• Dat ene gedicht

    Dat ene gedicht

    Ik las in de krant over het leven van Marie Stoppelman (1914-1994) kinderarts, later chef de clinique kindergeneeskunde in het Amsterdamse Binnengasthuis. Als jonge vrouw werd ze samen met haar broer, nadat ze verraden waren, in mei 1944 naar Auschwitz vervoerd. Hij kwam in werkkamp Auschwitz l terecht, bezweek daar. Zij ging naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, waar haar bij aankomst op het hart werd gedrukt te zeggen dat ze arts is. Ze komt te werken in de ziekenboeg van het vrouwenkamp onder leiding SS-arts Josef Mengele. Haar taak is de vrouwen op te vangen die, ‘gruwelijke proeven hebben ondergaan: sterilisaties, hoge doses röntgenstraling, injecties met petroleum’. Medische experimenten die de uiterste grens van menselijke verdraagzaamheid overschrijden. Ze is er getuige van hoe zieke vrouwen die niet meer kunnen lopen, van de ene naar een andere barak worden verplaatst.

    Ze ziet hoe Mengele de zieke vrouwen in de laadbak van een vrachtwagen gooit, hoe hij bij aankomst bij de andere barak begint te schelden, omdat de meeste vrouwen nog leven; ‘het aantal doden valt hem tegen.’ Haar leven was een ‘Russische roulette’, je wist nooit wanneer je iets fout deed en Mengele je liet afvoeren. Overleven is een vreselijke zaak. In januari 1945 wordt ze bevrijd. Er staat: ‘Wat daarna kwam zou Auschwitz-overlevende Primo Levi beschrijven als een beproeving, “vrij maar niet verlost”.’ De Italiaanse schrijver, van februari 1944 tot januari 1945 gevangene in werkkamp Auschwitz lll, schreef verschillende boeken over Auschwitz en de tijd daarna. In De verdronkenen en de geredden schrijft hij, ‘het Lager [was] een wreed laboratorium, waar je situaties en gedragingen kon observeren die noch eerder, noch later, noch elders ooit hebben bestaan.’ 

    Na de oorlog sprak Marie Stoppelman met niemand over wat ze had doorgemaakt. Wel legde ze verschillende getuigenverklaringen af, ook tegen de voortvluchtige Mengele. Na haar pensioen werd ze overvallen door haar herinneringen aan het kamp. Tegen een oud-collega zei ze, ‘het is zo vreselijk, alles komt weer naar boven.’ Ze was nooit getrouwd bekende ze eens, ‘omdat ze kinderen niet wilde belasten met haar trauma.’
    Na lezing van deze indringende geschiedenis was er stilte. De hele dag en de dag erna, als ik aan haar dacht, had ik geen woorden. Ik had de verhalen gehoord, de boeken gelezen. Had mezelf wel eens betrapt op de verwerpelijke gedachte er genoeg van te weten, dat we verder moesten. Hoe arrogant, zulke gedachten. Het verleden bepaalt nog steeds het heden. Steeds opnieuw moeten de verhalen van overlevenden van de Holocaust gehoord worden.

    Primo Levi heeft het in De verdronkenen over het clichébeeld dat de ‘zegening heeft gekregen van de literatuur en poëzie’, dat daarmee de zaken mooier worden voorgesteld dan ze zijn. Toch ging ik naarstig op zoek naar een woord, een regel. Bladerde door de prachtige bundel met troost biedende gedichten, vond niets dat toereikend was aan wat ik voelde. Was er dan niet voor alle soorten van verscheiden passende poëzie? Of wacht, daar, dit gedicht van Judith Herzberg:

    ‘Bedroefd bedroefd
     en zo bedroefd
     dat droefenis in woede
     oversloeg. Toch waren
     droefenis en woede
     niet genoeg
     nog altijd niet genoeg’

     

    (Uit: Dood gewoon gaan hemelen, uitg. Plint)

    Volkskrant-redacteur Ellen de Visser reconstrueerde het levensverhaal van kinderarts Marie Stoppelman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Niet de feestjes

    Niet de feestjes

    Niet de vrolijke feestjes, de picknicks en slaapfestijnen, maar het niet gehoord worden, de afwijzing, onverwachte klappen, is wat ons van kinds afaan vormt. En wat je daar later mee moet: treed je in de voetsporen van je opvoeders of trek je de stekker eruit en ga je jezelf opnieuw in elkaar zetten? Dat is wat Iggy tracht te doen in de roman Baksteen. Haar vader, ook wel de driekoppige hond genoemd, ‘Die zomaar, (…)  uit het niets begon te slaan, je op de grond gooide. Net als je dacht dat er niets aan de hand was, je iets deed of zei en hup, daar lag je weer.’ De man leed aan het syndroom van Korsakov. In haar vorige boek, Confituurwijk, was ook sprake van een alcoholistische vader. Die pleegde zelfmoord en liet zijn dochter achter met enkel een blokfluit en een kat die haar  vergezelden naar een nieuw honk. Waar het overleven begon.  

    In Baksteen sterft de vader tijdens een operatie en is het de dertigjarige Iggy die in de overlevingsstand staat. Ze slaapt met het licht aan, ramen open (de verstikking). ‘Dagelijks dendert de vrijheid voorbij, maar ik mankeer de juiste bouwstenen om er iets mee aan te vangen.’ Er wordt ingezoomd op de vader, zijn dictatoriale aard, zijn hang naar de DDR. In 1989 is hij op de Potsdammer Platz als de muur valt. Zijn dochters zijn vernoemt naar popsterren, Iggy (Iggy Pop) en Pink (Pink Floyd). Hij wil ze tot schaakmeesters drillen, leert ze ijzeren disciplines (Seid bereit? Immer bereit)

    De geest gaat altijd en onvermijdelijk op zoek naar het hoe en waarom van de dingen, betekenis willen zien in wat ons is overkomen. Op haar tiende weet Iggy dat ze ervoor moet zorgen geen slachtoffer te zijn. Ze waant zich Matilda uit het boek van Roald Dahl, die op het juiste moment over de juiste krachten bezit om het onheil af te wenden. Als ze in een vakantiekolonie wordt aangerand door de begeleiding, laat Matilda natuurlijk verstek gaan.

    Iggy denkt aan de schrijfster Tove Ditlevsen, die een evenzo donkere jeugd beleefde. Ditlevsen schrijft dat een donkere kindertijd blijft huilen en klagen als een diertje dat opgesloten zit in een kelder. ‘Hij ontsnapt uit je keel als je adem in de kou, en soms is het te klein, dan weer te groot. Hij past nooit precies. Pas als hij ooit is afgeworpen als een dierenhuid, kun je hem in alle rust bestuderen en erover praten als een ziekt waarvan je bent genezen.’ Iggy ervaart haar kindertijd als een ‘chronische ziekte’ waar ze nooit vanaf zal komen. Tot ze na de dood van haar vader twee grote zakken met bakstenen van een afgebroken muurschildering voor haar deur vindt. Het wordt een onvermijdelijke zoektocht naar wie haar vader eigenlijk was. Een zoektocht waarbij ze  zichzelf vindt.

    Vindevogel schrijft zinnen die overdonderen, in één zin breekt ze een wereld aan belevingen open. En wat een prachtige(overwinnings-) laatste passage van dit boek. Ik denk aan de veertigduizend kinderen in Nederland die tijdens de lockdown te maken hadden met huiselijk geweld, emotionele verwaarlozing, dat nog meemaken. Die wens ik net zulke gebalde taal toe als Vindevogel bezigt. Taal waarmee je een getroebleerde jeugd in kaart brengt. Of geef ze in ieder geval dit boek.

     

     

    Baksteen / Femke Vindevogel / 211 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Brood en poëzie

    Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • Spoorzoeker

    Spoorzoeker

    De meeste sporen die we achterlaten vergeten we. De weg die je ging, wie je ontmoette, de liefde. Er geen actieve herinnering aan hebben (hier begrijp ik opeens Rutte beter), omdat je gaande was, anders was. Dat iemand niet actief in je geheugen zit, heet vergeten. Tot er iets gebeurt waardoor je toegang krijgt tot zo’n vergeten episode. Het overkomt Erik Lindner in 51 manieren om de liefde uit te stellen als hij op de aftiteling van een film een naam herkent.  ‘…en dan lees ik de naam Karmele Soler. Ze bestaat, hier is het bewijs dat ze werkelijk is, dat het geen verzinsel is.’
    Het is 1996 als hij dit na afloop van de film
    Tierra in een filmzaaltje in Amsterdam ziet. Het staat ergens midden in het boek, maar voelt als het beginpunt van de exercitie die Lindner aanging. Karmele is het beginpunt van dit verhaal. Daarna kijkt hij alle films waaraan zij meewerkte, leiden alle wegen naar Karmele. 

    Zo’n tien jaar daarvoor, jaren tachtig, was hij in San Sebastián om een stuk te schrijven voor een tijdschrift. Toen ontmoette hij de Baskische jonge vrouw Karmele Soler, een make-up specialist voor films, voor het eerst. Ze werden elkaars minnaars voor een week, toen moest hij terug naar Nederland. In de jaren daarna gaat hij nog eens terug met een boek, in de hoop haar te zien. Hij geeft het af bij het huis van haar vader, geen spoor van Karmele. 

    In de films waaraan zij meewerkte, speurt hij naar een teken van haar werk, het schminken. Het heeft iets romantisch (niet te verwarren met geluk). Als Lindner de film Palmeras en la nieve ziet waarvoor zij ook de schmink deed, schrijft hij. ‘Ze heeft haar sporen, haar handtekening achtergelaten op lichamen die op het scherm voor me op het veldbed liggen.’ Met deze beelden krast hij groeven in zijn ziel. Het verhaal intrigeert, de vrouw die hem bezighoudt, die hij zoekt en weer kwijtraakt, benadert en weer afstoot. Wat voor vrouw is dit? En wat voor man? 

    Ik moet dringend op zoek naar de dvd Hable con ella, gekocht in 2003 in Lissabon. Dit was wat we in die jaren met onze vrije dagen deden, met de Citroën Dyane vanuit Seia naar het driehonderd kilometer verderop gelegen Lissabon rijden. Een pension namen, boekwinkels bezochten, naar de FNAC om muziek, films te halen. In Hable con ella, (Pedro Almodóvar) heeft Geraldine Chaplin, de enige naam die ik kende, een bijrol, en van zanger Caetano Veloso, die er zichzelf in speelt. Ik vind hem in een doos op zolder, en zie, helemaal links onderaan in zeer kleine letters staat, ‘Maquillaje: Karmele Soler’. Daar is ze, vanuit het boek op de dvd in mijn hand, Hable con ella.

    Dit verhaal, de verhalen in de zijwegen die Lindner inslaat, ik ben er niet zomaar klaar mee. Het is een ontwikkelingsverhaal, een liefdesverhaal, een mentale ‘tour de force’, voor alles een rijk boek waarin alles de moeite waard lijkt. Er komen stukken in voor van de schrijver als jongen in Scheveningen waar hij opgroeide, over zijn werk als redacteur van een tijdschrift (denk Terras). En dan die films! Door alles heen ontstaan de lijnen van een plattegrond, wordt een mensenleven zichtbaar.

    ‘Maar zie haar wegen krullen op de kaart.
     Mijn leven dwaalt zo sierlijk: elke omweg
     lijkt de moeite waard.’ 

     

    Citaat uit het gedicht ‘Reisdoel’ van Marjoleine de Vos, uit: Hoe verschillig.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns met het raam open.

  • Bij de dood van Joan Didion

    Bij de dood van Joan Didion

    Op de vierde ochtend van dit nieuwe jaar luister ik naar PJ Harvey, ‘My head on your pillow’. Een nummer van de Joan Didion afspeellijst op Spotify (zoek dat op!). Nummers van onder meer Joni Mitchell, Janis Joplin, en Nico (van de The Velvet Underground), met haar ‘groundgy’ manier van zingen. De Duitse zangeres leefde even met Jim Morrison, was muze van Andy Warhol, verongelukte op negenenveertig jarige leeftijd met een fiets (een fiets!) op Ibiza. Er is een film uit 2017 over haar laatste levensjaar, Nico, 1988, van Susanna Nicchiarelli (die wil ik zien). Wat ik zag was The Center will not Hold, een documentaire over Joan Didion. Joan Didion, tien letters, vijf lettergrepen, schreef essays die lezen als een roman. Het zingt in mij ‘Joan Didion, Doan Jidion, Joan Di-di-dion’, als betrof het een liefde. December 2003 overleed haar man, John Dunne, ze schreef erover in Het jaar van magisch denken.

    Na het overlijden van haar levenspartner ontstaat er een focus naar het punt van ontbreken. Joan Didion noemt dat in haar boek ‘de draaikolk’, waarin ze steeds verdwijnt, naar het moment getrokken toen hij nog leefde. John weer terug in zijn stoel bij de open haard op een decemberavond in 2003 terwijl zij in de keuken iets klaarmaakt. Ze waren net terug uit het Beth Israel Hospital waar hun dochter Quintana in coma lag. Zij stak de haard aan, hij ging in zijn stoel erbij zitten. Ze zette het eten op tafel, onderwijl praatten ze met elkaar. Ze stak kaarsen aan, mengde sla, en dan, ‘John was aan het praten en toen niet meer.’ Hij valt voorover op tafel, zij denkt dat hij een grapje maakt, zegt ‘Niet doen’, sjort aan hem, belt een ambulance. 

    In de documentaire is Didion een broze vrouw die aan Parkinson lijdt. Een zachtmoedig mens, romanticus. In de documentaire vertelt ze hoe John Wayne in de film A love Song tegen zijn tegenspeelster zegt: ‘Ik bouw je een huis in de bocht bij de rivier waar de populieren (Were the Cotton grows) groeien.’ Als jonge vrouw hoopte ze dat iemand zoiets tegen haar zou zeggen. Het werd John Dunne. Na zijn dood vindt ze een notitie van hem over hun trouwdag. ‘Terwijl we naar het altaar liepen, hielden we elkaar voor dat we er de volgende week weer mee konden ophouden en niet hoefden te wachten tot de dood ons scheidde.’ Zoals gezegd, ze waren onafscheidelijk tot aan de dood.

    De haar toegewezen sociaal werker zegt waar ze bijstaat tegen de arts die het doodsbericht van haar man komt brengen, ‘Ze is nogal een koelbloedig type.’ Ook daar lijkt ze niet mee te zitten. In de documentaire zegt ze, ‘Ik weet niet wat verliefd worden is, dat maakt geen deel uit van mijn leven. Ik weet nog wel, toen ik John ontmoette, dat ik wilde dat dit nooit ophield.’ Ze zegt ook dat ze niet gelukkig waren. ‘Hij had een driftig humeur, werd driftig om alles.’ Daarbij wapperde ze met haar door Parkinson onwillige hand. Dat je kunt leven met iemand die zo is als John was, dat is meer dan een koelbloedige liefdesverklaring.
    Joan Didion overleed twee dagen voor kerst op zevenentachtig jarige leeftijd aan de gevolgen van Parkinson in Manhatten. Lees haar boeken.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns met gesloten gordijnen.

  • Ontfutselen

    Ontfutselen

    Toen de kinderen klein waren beleefde ik eens een volkomen harmonisch moment met hen dat me bijbleef. We zaten op een kleed in de voorkamer, maakten lappenpoppen. In het bewegen van onze handen, de lapjes stof op het kleed, schaar, draad, de aandachtige gezichtjes, ontstond een verstild moment, als de still van een film. Ik was ervan overtuigd dat zij zich later dit moment als zodanig zouden herinneringen. Toen het ‘later’ was en ik ze erover vertelde, wisten ze van niets. Herinneren is een particuliere aangelegenheid. Een herinnering is ook een uitgangspunt om aan het verhaal van je leven te weven. Ik lees een kleine roman in zachtmoedig proza geschreven. Een man onderzoekt zijn herinneringen aan zijn grootvader. Wekelijks bezoekt hij een lunchroom, bestelt een espresso en schrijft in een notitieboekje (ik denk dat het een notitieboekje is).

    Zo’n boek is het, dat je dat wat onbeschreven bleef, toch ziet. De man denkt aan het huis waar hij met zijn grootvader en moeder woonde. Als er bezoek was, sliep hij op de gang voor de kamer van zijn grootvader. ‘Mijn ouders gaven vaak feesten, er werd gedanst.’ Als hij vijftien is, zijn vader allang verdwenen, overlijdt zijn grootvader. Op dat moment ligt hij met zijn dekbed in de gang, hij ziet dat ze grootvader ‘wegdragen’. In zijn liggende positie ziet hij de schoenzolen van zijn grootvader. Deze herinnering is een uitgangspunt.

    Herinneren is ook vergeten wat er was, de ladder aan de muur in zijn grootvaders kamer, ‘Natuurlijk, de houten ladder aan de muur, hoe kan ik die vergeten.’ Als kind vroeg hij waarvoor die was. Voor de dakdekkers, zei zijn grootvader. Daar moest hij het mee doen. Als zijn moeder overlijdt, moet het huis leeg. Hij ontdekt boven in het huis een andere wereld door zijn grootvader gemaakt. Daar diende de ladder voor. Wat de man op zolder vindt doet alles wat hij zich gedacht had over zijn grootvader kantelen. De grootvader wordt betekenisvoller, zijn leven achteraf geheimzinniger. Uit herinneringen wordt een verhaal in momenten verteld, een sfeer van een leven geschetst. De schrijver probeert iets aan het licht te brengen, maar dit boek is geen probeersel. Sommige dingen keren als een refrein terug, ‘mijn bed bezet door onbekende mensen. Dan sliep ik op de gang, zo dicht mogelijk bij de kamer van mijn grootvader.’ Gevolgd door, ‘Steeds moet ik dat opschrijven.’ En dat zegt iets.

    Zijn grootvader vertelde hem, ‘zacht, bijna onverstaanbaar, over zijn vader die een moestuin had.’ Toen deze soldaat werd, verwaarloosde de moestuin. Vijftig pagina’s verder vindt de man die wekelijks in de lunchroom schrijft een briefje waarop zijn moeder schreef, ‘De grootvader van Johan, de vader van opa. Gesneuveld in 1915 bij Zalklikow’. Dan lees ik, ‘Vertelde mijn grootvader eens over hem, had hij een boomgaard?’ en denk, ja, inderdaad, daar heeft hij het eerder in dit boek over gehad! Dat maakt van dit boek een roesachtig verhaal. Er wordt geschreven over herinneringen alsof je ze kunt benaderen, er zo naar toe kunt lopen om ze te inspecteren. Zoals die schoenzolen van zijn grootvader. ‘Nieuw schoenen. Of nieuwe zolen, dat kan ook. Geen restje straatvuil’. Een zeer tedere roman die je opnieuw wilt lezen, om er het ongeschrevene aan te ontfutselen. 

     

     

    De lunchroom / Hans Muiderman / 120 blz. / In de Knipscheer


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Tegen het vergeten

    Tegen het vergeten

    Het was de week van de prijzen. Arnon Grunberg kreeg de P.C. Hooftprijs. Max Verstappen won een race in Qatar (ik weet niets van sport), waar mensenrechten niet worden nageleefd. Er is een foto waarop Verstappen voor zijn bolide knielt, met deemoedig gebogen hoofd, als legt hij het in de schoot van zijn moeder. Grunberg zal beslist een vreugdedansje hebben gemaakt bij het horen van de toekenning. Aleksej Navalny, gevangen in een van de beruchte strafkampen van Rusland kreeg deze week de Sacharovprijs voor de Vrijheid van Denken uitgereikt. In oktober toen hij van de toekenning hoorde, schreef hij op twitter, ‘this is not only an honor, but also a great responsibility.’ Voor je het weet vergeet je mensen die niet vergeten mogen worden. Ik had lang niet meer aan Sacharov gedacht, was Navalny in zijn gevangenschap al bijna vergeten (wat ook de bedoeling is voor wie in Rusland gevangen zit).

    Een prijs is een notitie voor de eeuwigheid. Sacharov zelf werd in 1980 verbannen naar het toenmalige Gorki, de KGB bewaakte hem dag en nacht. Toen Gorbatsjov in 1985 aan de macht was, kwam er een monteur bij Sacharov huis, installeerde een telefoon. Sacharov vroeg waarom, de monteur zei ‘Wacht maar’. De volgende dag belde Gorbatsjov, ‘Meneer Sacharov, u mag terugkomen naar Moskou.’ In Moskou werd hij als een held ontvangen. Dat dacht Navalny waarschijnlijk ook toen hij vanuit Berlijn, waar hij was hersteld van een vergiftiging, terugkeerde naar Rusland, dat hij als een held zou worden ontvangen. Inderdaad stonden er honderden mensen op hem te wachten bij het vliegveld waar hij zou aankomen. Maar de verkeersleiding stuurde op het laatste moment zijn vliegtuig naar een ander vliegveld, waar Navalny direct werd gearresteerd.

    Op de radio hoorde ik een Russisch vertaalster desgevraagd vertellen welke berichten Navalny via social media naar buiten stuurt. Dat het goed met hem gaat. Dat hij in het naaiatelier werkt. Functieomschrijving ‘naaister’, dat vond hij vreemd. Op twitter schreef hij ‘En ik maar denken dat ze dat doen om mij te pesten. Maar er bestaat geen woord voor ‘naaier.’ De vertaalster zei dat een van de mannen die hem gevolgd hebben na zijn vergiftiging, ook ‘Naaier’ heette. ‘Dat vindt Navalny grappig.’ Wat op een geweldige geesteskracht duidt voor een strafkampgevangene. Ze vertelde ook dat Navalny dankbaar is voor zijn strakke dagindeling, om vijf uur opstaan en op tijd naar bed. Dat was hem thuis nooit gelukt, liet hij weten. Hij is ook een ironicus. 

    De boom van hoop is een boek tegen het vergeten. De titel is ontleend aan een verhaal van Varlam Sjalamov over een klein dennenboompje in de Goelag-Archipel dat na snijdende en koude winters zich steeds weer opricht. Grunberg schreef voor deze bundel over Daniil Charms, die om zijn absurdistische verhalen door Stalin gevangen werd gezet. Grunberg leerde van hem, ‘hoe vrolijk – schijnbaar vrolijk – men het slachthuis kan beschrijven.’ Een vrolijkheid waar ook Navalny aan lijdt. Hij schrijft op 26 maart dat hij last heeft van zijn been. ‘In hele delen heb ik geen gevoel meer. Leun ik op mijn rechterbeen dan val ik om. Het is vrij frusterend – de laatste tijd ben ik gewend geraakt aan mijn been. Ik doe er liever geen afstand van.’ Toen Grunberg hoorde dat hij de P.C. Hooftprijs kreeg, moest hij meteen aan zijn ouders denken. Ik vroeg me af of Navalny aan zijn ouders dacht toen zijn dochter in zijn naam de prijs in ontvangst nam. Of hij zijn hoofd in de schoot van zijn moeder zou willen leggen.

     

    De boom van hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland / verschillende auteurs / 175 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Feestje

    Feestje

    Ik werd uitgenodigd voor een verjaardagsfeest. De schrijver vierde zijn vijftigste verjaardag. Als cadeau werd hij geportretteerd, het werd een drieluik waarvoor vrienden, geliefden, ex-geliefden en figuranten poseerden. Het feest was in het huis van zijn overleden moeder. In het drieluik zien we de schrijver als kind, als zoon met zijn vader, als schrijver. Kunstenares Elisa Pesapane ging bij vijftien geportretteerden op bezoek om ze te fotograferen. Over elke ontmoeting schrijft ze een verhaal, samen met het drieluik, werd dit Liefde na Auschwitz. De verhalen beginnen telkens met het vertrek uit haar huis in Haarlem. De taxirit, zoeken naar het juiste huisnummer, de entree, het wordt beschreven. Tijdens het lezen onderzoek ik de afbeeldingen. Pesapane gaat bij ex-vriendin Roos, van wie de schrijver op roemruchte wijze afstand nam, langs. Ze wil haar portretteren met een baby of haas in haar armen. Het wordt een knuffeldier uit de mand bij haar bed. Roos gaat met de knuffel op een klaargezette stoel in de keuken zitten.

    Ik kijk naar het linkerpaneel, Roos zit op de rand van een kaal bed met een haas in haar armen, somber. Ik lees ‘Soms weet je niet wat een model je mee gaat geven, maar vandaag was duidelijk dat er sowieso ook enige pijn van Roos met mij mee naar huis zou gaan.’ Later is ze bij vriend van de schrijver, Karol Lesman, er is een schaakbord. ‘Ik positioneerde Karol in het juiste licht en de juiste houding op een imaginair bed zonder matras en zette het schaakbord op zijn schoot.’ Weer kijk ik naar het linkerpaneel. Twee mannen op de lattenbodem van een bed, rug tegen de muur. Lesman een schaakbord op schoot. Ik lees, ‘Tegen wie schaak ik vandaag?’ vroeg Karol. Zijn buurman [vader van de schrijver] op het bed zonder matras hief zijn glas Riesling om een toast uit te brengen en ergens in de verte riep iemand: ‘Auf bessere Zeiten!’ Het feestje werd een wereld waarbij Alice in Wonderland in het niet valt

    De geliefde van de schrijver wordt bezocht. Pesapane noemt haar de Lorelei, zet haar een feesthoedje op. ‘”Waar is dit voor?” vroeg de Lorelei terwijl ze leunde op de rand van het bed zonder matras en zette haar feesthoedje recht. Er zat een meisje achter haar met een slecht humeur en een dode haas op schoot, wat enig ongemak veroorzaakte in de slaapkamer waar een feestje werd gegeven. “Trek je er niets van aan”, zei een oudere heer vanachter zijn schaakbord, “Daar kan jij niets aan doen, haar haas is onlangs dood neergevallen. Daarom is ze uitgenodigd, misschien kan ze iets opsteken van de aanwezigen,…” Ik kijk, en lees en kijk, zie de liefde, het verdriet, het ongemak. Sommige genodigden kijken hun ogen uit alsof ze niet wisten van die ander in het leven van de schrijver. Ik ken de schrijver verder niet, ik ben er, kruip in de verhalen van Elisa Pesapane, kijk mijn ogen uit, ga nog niet naar huis. Liefde na Auschwitz is niets anders dan liefde, in contrast met de holocaust is niets zoveel als liefde. Ik zoek nog.

     

     

    Liefde na Auschwitz. Op reis met de verslinders en verslondenen van Arnon Grunberg / Elisa Pesapane / Uitgeverij Zoetzuur


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, wast haar mondkapjes.

  • Zonder achternaam

    Zonder achternaam

    Vannacht kon ik niet slapen, ging uit bed. Door het badkamerraam keek ik naar buiten, naar de nevel, het diffuse licht rond de lantaarnpaal voor het huis, de stilte. Liep de gang door, duwde de deur van de kamer open die de kamer van mijn jongste dochter was, nu mijn werkkamer is. Over de tafel de rol pakpapier, om meters weg te kunnen schrijven. Daarnaast mijn broer, met witte baard, tandeloze mond, onbedaarlijk lachend, een kadetje in zijn hand. Ik zet de foto rechtop. In de vensterbank ligt een stapeltje boeken, er staat een gemakkelijke stoel. Ik pak het boek van William Faulkner, Toevlucht. Vanaf de eerste zin vraag ik me af wat ik aan het lezen ben: ‘Van achter het scherm van struiken dat de bron omringde, keek Popeye hoe de man dronk. Van de weg naar de bron liep een vaag pad. Popeye keek hoe de man – een lange, magere man, zonder hoed, met een versleten grijze flanellen broek aan en een tweedjasje over zijn arm – het pad afkwam en knielde om uit de bron te drinken.’ Faulkner schreef niet eenvoudig, ik zal er doorheen zien te komen.

    Het is de jaren dertig in zuid-Amerika, rond Memphis. Popeye drijft een illegale drankstokerij, eeuwig een sigaret in zijn mond. De stokerij zit in een plantershuis van voor de Burgeroorlog. Er wordt een baby in een kist achter het fornuis verborgen, zodat de ratten er niet bij kunnen. De moeder Ruby, kookt voor de mannen die er werken. Er is Tommy, een simpele geest, die steeds ‘besmuikt glimlacht’, vaak hurkt tegen een muur. Er is een oude blinde man, ‘die daar maar aan tafel zit te wachten tot iemand hem voerde.’ Er lopen twee louche figuren rond die de drank verhandelen. Er komt een jongen met zijn zeventienjarig vriendin langs. Hij wil drank kopen. De auto waarmee ze aankomen, weigert bij vertrek. De louche figuren azen op het meisje. De jongen bedrinkt zich steeds. Het meisje weet zich geen raad. Tommy ziet haar angst, zorgt dat ze zich kan verbergen. Ik blijf lezen, (aan de andere kant van de muur kraakt het bed). De jongen gaat, nadat ie in elkaar geslagen is, er vandoor. Het meisje achterlatend in de handen van Popeye.

    Op bladzijde achtennegentig verzamelen zich boeren en jongemannen voor de deur van een begrafenisondernemer, ‘om naar de man te kijken die Tommy heette.’ Ik had het niet zien aankomen, Tommy als lijk op een houten tafel, ‘de zongebleekte krullen op zijn achterhoofd verkleefd door geronnen bloed en geschroeid door kruit, terwijl de lijkschouwer over hem heen gebogen zat en zich van zijn achternaam probeerde te vergewissen. Maar niemand wist die, zelfs niet degenen die hem al vijftien jaar kenden van het platteland of de winkeliers die hem af en toe op zaterdag in de stad hadden gezien, blootsvoets, zonder hoed, met zijn verrukte lege blik en zijn onnozel over een pepermuntbal bollende wangen. Niemand wist beter of hij had er geen.’ Ach, wat een verschrikkelijk boek! Tommie, de enige goede ziel in dit boek, dood! Ik sla het dicht, denk aan alle Tommie’s zonder achternaam. Of ik slapen kon.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

     

  • Prins of kikker

    Prins of kikker

    Ik word wakker, denk aan het meisje in het boek, Ondine. Met haar beeldschone moeder, die geen vaste verblijfplaats voor hen kan vinden, trekt ze van adres naar adres. De moeder is koudbloedig (dat kan, ze is een zeemeermin met benen), maar met een hart vol liefde. Ze houdt zoveel van haar kind, dat ze het eens, als pasgeborene uit haar wieg roofde bij het stel dat het eerst van haar had afgenomen. Ondine is een kind als alle kinderen, glashelder observerend, meegaand op de bewegingen om haar heen, vragend naar het waarom. Een meisje met bolle ogen, transparante huid. Sommigen denken dat ze ziek  is, vragen of ze zo geboren is. De schrik van het ongewone met vragen verbloemen. Ondine maakt een lijstje van de man waar ze tijdelijk bij zijn  ingetrokken, hij blijkt niet zo vriendelijk als ze dachten dat hij zou zijn. Ze schrijft op een papiertje, ‘prins of kikker’ (in schrijfletters gedrukt), vertaalt zijn gedrag in het aantal streepjes. Waarbij kikker ver voorloopt op prins. Zo brengt ze haar omgeving in kaart.

    In de badkamer draai ik de douche open, denk aan Loek en Brenda, die in een woonwagen zonder licht en water, op een strook verontreinigde grond wonen. ‘Soms dreven er plotseling vissen omhoog in de sloten en de kanalen, hun bleke, bolle buiken als een onheilspellend voorteken. Maar Loek en Brenda hadden ergere dingen meegemaakt. Ze wilden opnieuw beginnen, ver weg van de levens die ze hadden geleid, de schulden die uitstonden en de mensen die ze waren geweest.’ Dat je je niet om het klimaat kunt bekommeren als jezelf in de shit zit, dat moet ook maar eens duidelijk zijn. Eens vonden ze een meisje naakt in het gras langs het kanaal waar ze hun dagen vissend doorbrachten (vissen is een manier van leven). Dat meisje werd zwanger van Loek (hij wilde het niet, maar ze was zo aanhankelijk).

    Als ik het espressopotje op het gas zet, denk ik aan Alex en zijn ziekelijke moeder. Op een dag treft hij haar dood aan. Dat hij dan niet weet wat hij met haar lijk moet, zogezegd handelingsonbekwaam is, is schokkend inlevend beschreven. Ze spelen nog lang door mijn hoofd, deze verschillende figuren, de oprechte dialogen. Alex nog even, met zijn collega Rick, die hem aanmoedigt het gezag van zijn moeder te ondermijnen. Alex wil een aquarium, zijn moeder niet. ‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen.’ En Ondine met haar moeder die een bad voor haar hen klaarmaakt. ‘Het water was ijskoud. Ik bibberde en vroeg of er wat warm bij mocht. “Nee,” zei je. “Dan werkt het niet.”‘ De ongerijmdheid van het leven, serieus in vorm gebracht. Geweldig boek, in de zin van sprakeloos, onder de indruk zijn.

    Jeanette Winterson schrijft in haar boek Zwaarte, de mythe van Atlas en Herakles, ‘Sedimentgesteente wordt gevormd in de loop van een tijdspanne waarin de ene laag sediment na de andere op de zeebodem wordt afgezet.’ Ze schrijf: ‘De lagen van het sedimentgesteente zijn als de bladzijden van een boek; op elk ervan staat een verslag van het leven uit die tijd geschreven.’ Ik denk aan dit boek, aan Hier komen wij vandaan.

     

    Hier komen wij vandaan / Leonieke Baerdwaldt /221 blz. / Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Privé aangelegenheid

    Privé aangelegenheid

    Niets is voor altijd. Wat blijft is omzien, gemiste kansen tellen, over de dood spreken we niet. Heimwee is een vals verlangen. Het buldert af en aan, als de Atlantische oceaan op de kust van Figueira da Foz. Als het buldert, sleep ik met meubels door de kamer, zet de tafel ergens anders, trek gordijnen voor de ramen weg, zoek naar een sfeer van toen. Van het boerderij-achtige huis aan de overkant van de IJssel, die zolderkamer, het huis in de stad, de driekamerwoning aan de voet van de Serra de Estrela. Pogend de losse delen waaruit ik besta samen te voegen. Ik zet het espressopotje op het gas, rooster brood, denk aan bacalhau com natas, een visschotel met de smaak van heimwee. Ik eet geen vis meer, zoiets kun je besluiten. In het weekend ging ik naar het filmhuis, zag de film Respect, over Aretha Franklin. Denk aan Martin Luther King, het Amerika van de jaren veertig, vijftig. Ongelijkheid van man-vrouw, zwart-wit, kind-volwassene. Het verhaal van Aretha Franklin voegt zich bij de verhalen in de boeken van Toni Morrison, James Baldwin, Ann Petry, over rassenscheiding. 

    De straat van Ann Petry (1908-1997) verscheen al in 1946, ik las het pas deze zomer. Petry was als journalist gestationeerd in Harlem waar ze geconfronteerd werd met de gevolgen van de segregatie. Ze begon erover te schrijven. De straat gaat over de strijdbare jonge vrouw Lutie Johnson, afkomstig uit de zwarte arbeidersklasse. Het boek werd een bestseller, anderhalf miljoen exemplaren werden er verkocht, nog nooit vertoond door een zwarte schrijfster in een tijd dat zwart èn vrouw niet gewenst was om gelijk te stellen aan blank èn man. Het speelt in de jaren veertig, 116th Street is een straat waar niemand fatsoenlijk kan blijven. Lutie Johnson leeft in de geest van Benjamin Franklin. ‘dat iedereen rijk kon zijn die dat wilde en hard genoeg werkte en genoeg vooruit dacht.’ Tot ze ontdekt dat dit niet voor zwarte mensen geldt. Petry benadert zwart zijn objectief, schrijft, ‘Zelfs al was het choquerend om mensen met een donkere huid te zien, dan nog had ze nooit begrepen waarom mensen met een blanke huid mensen met een donker huid haatten. Want wat anders kon er de oorzaak van zijn dat ze alle negers in een handzaam pakketje met daarop het stempel “zwart” stopten? Een pakketje dat om een bepaald soort baan en een bepaald soort behandeling vroeg.’

    Woorden die nog steeds resoneren, dit boek schokkend actueel maken. Als haar huwelijk strandt, verhuist Lutie met haar zoontje naar Harlem, de enige plek waar ze een betaalbaar onderkomen kan vinden. Haar medeflatbewoners zijn werkeloze dronkaards, bedriegers, bordeelhoudster, louche huisbewaarder, depressieve vrouwen. Allen wonen in ‘smerige, donkere, akelige vallen. Trap op, trap af. Van het kastje naar de muur. Klik zegt de val na de eerste maand huur. Loop maar naar binnen. We leven in een vrij land’. Waar het slavernijverleden de zwarte landgenoten nog steeds in de nek hijgt. Weet dat het uitmaakt waar je ter wereld komt. Dat omkijken geen zin heeft, heimwee een privé aangelegenheid is.

     

    De straat verscheen in vertaling van Lisette Glaswinckel bij AtlasContact (2020).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft op voor een goed verhaal.

     

  • De reiziger

    De reiziger

    Er staat een jongeman in een oranje hesje aarzelend met een motorzaag bij de haag op de scheidslijn van onze tuin. De motor ronkt, ik open de tuindeur, roep, ‘Hey, hallo!’ Hij hoort me niet. Ik loop naar hem toe. Hij trekt de gehoordempers van zijn hoofd. Hij weet niets van hagen die niet gesnoeid mogen. ‘Dat geeft niet’, zeg ik. Het dunne snorretje waarachter een slordig litteken zichtbaar is, trilt. Zijn strakgetrokken ogen kijken me aan alsof er een oppermacht spreekt. Ik denk koffie, zeg, ‘het geeft niet, ik begrijp het, rustig maar’, (nee, niet dat laatste), als heb ik te maken met een in het nauw gedreven hinde (ook jongens zijn hindes). Hij stapt achteruit. Ik zeg nog, ‘Bedankt! Zie hem weglopen. Heb ik nu iemand weggestuurd? Denk aan mijn moeder, voor wie het gewoon was stratenmakers, huisschilders koffie aan te bieden. Ook denk ik de wereld aardig te begrijpen, volg het sociale debat, lees de kranten. Toch heb ik me nog nooit zo onwetend gevoeld als na het lezen van de verhalen van een reiziger, een cultuurverbinder. Over gastvrijheid, waarvan ik alles dacht te weten.

    In de hoofdstad van Albanië ziet de reiziger te midden van nieuwbouw op een eilandje in het midden van de rivier een traditioneel stenen huis. Waarom is dat blijven staan? Zijn gids vertelt over Albanese tradities. Dat je iedereen die aan jouw deur klopt binnenlaat. Ze te eten en een slaapplek geeft zolang ze willen blijven. In dat stenen huis woont een ouder echtpaar dat ooit hun zoon verloor, doodgeschoten door een jaloerse klasgenoot omdat hij zoende met het meisje dat hij ook begeerde. Na de moord klopte de jongen aan bij het huis, de ouders lieten hem binnen, gaven hem een maaltijd, een bed. Een andere traditie zegt dat je met je gasten mag doen wat je wil zodra ze één stap buiten de deur zetten. ‘De vader heeft zijn geweer klaarliggen. De jongen die hem zijn trots en geluk heeft ontnomen, intussen een volwassen man, verlaat het huis niet. Zo is het al jaren. En zolang de situatie niet verandert, blijft het huis daar staan.’

    Waarna dit boek over vreemdelingen, oorlog, gastvrijheid, me niet meer loslaat. Waarin ‘vreemde in eigen stad’ een andere connotatie  krijgt dan die van overlast door vluchtelingen ervaren. De weg teruggaan die de vluchteling gekomen is, dat is wat de reiziger doet.

    Hij bezoekt een kerkhof in Tunis. Een man bij een vuurtje waarboven een koperen theepot hangt, vraagt naar zijn bedoelingen. De reiziger, ‘Mij interesseert de horizon die mensen meenemen naar Amsterdam. Ik denk dat ik ze niet goed kan ontvangen als ik die niet ken.’ De man wijst hem op een oudere dame, haar huishouden om haar heen uitgestald, stapels gevouwen wasgoed. Ze heeft vijf zoons. De moordenaar van Nice, Brahim Aouissaoui, was haar jongste, vertelt de man. Hij sprak hem wel eens, niks mis mee, tikje schichtig. Kocht zich een plek op een boot die het haalde naar Lampedusa. Daar kon hij niet blijven, met zijn laatste geld ging hij naar Frankrijk. Daar liep hij de kathedraal van Nice binnen, vermoorde de koster, twee biddende vrouwen. ‘Sindsdien doet zijn moeder niets anders dan kleren wassen en vouwen en koken voor haar jongens, die ze verbiedt een stap buiten het kerkhof te zetten. Ze mogen niet eens naar de zee kijken. Laat staan ernaartoe. Die mensen hebben geen horizon meer over.’
    Het is een van de mooiste, wonderlijkste verhalen in deze bundel, die al mijn gepolderde ideeën over gastvrijheid onder water zetten. Dan heb ik het nog niet gehad over de jongen die model stond voor de omslag van het boek. Een geweldig mooi boek dat je opnieuw wilt lezen, om het zoekende, de fijnheid van het vertellen. Te achterhalen wat de werkelijkheid is, die steeds iets rechter in beeld te krijgen.

     

    Gastvrijheid / Chris Keulemans / pag. 243 / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.