen had.
    Maar goed, ik ben dus op zoek naar een plek waar ik mijn hoofd kan openzetten, de verhalen eruit vliegen, ze enkel hoef op te schrijven.

     

     

    Wat behouden blijft (Crossing to Safety (1987) / Wallace Stegner / vertaling Edzard Krol / uitgeverij Lebowski (2015) / 414 pag. Citaat: W.B. Yeats


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekend naar een goed verhaal.

  • Zij huilt

    Zij huilt

    Wim Brands fietste als jongen naar Zutphen om het NRC te kopen, niet voor thuis, daar lazen ze geen kranten, maar voor zichzelf. Soms fiets ik de weg die hij toen fietste, vermoed ik. Voor de NRC vrijdageditite moet je vanuit Brummen en de buitengebieden, waar Brands opgroeide, nog steeds naar Zutphen. Brands fietste voor de krant om een stukje van Rudy Kousbroek te scoren, stukjes die hij als jongen verslond. Ik voor het ‘Cultuur’ katern en voor de ‘Achterpagina’, met Frits Abrahams. Abrahams signaleert, schrijft over zijn onwil in de pas te lopen, zijn tekortkomingen. Ik lees ze graag. Afgelopen vrijdag schreef hij over een plan J, dat de lockdown overbodig zou maken, bedacht door uitgever Menno Hartman en journalist Henk Peter Steenhuis. Een plan waarbij de bevolking in vier leeftijdsgroepen wordt ingedeeld, iedere leeftijdsgroep krijgt een deel van de dag om zich te verzetten, te chillen, theater, horeca te bezoeken. Geen gek plan. Of we het nodig zullen hebben hangt af, eindigt Abrahams zijn column, ‘van “het vaccin”, wat bijna een andere naam voor God is geworden.’

    Op een van die keren naar de stad fietste Wim Brands met zijn vader toen deze een epileptische aanval kreeg en in een ondiepe sloot viel. Hij liet hem daar liggen, fietste weg. Daar schreef hij een gedicht over, over die vader in een ondiepe sloot en de schaamte daarover. In zijn gedichten en korte prozastukken herken ik veel uit de omgeving waar ik nu acht jaar woon, waar Brands zijn jeugd verdeelde tussen insider en outsider zijn. Insider was hij als kind in het bos, outsider werd hij op school, in de stad. Ik herken de boerderijen, de ruïnes, vergeten schuren. De oude boer die steeds naar achteren loopt als ik voorbij fiets, nooit groet, had zomaar in een gedicht van Brands kunnen voorkomen. De telefoon is een terugkerend onderwerp in zijn gedichten. ‘Soms pakt ze de telefoon om te controleren / of er nog een kiestoon is – er valt / niet veel te kiezen -‘.  Of zoals in deze regels:

    ‘Te schrijven zoals mijn grootouders
     een telefoongesprek voerden.

    Ze belden nooit, ze werden
    een doodenkele keer gebeld

    en konden tot aan het einde
    van hun leven niet geloven

    dat hun stemmen ook elders
    klonken.’

    Geweldig te willen schrijven zoals zij ‘een telefoongesprek voerden’, en ‘hun stemmen ook elders klonken’. Een van zijn gedichten begint zo:
    ‘Ze hebben kaartjes voor het ballet maar zijn eigenlijk doodmoe / en willen naar bed. Hij heeft haast, zij treuzelt, de vlucht uit de dag begint met strijd. / Zijn jas is te krap, zij huilt, terwijl ze dat later pas wil, / Zij kent hem. Hij vindt het overdreven / dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden /(…).’
    Er is een terugtrekken, een ontsnappen aan, in veel van zijn gedichten. Als ik over onverharde wegen in de buitengebieden van Tonden en Voorstonden fiets, dan zie ik nog wel eens zo’n jongen die een is met het land, op weg naar de stad.

     

     

    Uit: Wim Brands, Verzamelde gedichten / samengesteld door Monique Edelschaap en Thomas Verbogt / 521 blz. / Van Oorschot (2017). Lees hier meer over Plan J.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Cruciale momenten

    Cruciale momenten

    Tijd werd opeens schaars dus haastte ik me dinsdag net voor sluitingstijd naar de bloemist. Daar zocht ik verschillende bloemen uit die de bloemenverkoopster tot een bos samenbond, er een goudkleurig papier omwikkelde. Ze begreep het wel, zei ze. Ik vond het niet eens raar dat ze me bij het verlaten van de winkel een fijne persconferentie wenste, ik ‘Insgelijks’ zei. Thuis maak ik een pastasalade, trek een fles wijn open, zet het keukenkrukje voor de bank, laptop erop, speakertje erbij. In de keuken maak ik een dressing van olijfolie, knoflook, citroensap, basilicum en honing, roep naar buiten, naar Mijn lief die daar iets aan het maken is, dat we kunnen eten. Er hangt iets in de lucht. Ik heb dat ook wel bij het openen van de mailbox, dat ik daar die ene, niet verwachte brief vind. Dat alles verandert. 

    Ik verdeel de pastasalade over twee kommen. Denk aan de tijd toen iedereen dezelfde tv-programma’s keek, er de volgende dag over gesproken werd, hoe goed iets was, of hoe slecht. Het was makkelijk praten, we wisten niets van de wereld. Ik denk, ‘Wat behouden blijft’. Een titel die zich in me heeft vastgehaakt, als een angel in een vissenbek. Het leidt me af van het nieuws, dat toch eigenlijk oud nieuws is. Er is behoefte aan een verhaal dat zich langzaam ontvouwt, regel voor regel, alinea na alinea, vierhonderddertien bladzijden lang. Het begint zo, ‘Terwijl ik uit verwarrende dromen en herinneringen naar boven kom, slingerend als een forel opduik door de kringen van eerdere stijgingen, bereik ik het oppervlak. Mijn ogen gaan open. Ik ben wakker.’
    Een man wordt gedesoriënteerd wakker, tijd en ruimte presenteren zich aan hem, ‘Het is duidelijk nog heel vroeg. Het licht dat door de kieren van de jaloezieën lekt, is niet meer dan een schemering. Maar ik zie, of herinner me, of beide, de gordijnloze ramen, de kale dakspanten, de houten wanden die leeg zijn, op een kalender na, die er acht jaar geleden geloof ik ook hing, toen we hier voor het laatst waren.’

    Hij stapt uit bed, ‘Sally slaapt nog’ (zijn vrouw), loopt langs de kalender, ziet dat het toch een andere kalender is dan hij zich herinnert. ‘Er staat correct dat het 1972 is, en dat het augustus is.’ Het is dus de zomer van 1972, ik bevind me in een huisje met een man die op blote voeten naar de deur loopt, na een lange reis hier aangekomen voor een laatste ontmoeting met vrienden.
    ‘De deur kraakt als ik hem voorzichtig open. Een frisse lucht, een grijs licht, een grijs meer daar beneden, een grijze hemel achter de Canadese dennen waarvan de toppen een flink stuk boven de veranda uitsteken.’ Hij vertelt over de plek ‘waar gedurende de beste jaren van ons leven vriendschap een thuis vond en geluk zijn hoofdkwartier had.’ Waarna in flarden de cruciale momenten uit een levenslange vriendschap tussen twee echtparen wordt beschreven. Een prachtig verhaal, wonderlijk boek, niet eerder las ik zoiets. 

     

    Wat behouden blijft / Wallace Stegner / vertaling Edzard Krol / 413 blz. / uitg. Lebowski (2015)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Pianoklanken

    Pianoklanken

    Ik las over een man die aan de overkant van de straat staat te kijken naar het huis waar hij opgroeide. Hij kijkt naar het raam van zijn vroegere kamer. Hij kijkt zolang tot hij de stem van zijn zus hoort, die roept dat ze er is, thuis is. Beneden ziet hij zijn ouders aan tafel zitten, ze lezen, of scrabbelen. Dan opent hij de kamerdeur van zijn pleegbroer, zijn zus ligt bij hem in bed. Dat wist hij niet, dat ze iets hadden met elkaar. Ze negeren hem, alsof ze slapen, hij er niet toe doet. Hij voelt het nog. Dan gebeurt er iets magnifiques, de man die naar de kamers van het huis uit zijn jeugd kijkt, loopt de trap af, het huis uit en voegt zich in de man die staat te kijken naar het huis uit zijn jeugd. Dit beschrijft Thomas Verbogt in zijn boek Als je de stilte ziet. Verbogt schrijft over de dingen die er in een leven gebeurd zijn, in zijn leven gebeurd zijn. Herinneringen als leidraad, wat blijft, en is wat blijft van enig nut voor het heden? Alles wordt herzien, gedachtegangen nagelopen, eigen oprechtheid langs de meetlat gelegd.

    ‘Ik vraag me af wat ik meen van wat ik zeg’, denkt de man die zijn best doet de ander niet voor het hoofd te stoten. Hij denkt graag dat het goed is zoals ‘het’ is gegaan, onmachtig zijn ongenoegen te uiten. Ik denk aan een bevriend stel in Friesland, die er alles aan deden hun ecologische voetstap tot minder dan een minimum te beperken. Dat deden ze met een diepe ernst. Ik bezocht ze tijdens een strenge winter, had een trui aan met een dubbele rand bij de hals waardoor het leek of ik twee truien over elkaar droeg. De vriend, zuinig met complimenten, zei dat ik me goed gekleed had, kijkend naar de hals van mijn trui. Ik zei, ‘Ha, ja, dat lijkt maar zo. Dit is gewoon een dubbele rand aan de trui zelf.’ De vriend begon plots te lachen, hard te lachen, sloeg zich daarbij op de bovenbenen. Ik grijnsde wat mee. Later in de trein naar huis voelde ik verontwaardiging.

    De man die staat te kijken naar zijn vroegere huis denkt vaak ‘Lul’, als zijn pleegbroer hem weer eens heeft afgewezen. De man denkt sowieso meer dan hij zegt. ‘Time seems to pass. The world happens, unrolling into moments, and you stop to glance at a spider pressed to its web.’ Dit citaat gaat vooraf aan zijn dubbelroman Onze dagen en Het ongeluk uit 2007. Het geeft aan hoe ongrijpbaar de dingen voor de schrijver zijn. Alles lijkt de man, die staat te kijken naar zijn vroegere huis, te ontglippen. Weemoedig word je ervan, weemoedigheid als pianoklanken die op een herfstnamiddag door een open raam over straat uitwaaieren.
    In een interview zei Verbogt, ‘Ik schrijf over de melancholie van iets wat niet is doorgegaan, de aanwezigheid van iets wat afwezig bleef.’ Daarover schrijft hij raadselachtige verhalen die altijd iets raken. Prachtig boek, verrassend slotstuk!

     

    Als je de stilte ziet / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam (2020)
    Citaat uit: The Body Artist van Don DeLillo


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Plattegrond

    Plattegrond

    ‘Wie weggaat van de wereld laat voor wie blijft een
     spoor van vragen achter.’ 

    In Amsterdam was het stil op straat. Anderhalvemeter afstand leek een overbodige regel. Ik liep over de Nieuwmarkt naar de Nieuwezijds Voorburgwal, naar de Sint Olofspoort, het Waterlooplein, ging onder het IJ door. Onderweg verzamel ik de herinneringen van mensen die je gekend hebben in al die jaren dat ik niet wist waar je was. Langzaam ontstaat er een beeld, worden lijnen zichtbaar waarop ik mijn vinger leg, beweeg van A naar B, als op een plattegrond, om te zien waar je ging. Geregeld denk ik, ‘Als ik dit geweten had’, of, ‘Als ik dat gedaan had, hoe zou het dan?’ Een poëtische gedachte, de ‘als dit of dat’ gedachte. Het helpt om het verleden voor even naar je hand te zetten. Deze zomer las ik de gedichten van de Portugese schrijfster Maria do Rosário Pedreira. Daarin krijgen emoties de vrije hand, enkel de woede ontbreekt. Daar had ik wat mee te stellen de laatste tijd, met onverwachte woede, om hoe de dingen gegaan zijn. 

    ‘Ik herinner me het muurtje tussen de weg en
    het strand. Daar gingen we zitten alsof we voor altijd
    het eerste streepje zonlicht konden bewaren, januari,
    een tijdens de nacht geleerd woord, of een eiland
    dat oprees uit de zee en doelloos ronddreef. Veel later
    zouden wespen en meeuwen op het geluid van mijn
    vingers in je haar afkomen – als lang verwachte engelen.’

    Pedreira dicht over verlangens die kwellen, van liefdes en levens die voorbij zijn, tussen de strofen door sijpelt verdriet en een zekere tederheid. Er spreekt verlatenheid in deze bundel, die niet zonder meer Scherven heet. Een verlatenheid die ook uit de verhalen van Natalia Ginzburg spreekt. Scherven is tweetalig uitgegeven – wat mooi is, de Portugese taal in het Nederlands te kunnen zien overgaan – waarmee een vertaler zijn werk vrijgeeft, laat zien welke keuzes hij maakte. Hoe in de ene regel het woord ‘medo’ vertaald wordt als ‘bang’, in een andere regel met ‘angst’. En ‘assustada’ ook de betekenis van bang zijn heeft. De nuances, het zoeken van de vertaler naar de juiste gradatie van een emotie. Ik zocht naar verschillende benamingen, gradaties van emoties.
    ‘ik ben bang. De maan is er nog maar voor de helft, de aarde beeft. En ik beef van angst dat je niet terugkeert.’
    (estou assustada. A lua está apenas por metada, a terra treme. E eu tremo, com medo que nao voltes.)

    Deze bundel was de hele zomer bij me. Telkens sloeg ik het open, verkende opnieuw de regels van verlangen, herkende klanken van voorbije levens.  Sommige gedichten zijn als een lied, het zingt terwijl je leest.

    ‘Ze bewaarde een paar stiltes en ook de dingen
     die ze gewoon bij toeval niet had gezegd. Ook bewaarde ze
     nu die toevalligheden, blanco berichten tussen de woorden,
     waarvan ze er te over had. Desondanks zou ze altijd die
     woorden bewaren, of het beeld van lippen terwijl ze ze
     zeiden – een gezicht dat nog niet triest aan de zomer herinnerde.’

    Zomers kenmerkten zich vroeger door een zomerliefde, een zomerhit. Door deze bundel zal ik mij de zomer van 2020, de zomer waarin jij verongelukte, altijd blijven herinneren.

     

     

    Scherven / Maria do Rosário Pedreira / gekozen, vertaald, nawoord  Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Een brok proza

    Een brok proza

    We hadden de camping op Terschelling besproken. Toen kwam het bericht dat mijn broer was verongelukt. De broer die een zwervend bestaan leidde. Zijn dood zette iets in beweging, veranderde iets. Na de uitvaart ging ik naar Terschelling, dacht meer aan mijn broer dan ik ooit gedaan had. Elke ochtend kroop ik om 7 uur m’n tent uit, fietste door de duinen, beklom de opgang naar het strand, liep de Noordzee in. Na een worsteling met het water sprak ik met mijn broer. Of hij wel eens op een eiland was geweest, dat hij de zee beslist zou mogen, dat het leven van strandjutter hem zou bevallen. Lege flessen, ijzeren doppen, hout, aangespoelde containers. Terug thuis ging ik kanoën op de Berkel, spierpijn als genade.
    Vorige week, 
    ik moest wat, fietste ik naar Lochem. Boekhandel Lovink hield zomeruitverkoop. Er stond ook een uitgever met de overgeschoten boeken van Ton Schimmelpennink, de boekverkoper uit Amsterdam die naar Friesland vertrok. De uitgever is een echte boekenliefhebber, had de boeken blind opgekocht, in met ducktape dichtgeplakte dozen. Hij zei, een goed boek verliest nooit zijn waarde.

    Op internet circuleerde een foto van mijn broer waar hij voor een boekenkraam op het Waterlooplein staat, boeken in een doos herschikt. Altijd bereid te helpen, zeiden ze over je. Ik kocht vijf boeken uit de dozen van Schimmelpennink, twee van Boekhandel Lovink. Daarbij zat Confituurwijk van Femke Vindevogel bij, een naam als een sprookje. Confituurwijk gaat over Marie De Geest, op haar drieëntwintigste wees. Haar moeder is al langer dood. Haar vader heeft, juist als het boek begint,  zelfmoord gepleegd. Was alcoholist, Virginia Woolf addict, laat haar met niets achter, ze moet het ouderlijk huis verlaten. Met een koffer vol partituren, blokfluit, laatste boek dat haar vader las en poes Emma gaat ze op pad. Naar de confituurwijk. ‘Een plek waar men twee keer per dag sponsbrood met choco of confituur at omdat men geen geld had voor charcuterie.’ Een tragikomisch verhaal, je zou erom gelachen hebben. 

    Marie heeft niks in haar nieuwe huis, geen bed, geen stookolie voor de kachel. Iemand brengt een luchtbed, dat ze het liefst weigert. Ze is woedend op alles en iedereen, het meest op zichzelf. ‘Ga weg, dacht ik. Blijf uit mijn buurt, ik ben de zandbank waartegen iedereen te pletter slaat.’ Als ze met haar blokfluit partituren oefent voor een auditie, zetten de buren schlagermuziek op, komen aan haar deur verhaal halen. Ze is bang, maar gelukkig woont mevrouwtje Vrank in haar, die zegt, ‘”Kom eens terug als jullie bereid zijn om dat schlagerfestival stiller te zetten. Dán hebben we iets om over te praten. Ondertussen oefen ik verder.” Het antwoord droop van mijn broekspijp.’ Waarna de buren met hun keukengerei de tussenmuur bewerken. ‘Ik nam mijn blokfluit en blies mijn longen moe. Als ze oorlog wilden, zouden ze oorlog krijgen.’ Soms raakte ik de draad van het verhaal kwijt, zoals in het echte leven. Een verhaal wordt gemaakt op het moment dat je het beleeft. Vindevogel schrijft geweldige metaforen, gebalde zinnen. De tegenslagen zijn hilarisch, woede en onmacht voelbaar, als de Noordzee die de benen onder je wegslaat, waardoor je lacht, huilt. Huilt tot je niet meer kunt, denkt, verdomme man. Het was een genot dit boek, gelijk een brok proza, te lezen. Ik werd er een stuk beter van.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Vlieg op de rand

    Vlieg op de rand

    Het aanbod aan meningen is overweldigend, ik zwalk er van links naar rechts, langs zwart en wit, roze en rood tussendoor. Mij ontbreekt richting, een voorschrift. Het is als het betreden van een zonbeschenen brede avenue, zoals de Avenida da Liberdade in Lissabon. Komend vanuit de smallere straten van de binnenstad weet ik niet waar ik kijken moet, begin te lopen als een dronkaard over uitgestrekte vlakten. Niet dat ik nu in Lissabon ben, maar het gevoel is er. Nu kijk ik naar de vlieg op de rand van de broodplank, hoe die zijn pootjes wrijft, zich voorbereidt op iets. Onderwijl zoek ik een gevel om tegenaan te leunen, tot een overzicht te komen. In Mazzeltov van de Vlaamse schrijver Margot Vanderstraeten is de werkstudent die de schrijver toen was, op zoek naar het goede, naar overeenkomsten van afwijkende levens. In 1987 komt ze als twintigjarige werkstudent bij een orthodox-joods gezin in Antwerpen als huiswerkbegeleider. 

    Bij de eerste kennismaking zegt de vader nadat hij haar uitgestoken hand heeft aangenomen. ‘Zullen we dat maar één enkele keer doen? Als u mij de hand reikt, zal ik hem drukken, want ik respecteer u en uw gewoonten, nietwaar. Maar veiligheidshalve geven wij, orthodoxe joden, geen hand aan een vrouw.’ Duidelijkheid, daar snak ik dus naar.
    De vader, in het eerste oorlogsjaar geboren, werd in een onderduikgezin in Wallonië geplaatst, op zijn vijfde weer opgehaald door zijn moeder, die Auschwitz overleefde. De student vraagt zich vrijpostig de dingen af waar een ander niet aan durft te komen. Of de vader het onderduikgezin in Wallonië nog wel eens heeft opgezocht. De vader, door emoties bevangen, ‘Er bestaan twee soorten verdriet, onthoudt u dat. Een dat het kan verdragen om gekieteld te worden. En een dat zo groot is dat je ervan af moet blijven, zelfs met ogenschijnlijk onschuldige vragen.’ Kijk, zo’n inzicht geeft richting.

    Als ze met de grootmoeder een vertrouwelijk gesprek heeft, denkt ze dat deze misschien wel  ‘graag’ met haar over het kamp zou willen praten. ‘Gráág over praten? U vindt niemand die graag over de oorlog wil praten! En als u wel zo iemand vindt, moet u die persoon meteen wantrouwen! Zwijgen is het medicijn. Dus zwijg ik ook.’ Waarna de student ten ondergaat, en ik met haar door een golf van plaatsvervangende schaamte. In mij zit ook een alleswillenweter, de onbeschaamdheid van het denken.
    ‘Wij leven al in 5752’, zegt een van de kinderen. Dat doet de schrijver beseffen dat als de mensheid qua jaartelling al niet tot eensgezinsheid kan komen, hoe zou dat dan met al die andere gebruiken en gewoonten moeten?
    Mazzel tov is een doortastende zoektocht naar de waarde van de mens, ontdekken dat het westerse leven ook niet alles is. Met de familie en de student ontstaat een verbintenis voor het leven. Haar nieuwsgierigheid heeft mijn denken op een ander spoor gebracht. We komen allemaal uit een andere tijd, begrijpen elkaar niet, kunnen vrienden zijn.

     

    Mazzel tov / Margot Vanderstraeten / AtlasContact (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft wakker bij een goed verhaal.

     

     

  • Oefening

    Oefening

    Vannacht werd je wakker  van de kou en een razend kloppend hart. Je bleef stil liggen, heel stil. Alsof er een muis in de kamer was die, als jij maar stil bleef, vanzelf zou verdwijnen. Ondertussen overwoog ik mijn mogelijkheden, koos niet voor paniek. Verbazing mocht, want lang had het hart zich aan de regels gehouden. Je schoof naar de rand van het bed. Nam een boek van het tafeltje, ging blootsvoets de trap af. In de gangkast zocht je naar een doosje tabletten. Er is gebrek aan zuurstof. Rustig blijven is een optie, adem in adem uit. Voel het onrustige hart in snel tempo van tadangtadangtadang gaan. Laat het gaan, geen paniek. Ga zitten, leun achterover, adem in adem uit.

    Leg het boek naast je neer. Breek een tablet doormidden. Neem de andere helft pas als de eerste helft niet de nodige werking had om het hart dat woelt onder de huid, trappelt tegen de ribben, (alsof de toegemeten ruimte waarmee het decennia genoegen nam, benauwd), te beteugelen. Open het boek en lees. Negeer het hart tot het weer past in zijn vorm, geruisloos kloppend, zonder ophef. Zeg tegen degene die de kamer binnen komt, wakker geworden door een lege zijde van het bed, dat het goed is. Dat het een oefening is. Zoals alles in het leven een oefening is.

    Dan lees je een verhaal voor over oefeningen in het bedelen, een verhaal dat helemaal gelezen moet worden.

    ‘Wij trekken vuile, gescheurde kleren aan, wij trekken onze schoenen uit, wij maken ons gezicht en onze handen vuil. Wij gaan de straat op. Wij staan stil, wij wachten.
    Als een Buitenlandse officier langs ons komt steken wij onze rechterarm omhoog om te groeten en houden wij onze linkerhand op. Meestal gaat de officier voorbij zonder stil te houden, zonder ons te zien, zonder naar ons te kijken.
    Eindelijk blijft er een officier staan. Hij stelt ons vragen. Wij antwoorden niet, wij blijven onbeweeglijk staan, met één arm omhoog en één vooruit. Dan zoekt hij in zijn zakken, legt een muntstuk en een stuk chocolade in onze smerige handpalm en loopt hoofdschuddend verder. Wij blijven wachten. Een vrouw komt voorbij. Wij houden onze hand op.
    Zij zegt: “Arme kleintjes. Ik heb niets om aan jullie te geven.” Zij streelt ons haar.
    Wij zeggen: “Dank u.” Een andere vrouw geeft ons twee appels, een ander biscuits. Een vrouw komt voorbij. Wij houden onze hand op, zij staat stil, zij zegt: “Schamen jullie je niet om te bedelen? Kom bij mij thuis, daar zijn gemakkelijke werkjes voor jullie. Hout hakken, bijvoorbeeld, of het terras schrobben. Daar zijn jullie groot en sterk genoeg voor. Daarna, als jullie goed werken, geef ik jullie soep en brood.”
    Wij antwoorden: “Wij hebben geen zin om voor u te werken, mevrouw. Wij hebben geen zin om uw soep te eten, of uw brood. Wij hebben geen honger.”
    Zij vraagt: “Waarom bedelen jullie dan?”
    “Om te weten hoe dat is en om te zien hoe de mensen reageren.”
    Zij schreeuwt terwijl ze wegloopt: “Vuile schooiertjes! En nog brutaal ook!” Onderweg naar huis gooien wij de appels, de biscuits, de chocola en de muntstukken in het hoge gras langs de weg. De aai over onze bol kunnen wij niet weggooien.’

    Ga dan slapen tot de eerste vogel ontwaakt.

     

     

    ‘Bedeloefening’ uit: Het dikke schrift / Ágota Kristóf / Van Gennep


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje en leeft voor een goed verhaal.

     

     

  • De geest van de schrijver

    De geest van de schrijver

    Het regent af en aan, windvlagen verontrusten de dagen. De takken van de vijgenboom opzij van het raam laat zijn takken zwaar neer, blindeert een deel van het venster. Bladeren van de tomatenplanten in de tuin kleuren geel. Het zijn gevoelige planten, ze houden niet van de aanraking van water, elk jaar zijn we benieuwd of ze van groen naar rood kleuren. Ondertussen denk ik aan hoe schrijvers vergeten kunnen raken. Dat je opschrikt bij het vernemen van hun dood, ze opeens  je gedachten weer bevolken met hun leven, hun verhalen. Zoals Mischa de Vreede, ze overleed 12 mei op drieëntachtigjarige leeftijd. Ik dacht aan haar columns in de Libelle van mijn moeder, die nergens terug te vinden zijn. Columns van een vrij leven is wat ik me ervan herinner, ze deed wat ze wilde. Haar laatste dichtbundel Zeestenen verscheen in 2001, Heilige dagen, een roman over een vriendschap, in 2007. Daarna verscheen er nog wel eens een artikel van haar in Vrij Nederland, begin vorig jaar nog een zeer helder, prachtig stuk over Lucebert en de biografie van Hazeu in De Groene

    Met haar moeder, een ouder en een jonger broertje, zat ze van haar zesde tot haar negende in Jappenkampen. Verkeerde er op het randje van de dood. Het kamp leerde haar de dingen te ondergaan, te zwijgen, te buigen, niet van je te laten horen. Voor een kind dat al vroeg wist dat ze schrijver wilde worden een zware opgaaf. Over die dagen van verbijsterende omstandigheden publiceerde ze verschillende autobiografische boeken. Waar ik mee leef is een compilatie van die autobiografische verhalen. Haar werk leest als een zoektocht naar de werking van de geest, naar wat zich achter het zichtbare verborgen houdt. ‘Luister / dat wat ik vertel is het schuim / hoe schoon ook en wit en bewegend: / het moet weg // daaronder wordt alles helder / daar schuilt het geheim / en kan ik mijn diepten zien / dat wil ik’.

    Als kind snakte ze naar welsprekendheid, naar helderheid. In het kamp negeert haar moeder het verbod van samenscholing herhaaldelijk en wordt gevangen gezet. De kinderen bij verschillende ‘tantes’ ondergebracht. Na een jaar worden ze weer herenigd in het kamp, een moment van grote blijdschap. Ze moet het zeggen, het is zeer ongewoon, kan het bijna niet over haar lippen krijgen, maar dan toch, ‘Lieve moeder, ik vind u zo lief.’ De moeder, streng, ‘Ik zou eerst maar eens zelf een lief meisje worden, als ik jou was!’ ‘En zodoende’, eindigt ze veelzeggend deze passage. 

    Toen ze in het kamp ziek werd, kwam ze op een zaal vol kinderen met difterie, ‘… die eerste avond heb ik hun met een steeds heser wordende stem verhalen verteld tot mijn keel zo dik was dat er geen geluid meer uitkwam.’ Ze schrijft, ‘Je overleeft het als je een goede manier van ‘vluchten’ hebt. Doordat je in gedachten afstand neemt van de situatie. Ik keek naar mijn broodmagere openliggende benen en dacht alleen maar: “Dit ben ik niet, dit overkomt me niet. (…)” Ik hield altijd de hoop op de mogelijkheid van een ander leven. (…) Daarnaast las ik het boek ‘Ik en mijn speelman’ en wist dat er ook een kleurrijke wereld bestond met zachte gevoelens, met mensen die beleefd en aardig tegen elkaar zijn.’
    Later zei ze, ‘Een verhaal vertellen is ongeveer het liefste wat je een ander kunt aandoen.’ Het vertellen van verhalen als teken van liefde, kom er maar eens om.
    Haar boeken zijn enkel nog tweedehands verkrijgbaar, een herdruk van veel van haar boeken is zeer gewenst.

     

     

    Waar ik mee leef / Mischa de Vreede / Atlas (1995)
     Het gedicht ‘Luister’ komt uit de bundel: Met huid en hand, (1959)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en een goed verhaal.

     

     

  • Voorlezen

    Voorlezen

    Eind maart ontving ik een berichtje van de schrijfster wiens boek hier voor me ligt. Rauwe wortels ernaast, in stijl met de levensvisie van de personages in het boek. Wordt er wijn geschonken in een goed verhaal, drink ik een wijntje. Ik ontmoette haar in 2018 voor een interview over schrijven en haar verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. Een titel die ook heel goed had gepast bij deze roman. In dit boek doen de personages er alles aan om niet toe te geven aan hun hongergevoel, licht en muziek zal hen voeden. Als een van hen door uitputting sterft, volgt een politie onderzoek. De huisgenoten worden opgepakt, gedurende enkele dagen ondervraagd. Er wordt vooral gevraagd of ze het niet hadden zien aankomen, de dood van hun huisgenoot. Nee, ze hadden het niet zien aankomen, want aan doodgaan dachten ze niet.

    Het was een ingesproken berichtje. Ze vertelde dat ze de drukproeven van haar boek aan het doornemen was, dat deed ze altijd hardop lezend. Toen kwam het idee om voor iedereen in haar telefoonlijst een fragment in te spreken. Ze vroeg of ze een stukje uit haar roman mocht voorlezen, terwijl ik gretig, ‘Ja, leuk’, zei, praatte ze door. Mijn stuk begon bij hoofdstuk 10. ‘Tien’, zei ze. En na een korte pauze, ‘Wij zijn een vlinder. Een prachtige, pasgeboren vlinder die woont in het hoofd van Muriël. Minimaal eens per dag, maar meestal vaker, kruipen wij uit onze cocon naar buiten en vouwen onze vleugels open in het zonlicht, (…).’

    Elk hoofdstuk begint met ‘Wij zijn…’. ‘Wij zijn de plaats van delict’, ‘Wij zijn een cello’, ‘Wij zijn twijfel’. Vanuit voorwerpen, plaatsen of stemmingen wordt steeds een ander licht geworpen op wat er gebeurd is. Elke ‘Wij’ is een sprekend orgaan. Al lezend beweeg ik mee met elke schijnwerper die ze op de situatie richt. En dan, in hoofdstuk 17, wordt de lezer buitenspel gezet, schrijft de schrijver zichzelf erin, ‘Wij zijn het verhaal. Langzaam en voorspelbaar stevenen wij op onze afloop af – de climax, of de anticlimax, dat valt nog te bezien. Wij vermoeden dat het een anticlimax wordt, als de schrijver zo door blijft gaan. We snakken naar (…) een onverwachte wending, een nieuw personage (…) maar de schrijfster heeft blijkbaar andere dingen aan haar hoofd.’

    De roman is gebaseerd op een krantenbericht uit 2017, over de dood van een van de huisgenoten van een woongroep die leven van licht. Het had een behoorlijk zweverige kant op kunnen gaan met dit boek. Ik had geen idee, maar weet wel dat het kunstenaarschap van deze experimentele schrijver vooralsnog onmetelijk groot is.

    De schrijfster speelt met situaties, met de lezer, met vooroordelen, omstandigheden, met zichzelf als schrijver. En het werkt indringend. Gisteravond nog, begon ik zomaar – ik wilde een tweede bordje Indiase curry opscheppen –  van honderd terug te tellen naar nul. Een beproefd trucje van de arme Muriël in het boek, dat ze toepast als de behoefte aan eten te groot wordt. Mij hielp het niet.

     

    Wij zijn het licht / Gerda Blees / Uitgeverij Podium (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, doet het even zonder het OV maar kan niet zonder een goed verhaal.

  • Alles is een keuze

    Alles is een keuze

    Terwijl ik De Afwezigen van Lieke Kézér lees, staan er wereldwijd mensen op tegen racisme. Soms overstijgt noodzaak het gezond verstand, verschijnen sommige boeken op het juiste moment in je aandachtsveld. Ik lig op de bank, bevind me afwisselend in Los Angeles en New York. Op de radio de dwingende stem van de interviewer die erom geroemd wordt dat hij zijn gasten het vuur aan de schenen legt. In het boek ben ik op het punt dat Joshua in 1981, (verwaarloosd, muzikaal wonderkind, enkele jaren bij zijn verslaafde vader in L.A. wonend), op zestienjarige leeftijd door zijn vaders vriendin Jessy op het vliegtuig naar New York wordt gezet. Dit gaat over vrijheid, die krijg je niet, maar moet je nemen zogauw de kans zich voordoet. De interviewer laat ondertussen zijn gast, een van de organisatoren van de demonstratie op de Dam, niet uitspreken. Ik vraag me af waar hij naartoe wil.

    En lees, ‘Ik bel een taxi,’ zei Jessy. ‘We gaan naar het vliegveld en dan koop ik een ticket voor je. Je gaat naar New York.’ Ze liep achterwaarts naar de telefoon, alsof ze hem er met haar ogen van zou kunnen weerhouden ervandoor te gaan, maar hij ging aan de tafel zitten en nam de door haar half opgerookte sigaret van de rand van de asbak. Met trillende handen draaide ze het nummer van de taxicentrale. ‘Hij is er over tien minuten,’ zei ze.’

    De interviewer van 1 Op 1 nodigt dagelijks mensen uit die het nieuws hebben gehaald, zet daarbij beproefde technieken in, zoals framing. Het is een spel. Hij ondervraagt zijn gast over de keuzes die tijdens de demonstratie zijn gemaakt. De geïnterviewde zegt, ‘het is een keuze geweest tussen twee virussen: racisme en corona’. ‘Dus je hebt doelbewust de regels overtreden’, hervat de interviewer. Als hij een cabaretier was zouden de lachers op zijn hand zijn. Nu voedt hij latente gevoelens van luisteraars die denken dat het allemaal wel meevalt. Toen kwam de BN’er (vast programma onderdeel) vertellen dat Surinamers, Marokkanen en Turken tot zijn vriendenkring behoren, het onderwerp een bagatel werd.

    In De afwezigen zijn hoofdstukken getiteld met een jaartal, 1978, 1987, 1981, 1996, 1984, 1977 en 2015, in die volgorde. Het heeft iets magisch, heen en weer te bewegen in de tijd, de sfeer van leven. Ieder hoofdstuk toont het beeld van een leven dat verloren raakte, op het punt stond verloren te gaan. Joshua, de spil van het verhaal, beweegt op de achtergrond, aanwezig zoals de afwezigen zich altijd op de achtergrond ophouden. Ze zijn er, ergens. De sfeer uit de jaren zeventig/tachtig is diffuus. In het laatste hoofdstuk, 2015 worden keuzes gemaakt waar dat in eerdere decennia bepaald werd door omstandigheden. Wat tien, twintig, veertig jaar geleden normaal was, is dat in 2015, 2020 niet meer. Zoals tijd voorbij gaat, komen nieuwe inzichten voorbij, worden kansen gegrepen. Dat gebeurde terwijl ik een roman las die schittert in intieme sfeerbeelden, Amerikaanse sfeerbeelden. Een ongekend verhaal, goed geschreven. Het lijkt van belang te moeten zeggen, ‘Lees het’, dus zeg ik het maar, ‘Lees het’.

     

     

    De afwezigen/ Lieke Kézér / De Arbeiderspers (2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur

  • Pannekoeken opgooien

    Pannekoeken opgooien

    Het is een zonnige zaterdagochtend, ik fietst naar het dorp voor de Volkskrant. Ik wil weten hoe deze krant eruit ziet zonder bijdragen van de verdwenen literair criticus Arjan Peters. Of hadden ze nog een recensie van hem liggen? Ik verwacht iets, een teken een sein, opheldering. In de kantoor- tevens tabaks-  en boekhandel aan het plein leg ik de Volkskrant op de toonbank. Ik zeg, ‘De krant zal anders zijn dit weekend’. ‘Ja’, zegt de zoon van de eigenaar, ‘’t is Pinksteren, dan is ie lekker dik.’ ‘Nee’, zeg ik, ‘een invloedrijk criticus is op non-actief gesteld.’ ‘oh, zegt de zoon van de eigenaar, ‘waarom is dat?’

    Er was een dichter die problemen met vrouwen had, een moord pleegde, vijf jaar tbs kreeg. Deze dichter, Achterberg is nu een van de belangrijkste dichters uit de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzieIn Het bureau, bekent meneer Beerta aan Maarten Koning dat hij eens moest voorkomen op verdenking van ontuchtige handelingen met een jongen. Hij werd onschuldig bevonden, maar er was rook geweest. Die is er ook rond Arjan Peters. Peters zorgde voor reuring in de literaire wereld. Op vileine wijze kan hij in kort bestek een boek afkraken, daarvan getuigt een van zijn laatste recensies, In de wacht van Birney. Een eerlijkheid die ik bewonder. Hij interviewde twaalf jaar geleden schrijfster Frida Vogels, die de publiciteit gewoonlijk meed, in Bologna. ‘Ze praat verzorgd, makkelijk en nogal gedecideerd, waarbij soms een lachje rigoureuze uitspraken lijkt te relativeren.’

    Niet elke afgeleverde roman doet het in zijn eentje. Je kunt het internet raadplegen of je nodigt de schrijver uit om over zijn boek te praten. Over de drijfveer, waarom dit boek, welke boeken lees je. Zo ontstaat een literair profiel, dat van nut kan zijn bij het te bespreken boek. Lunchtijd is een mooi moment. Dat het jonge vrouwelijke schrijvers betreft die via een appje werden uitgenodigd, is opmerkelijk. Ieder creëert de wereld waarin hij op zijn best functioneert. 

    De krant ligt het hele weekend op tafel. Een paar keer blader ik er opnieuw doorheen, als had ik niet goed gekeken. Intussen is het Pinksterzondag, de tuin is ons uitgaansgebied. Ik pak De maan en het vuur van Cesare Pavese, leg het op de tafel onder de appelboom. Geef de jonge rijspeulen water. De kat, die in het zand ligt te zonnen, schrikt op. Bedenk dat je zonder overleg met anderen eenzelvig wordt. Zo kan het gaan. Zonder weerspraak raak je uit koers. 

    Het alter ego van Pavese zegt tegen zijn jeugdvriend Nuto, die niet praat over de dingen die hem bezighouden, ‘Als je iets voor elkaar wilt brengen, moet je voeling met de wereld houden. Heb je geen partijen die voor je werken, afgevaardigden die voor je werken? Praat met ze, zoek ze op.’
    Ik vraag me af wat Peters nu doet. Zoekt hij mensen op, leest hij een boek, of bakt hij pannenkoeken, zoals Karel van het Reve placht te doen wanneer hij niets om handen had. Schort voor, boter in de pan en dan zo hoog mogelijk opgooien. En om deze verdwijning in zijn context te kunnen plaatsen, zou ik Peters wel willen interviewen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist vanaf vandaag met mondkapje, schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur.