• Knieën tillen bloemen

    Zaterdagmiddag ging om drie uur mijn timer af. Ik moest een trein halen. Er was recensenten borrel van Literair Nederland bij antiquariaat Hinderickx & Winderickx in Utrecht. Dus schoenen aan, jas dicht, tas mee. Waar staat mijn fiets, niet tegen de voorgevel, niet tegen de heg aan de zijkant, ah, hebbes. Mijn aandeel voor de borrelhapjes en dat wat ik vergeet in een tas aan het stuur. Windvlagen, regen, hup doortrappen. De trein rijdt binnen als ik aankom. Fiets op slot, tas blijft haken achter versnellingsschakelaar, net als ik twijfel of ik het red, schiet ie los. Ik ben een vrouw, multitasken is ons ding, maar bij mij ontbreekt er bij de afronding altijd wel iets. In Utrecht stonden de hapjes en drankjes uitgestald op de lage boekenkasten in het midden van de winkel. En het gebeurde weer (onderdeel van multitasken?), terwijl ik de meegebrachte hapjes uitpakte, kleefde mijn blik aan een rugtitel in de kast daaronder. Alsof er magnetische velden aan het werk waren. De eerste recensenten stapten binnen. Ik verschoof een schaaltje kaas. Op de lichtblauwe rugkant, las ik… Nee, overnieuw. Dat lichtblauwe zag ik later pas, de naam en titel: Chr. van Geel / Gedichten, was er eerst. Ik dacht aan knieën die bloemen optilden.

    De boekenwinkel stroomde vol. Ik dacht, het zal er nooit zo druk zijn als tijdens een Literair Nederland borrel. We schonken glaasjes in, deelden hapjes, babbelden erop los, tokkelend van genoegen over boeken en schrijvers als was het een literair kippenhok. Er waren gesproken vijf minuten bijdragen, over de ontdekking van het werk van George Perec, over het belang van geschiedenis in jeugdliteratuur, over Hele verhalen voor een halve soldaat, van Benny Lindenlauf. Waarover we nu nog steeds meer willen weten. Een bijdrage over hoe een boek zich voor kan doen als een gesloten deur. Wat als je een boek of dichtbundel leest er niks met je gebeurt, wat dan? Leest het nog eens, weer niks, toch weet dat er iets in die bundel, dat boek zit dat naar je toe moet komen, contact wil maken. Dat als de lezer het niet begrijpt, dat niet wil zeggen dat de schrijver een onbegrijpelijk werk schreef. Er was een column, over hoe je kunt houden van iets dat nooit deel van je leven uitmaakte. Het was prachtig allemaal. Tussendoor schoven gebogen gestalten speurend langs de onderste planken van boekenkasten. Hoorde ik iemand bekennen vijfhonderd boeken te hebben opgeruimd, voelde ontzag voor zo’n daad. En kocht de lichblauwe bundel, onderweg naar huis las ik:

    Plein

    Dit is een prachtige boom
    voor die sigarenwinkel,
    er daalt een duif in neer.
    Een schilder schildert trage halen.
    Onder de ladder staat de bakker in zijn deur,
    bespat met schaduw van de blaren.
    Het asfalt is van muizenleer.
    De meisjes fietsen glimlachloos,
    hun knieen tillen bloemen op.
    Bij Fientje zijn de schermen neer.  

    Later door de regen naar huis, licht euforisch over wat gezegd en gelezen werd, dacht ik aan fietsende meisjes in bloemenjurken.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.

  • Driehoog achter

    Driehoog achter

    Lang had ik niet aan Tsjechov gedacht, tot deze week Russisch vertaler Arie van der Ent op een literaire avond kwam praten over zijn vier-delige Repercussies uit het Russisch. Een keuze van zo’n zeshonderd gedichten van veelal onbekende dichters, maar ook van Paustovski, Charms, Tsjechov. ‘Van de ene dichter kom je bij de ander’, zei Van der Ent. En, ‘het zijn ook dichters van driehoog achter’. Ik zag ze daar zitten, aan een keukentafeltje, of leunend tegen het aanrecht, schrijvend aan een gedicht dat niemand onder ogen komt. Er is een zekere noodzaak nodig om te schrijven. Ik dacht aan Tsjechov, hoe hij zijn verhalen schreef aan een tafeltje in een kleine keuken van een rumoerig appartement ergens tweehoog achter. Waar altijd wat te doen was, dronken broers ruziënd binnen vielen, kinderen van familie rondhingen. Rond zijn negentiende begon Tsjechov, om zijn moeders geldzorgen te verlichten, humoristische verhaaltjes te schrijven. Waaronder ‘De dood van een ambtenaar’. Een portier niest per ongeluk in de nek van een afdelingschef. De portier put zich uit in verontschuldigingen. De afdelingschef verwenst hem naar de duivel. Thuis gaat de portier even liggen, sluit zijn ogen, sterft. Het heet een humoristisch verhaal te zijn. Humor is verpakte tragiek.  

    Van der Ent leerde eind jaren zeventig Russisch van Karel van het Reve. ‘Lessen waar niemand beter van werd’, zei Van der Ent. Waarmee hij bedoelde dat Van het Reve het in zijn vrije tijd deed, studenten er geen punten voor kregen. Ware liefde laat zich niet belonen. Lang geleden schreef Karel van het Reve ter inleiding bij zijn Geschiedenis van de Russische literatuur, ’Er is maar een reden voor het schrijven van de literatuurgeschiedenis, en die reden is niet het nut dat zo’n boek zou kunnen afwerpen, maar de aardigheid dat de schrijver heeft gehad in het maken en de lezer zou kunnen hebben bij het lezen.’ Niemand verloochent een goede leermeester. Van der Ent schreef ter inleiding, ‘Dit is geen canon, geen weldoordachte oogst uit duizenden, miljoenen gedichten. Er was geen selecteerprogram, en geen criteria anders dan de luim van de vertaler. Die leidde tot de zee van regels, verzen en gedichten die nu, na bijna veertig jaar arbeid wordt ingedijkt.’ 

    Van der Ent las een gedicht voor van Wladimir Kuilerovski (als ik de naam goed verstaan heb), dat op zeer eenvoudige wijze laat zien dat onderdrukking leidt tot opstand, een soort vechten tegen de bierkaai is.

    ‘In geleerde periodieken
     en in sombere kritieken
     al een eeuw of twee.
    Hebben mensen hard gebeden
    hard geschreven en gestreden
    om een strategie te smeden
    tegen het café.
    Maar toch stroomt het giftig water
    met zijn vrolijk geklater
    als een woeste zee.
    Vreest het kwaad geen tegenstander
    groeit het monster als geen ander.
    En verdringen dorstigen elkander
    voor het dorpscafé.’

    Ik moet deze vierdelige Repercussies natuurlijk hebben (oh, onbedwingbare hebzucht). Maar goed, terug naar Tsjechov, zijn verhaal De wilg begint zo, ‘Wie van u heeft wel eens over de postweg tussen de plaatsen B. en T. gereden?’ Ik weet van niets, maar voel me direct aangesproken. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Vreemdelingen

    Vreemdelingen

    Hoe we worden als je niet behoort ‘tot de beschermden en gelukkigen van hun eigen geschiedenis’. Ik lees het nieuwe boek van Julia Franck, waarin ze over zichzelf schrijft. Iets wat ze verafschuwde. ‘Dat iemand gedichten en dagboeken niet alleen voor zichzelf schrijft, maar ze ook wil publiceren, vindt het meisje walgelijk.’ In 1978, Franck is acht jaar, verhuist haar moeder, een actrice, met haar vier dochters van Oost- naar West-Berlijn. Het is het geboortejaar van mijn eerste kind. Een tijd waarin we niet bijzonder mobiel waren, geen online leven kenden, deuren gesloten bleven. Ik herinner me het als een verstikkende tijd, als vrouw, moeder. In het Westen zoekt de moeder vrijheid, ze schrijft  alle vrijescholen in Duitsland aan. In Sleeswijk-Holstein worden de kinderen aangenomen. Ze betrekken een verlaten boerderij, vijf kilometer lopen van school. Vanaf dat punt is de moeder incapabel voor haar dochters te zorgen. Ze leven in een verslonsd huishouden, alles is kapot, niets wordt hersteld. 

    Als kind wordt ze een geobsedeerd dagboekschrijver, wil ze weg. ‘Het enige wat ik wil is weggaan, al op mijn twaalfde, het eerste wat ik moet doen is daar weg zien te komen. Waar moet het met mij naartoe?’ Op haar dertiende woont ze bij vrienden in Berlijn. Ze correspondeert met haar zussen, niet met haar moeder, ‘Na een paar pogingen schreef ik haar dat ze mij te vreemd was om haar te schrijven.’ Het eerste boek dat ik van Franck las was de Middagvrouw, indrukwekkend verhaal over haar familie van vaders kant. Haar vader werd als zesjarig jongetje door zijn moeder Helene Würsich, in de chaos na de Tweede Wereldoorlog moedwillig achtergelaten op een station. Franck onderzoekt de beweegredenen van deze vrouw door de geschiedenis van Duitsland in beeld te brengen. In Rug aan rug schreef ze over haar moeders familie. Haar joodse grootmoeder Inge, beeldhouwster en communiste, werkte voor de Stasi. Toen bleef het lange tijd stil. De schrijfster moest iets overwinnen, ‘de gebeurtenissen en omstandigheden in mijn familie waren nauwelijks in literatuur om te zetten, zo onwaarschijnlijk en heftig waren ze. Hoe zou het mij ooit toegestaan zijn mijn stem te verheffen voor het eigene en mijn eigen verhaal, een vorm te vinden, taboes te omzeilen of ze onder ogen te zien.’ 

    Met dit boek vernauwt zich alles, de geschiedenis van Duitsland, haar beide families, tot het bestaan van de schrijfster. Al lezend nader ik steeds dichter de levens uit haar voorgaande boeken, hoe die zich om de schrijfster heen plooien. Ze opent het boek met een verklaring, ‘Ook in het echte leven heb ik een moeder, vier zussen en vrienden van wie ik hou. Ook in dat echte leven heb ik geliefden veel te vroeg verloren aan de dood, terwijl ik tot in lengte van dagen met hen verder leef. Ik kende ze, ken ze en zal ze voortaan een beetje anders kennen. Noch zij noch ik blijven dezelfden. Onze ervaringen veranderen ons en onze kijk op de dingen.’ Vele verhalen moeten er nog gehoord worden om werelden bij elkaar te brengen. Ik blijf de vreemdeling als ik niets van de ander weet. 

     

    Citaten uit: Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 pag. / Wereldbibliotheek (2021)

     

    Lees hier het interview met Julia Franck n.a.v. haar boek Werelden uit elkaar.


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag aan de keukentafel naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Heldere gedachten

    Heldere gedachten

    Het was een perfecte herfstochtend die ik, heldere gedachten in ‘t hoofd, doorbracht in mijn werkkamer toen de terreur der groenverzorgers inzette. Ik zag hoe beneden in de tuin de kat met drie poten de stam van de plataan omvatte, razendsnel naar boven klauwde, stilhield, oren plat op het kopje, om dan, in een zucht naar beneden te vallen. Die boom, de kat, het zachte licht, de perfecte landing in het gras, het gaf me een verrukkelijk ‘mij kan niets gebeuren’ gevoel. Toen knalde een hels kabaal los. Achter, voor, opzij van het huis ronkte en raasde het. Motorgebrul van heggensnoeiers, grasmaaiers, bladblazers. Ik sloot ramen en deuren om mijn gedachten te blijven horen. Maar die waren verdreven, weg, als een ijslolly die in de hete zon smelt, een plasje wordt op de grond.  

    Ik dacht aan Copsford, (wat een heerlijk boek, zinnig, kabbelend, als maak je een wandeling met de schrijver over de velden en wegen van Sussex), waar de schrijver ook met natuurbeknotters te maken kreeg, in 1920. Hij verzamelde kruiden, wist een plek waar het boerenwormkruid welig groeide. Ik liep met hem mee, maar helaas, iemand was hem voor geweest. ‘Nee, geen andere groene man, maar een wegwerker. Hij had de bermen gemaaid. Daar lag al mijn boerenwormkruid, zwart, droog en onbruikbaar na een week in de zon en de regen.’ Oh, dat onnodige ingrijpen, bedacht in een overleg ter ordening van natuur, opgeschoonde bermen. Ik voelde met deze jongeman mee.

    Walter J.C. Murray vluchtte als negentienjarige jongeman na een freelance carrière in de journalistiek in Londen, naar het platteland. Op zoek naar rust en innerlijke waarden. Hij trok in een vervallen huisje, vergeven van de ratten die ’s nacht zijn slaapkamer binnendringen. ‘Ik greep de kleine buks, en terwijl ik de hond luidkeels aanmoedigde en zelf een fandango danste op het bed, trok ik de trekker zo strak aan dat het wapen afging en een kogel zich dwars door het matras heen de vloer in boorde. De ratten raakten van slag, werden helemaal gek, wat zich uitte in een uitzinnige race van minstens tien rondes langs de blokkades, het dak en de vloeren. om uiteindelijk smadelijk hun nederlaag te erkennen en onder de grond te duiken.’ Waarna hij ging slapen.

    Er was geen stromend water, hij haalde het uit een poel verderop, bewaarde het in een kan. ‘Ik hoefde niemand een plezier te doen behalve mezelf. Als ik dagenlang op brood met boerenboter en koppen thee leefde, mopperde er niemand en werd er geen kostbaar water verspild aan de afwas.’ Ja, laten we elkaar minder plezieren, brood met boerenboter serveren. Murray werd een ‘groene man’. Bedacht een manier om kruiden te drogen, te verkopen. Van de opbrengst onderhield hij zichzelf, zijn hond.  Hij was er gelukkig, ‘toen geen angst of zorg me bezwaarde, toen me niets kwaads overkwam, toen ik met volle teugen van elk zorgeloos uur genoot,’ werd zijn blik zuiverder, zijn gedachten helderder. Heldere gedachten zoals ik ze zoek, die je op met inkt beschreven vellen te drogen legt. Murray wist honderd jaar geleden al dat we zuinig moeten zijn met onze grondstoffen. Hij schreef een pretentieloos boek, (waarvan er nu zoveel verschijnen) over terug naar de natuur. Dit is een van de besten die ik tot nu toe las.

     

     

    Copsford / Walter J.C Murray / vertaling Anne-Marie Vervelde / 253 p. / Uitgeverij Oevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Duizenden ansichtkaarten

    Duizenden ansichtkaarten

    Van alles wat je doet, laat zich pas achteraf de betekenis zien. Ik las Mijn beter ik, Herinneringen aan Simon Carmiggelt, dat bij verschijning in 1991 gedoe veroorzaakte onder familie en lezers van zijn stukjes. Niemand wist dat Carmiggelt een geheime relatie onderhield met Renate Rubenstein. Ze schreef er pas over na het overlijden van Carmiggelt in 1987. Dat ze de minnares van Carmiggelt was geweest, tien jaar lang, tot aan zijn dood. De naam van de man die het label ‘meest getrouwde man van Nederland’ aan zijn trenchcoat had hangen, werd volgens velen door het slijk gehaald. Ze vonden Rubenstein vals, gemeen dat ze dit uit de doeken deed. Fans verdragen geen verschuivingen in het beeld van hun idool. Rubenstein deed het omdat ze niet anders kon. Na zijn dood schrijft ze dat haar behoefte over hem te praten overweldigend is. ‘Tien jaar lang heb ik over hem gezwegen want onze verhouding was clandestien en ik zou Simon met praten hebben kunnen schaden of verliezen. Maar ik heb hem nu verloren en kennelijk eis ik postuum mijn rechten op. Maar belangrijker is dat ik hem niet vergeten wil.’ Voor dit boek putte ze uit dagboekaantekeningen en herinneringen.

    Carmiggelt was weg van de stukjes die zij schreef voor Vrij Nederland onder het pseudoniem, Tamar. In 1964 schreef hij  voor het eerst over haar in een van zijn Kronkels, ‘Tamar’ getiteld. Veertien jaar later werd ze gebeld door de latere biograaf van Carmiggelt, Henk van Gelder, die haar uitnodigde mee te doen aan de prijsvraag. ‘Wie is de echte Kronkel?’ Vijf schrijvers deden daar aan mee doen, waaronder Kees van Kooten en Rinus Ferdinandusse. Het was op verzoek van Carmiggelt zelf om haar te vragen mee te doen. Verliefdheid werd vanaf toen ingezet, al hadden ze dat zelf nog niet in de gaten.  Dan volgen de jaren dat hij haar bijna dagelijks belt. Hij schreef haar duizenden ansichtkaarten, brieven. Als hij met haar afsprak, was hij altijd te vroeg, dan wachtte op een bankje in het Sarphatipark tegenover haar huis (dat bankje, zou dat er nog zijn?). 

    Na zeven jaar zegt Rubenstein tegen hem dat ze niet meer verliefd op hem is. ‘Ik heb vanmiddag tegen S. gezegd dat ik niet meer ‘zo verliefd’ op hem ben. S. vermoedde al zoiets. Ik vind het erg dat het zo is, maar niet erg dat ik het zei want het kon niet anders.’ Later voegt ze daaraan toe, ‘Na zijn dood ben ik daar anders over gaan denken. Waarvoor was het nodig dat ik dat zei? (…) Wat ik toen kennelijk zo nodig vond zie ik nu als een grote vergissing.’ Want ze hield van hem, alleen zijn toegenegenheid benauwde haar wel eens. Ze bleven elkaar ontmoeten, wel kwamen er minder kaartjes, minder telefoontjes.
    Mijn beter ik is een oprechte liefdesverklaring
     die me na dertig jaar nogal in vertedering achterlaat. Twee beroemde schrijvers, die zoveel voor elkaar betekenden, konden elkaar niet in het openbaar zien. Na het verschijnen van Mijn beter ik, bleken zijn Kronkels gelaagder dan men dacht, was er liefde doorheen verweven, een boodschap aan haar. Waar de tijd overheen gaat, verandert alles, is er meer dan die ene waarheid. Hella S. Haasse schreef eens, ‘De waarheid zet uit naarmate we zelf groeien. Nooit achterhalen we haar.’ 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Scheefgroei

    Scheefgroei

    Soms overvalt me een vlaag van lezen, zoals in een vlaag van verstandsverbijstering. Dan zie ik alleen maar boeken. Lees vier/vijf/zes boeken door elkaar. Het bevreemd me, maar alla, ik moet lezen dus sta er niet te lang bij stil. Daardoor mis ik veel, telefoontjes, de trein, tv uitzendingen, zoals Showcolade. Een show die een flop werd, stond gisteren in de Volkskrant. Over vier pagina’s werd erover geschreven, met een ernst als werd een ramp gereconstrueerd, (denk Twin Towers). Ik had eigenlijk geen tijd, moest een boek dat me vanaf de eerste alinea fascineerde, uitlezen. Maar dit artikel, zo groot, moest iets te vertellen hebben. Er kon een falen van mijzelf in aangetoond worden, iets waarop ik de vinger kon leggen. Kijk Inge, je leeft teveel in een bubbel, je mist iets. Maar het was niets. Het wekte zelfs niet de behoefte het programma terug te kijken. Ik wilde niet zien hoe bekende Nederlanders uit verschillende voorwerpen een voorwerp aanwezen (dat was de grap) waarvan ze dachten dat het van chocola was. Dat ze erin hapten (schoen, theekopje, afstandsbediening, plantenspuit). De hele crew achter het programma was geïnterviewd, al wilde niet iedereen meewerken. Ik weet niet waarom dit artikel geschreven moest worden, waarom ik het las.

    Op het boek dat ik bijna uit heb staat een jonge vrouw met een klein meisje in een zomerjurkje aan de hand op een perron. Wachtend tot de trein het station binnenrijdt. Of vertrekt de trein, is het een afscheid? Dat zou de mistige dampen naast de trein verklaren, voor het opstarten wordt meer energie verbrand dan wanneer deze binnenloopt. Het is de trein waarmee de vader van Christine Angot haar leven binnenreed, en vertrok. Angot is een opmerkelijk schrijfster, kale taal, parlando, veel dialogen, niets omschrijvend. Een boek over haar ouders. Vader intellectueel, moeder joods arbeiderskind. ‘Mijn vader en moeder leerden elkaar kennen in Châteauroux, vlakbij de avenue de la Gare, in de kantine waar ze kwam, op haar zesentwintigtse werkte ze al verscheidene jaren bij de sociale zekerheid, op haar zeventiende was ze in een garage als typiste aan de slag gegaan, terwijl hij na een lange studie op zijn dertigste zijn eerste baan had gekregen.’ Vader is dwingend, bepalend, laat haar moeder zwanger achter, trouwt een vrouw uit zijn eigen milieu.

    Vanaf haar dertiende is er contact, logeert ze soms een weekje bij hem. Die weekjes zijn niet altijd leuk zegt ze tegen haar moeder.
    ‘Het was echt niet zo’n fijne week mama.’
    ‘Misschien was het te lang. Of niet?’
    ‘Ja het was te lang.’
    ‘En daarbij, het was niet leuk. En er is nog iets anders gebeurd.’
    ‘Wat?’
    ‘Nou…’
    ‘Zeg het maar.’
    ‘Nou… Oké. ’s Ochtends ging hij vroeg weg. Ik ontbeet nadat hij vertrokken was. En ’s middags keerde hij terug. Op een middag keerde hij terug, en ik had vergeten de melkfles in de ijskast terug te zetten, na mijn ontbijt. Je hebt geen idee mama hoe hij me heeft uitgescholden toen hij zag dat de melk nog op tafel stond!!!’

    Hier wordt iets belangrijks verteld, iets waar je de vinger op kunt leggen. De moeder ontwijkt het. Sommige dingen wil je niet weten. Christine Angot adoreerde haar moeder, totdat haar vader haar misbruikt. Daarna kan ze haar moeder, omdat ze er niet over kunnen praten, niet meer in haar buurt velen. In 1999 schreef ze in L’Inceste voor het eerst over haar traumatische jeugd. In al haar latere boeken bleef ze erover schrijven. In dit boek poogt ze dichter bij haar moeder te komen. Het is geen reconstructie, er wordt geen getuigenis afgelegd, wel toenadering gezocht. Angot toont dat een roman geen getuigenis is. ‘Wat literatuur over de samenleving zegt, is politiek.’ Schrijven om het leed te overstijgen, klasse verschillen bloot te leggen. Over hoog laag, man vrouw, hoe die een onherstelbare scheefgroei veroorzaken.

     

    Een onmogelijke liefde / Christine Angot / vertaald door Katelijne De Vuyst / uitgeverij Polis


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Een rijkdom

    Een rijkdom

    De eerste zeven jaar van dit millennium woonden we in midden-Portugal. Voor we de stap zetten, las ik alles wat ik kon vinden (wat niet zoveel was) over dat land waarvan ik enkel wist dat het zo onversneden was, de mensen, het landschap, de cultuur.  Portugal, van J. Rentes de Carvalho, was een dankbare leidraad. Het eerste wat ik erin opzocht was iets over de Portugese taal. Hij schrijft dat die verre van makkelijk is om te leren (dat dacht ik al). Rentes raadt de reiziger aan bij gebrek aan kennis van de taal, hoffelijk te zijn, vooral te glimlachen (waar we goed in waren). Over ‘Armoede’ schreef hij, ‘Doe zoals alle goedhartige Portugezen en zorg ervoor dat u altijd wat los kleingeld op zak heeft. Geef telkens één muntstuk. …al is de persoon achter de uitgestrekte hand blind, zie hem altijd recht in de ogen, kijk niet langs hem heen of op hem neer. Met die blik en niet met het geld doet u de ware liefdadigheid voelen.’ 

    In Licht op Lissabon schrijft Harrie Lemmens, ‘Zoals in alle grote steden kent ook Lissabon zijn wegwerpmensen, degenen die om wat voor reden dan ook zelf zijn afgehaakt of door de samenleving werden opgegeven.Overdag dolen ze rond (..) dirigeren auto’s naar vrije plaatsen, raffelen halfluid litanieën af, tikken blind met stokken, tonen stompjes en uitstulpingen (…). Op zoek naar een helpende hand, een opbeurend woord, wat geld of een shot.’

    In Portugal bewoonden we als gezin met twee kleine kinderen, drie kleine kamers. Het merendeel van onze  huisraad bleef in Nederland. Ik miste al snel mijn boeken en (vergeef me) de HEMA. Toen begon ik Portugese boeken te kopen, als we op onze vrije dagen in Lissabon waren. Het eerste boek was Exortação aos Crocodilos (Preek tot de krokodillen) van António Lobo Antunes. Elke zondagmorgen las ik het nauwgezet (als las ik de bijbel) aan de keukentafel, woordenboek ernaast. Het was of ik de raadselen des levens moest zien op te lossen, het was stuwend, krachtig proza. Twee jaar later lag het boek in de Nederlandse boekhandel. 

    Het lezen van de vertaling door Harrie Lemmens was net zo krachtig en stuwend als het origineel. Lemmens is een Lobo Antunes adept, zijn liefde voor hoe deze man schrijft, komt onverbloemd tot uiting in zijn Lissabonboek. Midden jaren tachtig, toen hij met zijn vrouw Ana Carvalho in Lissabon woonde, ontdekte hij António Lobo Antunes. ‘Uit een brief: “Ik besteed mijn tijd voor een groot deel aan het lezen van een schitterend boek van een even schitterende Portugese schrijver, een boek dat in een heleboel talen is vertaald maar nog niet in het Nederlands en – je snapt het natuurlijk al, dat hoop ik dus te doen. (…) een boek zo rijk (een rijkdom die ik niet volledig kan verslinden omdat ik een aantal woorden niet ken, maar waarvan ik de stroom niet wil tegenhouden door het openslaan van woordenboeken)’.
    Licht op Lissabon leest net zo fragmentarisch en boeiend als het Boek der rusteloosheid (Pessoa), een rijkdom aan culturele, literaire informatie, zo groot dat het onuitputtelijk lijkt. Daartussendoor die brieffragmenten, gericht aan vrienden. Die geven een intrigerend persoonlijke toon aan het boek. Zo’n boek had ik nu graag gelezen toen ik naar Portugal verhuisde.

     

     

    Licht op Lissabon / Harrie Lemmens / Geïllustreerd met foto’s van Ana Carvalho / 406 blz. / Uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

  • Moeilijke boeken

    Moeilijke boeken

    Vorige week fietste ik naar een boekpresentatie aan de Prinsengracht. Eerst fietste ik zes kilometer naar station Dieren, een van de mooiste stations die ik ken. Vandaar met de trein naar Amsterdam. Onderweg las ik verder in het boek dat gepresenteerd zou worden. De openingszin, ‘Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit.’, is een geweldige zin. Een indrukwekkende oppermacht doemt voor me op als ik over deze trekker lees. ‘Hij komt over het kavelpad aanrijden en draait dan het veld op, klaar om het land overhoop te halen. (…) Grommend komen de schoepen in beweging, ze happen grond, werken in één gang rogge, onkruid en mest onder.’ 

    Ik moest op Prinsengracht 119 zijn. Ik was mooi op tijd. Uit het pand kwam een oudere man naar buiten. Ik vroeg hem naar de uitgeverij op dit adres. De man, die ik herkende als de dichter die ooit debuteerde met de bundel, Mijn broertje kende nog geen kroos, een waarlijk onheilspellende titel, keek me peinzend aan. Hij legde een vinger tegen zijn lippen, zei ‘Maar, dat is verder. Veel verder, op nummer 1119!’ Ik zette een tandje bij, ontweek net behendig genoeg andere straatgebruikers. Een jong vijgenboompje, bestemd voor de schrijver, slingerde heen en weer in een papieren tas aan het stuur. Op nummer 1119 zat geen uitgeverij. Toen dacht ik aan het archiefkaartje in mijn tas, waar ik het adres had opgeschreven. Ik las, Prinsengracht 911. Hoofdschuddend trapte ik de weg terug, over losliggende klinkers, door niet te vermijden kuilen. Tot de bodem van het papieren tasje scheurde, zwarte aarde spatte op straat. Met het boompje in mijn arm geklemd kwam ik net op tijd aan voor de afsluitende woorden van een toespraak. Het boek was er, de schrijver straalde. Er was wijn, er werd over het boek gesproken.

    Iemand zei het een moeilijker boek te vinden dan haar eerste. Ik zei zomaar dat moeilijke boeken de beste zijn. Dat zogenaamde pageturners zo lekker weglezen omdat er niets nieuws in staat, voelen als een aangenaam briesje op een warme zomeravond. Dat boeken die een duidelijke taal spreken, maar waar je desondanks niet alles van begrijpt, je uit de denkvorm trekken. Dat de schrijver zo’n boek geschreven heeft. Een wordingsverhaal over wie we ooit waren, nooit geworden zijn en wie we wel geworden zijn. Verteld door Elke, ik-figuur in deze wonderlijk mooie, intrigerende roman. Als een refrein in het verhaal komt ‘de vrouw die ze nooit werd’ steeds naar voren. Naast het mythische verhaal over de oorsprong van man, vrouw, landbouw, overlevering, kringloop van de natuur is er de veredeling van groenterassen. De zoektocht van bioloog Elke naar de weg terug van veredeling, door middel van het terugbrengen van een erwtenras naar zijn oervorm. Daartussen de relativerende opmerkingen van de vrouw die ze nooit werd: ‘Kunnen we nu eindelijk naar huis, klaagt de vrouw die ik nooit werd.’ Of, ‘Erg wollig allemaal – ja, ik ben er nog, sist de vrouw die ik nooit werd.’ Wormmaan, is een geweldige roman die aan veel raakt waarmee we nu leven en worstelen. En ja, niet alles is direct te doorgronden, maar dat, beste mensen, zet ons in beweging, maakt het ongekend boeiend. Lees dit boek!

     

     

    Wormmaan / Mariken Heitman / 259 blz. / AtlasContact


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Amechtig

    Amechtig

    Dan is het opeens vakantie, is er tijd tekort voor alles dat nog gedaan moet worden. Zoals een nieuw badpak halen, (dat zwemmen in ondergoed moet maar eens afgelopen zijn). We gaan deze zomer naar Terschelling. De kinderen met hun kinderen, met vriend, vriendin, ze komen allemaal langs. Vorig zomer konden we vanwege de pandemie nergens heen, toen dacht ik: Terschelling. Elke ochtend een duik in zee, lange wandelingen, friettent om de hoek. Hoewel, er was één minpuntje, er is geen echte boekhandel. Wel een soort tijdschriften, schriften, schoolspullen. Maar goed, verder niks te klagen. Het strand zo wijds dat je er niemand tegenkomt. Dit jaar gingen we op de fiets. Banden werden opgepompt, lampen nagekeken, bagagedragers verstevigd en inpakken maar. Toen het begon te regenen moesten er laarzen mee, regenkleding, truien. Toen ging het ook nog waaien, de weersvoorspellingen waren niet best. Ik zag ons voorovergebogen over het stuur, zwoegend tegen de wind, samengeknepen ogen tegen de regen. Amechtig trappend kwamen we met moeite vooruit. Nee, de plannen moesten herzien worden.

    Ondertussen appten we elkaar hoe het inpakken vorderde, de een vroeg wie de grootste pan mee zou nemen. De ander dat de surfplanken op het dak van de auto bevestigd waren. Toen het bleef regenen appte ik dat ik hoopte dat het weer de komende dagen beter zou worden. Daarna appte ik dat we met het eendje zouden gaan. Het eendje, waar de bepakking van wel drie fietsen in mee kon. Er was opeens plaats voor twee makkelijke tuinstoelen, een tafeltje, meer boeken, de grootste pan. Mijn dochter appte dat ze haar twee jongens had voorgesteld een vakantieboek te gaan kopen. ‘Neeuh, geen zin’ hadden de jongens, die net aan hun tweede week vakantie begonnen waren, gezucht vanaf de bank. ’s Avonds legde ze ’toevallig’ een oude van Sylvia Witteman bij de oudste, die net lagere school af was. hij herinnerde zich dat hij er vorig jaar zo om had moeten lachen. Mijn dochter zei dat ze een nieuwe van Witteman konden halen, bij Paagman, of dat wat was. Ja, dat was wat. Dat ze dus morgen nog naar de boekhandel gingen.

    Vorig jaar op Terschelling maakte de oudste voor het eerst kennis met Sylvia Witteman, iemand had Pekingeend bij nacht meegebracht. Hij confisqueerde het, las te pas en te onpas stukjes voor, over de kinderen van Witteman. ‘Vloeibaar van lamlendigheid hangen ze tegen de sofa gekleefd als skeletloze diepzeewezens op een koraalrif, deinend op golven van verveling, met als enig teken van leven de gestage inname van voorbij zwevend plankton.’ Hele stukken las hij sputterend van het lachen, de benen opgetrokken tegen de lachkrampen in zijn buik. Ach, en dan blijkt weer eens hoe relatief alles is, dat verveling met verveling bestreden moet worden, waar vakantie dan weer goed voor is. En dat jongeren niet willen lezen? Ook dat is relatief.  Stop ze gewoon in een tent met een boek van Sylvia Witteman en alles komt goed.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft wakker voor een goed verhaal, leest in de tent.

  • Om de hoek

    Om de hoek

    De geschiedenis ligt om de hoek, al loop ik altijd net even te snel om die te achterhalen. Nu kun je ook niet bij alles stilstaan, alleen die straatnaambordjes al. Lees ik de ‘Goemans Borgesiusstraat’ in een dorp op de Veluwe, dan blijven mijn gedachten hangen bij die uit het Nederlands en Italiaans samengestelde naam, denk aan de familiegeschiedenis van de persoon waarnaar de straat vernoemd werd. In Den Haag ken ik de Gerrit Kasteinstraat (1910-1943), daar staat de school van de kinderen van mijn dochter. Al lange tijd vraag ik me af, ‘wat was dat voor een man, die Gerrit Kastein.’ Ik vermoedt dat hij een strijdlustige arbeider was, opgepakt tijdens het verzet in de oorlog, gezien het sterfjaar. Ik wil het opzoeken, maar daar komt het niet van. Tot ik vorige week in de krant de ‘Aarsman Collectie’ van Hans Aarsman las, met hem meekeek naar het nu en het verleden.

    Het beeld van een beklinkerde straat waar een man in onderbroek en sokken, handen op de rug (geboeid, maar dat zie je op het eerste oog niet) wordt natgespoten. Op ongeveer drie meter afstand richt een brandweerman de brandspuit op de bleke rug van de man. De straal is hard, je ziet hoe de straal water de drie meter tot de naakte rug van de man overbrugt, daar tegenaan knalt, een waas van spetters om de man heen verspreidt. De man staat rechtop, de schouders iets naar voren, ietsje maar. Het visgraatmotief van de straat glanst, alsof het geregend heeft. Het lijkt of de man zijn verdiende loon ondergaat. Misschien was het een weddenschap die hij verloren heeft: wie verliest wacht de brandspuit. Dat hij zich daarvoor eerst heeft uitgekleed, dat mocht. Maar de drie brandweerlieden, zes politiemensen, rechts van de man gepositioneerd, doen die impressie kantelen. Links een eenzame toeschouwer, die gelaten, het hoofd iets scheef, het schouwspel beziet. Er straalt medelijden.

    Het geheugen is een vergaarbak, soms komen dingen bij elkaar, wordt er iets gecompleteerd, opgelost. Gezien de stokrozen op de foto, schrijft Aarsman, moet het wel de zuidkant van de Ridderzaal zijn, gefotografeerd vanuit een raam. Aarsman is een fotodetective, online vindt hij een andere foto van het tafereel, genomen vanuit de hoekkamer. Daar huisde tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse Sicherheitsdienst weet hij. ‘Verzetsman Gerrit Kastein sprong op 19 februari 1943 uit datzelfde raam zijn dood tegemoet. Hij voorzag dat hij gemarteld zou worden en wilde zijn kameraden niet verraden.’ De edelmoedigheid van deze Kastein is van een andere tijd. De geboeide man deed een poging tot zelfverbranding, waarom was niet duidelijk, niet omdat hij bang was iemand te verraden. Ik zocht online verder naar Gerrit Kastein. Hij  was arts, verhuisde naar Den Haag, waar hij vanaf het begin van de oorlog actief was in het verzet. En hij  werd in 1910 in Zutphen geboren, dat ligt hier dan weer praktisch om de hoek.

     

    Aarsman Collectie / Volkskrant 15 juli 2021, / Fotograaf Freek van den Bergh


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft wakker voor een goed verhaal, een overtuigend relaas.

     

  • Agnes in Deventer

    Agnes in Deventer

    Ik was vijf dagen in Deventer, de stad die boeken ademt. Ik woonde er tot begin jaren negentig. Nu ik er terug was, beleefde ik opnieuw de uitnodigende stilte van de stad bij het ochtendgloren. De stad waar ik als vijftienjarige dweepte met Toergenjev, Marnix Gijsen, waarvan de romantiek van dood door tuberculose me in Klaaglied om Agnes enorm aantrok. Waar ik op een achterkamertje in de Papenstraat alles van Simone de Beauvoir las. Het waren jaren ‘des onderscheids’. Kocht de (dag)boeken van de gebroeders Goncourt, Italo Svevo, Natalia Ginzburg, Prima Levi, las er het eerste boek van Connie Palmen. Deze week, toen hevige regenval enkel het zuiden van het land teisterde, liep ik door de oudste wijk van de stad. Via de Stromarkt door de Graven, (dacht aan roesachtige dagen), links naar de Noordenbergstraat (waar een alcoholistische vriend woonde), over het Muggeplein (de buurtfeesten) de Molenstraat in, een gangpad door naar de Stenenwal. Bij een gevel begroeid met stokrozen hing een boekenkastje.

    Er was een verheugd weerzien met Agnes, een creatie van Peter van Straaten, verscheen vanaf 1986 in Vrij NederlandVanaf de eerste afleveringen was ik verslaafd aan het levens van Agnes, een voorbeeld van onvoorbereid door het leven gaan. Elke vrijdagmiddag haalde ik Vrij Nederland bij de boekhandel, toen nog een krant. Later werd het een tijdschrift. Hoewel Agnes meer thuishoorde op krantenpapier dan op de gladde witte bladzijden van een magazine, was mij niets gevraagd. Agnes was een zelfstandige vrouw, begin veertig, met een puberzoon. Het feuilleton was een tijdsbeeld van de laatste twee decennia van de twintigste eeuw. Roken en alcohol waren net zo gewoon als een kadetje met kaas. Liefde was ingewikkeld, dat wel. Wie de Beauvoir en Sartre las, schuwde vaste verbintenissen. Er werd gefilosofeerd, gerommeld, er was gedoe, niks lag vast.  

    Van Straaten tekende Agnes met haar halflange krullen, zittend aan tafel. Een smeulende sigaret op de rand van de asbak voor zich (overal asbakken toen). Met haar linkerhand duwt ze haar krullen achter haar linkeroor, rechterarm op tafel. Het leven was voor Agnes niet eenduidig, dat zie je zo. Op de achtergrond een fles wijn. Ze kijkt ietwat blasé, toch is ze een evenwichtige mengeling van ‘mij krijg je er niet onder’, en, ‘Your wish is my comment’. Ze is een ster in het te lang blijven zitten, of het nu bij vrienden thuis is, of in het café, ze is bodemloos als er drank in het spel is. Als ze met een vriend te lang in het cafe zit, zegt deze, ‘Zeg, halvegare, weet je dat we ongemerkt allebei dronken zitten te worden?’
    ‘Verdomd,’ zegt Agnes, ‘nu je het zegt… ik liep al zo raar toen ik net naar de wc ging. Ik dacht dat ik misschien koorts had.’ Daardoor kreeg ik opeens een ongelofelijke trek in een drankje, aan oeverloze gesprekken in een café waar tijd vloeibaar is. Ach, dat waren nog eens tijden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, houdt van een goed verhaal, een overtuigend relaas.

  • Keti Koti

    Keti Koti

    Soms freewheel ik blind mijn dagen door, doorzie de dingen des levens en weet hoe we ons moeten verhouden tot elkaar. Tot zich iets voordoet waardoor mijn (wankel) evenwicht verstoord wordt. Een gesprek op de radio bijvoorbeeld, over Keti Koti, een van oorsprong Surinaams feest waarop de afschaffing van de slavernij gevierd wordt. Om van deze dag een nationale herdenkingsdag te maken stuit nogal op wat weerstand. In het programma kwamen een voor- en een tegenstander aan het woord. ‘Kijk’, zei de tegenstander, ‘Als je ziet hoe gepolariseerd het debat wordt gevoerd. Zo’n feestdag is bedoeld om ons te verenigen en dat is met dit onderwerp niet het geval.’

    ‘Polarisatie’, zei de voorstander,’ is een woord dat gebruikt wordt zodra men geen argumenten heeft om tegen bepaalde activiteiten te zijn. Vorig jaar zei Minister President Rutte over excuses aangaande het slavernijverleden, bang te zijn dat er polarisatie in de samenleving zou plaatsvinden. Maar toen koning Willem Alexander zijn excuses aanbood aan Indonesië vanwege het geweld tijdens de onafhankelijkheidstrijd, heeft niemand een link gelegd met polarisatie. Waarom zou zich hier ineens een kwestie van polarisatie voordoen?’

    ‘Nouhou’, hapte de tegenstander. ‘Misschien is een goed voorbeeld dat toen ik vorige week zei dat Keti Koti geen nationale feestdag moet worden, ik een enorme bak drek over me heen kreeg met de teneur: Jij bent een “blanke” Nederlander, dus jij weet niet waarover jij het hebt.’ ‘Kijk’, slachtofferde de tegenstander verder, ‘alleen al het feit dat ik niet op basis van mijn boodschap wordt beoordeeld maar op basis van mijn huidskleur, dat geeft wel aan hoe gepolariseerd dit debat is.’ 

    Voorstander, (verbijsterende lach, die ik met hem deelde): ‘U moet eens weten wat ik allemaal naar het hoofd geslingerd kreeg toen ik het over zwarte Piet als racistisch fenomeen had. Wanneer je met elkaar in gesprek gaat zal er een proces ontstaan waarbij we tegenover elkaar komen te staan, hard tegen hard, maar uiteindelijk zullen we elkaar bereiken, zal er resultaat bereikt worden.’

    Ik begreep de houding van de tegenstander niet. Een nationale herdenkingsdag zal toch meer begrip voor het verleden van onze zwarte medemens teweeg brengen, acceptatie bewerkstelligen? Ik pakte opnieuw Hallo witte mensen, uit de kast. Ik was nooit verder dan de inleiding gekomen, er was geen urgentie. Ik had toch geen probleem met gekleurde mensen? Ik hoefde er niet over na te denken, ik wist het wel. Tijdens het lezen liepen mijn goedbedoelde gedachten te hoop tegen het begrip ‘wit privilege’. Dat ik nooit ben aangesproken op mijn wit zijn, werd inzichtelijk gemaakt door een eenvoudige vraag. ‘Wat was de eerste keer dat je besefte dat je wit bent?’ overviel me. Nooit heb ik me iets over mijn huidskleur afgevraagd. Er zijn nooit sancties of conclusies aan mijn wit zijn verbonden. Het kwam binnen dat huidskleur een criterium is, er draaide zich piep-schurend iets in me om. Anousha Nzume schreef, ‘Als de gemiddelde witte Nederlander niet weet wat wit privilege is, zal de machtsverhouding die er in Nederland bestaat nooit worden rechtgetrokken.’ Wat een ware woorden.

     

     

    Hallo witte mensen / Anousha Nzume / AUP (2017)
    Radiogesprek tussen VVD’er Frank de Graaf en oud politicus D66 en mensenrechtenactiviste Barryl Biekman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt enthousiast van een goed verhaal, van een overtuigend relaas.